| Plan: | TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22m Buitengebied PH Europasingel 2 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1700.TAMPHEuropasingel2-vas1 |
Aan de Europasingel 2 bevindt zich een bedrijfsperceel. Het perceel bevindt zich in het buitengebied van Vroomshoop. De (bedrijfs)woning is in de afgelopen jaren in gebruik geweest als burgerwoning. De initiatiefnemer woont in deze woning zonder binding te hebben tot een op dit adres gevestigd bedrijf. De bedrijfsactiviteiten die aanwezig waren op het perceel zijn inmiddels beëindigd.
Op grond van het geldende omgevingsplan is het regulier wonen in een bedrijfswoning niet toegestaan. Om regulier te mogen wonen in de (voormalige)bedrijfswoning dient het omgevingsplan gewijzigd te worden. Voorliggend TAM-Omgevingsplan is opgesteld om het regulier wonen in de (voormalige)bedrijfswoning mogelijk te maken.
Ligging
Het plangebied is gelegen aan de Europasingel 2 in het buitengebied van Vroomshoop. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Den Ham, sectie K, perceelnummer 609. Slechts op een deel van het perceel wordt de functie gewijzigd. Dit deel heeft een oppervlakte van circa 2424 m2.
Figuur 1.1 geeft de globale ligging van het plangebied weer. Figuur 1.2 geeft de kadastrale begrenzing van het plangebied weer.
Figuur 1.1 luchtfoto plangebied, plangebied globaal in rood omcirkeld (Bron: PDOK viewer)
Figuur 1.2 Kadastrale kaart, plangebied globaal in blauw gemarkeerd (Bron: kadastralekaart)
Het plangebied is gelegen in het omgevingsplan 'gemeente Twenterand', onderdeel 'Buitengebied Twenterand' en 'Facetplan Parkeren Twenterand'. Het deel van het plangebied waarin de functie wordt gewijzigd, heeft de functies 'Bedrijf' en 'Waarde - Archeologie middelhoge verwachting'. Het andere deel van het perceel heeft de functie 'Bos', deze functie blijft behouden. Daarnaast is er een bouwvlak opgenomen. Het plangebied heeft de gebiedsaanduidingen 'milieuzone - intrekgebied' en 'vrijwaringszone - laagvliegroute'. Figuur 1.3 geeft het geldende omgevingsplan weer.
Figuur 1.3 Uitsnede geldend omgevingsplan, plangebied globaal in rood omkaderd (Bron: regels op de kaart)
Op grond van artikel 4 Bedrijf geldt dat per functievlak uitsluitend het type bedrijfsactiviteit zoals opgenomen in kolom 'type bedrijfsactiviteit' van bijlage 5 'Typen bedrijvigheid' is toegestaan. Voor de Europasingel 2 betekent dit: Adviesbureau met een oppervlakte van 285 m2 aan bebouwing. Daarnaast zijn het bestaande aantal bedrijfswoningen toegestaan.
De gronden met de functie 'Waarde - Archeologie middelhoge verwachting' zijn in eerste instantie bedoeld voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. De gronden met de gebiedsaanduiding 'milieuzone - intrekgebied' zijn mede bedoeld voor de bescherming van de bodem- en de (grond)waterkwaliteit ten behoeve van de drinkwatervoorziening. De gronden met de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone - laagvliegroute' zijn mede bedoeld voor het behoud en de bescherming van de laagvliegroutes voor militaire jacht- en transportvliegtuigen.
Binnen de functie 'Bedrijf' is het niet toegestaan om regulier in de bedrijfswoning te wonen. Het bewonen van de bedrijfswoning zonder binding tot een bedrijf past niet binnen het geldende omgevingsplan van de gemeente Twenterand.
Beoordelingskader
De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan.
Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen.
De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld.
Bij de beoordeling of wij een besluit willen nemen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen. Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen.
De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat.
De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is.
Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het plangebied. Verder mag het plan niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit plangebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen.
Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen.
Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het plan te realiseren.
Het onderhavige TAM-Omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22m Buitengebied PH Europasingel 2' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken.
In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling.
In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan en worden de strijdigheden in beeld gebracht.
Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau.
In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten.
In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Daarnaast wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg en het participatietraject.
Tot slot is in hoofdstuk 7 een toelichting op de planregels opgenomen.
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Twenterand, aan de Europasingel 2 in Vroomshoop. Op het plangebied is bebouwing aanwezig met een oppervlakt van circa 324 m2. De huidige bebouwing wordt gebruikt voor woondoeleinden en opslag. De huidige eigenaren van het perceel wonen al enkele jaren in het pand als zijnde woonboerderij. Aan de zuidzijde van het perceel is een stuk bos aanwezig.
In de omgeving liggen vooral agrarische functies, woonfuncties en bedrijfsfuncties. Daarnaast wordt aansluitend aan het perceel een nieuwbouwwijk gerealiseerd, 'Vroomshoop-oost 3'. Deze nieuwbouwwijk bestaat vooral uit woningen.
Figuur 2.1 geeft een luchtfoto weer van het plangebied.
Figuur 2.1 Luchtfoto planlocatie, planlocatie in rood omkaderd (Bron: PDOK viewer)
Voorliggend initiatief voorziet in het wijzigen van de functie op het plangebied. Op een deel van het plangebied is nu de functie 'Bedrijf' geldig. Echter om regulier te mogen wonen in de (voormalige)bedrijfswoning moet de functie van dit deel van het perceel gewijzigd worden naar wonen. Met het wijzigen van de functie op een deel van het perceel veranderd de feitelijke situatie van de gebouwen niet. Er wordt geen bebouwing gesloopt en/of bijgebouwd.
Figuur 2.2 en 2.3 geven een impressie van de (voormalige)bedrijfswoning weer.
Figuur 2.2 Impressie woning (Bron: Funda)
Figuur 2.3 Impressie woning (Bron: Funda)
De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB's):
In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. Voor de volgende onderwerpen gelden er rijksinstructieregels:
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.
Het plan houdt rekening met de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl. In deze ruimtelijke onderbouwing wordt onder andere ingegaan op de uitvoerbaarheid van het project ten aanzien van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, ten aanzien van (externe) veiligheid, waterbelangen en de bescherming van gezondheid en het milieu. De volgende instructieregels zijn voor eenwijziging op een omgevingsplan van toepassing:
§5.1.2 Bkl Waarborgen van veiligheid (zie paragraaf 4.7);
§5.1.3 Bkl Beschermen waterbelangen (zie paragraaf 4.8);
§5.1.4 Bkl Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, geluid en geur en bodemkwaliteit (zie paragrafen 4.12, 4.6, 4.5, 4.3 en 4.4);
§5.1.5 Bkl Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (zie paragrafen 3.2 en 3.1.3).
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.
