direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Buitengebied PH De Slenke 9
Status: vastgesteld
Plantype: TAM-Omgevingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1700.TAMPHSlenke9-vas1

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Slenke 9a bevindt zich een erf in het buitengebied van de gemeente Twenterand, nabij de kern Den Ham. In 2018 heeft een rood voor rood plan plaatsgevonden waarbij het erf is opgeruimd en een nieuwe woning met bijgebouw is neergezet. De initiatiefnemer wil hobbymatig nog een aantal dieren houden. Om dit te kunnen bewerkstelligen wil de initiatiefnemer ook een nieuwe schuur bouwen die dient als schuilplek en opslag voor materieel.

Op grond van het geldende omgevingsplan is de realisatie van een schuur binnen een agrarische functie alleen mogelijk wanneer dit ten dienste is van een agrarisch bedrijf. Van een agrarisch bedrijf is geen sprake. Tevens is maximaal 150 m² aan bijgebouwen toegestaan, welke hiermee overschreden zal worden. Om het voorgenomen bouwplan mogelijk te maken dient het omgevingsplan gewijzigd te worden. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2 Ligging en begrenzing

Ligging

Het plangebied bestaat uit twee locaties, de bouwlocatie aan Slenke 9a en de slooplocatie aan Slenke 5 in Den Ham. Beide locaties zijn gelegen aan een doodlopende zijtak van de Slenke, gelegen ten westen van Den Ham. De bouwlocatie staat kadastraal bekend als gemeente Den Ham, sectie M, perceelnummer 1435 en heeft een oppervlakte van 8.265 m2.

De slooplocatie bevindt zich iets ten noorden van de bouwlocatie en staat kadastraal bekend als gemeente Den Ham, sectie M, perceelnummer 980 en heeft een oppervlakte van 394 m².

In figuur 1.1 is de ligging van beide locaties globaal weergegeven (rood = bouwlocatie, blauw = slooplocatie).

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.TAMPHSlenke9-vas1_0001.png"

Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: Atlas van Overijssel)

Begrenzing

De begrenzing van de bouw en slooplocatie zijn respectievelijk in figuur 1.2 en 1.3 weergegeven (Rood en blauw omkaderd). In de figuren zijn luchtfoto's weergegeven waarop de locaties te zien zijn. De bouwlocatie wordt aan de noord, west en zuidkant begrensd door agrarische gronden. Aan de oostkant ligt de naastgelegen woning die ook onderdeel uitmaakt van het erf, Slenke 9. De slooplocatie bestaat uit één kadastraal perceel dat om een oude varkensschuur is gelegd. De slooplocatie wordt een de oost en zuidkant begrensd door agrarische gronden en aan de noord en westkant door het agrarische erf waar de schuur is gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.TAMPHSlenke9-vas1_0002.png"

Figuur 1.2: Begrenzing bouwlocatie (bron: Perceelloep.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.TAMPHSlenke9-vas1_0003.png"

Figuur 1.3: Begrenzing slooplocatie (bron: Perceelloep.nl)

1.3 Geldend omgevingsplan

Het plangebied maakt onderdeel uit van het omgevingsplan 'Omgevingsplan gemeente Twenterand'. Op grond van het omgevingsplan zijn voor de bouwlocatie het onderdeel 'Buitengebied Twenterand PH Slenke 9 en deels het onderdeel 'Buitengebied, herziening 2005' van toepassing. De slooplocatie valt volledig binnen het onderdeel 'Buitengebied, herziening 2005'.

De hoofdfuncties op de bouwlocatie zijn 'Wonen', 'Agrarisch' en 'Agrarisch gebied met landschapswaarden'. Voor de slooplocatie geldt de functie 'Agrarisch gebied met landschapswaarden'. Onderstaand zijn twee figuren opgenomen waarin het geldend planologisch kader wordt weergegeven voor beide locaties.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.TAMPHSlenke9-vas1_0004.png"

Figuur 1.4: Uitsnede omgevingsplan Twenterand locatie Slenke 9a, Den Ham (bron: Omgevingsloket 'Regels op de kaart')

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.TAMPHSlenke9-vas1_0005.png"

Figuur 1.5: Uitsnede omgevingsplan Twenterand locatie Slenke 9a en Slenke 5, Den Ham (bron: Omgevingsloket 'Regels op de kaart')

De gronden met de functie 'Wonen' zijn hoofdzakelijk bedoeld voor wonen, al dan niet met een aan huis verbonden beroep of bed & breakfast. Gronden met de functie 'Agrarisch' zijn in hoofdzaak bedoeld voor de uitoefening van een agrarisch gebruik, hobbymatig agrarisch gebruik, extensieve recreatie en paardenbakken voor eigen hobbymatig gebruik. De gronden met de functie 'Agrarisch gebied met landschapswaarden' zijn naast de uitoefening van een agrarisch bedrijf mede bedoeld voor de bescherming en versterking van landschapswaarden.

De te realiseren schuur is beoogd op een locatie waar nu de functie 'Agrarisch gebied met landschapswaarden' op ligt. Aangezien de schuur bij de woonfunctie hoort en niet bij een agrarisch bedrijf laat het geldende omgevingsplan het bouwen van de schuur op de gewenste locatie niet toe. De woonfunctie zal moeten worden uitgebreid om de bouw van de schuur mogelijk te maken. Daarnaast mag het gezamenlijk oppervlak aan bijgebouwen en overkappingen per hoofdgebouw maximaal 150 m² bedragen. Bij het hoofdgebouw aan de Slenke 9a is reeds 140 m² aan bijgebouwen gerealiseerd. Hierdoor is binnen de geldende regelgeving geen ruimte om een dergelijke schuur te realiseren. De Schuur voor Schuur regeling biedt hierin uitkomst, hier zal verder op in worden gegaan onder paragraaf 3.4 van deze toelichting.

Het geldende omgevingsplan van rechtswege biedt op basis van de gebruiks- en bouwregels geen mogelijkheden om een schuur t.b.v. hobbyboeren en bijbehorend materieel mogelijk te maken. Een herziening van het omgevingsplan is noodzakelijk. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan maakt de voorgenomen ontwikkeling mogelijk. In dit omgevingsplan wordt aangetoond dat het plan voldoet aan de vereisten van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (hierna ETFAL).

1.4 Doelen van de wet

Het vaststellen van een omgevingsplan staat volledig in het teken van het bereiken van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet.

Artikel 1.3 van de Omgevingswet geeft aan dat de wet, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, is gericht op het in onderlinge samenhang:

  • a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en
  • b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

Artikel 2.1, eerste lid, van de Omgevingswet schrijft voor dat bestuursorganen, dus ook het gemeentebestuur, de taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefenen met het oog op deze maatschappelijke doelen.

1.5 TAM-IMRO Omgevingsplan

Een TAM-IMRO omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat los staat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan.

Een TAM-IMRO Omgevingsplan maakt gebruik van de techniek voor planvorming zoals dat gebruikt werd onder de Wet ruimtelijke ordening. Deze techniek betreft de uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening Ruimtelijkeplannen.nl.

De TAM-IMRO plannen maken deel uit van het nieuwe deel van het omgevingsplan. Het is immers een wijziging van het omgevingsplan van rechtswege, alleen wordt die opgesteld, bekendgemaakt en beschikbaar gesteld met de IMRO-techniek. TAM-IMRO plannen hebben weliswaar de technische vorm van de bestemmingsplannen die deel zijn van het tijdelijk deel, maar juridisch gezien vallen ze onder het nieuwe deel. Ze moeten dus ook voldoen aan de instructieregels uit het Bkl en van de provincie.

1.6 De bij het plan behorende stukken

Het onderhavige TAM-IMRO omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Buitengebied PH De Slenke 9' bestaat naast deze motivering uit de volgende stukken.

  • Verbeelding (identificatie NL.IMRO.1700.TAMPHSlenke9-ont1);
  • Bijlagen bij de motivering;
  • Regels;
  • Bijlagen bij de regels.

1.7 Leeswijzer

De toelichting van het omgevingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleids- en wettelijke kader van het rijk, provincie en de gemeente. In hoofdstuk 4 worden de omgevingsaspecten belicht. In hoofdstuk 5 wordt het omgevingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op het kostenverhaal en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

Hoofdstuk 2 Het plan

2.1 Huidige situatie

In de huidige situatie is op het erf aan de Slenke 9a een woonhuis aanwezig met een bijgebouw. Het erf is tot stand gekomen na het opruimen van alle oude agrarische bedrijfsbebouwing door gebruik te maken van de Rood voor Rood regeling van de gemeente Twenterand. Aan de voorkant van het erf is de oude verharding nog aanwezig zodat een plein ontstaan is waaraan zowel de Slenke 9a en nr. 9 zijn gelegen. Hierdoor is er ruimtelijk gezien nog steeds sprake van één erf ter plaatse. Het geheel is destijds landschappelijk ingepast, onderstaande obliekfoto geeft een goed beeld van het huidige erf.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.TAMPHSlenke9-vas1_0006.png"

Figuur 2.1: Obliekfoto erf Slenke 9a, Den Ham (bron: Cyclomedia Streetsmart).

