| Plan: | TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22j De Bunte nabij 27 en Vriezenveenseweg 34 Vroomshoop |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1700.TAMPHBunteVrznsw34-vas1 |
Ten oosten van De Bunte 27 te Vroomshoop bevinden zich momenteel twee onbebouwde percelen met een agrarische functie. Initiatiefnemers zijn eigenaar van het meest oostelijk gelegen perceel en voornemens om hier een vrijstaande woning te realiseren. Om dit mogelijk te maken wordt gebruik gemaakt van het bouwrecht aan de Vriezenveenseweg 34 te Vroomshoop. Het bouwrecht van de Vriezenveenseweg 34 wordt verplaatst naar de locatie ten oosten van De Bunte 27. Daarmee wordt het bouwrecht op het perceel aan de Vriezenveenseweg 34 verwijderd. Een gedeelte van het perceel aan de Vriezenveenseweg 34 wordt bij het naastgelegen perceel (Vriezenveenseweg 33) getrokken voor een bredere inrit. Het overige gedeelte blijft de functie 'Woongebied' houden, zonder bouwmogelijkheden en krijgt de aanduiding 'ontsluiting' waarmee het is aangewezen voor een ontsluiting en parkeerterrein voor achterliggende bedrijvigheid. Echter past de beoogde ontwikkeling niet binnen de mogelijkheden van het 'Omgevingsplan gemeente Twenterand'.
Momenteel zijn de gronden van het perceel ten oosten van De Bunte 27 voorzien van een agrarische functie waar wonen niet is toegestaan. Daarnaast dient het bouwrecht op het perceel aan de Vriezenveenseweg 34 verwijderd te worden. Op 22 juni 2023 heeft de gemeente Twenterand besloten om onder voorwaarden medewerking te willen verlenen aan het beoogde plan.
Om het voorgenomen initiatief mogelijk te maken, waarbij één vrijstaande woning wordt gerealiseerd op het perceel ten oosten van De Bunte 27 in Vroomshoop en de woning op het perceel aan de Vriezenveenseweg 34 wordt gesloopt en ingericht ten behoeve van een parkeerterrein, dient het omgevingsplan gewijzigd te worden. Voorliggend TAM-Omgevingsplan is opgesteld om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken.
Ligging
De Bunte naast 27
Het plangebied waar de nieuwe woning wordt gerealiseerd bevindt zich ten oosten van De Bunte 27 aan de rand van de kern Vroomshoop. Het kadastrale perceel van het plangebied staat bekend als gemeente Den Ham, sectie B, perceelnummer 8466. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied globaal weergegeven.
Figuur 1.1: globale ligging plangebied De Bunte naast 27, rode ster (bron: kadastralekaart.com)
Vriezenveenseweg 34
Het plangebied waar de bestaande woning gesloopt wordt bevindt zich aan de Vriezenveenseweg 34 in het zuiden van de kern Vroomshoop. Het kadastrale perceel van het plangebied staat bekend als gemeente Den Ham, sectie H, perceelnummer 858. In figuur 1.2 is de ligging van het plangebied globaal weergegeven.
Figuur 1.2: globale ligging plangebied Vriezenveenseweg 34, rode ster (bron: kadastralekaart.com)
Begrenzing
De Bunte naast 27
De begrenzing van het plangebied aan De Bunte naast 27 wordt in figuur 1.3 weergegeven met een rode omkadering. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door De Bunte. Ten westen en zuiden zijn agrarische gronden aanwezig en ten oosten een woongebied.
Figuur 1.3: globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: kadastralekaart.com)
Vriezenveenseweg 34
De begrenzing van het plangebied aan de Vriezenveenseweg 34 wordt in figuur 1.4 weergegeven. De noord- en zuidzijde van het plangebied worden begrensd door woonpercelen. De oostzijde wordt begrensd door een bedrijfsperceel en de westzijde door de Vriezenveenseweg.
Figuur 1.4: globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: kadastralekaart.com)
De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan.
Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen.
De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld.
Bij de beoordeling of wij een besluit willen nemen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen.
Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen.
Belangenafweging
De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is.
Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het plangebied. Verder mag het plan niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit plangebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen.
Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen.
Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het plan te realiseren.
In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling.
In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan en worden de strijdigheden in beeld gebracht.
Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau.
In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten.
In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Daarnaast wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg, het participatietraject.
Tot slot is in hoofdstuk 7 een toelichting op de planregels opgenomen.
De Bunte naast 27
Initiatiefnemer is voornemens om op het perceel ten oosten van De Bunte 27 in Vroomshoop een vrijstaande woning met bijgebouw te realiseren. Het gaat hier om het meest oostelijke perceel die tegen de kern Vroomshoop ligt.
Vriezenveenseweg 34
Om de beoogde nieuwe woning aan De Bunte mogelijk te kunnen maken wordt het bouwrecht ter plaatse van de Vriezenveenseweg 34 verplaatst naar de planlocatie ten oosten van De Bunte 27. De woning op het perceel van de Vriezenveenseweg 34 wordt gesloopt.
Provincie Overijssel is in 2011 begonnen met werkzaamheden aan het Kanaal Almelo-De Haandrik. Doel was het kanaal geschikt te maken voor grotere scheepvaart. De werkzaamheden zijn in 2016 afgerond. In de jaren daarna kwamen verzakkingen langs het kanaal aan het licht. De verzakkingen zorgden voor schade aan huizen en wegen. Er werd een verband gelegd met de werkzaamheden aan het kanaal. In het najaar van 2018 ontving de provincie de eerste schademeldingen. In totaal zijn meer dan 400 schades gemeld.
De woning aan de Vriezenveenseweg 34 is dusdanig beschadigd dat het onbewoonbaar is geworden. Om sociaaleconomische en maatschappelijke reden wordt de bestaande woning gesloopt en het bouwrecht verplaatst naar de locatie aan De Bunte. Op het perceel aan de Vriezenveenseweg 34 is er naast de woning ook nog een bedrijf aanwezig. Voor dit bedrijf geldt dat er geen noodzaak is om nabij (op hetzelfde perceel) te wonen. Daarnaast bevindt de ontsluiting naar het bedrijf zich rechtstreeks naast de woning. Gelet hierop is het plan ontstaan om het bouwrecht van de woning te verplaatsen naar de locatie aan De Bunte.
Het plangebied aan de Vriezenveenseweg 34 blijft de functie 'Woongebied' houden, zonder bouwmogelijkheden en krijgt de aanduiding 'ontsluiting' waarmee het is aangewezen voor een ontsluiting en parkeerterrein voor achterliggende bedrijvigheid. Hierdoor is het planologisch niet meer mogelijk om aan de Vriezenveenseweg 34 een woning te bouwen.
De Bunte naast 27
Om een beeld te krijgen van de gewenste ontwikkeling is er een erfinrichtingsplan opgesteld, zie Bijlage 1. Er is gekozen om voor de rooilijn aansluiting te zoeken met de woningen in het buitengebied. De Bunte en het naastgelegen fietspad hebben een stevige groenstructuur. Deze groenstructuur blijft behouden en vormt een mooie achtergrond voor de toe te voegen bebouwing. Ook met de erftoegangsweg is rekening gehouden met het behoud van de groenstructuur.
Voor de inrichting van de tuin wordt het volgende geadviseerd:
Figuur 2.1 toont het erfinrichtingsplan.
Figuur 2.1: erfinrichting De Bunte naast 27 (bron: Ad Fontem)
Vriezenveenseweg 34
De slooplocatie krijgt een nieuwe invulling. Een gedeelte van het perceel wordt betrokken bij het woonperceel van de Vriezenveenseweg 33. Het overige gedeelte blijft de functie 'Woongebied' houden, zonder bouwmogelijkheden en krijgt de aanduiding 'ontsluiting' waarmee het is aangewezen voor een ontsluiting en parkeerterrein voor achterliggende bedrijvigheid. Figuur 2.2 toont de erfinrichting van de nieuwe situatie aan de Vriezenveenseweg 34.
Figuur 2.2: erfinrichting Vriezenveenseweg 34
Stedenbouwkundige kwaliteit is de kwaliteit van de gebouwde omgeving en de openbare ruimte. Deze kwaliteit heeft onder andere invloed op de herkenbaarheid en het gebruik van een gebied. Hij wordt beïnvloed door (maatschappelijke) ontwikkelingen als de druk op de woningmarkt, verdichting van stedelijke gebieden en energietransitie.
De beoordeling van de stedenbouwkundige kwaliteit is altijd gebiedsspecifiek. De waardering van een stedenbouwkundige omgeving wordt onder andere bepaald door:
Al deze elementen dragen bij aan de belevings- en gebruikswaarde, en daarmee de stedenbouwkundige kwaliteit van een gebied. Ook het voorkomen van leegstand en verloedering zorgt ervoor dat de kwaliteit van gebied behouden blijft.
Voor beide locaties geldt dat er zoveel als mogelijk aangesloten wordt op de bestaande stedenbouwkundige structuur. Zo wordt voor de nieuwe woning aangesloten op de rooilijn van de woningen langs De Bunte in het buitengebied. Voor de slooplocatie geldt dat er een 'gat' in het bebouwingslint ontstaat. Het parkeerterrein wordt met groen ingepast om het 'gat' zo goed als mogelijk op te vullen.
Elk landschap is het resultaat van natuurlijke factoren en menselijke ingrepen. Daarbij is het landschap dynamisch van karakter. Zo veranderde bijvoorbeeld het grondgebruik van het Nederlandse landschap in de afgelopen eeuwen steeds. Maar ook veranderingen in het klimaat hebben invloed op het landschap.