Naast artikel 8.0a, lid, Bkl (evenwichtige toedeling van functies aan locaties) gelden de beoordelingsregels uit de artikelen 8.0b, 8.0c, 8.0d en 8.0e van het Bkl:
Zoals beschreven houdt het plan rekening met de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl. Daarnaast wordt rekening gehouden met de instructies van de provincie. Voor het projectgebied zijn geen voorbeschermingsregels gesteld waar rekening mee gehouden moeten worden. In de volgende hoofdstukken wordt nader ingegaan op het relevante provinciaal-, en gemeentelijke beleid en de omgevingsaspecten. Als gevolg van het plan worden geen rijksbelangen geschaad.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Conclusie
Voorliggend initiatief voorziet in het wijzigen van functie 'Bedrijf' naar de functie 'Wonen' op het perceel aan de Europasingel 2 in Vroomshoop. Het gaat hierbij om een bedrijfswoning en voormalige bedrijfsbebouwing die anders leeg komen te staan. Dit plan maakt het mogelijk om de bedrijfswoning om te zetten naar een reguliere woning. Hiermee kan de woning breder worden ingezet in de woningmarkt en wordt er voorkomen dat het erf verloederd. Op deze manier wordt er bijgedragen aan een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Dit is één van de vier prioriteiten die de NOVI beschrijft. Het plan past binnen het Rijksbeleid de NOVI.
Artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een omgevingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het omgevingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het omgevingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd.
De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand.
De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.
Toets aan ladder voor duurzame verstedelijking
Stedelijke ontwikkeling
Met voorliggend plan wordt het regulier bewonen van een (voormalige)bedrijfswoning aan de Europasingel 2 in Vroomshoop mogelijk. Uit jurisprudentie (ABRvS 20 april 2016; ECLI:NL:RVS:2016:1075 en ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921) blijkt dat als er enkel sprake is van een planologische functiewijziging of als er 11 of minder woningen gerealiseerd worden, er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Ook wanneer de ladder niet van toepassing is moet gemotiveerd worden dat de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Onderstaande motivering voorziet hierin.
De Omgevingsvisie is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Het uitgangspunt is gericht op het jaar 2030. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren.
De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn verwerkt in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. Deze beleidsthema's worden benaderd vanuit de overkoepelende rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit.
Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. Ruimtelijke kwaliteit is datgene wat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. Ruimtelijke kwaliteit gaan vooral over 'goed': mooi, functioneel en toekomstbestendig.
Sociale kwaliteit gaat over het welzijn of 'goed voelen' van de mens. In de omgevingsvisie gaat het over het welzijn van de mens in relatie tot de fysieke leefomgeving.
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.
Of - Generieke beleidskeuzes
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.
Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
Waar - Ontwikkelingsperspectieven
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Hoe - Gebiedskenmerken
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Figuur 3.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel)
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld:
Bij de afwegingen in de eerste fase "generieke beleidskeuzes" zijn met name de volgende artikelen van belang:
Artikel 4.5 zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
Lid 1
Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat:
Toets
Het beoogde initiatief maakt regulier wonen in bestaande bebouwing mogelijk. Door gebruik te maken van bestaande bebouwing word er zorgvuldig gebruik gemaakt van de ruimte. Het perceel heeft de functie 'bedrijf', welke kan worden beschouwd als bestaand bebouwd gebied. Er vindt enkel een functiewijziging van de functie 'Bedrijf' naar 'Wonen' plaats. Doordat het plangebied in de huidige situatie al is voorzien van een stedelijke functie en onderdeel uitmaakt van bestaand bebouwd gebied is er geen sprake van extra ruimtebeslag op de Groene Omgeving. Het initiatief is hiermee in overeenstemming met artikel 4.5 van de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 4.6 toekomstbestendigheid
In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is dat die toekomstbestendig zijn en dus:
Toets
Voorliggend plan voorziet in het wijzigen van de stedelijke functie 'bedrijf' naar 'wonen'. Hierdoor kan de bestaande bedrijfswoning als reguliere woning worden ingezet. De woning kan hiermee voorzien in de woonbehoefte van de huidige en toekomstige generatie. Het initiatief is hiermee in overeenstemming met artikel 4.6 van de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 4.14 woonafspraken
lid 1
Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuwe woningen worden gerealiseerd als de bouw van deze woningen past binnen de geldende woonafspraken, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten.
Toets
Met voorliggend plan komt de geldende bedrijfsfunctie te vervallen. Hierdoor kan de bestaande bedrijfswoning worden ingezet als een reguliere woning. Met het omzetten van de functie wordt de woningvoorraad niet aangevuld, maar kan de woning wel voorzien in woonruimte voor bewoners die geen binding hebben tot een bedrijf. Daarnaast past deze woning binnen het gemeentelijke beleid van Twenterand. Voorliggend initiatief is in lijn met artikel 4.14 van de omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 4.68 aanwijzing grondwaterbeschermingsgebieden
3. Als intrekgebieden zijn aangewezen de gebieden rond grondwaterbeschermingszones en de gebieden voor de bescherming van toekomstige drinkwaterwinningen.
5. Als intrekgebieden met stedelijke functies zijn aangewezen de intrekgebieden met stedelijk gebied.
Toets
Het plangebied is gelegen in het grondwaterbeschermingsgebied. Hierdoor is er getoetst aan artikel 4.73. Voorliggend initiatief is in lijn met artikel 4.68 van de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 4.73 instructieregel functieaanduiding intrekgebieden
1. In een omgevingsplan dat betrekking heeft op een intrekgebied wordt daarvoor de functieaanduiding 'intrekgebied' opgenomen.
2. Een omgevingsplan laat binnen een intrekgebied alleen activiteiten toe die goed samengaan met de betekenis van het grondwater voor de drinkwaterwinning.
Toets
Het plangebied is gelegen in het intrekgebied. Hiervoor is in de huidige situatie een functieaanduiding als ook in de toekomstige situatie een functieaanduiding opgenomen. Hiermee wordt er voldaan aan artikel 4.73 van de omgevingsverordening Overijssel.
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In het geval van het plangebied is het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken' van toepassing. Figuur 3.2 geeft de uitsnede van het ontwikkelingsperspectief behorende bij de Omgevingsvisie weer.
Figuur 3.2 Uitsnede ontwikkelingsperspectief, plangebied globaal in rood omkaderd (bron: provincie Overijssel)
De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).
Toets
Het voorliggende plan zorgt ervoor dat de voormalige bedrijfswoning regulier bewoond kan worden. Het perceel betreft nu een bedrijfsperceel met bijbehorende bebouwing. Het transformeren van het perceel naar een woonperceel houdt de omgeving vitaal en aantrekkelijk. Daarnaast is het regulier bewonen van de woning afgestemt met de locale behoefte van woningen. Er wordt geen nieuwe bebouwing gebouwd met het wijzigen van de bedrijfsfunctie. Hiermee past het voorliggende plan binnen het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'.
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Voor het voorliggende plan is alleen de laag van de beleving niet van toepassing. Deze laag wordt verder niet getoetst.
Natuurlijke laag
Het plangebied is gelegen in het gebiedskenmerk 'Hoogveengebieden', zoals te zien is in figuur 3.3.
