direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Dwingeloo, Boterveen 14A
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1701.509PHZBoterveen14A-0003

Toelichting


Hoofdstuk 1 INLEIDING

1.1 Aanleiding

Aan de Boterveen 14a te Dwingeloo is een Arnicakwekerij gevestigd. De eigenaar van dit bedrijf wil graag een bedrijfswoning realiseren. In de huidige situatie staat op de locatie een kleine schuur, waarvoor in het geldende bestemmingsplan geen bouwblok is aangegeven. Onlangs is de agrarische bestemming in het recent vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Westerveld vanwege een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State komen te vervallen. Hierdoor is het oude bestemmingsplan Buitengebied van de voormalige gemeente Dwingeloo weer van kracht geworden. De ontwikkeling is dan ook niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan.

Om de beoogde bedrijfswoning planologisch mogelijk te maken is een wijziging van het nu nog geldende bestemmingsplan nodig. Dit voorliggende bestemmingsplan voorziet daarin. In dit plan is zowel de bedrijfswoning als de bij de kwekerij behorende gronden geregeld.

1.2 Plangebied

Het plangebied ligt in het oosten van de gemeente Westerveld, op ongeveer 5,5 kilometer ten noordoosten van de kern Dwingeloo. Het betreft de huidige gronden van de kwekerij. In figuur 1 is de ligging van het plangebied op een luchtfoto weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509PHZBoterveen14A-0003_0001.png"

Figuur 1 Ligging van het plangebied (bron: Bing Maps)

1.3 Planologische regeling

Het plangebied is planologisch geregeld in het bestemmingsplan “Buitengebied” van de voormalige gemeente Dwingeloo (1993). Het perceel heeft hierin een agrarische bestemming zonder bouwmogelijkheden.

Op 5 juli 2012 is het bestemmingsplan Buitengebied Westerveld door de gemeenteraad van Westerveld vastgesteld. Hierin heeft het perceel de bestemming 'Agrarisch – 1'. De schuur is geregeld met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – schuur'. Verder zijn enkele aanvullende bestemmingen en aanduidingen op de locatie van toepassing. Het vastgestelde bestemmingsplan is met ingang van 26 juli 2012 gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens de termijn van de ter inzage legging zijn beroepsschriften bij de Raad van State ingediend. Een verzoek om voorlopige voorziening is op 6 november 2012 afgewezen. Ondanks dat dit oordeel een voorlopig karakter heeft en niet bindend is, is het bestemmingsplan daarmee wel in werking getreden.

Op 6 augustus 2014 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan inzake het bestemmingsplan Buitengebied. In de uitspraak zijn de agrarische bestemmingen vernietigd en uit het plan gehaald. Voor het nu geldende plan heeft het plangebied enkel de dubbelbestemming `Waarde – Archeologie 3`, de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone – laagvlieggebied' en, op het noordwestelijk deel, de bestemming 'Leiding – Gas'

Voor het onderhavige plangebied betekent dit dat het voorheen geldende planologische regiem opnieuw van kracht wordt. Het bouwen van een bedrijfswoning bij de kwekerij is op basis van dat plan niet mogelijk.

1.4 Leeswijzer

In het volgende hoofdstuk van dit bestemmingsplan wordt het plan beschreven. Daarbij komt de huidige situatie aan bod en wordt vervolgens ingegaan op de nieuwe situatie. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader geschetst dat relevant is voor het plan. Daarbij wordt ingegaan op het provinciaal en gemeentelijk beleid. Onderwerp van hoofdstuk 4 zijn de omgevingsaspecten waaraan de nieuwe ontwikkeling is getoetst. Zowel bij het beleid als bij de omgevingsaspecten is archeologie een belangrijk aspect. In hoofdstuk 5 wordt de uitvoerbaarheid van het plan toegelicht. Dit is opgesplitst in maatschappelijke uitvoerbaarheid en economische uitvoerbaarheid. Tenslotte is in hoofdstuk 6 de juridische regeling opgenomen.


Hoofdstuk 2 PLANBESCHRIJVING

2.1 Bestaande situatie

Het plangebied van dit bestemmingplan heeft betrekking op het gehele kwekerij bedrijf aan de Boterveen 14a te Dwingeloo om zodoende de agrarische percelen ook actueel te bestemmen. Rondom de kwekerij liggen diverse woningen verspreid gelegen die in het bestemmingsplan Buitengebied Westerveld zijn bestemd. De percelen zijn gelegen in het Veldontginningslandschap tegen de rand van een es, welke is begrensd door een houtwal.

De kernkwaliteiten van het veldontginningslandschap zijn:

• overwegend open, plaatselijk verdicht met bosjes, houtwallen en singels;

• in gebruik als bouw- en grasland;

• percelering afhankelijk van ontginning en ruilverkaveling;

• bebouwing voornamelijk langs ontginningsassen.

Het gebied ligt tussen twee essen, welke omringd worden door beekdalen. Ten noorden van het gebied bevindt zich een es, met voornamelijk agrarisch grondgebruik. Het westen van het gebied beslaat voornamelijk open agrarisch gebied met daarbij verspreid gelegen voormalige boerderijen.

Tegen het zuidelijk gedeelte van het plangebied grenst een voormalig boerderijpand met daarachter een bos/natuurgebied. Doordat de verschillende percelen en gebieden zijn afgebakend met houtwallen ontstaat een besloten landschap.

Binnen het plangebied staat één kleine schuur. Verder bestaat het gebied uit de gronden van de kwekerij. Daar het plangebied aan de rand van een es is gelegen zijn rondom het plangebied esrandbeplanting en houtwallen aanwezig. Het plangebied is circa 135 meter diep en circa 100 meter breed. Het heeft hiermee een oppervlakte van ruim 1,3 hectare. De huidige inrichting van het plangebied is weergegeven in figuur 2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509PHZBoterveen14A-0003_0002.png"

Figuur 2 Huidige situatie

2.2 Nieuwe situatie

Het plan omvat het oprichten van een bedrijfswoning op het noordelijk deel van het perceel. Deze woning is gelegen aan de Boterveen, nabij de entree van de kwekerij. De beoogde situatie is weergegeven in figuur 3.

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509PHZBoterveen14A-0003_0003.png"

Figuur 3 Beoogde situatie

De bedrijfswoning wordt gebouwd in de vorm van een eco-woning c.q. bunkerwoning. Dit betekent dat de woning wordt omgeven door een grondwal. In figuur 4 is een schematisch aanzicht op de woning weergegeven. De woning is georiënteerd op de kwekerij en is door de bouwwijze vanaf de weg nauwelijks zichtbaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509PHZBoterveen14A-0003_0004.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509PHZBoterveen14A-0003_0005.png"

Figuur 4 Voor- en achtergevel van de bedrijfswoning

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509PHZBoterveen14A-0003_0006.png"

Figuur 5 Plattegrond van de nieuw te bouwen bedrijfswoning

Op de plattegrond van de woning (figuur 5) is de indeling van de woning te zien. De woning wordt gebouwd in een brede grondwal. Slechts op twee punten is de woningen open getrokken. Het betreft openingen bij de entree van het huis en aan de achterzijde van het huis met uitzicht op de kwekerij gronden. In de volgende paragraaf wordt verder ingegaan op de landschappelijke inpassing van de woning.

