Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Diever, Brinkstraat 27
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1701.509PHZBrinkstrat27-0002

Toelichting

1 Inleiding
1.1 Aanleiding
Initiatiefnemer is voornemens om op het perceel van Brinkstraat 27 te Diever een woning ten behoeve van permanente bewoning te realiseren. Het perceel is thans eigendom van de initiatiefnemer en in gebruik als zijnde recreatiewoning. Initiatiefnemer is voornemens de recreatiewoning, welke ooit als schuur is gebouwd te slopen en een nieuwe woning met functie "wonen" te realiseren.
 
Het college van de gemeente Westerveld heeft in juli 2016 te kennen gegeven in beginsel en onder voorwaarden positief ten opzichte van de herontwikkeling van de locatie te staan.
 
Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan 'Diever 2006'. Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van een woning voor permanente bewoning niet mogelijk. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken, is derhalve een herziening van het vigerende bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
   
1.2 Ligging van het plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Brinkstraat te Diever (gemeente Westerveld), op de hoek van de Veentjesweg. Het perceel ligt aan de zuid-westzijde van Diever, net op de grens met het buitengebied. Aan de noordzijde grenst het perceel Brinkstraat 25. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan het perceel Kloosterstraat 30. De zuidzijde van het plangebied wordt gevormd door de Veentjesweg. Aan de westzijde is de Brinkstraat gelegen waar het plangebied aan ontsloten wordt. Hiernavolgende afbeeldingen tonen de ligging en begrenzing van het plangebied. 
 
Ligging plangebied (plangebied wit omkaderd)
 
Globale begrenzing plangebied (plangebied wit omkaderd)
 
1.3 Vigerend bestemmingsplan
Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Diever 2006'. Dit bestemmingsplan is op 30 oktober 2008 vastgesteld door de gemeenteraad van Westerveld. Het plangebied heeft de enkelbestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie'.
  
Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan
  
Op bovenstaande verbeelding van het vigerend bestemmingsplan is de ontwikkeling op het perceel aan de oostzijde niet weergegeven. Op onderstaande verbeelding is deze ontwikkeling ingetekend. Deze ontwikkeling is vastgelegd in een wijzigingsplan die in 2013 is vastgesteld op basis van het Facetplan. Dit Facetplan geldt voor de kernen en dus ook voor het bestemmingsplan 'Diever 2006'.
    
Verbeelding vigerend bestemmingsplan oostzijde plangebied (Kloosterstraat 30)
1.4 Leeswijzer
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 wordt een overzicht gegeven van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden. Hoofdstuk 4 bevat de milieu- en omgevingsaspecten. Tot slot bevat de toelichting hoofdstukken over de opbouw, verantwoording en uitleg van de planregels (hoofdstuk 5) en de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan (hoofdstuk 6).
2 Het initiatief
2.1 Huidige situatie
Op onderhavig perceel stond in beginsel een oude boerderij welke door een zware storm is verwoest. Na deze verwoesting is er op een andere plaats op het perceel een nieuwe boerderij opgericht. Na de oorlog is hiernaast een schuur gebouwd waar de ouders van de in de boerderij gevestigde agrariër woonden. Deze bewoning is door voormalig gemeente Diever altijd oogluikend toegestaan.
 
Zoals beschreven in toelichting paragraaf 1.1 van de voorliggende toelichting wordt het huidige pand gebruikt als recreatiewoning en is ook als zodanig bestemd in het bestemmingsplan "Diever 2006". Naast deze recreatiewoning behoort ook het omliggende terrein tot het plangebied. Het pand is oud, slecht gefundeerd, niet geïsoleerd en heeft marginale voorzieningen. Binnen het vigerende bestemmingsplan is het mogelijk een grotere recreatiewoning te bouwen dan reeds aanwezig.
Omdat het pand niet voldoet aan de huidige normen is het noodzaak het pand te ver- of herbouwen. Door de huidige staat en de wens van de initiatiefnemer om een gelijkvloerse woning te realiseren is het economisch niet verantwoord het pand te renoveren. Derhalve is de initiatiefnemer voornemens het pand te slopen en een nieuwe, duurzame woning te realiseren.
  
Het perceel betrekt een grootte van ongeveer 25 meter breed en 45 meter diep en beschikt over een totaaloppervlakte van circa 1.125 m². Hiernavolgende afbeeldingen geven een impressie van het plangebied. In de directe omgeving van het plangebied zijn voornamelijk woningen en agrarisch grondgebied gesitueerd. Aan de overzijde van de Brinkstraat bevindt zich molen de Vlijt, welke een Rijksmonumentale status heeft. Het plangebied vormt de entree van één van de toegangswegen vanuit Oldendiever. De invulling van het plangebied heeft daarom een belangrijke functie bij de beeldvorming van Diever.
        
Impressie plangebied (vanaf Veentjesweg)
 
Impressie plangebied (vanaf Brinkstraat)       
2.2 Toekomstige situatie
De voorgenomen ontwikkeling betreft het realiseren van een nieuwe woning aan de Brinkstraat 27. Om deze woning te kunnen realiseren is het noodzakelijk allereerst de huidige opstal te slopen. Op onderstaande afbeelding is een situatieschets weergeven van de positie van de woning ten opzichte van de omgeving. Van belang hierbij is dat de nieuwbouwwoning zorg draagt voor een sterke ruimtelijke en stedenbouwkundige afronding op de hoek Brinkstraat - Veentjesweg. Tevens verhoudt het bouwplan zich goed op zichzelf alsmede tot de directe omgeving.
 
Situering nieuwe woning in relatie tot de omgeving
 
Omdat de eigenaar en gemeente een eigen visie hadden over de positionering en orientatie van het nieuwe woonhuis, is door B+O Landschap en Stedenbouw een oplossingsrichting bedacht (zie bijlage voor het advies). Uit het advies volgt dat het nieuwe woonhuis een vierkante uitvoering zal krijgen en op grotere afstand van het naastgelegen woonhuis op de Brinkstraat 25 ligt. Derhalve krijgt de woning duidelijk het effect van een hoekpand. De gevels aan de Brinkstraat en Veentjesweg worden gelijkwaardig uitgewerkt. De entree komt aan de Brinkstraat. Qua materialen en kleur sluit het nieuwe woonhuis aan bij de omliggende bebouwing. De kapvorm kan op meerdere manieren. Een piramidekap ligt voor de hand, maar ook een zadelkap is mogelijk. Bij de keuze voor een zadelkap is het belangrijk dat de nok haaks op de Brinkstraat komt en richting de Veentjesweg een forse dakkapel gerealiseerd wordt.
3 Beleidskader
3.1 Rijksbeleid
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De Structuurvisie vervangt een groot aantal verschillende beleidsnota’s op het gebied van ruimte en mobiliteit zoals de Nota Ruimte (2006), Structuurvisie Randstad 2040 en de Structuurvisie voor de snelwegomgeving (2008). Door onder andere nieuwe politieke accenten, veranderende economische omstandigheden, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen zijn de geldende beleidsnota's gedateerd.
 