Op het erf aan de Slenke 5 is op dit moment nog een oude landschapsontsierende varkensstal aanwezig welke gesloopt zal gaan worden. De varkensstal ligt achterop het perceel tegen de achterliggende agrarische gronden aan. Verder bestaat het erf uit meerdere stallen en de oude boerderij. Tevens is er een kuilvoerplaat aanwezig. Onderstaande luchtfoto geeft een weergave van het huidige erf.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.TAMPHSlenke9-vas1_0007.png"

Figuur 2.2: Luchtfoto erf Slenke 5, Den Ham (bron: Google Maps)

2.2 Toekomstige situatie

De initiatiefnemer is voornemens om een oude varkensstal (blauw omkaderd) te slopen op het erf aan de Slenke 5 en daarvoor in de plaats een schuur op te richten ten behoeve van het hobbymatig houden van een aantal dieren op hun gronden aan de Slenke 9a. De globale locatie van de terug te bouwen schuur is onderstaand met een rood kader weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.TAMPHSlenke9-vas1_0008.png" Figuur 2.3: Weergave te slopen varkensstal en terug te bouwen schuur (bron: Perceelloep)

De te bouwen schuur zal ca. 110 m² in oppervlak worden, zoals hiervoor aangegeven is de huidige kapschuur 140 m², door gebruik te maken van de Schuur voor Schuur regeling kan tot maximaal 250 m² aan bijgebouwen worden opgericht mits aan de voorwaarden wordt voldaan. Hier zal nader op in worden gegaan onder 3.4 Gemeentelijk beleid.

Bij de inpassing van de te bouwen schuur is voortgeborduurd op het eerdere ontwerp, de schuur zal de uitstraling krijgen van een hooimijt. Het erf is richting de Linderbeek open en kent dus een open verbinding met het landschap. Een hooimijt, de typologie van deze schuur, is op het erf louter een functioneel gebouw. Juist door dat functionele karakter, maar ook mede door de karakteristieke uitstraling wordt in dit geval aangeraden om het gebouw niet te betuttelen met beplanting. Daardoor zou eerder het idee van een strak bemeten tuin ontstaan in plaats van een landschappelijke inpassing. De kwaliteit van het erf is goed in balans. Hierom wordt ervoor gekozen om geen onnodige toevoegingen te doen in de vorm van extra beplanting. Onderstaand is de nieuwe erfinrichting aan de Slenke 9a weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.TAMPHSlenke9-vas1_0009.png"

Figuur 2.4: Nieuwe erfopzet Slenk 9a, Den Ham (Bron: N+L Landschapsontwerpers)

Het erfinrichtingsplan wijkt iets af van hetgeen vastgesteld in het plan 'Buitengebied Twenterand PH Slenke 9'. Dit doet echter geen afbreuk aan de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke waarden ter plaatse.Tevens is door de initiatiefnemer extra groen aangeplant zodat het geheel voldoende volume heeft op het erf.

Op de slooplocatie zal de grond, na sloop van de varkensstal, weer teruggebracht worden naar cultuurgrond waardoor het erf ter plaatse in omvang zal afnemen en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse toe zal nemen. In totaal wordt er 320m² gesloopt waarna er 1183m² aan bedrijfsbebouwing overblijft op het erf aan de Slenke 5. Het maximum oppervlak aan bedrijfsbebouwing wordt vastgelegd middels een aanduiding. In figuur 2.5 is de toekomstige erfopzet aan de Slenke 5 weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.TAMPHSlenke9-vas1_0010.png"

Figuur 2.5: Toekomstige erfopzet Slenke 5, Den Ham (Bron: N+L Landschapontwerpers)

Een volledige weergave van beide inrichtingsstekeningen zijn opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting en de regels. Er zijn tevens gebodsbepalingen opgenomen om de nieuwe erfinrichting en de sloop van de varkensschuur te borgen.

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

3.1 Instructieregels Rijk

De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB's):

  • het Omgevingsbesluit (Ob);
  • het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);
  • het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);
  • het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. Het Rijk geeft in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (afdeling 5.1 Bkl). Bovenlokale belangen werken daarmee door in de vaststelling en wijziging van een omgevingsplan.

Ten aanzien van de instructieregels wordt onderscheid gemaakt tussen drie soorten instructieregels: 'betrekken bij', 'rekening houden met' en 'in acht nemen'. De eerste twee geven gemeenten ruimte voor eigen overwegingen. De laatste - ‘in acht nemen’ - is dwingend. Voor de volgende onderwerpen gelden rijksinstructieregels:

  • waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2 Bkl);
  • beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3 Bkl);
  • Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (paragraaf 5.1.4 Bkl);
  • Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (paragraaf 5.1.5 Bkl);
  • Het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden (paragraaf 5.1.6 Bkl);
  • Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (paragraaf 5.1.7 Bkl);
  • Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8 Bkl).

Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.

Doorwerking plan

Het voorliggende TAM-IMRO omgevingsplan houdt rekening met de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl. In deze motivering wordt onder andere ingegaan op de uitvoerbaarheid van het project ten aanzien van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, ten aanzien van (externe) veiligheid, waterbelangen en de bescherming van gezondheid en het milieu.

De volgende instructieregels zijn voor onderhavig project van toepassing:

  • Paragraaf 5.1.2 Bkl Waarborgen van veiligheid (zie paragraaf 4.7)
  • Paragraaf 5.1.3 Bkl Beschermen waterbelangen (zie paragraaf 4.8)
  • Paragaraaf 5.1.4 Bkl Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, geluid en geur en bodemkwaliteit (zie paragrafen 4.3, 4.4, 4.5 en 4.6
  • Paragraaf 5.1.5 Bkl Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (zie paragrafen 2.2, 3.2.2 en 4.10).

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio's;
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Toets

Volgens de NOVI moet landgebruik in balans worden gebracht met natuurlijke systemen en ontwikkelingen in het landelijke gebied. Gebieden mogen niet ten koste gaan van landschappelijke kwaliteiten. Dat zal bijdragen aan een landelijk gebied waar het prettig wonen en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor vitale landbouw.

Met voorliggend plan wordt een oude landschapsontsierende varkensstal gesloopt en wordt een schuur ,met een aanzienlijk kleiner oppervlak, voor het hobbymatig houden van dieren teruggebouwd. Hiermee wordt geen afbreuk gedaan aan de landschappelijke kwaliteiten ter plaatse. Door het opruimen van de varkensstal zal per saldo een verbetering in de ruimtelijke kwaliteit plaatsvinden. Tevens draagt de te bouwen schuur bij aan een prettige woon en leefomgeving op het erf aan de Slenke 9a, nu en in de toekomst. Er wordt voldaan aan de uitgangspunten zoals omschreven in de NOVI.

3.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. In artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving staat dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.

Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak over de Ladder (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724). De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen.

De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of er een nieuw of groter beslag op de ruimte is. Het gaat dus om een stedelijke ontwikkeling die een nieuw of groter planologisch beslag legt op de ruimte. Of, als er alleen een wijziging van de gebruiksfunctie is, op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten heeft. Voor de Ladder is van belang in hoeverre het plan:

  • in vergelijking met het vorige plan, voorziet in een functiewijziging;
  • en welk planologisch beslag op de ruimte het plan mogelijk maakt in vergelijking met het vorige plan. Daarbij gaat het enerzijds over bestaande bebouwing en ook over de bebouwing die op grond van het geldende omgevingsplan nog gebouwd kan worden, inclusief verleende omgevingsvergunningen voor een omgevingsplanactiviteit waarbij is afgeweken van het omgevingsplan.

Ook als de Ladder niet van toepassing is. Dan moet wel de evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden gemotiveerd.

Toets

Met voorliggend plan zal per saldo een vermindering aan bebouwing optreden, omdat de te slopen varkensschuur groter is dan de schuur voor hobbymatig gebruik die terug zal worden gebouwd. Ontwikkelingen die bebouwing reduceren of verplaatsen, zijn in de zin van de Ladder geen stedelijke ontwikkeling. Bijvoorbeeld de Ruimte voor ruimteregelingen. Of het anders situeren van bedrijfsfunctie op een bedrijventerrein, waarbij het aantal vierkante meters minder wordt. Dus salderen binnen een plangebied, of reductie van onbebouwde plancapaciteit, is 'in beginsel' Laddervrij. De ladder van duurzame verstedelijking is niet van toepassing op dit project.

