Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied PH Almeloseweg 73
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1700.TAMPHAlmelosewg73-vas1

Regels

 
Preambule
Dit plan beoogt de functiewijziging van ‘Agrarisch’ naar ‘Bedrijf’ aan de Almeloseweg 73 te Vriezenveen. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Twenterand. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22c van het omgevingsplan van de gemeente Twenterand.
 
In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22c' gelezen worden.
 
De bijlage bij de in deze voorziening weergegeven hoofstukken moet gelezen worden als onderdeel van Bijlage 22c bij het omgevingsplan van de gemeente Twenterand.
 
1 Inleidende regels
Artikel 1 Toepassingsbereik
 
  1. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied PH Almeloseweg 73, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1700.TAMPHAlmelosewg73-vas1 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl/.
 
Artikel 2 Begripsbepalingen
 
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:
  1. Bijlage 1 bij dit 'TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied PH Almeloseweg 73’ bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit TAM-IMRO-deel van het omgevingsplan.
  2. De bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit ‘TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied PH Almeloseweg 73’, tenzij in Bijlage 1 bij dit TAM-omgevingsplan daarvan is afgeweken.
 
Artikel 3 Aanvraagvereisten
 
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen
 
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in 4.1 tot en met 4.9.
 
4.1 de dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
 
4.2 de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Daksierelementen (o.a. dakkapellen) over maximaal een derde van de gezamenlijk goot- en/of boeiboord- en/of druiplijnlengten worden niet meegerekend;
 
4.3 de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Ruimten, zoals kelders, onder de onderzijde van de begane grondvloer en tussen de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) worden niet meegerekend, tenzij de onderzijde van de begane grondvloer op meer dan 0,3 m boven peil is gelegen of de kelder van buiten een directe toegang heeft.
 
4.4 de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
 
4.5 de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
 
4.6 bebouwingspercentage
een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een bouwperceel c.q. bouwvlak of bestemmingsvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;
 
4.7 lengte, breedte en diepte van een bouwwerk
tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of hart van scheidsmuren);
 
4.8 Ondergeschikte bouwdelen
Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen bouwvlakken of functiegebieden worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, entreeportalen en erkers met ten hoogste 50% van de gevelbreedte van een hoofdgebouw, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de bouw- c.q. functiegrens, dan wel de rooilijn met niet meer dan 1 m wordt overschreden.
 
2 Functies en activiteiten
Artikel 5 Agrarisch
 
5.1 Functieomschrijving
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als ‘Agrarisch’ heeft de volgende functies
  1. de uitoefening van een agrarisch bedrijf;
  2. hobbymatig agrarisch gebruik;
  3. extensieve recreatie;
  4. paardenbakken voor eigen hobbymatig gebruik;
met de daarbij behorende ontsluitings-, parkeer- en groenvoorzieningen, tuinen en erven, water- en waterhuishoudkundige voorzieningen.
 
5.2 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
 
5.2.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten een bouwvlak
Voor het bouwen van Bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten een bouwvlak gelden de volgende regels:
  1. bouwwerken, geen gebouw zijnde, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen, mogen worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 2 m met dien verstande dat:
    1. perceels- en erfafscheidingen niet zijn toegestaan behoudens voor het betreft open afrasteringen met een hoogte van maximaal 1 m;
    2. zonnepanelen niet zijn toegestaan.
  2. tijdelijke en permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan, onder de voorwaarde dat:
    1. de teeltondersteunende voorzieningen direct aansluitend aan het bouwvlak worden opgericht, waarbij de teeltondersteunende voorzieningen aan één zijde van het bouwvlak over een afstand van minimaal 25 m moeten aansluiten;
    2. de oppervlakte buiten het bouwvlak maximaal 1.000 m2 bedraagt;
    3. de bouwhoogte maximaal 2,5 bedraagt;
    4. permanente teeltondersteunende voorzieningen, waarbij de bouwhoogte meer bedraagt dan 1,5 m, uitsluitend toegestaan zijn bij grondgebonden agrarische bedrijven.
 