De visie heeft als doel dat Nederland in 2040 concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig is. Daarbij gaat de visie uit van het ‘decentraal, tenzij...’ principe. Hiermee wordt de ruimtelijke ordening in toenemende mate neergelegd bij gemeenten en provincies. Een rijksverantwoordelijkheid kan aan de orde zijn indien:
  • een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingskracht van provincies en gemeenten overstijgt;
  • over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan;
  • een onderwerp provincie- of landsoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelingsrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is.
Planspecifiek
De aard en kleinschaligheid van de voorgenomen ontwikkeling maakt dat er, los van de ladder voor duurzame verstedelijking, geen raakvlak is met het Rijksbeleid. In toelichting paragraaf 3.1.3 wordt op de ladder voor duurzame verstedelijking ingegaan.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voortaan moeten gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken.
 
In het Barro wordt een aantal projecten die van Rijksbelang zijn met name genoemd en exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het nationale belang dat het stellen van regels voor deze onderwerpen rechtvaardigt, is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.
 
Planspecifiek
Het plan valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Daarnaast is het plan dusdanig klein van schaal dat het niet van nationaal belang is. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:
  1. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;
  2. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;
  3. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.
Planspecifiek
De provincie Drenthe ziet toe op toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking en is geborgd in de omgevingsvisie Drenthe. De ladder voor duurzame verstedelijking van de provincie Drenthe kent dezelfde treden als de landelijke ladder. Derhalve worden in hiernavolgend tekstfragment beide ladders getoetst.
 
Trede 1
De eerste trede vraagt de regionale ruimtevraag (kwantitatief en kwalitatief) voor stedelijke ontwikkelingen te bepalen. Dit betreft wonen, werken, detailhandel en overige stedelijke voorzieningen. Op basis van de regionale Woonvisie Zuidwest Drenthe is onderhavig plan getoetst aan de regionale vraag. Uit toelichting paragraaf 3.3 van deze toelichting blijkt de regionale woningbouwvraag op 400 woningen te zijn gemonitord. De regionale woonvisie richt zich met name op vraaggestuurde ontwikkelingen. Initiatiefnemer wilt de woning zelf gaan bewonen, daarmee is onderhavig plan een vraaggestuurde ontwikkeling. Daarmee bestaat voldoende vraag.
 
Trede 2
Deze trede motiveert of de beoogde ontwikkeling plaats kan vinden binnen bestaand stedelijk gebied. Dat is voor de woning die middels dit plan mogelijk wordt gemaakt het geval. Hergebruik van de bestaande bebouwing is niet mogelijk gezien de staat en de oorspronkelijke aard van de bebouwing.
 
Trede 3
Het plangebied bevindt zich in stedelijk gebied en de ontwikkeling van één woning vervangt een recreatieverblijf. De nieuwe ontwikkeling zal worden afgestemd op de gestelde criteria.  zoals gesteld door de gemeente Westerveld. Daarmee is de bereikbaarheid en de optimale inpassing voldoende gewaarborgd.
 
Hiermee is zowel de Rijksladder als de Provinciale ladder in voldoende mate beantwoord. De afweging aan de hand van de ladders voor duurzame verstedelijking laat zien dat er voldoende basis is  voor onderhavig initiatief.
3.2 Provinciaal beleid
3.2.1 Actualisatie omgevingsvisie Drenthe 2014
In de structuurvisie staat wat de provincie de komende jaren samen met haar partners wil bereiken op het gebied van ruimtelijke ordening. De huidige structuurvisie, de Omgevingsvisie Drenthe 2010, is op 2 juni 2010 vastgesteld door Provinciale Staten, op 2 juli 2014 is de geactualiseerde Omgevingsvisie Drenthe vastgesteld. De provincie Drenthe geeft aan welke doelstellingen zij van provinciaal belang achten, welk beleid bij deze doelstellingen hoort én hoe zij uitvoering geven aan dit beleid in de periode tot 2020, met een doorkijk naar de periode daarna.
 
 De provincie stelt in de Omgevingsvisie dat in de komende jaren er provinciaal een vijftal belangrijke ontwikkelingen zullen gaan spelen:
  • de demografische ontwikkeling;
  • de klimaatverandering;
  •  de afname van de biodiversiteit;
  •  de transitie naar een kennis- en netwerkeconomie;
  • de transitie naar een duurzame energievoorziening.
Met de Omgevingsvisie wordt getracht een antwoord te geven op de vraag hoe met deze ontwikkelingen omgegaan moet worden. Daarnaast staan er diverse ambities en belangen opgesteld. Deze zijn aangevuld met een aantal aspecten die op provinciaal niveau het meest effectief zij te beïnvloeden.    
 
Wonen
De provincie wil investeren in de aantrekkelijkheid van Drenthe als woonprovincie. Drenthe kent karakteristieke woonmilieus die voorzien in de vraag naar landelijk en groen wonen. Bovenlokale afstemming is nodig om vraag en aanbod op de woningmarkt in balans te houden en om de herstructurering en verduurzaming van de woningvoorraad te bevorderen. Het is belangrijk om de woningvraag en het investeringspotentieel te benutten voor het herontwikkelen en transformeren van de bestaande woongebieden in de steden en dorpen. Daarmee geeft de provincie actief invulling aan de SER-Ladder voor zorgvuldig ruimtegebruik van het Rijk.
 