Het perceel wordt goed ontsloten door de Boterveen. Richting het noorden en zuiden geeft deze weg respectievelijk aansluiting op de N371 en N855. Het parkeren zal plaatsvinden op eigen terrein. Hier zal sprake zijn van voldoende parkeergelegenheid.

2.3 Ruimtelijke inpassing

Het gebied kenmerkt zich als een groot open, tamelijk kaal landschap. De nieuw te bouwen woning past dan ook geheel in dit beeld. De brede voorgevel is slechts vier meter hoog en is geheel omzoomd door een grondwal. Hierdoor heeft de relatief grote woning een kleine impact op zijn omgeving doordat het totale perceel is ingepast in de bestaande houtsingel en esrandbeplanting en daarmee het landschap.

Het inpassen van de woning zal onder meer geschieden door het 'aanaarden' van het gebouw. Aan de straatzijde zal de bedrijfswoning zijn ingebed in aarden wallen. Deze taluds worden beplant met inheemse struiken en planten die de lokale biodiversiteit bevorderen. Aan deze zijde bevindt zich tevens de entree.

Aan de straatzijde zal de woning eruit zien als een groene wal. Een dergelijke wal bevindt zich ook nu al rondom het terrein, dus in feite verandert de komst van de bedrijfswoning weinig tot niets aan het aanzicht van het terrein. Op die manier wordt de omgeving ten volle gerespecteerd in het ontwerp. De achterzijde, die richting het terrein wijst, zal bestaan uit een glazen pui die optimaal gebruik van de zonnewarmte mogelijk maakt.

Voorgaande landschappelijke inpassing wordt gevisualiseerd in figuur 6.

afbeelding "i_NL.IMRO.1701.509PHZBoterveen14A-0003_0007.png"

Figuur 6 Landschappelijke inpassing

2.4 Noodzaak bedrijfswoning

Over voorgestelde planning hebben sinds 2008 diverse overleggen plaats gevonden tussen de initiatiefnemer, de gemeente en de provincie. Aangegeven is dat een bedrijfswoning, met een bescheiden bedrijfsruimte, mogelijk is bij de Arnica kwekerij, op voorwaarde dat het bedrijf zich ontwikkeld tot een volwaardige bedrijfsomvang.

Het bedrijf is in de afgelopen jaren fors uitgebreid tot een bedrijf met internationale allure. Hierdoor heeft de bedrijvigheid zich ontwikkeld tot een volwaardige bedrijfsomvang. Het bedrijf acht het daarom noodzakelijk om een woning ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering te bouwen. Daarnaast is het voor de aansturing van de kwekerij noodzakelijk om in verband met het toezicht op het bedrijf in de buurt te gaan wonen.

De gemeente is inmiddels van mening dat het bedrijf zich als een volwaardig bedrijf heeft ontwikkeld. De gemeente heeft aangeven mee te willen werken aan een bedrijfskavel van circa 1.000 m2 met bouwmogelijkheden tot ten hoogste 500 m2 inclusief de bedrijfswoning. Hiermee blijft de kleinschaligheid gewaarborgd en is er een goed evenwicht met de bestaande woonbebouwing (twee woningen) in de directe omgeving.

2.5 Verkeer en parkeren

Een ruimtelijke ontwikkeling mag niet leiden tot knelpunten, verkeersonveilige situaties of een gebrek aan parkeerruimte. Voor de verkeersbewegingen en parkeerplaatsen worden de CROW-kencijfers gehanteerd.

Verkeersafwikkeling

De ontwikkeling mag niet leiden tot knelpunten of tot onveilige situaties in de verkeersafwikkeling. Het plangebied is direct ontsloten via een bestaande ontsluiting op de Boterveen. Deze heeft ruim voldoende capaciteit voor het bedrijf. Het betreft een secundaire weg die voornamelijk bestemd is voor landbouwverkeer en wordt dan ook voornamelijk gebruikt door landbouw voertuigen en auto's. Er is bovendien een vrijwel directe verbinding met de provinciale weg N371.

Parkeren

Voor de bedrijfswoning moet in het plangebied minimaal drie parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Uitgangspunt is parkeren op eigen erf.

De gemiddelde parkeerbehoefte voor vrijstaande koopwoningen is op basis van de publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie (publicatie 317, oktober 2012)' van het CROW 2,4. Deze parkeernorm geldt voor het plangebied, omdat hier sprake is van een 'niet stedelijk gebied' en 'buitengebied'.

Op het terrein is voldoende ruimte om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hier is tussen de ingang van het plangebied, het bestaande schuurtje en de nieuwe woning ruimte voor 7 tot 10 parkeerplaatsen.

2.6 Planologische inpasbaarheid

Het nieuwe bestemmingsplan voor het buitengebied van de gemeente Westerveld is door de gemeenteraad van Westerveld vastgesteld op 5 juli 2012. Hoewel het momenteel slechts gedeeltelijk rechtskracht heeft (zie paragraaf 3.3) vormt dit plan een uitvoeringskader voor het gemeentelijk beleid ten aanzien van ontwikkelingen in het buitengebied

Dit nieuwe bestemmingsplan biedt een juridisch-planologisch kader waarbinnen de voorgenomen ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. De planologische regeling die dit bestemmingsplan biedt is zoveel mogelijk afgestemd op het bestemmingsplan Buitengebied voor de gemeente Westerveld. Dit betekent dat de agrarische bestemming overeenkomt met de bestemming die in het bestemmingsplan Buitengebied Westerveld was opgenomen, maar wel specifiek is afgestemd op de onderhavige situatie.

De bouwmogelijkheden, voor agrarische bedrijfswoningen, die in het bestemmingsplan Buitengebied werden geboden komen niet geheel overeen met de bouwmogelijkheden zoals die in dit bestemmingsplan worden geboden. Gelet op de specifieke bouwvorm van de woning worden hiervoor op het bouwplan afgestemde bouwregels opgenomen.