3.3 Provinciaal beleid Overijssel

3.3.1 Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel is dé provinciale visie voor de fysieke leefomgeving van Overijssel en heeft een wettelijke basis in de Omgevingswet . In de omgevingsvisie bekijken we onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van onze leefomgeving. Ons beleid voor de fysieke leefomgeving staat primair in dienst van de sociaal-economische ontwikkeling van Overijssel. Ontwikkeling die nodig is om Overijssel toekomstbestendig te houden.

Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.

3.3.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening richt zich - net zo breed als de Omgevingsvisie Overijssel - op de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. Dit betekent dat regels worden gesteld op het gebied van de ruimtelijke ordening, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, landschappen, natuur en cultureel erfgoed. Daarmee geeft de provincie invulling aan de opdracht van artikel 2.6 van de Omgevingswet om één omgevingsverordening vast te stellen met daarin alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving in Overijssel.

3.3.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • generieke beleidskeuzes;
  • ontwikkelingsperspectieven;
  • gebiedskenmerken.

Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.

Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.

Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn normstellend en betreffen randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden.

Ontwikkelingsperspectieven

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.

De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaal-economische redenen in haar Omgevingsvisie of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel).

Gebiedskenmerken 

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Onder gebiedskenmerken worden de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype verstaan, die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype.

Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.TAMPHSlenke9-vas1_0011.png"

Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel)

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel

Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. De generieke beleidskeuzes zijn bepalend voor de vraag of een initiatief mogelijk is. Hieronder wordt het plan getoetst aan de relevante artikelen uit de Omgevingsverordening Overijssel 2024.

Artikel 4.5 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Lid 2

Omgevingsplannen voorzien alleen in nieuwe ontwikkelingen in de Groene Omgeving die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen, als aannemelijk gemaakt is dat:

  • a. (her)benutten van bestaande bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; en
  • b. mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.

Toets

Met voorliggend Schuur voor Schuur plan vindt een afname plaats van het verharde oppervlakte en bebouwing, het beslag op de groene ruimte neemt hierdoor af. De ontwikkeling een positieve impact op het landschap ter plaatse. De positionering van de schuur sluit tevens aan op de bestaande erven. Er wordt daarmee voldaan aan het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.

Artikel 4.6 Toekomstbestendigheid

In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is dat die toekomstbestendig zijn en dus:

a. de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien niet in gevaar brengen;

b. duurzaam en evenwichtig bijdragen aan het welzijn van mensen, economische welvaart en het beheer van natuurlijke voorraden; en

c. ook op lange termijn toegevoegde waarde hebben.

Toets

Met voorliggend plan wordt een bestaande schuur opgeruimd om een kleinere schuur voor hobbymatig gebruik terug te plaatsen. Hiermee wordt het woongenot vergroot en de ruimtelijke kwaliteit neemt toe. Dit levert een bijdrage aan het welzijn van mensen en heeft ook voor de langere termijn een positieve impact op o.a. de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.

Er wordt voldaan aan het principe van toekomstbestendigheid.

Artikel 4.8 (ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit)

In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken.

Toets

Met voorliggend plan neemt het bebouwd oppervlak per saldo af, de terug te bouwen schuur voor hobbymatig gebruik sluit aan bij het bestaande erf aan de Slenke 9a. Er vindt met het verwijderen van de landschapsontsierende schuur een verbetering in ruimtelijke kwaliteit plaats.

Ontwikkelingsperspectieven

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke omgeving van toepassing. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.TAMPHSlenke9-vas1_0012.png"

Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)

Zowel het erf aan de Slenke 9a als het erf aan de Slenke 5 bevinden zich in het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. Ambitie binnen dit perspectief is om voort te bouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen. Daarnaast gelden – net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven – de ruimtelijke kwaliteitsambities van een zichtbaar en beleefbaar mooi landschap, sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel en een continu en beleefbaar watersysteem. Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.

Op het erf aan de Slenke 5 bevindt zich een landschapsontsierende varkensstal welke gesloopt zal worden. In plaats hiervoor wordt aan de Slenke 9a een nieuwe schuur opgericht voor het hobbymatig houden van een aantal dieren. Met de sloop van de landschapsontsierende bebouwing, het terugbrengen van de gronden waarop de schuur stond naar cultuurgrond wordt voorzien in het versterken van kwaliteit en de ruimtelijke identiteit van het plangebied.

Gebiedskenmerken

Natuurlijke laag

De natuurlijke laag geeft aan het plangebied (beide erven) het kenmerk 'Beekdalen en natte laagtes' (zie figuur 3.3).

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.TAMPHSlenke9-vas1_0013.png"

Figuur 3.3: Natuurlijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)

Het Overijsselse zandlandschap is van oorsprong erg nat. In de laagtes van het zandgebied verzamelde zich het water. Hier ontwikkelden zich moerassen en broekbossen, waar het water in de loop van het seizoen geleidelijk uit weg sijpelde naar de lager gelegen delen, naar de beken en rivieren. Als ontwikkelingen plaats vinden in of in de directe nabijheid van beekdalen en natte laagtes, dan dragen deze bij aan extra ruimte voor de dynamiek van het stromende water en het vasthouden van water, aan versterking van de samenhang in het beeksysteem en aan vergroting van de zichtbaarheid, bereikbaarheid en beleefbaarheid van het water.

De locatie ligt in de nabijheid van de Linderbeek en tegen de rand aan van een dekzandrug ten oosten van de planlocatie. In het gebied zijn de kenmerken van het oorspronkelijke natuurlijke landschap nauwelijks meer waarneembaar. Dit komt hoofdzakelijk doordat het gebied in cultuur is gebracht ten behoeve van de landbouw en andere functies. Door de ontwikkeling zal de hoeveelheid verharding afnemen, waardoor er meer mogelijkheid is voor het vasthouden van water. In die zin past het initiatief binnen/draagt het initiatief bij aan versterking van de gebiedskenmerken.

Laag van het agrarisch cultuurlandschap

De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'Oude hoevenlandschap' aan het plangebied toe. In figuur 3.4 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.TAMPHSlenke9-vas1_0014.png"

Figuur 3.4: Laag van het agrarische cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)

Het oude hoevenlandschap betreft een landschap met verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen 'bezet' waren. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat dezelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond. Het landschap is contrastrijk met veel variatie op de korte afstand. Als ontwikkelingen plaats vinden in het oude hoevenlandschap, dan dragen deze bij aan behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen.

Het plangebied is gelegen in een overgangsgebied van het oude hoevenlandschap naar een gebiedstypologie die te beschrijven is als beekdal (zie ook beschrijving natuurlijke laag). In een dergelijk gebied is openheid één van de kenmerken. Door het slopen van een landschapsontsierende schuur en oprichten van een schuur die aansluit bij het bestaande erf wordt geen afbreuk gedaan aan dit kenmerk. Destijds is bij het erfinrichtingsplan voor de Slenke 9/9a rekening gehouden met dit landschappelijke uitgangspunt. Ook is de situatie van omstreeks 1910 hierbij betrokken. De omgeving van het plangebied is voornamelijk opgebouwd (geweest) uit bomenrijen (en geen houtsingels of houtwallen) waarbij het gebied rondom de beek open is. Het initiatief betreft de sloop van een aanzienlijk aantal vierkante meters aan landschapsontsierende agrarische gebouwen. Ter compensatie mag er één kleinere schuur voor hobbymatig gebruik terug worden gebouwd, in dit geval aan de Slenke 9a. De ontwikkeling wordt op passende wijze gepositioneerd op het erf, waarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke kenmerken. Geconcludeerd wordt dat het voornemen een impuls van de ruimtelijke kwaliteit met zich mee brengt en bijdraagt aan het leefbaar houden van het landelijk gebied.

De 'Stedelijke laag' en de 'Laag van de beleving' hebben binnen het plangebied geen specifieke kenmerken en blijven daarom verder buiten beschouwing.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende TAM-IMRO omgevingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Twenterand

De ‘Omgevingsvisie Twentrand’, vastgesteld in 14 december 2021 schetst de ruimtelijke ambities en keuzes van Twenterand. Daarbij wordt ingegaan op vijf thema’s:

  • 1. Goed wonen;
  • 2. Toekomstbestendig werken;
  • 3. Duurzaam Doen;
  • 4. Fraaie en gezonde omgeving;
  • 5. Zorgeloze Mobiliteit.