Artikel 6 Bedrijf
 
6.1 Functieomschrijving
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als ‘Bedrijf’ heeft de volgende functies:
  1. het bestaande aantal bedrijfswoningen;
  2. een aan huis verbonden beroep, met dien verstande dat per woning maximaal 30% van de vloeroppervlakte van de begane grond van de woning en aangebouwde bijgebouwen mag worden gebruikt ten behoeve van een aan huis verbonden beroep met een maximum van 50 m2;
  3. de bestaande inwoning;
  4. een bedrijf voor het onderhoud, de verhuur en verkoop van machines voor de bouw, agrariërs en particulieren en het in verband daarmee verlenen van diensten, ter plaatse van aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - landbouwmechanisatiebedrijf’;
met de daarbij behorende ontsluitings-, parkeer- en groenvoorzieningen, tuinen en erven, water- en waterhuishoudkundige voorzieningen.
 
6.2 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
 
6.2.1 Bedrijfsgebouwen en overkappingen
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:
  1. de bedrijfsgebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  2. de oppervlakte mag maximaal de bestaande oppervlakte bedragen.
 
6.2.2 Bedrijfswoningen
Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels:
  1. bedrijfswoningen zijn uitsluitend toegestaan op de bestaande locatie;
  2. de goothoogte van de bedrijfswoning mag maximaal 4,5 m bedragen;
  3. de bouwhoogte van de bedrijfswoning mag maximaal 9 m bedragen;
  4. de inhoud van de bedrijfswoning mag maximaal 750 m3 bedragen.
 
6.2.3 Bijgebouwen en overkappingen bij een bedrijfswoning
Voor het bouwen van bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:
  1. bijgebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  2. de goothoogte van een bijgebouw en/of overkapping mag maximaal 3 m bedragen;
  3. de bouwhoogte van een bijgebouw en/of overkapping mag maximaal 6 m bedragen;
  4. bijgebouwen en overkappingen moeten minimaal 1 meter achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning worden gebouwd;
  5. bijgebouwen en overkappingen zijn toegestaan op geen grotere afstand dan 25 m van de bedrijfswoning;
  6. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen mag maximaal 100 m2 bedragen.
 
6.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen een bouwvlak
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:
  1. de bouwhoogte van antennemasten, verlichtingsarmaturen en lichtmasten mag maximaal 15m bedragen;
  2. de bouwhoogte van vlaggenmasten mag maximaal 8 m bedragen;
  3. het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van zonnepanelen is toegestaan, onder de voorwaarde dat:
    1. de zonnepanelen achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het dichtst bij de weg gelegen gebouw worden gesitueerd;
    2. de bouwhoogte maximaal 2,5 m bedraagt;
  4. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen het bouwvlak mag maximaal 10 m bedragen, met uitzondering erf- en terreinafscheidingen;
  5. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten het bouwvlak mag maximaal 2,5 m bedragen, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen.
 
6.3 Specifieke beoordelingsregels
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:
  1. lid 6.2.2. sub d:
    1. indien de inhoud maximaal 900 m3 bedraagt;
    2. er per saldo sprake is van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, welke wordt aangetoond in een erfinrichtingsplan.
  2. lid 6.2.2, sub a:
    1. indien de bedrijfswoning binnen het bouwvlak wordt gebouwd;
    2. de nieuwe locatie is in stedenbouwkundig, ruimtelijk, milieuhygiënisch en/of verkeerstechnisch opzicht een verbetering ten opzichte van de oude locatie;
    3. er is voorzien in een streekeigen landschappelijke inpassing;
    4. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
    5. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.
  3. lid 6.2.1, sub b:
    1. indien aangetoond wordt dat de stikstofdepositie op voor stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden niet toeneemt;
    2. er is voorzien in een streekeigen landschappelijke inpassing;
    3. er is voorzien in voldoende parkeergelegenheid op het eigen erf;
    4. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
    5. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.
 