In het buitengebied wordt doorgaans ruimte geboden voor bedrijfswoningen met een oppervlakte van 150 m2, opgetrokken uit één bouwlaag met kap met 100 m² aan- en uitbouwen en bijgebouwen. De voorgestelde woning heeft een oppervlakte van 275 m2. Deze oppervlakte is nodig, omdat alle woonruimten inclusief bedrijfsruimten in één bouwlaag gerealiseerd moeten worden, inclusief de aan- en uitbouwen. Door deze ene laag is er meer ruimte nodig dan wanneer er gestapeld wordt gebouwd. In de bedrijfswoning bevinden zich enkele ruimten die voor het bedrijf worden gebruikt en daarmee bedrijfsruimten zijn. Zo is er een droogruimte aanwezig voor het noodzakelijke drogen van onder andere de arnicaplanten. In het gebouw is tevens ruimte aanwezig voor opslag van de gedroogde producten. Daarnaast wordt het gebouw nadrukkelijk ingericht voor de ontvangst van bezoekers / gasten / groepen etc. Dat vraagt eveneens om een ruime opzet. En als laatste zal het gebouw de plaats worden waar het bedrijf haar overige zakelijke klanten (afnemers - klanten - etc.) ontvangt.

In de bouwregels zijn aan- en uitbouwen en bijgebouwen daarom niet afzonderlijk nog mogelijk gemaakt, maar maken deel uit van de totale oppervlakte van 275 m². De bouwhoogte is in dit bestemmingsplan ook beperkt tot 5 meter. Hierdoor valt de eco-woning weg in het landschap, doordat de woning slechts één woonlaag heeft. Hierdoor valt de woning vanaf de openbare weg niet op.

Hoofdstuk 3 BELEIDSKADER

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister vastgesteld. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Om de bestuurlijke drukte te beperken brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, laat het meer over aan gemeenten en provincies en komen de burgers en bedrijven centraal te staan. Het Rijk kiest voor een meer selectieve inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsruimte voor het faciliteren van ontwikkelingen.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR).

Conclusie nationaal beleid

De beoogde ontwikkeling raakt geen rijksbelangen. Er is geen strijdigheid met de SVIR of het Barro.

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Bro (artikel 3.1.6 lid 2) is opgenomen dat een toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • 1. Er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte.
  • 2. Indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins.
  • 3. Indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijke gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Als hulpmiddel voor het toepassen van deze 'ladder voor duurzame verstedelijking' is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een handreiking opgesteld. Deze handreiking gaat uit van het doorlopen van drie treden:

  • 1. Is er een regionale behoefte? Zo nee, stop de procedure of pas het plan zodanig aan dat het past bij de regionale behoefte.
  • 2. Zo ja, is (een deel) van de regionale behoefte op te vangen binnen het bestaande stedelijke gebied. Zo ja, voldoende gemotiveerd.
  • 3. Zo nee, zoek een locatie die multimodaal ontsloten is of kan worden voor de resterende regionale behoefte.

Van belang voor de toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking zijn de definities van artikel 1.1.1, eerste lid, onderdelen h en i van het Bro van belang:

  • a. bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de
  • b. stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Een plan om een bedrijfswoning te ontwikkelen wordt, vanwege de relatieve kleinschaligheid, door de Raad van State niet gezien als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (201311233/1/R4, r.o. 3.3, d.d. 27 augustus 2104). Onderstaand vindt daarom een beperkte toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking plaats:

  • Trede 1: er is sprake van een concrete vraag en behoefte van een initiatiefnemer (zie paragraaf 2.4).
  • Trede 2: het plan voorziet in de ontwikkeling van een bedrijfswoning in het buitengebied. De bouw van de woning vindt dat ook niet plaats binnen bestaand stedelijk gebied. Trede 3 van de ladder komt daarom aan de orde.
  • Trede 3: de woning wordt ontsloten door de Boterveen. Deze weg wordt voornamelijk gebruikt voor bestemmingsverkeer en heeft een goede verbinding met de kernen in de regio.

3.2 Provinciaal beleid

Actualisatie Omgevingsvisie Drenthe 2014

Provinciale Staten hebben op 2 juli 2014 de Actualisatie Omgevingsvisie Drenthe vastgesteld. Deze visie is het strategisch kader voor de ruimtelijke en economische ontwikkeling van Drenthe en bevat themagerichte beleidslijnen. De actualisatie omgevingsvisie vervangt de Omgevingsvisie Drenthe 2010. De provincie geeft in de Actualisatie Omgevingsvisie Drenthe met betrekking tot dit plan een aantal beleidsregels. In de omgevingsvisie wordt de ambitie uitgesproken om de ruimtelijke identiteit van Drenthe te versterken.

Naast ruimtelijke kwaliteit staan in de Omgevingsvisie zorgvuldig ruimtegebruik en het beschermen van de milieu- en leefomgevingskwaliteit centraal. In de Omgevingsvisie zijn de provinciale belangen benoemd, waarmee gemeenten rekening dienen te houden bij het opstellen van bestemmingsplannen. De provinciale belangen zijn verdeeld in Drentse kwaliteiten en ontwikkelingen. Binnen de Drentse kwaliteiten staat het behoud en de ontwikkeling van de kernkwaliteiten, de dynamiek van bedrijvigheid, de biodiversiteit en de milieu- en leefomgevingskwaliteit centraal.

De Omgevingsvisie is gefundeerd op drie onderdelen, namelijk de kernkwaliteiten, zorgvuldig ruimtegebruik en de milieu- en leefomgevingskwaliteit. Daarnaast staat de kernwaarde bedrijvigheid centraal. Deze is gelijkwaardig aan de kernkwaliteiten. Bij een beoordeling vindt een integrale afweging plaats.

Het plangebied ligt in een gebied dat in de omgevingsvisie de functie 'landbouwgebied` en `landbouwgebied plus` heeft. Ontwikkelingen in dit gebied mogen geen negatief effect hebben op de landbouw. Ook zijn dit de voorkeursgebieden voor het verplaatsen en het inplaatsen van agrarische bedrijven. De kernkwaliteiten) spelen in deze gebieden een ondergeschikte rol. Dit betekent dat bij de belangenafweging het belang van de landbouw zwaarder weegt dan dat van de kernkwaliteiten.

Agrarische bedrijven die zich verder willen ontwikkelen, hebben vaak behoefte aan uitbreiding of nieuwbouw van bedrijfsgebouwen. De provincie streeft naar het bundelen van wonen en werken, waarbij verdichting voor uitbreiding gaat. Extra ruimte voor wonen en werken is er in of aansluitend op het bestaande bebouwde gebied. Uitbreiding van het bouwvlak moet ruimtelijk worden ingepast. Hierbij moeten de kernkwaliteiten in acht worden genomen.

Voor het plangebied zijn de kernkwaliteiten 'landschap', 'aardkundige waarden', `cultuurhistorie` en 'archeologie' van toepassing.