De steden en grotere dorpen vullen een belangrijk deel van de woningopgave in, vanuit hun wens om een goed voorzieningenniveau in stand te houden. De gelaagde kernenstructuur van de regio is de basis voor het invullen van de woningbehoefte. Vanuit de doelstelling om zorgvuldig en doelmatig om te gaan met de ruimte, hanteert de provincie het uitgangspunt 'inbreiding gaat voor uitbreiding'. Dit houdt in dat prioriteit wordt gegeven aan herstructurering (inclusief verduurzaming) van de woningvoorraad en aan het herontwikkelen en herbestemmen van gronden en panden. Daarnaast ligt er een beperkte opgave om de woningvoorraad uit te breiden.
 
Kernkwaliteiten
Ook heeft de provincie een aantal kernkwaliteiten opgesteld:
  • natuur;
  • landschap;
  • rust;
  • aardkundige waarden;
  • archeologie;
  • cultuurhistorie.
De verantwoordelijkheid voor de kernkwaliteiten binnen de bebouwde kom legt de provincie bij de gemeenten. Een uitzondering hierbij is archeologie en in specifieke gevallen voor cultuurhistorie. Het provinciaal belang geldt alleen binnen de bebouwde kom als de desbetreffende kern is opgenomen op de kaart cultuurhistorische hoofdstructuur. Bij onderhavig plan is daar geen sprake van, zoals te zien op onderstaande afbeelding valt het plangebied niet onder gestelde kernkwaliteiten.
  
Uitsnede kaart kernkwaliteiten Omgevingsvisie Drenthe (plangebied binnen wit kader)
  
Duurzaamheidsladder in omgevingsvisie Drenthe
Het toepassen van de ladder vergt een andere manier van denken en handelen en andere financiële modellen. Het betreft nieuwe vormen van planvorming en ruimtelijk ontwikkeling: adaptief, regionaal, dichter op de marktvraag, met kwalitatieve insteek en bovenal maatwerk. De handreiking geeft hiervoor handvatten. Het traditionele verdienmodel in de ruimtelijke ontwikkeling geënt op groei, grondverkoop en nieuwbouw voldoet immers niet meer. Er blijft wel nieuwbouw nodig, maar het gaat om: lange termijn, kwaliteit toevoegen en het onderscheidende vermogen.
      
Planspecifiek
Met onderhavig plan wordt aangesloten op de provinciale ladder voor duurzame verstedelijking (zie toelichting paragraaf 3.1.3) en de in de provinciale omgevingsvisie gestelde uitgangspunten. Voorgenomen ontwikkeling betreft een binnenstedelijke locatie die herontwikkeld wordt van recreatiewoning tot permanente bewoning waarbij sprake is van sloop nieuwbouw. Door de genoemde herontwikkeling wordt er kwaliteit toegevoegd aan de huidige bebouwing en draagt de ontwikkeling bij aan een sterke ruimtelijke en stedenbouwkundige afronding van de hoek Brinkstraat - Veentjesweg. De exacte invulling wordt toegespitst op de wensen van initiatiefnemer om de woning gelijkvloers te maken. Hiermee onderscheidt de woning zich van het bestaande woningbestand en is het levensloopbestendig.
 
Het plangebied valt niet binnen de door de provincie gestelde kernkwaliteiten waarmee het plangebied weinig raakvlak heeft met de provinciale omgevingsvisie. Voorts kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling aansluit bij de provinciale omgevingsvisie Drenthe.
  
3.2.2 Provinciale omgevingsverordening Drenthe
De Provinciale Omgevingsverordening Drenthe (POV) is een belangrijk instrument om het omgevingsbeleid, zoals dat is opgenomen in de Omgevingsvisie Drenthe, uit te voeren.  Omdat de Omgevingsvisie in 2014 is geactualiseerd, is het ook noodzakelijk de POV te actualiseren. Provinciale staten hebben de Omgevingsverordening Drenthe vastgesteld en treedt met ingang van 17 oktober 2015 in werking.
 
De POV bevat het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving van de provincie Drenthe. De verordening legt randvoorwaarden vast waaraan gemeenten zich bij ruimtelijke planontwikkeling moet houden. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de AOD. De verordening omvat in aanvulling op de AOD toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen.
 
Op onderhavig plan zijn voornamelijk artikel 3.15 'Zorgvuldig ruimtegebruik' en artikel 3.25 'Woningbouw' van belang.
 
Zorgvuldig ruimtegebruik (SER-Ladder)
  1. Een ruimtelijk plan kan slechts in ruimtevragende ontwikkelingen voorzien op het gebied van woon-werklocaties en infrastructuur indien uit het desbetreffende ruimtelijk plan blijkt dat dit op basis van de SER-ladder gerechtvaardigd is.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op functioneel aan het buitengebied gebonden bebouwing, waaronder in ieder geval begrepen agrarische bebouwing, bebouwing voor natuurbeheer, voor waterbeheer, voor veiligheid en hulpdiensten de opsporing en winning van delfstoffen als aardgas en aardolie of voor de levering van gas, water of elektriciteit.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op ontwikkelingen die vallen onder een Rood-voor-groen dan wel Ruimte-voor-ruimte regeling.
Met betrekking tot onderhavig plan is enkel het eerste lid van toepassing. 
 
SER-ladder is een methode om te komen tot zorgvuldig ruimtegebruik bij het inpassen van ruimtebehoefte langs de volgende stappen:
  1. gebruik de ruimte die al beschikbaar is gesteld voor een bepaalde functie of door herstructurering beschikbaar gemaakt kan worden;
  2. maak optimaal gebruik van de mogelijkheden om door meervoudig ruimtegebruik de ruimteproductiviteit te verhogen;
  3. indien het voorgaande onvoldoende soelaas biedt, is de optie van uitbreiding van het ruimtegebruik buiten bestaand stedelijk gebied aan de orde. Daarbij dienen de verschillende relevante waarden en belangen goed te worden afgewogen in een gebiedsgerichte aanpak. Door een zorgvuldige keuze van de locatie van de ruimtebehoevende functie en door investeringen in kwaliteitsverbetering van de omliggende groene ruimte moet worden verzekerd dat het meerdere ruimtegebruik de kwaliteit van natuur en landschap respecteert en waar mogelijk versterkt; 
Woningbouw
  1. Een ruimtelijk plan laat geen nieuwe woningbouw toe die buiten de afspraken vallen die de woonregio en de provincie hebben gemaakt over de woningbouwprogrammering en het gestelde in de woonvisie.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing op bedrijfswoningen, een tweede woning bij een agrarisch bedrijf, recreatiewoningen, het splitsen van boerderijen in twee of meer woningen en nieuwbouw die past binnen de kaders van de provinciale Rood-voor-groen dan wel de Ruimte-voor-ruimte regeling.
Met betrekking tot onderhavig plan is enkel het eerste lid van toepassing.   
 
