| Plan: | Fietstunnel Peizerwold |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1699.2016BP058-vg01 |
Naar aanleiding van een handtekeningenactie van Dorpsbelangen Roderwolde hebben de provincie Drenthe en de gemeente Noordenveld onderzocht op welke wijze de fietsoversteek van de N372 bij de Brunlaan-Zanddijk te Peizerwold verkeersveiliger gemaakt kan worden. Uit het onderzoek komt naar voren dat de realisatie van een fietstunnel ter plaatse van de oversteek de voorkeur geniet en op een groot draagvlak kan rekenen.
Het plangebied heeft betrekking op de fietstunnel ter plaatse van de Brunlaan-Zanddijk inclusief bijhorende hellingbanen. De fietstunnel ligt direct ten noorden van de bestaande oversteek. De bestaande fysieke oversteek van de N372 blijft gehandhaafd ten behoeve van gemotoriseerd verkeer en maakt ook deel uit van het plangebied.
De voorziene fietstunnel is in strijd met het vigerend planologisch regime ter plaatse. Tot het moment waarop het voorliggende bestemmingsplan in werking treedt, geldt binnen het plangebied het bestemmingsplan 'Buitengebied Noordenveld', dat door de gemeenteraad is vastgesteld op 17 april 2013.
De gronden aan westzijde van N372 hebben in het vigerende bestemmingsplan de enkelbestemming 'Agrarisch met waarde' en een dubbelbestemming 'Waarde - beekdal'. De gronden aan de oostzijde van N372 hebben de bestemming 'Natuur'. Het te kruisen tracé van de N372 (inclusief bermen en fietspad) heeft de bestemming 'Verkeer'.
De bouw van een fietstunnel (bouwwerk) is niet in overeenstemming met de dubbelbestemming 'Waarde - beekdal'. Voor het aanleggen van een fietspad is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden vereist op basis van de bestemmingen 'Agrarisch met waarde' en 'Natuur'. Voor het verharden van een fietspad, het wijzigen van het greppelsysteem en voor het ontgronden is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden vereist op basis van de dubbelbestemming 'Waarde - beekdal'.
De toelichting is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie en de toekomstige inrichting van het plangebied beschreven. De relevante beleidskaders van de verschillende overheidsinstanties staan centraal in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 worden de relevante omgevingsaspecten behandeld. Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische opzet van het plan. In hoofdstuk 6 komt de economische haalbaarheid van het plan aan bod. Tenslotte wordt in hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan beschreven.
In dit hoofdstuk volgt de beschrijving van het feitelijke plan.
Zoals in hoofdstuk 1 reeds staat beschreven heeft Dorpsbelangen Roderwolde een handtekeningenactie gehouden voor een veilige oversteek van de N372 bij de Brunlaan-Zanddijk te Peizerwold. De provincie heeft naar aanleiding hiervan fietstellingen verricht om inzicht te krijgen in het gebruik van de fietsoversteek en is gestart met een analyse van de oversteek en een verkenning van oplossingsmogelijkheden.
De oversteek N372 bij de Brunlaan-Zanddijk ligt buiten de bebouwde kom in een flauwe bocht ter hoogte van Peizerwold tussen Peize en Peizermade. Langs de N372, waar een maximumsnelheid van 80 km/u is toegestaan, ligt aan de oostzijde het vrijliggende (brom)fietspad dat in twee richtingen wordt bereden. Tussen dit fietspad en de hoofdrijbaan, staan bomen welke het uitzicht belemmeren voor overstekende (brom)fietsers. De fietsers dienen de N372 in 1 keer over te steken, er is geen middeneiland aanwezig. Behalve brom)fietsers maken ook motorvoertuigen gebruik van de oversteek: er liggen enkele woningen aan de Brunlaan en aan de Zanddijk ligt landbouwgrond dat met een landbouwvoertuig moet kunnen worden bereikt. De N372 heeft ter hoogte van de oversteek een sterke verkanting (helling) wat het oversteken bemoeilijkt.