De waarde die aan een landschap wordt gegeven, is een zachte waarde. Deze waarde is moeilijk in geld uit te drukken, maar heeft wel een (economische) betekenis Deze kwaliteit wordt beïnvloed door (nieuwe) maatschappelijk ontwikkelingen, zoals de energietransitie, schaalvergroting in de landbouw en verstedelijking.
De beoordeling van de kwaliteit van een landschap is altijd gebiedsspecifiek. Het gaat daarbij om de waardering van aanwezige kenmerken, zoals verkavelingen, oude waterlopen, bodemschatten of soortenrijkdom van planten en dieren. Vaak wordt bij die beoordeling de cultuurhistorische, belevings- en ecologische waarde van cultuurlandschappen gehanteerd:
Landschappelijke kwaliteit kan dus niet los gezien worden van andere omgevingsthema's zoals cultureel erfgoed en natuur.
Zoals in paragraaf 2.2 is aangegeven wordt de nieuwe woning op het perceel aan De Bunte naast 27 landschappelijk ingepast en is er een landschapsplan opgesteld. De slooplocatie aan de Vriezenveenseweg 34 ligt in een bebouwingslint met daarachter een bedrijventerrein. Voor de slooplocatie is er geen sprake van landschappelijke waarde. Het parkeerterrein zal worden ingericht met groen.
In de nieuwe situatie wordt een nieuwe vrijstaande woning op het perceel aan De Bunte naast 27 gerealiseerd. Dit wordt mogelijk gemaakt door een bouwrecht te verplaatsen. Op de planlocatie aan de Vriezenveenseweg 34 wordt de bestaande woning gesloopt. Een gedeelte van het perceel wordt betrokken bij het woonperceel van de Vriezenveenseweg 33. Het overige gedeelte wordt ingericht als onstluiting en parkeerterrein bij het bedrijf aan de Vriezenveenseweg 34a. Voor de beschrijving van het plan wordt verwezen naar hoofdstuk 2.
De Bunte naast 27
Het plangebied aan De Bunte is gelegen in het plangebied van het 'Omgevingsplan gemeente Twenterand'. Het onderliggende van toepassing zijnde bestemmingsplan is 'Buitengebied Twenterand', vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Twenterand op 13 maart 2018. De gronden zijn voorzien van de functie 'Agrarisch'. Daarnaast gelden de functies 'Waarde – Archeologie middelhoge verwachting' en 'Waarde – Landschap'. Verder is voor de planlocatie de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - beplantingselementen' en de gebiedsaanduiding 'milieuzone - intrekgebied' opgenomen. Figuur 3.1 toont een uitsnede van de plankaart van het omgevingsplan met het plangebied rood omkaderd.
Figuur 3.1: uitsnede plankaart Omgevingsplan gemeente Twente (bron: Omgevingsloket, regels op de kaart)
De gronden met de functie 'Agrarisch' zijn in eerste instantie bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Er is geen bouwvlak opgenomen, waardoor het bouwen van gebouwen niet is toegestaan. De functies 'Waarde – Archeologie middelhoge verwachting' en 'Waarde – Landschap' zijn opgenomen ten behoeve van het behoud en de bescherming van de archeologische waarden in de bodem en het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. De gebiedsaanduiding 'milieuzone - intrekgebied' is opgenomen voor de bescherming van de bodem- en de (grond)waterkwaliteit ten behoeve van de drinkwatervoorziening.
Vriezenveenseweg 34
Het plangebied aan Vriezenveenseweg is gelegen in het plangebied van het 'Omgevingsplan gemeente Twenterand'. Het onderliggende van toepassing zijnde bestemmingsplan is 'Actualisatie Vroomshoop Woongebied', vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Twenterand op 18 december 2018. De gronden zijn voorzien van de functie 'Woongebied'. Daarnaast geldt de functie 'Waarde - Archeologie middelhoge verwachting'. Verder is voor de planlocatie de functieaanduiding 'ontsluiting' opgenomen. Figuur 3.2 toont een uitsnede van de plankaart van het omgevingsplan met het plangebied rood omkaderd.
Figuur 3.2: uitsnede plankaart Omgevingsplan gemeente Twenterand (bron: Omgevingsloket, regels op de kaart)
De gronden met de functie 'Woongebied' zijn bedoeld voor wonen, waaronder een aan huis verbonden beroep en bed & breakfast. De aanduiding 'ontsluiting' is opgenomen voor de ontsluiting van het achterliggende bedrijf. Voor het bouwen van de hoofdbouw geldt dat de rooilijn niet overschreden wordt. Het aantal woningen bedraagt niet meer dan het bestaande aantal. De functie 'Waarde - Archeologie middelhoge verwachting' is opgenomen voor de bescherming van archeologische waarden.
Het bouwen van een vrijstaande woning is volgens het geldende Omgevingsplan, onderdeel 'Buitengebied Twenterand' niet mogelijk, omdat wonen niet is toegestaan binnen de functie 'Agrarisch'. Voor de slooplocatie geldt dat het beoogde gebruik als parkeerterrein bij het achtergelegen bedrijf niet is toegestaan volgens het geldende Omgevingsplan, onderdeel 'Actualisatie Woongebied Vroomshoop'. Om die reden dient het Omgevingsplan gewijzigd te worden. Voorliggend TAM-omgevingsplan maakt het voorgenomen initiatief mogelijk. In dit TAM-omgevingsplan wordt aangetoond dat het plan voldoet aan de vereisten van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (hierna ETFAL).
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Toets aan Nationale Omgevingsvisie
Het plan heeft geen directe raakvlakken met de Nationale belangen zoals opgenomen in de NOVI. Wonen is één van de basisbehoeften van mensen. In de Nationale Omgevingsvisie wordt aangegeven dat iedereen in Nederland prettig moet kunnen wonen voor een redelijke prijs. Een woningvoorraad die aansluit op de huidige en toekomstige woonbehoefte van mensen is daarom van nationaal belang. Het huidige woningtekort en de toename van het aantal inwoners en huishoudens vraagt een groei van de woningvoorraad (vooral in en bij de stedelijke regio's) in een fijne, leefbare omgeving. Tussen 2019 en 2035 moet de woningvoorraad met circa 1,1 miljoen woningen worden vergroot. De primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving, de woningvoorraad en de leefbaarheid ligt bij gemeenten en provincies. Het Rijk is systeemverantwoordelijk. Het is de rol van het Rijk om de kaders te stellen, te stimuleren, eventueel te sanctioneren, waar nodig middelen ter beschikking te stellen – bijvoorbeeld via de huurtoeslag, hypotheekrenteaftrek of de regeling woningbouwimpuls voor gemeenten – en met gemeenten en provincies samen te werken om (bovenlokale, inclusief grensoverschrijdende) knelpunten op te lossen en realisatie van de nationale belangen te waarborgen. Zoals is beschreven ligt de primaire verantwoordelijkheid voor de gebouwde omgeving en de woningvoorraad bij de gemeenten en provincies. Met het voorliggende plan wordt een bouwrecht van een vrijstaande woning verplaatst. Feitelijk gezien wordt er daarmee geen woning toegevoegd. In de paragrafen 4.2 en 4.3 wordt het plan getoetst aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Hieruit blijkt dat het plan passend is binnen de beleidskaders van de provincie en gemeente.
Voor de slooplocatie geldt dat er geen rijksbelangen worden geraakt.
Het plan past binnen de prioriteiten van de NOVI en kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van strijd met het met het rijksbeleid.
De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB's):
In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet.
Voor de volgende onderwerpen gelden er rijksinstructieregels:
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.
Het plan houdt rekening met de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl. In deze ruimtelijke onderbouwing wordt onder andere ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan ten aanzien van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, ten aanzien van (externe) veiligheid, waterbelangen en de bescherming van gezondheid en het milieu. De volgende instructieregels zijn voor onderhavig plan van toepassing:
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.
Naast artikel 8.0a, lid, Bkl (evenwichtige toedeling van functies aan locaties) gelden de beoordelingsregels uit de artikelen 8.0b, 8.0c, 8.0d en 8.0e van het Bkl:
Zoals beschreven houdt het plan rekening met de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl. Daarnaast wordt rekening gehouden met de instructies van de provincie. Voor het plangebied zijn geen voorbeschermingsregels gesteld waar rekening mee gehouden moeten worden. In de volgende hoofdstukken wordt nader ingegaan op het relevante provinciaal-, en gemeentelijke beleid en de omgevingsaspecten. Als gevolg van het plan worden geen rijksbelangen geschaad. Het plangebied bevindt zich op ruime afstand van autowegen, buisleidingen, spoorwegen, natuurgebieden, etc. De functie 'Wonen' is geen milieubelastende activiteit en passend in de omgeving.
Artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een omgevingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het omgevingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het omgevingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd.
De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand.
De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.
Toets aan ladder voor duurzame verstedelijking
Stedelijke ontwikkeling
Het voorliggende plan maakt de realisatie van één vrijstaande woning op het perceel nabij De Bunte 27 te Vroomshoop mogelijk. Om dit mogelijk te kunnen maken wordt de bestaande woning aan de Vriezenveenseweg 34 gesloopt. Feitelijk gezien wordt de woning verplaatst, waardoor het aantal woningen niet toeneemt. Op grond van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2921) wordt de realisatie van 11 woningen niet aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Artikel 5.129g van het (Bkl) bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. Gelet op de kleinschaligheid en aard van de ontwikkeling is er in voorliggend geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Ook wanneer de ladder niet van toepassing is moet gemotiveerd worden dat de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De voorliggende motivering toont aan dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
De Omgevingsvisie is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Het uitgangspunt is gericht op het jaar 2030. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren.
De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn verwerkt in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. Deze beleidsthema's worden benaderd vanuit de overkoepelende rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit.
Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. Ruimtelijke kwaliteit is datgene wat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. Ruimtelijke kwaliteit gaan vooral over 'goed': mooi, functioneel en toekomstbestendig. Sociale kwaliteit gaat over het welzijn of 'goed voelen' van de mens. In de omgevingsvisie gaat het over het welzijn van de mens in relatie tot de fysieke leefomgeving.
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.
Generieke beleidskeuzes
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.
Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn normstellend en betreffen randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden.
Ontwikkelingsperspectieven
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.
De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaal-economische redenen in haar Omgevingsvisie of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel).
Of - Generieke beleidskeuzes
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.
Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
Waar – Ontwikkelingsperspectieven
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Hoe - Gebiedskenmerken
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Figuur 4.1: uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel)
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.
Bij de afwegingen in de eerste fase “generieke beleidskeuzes” zijn met name de volgende artikelen van belang:
Artikel 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik)
Planspecifiek
Het plan heeft betrekking op het verplaatsen van een bestaand bouwrecht. Het bestaande bouwrecht bevindt zich in de vorm van een vrijstaande woning aan de Vriezenveenseweg 34 in Vroomshoop. De woning aan de Vriezenveenseweg 34 is niet meer bewoonbaar. Provincie Overijssel is in 2011 begonnen met werkzaamheden aan het Kanaal Almelo-De Haandrik. Doel was het kanaal geschikt te maken voor grotere scheepvaart. De werkzaamheden zijn in 2016 afgerond. In de jaren daarna kwamen verzakkingen langs het kanaal aan het licht. De verzakkingen zorgden voor schade aan huizen en wegen. Er werd een verband gelegd met de werkzaamheden aan het kanaal. In het najaar van 2018 ontving de provincie de eerste schademeldingen. In totaal zijn meer dan 400 schades gemeld. Om sociaaleconomische en maatschappelijke reden wordt de woning gesloopt en het bouwrecht verplaatst naar de locatie aan De Bunte. De woning aan de Vriezenveenseweg 34 is onbewoonbaar geworden en daarom is het plan opgevat om het bouwrecht te verplaatsen.
Er wordt één vrijstaande woning gerealiseerd. De locatie van de nieuwe woning bevindt zich aan De Bunte, direct aan de rand van de bebouwde kom. Ondanks dat de locatie niet binnen de bebouwde kom ligt, kan gesteld worden dat het plan passend is op deze locatie. Langs De Bunte zijn verschillende woningen aanwezig. Daarnaast zijn er enkele bedrijven en agrarische gronden in de directe omgeving te vinden. Er wordt slechts één woning gerealiseerd, waarbij gebruik wordt gemaakt van een bestaand bouwrecht.
Met de bouw van de nieuwe woning wordt aansluiting gezocht op de bebouwing in de omgeving. De woning komt in een bebouwingscluster langs De Bunte te liggen. Daarnaast voorziet het plan in een goede landschappelijke inpassing. Het voornemen is derhalve in overeenstemming met artikel 4.5 uit de Omgevingsverordening Overijssel.
Artikel 4.7 (ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit)
In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken.
Planspecifiek
Het bouwrecht van de vrijstaande woning wordt verplaatst vanwege sociaaleconomische en maatschappelijke reden. De bestaande woning heeft immers onomkeerbare schade opgelopen vanwege de werkzaamheden aan het Kanaal Almelo-De Haandrik. De inmiddels verloederde woning wordt gesloopt, wat verdere verloedering van de (sloop)locatie tegen gaat.
De nieuwe woning die beoogd is op het perceel aan de Bunte wordt landschappelijk ingepast (zie Bijlage 1). Doordat de nieuwe woning landschappelijk wordt ingepast blijft de ruimtelijke kwaliteit zoveel mogelijk behouden en wordt zelfs versterkt door de aanplant van nieuwe landschapselementen. Er wordt begroeiing aan de perceelsrand toegevoegd in de vorm van boom- en struikvormers en een haag.
Artikel 4.9 (onderbouwing ruimtelijke kwaliteit)
Planspecifiek
In de navolgende subparagrafen wordt ingegaan op het uitvoeringsmodel van de omgevingsvisie Overijssel. Er wordt getoetst aan het geldende ontwikkelingsperspectief en de verschillende kaartlagen met gebiedskenmerken. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de ruimtelijke kwaliteit. Door de nieuwe woning goed in te passen en de verloederde bestaande woning te slopen, vindt er een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit plaats.
Artikel 4.11 (kwaliteitsimpuls Groene Omgeving)
Planspecifiek
In onderhavig geval vindt er met de bouw van de nieuwe woning nieuwvesting in de Groene Omgeving plaats. Zoals eerder benoemd wordt de nieuwe woning mogelijk gemaakt door middel van het verplaatsen van een bouwrecht. Om sociaaleconomische en maatschappelijke redenen wordt de woning aan de Vriezenveenseweg 34 gesloopt en het bouwrecht verplaatst naar de locatie aan De Bunte. De woning aan de Vriezenveenseweg 34 is nadat de werkzaamheden aan het kanaal hebben plaatsgevonden onbewoonbaar geworden.
Voor de locatie van de nieuwe woning aan de Bunte geldt dat de ecologische en landschappelijke waarde in voldoende mate worden geborgd door middel van de uitvoering van het erfinrichtingsplan (zie Bijlage 1). Er wordt nieuw groen aangeplant in de vorm van hagen en bomen, passend in de omgeving.
Artikel 4.14 (woonafspraken)
Planspecifiek
In onderhavig geval is er sprake van het verplaatsen van een bouwrecht. Feitelijk gezien wordt er geen extra woning toegevoegd. Nadere toetsing aan artikel 4.14 en de geldende woonafspraken is niet noodzakelijk.
Intrekgebieden
De locatie aan de Bunte waar de nieuwe woning wordt gerealiseerd is in de omgevingsvisie aangeduid als 'Intrekgebieden - Gebiedspecifieke beledskeuzes (Of)'. De provincie is ook verantwoordelijk voor de bescherming van het grondwater dat wordt gebruikt voor menselijke consumptie. Het grondwaterbeheer betreft de waterwingebieden, de grondwaterbeschermingszones (met stedelijke functies), de intrekgebieden (met stedelijke functies) en de innamezones waterwinning. Daarbij zijn er specifieke maatregelen en kaders ten aanzien van Boringsvrije zones drinkwatervoorziening. Deze maatregelen zij gericht op het behoud van de grondwaterbeschermende bodemlagen.
In onderhavig plan is voor de locatie aan de Bunte op de verbeelding de aanduiding 'milieuzone - intrekgebied' opgenomen en zijn er regels opgenomen, waarmee de bescherming van de bodem- en de (grond)waterkwaliteit ten behoeve van de drinkwaterkwaliteit wordt geregeld.
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke omgeving van toepassing. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie ter plaatse van de planlocaties weergegeven.
De Bunte naast 27
Figuur 4.2: uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)
Het plangebied ter hoogte van De Bunte is gelegen in het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'. Het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. De ontwikkelingsmogelijkheden voor verschillende sectoren worden in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbonden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen.
In dit ontwikkelingsperspectief zijn ook plekken waar, door de ruimtelijke structuur van het landschap, de beschikbare milieuruimte of reeds aanwezige bebouwing, de ontwikkelruimte van agrarische bedrijven beperkt is. Hier liggen ontwikkelkansen voor andere vormen van bedrijvigheid (denk aan dienstverlenende zelfstandigen zonder personeel) die de ruimtelijke structuur versterken. Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt.
Toets
In onderhavig geval is er sprake van een nieuwe functie, namelijk 'wonen'. Gemeenten mogen gemotiveerd afwijken van het ontwikkelingsperspectief uit de Omgevingsvisie Overijssel indien er sprake is van sociaal-economische of maatschappelijke redenen én er voldoende waarborgen zijn voor de continuïteit van de bestaande omgevingskwaliteit. Hier is in de toetsing aan de omgevingsverordening op ingegaan. Er is sprake van een sociaal-economische of maatschappelijke reden (zie toetsing artikel 4.5 en 4.11 omgevingsverordening) en door middel van de uitvoering van het landschappelijk inpassingsplan wordt de ruimtelijke- en landschappelijke kwaliteit gewaarborgd.
De plannen van de initiatiefnemers doen geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied. De locatie ligt direct aan de rand van de bebouwde kom. Daarnaast zijn er aan De Bunte verschillende woningen aanwezig en zijn er in de omgeving enkele bedrijven en agrarische gronden te vinden. Opgemerkt dient te worden dat zowel aan de oost- als westzijde van het plangebied het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken' van toepassing is.
Er is voor de inpassing van de nieuwe woning een erfinrichtingsplan opgesteld, waarin rekening gehouden is met het landschap en de structuur van de bebouwing in de omgeving. Daarnaast veroorzaakt de ontwikkeling geen extra belemmeringen voor de aanwezige functies in de omgeving, aangezien er al veel woningen aanwezig zijn. De functie wonen past binnen het toegekende ontwikkelingsperspectief.
Daarbij wordt opgemerkt dat op grond van artikel 4.9, lid 2 van de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel gemotiveerd kan worden afgeweken van het ontwikkelingsperspectief als:
Zoals meermaals aangegeven is de bestaande woning aan de Vriezenveenseweg 34 in Vroomshoop onbewoonbaar geworden nadat de werkzaamheden aan het kanaal hebben plaatsgevonden. Naar aanleiding daarvan wordt de woning gesloopt en verplaatst naar de locatie De Bunte, nabij nummer 27. Daarmee is sprake van een sociaaleconomische reden voor het verplaatsen van het bouwrecht. De ruimtelijke kwaliteit is voldoende verzekerd op basis van het landschapsplan welke als voorwaardelijke verplichting aan de planregels is geborgd.
Vriezenveenseweg 34
Figuur 4.3: uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)
Het plangebied aan de Vriezenveenseweg ligt in het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'. De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico's op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).