Planspecifiek
In onderhavig plan is sprake van sloop- herbouw binnen het bestaand stedelijk gebied, daarom moet onderhavig plan aan de SER-ladder worden getoetst.
 
In de huidige situatie wordt het plangebied voor recreatieve doeleinden gebruikt en niet permanent bewoond. In de toekomstige situatie zal sprake zijn van permanente bewoning, wat tevens gezien kan worden als intensivering van het gebruik van de beschikbare ruimte. Gezien de huidige staat waarin de huidige woning verkeerd is het niet economisch verantwoord de huidige bebouwing te gebruiken bij herontwikkeling. Hiermee sluit onderhavig plan aan op het principe van de SER-ladder voor zorgvuldig ruimtegebruik. Tevens past het plan binnen de regionale en gemeentelijke beleidskaders zoals is onderbouwd in toelichting paragraaf 3.3 en toelichting paragraaf 3.4 van deze toelichting. Daarmee kan geconcludeerd worden dat onderhavig plan past binnen de Provinciale Omgevingsverordening van de provincie Drenthe.
  
3.3 Regionaal beleid
3.3.1 Regionale Woonvisie Zuidwest Drenthe
Zoals genoemd in toelichting paragraaf 3.2.1 van deze toelichting stelt de provincie Drenthe dat gemeenten binnen hun regio de woningbouwopgave moeten afstemmen. De provincie Drenthe is opgedeeld in drie regio's; Noordmidden Drenthe, Zuidoost Drenthe en Zuidwest Drenthe. Onderhavig plangebied is gelegen in gemeente Westerveld welke samen met gemeenten De Wolden, Hoogeveen en Meppel regio Zuidwest Drenthe vormt. Deze vier gemeenten werken samen in deze regionale woonvisie.
  
Binnen de vier gemeenten in Zuidwest Drenthe wordt onderkend dat in de huidige veranderende woningmarkt afstemming van groot belang is. Kopers zijn veeleisend in het voorzien van hun woonbehoefte en ze kijken over gemeentegrenzen heen. Tegelijk is de huishoudensgroei en de bouwopgave in Drenthe beperkt. In verschillende kernen in de regio Zuidwest is een bevolkingsdaling zichtbaar, vooral in de plattelandsgemeenten en -kernen. Daarnaast heeft de economische crisis invloed op de inkomenspositie van mensen, de arbeidszekerheid en financieringsmogelijkheden en de woningprijzen. Er is sprake van een veranderde woningmarkt, met teruglopende afzetmogelijkheden. Ook is zichtbaar dat bedrijvigheid in bebouwd c.q. stedelijk gebied afneemt. Een transformatie naar woningbouw is dan een logische keuze.
 
Woningbouwopgave
Volgend de bevolkingsprognose XVIII van de provincie Drenthe ligt de woningbouwopgave in de regio Zuidwest op ongeveer 3.700 woningen van 2010 tot 2020. Deze prognose is verwerkt in de Omgevingsvisie Drenthe waarbij wordt uitgegaan van een woningbouwproductie voor de regio Zuidwest-Drenthe van 5.100 woningen van 2008-2020. Specifiek voor Westerveld is de gewenste toename van het woningaanbod gericht op 400 woningen tot 2020. Naar inschatting is het woningaanbod in Westerveld niet geheel toereikend of bereikbaar waardoor mensen vertrekken. Tevens is er nauwelijks sprake van doorstroom. In de toekomst zal meer vraaggestuurd gebouwd gaan worden en zullen projecten in kleine stapjes uitgevoerd gaan worden. Mogelijkheden voor inbreiden verdienen hierbij voorkeur. Hierbij wordt met name gericht op de starter.
  
Planspecifiek
Onderhavig plan betreft het plaatsmaken van een recreatiewoning voor permanente bewoning. In theorie wordt hierbij per saldo niets aan het woningaanbod toegevoegd. Enkel de mate van bewoning wordt hierbij geïntensiveerd. Omdat het plan voorziet in een vraaggestuurde ontwikkeling is het in lijn met de 'Regionale Woonvisie Zuidwest Drenthe'.
 
3.4 Gemeentelijk beleid
3.4.1 Welstandsnota
Op 13 november 2010 is de herziene 'Welstandsnota gemeente Westerveld' in werking getreden. Hiermee is het welstandsbeleid van de gemeente Westerveld vastgelegd. Aanleiding voor deze herziening is de per 1 oktober 2010 ingevoerde Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Met de Welstandsnota wordt duidelijk gemaakt welk welstandsniveau de verschillende gebieden in de gemeente Westerveld wordt gevoerd en op basis van welke criteria aanvragen voor omgevingsvergunningen voor het bouwen of verbouwen van een bouwwerk worden beoordeeld. 
 
Voor het bouwen van bouwwerken binnen het plangebied gelden criteria behorend bij het deelgebied 'kern Diever'.
 
Kern Diever
Van oorsprong is Diever een kern-esdorp. De oorspronkelijke elementen, zoals een aantal historische boerderijen en het wegenpatroon zijn ondanks het gegeven dat een aantal bouwwerken zijn verdwenen en/of vervangen en er een verdichting van de bebouwing heeft plaatsgevonden nog steeds herkenbaar. Uiteindelijk ontstonden door de verdichting van de bebouwing de straatwanden. De voorgevelrooilijnen vertonen een onregelmatig verloop, dit is mede bepalend voor de dorpsstructuur.
De criteria hebben betrekking op de aspecten ligging, massa en vorm, detaillering, materiaal en kleuren. Hierna zijn de meest van belang zijnde criteria opgenomen. 
 