De gemeente Twenterand zet in op kwaliteit voor kwantiteit en hanteert daarbij een viertal kernprincipes. Deze kernprincipes zijn manieren van werken die de gemeente toepast bij nieuwe plannen of bij uitbreidingen:

  • 1. We doen het samen. We werken samen met inwoners, ondernemers en maatschappelijke instellingen. In elke situatie kijken we wie welke rol heeft;
  • 2. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt;
  • 3. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;
  • 4. Problemen afwentelen op volgende generaties wordt voorkomen.

Toets

Voor het voorgenomen plan is het thema ‘fraaie en gezonde omgeving’ van belang.

Twenterand is een fraaie gemeente. In het buitengebied genieten inwoners en bezoekers van landschap en natuur. In de kernen is er oog voor karakteristieke bebouwing en straten zien er netjes en mooi uit. Er is een vitaal en veerkrachtig platteland dat ruimte biedt aan werk, (toekomstbestendige) landbouw, landelijk wonen, vitale natuur, landschap en kwalitatief hoogwaardige recreatie. De gemeente heeft de ambitie om de kenmerken en kwaliteiten van de verschillende landschappen te behouden en waar mogelijk verder te ontwikkelen en te versterken.

De gemeente heeft tevens de ambitie om in te zetten op het behoud en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied en de kernen in Twenterand. Daarbij heeft het aandacht voor stedenbouwkundige structuren en cultuurhistorie. Het wil verpaupering tegengaan en biedt mogelijkheden voor ontwikkelingen die in aard en omvang passend zijn in een gebied. In het buitengebied zoekt het naar manieren om de leefbaarheid te behouden en verhogen zonder daarbij de specifieke kenmerken van een gebied uit het oog te verliezen.

Door het slopen van landschapsontsierende bebouwing aan de Slenke 5 en terugplaatsen van een schuur voor hobbymatig gebruik op het erf aan de Slenke 9a vindt per saldo een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit plaats. Tevens wordt met het slopen van de varkensschuur verpaupering tegengegaan. De op te richten schuur is van beperkte omvang, sluit aan op het bestaande erf en past in de bestaande landschapsstructuren. Het landelijk wonen wordt op deze manier kracht bij gezet.

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan de uitgangspunten en ambities zoals opgenomen in de Omgevingsvisie van de gemeente Twenterand.

3.5 Beleidsregels erventransitie gemeente Twenterand 2019

De beleidsregels erventransitie bieden een vereenvoudiging van de eerdere Rood voor Rood regeling en een uitbreiding van de mogelijkheden voor Rood voor Rood en de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. De regeling is bedoeld om de sloop van landschapsontsierende bebouwing in met name het buitengebied te bevorderen.

Bijkomend voordeel is dat door toepassing van de regeling tegemoet kan worden gekomen aan de wens van de raad om ruimere mogelijkheden te bieden voor bijgebouwen bij woningen.

Met betrekking tot deze beleidsregels heeft de gemeente Twenterand een aantal algemene uitgangspunten opgenomen:

  • a. Toepassing van de regeling moet leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.
  • b. Deze regeling is bedoeld ter bevordering van de sloop van (voormalige) (agrarische) bedrijfsgebouwen die nog niet in het kader van een andere regeling zijn of moeten worden gesaneerd.
  • c. De regeling is ook van toepassing voor vrijkomende agrarische bebouwing op percelen die inmiddels een andere bestemming hebben.
  • d. Sloop vindt plaats binnen de gemeente Twenterand.
  • e. Nieuwbouw op het erf waar gesloopt wordt gaat boven nieuwbouw op een andere locatie, tenzij nieuwbouw op een andere locatie leidt tot verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.
  • f. Op erven die deelnemen wordt het hele erf in de ontwikkeling betrokken.
  • g. Op erven die deelnemen worden in elk geval alle asbestdaken gesaneerd.
  • h. Alleen legaal opgerichte bebouwing komt bij toepassing van de regeling voor compensatie in aanmerking.
  • i. Voor bedrijfsmatige kassen en andere bouwwerken met een vergelijkbare lichte constructie, zoals sheds, worden alle genoemde benodigde m2 met factor 5 worden vermenigvuldigd.
  • j. De planologische (bouw)mogelijkheden op alle betrokken locaties worden aangepast aan de nieuwe situatie.
  • k. Alle plannen gaan vergezeld van een erfinrichtingsplan waarin is aangegeven hoe de ontwikkeling in het erf wordt ingepast.
  • l. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in de omgeving aanwezige functies en waarden.
  • m. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de belangen van derden.
  • n. Als een ontwikkeling plaatsvindt in de door de provincie aangegeven Zone ondernemen met water en natuur blijft er altijd een extra bijdrage aan de waarden en de kenmerken van deze zone gelden.
  • o. Bij herbouw moet rekening worden gehouden met bestaande erfstructuren.
  • p. Wanneer toepassing van deze regeling leidt tot uitbreidingsmogelijkheden van de bebouwing, houdt dit ook in dat het bouwvlak en/of bestemmingsvlak bij de benodigde bestemmingsplanherziening hieraan wordt aangepast.
  • q. De verkeersveiligheid dient te zijn geborgd.
  • r. Er dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
  • s. Er wordt met initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst afgesloten indien een tegemoetkoming in planschade niet is uit te sluiten. Dit is ter beoordeling van het college.
  • t. Er dient een zorgvuldige dialoog plaats te vinden met de directe omgeving.

Daarnaast staan er in het beleidsdocument nog een aantal specifieke bepalingen opgenomen voor het toepassen van Schuur voor Schuur voor de uitbreiding van bijgebouwen bij woningen in het buitengebied. Deze zijn hierna weergegeven:

  • a. Deze beleidsregel is van toepassing op uitbreiding van bijgebouwen bij woningen in het buitengebied.
  • b. De toegestane oppervlakte aan bijgebouwen van 100m2 bij woningen mag worden vergroot tot maximaal 250m2 met toepassing van tabel 1.
  • c. Het maximum van 250m2 geldt ook als sprake is van een omliggend grondareaal rondom de woning van 1 hectare of groter.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.TAMPHSlenke9-vas1_0015.png"

Figuur 3.5: Tabel sloopverhoudingen Schuur voor Schuur Twenterand (Bron: Beleidsregels erventransitie gemeente Twenterand 2019)

Toets

Met voorliggend plan wordt een landschapsontsierende varkensstal van ca. 320 m² gesloopt. Hiervoor in de plaats wordt een schuur van 110 m² teruggeplaatst als uitbreiding van bijgebouwen bij een woning in het buitengebied. Op dit moment is een bijgebouw van 140 m² aanwezig op het erf, met 110m² extra zal in totaal 250 m² aan bijgebouwen op het erf aan de Slenke 9a aanwezig zijn. Daarmee is, op basis van de Schuur voor Schuur regeling, het maximaal toegestane oppervlak van 250 m² aan bijgebouwen bij woningen bereikt.

Zowel de sloop als bouwlocatie liggen in de gemeente Twenterand. Per saldo komt er minder bebouwing voor in de plaats, de terug te plaatsen bebouwing zal tevens van hogere kwaliteit zijn. Daarnaast wordt de grond ter plaatse van de varkensstal teruggebracht naar cultuurgrond. Er zal niet op de slooplocatie worden teruggebouwd, mede omdat hier geen behoefte bestaat aan een schuur voor hobbymatig gebruik. Tevens zou de nieuw te bouwen schuur niet passend zijn in het bestaande erfensemble op de slooplocatie, waar deze op de gewenste locatie aan de Slenke 9a juist een toevoeging is aan het bestaande erf. Er is met de gewenste ontwikkeling sprake van een verbetering in ruimtelijke kwaliteit.

De aanwezige stallen op de sloop en bouwlocatie bevatten geen asbest meer, dit is al eerder vervangen. Verder worden met het slopen van de varkensstal de laatste bedrijfsmatige activiteiten gestopt, er vonden voor het overige deel van het erf al geen bedrijfsmatige activiteiten meer plaats. Belangen van (agrarische) bedrijven of woonpercelen in de omgeving komen met voorliggende ontwikkeling niet in het geding. De aanwezige woonfunctie zal worden uitgebreid om de te bouwen schuur binnen de woonbestemming in te passen, er zal tevens nog steeds sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Met betrekking tot verkeer zullen er geen veranderingen optreden t.o.v. de huidige situatie.

Tussen de gemeente Twenterand en de initiatiefnemer zal een overeenkomst worden gesloten m.b.t. nadeelcompensatie. De initiatiefnemer heeft de participatiescan van de gemeente Twenterand doorlopen waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn vanuit de omgeving, hier wordt verder op ingegaan in hoofdstuk 7 van dit plan.