Figuur 3.3 Uitsnede gebiedskenmerk 'Hoogveengebieden (in cultuur gebracht), plangebied globaal in rood omkaderd (Bron: provincie Overijssel)
Op waterhuishoudkundig geïsoleerde plekken (waar het regenwater wordt vastgehouden) ontwikkelde zich in het zandgebied op kleine en grote schaal hoogveen; onder invloed van regenwater ontstonden veenmoerassen. Als ontwikkelingen plaats vinden in de nabijheid van hoogveenrestanten, dan dragen deze bij aan verbetering van de hydrologie om verdroging van het veenpakket tegen te gaan en, waar mogelijk, aan toename van natuurkwaliteit en het areaal levend hoogveen. Dit zijn uitgangspunten bij (her)inrichting.
Toets
Voorliggend plan voorziet in het wijzigen van de functie op een deel van het perceel. Op het perceel geldt het gebiedskenmerk 'Hoogveengebieden (in cultuur gebracht), zoals te zien is in figuur 3.3. Bij de functiewijziging blijft de bestaande bebouwing behouden. Er word geen nieuwe bebouwing toegevoegd met de functiewijziging. Hiermee wordt er geen verdere afbreuk gedaan aan de kenmerken van de natuurlijke laag en vormt deze geen belemmering voor het voorliggende plan.
Laag van het agrarisch cultuurlandschap
Het plangebied is gelegen in het gebiedskenmerk 'Veenkoloniaal landschap', zoals te zien is in figuur 3.4.
Figuur 3.4 Uitsnede gebiedskenmerk 'Veenkoloniaal landschap', plangebied globaal in rood omkaderd (Bron: provincie Overijssel)
Grootschalig open landschappen met een lineaire bebouwings-, verkavelingsen ontwateringsstructuur. Ontstaan door grootschalige ontginning van de hoogveengebieden ten behoeve van de turfwinning. Een ontwateringsstelsel van kanalen en wijken is typerend voor dit landschap. Vanuit nieuwe linten en kanaaldorpen werd het hoogveen ontgonnen. Het vergraven landschap werd vervolgens als akkerbouwgebied in gebruik genomen. Als ontwikkelingen plaats vinden in het veenkoloniaal landschap, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van bijzondere architectuur (watererfgoed (sluizen, bruggen e.d.), de bijzondere villa’s, buitens, herenboerderijen), de linten door het landschap en de open ruimtes.
Toets
Voorliggend initiatief voorziet in het wijzigen van de functie op een deel van het plangebied. Hierbij blijft de bestaande bebouwing behouden en wordt er geen verdere bebouwing toegevoegd op het perceel. Aan het perceel is het gebiedskenmerk 'Veenkoloniaal landschap' toegewezen, zoals te zien is in figuur 3.4. Het wijzigen van de functie op een deel van het perceel doet geen afbreuk aan de kenmerken van het veenkoloniaal landschap en vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.
Stedelijke laag
Aan het perceel is het gebiedskenmerk 'Woonwijken 1955 - nu' toegewezen, zoals te zien is in figuur 3.5.
Figuur 3.5 Uitsnede gebiedskenmerk 'Woonwijken 1955 - nu', plangebied globaal in rood omkaderd (Bron: provincie Overijssel)
De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De functies (wonen, werken, voorzieningen centra) zijn uiteengelegd en de wijken zijn opgedeeld in buurten met een homogeen bebouwingskarakter: buurten met eengezins woningen, flatwijken, villawijken,wijk(winkel)centra. Als ontwikkelingen plaats vinden in de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. De groenstructuur is onderdeel van het wijkontwerp.
Toets
Voorliggend initiatief voorziet in het wijzigen van de functie op een deel van het plangebied. Hierbij blijft de bestaande bebouwing behouden en wordt er geen verdere bebouwing toegevoegd op het perceel.
Met het wijzigen van de functie op een deel van het perceel wordt er aangesloten bij omliggende woonfuncties. Ook sluit de functie aan bij de nieuw te ontwikkelen wijk 'Vroomshoop-oost 3', die aan het preceel grenst. Daarnaast blijft het deel van het perceel met de functie 'Bos' behouden. Hiermee wordt er geen afbreuk gedaan aan de bestaande structuren in het gebied en blijft een stuk groenstructuur behouden. Het wijzigen van de functie doet geen verdere afbreuk aan de kenmerken van het kenmerk 'Woonwijken 1955 - nu' en vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.
Geconcludeerd kan worden dat het plan in overeenstemming is met de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
De ‘Omgevingsvisie Twentrand’, vastgesteld in 14 december 2021 schetst de ruimtelijke ambities en keuzes van Twenterand. Daarbij wordt ingegaan op vijf thema’s:
De gemeente Twenterand zet in op kwaliteit voor kwantiteit en hanteert daarbij een viertal kernprincipes. Deze kernprincipes zijn manieren van werken die de gemeente toepast bij nieuwe plannen of bij uitbreidingen:
Voor het voorgenomen plan is het thema ‘goed wonen’ van belang.
In Twenterand is het goed wonen. De woningen zijn van hoge kwaliteit en duurzaam. Voor iedere doelgroep is er een passende woning, ook voor het toenemend aantal ouderen en starters op de woningmarkt. Voor goed wonen is een huis alleen niet voldoende. Daarom heeft Twenterand een veilige, gezonde woon- en leefomgeving met voldoende voorzieningen.
De gemeente Twenterand zet zich in voor:
Het woningtekort in Nederland is groot. Ook in Twenterand is de vraag naar woningen toegenomen. Naast de groeiende vraag naar woningen is er tegelijkertijd sprake van een demografische transitie. Er is sprake van vergrijzing en er komen meer eenpersoonshuishoudens. Tot slot vlakt op termijn de groei van woningen af. Deze ontwikkelingen hebben grote gevolgen voor de woningmarkt in Twenterand op de (middel)lange termijn.
Twenterand is een plattelandsgemeente, ruimte, rust en groen zijn belangrijke kwaliteiten. Dit willen we graag behouden en versterken. Twenterand kent een mix van buiten wonen in het landelijk gebied en kleine kernen. Hier is het wonen nauw verbonden met het Overijsselse landschap, het dorpse leven, natuur en landbouw. Dat uit zich bijvoorbeeld in het wonen langs de radialen in de grote kernen met een goed voorzieningenniveau die goed bereikbaar zijn. Het gaat dan om kernen met een goede ontsluiting op de A-, N- en spoorwegen en die een breed aanbod en mix van dorps-, groenstedelijke en suburbane woonmilieus kunnen bieden.
Voorliggend plan voorziet in het wijzigen van de functie aan de Europasingel 2 in Vroomshoop. Door de functie te wijzigen naar een woonfunctie kan de voormalige bedrijfswoning als reguliere woning ingezet worden. De huidige en toekomstige bewoners van de woning kunnen middels de functiewijziging regulier in de woning wonen. Op deze manier kan de bestaande woning breder worden ingezet en een grotere doelgroep hiermee bedienen.