Ligging
  • De bebouwing is evenwijdig en (later) haaks aan de wegen gebouwd;
  • Bestaande situering, rooilijnen en (nok)oriëntatie van de bebouwing zijn maatgevend;
  • Voorgevelstructuur aan de straatzijde;
  • Situering bijgebouwen moet ondergeschikt aan hoofdgebouw plaatsvinden.
 Massa en vorm
  • De karakteristieke bebouwing kenmerkt zich door een lage goot- en bouwhoogte;
  • Bijgebouwen moeten in bouwmassa, goot- en bouwhoogte ondergeschikt zijn aan de hoofdgebouwen op het perceel.
 Detaillering
  • De bestaande houtafmetingen, profilering van kozijnen, (schuif)ramen, deuren, goten en daklijsten behouden.
  • Een sobere, maar zorgvuldige, bij het bouwtype behorende detaillering toepassen;
  • Dakramen en dakkapellen in aantal en omvang beperken. D.w.z. maximaal 1 dakkapel per dakvlak en maximaal 1 dakraam per vertrek;
  • Detaillering bijgebouwen passend en ondergeschikt aan het hoofdgebouw. 
Materiaal en kleurgebruik
  • Gevels van de hoofdgebouwen in steenachtig materiaal, baksteen, kleur (donker)rood, roodbruin;
  • Dakbedekking hoofdgebouwen in niet spiegelende dakpannen of riet;
  • Gevels van bijgebouwen in steen, kleur passend bij het hoofdgebouw, of hout in een donkere kleur;
  • Dakbedekking van bijgebouwen in niet spiegelende dakpannen, riet of eigentijdse materialen zoals dakpanprofielplaten in een donkere kleur.
 
3.4.2 Visie op Wonen 2012 - 2020
Op 8 mei 2012 is de 'Visie op Wonen 2012 - 2020' door de gemeenteraad van de gemeente Westerveld vastgesteld. De woonvisie geeft een actueel overzicht van de gemeentelijke ontwikkelingen op de woningmarkt en vigeerde als basisdocument voor de later op te stellen Structuurvisie. Daarnaast geeft de visie een richtinggevend voor de lokale woonopgave voor de komende jaren. Het doel van de woonvisie is het realiseren van voldoende, kwalitatief goede en behaalbare huisvesting voor alle doelgroepen in de gemeente Westerveld.
 
Het is de ambitie van het college om te zorgen voor een prettige woon- en leefomgeving in Westerveld. Gebaseerd op de aantallen die regionaal zijn afgestemd stelt de visie op wonen een toename van de woningvoorraad van 400
woningen tot 2020. Van deze woningen zijn in de visie op wonen verdeeld in circa 100 (koop)woningen voor starters, circa 100 levensloopbestendige woningen in het goedkope en middeldure segment. Deze woningen zijn bedoeld voor onder andere senioren met en zonder zorgvraag. Circa 50 levensloopbestendige woningen in het dure/ zeer dure segment en circa 100 woningen voor de huursector. Tevens wordt er in de visie voor wonen 50 woningen gereserveerd voor particuliere initiatieven als particulier opdrachtgeverschap. De voorgestelde onderverdeling is echter bij vaststelling van de Structuurvisie losgelaten (zie toelichting paragraaf 3.4.3), hierbij is bepaald dat er marktgestuurd gebouwd gaat worden.
 
Planspecifiek
Het doel van de visie op wonen is het realiseren van voldoende, kwalitatief goede en betaalbare huisvesting voor alle doelgroepen. Onderhavig plan valt binnen de beoogde segmenten van de woonvisie; een levensloopbestendige woning vanuit een particulier initiatief.
3.4.3 Structuurvisie Westerveld
Op 26 november 2013 heeft de gemeenteraad van de gemeente Westerveld de structuurvisie Westerveld vastgesteld. Hierin staan de ambities van de gemeente beschreven en wordt richting gegeven aan de ruimtelijke ontwikkelingen. De structuurvisie vormt een afwegingskader voor initiatieven van derden maar geldt ook als inspiratiebron en uitnodiging richting bewoners, ondernemers en andere partijen uit de samenleving om initiatieven te ontplooien die bijdragen aan het bereiken van de ambities. De structuurvisie wordt gevormd door de kernkwaliteiten van de gemeente: sociaal, toeristisch/landschappelijk en cultuurhistorisch). In de structuurvisie doet het bestuur op hoofdlijnen uitspraken over de thema's zoals de ruimtelijke structuur, woonaanbod en omgeving, welzijn en voorzieningen, economie en werkgelegenheid en mobiliteit. Daarmee bepaalt de structuurvisie ook de richting van de bestemmingsplannen die in de toekomst worden opgesteld. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de structuurvisiekaart weer. Het plangebied is hierop aangemerkt als 'kern'.
 
Uitsnede structuurvisie Westerveld (plangebied binnen zwart kader)
 
Gemeente Westerveld wil kansen die zich op de woningmarkt voordoen zo goed mogelijk benutten. Voorheen was er sprake van een sterk regulerende overheid, de gemeente had ook relatief veel financiële middelen en kon daarom een actieve initiërende rol spelen bij bouwprojecten. Er is sprake van een verschuiving naar een meer toetsende maar ook uitnodigende rol. De ruimtelijke dynamiek moet meer vanuit de markt zelf komen waarbij er ook meer ruimte voor de burger en de markt is. De gemeente wilt op initiatieven en plannen een goede regie voeren zodat de plannen kwantitatief en kwalitatief de juiste bijdrage leveren aan goed en zorgeloos wonen in Westerveld. De gemeente zal de initiatieven voor woningbouw en herstructurering van de bestaande woningvoorraad, op de bijdrage aan de kwaliteiten van de woonbuurten en de kern waar het bouwplan gerealiseerd gaat worden beoordelen. De initiatieven worden daarnaast beoordeeld op de bijdrage aan het vergroten en versterken van de woningvoorraad voor de kwetsbare doelgroepen. Hierbij heeft levensloopbestendig en flexibel bouwen de voorkeur omdat hierdoor op termijn meerdere doelgroepen kunnen worden bediend.
 
Als algemene criteria hanteert de gemeente:
  • de bijdrage aan de gewenste diversiteit van de opbouw van de woningvoorraad in de dorpen;
  • de bijdrage aan de gewenste verhuisdynamiek (doorstroming) in de dorpen;
  • de bijdrage aan gewenste stimulering van belangrijke doelgroepen;
  • de bijdrage aan de ruimtelijke karakteristiek en omgevingskwaliteit van de dorpen;
  • de duurzaamheid van de ontwikkeling.
Voor uitbreiding van woningen binnen de bebouwde kom en de verhouding bebouwing en openbare ruimte (recreatie, spelen, groene ruimte) hanteert de gemeente op bestemmingsplanniveau de uitgangspunten zoals deze zijn verwoord in de verschillende bestemmingsplannen voor de kernen.
 