Toets
Ter plaatse van het plangebied aan de Vriezenveenseweg wordt de bestaande woning gesloopt. Deze woning is onbewoonbaar geworden nadat de werkzaamheden aan het kanaal hebben plaatsgevonden. Er is daardoor sprake van verloedering. Omdat de woning niet meer hersteld kan worden, wordt het bouwrecht verplaatst. Na de sloop van de woning wordt het plangebied gebruikt als parkeerterrein bij het achtergelegen bedrijf. Het perkeerterrein zal met groen worden ingepast. Daarnaast wordt een klein gedeelte betrokken bij het woonperceel Vriezenveenseweg 33. De sloop van de woning en het verplaatsen van het bouwrecht is van sociaaleconomisch en maatschappelijk belang. Gesteld kan worden dat de nieuwe functie van het plangebied geen afbreuk doet aan de omgeving en hiermee past binnen het ontwikkelingsperspectief.
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen.
De Bunte naast 27
Natuurlijke laag
De natuurlijke laag geeft aan het gebied het kenmerk 'Dekzandvlakte en ruggen' (zie figuur 4.3).
Figuur 4.4: natuurlijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: Provincie Overijssel)
De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd.
Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)-richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt.
Toets
Het plangebied ligt aan de rand van bebouwde kom en het buitengebied. De kenmerken van de dekzandvlakte en ruggen zijn ter plaatse niet meer herkenbaar. Er is een erfrichtingsplan opgesteld om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen en aan te tonen dat er sprake is van een goede landschappelijke inpassing van de woning die ook aansluit op de omgeving. Op basis hiervan wordt gesteld dat het plan past binnen de kenmerken van de natuurlijke laag.
Laag van het agrarisch cultuurlandschap
De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'Jong heide- en broekontginningslandschap'. In figuur 4.5 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.
Figuur 4.5: laag van het agrarisch cultuurlandschap, Omgevingsvisie Overijssel (bron: Provincie Overijssel)
De grote oppervlakte aan – voormalige – natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. De ambitie is de ruimtelijke kwaliteit van deze gebieden een stevige impuls te geven en soms een transformatie wanneer daar aanleiding toe is. De dragende structuren worden gevormd door landschappelijk raamwerken van lanen, bosstroken en waterlopen, die de rechtlijnige ontginningsstructuren versterken. Binnen deze raamwerken is ruimte voor verdere ontwikkeling van bestaande erven en soms de vestiging van nieuwe erven, mits deze een stevige landschappelijke jas krijgen. De ambitie is verder de landschappelijke karakteristieken voor weidevogels in stand te houden en te versterken. De maat en schaal van het jonge heide- en broekontginningslandschap biedt kansen voor de ontwikkeling van grote clusters windturbines. Hierbij wordt de beschikbare ruimte optimaal benut en rekening gehouden met toekomstige clusters. De ontwikkeling van grote clusters windturbines kan een impuls geven aan de kwaliteit van dit landschap.
Toets
Met betrekking tot het Jong heide- en broekontginningslandschap wordt aangegeven dat er ruimte is voor ontwikkeling van bestaande erven en de vestiging van nieuwe erven, mits er sprake is van een landschappelijke inpassing. Doordat de projectlocatie aansluit op de bebouwde kom van Vroomshoop zijn er verder weinig kenmerken van het Jong heide- en broekontginningslandschap aanwezig. Voor het voorliggende plan is een erfinrichtingsplan opgesteld. Er is rekening gehouden met de structuur van de bebouwing en de nog aanwezige karakteristieken in de directe omgeving.
Stedelijke laag
De Stedelijke laag kent het kenmerk 'Verspreide gebouwen' aan het gebied toe. De agrarische erven hebben van oudsher een hele sterke binding met het landschap. Vanuit het erf werden de omliggende gronden in cultuur gebracht en vervolgens eeuwenlang bewerkt. Elke boer deed dit naar eigen inzicht en afgestemd op de plaatselijke omstandigheden, maar wel volgens de wetmatigheden van het toenmalig landbouwsysteem.
Door deze 'eenheid in handelen' ontstonden er samenhangende landschappen, die nu nog steeds herkenbaar zijn: essenlandschap, oude hoevenlandschappen, broek- en heideontginningen en veenlandschappen. Bijzonder is dat elk landschap zijn eigen erftype heeft: de opbouw van erf, erfbebouwing, erfbeplantingen en relaties met de omliggende gronden zijn specifiek voor het betreffende landschapstype, alsof in het erf de genen van het landschap besloten liggen. Naast erven kent het buitengebied losliggende 'gewone' burgerwoningen met veelal een eigen, individueel karakter en eigen verhaal van ontstaan.
Als ontwikkelingen plaats vinden op erven, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de kenmerkende erfstructuur en volumematen, blijft er een duidelijk onderscheid voorkant- achterkant en vindt koppeling van het erf aan landschap plaats. Toegankelijkheid wordt erdoor verbeterd.
Toets
Het plangebied aan De Bunte ligt direct aan de rand van de bebouwde kom van Vroomshoop. Ook aan de andere zijde van de locatie zijn momenteel al enkele woningen aanwezig. Gelet op de ligging van het plangebied waarbij meerdere woningen naast elkaar zijn gebouwd, kan gesteld worden dat er geen sprake is van 'verspreide bebouwing'. Zodoende kan worden geconcludeerd dat er geen verdere afbreuk wordt gedaan aan de kenmerken van de stedelijke laag.
Laag van beleving
De 'Laag van de beleving' heeft binnen het plangebied geen specifieke kenmerken en blijft daarom verder buiten beschouwing.
Vriezenveenseweg 34
Natuurlijke laag en Laag van agrarisch cultuurlandschap
De planlocatie aan de Vriezenveenseweg 34 ligt in het bebouwd gebied van Vroomshoop, in een bebouwingslint. Gelet op de ligging in bestaand bebouwd gebied kan gesteld worden dat de gebiedskenmerken van de 'Natuurlijke laag' en 'Laag van agrarisch cultuurlandschap' niet relevant zijn. De kenmerken van deze lagen zijn immers niet (meer) aanwezig.
Stedelijke laag
De stedelijke laag geeft aan het plangebied aan de Vriezenveenseweg het gebiedskenmerk 'Woonwijken 1955 - nu'.
Figuur 4.6: stedelijke laag, Omgevingsvisie Overijssel (bron: Provincie Overijssel)
De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De functies (wonen, werken, voorzieningen centra) zijn uiteengelegd en de wijken zijn opgedeeld in buurten met een homogeen bebouwingskarakter: buurten met eengezinswoningen, flatwijken, villawijken, wijk(winkel)centra. Er is sprake van een tijdsgebonden verkavelingsstructuur op basis van verschillende ordeningsprincipes.
Herstructurering naoorlogse wijken is een belangrijke opgave voor vitale steden. De wijken van na de oorlog behouden hierbij hun eigen karakter. Ook al neemt bij herstructurering het bebouwd oppervlak in de wijken door meer grondgebonden woningen toe, er blijft collectieve ruimte tussen de bouwblokken. Markante gebouwen zoals leegkomende kerken en winkelstrips worden waar mogelijk behouden door ze een nieuwe functie te geven. In de wijken van de jaren ’70 en ’80 (woonerven) vereisen de kwaliteit van de buitenruimte en de parkeeroplossingen bijzondere aandacht.
Toets
De woning aan de Vriezenveenseweg 34 is nadat de werkzaamheden aan het kanaal hebben plaatsgevonden onbewoonbaar geworden. Om die reden wordt de woning gesloopt en wordt het bouwrecht verplaatst naar de locatie aan De Bunte. Er is hier sprake van een sociaaleconomisch en maatschappelijke reden. De locatie aan de Vriezenveenseweg wordt ingericht als parkeerterrein voor het achtergelegen bedrijf. Daarnaast wordt een deel van het perceel betrokken bij het naastgelegen woonperceel (nr. 33). Het parkeerterrein zal met groen ingepast worden, waardoor de gebiedskenmerken niet geschaad worden.
Laag van beleving
De 'Laag van de beleving' heeft binnen het plangebied geen specifieke kenmerken en blijft daarom verder buiten beschouwing.
De ‘Omgevingsvisie Twenterand’, vastgesteld in 14 december 2021 schetst de ruimtelijke ambities en keuzes van Twenterand. Daarbij wordt ingegaan op vijf thema’s:
De gemeente Twenterand zet in op kwaliteit voor kwantiteit en hanteert daarbij een viertal kernprincipes. Deze kernprincipes zijn manieren van werken die de gemeente toepast bij nieuwe plannen of bij uitbreidingen:
Voor het voorgenomen plan zijn de volgende thema's van belang: 'goed wonen', en 'fraaie en gezonde omgeving'.
Goed wonen
Het woningtekort in Nederland is groot. Ook in Twenterand is de vraag naar woningen toegenomen. Naast de groeiende vraag naar woningen is er tegelijkertijd sprake van een demografische transitie. Er is sprake van vergrijzing en er komen meer eenpersoonshuishoudens. Twenterand is een plattelandsgemeente waar ruimte, rust en groen belangrijke kwaliteiten zijn. Dit willen de gemeente graag behouden en versterken. Twenterand kent een mix van buiten wonen in het landelijk gebied en kleine kernen. Hier is het wonen nauw verbonden met het Overijsselse landschap, het dorpse leven, natuur en landbouw. Woningbouw vindt bij voorkeur plaats op inbreidingslocaties binnen de bebouwde kom. Woningbouw moet bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit en voorzien in een duidelijke woonbehoefte.