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan de uitgangspunten en ambities zoals opgenomen in de Omgevingsvisie van de gemeente Twenterand.
De gemeente Twenterand heeft haar uitgangspunten en regels omtrent het beleidsveld wonen vastgelegd in de woonvisie ‘Woonvisie Twenterand 2022-2026’. De woonvisie beschrijft de opgaven en ambities van de gemeente Twenterand op het gebied van wonen voor de komende periode van 2022 tot 2026.
De huizenmarkt is krap en er is nauwelijks leegstand op het moment, er is meer vraag dan aanbod en de huizenprijzen stijgen. Naast deze landelijke trend op de woningmarkt heeft Twenterand te maken met een demografische transitie. Er komen meer eenpersoonshuishoudens, er is sprake van vergrijzing en in de toekomst een ontwikkeling naar meer balans van het aantal huishoudens. Dit leidt tot een meervoudige en complexe opgave:
Op de korte termijn: Het bouwen van voldoende woningen om de groei van het aantal huishoudens te faciliteren en starters in de gemeente te kunnen bedienen.
Op de lange termijn: de grote opgave om de kwaliteit van de woningvoorraad te verbeteren door het realiseren van aantrekkelijke woonmilieus die een aanvulling vormen op de bestaande voorraad. Dus niet meer van hetzelfde bouwen, maar woningen toevoegen de aangepast kunnen worden en levensloopgeschikt zijn voor de sterk groeiende groep ouderen. Deze woningen zijn nu beperkt aanwezig in de bestaande voorraad. De aanpak van deze kwalitatieve mismatch is een belangrijke opgave.
Dit leidt tot de volgende ambities:
De gemeente Twenterand signaleert tekorten op de woningmarkt. De druk op de woningmarkt is dan ook groot. De gezamenlijke opgave wordt breed gevoeld. In de woondeal zet de gemeente Twentrand samen met de provincie Overijssel en het Rijk in op het versnellen van de woningbouwrealisatie middels de aangewezen sleutelprojecten. Om zicht te krijgen op de actuele lokale woningbouwbehoefte is door het onderzoeksbureau Tellers & Benoemers een nieuw woningbouwbehoefteonderzoek uitgevoerd. Dat resulteert in een woningbouwbehoefte van 1.188 woningen. Van deze woningen zijn 1.128 woningen nieuw te bouwen woningen en 60 woningen dienen uit bestaande voorraad te worden aangepast zodat deze onder andere bewoonbaar zijn voor ouderen.
De gemeente Twenterand heeft aan Tellers & Benoemers opdracht gegeven voor het uitvoeren van een woningbehoefteonderzoek om de toekomstige woningbehoefte voor de gemeente Twenterand in beeld te brengen.
Onderdeel van het onderzoek is ook om de woningbouwopgave in Twenterand zo optimaal mogelijk te verdelen tussen de in de gemeente aanwezige wijken. Per wijk ontstaat er dan een beeld van het aantal woningen waaraan behoefte is, in welke tijdsperiode en de betreffende prijscategorieën.
Toebedeling van de woningbouwopgave aan de verschillende wijken in Twenterand
Na de nieuwe indeling kent de gemeente Twenterand 6 wijken, te weten: Vriezenveen (wijk), Vroomshoop, Den Ham, Westerhaar-Vriezenveensewijk, Buitengebied Vriezenveen, Noord Buitengebied en Vriezenveen Zuid. De eerste vier wijken (Vriezenveen, Vroomshoop, Den Ham en Westerhaar-Vriezenveensewijk) moeten de hoofdmoot van de woningbehoefte gaan opvangen. Daarnaast kunnen Vriezenveen en Vroomshoop een deel van de regionale woonbehoefte opvangen (wonen langs de radialen). Het buitengebied hoeft alleen de eigen autonome groei op te vangen.
Voorliggend initiatief voorziet in de functiewijziging op het perceel aan de Europasingel 2 in Vroomshoop. Op het perceel geldt de functie ‘bedrijf’, echter willen de initiatiefnemers de functie wijzigen naar ‘wonen’ zodat er regulier gewoond kan worden in de woning. De (bedrijf)woning is al onderdeel van de woningvoorraad van de gemeente Twenterand, er wordt dus geen extra beslag gelegd op de beschikbare woningvoorraad. Door de functie te wijzigen kan er zuinig worden omgegaan met de beperkte ruimte en toch worden voorzien in woonruimte voor een bredere doelgroep.
Geconcludeerd kan worden dat wordt voldaan aan het woonbeleid van de gemeente Twenterand.
Op basis van verschillende paragrafen van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid, waterbelangen, gezondheid en verschillende milieuaspecten, zoals geluid, bodemkwaliteit, lucht, geur, trillingen, omgevingsveiligheid en duurzaamheid.
Ook zijn er diverse regels in het Bkl opgenomen over gebiedsbescherming, soortenbescherming en het belang van cultureel erfgoed en archeologische waarden. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.
De mer-regelgeving is uitgewerkt in verschillende onderdelen van de Omgevingswet (Ow). Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit (Ob). In bijlage V van het Omgevingsbesluit staan de projecten en de besluiten waarvoor een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt.
Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER- beoordelingsprocedure. Op grond van artikel 16.43 van de Ow en artikel 11.6 van het Ob is de lijst met project-mer-plichtige en project-mer-beoordelingsplichtige projecten opgenomen in bijlage V van het Ob. In bijlage V is een tabel opgenomen met vier kolommen, deze kolom moet als volgt worden gelezen:
Eerst wordt bekeken of het project voldoet aan de omschrijving in kolom 1.
Als dat zo is, wordt gekeken of het besluit in de laatste kolom staat. Daarna wordt gekeken of voor het besluit een mer of een mer-beoordelingsprocedure moet worden gedaan: Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een project-mer-plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een project-mer-beoordelingsplicht.
Indien sprake is van een project-mer-beoordelingsplicht dan toetst het bevoegd gezag of er bij het project aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. De beoordeling vindt plaats aan hand van de relevante criteria van bijlage III van de mer-richtlijn (artikel 16.43 lid 3 Ow). Er zijn 2 uitkomsten mogelijk:
De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het plan voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Een dergelijk plan wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Ob, de meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J11, een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'.
Het begrip 'Stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject:
Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken (art. 16.36, lid 3, Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht.
Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat geen sprake is van een plan in de zin van m.e.r. onder het Ob. Dit kan in sommige gevallen gemotiveerd worden op basis van jurisprudentie. Voorliggend plan heeft betrekking op een ontwikkeling waarbij het totaal aan bebouwing en verharding niet toeneemt en de functie wijzigt naar een die minder milieubelastend is. Gezien de aard en omvang van deze ontwikkeling, de ligging, de inpasbaarheid in het landschap en aansluiting bij het bestaande erf is in voorliggend geval geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Er is geen mer-beoordelingsplicht. Met dit project wordt het regulier wonen in een voormalige bedrijfswoning mogelijk gemaakt. Dit betreft een kleinschalige functiewijziging.
Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project of plan en de kenmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).