Planspecifiek
Op de structuurvisiekaart is het plangebied aangegeven als dorpskern Diever. Het wijzigen van de functie 'recreatieverblijf' in de functie 'wonen' is beleidsmatig dan ook passend. Daarnaast voorziet het plan in een levensloopbestendige woning waarmee het bijdraagt aan de gewenste opbouw van de woningvoorraad, de gewenste verhuisdynamiek en duurzaamheid van de ontwikkeling en dus aansluit op de gestelde uitgangspunten. Tevens wordt met de realisatie van de woning de huidige, in matig verkerende staat zijnde recreatiewoning gesloopt. Hiermee draagt het plan bij aan de omgevingskwaliteit van Diever. Tevens sluit de ontwikkeling aan bij de onlangs gebouwde woning op de hoek Kloosterstraat-Veentjesweg. Op deze manier ontstaat er een beter afgerond geheel voor het gebied Brinkstraat, Veentjesweg en Kloosterstraat. Tot slot wordt met de voorgenomen ruimtelijke invulling op harmonieuze wijze bijgedragen aan de ruimtelijke karakteristiek passend bij de kern van Diever en het agrarisch landschap. Daarmee kan geconcludeerd worden dat het voornemen in overeenstemming is met de gemeentelijke structuurvisie.
4 Uitvoerbaarheid
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
4.1 Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:
  1. het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig;
  2. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht;
  3. het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd;
  4. de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Planspecifiek
Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat de beoogde ontwikkeling valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (namelijk de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen D 11.2 ), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen. Omdat het in onderhavig plan gaat om slechts 1 woning (minder dan 1% van de drempelwaarde) kan afgezien worden van een m.e.r.-beoordeling en kan worden volstaan met het de reguliere onderzoeken naar de haalbaarheid in het kader van een goede ruimtelijke ordening.
 
4.2 Bodem
Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.
 
Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk.
 
Wanneer onderzoek noodzakelijk is wordt in eerste instantie volstaan met een historisch vooronderzoek. Wanneer uit het vooronderzoek blijkt dat op grond van de resultaten een verontreiniging te verwachten is, dient een verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
 
Planspecifiek
Met de voorgenomen ontwikkeling vindt een bestemmingswijziging plaats van 'Recreatie' naar 'Wonen'. Derhalve is door Bakker Milieuadviezen Waalwijk op in december 2014 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage). Op basis van het hierboven genoemde bodemonderzoek kan voor de onderzoek locatie het volgende worden geconcludeerd: 
  • In de bovengrond zijn lood en PAK in gehalten boven de A W 2000 aangetroffen, hetgeen toegeschreven kan worden aan de algemeen in geringe mate aangetroffen puin- en kooldeeltjes. Deze lichte verhogingen hebben geen consequenties voor de bestemming wonen;
  • In de ondergrond zijn alle parameters uit het standaardpakket in gehalten beneden de AW 2000 aangetroffen;
  • In het grondwater zijn de gehaltes aan barium en koper boven de streefwaarden aangetroffen. Deze lichte verhogingen, die met name voor barium regelmatig worden aangetroffen, hebben geen consequenties. 
Op grond van de resultaten van het onderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen nieuwbouw van een woning.
4.3 Luchtkwaliteit
In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
 
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 μg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
 
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
   
Planspecifiek
Voor kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het ministerie van Instastructuur en Milieu in samenwerking met InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan de concentratie van een stof in de buitenlucht.   
Uitsnede NIBM tool
 
Uit de hiervoor weergegeven uitsnede blijkt dat het project niet in betekende mate bijdraagt aan het jaargemiddelde voor luchtkwaliteit. Ten opzichte van de huidige situatie zal, conform CROW publicatie 317, het maximaal aantal verkeersbewegingen per dag met 6 toenemen. Hierbij is uitgegaan van 8.2 verkeersbewegingen per etmaal per woning. Derhalve kan gesteld worden dat er sprake is van een NIBM-bijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hiermee vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.4 Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
  • woningen;
  • geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
  • andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
 
De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Zo stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. De voorkeursgrenswaarden is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien na akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een hogere voorkeursgrenswaarde procedure. De maximale ontheffingswaarde voor nieuw te bouwen woningen in stedelijk gebied is 63 dB.
 
Planspecifiek
In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig, tevens bevinden zich geen bedrijven in de directe omgeving van het plangebied. Daarmee zijn er vanuit industrielawaai en spoorweglawaai geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
 
De beoogde woning ligt wel in de geluidszone van de Brinkstraat en de Veentjesweg. De geluidbelasting op de gevel mag volgens de Wet geluidhinder ten hoogste 48 dB zijn, of 58 dB als deze hogere waarde wordt toegestaan door burgemeester en wethouders. Ten aanzien van wegverkeerslawaai is een nadere beoordeling gewenst. Het plangebied is niet gelegen binnen een onderzoekszone van wegen met snelheidsregimes van 50 km/uur of hoger. Zowel de Brinkstraat, Veentjesweg en Oldendiever kennen een snelheidsregime van 30 km/uur en een beperkt aantal verkeersbewegingen per etmaal. Daarmee kan worden aangenomen dat de geluidsbelasting op de gevels van de beoogde woning voldoet aan de gestelde maximalen. Derhalve geldt zowel vanuit de Wgh als vanuit een goede ruimtelijke ordening geen nadere onderzoeksverplichting.  
4.5 Milieuzonering
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
 
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
 
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
 
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
  • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek
Aangezien in de directe omgeving van het plangebied alleen woningen voorkomen, kan gesteld worden dat er geen hinder is van omliggende bedrijven die van invloed is op de kwaliteit van het woon- en leefklimaat in het plangebied.
Hiermee vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.6 Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
  • risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
 
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar
Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
 
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.
 
Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.
 
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen
Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
 
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.
 
Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.
 
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
 
Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.
 
Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
 
Planspecifiek 
Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De volgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:
 
Uitsnede risicokaart (plangebied binnen zwart kader)
 
Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen in of in de directe nabijheid van het plangebied voorkomen. Het plangebied ligt niet binnen invloedsgebieden van Bevi-inrichtingen, veiligheidsafstanden van overige stationaire risicobronnen, invloedsgebieden van relevante buisleidingen en de invloedsgebieden van basisnetroutes weg, spoor en vaarwegen.
Hiermee vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.7 Cultureel erfgoed
4.7.1 Cultuurhistorie
Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen.
 
Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
 
Beleid gemeente Westerveld
De gemeente Westerveld beschikt over een cultuurhistorisch rapport 'Tussen Havelterberg en Lheebroek: een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Westerveld' (30 januari 2012). In de gemeente Westerveld zijn 31 verschillende landschapstypen onderscheiden, variërend van de essen en bouwlandkampen tot diverse beekdal- en heideontginningslandschappen. In het rapport worden de kenmerken van deze landschapstypen nader omschreven. Daarnaast is een groot aantal cultuurhistorisch waardevolle elementen in beeld gebracht, variërend van historische wegen en waterlopen tot strubbenbossen, monumentale gebouwen, structuren die verband houden met de Drentse Hoofdvaart, markegrenzen en sporen van de Tweede Wereldoorlog. Tezamen vormen deze elementen de basis voor een gebiedsgerichte planologische en beleidsmatige benadering van cultuurhistorie.
 
Planspecifiek
Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart weer.
 
Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart (plangebied witte cirkel)
 
Uit de cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het landschap 'historische kern met huispercelen'. Voorts zijn binnen het plangebied geen beschermwaardige structuren of gebouwen (monumenten) aanwezig. Wel ligt op circa 65 meter afstand de korenmolen De Vlijt. Deze molen is typerend voor historische nederzettingslocaties uit 1832 en behoort tot een van de rijksmonumenten die de gemeente rijk is. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een woonhuis gebouwd, en daarvoor de bestaande, vervallen opstal gesloopt. Derhalve vindt met de ontwikkeling een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit plaats, mede door de stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing die de ontwikkeling met zich meedraagt. Dit leidt tot een goede harmonieuze situatie tussen de bestaande omliggende bebouwing en de agrarische omgeving. Op het gebied van cultuurhistorie worden derhalve geen belemmeringen voorzien voor de beoogde ontwikkeling.
4.7.2 Archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet en de Wet op Archeologie en Monumentenzorg. Op basis van deze wetten zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat waar nodig die waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.
 
Planspecifiek
Onderhavige ontwikkeling betreft het voornemen een nieuwe woning te bouwen ter vervanging van de huidige, vervallen opstal op de hoek Brinkstraat/Veentjesweg in Diever. Hiervoor moet het bestemmingsplan gewijzigd worden. Archeologisch onderzoek is onderdeel van de procedure.
 
De gemeente Westerveld beschikt over een archeologische verwachtings- en beleidskaart. Op de archeologische verwachtingskaart zijn de archeologische waarden en verwachtingen weergeven. Volgens de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Westerveld  (onderstaande afbeelding) heeft het plangebied, na extrapolarisatie vanuit de omliggende verwachtingen een middelhoge tot hoge archeologische verwachting. Het beleid van de gemeente voor dergelijke gebieden is: 
  • Bij ingrepen groter dan 1000m² en dieper dan 30cm is het uitvoeren van archeologisch onderzoek verplicht. Dit onderzoek bestaat in eerste instantie uit een verkennend booronderzoek (6 boringen per ha.), zo nodig wordt ook een karterend onderzoek uitgevoerd.
Uitsnede Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Westerveld (plangebied binnen zwart kader)
 
Conclusie
Het uitvoeren van archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. De bouw van één woning blijft ruim binnen de onderzoeksgrens van 1.000 m². Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
 
Indien bij de werkzaamheden archeologische vondsten (zogenaamde toevalsvondsten) worden aangetroffen is men conform artikel 53 van de Monumentenwet 1988 verplicht deze te melden bij het bevoegd gezag.
4.8 Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:
  • bescherming van de biodiversiteit in Nederland;
  • decentralisatie van verantwoordelijkheden;
  • vereenvoudiging van regels.
Gebiedsbescherming
Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. 
 
Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang: 
  • vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
  • verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
  • verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming
De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:
  • strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.          
Ten opzichte van de oude Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd.
 
Planspecifiek
Voor de ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (zie bijlage). In dit onderzoek worden de volgende vier dingen geconcludeerd:
  1. In het plangebied komen mogelijk beschermde diersoorten van de Flora en faunawet voor. Het is aannemelijk dat het plangebied geen essentiële functie heeft voor deze soorten. Tevens betreft het soorten waarvoor vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Jaarrond beschermde nesten zijn niet aangetroffen. Broedgevallen van kleine zangvogels kunnen worden uitgesloten.
  2. Langs de locatie zijn twee bomenlanen gesitueerd (Veentjesweg en Brinkstraat) die mogelijk door vleermuizen worden gebruikt als vliegroute en/of foerageergebied. De ruimtelijke ingreep leidt mogelijk tot tijdelijke verstoring van algemene soorten en vleermuizen (lichtverstoring). Beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt conform de Flora en faunawet worden niet verwacht. Nader onderzoek naar het voorkomen van soorten wordt niet nodig geacht.
  3. Mits maatregelen ten aanzien van verlichting worden getroffen blijven significant negatieve effecten uit en leidden de werkzaamheden aannemelijk niet tot overtreding van de Flora en faunawet. Er behoeft geen ontheffing van de Flora en faunawet aangevraagd te worden.
  4. De planlocatie is behoudens twee Nationale Landschappen geen (onderdeel van) een Natura 200 gebied, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park of Ecologische Hoofdstructuur. Negatieve effecten ten aanzien van gebiedsbescherming in het kader van een Nationaal Landschap en externe werking kunnen worden uitgesloten.
Voorts wordt er, naast het voorzichtig handelen met alle voorkomende flora en fauna de volgende handeling aanbevolen:
  1. Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig gehandeld worden met alle voorkomende flora en fauna (algemene Zorgplicht).
  2. Werkzaamheden aan het dak uitsluitend tussen zonsopkomst en zonsondergang uitvoeren of een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen teneinde verstoring van potentiële vlieg- en foerageerroutes te voorkomen. Hieronder kan onder ander worden verstaan; beperkte hoogte van lichtmasten, verlichting naar beneden richten en convergeren, toepassing van UV-vrije verlichting, gebruik van sterk bundellicht vermijden et cetera.
4.9 Verkeer en parkeren
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuwe project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.
4.9.1 Verkeer
Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
 
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
 
Planspecifiek
De verkeersaantrekkende werking van de beoogde ontwikkeling bedraagt circa 8,2 verkeersbewegingen, dit zijn circa 6 verkeersbewegingen meer dan in de huidige situatie. Gelet op de dimensionering en de bestaande verkeersdruk op de Brinkstraat, Veentjesweg en het onderliggende wegennet zal dit aantal niet leiden tot nieuwe knelpunten.
4.9.2 Parkeren
Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.
 