Fraaie en gezonde omgeving
Twenterand is een fraaie gemeente. In het buitengebied genieten inwoners en bezoekers van landschap en natuur. In de kernen is er oog voor karakteristieke bebouwing en straten zien er netjes en mooi uit. Er is een vitaal en veerkrachtig platteland dat ruimte biedt aan werk, (toekomstbestendige) landbouw, landelijk wonen, vitale natuur, landschap en kwalitatief hoogwaardige recreatie. De gemeente heeft de ambitie om de kenmerken en kwaliteiten van de verschillende landschappen te behouden en waar mogelijk verder te ontwikkelen en te versterken.
Behoud en versterking van ruimtelijke kwaliteit
Een deel van het unieke karakter van de gemeente Twenterand wordt bepaald door overblijfselen uit de cultuurhistorie. Deze cultuurhistorie is zichtbaar in patronen in het landschap, stedenbouwkundige structuren en bouwkundig erfgoed. Als de ruimtelijke kwaliteit van een gebied hoog is, dan heeft dit een gunstig effect op de kwaliteit van wonen. Immers een functioneel, mooi en toekomstbestendig ingericht gebied draagt bij aan de ervaring van het woon en leefklimaat. Ruimtelijke kwaliteit heeft daarmee een direct verband met 'kwalitatief wonen'. De gemeente heeft daarom de ambitie om in te zetten op het behoud en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied en de kernen in Twenterand. Daarbij heeft het aandacht voor stedenbouwkundige structuren en cultuurhistorie. Het wil verpaupering tegengaan en biedt mogelijkheden voor ontwikkelingen die in aard en omvang passend zijn in een gebied. In het buitengebied zoekt het naar manieren om de leefbaarheid te behouden en verhogen zonder daarbij de specifieke kenmerken van een gebied uit het oog te verliezen.
Toets
Het voorliggende initiatief geldt dat er een bouwrecht verplaatst wordt van de Vriezenveenseweg 34 te Vroomshoop naar de locatie ten oosten van De Bunte 27 te Vroomshoop. De projectlocatie bevindt zich aan de rand van de kern Vroomshoop en het buitengebied van de gemeente Twenterand. Aan de rand van het buitengebied zijn er veel bebouwingslinten aanwezig. De nieuwe woning sluit hierop aan. De nieuwe woning wordt landschappelijk ingepast, waarbij rekening gehouden wordt met de kwaliteiten en waarden van de omgeving. De locatie aan de Vriezenveenseweg 34 wordt ingericht als parkeerterrein bij het achtergelegen bedrijf en wordt met groen ingepast. Daarnaast wordt een gedeelte bij het woonperceel van de Vriezenveenseweg 33 getrokken.
Voor de concrete woningbehoefte is onder andere de 'Woonvisie Twenterand, 2022-2026' vastgesteld. De 'Woonvisie Twenterand, 2022-2026' beschrijft de opgaven en ambities van de gemeente Twenterand op het gebied van wonen voor de komende vijf jaar. De vraag naar woningen in Nederland is zeer groot. Ook in Twenterand is de toenemende krapte merkbaar. Er is nauwelijks leegstand, meer vraag dan aanbod en stijgende huizenprijzen. Naast deze landelijke trend op de woningmarkt heeft Twenterand te maken met een demografische transitie. Er komen meer eenpersoonshuishoudens, er is sprake van vergrijzing en in de toekomst een ontwikkeling naar meer balans van het aantal huishoudens.
Dit leidt tot de volgende opgaven voor de korte en lange termijn:
Om aan de opgaven voor de korte en lange termijn te voldoen, zijn onder andere de volgende ambities uitgesproken die relevant zijn voor de voorgenomen ontwikkeling:
Voor het voorliggende project is met name de volgende ambitie van belang:
Toets
Voor de realisatie van de vrijstaande woning nabij De Bunte 27 te Vroomshoop wordt gebruik gemaakt van een bestaand bouwrecht elders in de gemeente Twenterand. De woning aan de Vriezenveenseweg 34 is nadat de werkzaamheden aan het kanaal hebben plaatsgevonden onbewoonbaar geworden en zal als gevolg van het voorgenomen plan worden gesloopt. Met de bouw van de nieuwe woning op de planlocatie wordt rekening gehouden met de structuur van de bebouwing in de omgeving.
Op basis van de Woonvisie wordt er voor de kern Vroomshoop nog steeds een groei van het aantal huishoudens verwacht. Er wordt gestreefd naar het toevoegen van een mix van type woningen. Aangezien het plan betrekking heeft op het verplaatsen van een bestaand bouwrecht, heeft het geen invloed op de beschikbare woningbouwcontigenten in de gemeente Twenterand. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het initiatief in overeenstemming is met de Woonvisie 2022-2026 van de gemeente Twenterand.
Tot slot moet tevens worden opgemerkt dat de nieuwe vrijstaande woning moet voldoen aan de BENG-norm die sinds 1 januari 2021 geldt. De BENG-norm staat voor 'bijna-energieneutraal gebouw'. Deze nieuwe bouwregels stellen eisen aan de maximale energiebehoefte, het fossiele energiegebruik en aan de opwek van hernieuwbare energie van gebouwen. Dit betekent dat bij nieuwe woningen en gebouwen niet alleen rekening moet worden gehouden met een goede isolatie van de gebouwschil en energiezuinige installaties, maar ook met de toepassing van duurzame energie. De nieuwe bebouwing voldoet dan ook aan de duurzaamheidsdoelstellingen zoals die in de Woonvisie zijn opgenomen.
Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat een besluit tot wijziging van het omgevingsplan alleen mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow).
Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.
De mer-regelgeving is uitgewerkt in verschillende onderdelen van de Omgevingswet (Ow). Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit (Ob). In bijlage V van het Omgevingsbesluit staan de projecten en de besluiten waarvoor een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt.
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:
Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor plan / programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.
In bijlage V van het Omgevingsbesluit staan de projecten en de besluiten waarvoor een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt.
Het begrip 'Stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject:
Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken (art. 16.36, lid 3, Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht.
Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Ob.
Daarnaast blijkt uit de uitspraak van de Raad van State van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879) dat de realisatie van twee eengezinswoningen met bijbehorende voorzieningen en hobbymatig agrarisch grondgebruik op een grasland in het buitengebied van Ammerzoden niet als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt aangemerkt.
Met het voorliggende plan wordt een bouwrecht verplaatst van de Vriezenveenseweg 34 naar de planlocatie naast de Bunte 27. De nieuwe woning bevindt zich aan de rand van het buitengebied en het bebouwd gebied van de kern Vroomshoop.
Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project of plan en de kenmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat het geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).
Milieuzonering zorgt voor ruimte voor milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten met behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar andere milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Hierbij wordt rekening gehouden met:
Met het oog op een veilige en gezonde leefomgeving is het uitgangspunt: het aanhouden van voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige gebouwen en locaties. De VNG heeft gewerkt aan een hulpmiddel die kan worden toegepast voor het plannen en toetsen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen: 'Activiteiten en milieuzonering'. De basisprincipes van milieuzonering zoals gehanteerd in de voorheen geldende VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering 2009 blijven echter hetzelfde. Uitgangspunt blijft functiescheiding waar dat nodig is en het toepassen van inwaartse zonering binnen bedrijventerreinen en andere werkterreinen. Daarbij geldt: hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid en geur per milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteit beschikbaar is. De inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid en twee zones voor geur. De zones zijn afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten. Afhankelijk van de ligging van een activiteit ten opzichte van een zone, hebben milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten meer of minder milieugebruiksruimte.
Onder een bedrijfsactiviteit wordt in de VNG verstaan: een activiteit gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen en ook verhuur, opslag en distributie van goederen en eventueel ondergeschikte detailhandel. Dit betekent dat veel andere bedrijven of bedrijfsmatige activiteiten niet tot een 'bedrijfsactiviteit' worden gerekend in de zin van deze handreiking. Dit betreft bijvoorbeeld horecabedrijven, detailhandelsbedrijven, leisure-bedrijven, culturele bedrijven enzovoort. Dit wordt “milieuhinderlijke activiteiten” genoemd.
Onder milieuhinderlijke activiteiten wordt verstaan: een aan een locatie toegedeelde activiteit, anders dan wonen, die milieuhinder kan veroorzaken, in het bijzonder in de vorm van geluid- of geurhinder. Ook aan locaties toegedeelde activiteiten (anders dan wonen) die trillinghinder, stofhinder, veiligheidsrisico's of lichthinder kunnen veroorzaken zijn milieuhinderlijke activiteiten.
De planlocatie is gelegen aan de rand van het buitengebied van de gemeente Twenterand en de kern Vroomshoop. In de directe omgeving van de planlocatie zijn voornamelijk woningen aanwezig, maar ook enkele bedrijven en agrarische gronden. Omdat er slechts enkele bedrijven aanwezig in de omgeving en deze bedrijven op een redelijke afstand van de planlocatie liggen kan het gebied aangemerkt worden als 'rustige woonwijk/buitengebied'.
Interne werking
Hierbij gaat het om de vraag of de functie 'wonen' hinder ondervindt van bestaande milieubelastende functies in de omgeving. Aan de Hammerweg 38 ten zuiden van het plangebied bevindt zich volgens het geldende bestemmingsplan een 'transportbedrijf/kantoor' met een bebouwd perceeloppervlakte van ca. 8.750 m². Volgens de VNG kan dit bedrijf gekenmerkt worden als 'goederenwegvervoerbedrijven (zonder schoonmaken tanks): b.o. >1.000 m²'. Hiervoor geldt de milieucategorie 3.2 met een richtafstand van 100 m. De afstand tussen het bedrijf en het plangebied bedraagt minimaal 60 m. Daarmee wordt er niet voldaan aan de richtafstand. Echter zijn er direct naast de bedrijfsbestemming reeds woningen aanwezig. Deze woningen zijn al maatgevend voor de uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf op het betreffende bedrijfsperceel. Wel dient gemotiveerd te worden dat er voor de nieuwe woning aan De Bunte sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In het kader van het bestemmingsplan 'Buitengebied Twenterand PH Hammerweg 36' is een akoestisch onderzoek naar het bedrijf uitgevoerd. In dit onderzoek wordt het volgende genoemd:
Omzetting van de bedrijfsbestemming naar een woonbestemming leidt niet tot beperkingen van het gebruik van het bedrijfsperceel Hammerweg 38. Wel moet worden afgevraagd of de bedrijfsbestemming in categorie 3.2 op dit perceel gehandhaafd dient te blijven nu de bedrijfsactiviteiten al langere tijd en mogelijk al sinds 1996 niet meer op de locatie plaatsvinden. Binnen 100 meter van de werkplaats zijn nog vier andere woonbestemmingen gelegen.