Milieuzonering zorgt voor ruimte voor milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten met behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar andere milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Hierbij wordt rekening gehouden met:
Met het oog op een veilige en gezonde leefomgeving is het uitgangspunt: het aanhouden van voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige gebouwen en locaties. De VNG heeft gewerkt aan een hulpmiddel die kan worden toegepast voor het plannen en toetsen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen: 'Activiteiten en milieuzonering'. De basisprincipes van milieuzonering zoals gehanteerd in de voorheen geldende VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering 2009 blijven echter hetzelfde. Uitgangspunt blijft functiescheiding waar dat nodig is en het toepassen van inwaartse zonering binnen bedrijventerreinen en andere werkterreinen. Daarbij geldt: hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid en geur per milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteit beschikbaar is. De inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid en twee zones voor geur. De zones zijn afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten. Afhankelijk van de ligging van een activiteit ten opzichte van een zone, hebben milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten meer of minder milieugebruiksruimte.
Onder een bedrijfsactiviteit wordt in de VNG verstaan: een activiteit gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen en ook verhuur, opslag en distributie van goederen en eventueel ondergeschikte detailhandel. Dit betekent dat veel andere bedrijven of bedrijfsmatige activiteiten niet tot een 'bedrijfsactiviteit' worden gerekend in de zin van deze handreiking. Dit betreft bijvoorbeeld horecabedrijven, detailhandelsbedrijven, leisure-bedrijven, culturele bedrijven enzovoort. Dit wordt "milieuhinderlijke activiteiten" genoemd.
Onder milieuhinderlijke activiteiten wordt verstaan: een aan een locatie toegedeelde activiteit, anders dan wonen, die milieuhinder kan veroorzaken, in het bijzonder in de vorm van geluid- of geurhinder. Ook aan locaties toegedeelde activiteiten (anders dan wonen) die trillinghinder, stofhinder, veiligheidsrisico's of lichthinder kunnen veroorzaken zijn milieuhinderlijke activiteiten.
De vernieuwde handreiking van het VNG heeft verschillende gebiedstypen opgenomen. Tevens kunnen binnen deze gebiedstypen differentiaties worden aangebracht. Voorliggend initiatief is gelegen in het landelijk gebied. In de nabijheid van het plangebied zijn meerdere functies toegestaan op basis van het omgevingsplan, bestaande uit agrarische functies, maatschappelijke functies, wonen, bedrijven, detailhandel en horeca. Om die reden wordt voor het bepalen van de richtafstanden in dit geval uitgegaan van het omgevingstype 'gemengd gebied'.
Bij het realiseren van een functie dient gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functie gerealiseerd wordt. Hierbij spelen twee vragen een rol:
Externe werking
Bij de externe werking gaat het om de vraag of de realisatie van onderhavig plan leidt tot hinder en/of belemmeringen voor de omgeving. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.
Voorgenomen ontwikkeling voorziet in het wijzigen van de functie op een deel van het perceel. Hierbij gaat de functie van 'Bedrijf' naar 'Wonen'. In de omgeving van het plangebied zijn woningen en enkele (agrarische)bedrijven gevestigd. De woonfunctie is geen functie waarbij milieubelastende activiteiten ontstaan voor de omgeving.
Interne werking
Hierbij gaat het om de vraag of de functie 'Wonen' hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving. In de nabijheid van het plangebied zijn de volgende functies aanwezig:
| Functie/locatie | Afstand tot plangebied | Soort | Milieucategorie | Richtafstand | Voldaan ja/nee |
| Tonnendijk 12-16 (tankstation) |
ca. 196 meter | Alle | 1 (SBI-2008: 473) | 30 meter | Ja |
| Tonnendijk 33a (gasreduceerstation) |
ca. 91 meter | Alle | FM (SBI-2008: 35) | 10 meter | Ja |
| Tonnendijk 37a (opslagbedrijf) |
ca. 94 meter | Alle | FM (SBI-2008: 52109) | 30 meter | Ja |
| Tonnendijk 46 (agrarisch bedrijf) |
ca. 0 meter | Alle | 1 (SBI-2008: 4621) | 30 meter | Nee |
| Tonnendijk 80 (intensieve veehouderij) |
ca. 20 meter | Alle | 1 & 3 (SBI-2008: 0141, 0142) | 50 meter | Nee |
| Europasingel 1 (agrarisch bedrijf) |
ca. 34 meter | Alle | 1 (SBI-2008: 4621) |
30 meter | Ja |
| Tonnendijk 24a (groothandel) |
ca. 107 meter | Alle | FM (SBI-2008: 506) | 10 meter | Ja |
| Tonnendijk 29 t/m 31 (horeca) |
ca. 152 meter | Alle | FM (SBI-2008: 563) | 10 meter | Ja |
Bovenstaande tabel geeft de milieubelastende activiteiten in de omgeving van het plangebied weer. Op basis van de gemeten afstanden tussen plangebied en de milieubelastende activiteiten wordt er in de meeste gevallen voldaan aan de gestelde richtafstanden. Het agrarisch bedrijf aan de Tonnendijk 46 en de intensieve veehouderij aan de Tonnendijk 80 voldoen niet aan de gestelde richtafstand. Onderstaande motivering toont aan dat deze bedrijven geen belemmering vormen voor het voorliggende plan.
Tonnendijk 46
Uit het geuronderzoek voor de nieuwbouwwijk Vroomshoop Oost fase 3 blijkt dat aan de Tonnendijk 46 twee bedrijven zijn gevestigd die gespecialiseerd zijn in dienstverlening voor akker- en tuinbouw en dienstverlening voor het fokken en houden van dieren. Op het erf van deze bedrijven zijn geen dieren aanwezig, zoals blijkt uit het onderzoek. Dit onderzoek concludeert dat er geen geuroverlast verwacht wordt vanaf dit bedrijf op het plangebied. Andersom vormt het wijzigen van de functie geen verdere belemmering voor deze bedrijven, de aanwezige bedrijfswoning wordt alleen beschermd tegen eigen bedrijfsactiviteiten en niet tegen bedrijfsactiviteiten van derden. Volgens het omgevingsplan van gemeente Twenterand bevinden zich tevens al bestaande woningen aan weerszijden van dit perceel. De nieuwe woonfunctie zorgt niet voor nieuwe belemmeringen voor het bedrijf.
Ten aanzien van geluid voldoet de richtafstand ook niet. Echter is de huidige bedrijfswoning al beschermd tegen geluid van derden, zoals beschreven staat in de bruidsschat. Het wijzigen van functie zal geen verdere beperking opleveren voor het bedrijf ten aanzien van geluid. In de nieuwe situatie is nog steeds sprake van een geluidgevoelig gebouw. Er wordt geen nieuw geluidgevoelig gebouw mogelijk gemaakt. Er kan gesteld worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van geluid.