Gezien het vorenstaande wordt voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in de 'Beleidsregels erventransitie gemeente Twenterand 2019'.

Hoofdstuk 4 Aspecten fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke manier bij de voorgenomen activiteiten rekening is gehouden met diverse aspecten uit de fysieke leefomgeving om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een aantal aspecten zijn nadere onderzoeken uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken zijn opgenomen in dit hoofdstuk. De rapportages zijn als bijlage aan deze ruimtelijke motivering toegevoegd.

4.1 Plan milieueffectrapportage

Met de Omgevingswet verandert de grondslag van de milieueffectrapportage (mer). Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit.

De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Omgevingswet. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen:

  • de EU-richtlijn mer (mer-richtlijn): richtlijn over de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en private projecten
  • de EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling (smb-richtlijn): richtlijn over de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's

De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project.

In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen:

  • De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan of programma (artikel 16.34, eerste lid Omgevingswet). In de Omgevingswet is opgenomen dat een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing aan die vereisten voldoen.
  • De tweede eis is dat het plan of programma een kader vormt voor besluiten voor mer-(beoordelings)plichtige projecten (artikel 16.36 Omgevingswet) of dat er een passende beoordeling voor een plan of programma nodig is. In kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de mer-(beoordelings)plichtige projecten opgenomen.

De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het ecther mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een plan-milieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn:

  • 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan. Het plan is niet direct plan-mer-plichtig, maar er moet wel een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. De mer-(beoordelings)plichtige projecten zijn opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
  • 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V Omgevingsbesluit. Daarnaast komen de projecten waarvoor het omgevingsplan het kader vormt niet boven de drempel van kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit. Er kan dan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling als:
    • a. het plan een kleine wijziging van een plan of programma is;
    • b. het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is.

In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36, lid 3 en 4 Omgevingswet) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten:

  • Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt.
  • Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt.

Toets

De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Ob, de meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J11, een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'.

Het begrip 'Stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31

januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of

sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject:

  • de aard en omvang van de ontwikkeling;
  • de vormgeving en opzet;
  • de schaalgrootte;
  • de ligging;
  • de voorgenomen functie(wijziging), en;
  • de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk.

Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken( art. 16.36, lid 3, Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht.

Voorliggend plan heeft betrekking op een ontwikkeling waarbij het totaal aan bebouwing en verharding per saldo af neemt. Gezien de aard en omvang van deze ontwikkeling, de ligging, de inpasbaarheid in het landschap en aansluiting bij het bestaande erf is in voorliggend geval geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Er is geen mer-beoordelingsplicht.

4.2 Milieubelastende activiteiten

De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Het maatschappelijk doel hierbij is 'ruimte voor ontwikkeling en waarborgen voor kwaliteit'. Om dit doel te bewerkstelligen is het ruimtelijk- en milieuspoor verder geïntegreerd.

In de bijlage bij artikel 1.1. van de Ow wordt het begrip Milieubelastende activiteit (Mba) als volgt gedefinieerd: 'activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringstechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit'.

Dit heeft betrekking op alle activiteiten die mogelijk een negatief effect op het milieu kunnen hebben. Om te bepalen of er sprake is van een Mba moet een check worden gedaan of er instructieregels uit het Bkl, Bal of Bbl van toepassing zijn op het project. Hieronder vallen ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten, dit kunnen ook beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis zijn. De instructieregels in het Bkl zijn bijvoorbeeld niet van toepassing op het wonen zelf, maar wel op beroepen en bedrijven aan huis.

Naast de instructieregels hebben gemeenten zelf de beleidsvrijheid om in het omgevingsplan aanvullende milieuregels en/of voorwaarden te stellen voor Mba's. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld het houden van huisdieren of het gebruik van kachels en openhaarden.

Met het oog op een veilige en gezonde leefomgeving is het uitgangspunt: het aanhouden van voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige gebouwen en locaties.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds het werkingsgebied van de functie die de milieubelastende activiteiten toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het omgevingsplan mogelijk is.Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.TAMPHSlenke9-vas1_0016.png"

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering

Toets

Met het slopen van landschapsontsierende bebouwing en het bouwen van een schuur voor hobbymatig houden van dieren en materieel ten behoeve hiervan, wordt geen milieugevoelige functie opgericht. Ten noordoosten van het perceel aan de Slenke 9a, op het perceel Slenke 7, is het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf, een melkrundveehouderij, gevestigd op een afstand van minimaal 75 meter. Dit bedrijf valt in categorie 3.2 (fokken en houden van melkrundvee) waarbij een richtafstand geldt van 30 meter voor geluid en stof in het geval van melkrundvee. De uitbreiding van de woonfunctie die nodig is om de schuur te bouwen vindt plaats richting het zuidwesten en vormt daarmee geen belemmering voor het voorgenoemde agrarische bedrijf. De overige agrarische functies in de omgeving liggen op zodanige afstand dat de uitbreiding van de woonfunctie hier geen invloed op heeft.

Gezien het feit dat de uitbreiding van de woonfunctie enkel wordt gedaan t.b.v. het bouwen van een schuur en de ruime afstand tot omliggende agrarische erven, zal geen sprake zijn van overlast door milieubelastende activiteiten in de omgeving. Daarnaast zal het uitbreiden van de woonfunctie niet leiden tot belemmering van omliggende bedrijfsmatige activiteiten. Het onderdeel milieubelastende activiteiten vormt hiermee geen belemmering m.b.t. de voorgenomen ontwikkeling.

4.3 Geur

In paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk:

  • Zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2)
  • Het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3)
  • Andere agrarische activiteiten

In artikel 5.92 Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening.

Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Dit betekent dat er sprake is van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.

Toets

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de bestaande woonfunctie uitgebreid om zo een schuur op te richten voor het hobbymatig houden van dieren, er is geen sprake van het oprichten van een geurgevoelig object. Er zal daarom geen sprake zijn van geurhinder m.b.t. de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Bodem

Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem.

Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.

Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).

Toets

Met dit plan wordt de huidige woonfunctie uitgebreid om zo de bouw van een schuur voor hobbymatig gebruik mogelijk te maken. Hiermee is geen sprake van het mogelijk maken van een bodemgevoelig gebouw of bodemgevoelige locatie (functie). De woonfunctie wordt enkel uitgebreid om de bouw van de schuur mogelijk te maken, het betreft hier geen verblijfsfunctie.

Daarnaast heeft op de gronden waar de schuur is beoogd nooit bebouwing gestaan of hebben er bedrijfsmatige activiteiten anders dan agrarisch plaatsgevonden waardoor mogelijke vervuiling aanwezig zou kunnen zijn (topotijdreis 1890-nu). Voor de rest van het erf heeft in 2018 al bodemonderzoek plaatsgevonden t.b.v. het uitgevoerde rood voor rood plan 'Buitengebied Twenterand PH SLenke 9'. Hierruit is gebleken dat de bodem ook hier geschikt was en is voor het beoogde gebruik (wonen). Nader onderzoek is hiermee niet noodzakelijk.

4.5 Geluid

Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.

Geluidsgevoelige gebouwen

In artikel 3.20 van het Bkl zijn de geluidsgevoelige gebouwen aangewezen. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond de woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.

Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan:

  • woningen
  • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).
  • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied.

Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in artikel 5.78t van het Bkl.

In het Bkl zijn eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. In onderstaande tabel zijn de standaardwaarden en grenswaarden weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.TAMPHSlenke9-vas1_0017.png"

Figuur 4.2: geluidswaarden per bronsoort (Bron: BKL)

Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden. Meer geluid dan de standaardwaarde kan echter als aanvaardbaar beoordeeld worden (artikel 5.78u tot en met 5.78ad Bkl). Een grenswaarde is een uiterste grens waar niet van mag worden afgeweken.

Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden.

Geluid door activiteiten

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een BOPA op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.

Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel.

De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen

Toets

Met voorliggend plan wordt geen geluidsgevoelig gebouw opgericht. Nader onderzoek m.b.t. het aspect geluid is dan ook niet noodzakelijk.

4.6 Luchtkwaliteit

Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof.

In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;

De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaan over:

  • beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden;
  • ammoniakemissies van veehouderijen;
  • geologische opslag van CO2.

Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Toets

Met dit plan wordt een landschapsontsierende varkensstal gesloopt en het oprichten van een schuur voor hobbymatig gebruik mogelijk gemaakt. De op te richten schuur aan de Slenke 9a is voor eigen hobbymatig gebruik en zal dan ook niet leiden tot extra verkeersbewegingen van en naar het erf. De mogelijkheden om bedrijfsmatig varkens te kunnen houden op het erf aan de Slenke 5 worden tegelijkertijd beëindigd. Als gevolg hiervan zal het aantal verkeersbewegingen binnen het plangebied per saldo afnemen en zal de voorgenomen ontwikkeling leiden tot een verbetering van de luchtkwaliteit.