6.4 Omgevingsplanactiviteiten
 
6.4.1 Afwijken ander bedrijf
Voor het gebruik van gronden ten behoeve van bedrijven voor zover genoemd in de categorieën 1 en 2 van de bijlage 2 ‘Staat van Bedrijfsactiviteiten’, dan wel bedrijven die naar aard, milieubelasting en/of ruimtelijke impact vergelijkbaar zijn met de bestaande bedrijven geldt een omgevingsvergunningplicht. De omgevingsvergunning kan worden verleend, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. er is voorzien in voldoende parkeergelegenheid op het eigen erf;
  2. aangetoond wordt dat de stikstofdepositie op voor stikstofgevoelige habitats in Natura 2000- gebieden niet toeneemt;
  3. vindt geen onevenredige aantasting plaats van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  4. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.
 
6.4.2 Aan huis verbonden activiteiten
Voor het uitoefenen van een aan huis verbonden activiteit die uit het oogpunt van hun relatie tot de omgeving op één lijn te stellen zijn met een aan huis verbonden groep geldt een omgevingsvergunningplicht. De omgevingsvergunning kan worden verleend, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. de bedrijfswoonfunctie blijft in overwegende mate behouden;
  2. per bedrijfswoning mag maximaal 30% van de vloeroppervlakte van de begane grond van de bedrijfswoning en aangebouwde bijgebouwen worden gebruikt ten behoeve van de aan huis verbonden activiteiten met een maximale oppervlakte van 50 m2;
  3. bedoeld gebruik levert geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat op en doet geen onevenredige afbreuk aan het karakter van de omgeving; dit betekent onder meer dat:
    1. geen omgevingsvergunning wordt verleend voor het uitoefenen van bedrijvigheid, dat onder de werking van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht valt, tenzij het desbetreffende gebruik door middel van het stellen van voorwaarden verantwoord is;
    2. het gebruik naar aard met het karakter van de omgeving in overeenstemming moet zijn;
    3. het gebruik de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in de bedrijfswoning en aangebouwde bijgebouwen uitvoert, tevens de bewoner van de bedrijfswoning is;
  4. bedoeld gebruik niet een zodanig verkeersaantrekkende activiteit betreft die kan leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimten;
  5. er geen detailhandel plaatsvindt, met uitzondering van detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van de aan huis verbonden activiteit;
  6. er is voorzien in een streekeigen landschappelijke inpassing;
  7. er is voorzien in voldoende parkeergelegenheid op het eigen erf.
 
6.4.3 Inwoning
Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken voor inwoning. Met dien verstande dat de woning met inwoning moet blijven voldoen aan de beoordelingsregels zoals deze zijn opgenomen in de beoordelingsregels van Artikel 6.
 
6.5 Specifieke functieregels
 
6.5.1 Voorwaardelijke verplichting – landschappelijke
Het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken ter plaatse van de functie ‘Bedrijf ’overeenkomstig de functieomschrijving zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in bijlage 3 opgenomen Landschappelijk inpassingsplan, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing.
 
Artikel 7 Waarde - Archeologie lage verwachting
 
7.1 Functieomschrijving
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als ‘Waarde – Archeologie lage verwachting’ is, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede de functie voor het behoud en bescherming van de te verachten archeologische waarden in de bodem.
 
7.2 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels:
  1. voor bouwwerken die volledig worden gebouwd op gronden aangewezen voor de 'Waarde - Archeologie lage verwachting' gelden geen regels aanvullend aan het bepaalde bij de andere daar voorkomende functies.
 
7.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels:
  1. voor werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die volledig worden uitgevoerd op gronden aangewezen voor de 'Waarde - Archeologie lage verwachting' gelden geen regels aanvullend aan het bepaalde bij de andere daar voorkomende functies.
 