Tonnendijk 80
Aan de Tonnendijk 80 bevindt zich ook een agrarisch bedrijf. De afstand tussen het bouwvlak van de Tonnendijk 80 en de woning aan de Europasingel 2 bedraagt circa 20 meter. Aan de Tonnendijk 80 is sinds 5 augustus 2018 een veehouderij toegestaan, zoals blijkt uit de vergunning. Deze veehouderij heeft een vergunning voor onder andere het houden van rundvee bedoeld voor de vleesproductie en kippen. Hierdoor is er sprake van een agrarisch bedrijf voor het houden van landbouwhuisdieren met een geuremissie factor, zoals beschreven in artikel 5.104 van het Bkl. Deze landbouwhuisdieren vormen geen belemmering voor de woning aan de Europasingel 2, zoals blijkt uit de paragraaf 4.3.
Gelet op het vorengaande leidt het aspect milieubelastende activiteiten niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen.
In paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Eveneens zijn in de bruidsschat regels voor geur opgenomen. Het gaat hierbij om onder andere de volgende geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk:
In artikel 5.92 Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is, Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening.
Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Dit betekent dat er sprake is van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.
Met het voorliggende plan wordt de functie gewijzigd op het perceel aan de Europasingel 2. Door deze functiewijziging wordt er een geurgevoelige functie (wonen) toegevoegd in de omgeving. In de omgeving van het plangebied bevinden zich twee agrarische bedrijven. Deze bevinden zich aan de Tonnendijk 46 en aan de Tonnendijk 80. Zoals in paragraaf 4.2 is beschreven vormt het bedrijf aan de Tonnendijk 46 geen belemmering.
Voor de nieuwbouwwijk Vroomshoop Oost fase 3 is reeds een geuronderzoek uitgevoerd naar het agrarische bedrijf aan de Tonnendijk 80. Aan de Tonnendijk 80 wordt melkvee gehouden waarvoor een vaste geurcontour geldt, echter wordt er niet voldaan aan deze afstand. In het betreffende geuronderzoek is de (bedrijfs)woning aan de Europasingel 2 als maatgevend opgegeven. Uit het onderzoek blijkt dat de geurbelasting op de woning in de huidige situatie 1,9 OuE/m3 bedraagt. Hiermee wordt er voldaan aan de gestelde standaardwaarde van 2,0 Oue/m3 zoals geformuleerd in artikel 5.109 van het Bkl. De gemeente Twenterand is op grond van de Meststoffenwet aangewezen als concentratiegebied. Hierdoor geldt er een waarde van 3,0 Oue/m3. Hiermee wordt er voldaan aan de gestelde waarden van het Bkl en het concentratiegebied. Daarnaast is op de Europasingel 2 in de oude situatie al sprake van een bedrijfswoning die op grond van de bruidsschat al beschermd is tegen het agrarische bedrijf.
Ook in de omgeving van de Tonnendijk 80 bevinden zich reeds bestaande woningen die dichter op het bedrijf liggen. Het wijzigen van de functie aan de Europasingel 2 vormt geen belemmering voor de bedrijfsvoering van het agrarische bedrijf.
Gelet op het vorengaande leidt het aspect geur niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend plan rekening zal worden gehouden met het aspect bodem.
Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.
Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Met voorliggend plan wordt de bedrijfsfunctie gewijzigd in een woonfunctie. Hierbij blijft de huidige bebouwing behouden. In de huidige situatie geldt voor de bedrijfsfunctie dat hier uitsluitend een adviesbureau, of ook een kantoor, gevestigd mag zijn en een bedrijfswoning. Bij een kantoor zijn er personen aanwezig die langer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook is het toegestaan om in de bedrijfswoning te wonen. Hiermee is er al sprake van een bodemgevoelig gebouw, zoals ook beschreven in artikel 5.89g van het Bkl. Met het wijzigen van de functie wordt het regulier bewonen mogelijk gemaakt. Er wordt geen nieuwe bebouwing geplaatst. Hiermee is er geen sprake van de realisatie van een nieuw bodemgevoelig gebouw. Nader onderzoek is hiermee niet noodzakelijk.
Gelet op het vorengaande leidt het aspect bodem niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge).
Geluidsgevoelige gebouwen
De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan:
De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen en gebouwen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Geluidbeleid
De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidsbeleid gemeente Twenterand en de 'Nota hogere grenswaarden geluidsbeleid gemeente Twenterand'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend.
Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Buitengebied'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde 'redelijk rustig' (48 dB) en de bovengrens 'onrustig' (53 dB).
Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Ook het plan zelf kan geluidhinder opleveren voor de omgeving. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling.
Weg- en railverkeerslawaai
Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in artikel 5.78t van het Bkl.
Omdat de gemeente Twenterand nog geen geluidaandachtsgebieden in een omgevingsplan heeft vastgesteld, is het geluidaandachtsgebied gebaseerd op vaste afstanden. Deze afstanden zijn opgenomen in artikel 17.5 Omgevingsregeling. Daarin zijn de volgende afstanden opgenomen:
Voorliggend initiatief is gelegen aan de Europasingel 2. De Europasingel is een gemeentelijke weg waar een maximale snelheid van 50km/h geldt. Met voorliggend plan wordt geen nieuw geluidsgevoelig gebouw mogelijk gemaakt. De huidige (bedrijfs)woning is al een geluid gevoelig gebouw. Een akoestisch onderzoek naar wegverkeerlawaai wordt niet noodzakelijk geacht.
Industrielawaai
Voorliggend initiatief is gelegen aan de rand van de kern Vroomshoop, in het buitengebied. In de omgeving van het plangebied liggen voornamelijk woningen en (agrarische)bedrijven. Er ligt geen geluidgezoneerd industriegebied in de buurt van het plangebied. Er is geen sprake van industrielawaai op de planlocatie.
Solitaire bedrijvigheid/ activiteiten
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een TAM-omgevingsplan op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.
In de huidige situatie is er al een geluidgevoelig gebouw mogelijk, namelijk een bedrijfswoning. Deze is enkel beschermd voor geluid van haar eigen werkzaamheden. In de nieuwe situatie is nog steeds sprake van een geluidgevoelig gebouw. Er wordt geen nieuw geluidgevoelig gebouw mogelijk gemaakt. Een akoestisch onderzoek naar deze bedrijven wordt niet noodzakelijk geacht.
Gelet op het vorengaande leidt het aspect geluid niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Het plangebied in de gemeente Twenterand ligt niet in een aandachtsgebied met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). Dit volgt uit artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling (functiewijziging van bedrijfsperceel naar woonperceel), in verhouding tot de standaardgevallen NIBM kan worden gesteld dat het plan 'niet in betekende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Het wijzigen van de functie op het perceel aan de Europasingel 2 te Vroomshoop blijft namelijk ruim onder de gestelde standaardgevallen uit artikel 5.54 van het Bkl.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:
De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl).
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico is de kans dat per jaar iemand die onbeschermd en continu op een plek verblijft komt te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Dit kan zijn: blootstelling aan hitte door brand, overdruk door een explosie of een concentratie giftige stoffen in de lucht. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de kans dat als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen een groep van tien of meer personen overlijdt (het groepsrisico). Bij een beoordeling van het groepsrisico wordt gebruik gemaakt van aandachtsgebieden. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl).