Uit het onderzoek is tevens gebleken dat op het perceel aan de Hammerweg 36 de geluidbelasting (voor 92% van het perceel) de geluidbelasting lager dan 50 dB bedraagt. Aangezien de nieuwe woning op het perceel aan De Bunte op een grotere afstand ligt dan de woning op het perceel aan de Hammerweg 36, kan gesteld worden dat er voor de nieuwe woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Op een afstand van ca. 230 ten zuiden van het plangebied bevindt zich de bestemming 'Sport'. Hier zijn het openluchtzwembad de Zandstuve en een openlucht ijsbaan gelegen. Voor het niet overdekte zwembad geldt milieucategorie 4.1. Hiervoor geldt een richtafstand van 200 m. Ook voor de niet overdekte ijsbaan wordt milieucategorie 4.1 met een richtafstand van 200 m aangehouden. De beoogde woning bevindt zich op voldoende afstand van deze functies. Daarbij moet opgemerkt worden dat er momenteel al woningen op een kortere afstand aanwezig zijn (bijvoorbeeld Hammerweg 42).
De beoogde ontwikkeling is daarmee passend geacht binnen de omgeving.
Externe werking
Bij de externe werking gaat het om de vraag of de realisatie van onderhavig plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de omgeving. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.
De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is derhalve geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'Activiteiten en milieuzonering' geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief.
De verkeersgeneratie is bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering, publicatie 744 (augustus 2024)'. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie.
De nieuwe woning zal ontsloten worden aan De Bunte. Voor deze weg geldt een snelheidsregime van 30 km/uur. De realisatie van een vrijstaande woning neemt extra verkeersbewegingen met zich mee. Volgens de CROW publicatie 744 'Parkeercijfers 2024' geldt voor een vrijstaande woning in de categorie 'niet stedelijk' en 'buitengebied' een verkeersgeneratie van gemiddeld 8,2 verkeersbewegingen per etmaal. Deze beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen zal gelet op de kenmerken van de weg naar verwachting geen problemen opleveren.
De herinrichting van het perceel aan de Vriezenveenseweg 34 ten behoeve van een parkeerterrein bij het achtergelegen bedrijf heeft geen invloed op het aantal verkeersbewegingen. De bedrijfsactiviteiten wijzigen met het voorliggende plan niet.
Het aspect 'Verkeer' veroorzaakt geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen zoals vastgesteld in de 'Nota Parkeernormen gemeente Twenterand 2018' het toetsingskader.
Voor een vrijstaande koopwoning geldt in het buitengebied een minimale parkeernorm van 2,0 en maximale parkeernorm van 2,8 parkeerplaatsen per woning. Op het perceel van de vrijstaande woning is voldoende ruimte om de parkeerbehoefte op te lossen. Het parkeren vindt plaats op het eigen terrein van de nieuwe woning op het perceel naast De Bunte 27.
Het perceel aan de Vriezenveenseweg 34 wordt ingericht als parkeerterrein ten behoeve van extra parkeerplaatsen bij het achtergelegen bedrijf. Daarnaast word een gedeelte bij het woonperceel aan de Vriezenveenseweg 33 getrokken.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'Parkeren' geen belemmeringen met zich meebrengt.
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Natuur maakt onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Dit volgt expliciet uit artikel 1.2 lid 2 onder h van de Omgevingswet. Dit TAM-omgevingsplan mogelijke gemaakte ontwikkeling zijn op de instandhoudingsdoelen van beschermde natuurgebieden die voor flora en fauna van groot belang zijn. Dit zijn de Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. Natura 2000-activiteiten zijn activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. De Omgevingswet geeft regels over die activiteiten om de natuur te beschermen. In afdeling 8.6 van het Bkl zijn beoordelingsregels opgenomen voor omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit en flora- en fauna-activiteit. Artikel 8.74b van het Bkl bevat beoordelingsregels voor Natura 2000-activiteit.
Natura 2000-gebieden
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
Situatie plangebied
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Vecht- en Beneden- Reggegebied' en ligt eveneens op een afstand van ca. 3,7 km van de planlocatie naast De Bunte 27. De afstand tussen de planlocatie aan de Vriezenveenseweg 34 en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Engbertsvenen' bedraagt ca. 5,3 km. Gelet op de kleinschaligheid van het initiatief en de afstand tot de beschermde gebieden kan gesteld worden dat er geen negatieve effecten zullen optreden.
Stikstofdepositie
Nieuwe ontwikkelingen kunnen een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden veroorzaken. De uitstoot van stikstof kan plaatsvinden tijdens de aanlegfase en de gebruiksfase. Het voorliggende initiatief maakt slechts één vrijstaande woning mogelijk. Gelet op de kleinschaligheid en de ruime afstand van ca. 3,7 km en ca. 5,3 km tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden, kan gesteld worden dat er zowel tijdens de bouw- als gebruiksfase geen significante effecten op de Natura 2000-gebieden zullen optreden. Het aspect 'Stikstof' vormt geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Conclusie
Het project of plan betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
Situatie plangebied
Het perceel behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De locatie ligt op een afstand van ca. 3,7 km van het meest nabijgelegen gebied van het NNN. Gelet op de kleinschaligheid en de afstand tot het NNN, kan gesteld worden dat er geen negatieve effecten zullen optreden. Het NNN kent geen externe werking.
Conclusie
Het plangebied naast De Bunte 27 ligt op 3,7 kilometer afstand van gronden die behoren tot het NNN en het plangebied aan De Vriezenveenseweg 34 ligt op ca. 2,7 km afstand van het NNN. De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN.
In de Omgevingswet (Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:
Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Deze activiteit is vaak het gevolg van een andere activiteit zoals bouwactiviteit. In afdeling 8.6 van het Bkl zijn beoordelingsregels opgenomen voor omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit en flora- en fauna-activiteit. Artikel 8.74j tot en met 8.74n bevat beoordelingsregels voor flora- en fauna-activiteit.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Situatie plangebied
Het plan voorziet in de realisatie van één vrijstaande woning op het perceel naast De Bunte 27. Het plangebied is momenteel onbebouwd en is voorzien van een agrarische functie. De gronden worden intensief gebruikt ten behoeve van het hobbymatig houden van dieren. Er worden geen noemenswaardige bomen gekapt of hoog opgaande beplanting verwijderd. Vanwege de afwezigheid van bebouwing waar beschermde soorten kunnen schuilen en/of verblijven en het feit dat de gronden intensief gebruikt en beheerd worden, kan gesteld worden dat er geen beschermde soorten aanwezig zullen zijn.
Op het perceel aan de Vriezenveenseweg 34 zal de bestaande woning gesloopt worden en het perceel wordt ingericht als parkeerterrein bij het achtergelegen bedrijf. Daarnaast wordt een gedeelte van het perceel bij het naastgelegen woonperceel van de Vriezenveenseweg 34 betrokken. Voorafgaand aan de sloop van de woning dient aangetoond te worden dat er geen beschermde soorten worden verstoord of gedood.
Conclusie
Het aspect 'Soortenbescherming' staat niet aan de uitvoerbaarhied van het plan in de weg.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
De plangebieden in de gemeente Twenterand ligt niet in een aandachtsgebied met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). Dit volgt uit artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, het verplaatsen van een bouwrecht van één woning, in verhouding tot de standaardgevallen NIBM kan worden gesteld dat het project 'niet in betekende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Het realiseren van beschrijving project blijft namelijk ruim onder de gestelde standaardgevallen uit artikel 5.54 van het Bkl.
Het aspect 'Luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge).
Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:
Geluidsgevoelige gebouwen
De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan:
De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen en gebouwen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Geluidbeleid
De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidsbeleid gemeente Twenterand' en de 'Nota hogere grenswaarden geluidsbeleid gemeente Twenterand'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend.
Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Buitengebied'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde 'redelijk rustig' (48 dB) en de bovengrens 'onrustig' (53 dB).
Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Ook het plan zelf kan geluidhinder opleveren voor de omgeving. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling.
Weg- en railverkeerslawaai
Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in artikel 5.78t van het Bkl.
Omdat de gemeente Twenterand nog geen geluidaandachtsgebieden in een omgevingsplan heeft vastgesteld, is het geluidaandachtsgebied gebaseerd op vaste afstanden. Deze afstanden zijn opgenomen in artikel 17.5 Omgevingsregeling. Daarin zijn de volgende afstanden opgenomen:
Het voorliggende plan maakt de realisatie van één vrijstaande woning mogelijk op het perceel nabij De Bunte 27 te Vroomshoop. De beoogde woning ligt op een afstand van ca. 190 m van de Hammerweg (N341). Op deze weg geldt een snelheidsregime van 80 km/u. De beoogde woning ligt binnen de onderzoekszone van 250 m. Echter bevinden zich woningen en bebouwing tussen de Hammerweg en het plangebied (ca. 30 m). Deze woningen moeten ook voldoen aan de normen voor een goed woon- en leefklimaat. Aangezien de nieuwe woning op een veel ruimere afstand ligt, kan gesteld worden dat er ook hier sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Voor De Bunte geldt een snelheidsregime van 30 km/uur en geldt geen onderzoeksplicht. Daarbij komt dat De Bunte een relatief rustige weg is waar verschillende woningen aan gelegen zijn.