Artikel 8 Leiding - Gas
 
8.1 Functieomschrijving
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als ‘Leiding - Gas’ is, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede de functie voor een ondergrondse leiding voor het transport van gas ter plaatse van de aanduiding:
  1. 'hartlijn leiding - gas 2' met een uitwendige diameter van ten hoogste 219 mm en een druk van ten hoogste 40 Bar;
  2. het beheer en onderhoud van de leiding;
  3. de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de leiding;
  4. bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
 
8.2 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
Op of in de in artikel 8.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de leiding(en) worden gebouwd. Overige gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn niet toegestaan uit het oogpunt van externe veiligheid en energieleveringszekerheid.
 
8.3 Specifieke beoordelingsregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7.2 voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) indien de veiligheid van de betrokken leiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leidingexploitant. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen kwetsbare objecten worden toegelaten.
 
8.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
8.4.1 Vergunningsplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 8.1 bedoelde gronden de onderstaande werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanbrengen en rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
  2. het aanleggen van wegen, paden of parkeergelegenheden dan wel het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  3. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of op enige andere wijze ingraven c.q. indrijven van voorwerpen;
  4. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe ook worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  5. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  6. het permanent opslaan van goederen.
 
8.4.2 Beoordelingscriteria
Ten aanzien van de in artikel 8.4.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria:
  1. geen aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding;
  2. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de leidingbeheerder.
 
8.4.3 Uitzonderingen vergunningsplicht
Het verbod als bedoeld in artikel 8.4.1 is niet van toepassing op:
  1. werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die het normale onderhoud en beheer betreffen;
  2. werken, geen bouwwerken zijde, of werkzaamheden die in uitvoering zijn op het tijdstip van het in werking treden van dit plan of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende omgevingsvergunning;
  3. graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten.
 
3 Algemene regels
Artikel 9 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 10 Algemene regels voor bouwactiviteiten
 
10.1 Bestaande afmetingen
In die gevallen dat de bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand zijn gekomen meer bedraagt dan in de bouwregels in Hoofdstuk 2 van deze regels is toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud in afwijking daarvan als maximaal toegestaan.
 
10.2 Bestaande afstanden
In die gevallen dat de bestaande afstand van een bouwwerk tot enige op de verbeelding of in de regels aangegeven lijn dan wel tot een ander bouwwerk, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand is gekomen minder bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven, geldt die afstand in afwijking daarvan als minimaal toegestaan.
 
10.3 Bestaande percentages
In die gevallen dat een bestaand bebouwingspercentage, dat in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand is gekomen, meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven, geldt dat bebouwingspercentage in afwijking daarvan als maximaal toegestaan.
 
Artikel 11 Algemene regels voor functies en activiteiten
 
11.1 Parkeren en laden/lossen
  1. Een omgevingsvergunning voor het bouwen of uitbreiden van een gebouw bedoeld voor wonen of een ander soort verblijf van mensen wordt slechts verleend, indien wordt of zal worden voorzien in de aanleg van voldoende parkeerplaatsen, waarbij ten minste voldaan moet worden aan de maximum parkeernormen zoals die zijn opgenomen in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' van CROW, met dien verstande dat het totale aantal benodigde parkeerplaatsen wordt afgerond op het dichtstbijzijnde hele getal.
  2. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw waarvoor een behoefte bestaat voor ruimte voor het laden of lossen van goederen wordt slechts verleend, indien is aangetoond dat op het betreffende bouwperceel in voldoende mate ruimte voor het laden of lossen van goederen wordt of zal worden aangebracht.
  3. Parkeerplaatsen dienen aangelegd te worden op het eigen terrein.
  4. De afmetingen van een parkeerplaats bedragen ten minste 1,80 m bij 5 m en ten hoogste 3,25 m bij 6 m.
  5. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het onder a, b en c bepaalde:
    1. indien het voldoen aan de parkeerbehoefte als gevolg van bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, of;
    2. voor zover op andere wijze in de benodigde parkeergelegenheid of laad- of losruimte wordt voorzien;
  6. Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning als bedoeld onder a voorwaarden koppelen met betrekking tot de verplichting het benodigde aantal parkeerplaatsen in stand te houden.
  7. Het onder a bepaalde is niet van toepassing ingeval een bouwwerk ten gevolge van een calamiteit geheel verloren is gegaan en dit bouwwerk, indien en voor zover sprake is van dezelfde functie en omvang, wordt herbouwd en op gelijke wijze in de parkeerbehoefte wordt voorzien als voor de calamiteit feitelijk het geval was, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan.
 