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning.
Aan de hand van de ‘Risicokaart Nederland’ is een inventarisatie verricht van de mogelijk aanwezige risicobronnen rond het plangebied. Op de risicokaart staan meerdere soorten risico’s, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Figuur 4.1 toont een uitsnede van de ‘Risicokaart Nederland’. Het plangebied is globaal in rood omkaderd.
Figuur 4.1 Uitsnede risicokaart, plangebied in rood omkaderd (Bron: Atlas leefomgeving)
Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er twee risico bronnen met aandachtsgebieden in de omgeving van het plangebied liggen. Aan de noordzijde bevindt zich een gasontvangststation (Tonnendijk 33a) en aan de westzijde bevind zich een tankstation (Esso, Tonnendijk 12) waar je LPG kunt tanken. Het plangebied valt buiten deze risico contouren en aandachtsgebieden. Binnen het plangebied zelf zijn geen risicobronnen aanwezig.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein:
Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027.
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.
Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners.
De drie belangrijkste opgaves zijn:
De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2028 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Totdat het beheerprogramma is uitgewerkt, gelden nog de beleidskaders van rijk en provincie die nader zijn uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2022-2027.
Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied.
Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe.
Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen.
Paragraaf 5.1.3 van het Bkl bevat instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. Er wordt gesteld dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van het watersystemen. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 tot en met 5.49 van het Bkl rijksregels met betrekking tot:
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de watertoets vervangen door de term 'weging van het waterbelang'. Het begrip houdt in dat de gemeente bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De gemeente is verplicht om de waterbelangen mee te nemen in het omgevingsplan. Dit is een instructieregel van het Rijk die volgt uit artikel 5.37 Besluit kwaliteit leefomgeving.
Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de opvattingen van de waterbeheerder betrokken worden bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:
Op 18 september 2025 is de digitale watertoets uitgevoerd via www.hetwateradvies.nl, hieruit is gebleken dat het waterschap geen belangen heeft bij het plan. Zoals ook te zien is in Bijlage 1.
In het Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan (GWR) is de uitvoering van de gemeentelijke zorgplichttaken voor afvalwater, hemelwater en grondwater voor de periode 2024-2028 beschreven. Het gaat dan om beleidsmatige zaken en over onderhoud en beheer van de bestaande riolering. Ook geeft het plan inzicht in de ontwikkelingen en kosten van de maatregelen om wateroverlast en droogte tegen te gaan.
Met het voorliggende plan wordt de functie op een deel van het perceel gewijzigd. Hierbij wordt geen bebouwing gesloopt of bijgebouwd. Dit heeft geen gevolgen voor de bestaande riolering. Verdere toetsing aan het GWR 2024-2028 wordt niet noodzakelijk geacht.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Natuur maakt onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Dit volgt expliciet uit artikel 1.2 lid 2 onder h van de Omgevingswet. Dit houdt in dat beoordeeld moet worden wat de gevolgen van de met een TAM-omgevingsplan mogelijke gemaakte ontwikkeling zijn op de instandhoudingsdoelen van beschermde natuurgebieden die voor flora en fauna van groot belang zijn. Dit zijn de Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. Natura 2000-activiteiten zijn activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. De Omgevingswet geeft regels over die activiteiten om de natuur te beschermen. In afdeling 8.6 van het Bkl zijn beoordelingsregels opgenomen voor omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit en flora- en fauna-activiteit. Artikel 8.74b van het Bkl bevat beoordelingsregels voor Natura 2000-activiteit.
Natura 2000-gebieden
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
Situatie plangebied
Het plangebied aan de Europasingel 2 ligt op een afstand van circa 5 km van het meest dichtbij gelegen Natura 2000-gebied, betreffende ‘Engbertsdijkvenen’. Zoals te zien is op figuur 4.2. Overige Natura 2000-gebieden in de verdere omgeving betreffen onder andere ‘Vecht- en Beneden Reggegebied’ (5,05 km) en ‘Wierdense veld’ (8,6 km). Gelet op de afstand van ca. 5 km tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en het feit dat er geen bouw- en/of sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd, kan gesteld worden dat er geen negatief effect op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied optreed.
Figuur 4.2 Uitsnede kaart Natura 2000-gebieden, plangebied onder blauwe icon (Bron: Atlas Leefomgeving)
Conclusie
Het project of plan betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
Situatie plangebied
Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland ligt op een afstand van circa 3,77 km van het plangebied. Het NNN-gebied kent geen externe werking. Het plangebied valt buiten het dichtstbijzijnde NNN-gebied, zoals te zien is in figuur 4.3. Voorliggend plan betreft het wijzigen van een bedrijfsfunctie naar woonfunctie op het erf. Hiermee heeft het plan geen negatieve effecten op het Natuurnetwerk Nederland gebied.
Figuur 4.3 Uitsnede kaart NNN-gebieden, plangebied onder blauwe icon (Bron: Atlas Leefomgeving)
Conclusie
Het plangebied ligt op circa 3,77 kilometer afstand van gronden die behoren tot het NNN. De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN.
In de Omgevingswet (Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:
Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Deze activiteit is vaak het gevolg van een andere activiteit zoals bouwactiviteit. In afdeling 8.6 van het Bkl zijn beoordelingsregels opgenomen voor omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit en flora- en fauna-activiteit. Artikel 8.74j tot en met 8.74n bevat beoordelingsregels voor flora- en fauna-activiteit.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Situatie plangebied
Het voorliggende plan betreft een planologische wijziging om regulier wonen toe te staan in een (voormalige)bedrijfswoning. Hierbij worden er geen gebouwen gesloopt of nieuw gebouwd. Hiermee kan gesteld worden dat er geen beschermde flora en/of fauna en/of hun leefgebieden verstoord of vernield worden. Nader onderzoek naar flora en fauna is niet noodzakelijk
Het aspect natuurwaarden staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg.
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het gemeentelijk beleid over archeologie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische inventarisatie, verwachtings- en beleidsadvieskaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorischedubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
Situatie plangebied
Volgens omgevingsplan van de gemeente Twenterand, onderdeel 'Buitengebied Twenterand' is het perceel gelegen in de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie middelhoge verwachting’. Dit houdt in dat er extra regels kunnen gelden bij bouw -en grondwerkzaamheden.
Voorliggend plan voorziet in de functiewijziging van het perceel aan de Europasingel 2 in Vroomshoop. Hierbij wordt de functie gewijzigd van 'Bedrijf' naar 'Wonen'. Hierbij blijft de huidige bebouwing staan. De grond wordt verder niet geroerd, doordat er ook geen nieuwe bebouwing geplaatst wordt. Hierdoor wordt een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht.
Conclusie
Het plan heeft geen negatieve gevolgen met betrekking tot dit aspect.
Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over:
Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels opgesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Daarnaast zijn in het Bal instructieregels opgenomen aangaande rijksmonumenten (hoofdstuk 13).
Situatie plangebied
Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel, in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan.
