| Plan: | Vroomshoop bedrijventerreinen herziening |
|---|---|
| Status: | ontwerp |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1700.201612BPVHMP-ont1 |
Overzichtskaart van het plangebied, bron: Topografische Dienst
Bij besluit van 12 november 2013 is, onder meer naar aanleiding van zienswijzen, het bestemmingsplan 'Vroomshoop bedrijventerreinen' (hierna: moederplan) gewijzigd vastgesteld en onherroepelijk geworden.
Inmiddels is gebleken dat een deel van de regels van de bestemming 'Bedrijventerrein' onnodig is geschrapt.
Om dit te herstellen is besloten het moederplan partieel te herzien. Dit betreft uitsluitend de regels. De verbeelding blijft ongewijzigd.
De wijzigingen ten opzichte van het moederplan zijn vetgedrukte in de regels aangegeven.
In hoofdstuk 2 worden de wijzigingen in de regels en benoemd In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de milieuaspecten. De hoofdstukken 4 en 5 verwoorden achtereenvolgens de economische uitvoerbaarheid.
In het voorliggende bestemmingsplan is de bestemming 'Bedrijventerrein' opgenomen. In deze bestemming zijn ten opzichte van de bestemming 'Bedrijventerrein' in het moederplan de volgende tekstuele wijzigingen aangebracht:
lid 2.1. Bestemmingsomschrijving
Toelichting:
De aanhef ontbrak.
Toelichting:
De toevoeging van deze bepaling volgt uit de beantwoording van de zienswijzen naar aanleiding van het bestemmingsplan 'Vroomshoop bedrijventerreinen'. Een aantal bestaande bedrijven is in het vastgestelde bestemmingsplan 'Vroomshoop bedrijventerreinen' in een lichtere milieucategorie ingedeeld, terwijl de bestaande en vergunde bedrijfsvoering op basis van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering' tot een zwaardere milieucategorie gerekend moeten worden. Omdat de meeste huidige bedrijven al lange tijd op het bedrijventerrein aanwezig zijn en hun bedrijfsvoering niet tot ruimtelijke problemen leidt, is het van belang dat deze bedrijven hun bedrijfsvoering conform de vergunde en bestaande situatie kunnen blijven uitoefenen. De toegevoegde bepaling voorziet hierin.
Toelichting:
Er komt geen aanduiding 'bedrijfswoning' voor in de bestemming 'Bedrijventerrein'. Er komen wel bedrijfswoningen voor. In het moederplan is aangegeven dat bedrijfswoningen zijn toegestaan, overeenkomstig de bestaande situatie.
Toelichting
Deze worden al specifiek genoemd in sub k.
Lid 2.2 Bouwregels
Toelichting
Deze bepaling is niet langer relevant nu deze gebouwen inmiddels zijn gerealiseerd.
Lid 2.5 Specifieke gebruiksregels
Aan de zin in de laatste aandachtsbullit is toegevoegd: 'tenzij de gronden zijn voorzien van de aanduiding 'kantoor'.'
Toelichting
In deze bepaling is aangegeven dat het gebruik van gronden voor zelfstandige kantooractiviteiten niet is toegestaan. Er geldt echter een uitzondering ter plaatse van de gronden die zijn aangeduid als 'kantoor'.
Lid 2.6 Afwijken van de gebruiksregels
Toelichting
De zinsnede 'detailhandel in volumineuze goederen' slaat alleen op de opsomming onder 1.
In een bestemmingsplan dient te worden aangetoond dat er sprake is van een 'goede ruimtelijke ordening'. Onderdeel hiervan is dat het plan niet in strijd is met een aantal milieuaspecten, zoals bodem en water.
Voorliggend bestemmingsplan betreft een partiƫle herziening van het vastgestelde bestemmingsplan 'Vroomshoop bedrijventerreinen'. De aanpassingen hebben uitsluitend betrekking op enkele omissies in de regels. Ze maken geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk op grond waarvan toetsing aan de milieuaspecten noodzakelijk is.
Deze toetsing is daarom achterwege gelaten.
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevat de regeling voor de opzet en de inhoud van een bestemmingsplan. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is deze regeling verder uitgewerkt.
Het bestemmingsplan bestaat uit:
Bij het bestemmingsplan hoort een toelichting.
Ook zijn de regels van de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) toegepast. Met deze standaard worden de regels en de verbeelding zodanig opgebouwd en ingericht dat bestemmingsplannen goed met elkaar kunnen worden vergeleken.
Het bestemmingsplan wordt in digitale vorm vastgesteld, tegelijk met een verbeelding van het bestemmingsplan op papier. Als de digitale en papieren verbeelding tot interpretatieverschillen leiden, is de digitale verbeelding beslissend.
In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op de bestemming.
Begrippen
In de regels zijn begripsomschrijvingen opgenomen. Het opnemen van begrippen is beperkt tot de begrippen die gerelateerd zijn aan het voorliggende bestemmingsplan. Voor het overige blijven de begrippen gelden zoals die zijn opgenomen in de vigerende bestemmingsplannen.
Voor een goede leesbaarheid is de gehele bestemmingsregeling van de bestemming 'Bedrijventerrein' opgenomen.
De toegevoegde en geschrapte passages ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan zijn in vette tekst weergegeven, respectievelijk in vette tekst doorgehaald. Voor het overige is de regeling ongewijzigd ten opzichte van het moederplan.
In de bestemming 'Relatiebepaling' is de relatie gelegd met het bestemmingsplan 'Vroomshoop bedrijventerreinen'.
Voor de verbeelding geldt dat deze voor de bestemming 'Bedrijventerrein' niet is gewijzigd en dat de verbeelding van het moederplan blijft gelden. Het plangebied is door middel van een contour begrensd.
Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat bij opeenvolgende bouwaanvragen waarbij een bepaalde oppervlakte aan grond als voorwaarde is geformuleerd, dezelfde grond opnieuw bij de afweging omtrent vergunningverlening wordt betrokken. De anti-dubbeltelregel wordt conform het Bro standaard opgenomen in het bestemmingsplan.
Overgangsrecht
In het bestemmingsplan is het standaard overgangsrecht conform het Bro opgenomen. De peildata voor overgangsrechtelijke situaties aangaande bouwen en gebruik liggen op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.
Slotregel
In de slotregel is aangegeven onder welke benaming de regels worden aangehaald.
De aanpassingen die in deze partiƫle herziening worden gedaan, hebben alle betrekking op het vastleggen van feitelijk bestaande situaties of ontwikkelingsmogelijkheden die reeds middels het moederplan waren vastgelegd.
Kostenverhaal in het algemeen en in het kader van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening is mede daarom ook niet aan de orde.