Op een gemiddelde werkdag in augustus 2012 maakten 400 (brom)fietsers gebruik van de oversteek. Op een mooie weekenddag kan het aantal fietsers oplopen tot circa 1000. Dit aantal neemt in het jaar geleidelijk af tot circa 100 (brom)fietsers per dag in december en januari. In het verleden werd de fietsoversteek door veel minder (brom)fietsers gebruikt (circa 60 fietsers per dag in 2009). Door het ontwikkelen van het natuurgebied de Onlanden is het recreatieve gebruik van de fietsoversteek fors toegenomen. De (brom)fietsoversteek is dus een veel gebruikte oversteek die naast recreanten ook door werkenden en scholieren wordt gebruikt.
Hoge intensiteit gemotoriseerd verkeer en overstekende (brom)fietsers
Wanneer de intensiteit boven de circa 8.000 motorvoertuigen per dag ligt, is het aan te bevelen (richtlijnen CROW; onafhankelijke kennisorganisatie op het gebied van infrastructuur, openbare ruimte en verkeer en vervoer) de fietsers ongelijkvloers (tunnel) of in twee keer over de weg te laten met een middeneiland. In de huidige situatie is er geen middeneiland aanwezig terwijl er op een gemiddelde werkdag ruim 11.000 motorvoertuigen passeren. Dat aantal ligt dus ruim boven de 8.000 die het CROW hanteert.
Belemmerd zicht door bomen in combinatie met de flauwe bocht met een sterke verkanting
Het zicht vanaf de Zanddijk en het fietspad langs de N372 op naderend verkeer wordt ernstig belemmerd door de bomen en voldoet niet aan de CROW-richtlijn van 150 meter oprijzicht. Daarnaast heeft de weg een sterke verkanting waardoor het moeilijk is om de weg over te steken. In het verleden is het fietspad al iets verhoogd om zo de oversteek makkelijker te maken maar desondanks hebben fietsers nog steeds moeite om met de fiets op snelheid te komen.
Vijf varianten
Om de fietsoversteek veiliger te maken en daarmee te voldoen aan de inrichtingseisen van een gebiedsontsluitingsweg zijn vijf varianten onderzocht. Dit betreffen 2 tunnelvarianten en 3 varianten met een oversteek in twee keer.
De vijf varianten zijn beoordeeld op 13 criteria zoals verkeersveiligheid, doorstroming, sociale veiligheid, hinder en privacy, ecologie, draagvlak en kosten. De vijf varianten zijn als bijlage toegevoegd.
Bij een oversteek in twee keer blijft een kans op een ongeval tussen een (brom)fietser en gemotoriseerd verkeer bestaan. De meest duurzaam verkeersveilige oplossing is het aanbrengen van een fietstunnel. Ongevallen tussen (brom)fietsers en gemotoriseerd verkeer kunnen dan niet meer plaatsvinden. Omdat er nog wel motorvoertuigen de N372 op en af moeten kunnen rijden vanaf de Brunlaan (in verband met de bereikbaarheid van woningen) zal de gelijkvloerse aansluiting N372-Brunlaan blijven.
Omdat een fietstunnel van de drie varianten de meest duurzame verkeersveilige oplossing is, hebben de gemeente Noordenveld en de Provincie Drenthe gekozen voor de aanleg van een fietstunnel. Uit een enquête onder fietsers is ook een voorkeur uitgesproken voor een fietstunnel.
In de afweging tussen de tunnelvarianten, scoort variant 2 (fietstunnel langs de Brunlaan) op enkele punten beter dan variant 5 (fietstunnel langs zuidzijde tolhuisje):
Derhalve is gekozen voor de aanleg van een fietstunnel langs de Brunlaan.