11.2 Evenementen
Onder een gebruik in strijd met het plan wordt niet verstaan het gebruiken en/of laten gebruiken van gronden of bouwwerken ten behoeve van evenementen, festiviteiten en/of manifestaties met een maximum van drie keer per kalenderjaar en een duur van ten hoogste tien dagen per evenement, festiviteit en /of manifestatie, het opbouwen en afbreken van voorzieningen ten behoeve van het evenement, de festiviteit en/of de manifestatie hieronder begrepen. Voor paasvuren geldt dat drie maanden voorafgaand aan het ontsteken van het paasvuur benut kunnen worden voor de opbouw.
 
11.3 Strijdig gebruik
Onder gebruik in strijd met alle functies wordt in ieder geval verstaan:
  1. een gebruik van gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;
  2. een gebruik van gronden als stallings- en/of opslagplaats van één of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud;
  3. een gebruik van gronden voor opslag van mest in mestzakken of in andere opslagmiddelen, niet zijnde een bouwwerk, anders dan als opslag voor normaal gebruik binnen het agrarisch bouwvlak
  4. een gebruik van gronden en bouwwerken voor (detail)handel of containerteelt, anders dan de regels van de bestemmingen toestaan;
  5. een gebruik van gronden en bouwwerken voor een seksinrichting dan wel ten behoeve van prostitutie;
  6. een gebruik van gronden en bouwwerken voor verblijfsrecreatie, anders dan de regels van de bestemmingen toestaan;
  7. het gebruik van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van reclame-uitingen, anders dan voor de eigen bedrijfsvoering of de verkoop van eigen producten;
  8. een gebruik van bijgebouwen, recreatiewoningen, boerderijkamers, plattelandskamers, groepsaccommodaties, kampeermiddelen en stacaravans ten behoeve van permanente bewoning;
  9. het (zelfstandig) bewonen van vrijstaande gebouwen, niet zijnde woningen;
  10. een gebruik van gronden en bouwwerken voor het beproeven van voertuigen, voor het racen of crossen met motorvoertuigen of bromfietsen en voor het beoefenen van de modelvliegsport.
 
11.4 Specifieke gebruiksverboden
Als strijdig gebruik wordt in elk geval aangemerkt:
  1. het gebruik van de gronden voor de stalling en opslag van (aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken) voer-, vaar- en/of vliegtuigen;
  2. het gebruik van de gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, grond bodemspecie en puin voor het storten van vuil, anders dan ten behoeve van de uitvoering krachtens de functie toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden;
  3. het gebruiken of het laten gebruiken van gebouwen ten behoeve van een seksinrichting en de bewoning van vrijstaande bijgebouwen.
  4. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen;
  5. het gebruik van de gronden als een paardrijbak.
 
4 Overgangsregels
Artikel 12 Overgangsrecht
 
12.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit ' TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied PH Almeloseweg 73’ aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit ' TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied PH Almeloseweg 73' , mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit ‘TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied PH Almeloseweg 73’, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
 
12.2 Overgangsrecht gebruik
  1. Het gebruik van gronden en bouwwerken ten dienste van de functie (of andere gebiedsaanwijzing) als bedoeld in hoofdstuk 2 dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit ‘TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied PH Almeloseweg 73’ en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met dit ‘TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied PH Almeloseweg 73’ strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit ‘TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied PH Almeloseweg 73’ strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit ‘TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c Buitengebied PH Almeloseweg 73’ voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan van rechtswege voor die locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.