Het onderdeel luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7 Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning.

Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:

  • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl;
  • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl;
  • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl);
  • Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).

Toets

Met het uitbreiden van de woonfunctie t.b.v. het oprichten van een schuur voor het hobbymatig houden van dieren neemt het plaatsgebonden risico of groepsrisico niet toe. Er wordt geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object opgericht.

Desondanks is de risicokaart geraadpleegt, hieruit blijkt dat de dichtsbijzijnde risicobron zich op ca. 600 m afstand van de bouwlocatie bevindt, het betreft zwembad De Groene Jager.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.TAMPHSlenke9-vas1_0018.png"

Figuur 4.3: Afstand bouwlocatie Slenke 9a tot dichtsbijzijnde risicobron (Bron: Atlas van de leefomgeving)

Hieruit kan geconcludeerd worden dat het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering vormt voor het uitvoeren van de voorgenomen ontwikkeling.

4.8 Water

Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Waterbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de NOVI en het Nationaal Water Programma 2022-2027 (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).

Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.

Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Het staat de komende jaren voor grote uitdagingen en blijft werken aan voldoende water (niet te veel, niet te weinig), omgaan met klimaatverandering, voldoen aan de eisen voor waterkwaliteit, de biodiversiteit versterken en daarnaast wordt gewerkt aan duurzame energie en circulair grondstoffengebruik.

In de Watervisie 2050 heeft het waterschap de opgaven beschreven. Daarin wordt geschetst hoe het watersysteem er in 2050 moet uitzien om goed toegerust te zijn voor alle uitdagingen.

Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vloeit rechtstreeks voort uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma beschrijft hoe het waterschap de komende zes jaar werkt aan het realiseren van het gewenste waterbeheersysteem.

Hieronder wordt de Watervisie 2050 en het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschreven.

Watervisie 2050

Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners.

De drie belangrijkste opgaves zijn:

  • de toenemende droogte en wateroverlast als gevolg van klimaatverandering;
  • de waterkwaliteit die onder druk staat:
  • de transitie naar een duurzame ontwikkeling.

De Watervisie is doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2027 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zijn het beleid en de maatregelen opgenomen.

Waterbeheerprogramma 2022-2027

Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied.

Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe.

Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen. Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt:

  • Als gevolg van de klimaatverandering wil het waterschap zorgen voor meer balans tussen 'droge voeten' en het beperken van wateroverlast. Dat betekent dat water het leidende principe is voor het inrichten van de leefomgeving in plaats van andersom: water volgend aan de inrichting.
  • Er wordt meer aandacht gegeven aan het vasthouden van water in de bodem.
  • Regenwater wordt niet als afvalwater beschouwd, maar als bouwsteen in de ontwikkeling van een robuust watersysteem.

Gemeentelijk water- en rioleringsplan 2024-2028

Sinds 11-01-2024 is het gemeentelijk Water- en Rioleringsplan 2024-2028 van kracht binnen de gemeente Twenterand. Dit GWR is de opvolger van het Gemeentelijk Rioleringsplan 2019-2023 en heeft bewust een andere naam. Dat doet de gemeente Twenterand omdat de omgang met water in brede zin verandert. de gemeente Twenterand bereidt zich voor op de Omgevingswet door voor de wateropgave en riolering een plan op te stellen, zodanig dat het beleid geformuleerd is binnen de kaders van de Omgevingswet. Verbeteringen van de riolering worden gecombineerd met maatregelen die ook een gunstig effect hebben op het voorkomen van droogte en wateroverlast. Ook wordt gekeken de bijdrage van het riool aan een prettige en groene leefomgeving.

De visie is dat het bestaande gemeentelijk rioolstelsel op orde is en werkend blijft. Daarnaast is gemeente Twenterand klimaatbestendig in 2050. De openbare ruimte en openbare gebouwen worden klimaatbestendig ingericht, gebouwd en beheerd met de volgende tussenstappen:

  • In 2030 is er in Twenterand geen/zo min mogelijk wateroverlast in de bebouwde omgeving;
  • In 2040 is het maatschappelijk vastgoed klimaatbestendig;
  • In 2050 is Twenterand klimaatbestendig en kunnen we dealen met de veranderingen van het klimaat.

In de al eerdergenoemde ‘Aanpak klimaatadaptatie’ is vermeld hoe in Twenterand stappen worden gezet richting een klimaatrobuuste leefomgeving in 2050. Er zijn vier aandachtsgebieden:

  • 1. bewustwording en stimulering (voor met name inwoners en bedrijven),
  • 2. inrichting van de openbare ruimte (door zelf verschillende maatregelen te nemen),
  • 3. stedenbouw,
  • 4. RO en interne borging.

Deze maatregelen worden niet separaat uitgevoerd, maar worden zoveel mogelijk gekoppeld met (onderhouds)werk dat al in de planning staat.

Afvalwater

In Twenterand zijn in het buitengebied op enkele plaatsen IBA´s toegepast bij percelen waarvan de eigenaar niet mee wilde doen met aansluiting op de drukriolering of waar aanleg van drukriolering niet doelmatig was. Naar een IBA mag geen regenwater worden afgevoerd. De eigenaar is dan zelf verantwoordelijk voor beheer van de voorziening.

Hemelwater

Bij nieuwbouw in in- of uitbreidingswijken dient de ontwikkelaar te voldoen aan de eisen van het waterschap Vechtstromen. Dat betekent op dit moment het aanbrengen van 80 mm berging over de toename van het verhard oppervlak van de in- of uitbreiding. Die 80 mm berging of retentie kan worden gerealiseerd op groene daken, in infiltratievoorzieningen (onder de grond), in wadi’s (boven de grond), of in uitbreiding van oppervlaktewater (bergingsvijvers). Wanneer het waterschap Vechtstromen haar beleid bijstelt (bijvoorbeeld wanneer uit onderzoek van het KNMI blijkt dat zware buien sneller toenemen dan nu verwacht), kan het zijn dat die 80 mm hoger wordt. Nieuwbouw dient klimaatbestendig te worden ontworpen en aangelegd.

Op particulier terrein is primair de eigenaar van het terrein verantwoordelijk voor de opvang, verwerking en afvoer van het hemelwater. Het hemelwater wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater of wordt in de bodem geïnfiltreerd. Uitgangspunt is dat hemelwater schoon is, tenzij het verontreinigd wordt.

Weging van het waterbelang in voorliggend plan

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de watertoets vervangen door de term 'weging van het waterbelang'. Het begrip houdt in dat de gemeente bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De gemeente is verplicht om de waterbelangen mee te nemen in het omgevingsplan. Dit is een instructieregel van het Rijk die volgt uit artikel 5.37 Besluit kwaliteit leefomgeving.

Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de opvattingen van de waterbeheerder betrokken worden bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:

  • grondwater;
  • oppervlaktewater;
  • regenwater en;
  • afvalwater.

Toets

Op 5 juni 2024 is via www.hetwateradvies.nl de digitale watertoets uitgevoerd. Met de voorgenomen ontwikkeling treedt per saldo een afname aan verharding op. De te bouwen schuur aan de Slenke 9a kan het hemelwater dat wordt opgevangen afvoeren op de naastliggende agrarische gronden of via de aanwezige sloot die tussen de te bouwen schuur en het woonerf in ligt. De ontwikkeling heeft een dusdanig kleine impact op het waterbeheer in het gebied dat er geen waterschapsbelangen worden geschaad.

4.9 Natuurwaarden

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Natura 2000-gebieden

Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning noodzakelijk.

Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:

  • de leefgebieden van vogels;
  • de natuurlijke habitats of habitats van soorten;

De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt.

Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.

Natuurnetwerk Nederland

In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven.

Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel.

Soortenbescherming

In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:

  • Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal);
  • Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal);
  • Andere soorten (artikel 11.54 Bal).

Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.

Toetsing 

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gronden die tot het NNN behoren liggen op minimaal 217 m van de bouwlocatie (zie figuur 4.4) en op minimaal 154 m van de slooplocatie (zie figuur 4.5). De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.TAMPHSlenke9-vas1_0019.png"

Figuur 4.4: Afstand bouwlocatie Slenke 9a tot NNN (Bron: Atlas van de leefomgeving)

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.TAMPHSlenke9-vas1_0020.png"

Figuur 4.5: Afstand slooplocatie Slenke 5 tot NNN (Bron: Atlas van de leefomgeving)

Natura 2000-gebied

Het plangebied behoort niet tot Natura 2000-gebied. De slooplocatie bevindt zich het dichtstbij een Natura 2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op minimaal 266 m afstand van de slooplocatie aan de Slenke 5 (Vecht en Beneden Reggegebied).