De fietstunnel ligt ten noorden van de bestaande oversteek en is zo dicht als mogelijk gesitueerd langs de Brunlaan en de Zanddijk. De bestaande fysieke oversteek van de N372 blijft gehandhaafd ten behoeve van gemotoriseerd verkeer en maakt ook deel uit van het plangebied.
Ten behoeve van de uitvoering van de tunnel is een Programma van Eisen opgesteld. De belangrijkste ruimtelijke uitgangspunten zijn:
Onderstaande afbeeldingen geven een impressie van de situering en uiterlijk van de fietstunnel.
Situering tunnel met links Zanddijk en rechts Brunlaan
Overzicht vanaf Brunlaan richting Zanddijk
Aanzicht vanaf Zanddijk richting de Brunlaan
Landschappelijke inpassing
Voor de aanleg van de tunnel worden maximaal drie elzen langs de Zanddijk gekapt en één eik (langs de oostzijde N372) gekapt en worden boven maaiveld geen voorzieningen aangelegd. De huidige landschapskenmerken (zie ook Provinciaal en Gemeentelijk beleid) worden hierdoor gehandhaafd waardoor de aanleg van de fietstunnel geen afbreuk doet aan deze kenmerken en waarden.
Faunapassage
In het Programma van Eisen is een tunnelbuis voor kleine zoogdieren opgenomen. De kruising met de N372 is namelijk niet alleen voor fietsers een knelpunt, maar is ook faunaknelpunt:
De aanleg van de fietstunnel biedt de mogelijkheid om ook relatief eenvoudig dit faunaknelpunt op te lossen. Oplossen van dit knelpunt kan, mits goed ingepast, gezien worden als een kwalitatieve verbetering van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en hiermee het relatieve verlies aan waarden van NNN compenseren (zie ook paragraaf 4.3 Natuur). Kwantitatieve compensatie is in dit geval dan niet meer nodig.
Structuurvisie Infrastructuur en ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 vastgesteld. In de Structuurvisie staan de plannen voor ruimte en mobiliteit van nationaal belang. Door het nationale karakter van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de kleine schaal van onderhavig bestemmingsplan, heeft dit bestemmingsplan geen raakvlak met dit nationaal beleid. Gelet op het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het onderhavige plan geen belemmeringen ondervindt vanuit het nationaal beleid.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) regelt de doorwerking van nationale belangen op ruimtelijk gebied in gemeentelijke bestemmingsplannen door het stellen van de juridische kaders. Het Barro is ook wel bekend als de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte. Het besluit is per 30 december 2011 grotendeels in werking getreden en per 1 oktober 2012 gewijzigd. Onderhavig plan ondervindt geen belemmeringen vanuit het Barro.
Besluit ruimtelijke ordening
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de plantoelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. De zogenaamde ladder voor duurzame verstedelijking is sinds 1 oktober 2012 opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en stelt eisen aan bestemmingsplannen met het oog op een zorgvuldige afweging, transparante besluitvorming en een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder voor duurzame verstedelijking heeft als doel om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren en overprogrammering op regionaal niveau te voorkomen en bevat drie treden die doorlopen moeten worden in een ruimtelijke procedure.
De aanleg van infrastructuur wordt niet aangemerkt als 'een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 (onder i) van het Bro. Een afweging op grond van de ladder kan achterwege blijven.
Omgevingsvisie Drenthe
Provinciale Staten van Drenthe hebben op 2 juli 2014 de Omgevingsvisie Drenthe geactualiseerd en vastgesteld. De visie is op 20 augustus 2014 in werking getreden. De Omgevingsvisie is hét strategische kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe voor de periode tot 2020. De omgevingsvisie formuleert de belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing van de provincie in het ruimtelijk domein. De ambitie is om de ruimtelijke identiteit van Drenthe te versterken. Dat gebeurt door nieuwe ontwikkelingen te bezien in samenhang met de volgende kernkwaliteiten:
Het behoud en waar mogelijk de ontwikkeling van kernkwaliteiten zijn van provinciaal belang. Voor het plangebied gelden de kernkwaliteiten landschap, natuur, cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden.