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen.
 
Planspecifiek
Het plan beoogt de bouw van een nieuwe woning en vervangt hierbij een recreatieverblijf. Voor deze woning geldt, een parkeernorm gemiddeld 2,3 parkeerplaats per woning, uitgaande van de ligging in een 'weinig stedelijk' gebied en 'rest bebouwde kom'. In de huidige situatie geldt een parkeernorm van 1,7. Het parkeren zal op eigen terrein worden opgelost, zoals in de huidige situatie ook van toepassing is. Omdat het om relatief ruime woonperceel gaat, zijn hiervoor voldoende ruimtelijke mogelijkheden aanwezig.
4.10 Waterhuishouding
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
4.10.1 Generiek beleid
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
 
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. 
Waterwet
Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning.
  
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
4.10.2 Waterschap Drents Overijsselse Delta
Het Waterschap Drents Overijsselse Delta is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. Het waterschap zorgt voor:
  • een goede bescherming tegen hoogwater;
  • een goed functionerend regionaal watersysteem;
  • het zuiveren van afvalwater.
In het waterbeheerplan wordt beschreven hoe het waterschap dit in de periode 2016-2021 gaat doen. Ook worden de benodigde maatregelen voorgesteld. Het waterbeheerplan geeft vooral de koers aan voor de komende jaren. In het kort volgt een toelichting op de doelen in het waterbeheerplan:
  • Overstromingen, wateroverlast of droogte te voorkomen of beperken. Inwoners kunnen hierdoor op een goede manier wonen en werken. Boeren en natuurbeheerders kunnen goed gebruik maken van de grond.
  • Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het water in de volle breedte. Een goede ecologische en chemische kwaliteit van het (oppervlakte)water is belangrijk. Het water is schoon en gezond en inwoners kunnen hiervan genieten. Ook de doelen voor waterkwaliteit die voortvloeien uit Europese wetgeving; de Kaderrichtlijn Water (KRW) maken onderdeel uit van het plan.
  • Afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties effectief en efficiënt behandelen. Het waterschap probeert  schadelijke stoffen uit het water te halen. Ook wil het waterschap van deze stoffen nieuwe producten maken en nieuwe toepassingen zoeken. 
Keur en uitvoeringsregels
Op grond van de Waterwet is het waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan regels voor:
  • waterkeringen (onder andere dijken, kaden, muren);
  • watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken);
  • andere waterstaatswerken (o.a. duikers, stuwen, sluizen en gemalen);
  • grondwateronttrekkingen/infiltratie.
De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt.
 
Voor de binnenplanse ontheffingen is een watertoets noodzakelijk als er gebouwd wordt in een risicogebied en/of de toename van verhard oppervlak meer dan 1.500 m² bedraagt. Indien de toename aan verharding minder bedraagt dan 1.500 m², dan geldt alleen de algemene zorgplicht.
 
Riolering en afkoppelen
Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het hoogheemraadschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het hoogheemraadschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze volgorde houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen.
 
De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.
4.10.3 Watertoets
De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.
 
Waterhuishouding
Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1.500m².
 
Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer
In het plan wordt gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaan rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen.
 
Aanleghoogte van de bebouwing
Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast.
 
Watertoetsproces
Waterschap Reest en Wieden (per 01-01-2016 overgegaan naar Drents Overijsselse Delta) is geïnformeerd over het plan via de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen conform de Handreiking Watertoets III. Waterschap Reest en Wieden geeft een positief wateradvies.
5 Juridische planbeschrijving
5.1 Algemeen
Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
 
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
 
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc.. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels
De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. 
 
Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
  • Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan);
  • Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.4 Wijze van bestemmen
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:
 
Tuin
De voor Tuin aangewezen gronden zijn met name bestemd voor tuinen, behorende bij  de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. Tevens zijn de gronden bestemd voor erkers, behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van erkers ten behoeve van de aangrenzende hoofdgebouwen. De bebouwingsregels voor deze erkers en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn in de planregels bij deze bestemming opgenomen.

Wonen
De voor Wonen aangewezen gronden zijn met name bestemd voor wonen en aan-huis-verbonden beroepen. De bebouwingsregels voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn in de planregels bij deze bestemming opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen, en aanbouwen en bijgebouwen. Onder stringente voorwaarden zijn aan-huis-verbonden beroepen in de woning rechtstreeks toegestaan. Binnen de bestemming is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor het toestaan van lichte bedrijvigheid als nevengeschikte activiteit bij de woonfunctie.

Archeologisch waardevol gebied (dubbelbestemming)
De voor 'Archeologisch waardevol gebied aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de voorkomende archeologische waarden. Voor deze gronden zijn bouwvoorschriften opgenomen in de planregels.
6 Uitvoerbaarheid
6.1 Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan.
In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek
De economische uitvoerbaarheid van de ontwikkeling is gewaarborgd door middel van een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en initiatiefnemer. De bijkomende procedurekosten, waarbij ook eventuele planschadeafwikkeling onderdeel van uitmaakt, zullen voor rekening van de initiatiefnemer zijn.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Algemeen
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
 
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 
 
Overleg
In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro is het plan voorgelegd aan de provincie Drenthe en het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Het waterschap geeft aan dat de waterparagraaf voldoet. Het plan geeft voor het waterschap geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen. De provincie Drenthe geeft eveneens aan dat het plan geen aanleiding geeft tot op- of aanmerkingen.
 
In aanloop tot dit bestemmingsplan is door de initiatiefnemer overleg gevoerd met de direct omwonenden. Op basis van deze overleggen en met in achtname van het gemeentelijk stedenbouwkundig advies is de positionering van de woning op de kavel bepaald. 
 
Zienswijzen
Gedurende de periode van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan is 1 zienswijze ingediend. Door de indiener van de zienswijze is verzocht de kapvorm, zoals voorgeschreven in het advies van B+O, ook in de planregels op te nemen. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan wordt dit opgenomen in de planregels.