Figuur 4.2 toont een uitsnede van de geluidskaart met de locatie van de nieuwe woning aangegeven met de blauwe druppel.
Figuur 5.2: uitsnede geluidskaart wegverkeer (bron: Atlas leefomgeving)
Uit het raadplegen van de geluidskaart van Atlas leefomgeving blijkt dat er ter plaatse van de nieuwe woning sprake is van een geluidbelasting van 50 dB vanwege De Bunte. Voor de Hammerweg (N341) geldt dat de nieuwe woning geen significante geluidbelasting (< 45 dB) ondervindt. Daarmee wordt voldaan aan de standaardwaarde zoals opgenomen in het Bkl.
Voor de locatie aan de Vriezenveenseweg 34 geldt dat er geen nieuw geluidgevoelig gebouw wordt opgericht.
Industrielawaai
In de omgeving van het plangebied zijn geen geluidgezoneerde industrie- of bedrijventerreinen aanwezig. Onderzoek naar industrielawaai is niet nodig.
Solitaire bedrijvigheid/activiteiten
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een TAM-omgevingsplan op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit. In paragraaf 5.2 is ingegaan op de ligging van de nieuwe woning ten opzichte van bedrijven in de omgeving. Hieruit is gebleken dat deze bedrijven geen belemmeringen vormen. Akoestisch onderzoek naar omliggende bedrijven is niet noodzakelijk.
Gelet op het vorengaande leidt het aspect 'Geluid' niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen.
In paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Eveneens zijn in de bruidsschat regels voor geur opgenomen. Het gaat hierbij om onder andere de volgende geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk:
In artikel 5.92 Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is, Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening.
Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Dit betekent dat er sprake is van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.
In de omgeving van het plangebied aan De Bunte 27 bevinden zich geen (agrarische) bedrijven die milieubelastende activiteiten uitoefenen. Er is dan ook geen sprake van eventuele geuroverlast. Voor de planlocatie aan de Vriezenveenseweg 34 geldt dat er geen geurgevoelig object wordt toegevoegd.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'Geur' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:
De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl).
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico is de kans dat per jaar iemand die onbeschermd en continu op een plek verblijft komt te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Dit kan zijn: blootstelling aan hitte door brand, overdruk door een explosie of een concentratie giftige stoffen in de lucht. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de kans dat als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen een groep van tien of meer personen overlijdt (het groepsrisico). Bij een beoordeling van het groepsrisico wordt gebruik gemaakt van aandachtsgebieden. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl).
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Uit het raadplegen van Atlas leefomgeving (zie figuur 5.3) blijkt dat er in de omgeving van het plangebied één risicobron aanwezig is. Dit betreft de chloorbleekopslagtank ter plaatse van Zwembad De Zandstuve. Op de risicokaart is een PR-contour opgenomen van 90 m. De planlocatie ligt niet binnen deze PR-contour. De overige risicobronnen liggen op een grotere afstand en hebben verder geen invloed op het plangebied.
Figuur 5.3: uitsnede risicokaart, plangebied zwart omcirkeld (bron: Atlas Leefomgeving)
Voor de planlocatie aan de Vriezenveenseweg 34 geldt dat er geen (beperkt) kwetsbaar object wordt toegevoegd.
Aangezien de planlocatie voor de nieuwe woning niet binnen een aandachtsgebied of risico contour ligt en er op de sloop locatie geen kwetsbaar gebouw wordt opgericht, kan geconcludeerd worden dat het aspect ''Omgevingsveiligheid' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
De beoordeling van het aspect 'trillingen' vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manieren optreden. Enerzijds kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. Anderzijds kan er sprake van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw.
In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect Trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie.
De instructieregels voor trillingen zien uitsluitend op trillingen die door een activiteit worden veroorzaakt ter plaatse van een trillinggevoelig gebouw dat planologisch legaal is (toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit).
In het tweede lid van artikel 5.79 zijn een aantal gevallen aangewezen waarin de instructieregels voor trillingen niet van toepassing zijn. Echter zal met het oog op een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (ETFAL) bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, gemotiveerd moeten worden dat de ter plaatse van trillinggevoelige objecten optredende trillingen aanvaardbaar zijn. In artikel 22.88 van de Bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen.
Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven.
Voor de locatie naast De Bunte 27 waar de nieuwe woning (tillinggevoelig gebouw) wordt gebouwd, geldt dat er in de omgeving geen bronnen aanwezig zijn die trillingshinder kunnen veroorzaken. Op de slooplocatie aan de Vriezenveenseweg 34 wordt geen tillinggevoellig gebouw mogelijk gemaakt.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'Trilling' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het gemeentelijk beleid over archeologie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische inventarisatie, verwachtings- en beleidsadvieskaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorischedubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
Voor beide locaties is in het 'Omgevingsplan gemeente Twenterand', onderdeel 'Buitengebied Twenterand' en 'Actualisatie Vroomshoop Woongebied' de functie 'Waarde – Archeologie middelhoge verwachting' opgenomen. Voor de gronden met deze functie geldt dat er een archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden wanneer de te bebouwen oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt en niet dieper dan 0,4 m vanaf het maaiveld wordt gegraven. Met voorliggend plan wordt de genoemde oppervlakte en diepte niet overschreden. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'Archeologie' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over:
Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels opgesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Daarnaast zijn in het Bal instructieregels opgenomen aangaande rijksmonumenten (hoofdstuk 13).
Voor beide locaties geldt dat er geen rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten aanwezig zijn. Ook in de nabijheid van de locaties zijn deze niet aanwezig. Ook overige cultuurhistorisch waardevolle elementen ontbreken. Derhalve wordt gesteld dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect cultuurhistorie.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'Cultureel erfgoed' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem.
Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.
Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Om de te bepalen of de milieukundige kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik is voor de locatie waar de nieuwe woning wordt gebouwd een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 2. Uit dit verkennend bodemonderzoek zijn de volgende resultaten en conclusies naar voren gekomen.
In totaal zijn er 8 boringen verricht, waarvan er 3 zijn doorgezet in de diepere ondergrond. Er is 1 diepe boring afgewerkt tot peilbuis. De bodemopbouw op de onderzoekslocatie bestaat globaal uit zeer fijn, matig siltig, matig humeus, donker bruin zand met plaatselijk sporen oer. Onder de bovenste laag bevindt zich een laag veen. Hieronder bestaat de boden globaal uit matig grof, zwak siltig, neutraal grijs zand met sporen oer en sterk oer. Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld of in de bodem waargenomen. Het freatische grondwater is aangetroffen op gemiddeld circa 1.22 m-mv.
Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd:
In de boven- en ondergrond (BG en OG) zijn geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater (PB 1) zijn enkele verhoogde gehalten aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3, 4.4 en 4.5 van het verkennend bodemonderzoek. De sterk verhoogde verontreiniging in het grondwater wordt toegeschreven aan natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde en levert bij het huidig en toekomstig gebruik geen risico's op. Het dan ook niet noodzakelijk om over te gaan tot een nader onderzoek en is besloten af te zien van nader onderzoek.
Ter plaatse van de slooplocatie aan de Vriezenveenseweg 34 wordt geen nieuwe bodemgevoelige functie mogelijk gemaakt en er wordt geen bebouwing gerealiseerd. Het uitvoeren van een (verkennend) bodemonderzoek is op deze locatie niet noodzakelijk.
Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen het voorgenomen nieuwbouwplan. Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'Bodem' geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein:
Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027.
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.
Het Waterschap Vechtstromen heeft op 14 april 2021 de Watervisie 2050 vastgesteld. In deze Watervisie staat de drie belangrijkste opgaven waaraan Vechtstromen volgens zeven hoofdlijnen wil werken met partners en inwoners.
De drie belangrijkste opgaves zijn:
De Watervisie zal worden doorvertaald naar een Waterbeheerprogramma waarin wordt bepaald hoe het Waterschap in de periode 2022-2028 gaat werken aan haar opgaves. In het beheerprogramma zal het beleid en de maatregelen worden opgenomen. Totdat het beheerprogramma is uitgewerkt, gelden nog de beleidskaders van rijk en provincie die nader zijn uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2022-2027.
Waterbeheerprogramma 2022-2027
Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied.
Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Het waterbeheerprogramma sluit aan bij plannen van andere partijen zoals het Nationale waterplan (Nationaal Water Programma 2022-2027), het Stroomgebiedsbeheerplan Rijndelta en de Omgevingsvisie van de provincies Overijssel en Drenthe.
Belangrijk uitgangspunt van het Waterbeheerprogramma is de verandering van het klimaat. De weersomstandigheden zijn steeds minder vaak gemiddeld. Dat merken we de laatste twee decennia steeds duidelijker. De winters worden natter en in de zomer zijn er langere hete en droge perioden en vallen de buien steeds meer lokaal. Deze zomerbuien hebben vaker een zeer hoge intensiteit, wat leidt tot hoge afvoerpieken en overstromingen. Het watersysteem is nog niet goed toegerust op die verandering. Het is nu nog vooral ingericht op basis van gemiddelden - de normale beheersituatie enerzijds en het voorkomen van wateroverlast anderzijds - en niet op langdurige droge periodes en incidentele hoosbuien. Dit betekent dat het watersysteem aangepast moet worden. Daarbij heeft het waterschap de ambitie om te komen tot een klimaatrobuust watersysteem in 2050: een systeem dat zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht tegen een stootje kan en goed is toegerust op veranderingen en grotere weersextremen.