LANDSCHAP
De kwaliteit en de diversiteit van het Drentse landschap dragen sterk bij aan een aantrekkelijk milieu om in te wonen, te werken en te recreëren. De identiteit van het Drentse landschap wordt bepaald door de ontstaansgeschiedenis en de diversiteit aan landschapstypen. Landschapstypen met de bijbehorende landschapskenmerken wil de provincie in samenhang behouden en versterken. Daarmee wordt gestreefd naar een Drents landschap waarin het grondgebruik, het type natuur en het landschapsbeeld passen bij de ontwikkelingsgeschiedenis van het landschap. Vanuit dat perspectief wil de provincie keuzes voor nieuwe ontwikkelingen in het landschap blijvend mogelijk maken. De provincie onderscheidt zes landschapstypen. Het plangebied is aangeduid als Wegdorpenlandschap van de laagveenontginningen.
Kenmerken van het landschapstype
Het wegdorpenlandschap van de laagveenontginning, ook wel het ‘slagenlandschap’, ligt op de laagst gelegen plekken in de provincie Drenthe, waar in de benedenlopen van de beekdalen veen is ontstaan. Kenmerkend zijn de ontginningsassen, de langgerekte lintdorpen (waarvan het karakter en de sfeer grotendeels bepaald worden door bebouwing en wegbeplanting) en de grote, open weidegebieden (met de smalle, langgerekte verkaveling en het slotenpatroon haaks op de ontginningsas). Sommige delen hebben door de kavelgrensbeplanting een min of meer besloten karakter.
Kenmerken van de nederzetting
Het omringende landelijke gebied dringt door in het wegdorp Peizerwold, dat ook wel streekdorp wordt genoemd. Vanaf de hoofdweg is tussen de bebouwing door het landelijk gebied steeds waarneembaar. Het silhouet van het dorp is een langgerekte strook, waarvan de massa wordt gevormd door een aaneenschakeling van forse boerderijen met erfbeplantingen en de dominerende beplanting langs de weg. De beplanting bestaat uit opgaande bomen in een overigens vrij open landschap.
Provinciaal belang
Van provinciaal belang is het open weidegebied en de smalle verkaveling met het fijnmazige slotenpatroon.
Beleid
Het provinciaal beleid is gericht op het behouden en versterken van het open karakter en de smalle verkavelingsstructuur.
De aanleg van een fietstunnel doet geen afbreuk aan het open karakter en de smalle verkavelingsstructuur.
RUST
De provinciale stilte- en duisternisgebieden zijn in de Omgevingsvisie Drenthe aangegeven. Het plangebied behoort hier niet toe.
De belangrijkste bronnen van lichthinder vallen onder de bevoegdheid van de gemeenten. Te denken valt aan openbare verlichting, glastuinbouw, open melkstallen, sportveldverlichting, terreinverlichting, sierverlichting en reclameverlichting. De provincie onderzoekt samen met de gemeente Noordenveld en andere de Drentse gemeenten welke mogelijkheden er zijn om lichthinder terug te dringen en duisternis te bevorderen. Dit draagt ook bij aan energiebesparing. Het streven om minder openbare verlichting langs de provinciale wegen te gebruiken, is vastgelegd in de nota 'Openbare verlichting, provinciale wegen Drenthe'. Bij het verlenen van omgevingsvergunningen op grond van de Wet milieubeheer en de Wet natuurbescherming let de provincie nadrukkelijk op het voorkomen en beperken van lichthinder.
NATUUR
Het plangebied, voor zover gelegen aan de oostzijde van de N372 en ten noorden van de Zanddijk, maakt onderdeel uit van de EHS. De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een samenhangende structuur van gebieden met een speciale natuurkwaliteit. De Ecologische Hoofdstructuur vormt de ruggengraat van het Drentse natuurnetwerk en waarborgt biodiversiteit en duurzame natuur. De op perceelsniveau begrensde EHS vormt het kader voor regelgeving en subsidies.