Doelstelling voor de kernkwaliteit landschap is het behouden en versterken van de verschillende landschapstypen en de bijbehorende karakteristieke kenmerken. Het plangebied bevindt zich in het Veldontginningslandschap.

Aardkundige waarden zijn natuurlijke variaties in het aardoppervlak van geomorfologische, geologische, bodemkundige en geohydrologische verschijnselen. De provincie Drenthe wil aardkundige waarden behouden en waar mogelijk herstellen. Voor het plangebied geldt een gemiddeld beschermingsniveau, waar bij ontwikkeling vroegtijdig inzichtelijk moet zijn op welke wijze aardkundige kwaliteiten worden benut.

Wat betreft de kernkwaliteit `cultuurhistorie` geldt voor het plangebied dat de cultuurhistorische samenhang gewaarborgd moet worden. De nieuwe bedrijfswoning wordt gebouwd op een terrein dat al voor agrarische bedrijfsvoering wordt gebruikt. Deze ontwikkeling zal getoetst worden door de Welstandscommissie. De woning wordt op zodanige manier gebouwd dat deze als het ware wegvalt in de omgeving en daardoor geen afbreuk doet aan de kernkwaliteiten.

Evenals in het nationaal beleid, wordt in het provinciaal beleid voor het inpassen van ruimtevragende functies de SER (Sociaal Economische Raad)-ladder gehanteerd. Het model stelt onder meer dat extra ruimte voor wonen en werken zoveel mogelijk moet worden gezocht in of aansluitend aan bestaand bebouwd gebied. Met bundeling en intensivering van verstedelijking ontstaat voldoende massa voor hoogwaardige voorzieningen. De verzorgingsfunctie van stedelijke centra wordt daardoor versterkt. De Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte verwijst naar de 'Ladder voor Duurzame Verstedelijking', gebaseerd op de SER-ladder, en wil deze ladder toepassen op alle vormen van ruimtelijke ontwikkeling. Het biedt een redeneerlijn voor het bevorderen van zorgvuldig ruimtegebruik. In paragraaf 3.1 is de ladder reeds doorlopen. Geconcludeerd wordt dat sprake is van een zorgvuldig ruimtegebruik.

Provinciale Omgevingsverordening Drenthe

De provinciale belangen zoals genoemd in de Omgevingsvisie zijn in de Provinciale Omgevingsverordening (vastgesteld op 17 oktober 2015) vertaald naar regels voor ruimtelijke plannen.

Artikelen 3.19, 3.20 en 3.22 van de verordening houden regels ten aanzien van agrarische bedrijvigheid. Aan de ontwikkeling van een grondgebonden landbouwbedrijf (zonder kapitaalintensieve tweede tak) in de voor 'landbouw' aangewezen gebieden (waaronder het plangebied) worden geen beperkingen opgelegd. Nieuwe grondgebonden landbouwbedrijven kunnen opgericht worden, waarbij het voor de hand ligt niet in de laagste delen van het beekdal te bouwen en bij de hoogteligging van de bedrijfsgebouwen rekening te houden met mogelijke wateroverlast. Het waterschap heeft hierin een adviserende rol.

Ten slotte is artikel 3.15 (Ladder voor duurzame verstedelijking) van de verordening van toepassing. In dit bestemmingsplan is geen sprake van een vorm van duurzame verstedelijking. Dit is reeds beschreven in paragraaf 3.1. Tevens is de ontwikkeling reeds op 29 januari 2014 in het kader van informeel vooroverleg voorgelegd aan de provincie. De provincie heeft op 31 januari 2014 geoordeeld en kan zich vinden in de wijze waarop ter plaatse invulling wordt gegeven aan het plan. Kleinschalig en dat sluit heel goed aan bij het gebied. Tussen de provincie en de gemeente is afgesproken dat bedrijfskavel 'kwekerij' een oppervlakte van circa 1.000 m2 krijgt met bouwmogelijkheden tot ten hoogte 500 m2 inclusief de bedrijfswoning. Hiermee blijft de kleinschaligheid gewaarborgd en is er een goed evenwicht met de bestaande woonbebouwing (twee woningen)  in de directe omgeving. 

Aan het bouwen van een agrarische bedrijfswoning bij het bedrijf wordt vanuit de provinciale omgevingsverordening Drenthe geen beperkingen opgelegd.

3.3 Gemeentelijk beleid

Voorontwerp bestemmingsplan Buitengebied

Het bestemmingsplan Buitengebied Westerveld is door de gemeenteraad van Westerveld vastgesteld op 5 juli 2012. Het vastgestelde bestemmingsplan is met ingang van 26 juli 2012 gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens de termijn van de ter inzage legging zijn beroepsschriften bij de Raad van State ingediend. Een verzoek om voorlopige voorziening is op 6 november 2012 afgewezen. Ondanks dat dit oordeel een voorlopig karakter heeft en niet bindend is, is het bestemmingsplan daarmee wel in werking getreden.

Op 6 augustus 2014 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan inzake het bestemmingsplan Buitengebied Westerveld. In de uitspraak zijn de agrarische bestemmingen vernietigd en uit het plan gehaald. Voor het onderhavige plangebied betekent dit dat het voorheen geldende planologische regiem opnieuw van kracht wordt, te weten het bestemmingsplan “Buitengebieden” van de voormalige gemeente Dwingeloo.

Uitgangspunt in dit bestemmingsplan is het agrarisch bedrijf aan te duiden op de verbeelding door te werken met een zogenaamde agrarische bedrijfskavel. Binnen die bedrijfskavel is ruimte voor een 'denkbeeldig' aaneengesloten bouwblok (waarbinnen de bebouwing is geconcentreerd) waarvoor voorwaarden zijn opgenomen in de regels. Bij het leggen van de agrarische bedrijfskavel is rekening gehouden met de landschappelijke inpassingsmogelijkheden en de omvang van het bedrijf, zodat de vorm van de kavel is afgestemd op de gewenste situatie.

Een ander uitgangspunt is dat bij agrarische bedrijven een bedrijfswoning is toegestaan. De maximale oppervlakte voor een bedrijfswoning is 150 m2. In paragraaf 2.6 is beschreven dat hiervan afgeweken wordt.

Ter bescherming van het landschap geldt dat nieuwe ontwikkelingen aan dienen te sluiten bij bestaande structuren. Hiervoor is het beeldkwaliteitsplan en de welstandsnota van de Gemeente Westerveld het toetsingskader.

Welstandsnota

Het welstandsbeleid van de gemeente Westerveld is vastgelegd in de Welstandsnota. De doelstelling van het welstandsbeleid is het veiligstellen van een basiskwaliteit van de gebouwde omgeving. Indien mogelijk zal plaatselijk een verbetering van de kwaliteit van de gebouwde omgeving het gewenste doel zijn. Kleine veel voorkomende veranderingen en aanpassingen, mogen niet storend zijn. Bij kleine en middelgrote projecten moet er sprake zijn van een samenhang met de omgeving. Hierbij is het beoordelingskader vooral gebiedsgericht.