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.TAMPHSlenke9-vas1_0021.png"

Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling zijn negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring niet aan de orde.Negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen uitgesloten worden.

Stikstofdepositie op Natura 2000-gebied

Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van een schuur voor hobbymatig gebruik, hiervoor wordt een bestaande varkensstal gesloopt. Als een bouwproject afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is daarvoor, naast een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen (artikel 5.1 lid 1 sub a Omgevingswet) en een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit zelf, een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig.

Degene die bouw- en sloopwerkzaamheden verricht, moet altijd adequate maatregelen treffen (zoals werktuigen minder stationair laten draaien) om de stikstofemissie te beperken (artikel 7.19a, Bbl). Dat geldt alleen voor een van de volgende gevallen:

  • Voor het bouwen is een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit nodig.
  • Voor het bouwen is een bouwmelding nodig.
  • Voor het slopen is een melding nodig omdat er meer dan 10 m3 aan afval vrijkomt.
  • Informatie over maatregelen die de stikstofemissie beperken, moet naar het bevoegd gezag toegestuurd worden met:
  • de bouwmelding of sloopmelding (artikel 7.5c Bbl)
  • de vergunningaanvraag voor de technische bouwactiviteit (artikel 7.12a Omgevingsregeling)

Voorliggend plan voorziet in het slopen van een bestaande varkensstal aan de Slenke 5 waardoor aan de Slenke 9a een schuur voor hobbymatig gebruik terug kan worden gebouwd. Het slopen van de varkensstal zorgt ervoor dat er geen varkens meer kunnen worden gehouden aan de Slenke 5, de nieuw op te richten schuur voor hobbymatig gebruik is van kleinere omvang en zal enkele dieren huisvesten die alleen bedoeld zijn voor hobbyboeren. Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling zal per saldo een verbetering optreden m.b.t. de stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura 2000 gebied. Echter heeft de Raad van State op 18 december 2024 besloten dat intern salderen niet meer in de voortoets mag plaatsvinden. Dit betekent dat de stikstofgevolgen van (in dit geval) het houden van varkens/de varkensstal niet gebruikt mogen worden ter verantwoording van de nieuw te bouwen schuur.

Daarom is een AERIUS-berekening uitgevoerd t.b.v. voorliggend plan. Omdat er in dit geval geen sprake is van uitstoot in de gebruiksfase (schuur voor hobbymatig houden van dieren), is alleen rekening gehouden met de aanlegfase. De conclusies uit de berekening zijn onderstaand opgenomen, voor de gehele berekening wordt verwezen naar Bijlage 2 bij deze toelichting.

Aanlegfase

De totale NOx-emissie bedraagt in deze fase in totaal 8,2 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 0,2

kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.

Door uitvoering van de voorliggende AERIUS-berekening is aangetoond dat als gevolg van het

voorgenomen sloop van de bestaande schuur op het perceel Slenke 5 en de bouw van de nieuwe

schuur op het perceel Slenke 9a in Den Ham geen sprake is van een nadelige depositie van stikstof en

ammoniak.

Derhalve wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot een verslechtering van

de milieukwaliteit van de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het projectgebied.

Stikstof en ammoniak vormen geen belemmering voor de uitvoering van het voorgenomen project. Een

omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is niet noodzakelijk.

Soortenbescherming

Bij dit TAM-omgevingsplan wordt gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaarden uitgevoerd door Natuurbank Overijssel (projectnummer 6625 versie 1.0), zie ook Bijlage 3. De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen.

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een vaste rust- en voortplantingsplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen uitsluitend benut als foerageergebied.

Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen bij voorkeur buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, mits geen bezette vogelnesten verstoord, beschadigd of vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode van vogels, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.

Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaatsen’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit van de Omgevingswet vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood.

Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd amfibie gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rustplaatsen van een beschermd

amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rustplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde dieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.

Uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden heeft geen negatief effect op essentieel foerageergebied van vleermuizen.

 Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat:

  • Werkzaamheden uitvoeren buiten de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan

uitvoeren);

  • Geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën doden (zorgvuldig werken,

wegvangen of werkterrein natuurvrij maken);

Conclusie

Met inachtneming van het bovenstaande vormt het aspect natuurwaarden geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.10 Archeologie en erfgoed

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

Cultureel erfgoed

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over:

  • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • Verplaatsing van beschermde monumenten;
  • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
  • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Archeologische resten

Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst.

Toets

Archeologie

Volgens het Omgevingsplan onderdelen 'Buitengebied Twenterand PH Slenke 9' en 'Buitengebied herziening 2005' liggen er op zowel de bouw als slooplocatie geen archeologische verwachtingen.

Uit de archeologische en cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Twenterand, blijkt dat er een archeologische verwachting op het plangebied ligt. Het Erf aan de Slenke 9a is in onderstaand figuur rood omcirkeld met in het groen globaal de positionering van de beoogde schuur weergegeven. De te slopen schuur aan de Slenke 5 is in het blauw weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1700.TAMPHSlenke9-vas1_0022.png"

Figuur 4.4: Uitsnede archeologische verwachtingskaart gemeente Twenterand (Bron: gemeente Twenterand)

De bouwlocatie waar de schuur is beoogd bevindt zich in een gebied met een lage archeologische verwachting, de locatie grenst niet aan een archeologisch waardevol terrein, daarom is op de bouwlocatie aan de Slenke 9a geen archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Voor wat betreft de slooplocatie geldt deels een hoge verwachting wanneer sprake is van een cultuurhistorisch element. Tevens is sprake van verspreide bebouwing in 1832 op het erf. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij ingrepen dieper dan 40 cm en een oppervlakte gelijk aan of groter dan 100 m² is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Daarnaast geldt voor de slooplocatie deels een middelhoge verwachting waarbij bij ingrepen dieper dan 40 cm en een oppervlakte gelijk aan of groter dan 2.500 m² archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

De bodem ter plaatse van de te slopen varkensschuur is reeds verstoord ten tijde van de bouw en er zal enkel sloop plaatsvinden waarbij geen werkzaamheden plaatsvinden die dieper gaan dan de dan de bestaande fundering. Derhalve is archeologisch onderzoek op het erf aan de Slenke 5 niet noodzakelijk.

Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor uitvoering van voorliggend plan.

Cultureel erfgoed

Het gehele plangebied bevat geen rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten. Ook in de nabijheid van het plangebied zijn deze niet aanwezig. Derhalve wordt geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

4.11 Verkeer / parkeren

Het plangebied wordt ontsloten via de Slenke. Dit betreft een 60 km/u weg in de nabijheid van de kern Den Ham. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de woonfunctie uitgebreid om het realiseren van een schuur voor hobbymatig gebruik mogelijk te maken. De schuur is beoogd voor eigen gebruik en zal weinig tot geen extra verkeersbewegingen opleveren. De bestaande weg is voldoende om het verkeer van en naar het erf af te wikkelen.

Het parkeren vindt plaats op eigen terrein, waar meer dan voldoende ruimte is om te parkeren. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.

4.12 Gezondheid

De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om:

  • Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?);
  • Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

Toets

Met dit plan wordt het uitbreiden van de woonfunctie, teneinde een schuur voor hobbymatig gebruik op te richten, mogelijk gemaakt. Het hobbymatig houden van enkele dieren is een wens van de initiatiefnemer en zal bijdragen aan een prettige woon en leefomgeving voor de bewoners van het erf aan de slenke 9a. Daarnaast worden met het slopen van de varkensstal de laatste agrarische activiteiten aan de Slenke 5 beëindigd. Doordat het niet meer mogelijk is varkens te houden zal de luchtkwaliteit ter plaatse verbeteren, dit heeft een positief effect op de gezondheid van de bewoners op het erf van de Slenke 5 en de directe omliggende erven.

Door de aard en kleinschaligheid van het voornemen zijn mogelijke gezondheidsklachten uitgesloten. Het voornemen levert wel een bijdrage aan het geluk, woongenot en de gezondheid van de bewoners van beide erven. Het aspect gezondheid vormt gezien het vorenstaande geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Hoofdstuk 5 Toelichting op de regels

5.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-IMRO Omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-IMRO omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is.

Met het TAM-IMRO omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Buitengebied PH De Slenke 9’ wordt het uitbreiden van een bestaande woonfunctie teneinde een schuur voor hobbymatig gebruik te realiseren, mgelijk gemaakt. Deze wijziging op het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Twenterand is technisch opgesteld conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar is inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.