De provincie is direct verantwoordelijk voor de kwaliteit en kwantiteit van de natuur binnen de EHS. Gemeenten en waterschappen zijn in de eerste plaats verantwoordelijk voor natuur buiten de EHS. In een te ontwikkelen Natuurvisie wordt uitgewerkt welke rol de provincie heeft in natuurwaarden buiten de begrensde EHS.
In paragraaf 4.3 is een verantwoording opgenomen voor de aanleg van de fietstunnel in de EHS.
CULTUURHISTORIE
Het provinciale beleid ten aanzien van cultuurhistorie is beschreven in het Cultuurhistorisch Kompas. Twee doelstellingen staan hierin centraal. Ten eerste wil de provincie de cultuurhistorie herkenbaar houden. Ten tweede wil de provincie de ruimtelijke identiteit versterken.
De provincie doet dat door ruimtelijke ontwikkelingen te sturen vanuit samenhangende cultuurhistorische kwaliteiten, met respect en durf. Daarin is ruimte voor inspiratie en eigen afwegingen van de partners. Het veiligstellen van cultuurhistorische waarden en tegelijkertijd het bieden van ruimte voor ontwikkelingen, vraagt om een heldere wijze van sturing. Onderscheid wordt gemaakt tussen drie sturingsniveaus: respecteren, voorwaarden stellen en eisen stellen.
Voor het plangebied geldt het sturingsniveau “eisen stellen”. De provincie stuurt de ontwikkelingen in de (vanuit de cultuurhistorie bezien) gewenste richting. Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat de cultuurhistorische samenhang als dé drager voor nieuwe plannen wordt gebruikt.
Voor het gebied “De kop van Drenthe”, waar het plangebied deel van uitmaakt, is de ambitie als volgt vastgelegd:
De aanleg van een fietstunnel doet geen afbreuk aan bovenstaande ambities.
ARCHEOLOGIE
De provinciale doelstellingen voor archeologie zijn:
Het plangebied heeft een lage verwachting op archeologische waarden.
AARDKUNDIGE WAARDEN
Aardkundige waarden zijn natuurlijke variaties in het aardoppervlak van geomorfologische, geologische, bodemkundige verschijnselen en/of processen die onder andere onder invloed van wind en water gebeuren. Onder aardkundige waarden vallen bijvoorbeeld veentjes, pingoruïnes, stuwwallen, zandkoppen en (micro en macro)reliëf.
Aardkundige waarden die bijdragen aan het specifieke Drentse karakter wil de provincie behouden en waar mogelijk herstellen zonder daarbij het normale landbouwkundig gebruik te belemmeren. Voor de aardkundige waarden worden drie beschermingsniveaus onderscheiden die verschillen in de mate van inzet van de provincie. Het hoge en het gemiddelde beschermingsniveau zijn van provinciaal belang.
Het plangebied heeft een generiek beschermingsniveau: respecteren. Bij ontwikkelingen wil de provincie de lokale aardkundige kenmerken voor de toekomst waarborgen. Van gemeenten wordt verwacht dat zij in nagaan welke kenmerkende aardkundige waarden aanwezig zijn en dat zij hieraan bescherming geven via het bestemmingsplan, en plannen en initiatieven daarop beoordelen.
In en rondom het plangebied komt in de ondiepe ondergrond potklei voor. Vergraven hiervan kan invloed hebben op de waterhuishouding en de stabiliteit van het tunnelfundament. Dikke potkleilagen (tot tientallen meters) komen voor in Noord Drenthe, Friesland en Groningen. Potklei is een afzetting ontstaan in smelwatermeren langs de rand van de landijskap, die tijdens de voorvoorlaatste ijstijd (Elsterien 475.000 tot 410.000 jaar geleden) het noordelijkste deel van Nederland bedekte. De potklei uit het gebied rond Roderwolde is door de monniken uit het klooster Aduard gewonnen om er kloostermoppen en dakpannen van te maken. De Kleibosch in Roderwolde, gelegen ten westen van het plangebied, is als aardkundig monument aangewezen.