In de welstandsnota zijn zes aandachtspunten geformuleerd voor het ontwerpen van gebouwen. De aandachtspunten vormen een algemeen beoordelingskader om in eerste instantie snel na te gaan of een bouwplan aan redelijke eisen van welstand voldoet. Het gaat hierbij deels om algemene regels die voor alle bouwwerken in de hele gemeente gelden en criteria per gebied.

Het plangebied is gelegen in het welstandsgebied Buitengebied. Kenmerkend voor dit landschapstype is een afwisseling van verschillende soorten gebieden, kleinschaligheid en de grote open ruimten.

Om dit specifieke project op een verantwoorde manier in de omgeving in te passen, is maatwerk vereist. Voor nieuwe toevoegingen geldt dat deze mogen afwijken maar op een vergelijkbare wijze in het landschap geplaatst moeten worden. In paragraaf 2.3 is beschreven hoe de woning landschappelijk wordt ingepast en er geen afbreuk wordt gedaan aan de kernkwaliteiten.

De regeling in dit bestemmingsplan, tezamen met de bestaande landschappelijke inpassing en de welstandsbeoordeling, waarborgt een goede beeldkwaliteit op het perceel.

Beeldkwaliteitsplan

Nieuwe ontwikkelingen dienen aan te sluiten bij bestaande structuren. Om deze ontwikkelingen ook landschappelijk in te kunnen passen, is er een beeldkwaliteitsplan opgesteld die de landschappelijke waarden van de gemeente in beeld brengt. Zo zorgen de welstandsnota en het beeldkwaliteitsplan samen voor een goede inpassing van nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied van de gemeente Westerveld. Het beeldkwaliteitsplan is door de gemeenteraad vastgesteld op 21 september 2010.

Het beeldkwaliteitsplan gaat over de kenmerken en essenties van de zes verschillende landschapstypen en de verschillen in bebouwingstypologieën binnen de gemeente Westerveld. Aan de hand van de verschillende landschapstypen, overeenkomstig de Kadernota beschreven, zijn de kenmerken van de landschappen weergegeven. Het plangebied ligt in het 'Veldontginningslandschap'. De kernkwaliteit die voor dit landschap gelden zijn:

  • overwegend open, plaatselijk verdicht met bosjes, houtwallen en singels;
  • in gebruik als bouw- en grasland;
  • percelering afhankelijk van ontginning en ruilverkaveling;
  • bebouwing voornamelijk langs ontginningsassen.

Voorgenoemde kernkwaliteiten zijn in de omgeving van het plangebied duidelijk zichtbaar en beleefbaar. Het gebied ligt aan de rand van een es welke is begrensd door een houtwal. De woning is, door zijn bebouwingstype, op een zodanige manier ingepast dat deze wegvalt in de aanwezige houtwal en daarmee in het landschap. De woning doet dan ook geen afbreuk aan de kernkwaliteiten.

Hoofdstuk 4 OMGEVINGSASPECTEN

Naast het feit dat de ontwikkelingen in het plangebied binnen het overheidsbeleid tot stand moeten komen, moet ook rekening gehouden worden met de aanwezige functies in en rond het gebied. Het uitgangspunt voor het bestemmingsplan is dat er een goede omgevingssituatie ontstaat. In dit hoofdstuk zijn de randvoorwaarden, die voortvloeien uit de omgevingsaspecten, beschreven.

4.1 Vormvrije mer-beoordeling

In bijlagen C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van ruimtelijke projecten projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Omdat kwekerijbedrijven niet zijn opgenomen in de bijlagen van het Besluit m.e.r. is een mer-(beoordelings)-procedure niet noodzakelijk.

Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het project zoals het kleinschalige karakter, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit wordt gemotiveerd in de paragrafen 4.2 tot en met 4.10 van deze toelichting.

Eveneens is voor deze ontwikkeling geen passende beoordeling nodig. De ontwikkeling betreft een agrarische ontwikkeling die niet plaatsvindt in een beschermd natuurgebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft het Drents-Friese Wold & Leggelderveld dat op circa 900 meter afstand liggen.

Areaalverlies, versnippering, verstoring of verandering van de waterhuishouding (verdroging) is gezien de afstand van 900 meter niet aan de orde. Op basis hiervan kan noodzaak tot een passende beoordeling worden uitgesloten.

Enig overgebleven potentieel effect op de Natura 2000 betreft een toename van de stikstofdepositie. De bestemmingswijziging betreft in dit geval het omzetten van de bestemming 'Agrarisch – 1' naar een bestemming 'Agrarisch-1' met daarop de toevoeging van een aanduiding voor agrarische bedrijfskavel ten behoeve van uitsluitend een kwekerijbedrijf. Binnen deze toe te voegen bedrijfskavel wordt het houden van dieren en het realiseren van kassen uitgesloten. Door het uitsluiten van deze twee zaken valt de maximale toename van de stikstofemissie vanuit het plangebied als gevolg van de planologische wijziging als nihil in te schatten. Een significante toename van de stikstofdepositie op de Natura 2000 is daarom bij voorbaat uit te sluiten. Ook op dit punt is een passende beoordeling niet aan de orde. Dit vormt dus ook geen aanleiding voor het doorlopen van een mer-procedure.

4.2 Ecologie

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van natuurgebieden. Dit gaat om op Europees niveau aangewezen Natura 2000-gebieden. In de provinciale verordening worden gebieden die van belang zijn voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) beschermd. De bescherming van soorten en hun verblijfplaatsen is geregeld in de Wet natuurbescherming.

Gebiedsbescherming

Met betrekking tot de gebiedsbescherming gaat het om de bescherming van gebieden die zijn aangewezen als onderdeel van Natuur Netwerk Nederland (NNN) (voor heen de Ecologische Hoofdstructuur) en/of om gebieden die zijn aangewezen als Natura 2000-gebied.

Het plangebied ligt niet in een beschermd natuurgebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft het Drents-Friese Wold & Leggelderveld dat op circa 900 meter afstand liggen. Dit gebied maakt ook deel uit van de NNN.

Gezien de aard en de omvang van de voorgestelde ontwikkelingen en de afstand van het plangebied tot beschermde gebieden, kan worden gesteld dat dit bestemmingsplan geen (significante) effecten op de natuurwaarden in de omgeving heeft. Daarnaast voorziet dit bestemmingsplan geen verdere ontwikkelingsruimte in de aard van het agrarisch bedrijf naar bijvoorbeeld een veehouderijbedrijf. Het plan veroorzaakt daardoor geen significante effecten op stikstofgevoelige natuurgebieden.