5.2 Opzet regels

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.

Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.

Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2024. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2024 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2025 worden afgemaakt met TAM-IMRO.

Werkingsgebied

De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locaties Slenke 5 en 9a te Den Ham, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1700.TAMPHSlenke9-ont1 zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl in het omgevingsloket. In hoofdstuk 1 van deze ruimtelijke motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.

5.2.1 Preambule

In de preambule is opgenomen dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.

5.2.2 Inleidende bepalingen

Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit:

  • artikel 1.1 Begrippen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen.
  • artikel 2 Toepassingsbereik: Dit artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het Omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan.
  • artikel 3 Meet- en rekenbepalingen: Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
  • artikel 4 Aanvraagvereisten: In dit artikel is aangegeven dat de aanvraagvereisten uit artikel 22.5.2 van het omgevingsplan van rechtswege ook van toepassing zijn verklaard op omgevingsvergunningaanvragen vereist op basis van het TAM-IMRO omgevingsplan.
  • artikel 5 Algemeen gebruiksverbod: Dit artikel geeft aan dat gebruik zoals niet omschreven in de regels van dit hoofdstuk, als strijdig wordt aangemerkt.
5.2.3 Functies en activiteiten

In Hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan.

5.2.4 Algemene bepalingen

Hoofdstuk 3 Algemene regels bevat de algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

  • Anti dubbeltelbepalingen:
  • Algemene bouwbepalingen: dit artikel bevat de bepalingen ten aanzien van bestaande afmetingen en bestaande afstanden.
  • Algemene gebruiksbepalingen: in dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze regels gaan uit van het principe dat gebruik uitsluitend is toegestaan in overeenstemming de ter plekke toegestane functies. Dit artikel bevat algemeen geldende bepalingen ten aanzien van strijdig en toegestaan gebruik volgens de in het omgevingsplan toegekende functies.
5.2.5 Nadere toelichting op de regels

Kenmerk van de Nederlandse regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving is dat er sprake is van een ‘ja, mits’-principe. Het omgevingsplan geeft voor veel functies aan onder welke voorwaarden ze voorstelbaar/inpasbaar zijn binnen het werkingsgebied of specifieke deelgebieden binnen het werkingsgebied. Het omgevingsplan vormt het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan welke functies op welke locaties binnen het werkingsgebied voorstelbaar worden geacht (en onder welke voorwaarden).

toelichting op de regels

  • Functieomschrijving 'Wonen'

De als 'Wonen' bestemde gronden zijn bestemd voor het wonen met bijbehorende bouwwerken en daaronder begrepen wegen en paden, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, water en nutsvoorzieningen.

Aan de slenke 5 wordt een landschapsontsierende varkensstal gesloopt zodat er aan de Slenke 9a een schuur voor hobbymatig gebruik kan worden gebouwd, om deze te kunnen plaatsen zal de woonfunctie aan de Slenke 9a worden vergroot. Per woning is maximaal 150 m2 aan bijgebouwen toegestaan. Vanwege de grotere oppervlakte aan bijgebouwen dat ontstaat is een aanduiding opgenomen. De schuur zal geen verblijfsfunctie krijgen, hierom is tevens een aanduiding opgenomen die dit uitsluit.

De bestemming 'Wonen' kent daarnaast regels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Hieronder vallen onder meer erfafscheidingen. Ook zijn er regels opgenomen omtrent paardenbakken.Binnen de bestemming zijn verschillende afwijkingsmogelijkheden opgenomen ten aanzien van bouwen (verplaatsen bestaande woning) en gebruik (inwoning, bed & breakfast, aan huis verbonden activiteiten).

  • Functieomschrijving 'Agrarisch'

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, hobbymatig agrarisch gebruik, extensieve recreatie en paardenbakken voor eigen hobbymatig gebruik. Met de daarbij behorende ontsluitings-, parkeer- en groenvoorzieningen, tuinen en erven, water- en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Aan de Slenke 5 wordt een landschapsontsierende varkensstal gesloopt zodat het aantal vierkante meters aan bedrijfsbebouwing op het erf afneemt. Er is een aanduiding opgenomen om het aantal resterende vierkante meters vast te leggen.

Hoofdstuk 6 Kostenverhaal

Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving zal de overheid vaak kosten maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van openbare voorzieningen. De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen.

De wettelijke regeling voor kostenverhaal is niet van toepassing voor gronden die de gemeente in eigendom heeft of in erfpacht uitgeeft, omdat kostenverhaal dan wordt verrekend via de gronduitgifte of de erfpachtcanon. Voor de overige gronden (vol eigendom) bevat afdeling 13.6 van de Omgevingswet de regeling voor kostenverhaal. De wet geeft de uitgangspunten en vereisten op basis waarvan de kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald.

Bij het opnemen van nieuwe bouw- of gebruiksmogelijkheden in het omgevingsplan wordt gelijktijdig bepaald of een kostenverhaalsgebied moet worden aangewezen. Van belang is of er sprake is van een bouw- of gebruiksactiviteit waarvoor kostenverhaal verplicht is (artikel 13.11 Ow). In artikel 8.13 Omgevingsbesluit (Ob) zijn deze activiteiten limitatief aangewezen. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of transformatie van gebouwen naar een andere functie, zoals een kantoor- of een winkelfunctie.

In sommige gevallen zijn de te verhalen kosten gering. Deze gevallen zijn opgesomd in artikel 8.14 Ob. Het bestuursorgaan kan besluiten in die gevallen geen kosten te verhalen (artikel 13.11 Ow). Als de activiteit niet onder deze uitzondering valt is kostenverhaal verplicht.

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het slopen van een varkensschuur en vergroten van een woonfunctie teneinde het bouwen van een schuur voor hobbymatig gebruik mogelijk te maken. Daarmee is het plan kostenverhaalsplichtig.

Een kostenverhaalsbijdrage kan voldaan worden via afspraken die worden vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst of op basis van de regels voor een kostenverhaalsgebied in het omgevingsplan. Als kostenverhaal verplicht is wordt bij voorkeur een privaatrechtelijke anterieure overeenkomst afgesloten met een initiatiefnemer (artikel. 13.13 Ow). Deze moet zijn afgesloten voordat het omgevingsplan wordt vastgesteld. Voor aanvang van een activiteit wordt vervolgens de verschuldigde kostenverhaalsbijdrage betaald op basis van de afgesloten anterieure overeenkomst.

Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten, waarmee voldaan is aan de verplichting tot het verhalen van kosten.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Voorkantsamenwerking provincie Overijssel

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het wettelijke vooroverleg (op basis van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) vervallen. Echter is er wel een algemeen artikel opgenomen waarin staat dat bestuursorganen onderling moeten afstemmen (artikel 2.2 Ow). In dat kader wordt het vooroverleg door de verschillende bestuursorganen alsnog gehanteerd.

Provincie Overijssel

De voorgenomen ontwikkeling past binnen de geldende gebiedskenmerken en versterkt de ruimtelijke kwaliteit zoals omschreven onder 3.3 van deze toelichting. Het gaat om een kleinschalige ontwikkeling waarbij de provinciale belangen niet worden geschaad. In het kader van vooroverleg is op ... het plan ter vooroverleg voorgelegd aan de provincie Overijssel.

Waterschap Vechtstromen

Op 5 juni 2024 is via www.hetwateradvies.nl de digitale watertoets uitgevoerd (opgenomen als bijlage 1 bij deze toelichting). Met de voorgenomen ontwikkeling treedt per saldo een afname aan verharding op. De te bouwen schuur aan de Slenke 9a kan het hemelwater dat wordt opgevangen afvoeren op de naastliggende agrarische gronden of via de aanwezige sloot die tussen de te bouwen schuur en het woonerf in ligt. De ontwikkeling heeft een dusdanig kleine impact op het waterbeheer in het gebied dat er geen waterschapsbelangen worden geschaad.

7.2 Participatie

Op grond van artikel 10.2, lid 2 van Omgevingsbesluit geldt een participatieverplichting bij het vaststellen van een wijziging van het omgevingsplan. In het vaststellingsbesluit moet staan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat met de resultaten gedaan is.

Door de initiatiefnemer is de participatiescan van de gemeente Twenterand uitgevoerd, hieruit blijkt dat het om een kleinschalige ontwikkeling gaat. Tevens zijn de directe omwonenden ingelicht over de plannen van de initiatiefnemer.

7.3 Zienswijzen

Binnen 6 weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan kan iedereen zienswijzen inbrengen. Dit kan schriftelijk of mondeling.

Het ontwerp-omgevingsplan heeft met ingang van 14 augustus voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit omgevingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn geen zienswijzen binnengekomen.