De aanleg van de tunnel heeft weliswaar tot gevolg dat potklei wordt afgegraven, maar gelet op de geringe omvang van de afgraving wordt de instandhouding van deze aardkundige waarde niet bedreigd.
Provinciale Omgevingsverordening Drenthe
De provincie heeft de Omgevingsvisie (deels) doorvertaald naar een verordening voor zover het planologisch relevante aspecten betreft. De Omgevingsverordening is op 9 maart 2012 door Provinciale Staten vastgesteld. Omdat de Omgevingsvisie in 2014 is geactualiseerd, was het ook noodzakelijk de Provinciale Omgevingsverordening te actualiseren. Op 23 september 2015 is de actualiseerde versie door Provinciale Staten vastgesteld.
In de omgevingsverordening is bepaald dat indien bij een ruimtelijk plan kernkwaliteiten betrokken zijn:
Conclusie
Het plan past binnen het beschreven provinciaal beleid. Zoals hiervoor staat beschreven worden de kernkwaliteiten niet aangetast door de realisatie van een fietstunnel. In paragraaf 4.3 is een verantwoording opgenomen voor de aanleg van de fietstunnel in de EHS.
Regiovisie Groningen-Assen 2030
Regio Groningen-Assen is een vrijwillig samenwerkingsverband tussen de provincies Drenthe en Groningen en de gemeenten Assen, Bedum, Groningen, Haren, Hoogezand-Sappemeer, Leek, Noordenveld, Slochteren, Ten Boer, Tynaarlo, Winsum en Zuidhorn. Sinds 1996 investeert Regio Groningen-Assen in het versterken van de economie en de gebiedskwaliteit. Infrastructuur en de kwaliteit van stad en omliggende gebieden zijn sindsdien sterk verbeterd. Dit betekent niet dat de Regio nu klaar is. In 2013 is het beleid en de organisatie aangepast aan de veranderde economische omstandigheden. Het beleid is geformuleerd in de Actualisatie Regiovisie Groningen - Assen 2013, veranderende context, blijvend perspectief.
Nog steeds in de volle overtuiging dat de oplossing van ruimtelijke en economische vraagstukken van vandaag en morgen niet stoppen bij de gemeente- en of provinciegrenzen. Zorgen dat de regio nog meer tot bloei komt, is de uitdaging waar de regio de komende jaren voor staat. Regio Groningen-Assen werkt vanuit deze ambitie aan drie speerpunten:
Het economisch kerngebied verder ontwikkelen
De Regio Groningen-Assen heeft een belangrijke functie als economisch kerngebied in Noord-Nederland. Zowel voor de inwoners en ondernemers in de regio als daarbuiten is het van eminent belang dat Groningen-Assen deze positie behoudt en verder ontwikkelt. Dit vraagt om:
De interne samenhang tussen steden en regio versterken
De verwevenheid tussen de steden Groningen en Assen enerzijds en de regio anderzijds wordt sterker. Het aantal dagelijkse verplaatsingen tussen de regio en de steden groeit nog steeds. Of het nu is om te werken, te wonen, onderwijs te volgen, medische voorzieningen te gebruiken, te winkelen, te recreëren of evenementen te bezoeken. Bij gebrek aan een goed Nederlands equivalent wordt voor het gebied waarin men zijn min of meer dagelijkse en reguliere activiteiten onderneemt, de term ‘daily urban system’ gebruikt. Het is zaak ervoor te zorgen dat dit samenhangende systeem goed kan functioneren en zich verder kan ontwikkelen.