Soortenbescherming

Het plangebied betreft een bedrijfserf van een kwekerij, dat als gevolg van deze functie intensief gebruikt en beheerd wordt. Het is daarom niet aannemelijk dat deze locatie een waardevol habitat voor beschermde soorten vormt. Bovendien worden er als gevolg van dit bestemmingsplan geen gebouwen gesloopt, bomen gekapt of sloten gedempt. Het plan veroorzaakt dan ook geen strijdigheden met de wet Natuurbescherming.

Het uitvoeren van ecologisch onderzoek is daarom niet nodig. Voor alle soorten is de algemene zorgplicht van kracht. Bij verstoring van dieren tijdens de werkzaamheden moeten deze de gelegenheid krijgen te vluchten naar een nieuwe leefomgeving.

4.3 Cultuurhistorie en archeologie

De rol van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening is de laatste jaren sterk toegenomen. Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee veelal een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening. In het kader van het aspect cultuurhistorie wordt zowel ingegaan op de zichtbare cultuurhistorische waarden als op het erfgoed onder de grond (archeologie).

Cultuurhistorische waarden

Binnen het plangebied is geen sprake van monumentale gebouwen of andere cultuurhistorische waarden. Wel zijn de structuren en kenmerken van het landschap als cultuurhistorisch waardevol aangemerkt (provinciaal beleid). Zoals beschreven in paragraaf 2.3 wordt de woning/bedrijfskavel op een verantwoorde manier ingepast in het landschap.

Archeologie

Ter bescherming van eventuele archeologische waarden in de bodem is de Erfgoedwet van toepassing. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven.

De archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Westerveld laat zien dat het plangebied ligt in een gebied met een middelhoog archeologische verwachtingswaarde. In de delen van de gemeente met een middelhoge of hoge archeologische verwachting hoeft bij ingrepen kleiner dan 1000 m2  geen archeologisch vooronderzoek uitgevoerd te worden. Voor deze ingrepen geldt wel een meldingsplicht

Het bouwen van de bedrijfswoning betreft een ingreep die kleiner is dan 1000 m2. De funderingswijze is daarnaast zodanig dat minimale grondingrepen nodig zijn. Het uitvoeren van archeologisch vooronderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

De waardering volgens de archeologische waardenkaart is in het geldende bestemmingsplan vertaald naar de bestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Deze beschermende regeling is in dit bestemmingsplan overgenomen. Hiermee is de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond en worden eventuele archeologische resten beschermd. Indien bij de werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen geldt op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet een meldingsplicht.

4.4 Water

Vanwege het grote belang van het water in de ruimtelijke ordening, wordt van waterschappen een vroege en intensieve betrokkenheid bij het opstellen van ruimtelijke plannen verwacht. Bovendien is de watertoets een verplicht onderdeel in de ruimtelijke procedure geworden.

Proces van de watertoets

Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Reest en Wieden (kenmerk: 20160913-35-13662). Op basis van deze toets is de korte procedure van toepassing. De watertoets is opgenomen in de bijlage. Dit houdt in dat volstaan kan worden met een standaard wateradvies. Met de uitvoering van het bestemmingsplan wordt rekening gehouden met dit advies.

Waterhuishouding

Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1500m2.

Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer

In het plan wordt gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen.

Aanleghoogte van de bebouwing

Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast.

Lozingenbesluit open teelt en veehouderij

In het plan vindt een agrarische activiteit plaats. Bijna alle agrarische bedrijven vallen onder het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij. Glastuinbouw valt onder het besluit 'glastuinbouw'. Voor akkerbouwbedrijven gelden aanvullende voorschriften voor de toepassing van bestrijdingsmiddelen en kunstmest. Bij de inrichting van het plan moet rekeningen worden gehouden met de voorschriften uit het Lozingenbesluit. Hiervoor geldt een meldingsplicht.

4.5 Milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (zoals woningen) noodzakelijk. In de basiszoneringslijst van de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” (2009) zijn richtafstanden tussen bedrijfsactiviteiten en woningen opgenomen. Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen een rustige woonomgeving en een gemengd gebied. Het plangebied betreft een rustige woonomgeving.

De bedrijfswoning wordt gerealiseerd ten behoeve van de huidige bedrijfsvoering van het kwekerijbedrijf. Een bedrijfswoning is voor de eigen inrichting niet milieugevoelig. Het perceel wordt, buiten de eigen bedrijfsfunctie, omringd door woningen in de bestaande lintbebouwing.

Het kwekerijbedrijf is met de bedrijfskavel in omvang beperkt, terwijl de activiteiten van het bedrijf in hoofdzaak op de agrarische gronden plaatsvinden. Een Arnica kwekerijbedrijf is niet specifiek genoemd in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering (2009)'. Voor het bepalen van de aan te houden richtafstanden kan een Arnicakwekerij worden geschaard onder de algemene noemer 'tuinbouw'. In de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering (2009)' zijn bedrijfsgebouwen behorende bij tuinbouw gecategoriseerd in milieucategorie 2. Hierbij moet ten aanzien van geluid een richtafstand van 30 meter worden aangehouden. Voor de overige aspecten geldt een aan te houden afstand van 10 meter.

De uitoefening van het kwekerijbedrijf inclusief de daarbij behorende bedrijfsgebouwen zijn in dit bestemmingsplan alleen mogelijk binnen het aanduidingsvlak “specifieke vorm van agrarisch - agrarische bedrijfskavel kwekerijbedrijf”. De afstand tussen de grens van dit aanduidingsvlak en de dichtstbijzijnde woningen van derden (Boterveen 14 en 15) bedraagt meer dan 30 meter. Er wordt aan de richtafstand voldaan en er is sprake van een blijvend goed woon- en leefklimaat ter plaatse van nabijgelegen woningen. De geluid veroorzakende activiteiten die samenhangen met de bedrijfsvoering (aan- en afvoer van goederen, handelingen ter verwerking, opslag, etc) vinden plaats binnen dit aanduidingsvlak. Het onderdeel bedrijven en milieuzonering vormt daarom geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.6 Bodem

Verdachte plekken met betrekking tot de kwaliteit van de bodem dienen in het kader van de Wet bodembescherming bij ruimtelijke plannen en projecten te worden gesignaleerd vanuit een goede ruimtelijke ordening.

Ter plaatse van de te bouwen bedrijfswoning is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierin is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vastgelegd. Dit onderzoek is uitgevoerd door bodemkwaliteitsbureau Grondslag. De resultaten van dit onderzoek zijn terug te vinden in bijlage 2.

Het onderzoek toont lichte verhogingen aan met barium en zink in het grondwater. In de grond zijn geen verhogingen aangetoond. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft echter in voldoende mate de milieuhygiënische situatie ter plaatse van de onderzoek locatie weer. Er is derhalve geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend onderzoek.