Conclusie
Het plan heeft geen negatieve gevolgen met betrekking tot dit aspect.
Het aspect archeologie en cultuurhistorie staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg.
De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering, publicatie 744 (augustus 2024)'. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie.
Het aantal verkeersbewegingen neemt niet toe met de voorgenomen ontwikkeling. Dit zal zelfs eerder afnemen met het verdwijnen van een adviesbureau. Het aspect verkeer vormt geen belemmering.
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen zoals vastgesteld in de 'Nota Parkeernormen gemeente Twenterand 2018' het toetsingskader.
Op het erf is voldoende ruimte om de parkeerbehoefte op te vangen. Het onderdeel parkeren voldoet daarmee.
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeer en parkeren geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling.
De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om:
Met voorliggend plan wordt de functie van het perceel aan de Europasingel 2 gewijzigd van bedrijfsfunctie naar woonfunctie. Hiermee kan er regulier gewoond worden in de voormalige bedrijfswoning. Dit kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden/bezoekers/inwoners van de gemeente Twenterand. Door het wijzigen van functie op het perceel kan de bestaande woning regulier bewoond worden door de initiatiefnemer. Hiermee wordt de leefbaarheid van het landelijk gebied vergoot. Dit komt de gezondheid ten goede.
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat vanuit het oogpunt gezondheid geen belemmeringen zijn voor de ontwikkeling.
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-IMRO Omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-IMRO omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is.
Met het TAM-IMRO omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22m Buitengebied PH Europasingel 2’ wordt het wijzigen van de functie op een deel van het perceel mogelijk gemaakt. Deze wijziging op het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Twenterand is technisch opgesteld conform het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar is inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
Toepassing TAM-IMRO
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO.
Werkingsgebied
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Europasingel 2 te Vroomshoop, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1700.TAMPHEuropasingel2-ont1 zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl in het omgevingsloket. In hoofdstuk 1 van deze ruimtelijke motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.
In de preambule is opgenomen dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.
Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit:
In Hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan.
Hoofdstuk 3 Algemene regels bevat de algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:
Kenmerk van de Nederlandse regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving is dat er sprake is van een ‘ja, mits’-principe. Het omgevingsplan geeft voor veel functies aan onder welke voorwaarden ze voorstelbaar/inpasbaar zijn binnen het werkingsgebied of specifieke deelgebieden binnen het werkingsgebied. Het omgevingsplan vormt het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan welke functies op welke locaties binnen het werkingsgebied voorstelbaar worden geacht (en onder welke voorwaarden).
Toelichting op de regels
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bedoeld voor het wonen met bijbehorende bouwwerken en daaronder begrepen wegen en paden, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, water en nutsvoorzieningen.
De functie 'Wonen' kent daarnaast regels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Hieronder vallen onder meer erfafscheidingen.
Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving zal de overheid vaak kosten maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van openbare voorzieningen. De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen.
De wettelijke regeling voor kostenverhaal is niet van toepassing voor gronden die de gemeente in eigendom heeft of in erfpacht uitgeeft, omdat kostenverhaal dan wordt verrekend via de gronduitgifte of de erfpachtcanon. Voor de overige gronden (vol eigendom) bevat afdeling 13.6 van de Omgevingswet de regeling voor kostenverhaal. De wet geeft de uitgangspunten en vereisten op basis waarvan de kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald.
Bij het opnemen van nieuwe bouw- of gebruiksmogelijkheden in het omgevingsplan wordt gelijktijdig bepaald of een kostenverhaalsgebied moet worden aangewezen. Van belang is of er sprake is van een bouw- of gebruiksactiviteit waarvoor kostenverhaal verplicht is (artikel 13.11 Ow). In artikel 8.13 Omgevingsbesluit (Ob) zijn deze activiteiten limitatief aangewezen. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of transformatie van gebouwen naar een andere functie, zoals een kantoor- of een winkelfunctie.
In sommige gevallen zijn de te verhalen kosten gering. Deze gevallen zijn opgesomd in artikel 8.14 Ob. Het bestuursorgaan kan besluiten in die gevallen geen kosten te verhalen (artikel 13.11 Ow). Als de activiteit niet onder deze uitzondering valt is kostenverhaal verplicht.
Het voorliggende plan voorziet in het wijzigen van de functie op een deel van het perceel. Daarmee is het plan kostenverhaalsplichtig.
Een kostenverhaalsbijdrage kan voldaan worden via afspraken die worden vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst of op basis van de regels voor een kostenverhaalsgebied in het omgevingsplan. Als kostenverhaal verplicht is wordt bij voorkeur een privaatrechtelijke anterieure overeenkomst afgesloten met een initiatiefnemer (artikel. 13.13 Ow). Deze moet zijn afgesloten voordat het omgevingsplan wordt vastgesteld. Voor aanvang van een activiteit wordt vervolgens de verschuldigde kostenverhaalsbijdrage betaald op basis van de afgesloten anterieure overeenkomst.
Met de initiatiefnemer sluit met de gemeente Twenterand een anterieure overeenkomst af.
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het wettelijke vooroverleg (op basis van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) vervallen. Echter is er wel een algemeen artikel opgenomen waarin staat dat bestuursorganen onderling moeten afstemmen (artikel 2.2 Ow). In dat kader wordt het vooroverleg door de verschillende bestuursorganen alsnog gehanteerd.
Provincie Overijssel
Het plan wordt in het kader van het vooroverleg niet voorgelegd aan de provincie Overijssel. Vanuit de uitzonderingenlijst blijkt dat onder het kopje woningbouw dat vernieuwing, vervanging of verandering van een bestaand bijgebouw niet hoeven worden voorgelegd aan de provincie Overijssel. Voorliggend plan voorziet in het planologisch wijzigen van functie van een bestaande (bedrijfs)woning.
Waterschap Vechtstromen
Op 18 september 2025 is via www.hetwateradvies.nl de digitale watertoets uitgevoerd (opgenomen als Bijlage 1 bij deze toelichting). Uit deze watertoets is de geen belangen procedure gekomen. Waterschap Vechtstromen heeft geen bezwaar tegen en/of geen belangen bij het voorliggende plan.
Op grond van artikel 10.2, lid 2 van Omgevingsbesluit geldt een participatieverplichting bij het vaststellen van een wijziging van het omgevingsplan. In het vaststellingsbesluit moet staan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat met de resultaten gedaan is.
Door de initiatiefnemer is de participatiescan van de gemeente Twenterand uitgevoerd, hieruit blijkt dat het om een kleinschalige ontwikkeling gaat. Tevens zijn de directe omwonenden ingelicht over de plannen van de initiatiefnemer. Deze reageren positief tegenover het plan. Het verslag hiervoor is opgenomen in Bijlage 2.
Binnen 6 weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan kan iedereen zienswijzen inbrengen. Dit kan schriftelijk of mondeling.
Het ontwerp-omgevingsplan heeft met ingang van ......... voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit omgevingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn ......... zienswijzen binnengekomen.