Dit vraagt om:
De kwaliteit van stad en land behouden en versterken
Het Kwaliteitsteam typeert Groningen-Assen als “een regio met een grote diversiteit aan landschappen en woonmilieus. ‘Stad en land’ vormen hier een twee-eenheid. De regio combineert een grote diversiteit aan recreatieve milieus en woonmilieus met een breed en actueel cultureel aanbod. De regio combineert vrijheid, ruimte en ecologische kwaliteiten met een breed spectrum aan stedelijke en dorpse voorzieningen”. Die kwaliteiten wil de regio koesteren en waar mogelijk verder versterken. Dit vraagt om versterking van :
Conclusie
Het plan past binnen het beschreven regionale beleid.
Omgevingsvisie Noordenveld 2030
Op 8 februari 2017 is de Omgevingsvise Noordenveld 2030 vastgesteld door de gemeenteraad. Deze Omgevingsvisie is een koers- en inspiratiedocument; een kompas voor investeringen in het ruimtelijke en sociale domein. Een visie welke inwoners, verenigingen, organisaties, ondernemers en de gemeente uitdaagt om initiatieven te nemen en te realiseren.
De Omgevingsvisie vormt de basis voor het opstellen van dorps-/gebiedsvisies, ruimtelijke plannen of omgevingsvergunningen waarin wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Ook is de omgevingsvisie de basis voor de Programma’s.
De vijf kernwaarden Transparant, Leefbaar, Ondernemend, Groen en Duurzaam uit de Visie Noordenveld 2025 vormen de basis voor de Omgevingsvisie. In de Omgevingsvisie is ook de kernwaarde Meedoen geïntegreerd.
Het verbeteren van de verkeersveiligheid en het ruimte bieden aan fietsers middels een goed netwerk zijn uitgangspunten van zowel de Visie Noordenveld 2025 als de Omgevingsvisie 2030.
Gemeentelijk Verkeers- en vervoersplan
In het GVVP wordt beschreven hoe het gemeentelijk beleid op het gebied van verkeer en vervoer eruit ziet. In 2013 is het oude GVVP geëvalueerd en is er besloten het GVVP te actualiseren. De actualisatie is uitgevoerd in 2014 en het geactualiseerde GVVP 2015-2025 is op 22 april 2015 vastgesteld door de gemeenteraad. De belangrijkste wijziging ten opzichte van het oude GVVP is het uitgangspunt "Noordenveld zet de fiets op 1", dit is ook de titel van het nieuwe GVVP geworden.
De hoofddoelstelling van het gemeentelijk beleid luidt als volgt: Noordenveld voert een integraal verkeer- en vervoerbeleid dat is gericht op het in stand houden of verbeteren van de (economische)bereikbaarheid, het vergroten van de verkeersveiligheid en het verbeteren van het (leef)milieu.
Het verbeteren van de fietsoversteek van N372 ter plaatse van de Brunlaan/Zanddijk is opgenomen in het uitvoeringsprogramma 2015-2025 van het GVVP.
Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2013-2017
Op 16 januari 2013 is het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan vastgesteld door de Raad van de gemeente Noordenveld. Op 1 januari 2008 is de Wet gemeentelijke watertaken (Wgw) in werking getreden. Deze nieuwe wetgeving stelt de gemeente beter in staat een bijdrage te leveren aan de aanpak van watervraagstukken in bebouwd gebied. De gemeente heeft met deze wet de zorgplichten gekregen voor hemel- en grondwater binnen bebouwd gebied. De gemeente dient in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) naast de gebruikelijke zorg voor de riolering vast te leggen hoe zij deze wettelijke zorgplichten voor hemelwater en grondwater in gaat vullen. Dit GRP wordt dan ook het verbrede GRP (vGRP) genoemd vanwege de uitbreiding met de nieuwe zorgplichten.
In de watertoets worden alle waterhuishoudkundige aspecten van een plan beoordeeld. Voor voorliggend bestemmingsplan is een watertoets uitgevoerd. Deze is opgenomen in paragraaf 4.10.