Aanbevolen wordt om de grond die tijdens de bouw vrijkomt te hergebruiken binnen de perceelsgrenzen. Indien dit niet mogelijk is kan de grond op basis van het rapport van het verkennend bodemonderzoek worden afgevoerd naar een grondbank of -depot.

In het kader van het bestemmingsplan is de milieuhygiënische bodemkwaliteit in afdoende mate vastgesteld.

4.7 Geluid

Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die ''in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken'', een geluidzone. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De geluidswaarde binnen de geluidsgevoelige bestemming (binnenwaarde) dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB.

Omdat volgens de Wet geluidhinder (Wgh) wonen een geluidsgevoelige functie is en omdat het perceel Boterveen 14a langs een 80 km/h weg is gelegen, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3.

Uit het onderzoek is gebleken dat ten gevolge van het verkeer op de Boterveen (wegvak Leggeloo – Eemster) de maximale geluidsbelasting op 17 meter vanaf de as van de weg 48 dB bedraagt. De voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Vervolgprocedures zijn ingevolge de Wgh niet noodzakelijk.

In de regels van het bestemmingsplan is opgenomen dat de minimale afstand van de woning tot de as van de weg 17 meter moet zijn, zodat de geluidsbelasting de voorkeursgrenswaarde niet overschrijdt.

4.8 Luchtkwaliteit

In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) van belang. Projecten die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging, zijn op grond van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) daarbij vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden.

Op grond van de Regeling Niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing:

  • woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen;
  • kantoorlocaties met een vloeroppervlak van minder dan 100.000 m2;
  • projecten die minder dan 3% van de (toekomstige) grenswaarde voor stikstofdioxide of fijnstof bijdragen. Dit komt overeen met 1,2 µg/m3.

Voor bepaalde initiatieven is bepaald dat deze “niet in betekenende mate” bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit bestemmingsplan maakt slechts één extra woning mogelijk en draagt derhalve niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Hiermee wordt voldaan aan de eisen zoals gesteld in de Wet milieubeheer.

4.9 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie.

In verband met de ligging van een hogedruk aardgasleiding is onderzoek gedaan naar het aspect externe veiligheid. Hiervoor is een risicoanalyse uitgevoerd. Het volledige advies is opgenomen in bijlage 4. De risicobron die voor het plan van belang is betreft een hoge druk aardgasleiding van de Gasunie. Het betreft een aardgasleiding met het kenmerk N-521-50. Uit de risicoanalyse wordt geconcludeerd dat het plaatsgebonden risico de ruimtelijke procedure niet in de weg staat.

De hogedruk aardgasleiding heeft een invloedsgebied van circa 70 meter aan weerszijden van de leiding. Het invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens. De locatie van de kwekerij ligt gedeeltelijk binnen het invloedsgebied (zowel 1 -als 100% letaliteitszone) van de buisleiding van de Gasunie. Dit houdt in dat het groepsrisico verantwoord moet worden. Echter vanwege de lage bevolkingsdichtheid in dit gebied is er, volgens de risicoanalyse, geen sprake van groepsrisico en neemt dit door de ontwikkeling ook niet toe. Dit houdt niet in dat er geen slachtoffers kunnen vallen als er een calamiteit met een buisleiding plaatsvindt. Binnen de objecten die binnen de 100% letaliteitszone van een buisleiding liggen, kunnen dodelijke slachtoffers vallen bij een calamiteit met een buisleiding nabij dat object. Op grond van het Bevb geldt de verplichting om in het kader van de verantwoording van het groepsrisico advies te vragen bij de Veiligheidsregio Drenthe (VRD). Hiertoe heeft de VRD op 29 mei 2017 een advies gegeven. Deze is als bijlage 5 bij de toelichting toegevoegd. Dit advies maakt deel uit van de verantwoordingsplicht van het groepsrisico en helpt het bevoegd gezag bij het maken van een verantwoorde afweging ten aanzien van het groepsrisico

De VRD geeft aan dat vanwege de korte afstad van de locatie tot de buisleiding in combinatie met de snelle ontwikkelingstijd van het maatgeven scenario (breuk in de buisleiding met ontbrandend gas), zijn er geen effectieve maatregelen te adviseren die een bijdrage kunnen leveren aan het beperken van de omvang van een ramp of een zwaar ongeval. Er zijn om dezelfde redenen geen effectieve maatregelen te adviseren ten aanzien van de zelfredzaamheid van aanwezige personen. De conclusie is dat er vanuit het oogpunt van externe veiligheid het niet wenselijk is om een (beperkt) kwetsbaar object in het letaliteitsgebied van een buisleiding te plaatsen. Daarbij moet echter opgemerkt worden dat de kans op een incident bijzonder klein is. Incidenten met buisleidingen worden in vrijwel alle gevallen veroorzaakt door graafwerkzaamheden. De VRD legt de uiteindelijke beoordeling of het verantwoord is om de wijziging door te voeren bij de het college van B&W.

Op 27 juni heeft B&W hiertoe aangegeven het groepsrisico verantwoord te vinden. Het risico op een incident is bijzonder klein omdat alleen de eigenaar en werknemers op het perceel aanwezig en werkzaam zijn en een incident met buisleidingen in vrijwel alle gevallen veroorzaakt wordt door graafwerkzaamheden.

4.10 Kabels , leidingen en zoneringen

In en rondom het plangebied zijn geen kabels of leidingen aanwezig die moeten worden voorzien van een planologische regeling. Bij de planvorming en uitvoering van het plan is/wordt rekening gehouden met de aanwezige (kleinere) kabels en leidingen die in het plangebied aanwezig zijn.

Op het noordelijk deel van het plangebied ligt een gasleiding. Deze leiding heeft een belemmeringenstrook van 4 meter aan weerszijden van de leiding, waar niet gebouwd mag worden. Ter bescherming van de leiding is in het bestemmingsplan de dubbelbestemming Leiding – Gas opgenomen. De initiatiefnemer heeft hierover contact gehad met de Gasunie (de beheerder van de leiding).De locatie van de bedrijfswoning is op basis van de eisen van de Gasunie aangepast zodanig dat vanuit het doelmatig functioneren en het onderhoud aan de leiding geen belemmeringen voor het bestemmingsplan bestaan.

Daarnaast loopt door het plangebied een 'vrijwaringszone – laagvlieggebied'. Deze gronden zijn bestemd voor het tegengaan van te hoge bouwwerken en beplanting vanwege een laagvlieggebied van helikopters. De maximale bouwhoogte bedraagt 30 meter. De bouw van de woning is dermate gering van omvang dat het geen belemmeringen voor de laagvliegroute vormt.