Overeenkomstig de Watervisie 2050 heeft het waterschap de volgende hoofdlijnen aangegeven waar de komende jaren aan gewerkt wordt:
Weging van het waterbelang
Paragraaf 5.1.3 van het Bkl bevat instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. Er wordt gesteld dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van het watersystemen. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 tot en met 5.49 van het Bkl rijksregels met betrekking tot:
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de watertoets vervangen door de term 'weging van het waterbelang'. Het begrip houdt in dat de gemeente bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De gemeente is verplicht om de waterbelangen mee te nemen in het omgevingsplan. Dit is een instructieregel van het Rijk die volgt uit artikel 5.37 Besluit kwaliteit leefomgeving.
Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de opvattingen van de waterbeheerder betrokken worden bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:
Gemeentelijk Water- en rioleringsplan 2024-2028
In het Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan (GWR) is de uitvoering van de gemeentelijke zorgplichttaken voor afvalwater, hemelwater en grondwater voor de periode 2024-2028 beschreven. Het gaat dan om beleidsmatige zaken en over onderhoud en beheer van de bestaande riolering. Ook geeft het plan inzicht in de ontwikkelingen en kosten van de maatregelen om wateroverlast en droogte tegen te gaan.
Op 4 oktober 2023 is voor voorliggend plan de digitale watertoets uitgevoerd (zie Bijlage 3). Op basis van de watertoets dient de korte procedure gevolgd te worden. Dit houdt in dat direct doorgegaan kan worden met de planvorming en de standaard waterparagraaf, zoals bovenstaand beschreven, voldoet.
Volgens het 'Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan 2024-2028' moet bij nieuwbouw worden voldaan aan de eisen van het Waterschap Vechtstromen. Dat betekent het aanbrengen van 80 mm berging over de toename van het verhard oppervlak van de uitbreiding. Die 80 mm berging of retentie kan worden gerealiseerd op groene daken, in infiltratievoorzieningen (onder de grond), in wadi’s (boven de grond), of in uitbreiding van oppervlaktewater (bergingsvijvers). Op het perceel is ruim voldoende onverhard oppervlak (tuin, gazon, etc.) aanwezig om de benodigde waterberging op eigen terrein te realiseren. Dit is geborgd in de regels van het voorliggende TAM-omgevingsplan door middel van een voorwaardelijke verplichting.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'Waterbelang' geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief.
De gemeente is verplicht om kosten te verhalen. Uit artikel 13.11 Omgevingswet volgt dat het verhaal van kosten via een anterieure overeenkomst mag plaatsvinden. Indien het kostenverhaal in deze overeenkomst is verzekerd, vervalt de verplichting om de kosten via publiekrechtelijke weg te verhalen. Als er geen anterieure overeenkomst wordt gesloten, moet het kostenverhaal verplicht plaatsvinden via de publiekrechtelijke regeling (art. 13.13 lid 3 Ow). Het kostenverhaal moet plaatsvinden voor activiteiten en kostensoorten die in het Omgevingsbesluit zijn aangewezen.
In de overeenkomst kan worden bepaald dat de betaling geheel of gedeeltelijk na aanvang van de activiteit plaatsvindt, mits aan de overeenkomst voorwaarden worden verbonden over het stellen van aanvullende zekerheden voor de betaling. In dat geval geldt het verbod voor het verrichten van activiteiten niet (artikel 13.13 lid 2 Ow).
Het is mogelijk om een financiële bedrage te verlangen voor ontwikkelingen van een gebied. De betrokken artikelen 13.23 en 13.24 van de Omgevingswet maken het mogelijk om in een omgevingsplan te bepalen dat een financiële bijdrage wordt verlangd voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving (hierna: regeling voor publiekrechtelijk afdwingbare financiële bijdragen). Deze artikelen bieden de mogelijkheid om van initiatiefnemers van bepaalde activiteiten financiële bijdragen voor deze ontwikkelingen af te dwingen via het omgevingsplan, voor zover tussen die activiteiten en de ontwikkeling een functionele samenhang bestaat en de ontwikkeling onder de in het Omgevingsbesluit aangewezen categorieën van ontwikkelingen valt.
Artikel 13.22 van de Omgevingswet biedt de mogelijkheid om op vrijwillige basis te contracteren over financiële bijdragen voor ontwikkelingen van een gebied. Bij voorkeur worden deze voorzieningen door de initiatiefnemer zelf gerealiseerd. Als de initiatiefnemer niet in staat is om de voorziening te treffen, dan heeft de gemeente behoefte aan de mogelijkheid om met de initiatiefnemer afspraken te kunnen maken over een bijdrage in de financiering van de voorziening. Het gaat dan om activiteiten waarin het geldende omgevingsplan nog niet voorziet.
Dit betekent dat er alleen een financiële bijdrage van initiatiefnemers kan worden verlangd als de bijdrage wordt gebruikt voor verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en er een functionele samenhang bestaat tussen de ontwikkeling waarvoor de bijdrage wordt verlangd en de (bouw)activiteit van de initiatiefnemer.
De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer.
Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten over:
Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het wijzigen van het omgevingsplan. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld.
Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar.
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het wettelijke vooroverleg (op basis van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening) vervallen. Echter is er wel een algemeen artikel opgenomen waarin staat dat bestuursorganen onderling moeten afstemmen (artikel 2.2 Ow). In dat kader wordt het vooroverleg door de verschillende bestuursorganen alsnog gehanteerd.
Tevens is het onder de Omgevingswet belangrijk dat de initiatiefnemer in dialoog gaat met de omgeving. De wetgever heeft veel vrijheid gegeven voor maatwerk. De gemeenteraad van Twenterand heeft de beleidsnota 'Participatiebeleid Twenterand' vastgesteld. Het Twenterandse participatiebeleid betekent niet dat de meeste stemmen gelden. Door het inzetten van participatie wordt een beeld geschetst van de aanwezige belangen. Het ontbreken van participatie hoeft niet te betekenen dat er geen medewerking aan het initiatief wordt verleend. In juridische termen is wat betreft participatie sprake van een inspanningsverplichting. In deze paragraaf wordt het resultaat en de wijze waarop geparticipeerd is beschreven.
De provincie Overijssel heeft de 'uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023' vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden.
Het verplaatsen van een bouwrecht wordt niet specifiek genoemd in de uitzonderingenlijst. De ontwikkeling maakt een woning in het buitengebied mogelijk. Om die reden dient het plan voorgelegd te worden aan de provincie Overijssel.
Op 4 oktober 2023 is voor voorliggend plan de digitale watertoets uitgevoerd (zie Bijlage 3). Op basis van de watertoets dient de korte procedure gevolgd te worden. Er worden met het plan verder geen waterschapsbelangen geraakt.
Voor wat betreft het participatieproces van de voorgenomen ontwikkeling aan de Bunte 27 te Vroomshoop is met de directe belanghebbenden gesproken. Deze directe belanghebbenden zijn buren woonachtig aan De Bunte 24, 24a, 22, 20, 18 en 21 en Wilgehoek 41. Tijdens deze gesprekken zijn de voorgenomen plannen tijdens een gesprek besproken. Hierbij is het landschappelijk inpassingsplan getoond aan alle directe belanghebbenden. Tijdens dit gesprek hebben de directe belanghebbenden (ofwel buren) geen bezwaren tegen het voorgenomen plan geuit. Van het participatieproces zijn geen notulen/verslag gemaakt, echter wordt ervan uitgegaan dat n.a.v. de positieve gesprekken het participatieproces succesvol en volledig is afgerond.
Voorliggend TAM-omgevingsplan heeft met ingang van 18 december 2025 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is.
Met het TAM-omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22j De Bunte nabij 27 en Vriezenveenseweg 34 Vroomshoop’ wordt het omzetten van een de agrarische functie op het perceel gewijzigd naar een woonfunctie mogelijk gemaakt. Deze wijziging op het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Twenterand is technisch opgesteld conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar is inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
Toepassing TAM-IMRO
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO.
Werkingsgebied
De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locaties naast De Bunte 27 en de Vriezenveenseweg 34 in Vroomshoop, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1700.TAMPHBunteVrznsw34-vas1 zoals vastgelegd op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/viewer/locatie?regelsandere=regels. In hoofdstuk 1 van deze ruimtelijke motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.
In de preambule is opgenomen dat het TAM-omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.
Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit:
In Hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan.
Hoofdstuk 3 Algemene regels bevat de algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:
Kenmerk van de Nederlandse regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving is dat er sprake is van een ‘ja, mits’-principe. Het omgevingsplan geeft voor veel functies aan onder welke voorwaarden ze voorstelbaar/inpasbaar zijn binnen het werkingsgebied of specifieke deelgebieden binnen het werkingsgebied. Het omgevingsplan vormt het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan welke functies op welke locaties binnen het werkingsgebied voorstelbaar worden geacht (en onder welke voorwaarden).
Toelichting op de regels
'Wonen'
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bedoeld voor de functie wonen, waarbij per woonfunctie maximaal 1 woning is toegestaan. Daarnaast is er een aan-huis-verbonden-beroep en onder voorwaarden een bed and breakfast toegestaan. Voor het bouwen van de woning, bijgebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn beoordelingsregels opgenomen.
'Woongebied'
De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn bedoeld voor wonen. Ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting' zijn de gronden bedoeld voor een ontsluiting en parkeerterrein voor de achterliggende bedrijvigheid. Het bouwen van hoofdbouw en bijgebouwen is niet toegestaan.
'Waarde - Archeologie middelhoge verwachting'
De gronden met de functie 'Waarde - Archeologie middelhoge verwachting' zijn behalve de andere daar voorkomende functies, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden in de bodem. Bij bodemingrepen met een oppervlakte van 2.500 m of meer en dieper dan 0,4 m dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.