In de buurt van het plangebied lopen verder geen kabels of leidingen die van belang zijn voor dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5 JURIDISCHE VORMGEVING

5.1 Opzet in bestemmingen

Het bestemmingsplan is opgezet overeenkomstig de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening. Daarbij hoort een juridische regeling die is opgezet overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP, 2012). Deze standaard geeft bindende standaarden voor de opbouw van de planregels en de verbeelding (plankaart). Het bestemmingsplan is opgezet conform deze landelijke standaarden.

5.2 Toelichting op de bestemmingen

Het bestemmingsplan bestaat uit een set met bestemmingsregels en een digitale verbeelding (plankaart). Verder is een uitvoerige plantoelichting opgenomen. In deze paragraaf volgt een toelichting op de bestemmingsregels en de wijze waarop deze regels zijn vertaald. De omliggende natuurgronden en o.a. de woonbestemmingen zijn geregeld in het recent vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied. In dat bestemmingsplan is voor de gemeente Westerveld een plansystematiek uitgewerkt, waarvan het wenselijk is deze als standaard toe te passen. In de regels is daarom zoveel mogelijk qua inhoud en systematiek aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan Buitengebied.

Bestemmingsregels: enkelbestemmingen

Agrarisch-1

De gronden binnen de bestemming Agrarisch-1 hebben als hoofdfunctie de uitoefening van een agrarische functie. Bovenop deze bestemming is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - agrarische bedrijfskavel kwekerijbedrijf' een kwekerijbedrijf toegestaan. De aanduiding biedt ruimte voor de gebruikelijke agrarische bedrijfsactiviteiten van het kwekerijbedrijf en biedt tevens de mogelijkheid om nevenfuncties aan het bedrijf toe te voegen, zoals recreatieve voorzieningen of verkoop van producten. Bovenop deze regeling is een specifieke regeling geboden om de kleinschaligheid te waarborgen. Conform afspraak met de provincie is een bouwvlak van 1000 m2 opgenomen waarin een totale oppervlakte van 500 m2 is toegestaan. Dit betreft de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfsbebouwing, de bedrijfswoning, aan-, uit-, bijgebouwen en overkappingen. Deze dienen allemaal binnen de aanduiding gebouwd te worden. De maximale oppervlakte voor de bedrijfswoning inclusief aan- en uitbouwen bedraagt 275 m2.

In de regels is ten slot een regeling opgenomen die het houden van vee uitsluit. Hiermee wordt eventueel toekomstige uitstoot op natura-2000 gebieden uitgesloten.

Verder is een regeling opgenomen dat de afstand van de woning ten opzichte van de weg tenminste 17 meter moet zijn. Hierdoor wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB gewaarborgd. Alleen het gebouw zelf en niet de grondwal hier omheen moet buiten de 48 dB contour worden gerealiseerd.

Bestemmingsregels: dubbelbestemmingen

Waarde – Archeologie 3

Uit paragraaf 4.3 blijkt dat er sprake is van een hoge archeologische verwachtingswaarde. Deze is vertaald naar de bestemming 'Waarde – Archeologie 3'. Binnen deze bestemming geldt dat bij ingrepen en voor het bouw van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 1.000 m2 een archeologisch onderzoek nodig is.

Leiding - Gas

Deze dubbelbestemming heeft betrekking op hoofdgastransportleidingen. De regeling voorziet in de aanwezigheid van deze functie en in de bescherming ervan door middel van een veiligheidszone op de verbeelding. Binnen de op de verbeelding aangegeven strook mogen geen gebouwen en bouwwerken worden gebouwd, anders dan ten behoeve van de leidingen. Voor werkzaamheden die schadelijk kunnen zijn voor de leidingen, is een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen.

Algemene aanduidingsregels

Vrijwaringszone – laagvlieggebied

Binnen de vrijwaringszone laagvlieggebied voor helikopters geldt dat het bestemmingsplan terughoudend is in het voorzien van bouwmogelijkheden voor masten, windmolens en andere hoge objecten. Binnen de laagvlieggebied voor helikopters wordt bebouwing uitgesloten dat hoger is dan 30 meter.

Hoofdstuk 6 UITVOERBAARHEID

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan doorloopt de in de Wro opgenomen bestemmingsplanprocedure.

Overleg en inspraak

Op basis van de gemeentelijke inspraakverordening is de mogelijkheid gegeven in te spreken op het voorontwerpbestemmingsplan. Het voorontwerpbestemmingsplan heeft daartoe 6 weken ter inzage liggen. Tevens is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan diverse overleginstanties.

Tijdens deze periode zijn geen inspraakreacties ingediend. Wel heeft de Veiligheidsregio Drenthe (zie bijlage 5), de Regionale Uitvoerings Dienst Drenthe (zie bijlage 4) en de provincie Drenthe (zie bijlage 6) op het voorontwerp gereageerd. De reacties zijn waar nodig in de toelichting verwerkt. De reacties hebben niet tot wijzigingen in de regels en op de verbeelding geleid.

Ontwerpbestemmingsplan

Vervolgens is het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage aangeboden voor zienswijzen (artikel 3.8 Wro). Tijdens deze periode bestond de mogelijkheid voor het indienen van zienswijzen door een ieder. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt. Er is één schriftelijke zienswijze ingediend.

In de Nota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan 'Dwingeloo, Boterveen 14A is de zienswijze samengevat en voorzien van een gemeentelijke reactie (bijlage 7). De zienswijze heeft aanleiding gegeven tot aanpassing van de verbeelding en de regels.

Vaststelling en beroep

Op 31 oktober 2017 heeft de gemeenteraad van Westerveld het bestemmingsplan "Dwingeloo, Boterveen 14A” gewijzigd vastgesteld. Uiteindelijk is tegen het bestemmingsplan beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

De kosten voor de ontwikkeling komen voor rekening van de initiatiefnemer. Aangenomen wordt dat deze over de financiële middelen beschikt om het plan uit te kunnen voeren. Hiermee wordt het plan economisch uitvoerbaar geacht.

6.3 Grondexploitatie

Het doel van de grondexploitatieregeling is het inzichtelijk maken van de financiële haalbaarheid en het bieden van meerdere mogelijkheden voor het kostenverhaal, waardoor er meer sturingsmogelijkheden zijn. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van een overeenkomst. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden.

In dit bestemmingsplan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. In dergelijke gevallen dient een grondexploitatieplan opgesteld te worden tenzij het kostenverhaal anderszins verzekerd is.

In dit plan is er sprake van een particulier initiatief waarbij de gemeente geen financiële bemoeienis heeft. De plankosten worden via leges op de initiatiefnemer verhaald. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is verder een anterieure overeenkomst gesloten. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is het vaststellen van een exploitatieplan niet verplicht.