Landschapsbeleidplan Noordenveld
Het landschapbeleidsplan van de gemeente Noordenveld (vastgesteld in 2003) is een plan, dat een kader vormt voor alle maatregelen die betrekking hebben op natuur en landschap. In het Landschapsbeleidsplan wordt voor het buitengebied van de gemeente een visie weergegeven welke zich richt op het bieden van ruimte aan nieuwe processen en het versterken en behouden van bestaande waarden van de natuur en het landschap.
Het landschapbeleidsplan bestaat uit een beleidskader, een inventarisatie (van verschillende waarden, zoals ecologische waarden en de verschillende aanwezige landschapstypen) een landschapsvisie en een uitwerking in deelgebieden.
Aan de landschapsvisie wordt richting gegeven door een aantal basisstrategieen. De uitwerking in deelgebieden houdt in dat er een visie wordt gegeven, gekeken wordt naar de mogelijke kansen en bedreigingen en er maatregelen worden aangedragen om de visie tot uitvoer te brengen. De deelgebieden zijn de landschapstypen van de gemeente Noordenveld. Dit zijn het esdorpenlandschap, Kolonie Veenhuizen, het laagveenontginningsgebied en de Veenkolonien.
Het plangebied maakt deel uit van het deelgebied laagveenontginningsgebied. De basisstrategie is het “handhaven en beschermen bestaande openheid in het Laagveenontginningslandschap”
De dragers van het landschap zijn: grootschalige openheid, grasland met slotenstelsel, lintbebouwingen, reliëf en verkaveling in lange stroken.
De visie richt zich in dit gebied op handhaving c.q. versterking van de karakteristieke structuur (strokenverkaveling) en het herkenbaar houden van de ontstaansgeschiedenis en de dragers van het landschap. De verschillende bouwstenen die het gebied typeren zoals openheid, grasland en een dicht slotenstelsel zijn belangrijk om te handhaven en te versterken.
Voor het plangebied gelden vanuit het thema Laagveenontginningslandschap geen specifieke maatregelen.
Conclusie
Het plan past binnen het beschreven gemeentelijke beleid.
Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Monumentenwet is geregeld hoe met archeologische vindplaatsen en zichtbare monumenten moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij de planvorming te betrekken.
In het plangebied zijn bodemingrepen gepland die mogelijk bedreigend zijn voor eventuele archeologische resten.
De gemeente heeft een archeologische verwachtings- en beleidskaart opgesteld. Het plangebied heeft op grond van deze beleidskaart geen archeologische (verwachtings)waarde.
Er is derhalve geen noodzaak voor het doen van nader onderzoek. Het plan is uitvoerbaar wat betreft het aspect archeologie.
Cultuurhistorie gaat over de geschiedenis van de gebouwde omgeving, de landschappen, tradities en de verhalen die erbij horen. Sinds 1 januari 2012 is de gemeente wettelijk verplicht om cultuurhistorische belangen mee te wegen in ruimtelijke vraagstukken.
Het plangebied en omgeving valt in het (concept) Cultuurhistorisch beleid Noordenveld in de categorie 'respecteren'. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen niet tot een onevenredige aantasting van de aanwezige cultuurhistorische objecten mag leiden. Binnen dit objectgerichte beleid ligt de belangrijkste verantwoordelijkheid bij de initiatiefnemer en zal de gemeente zich terughoudend en reactief opstellen. De werkwijze in deze gebieden sluit aan bij de minimale inzet die ook vanuit het Besluit ruimtelijke ordening wordt verwacht van initiatiefnemers: zich rekenschap geven van eventuele cultuurhistorische waarden en motiveren hoe met deze waarden wordt omgegaan in de planvorming.
Op grond van de cultuurhistorische basiskaart zijn de volgende elementen en structuren aanwezig in en rondom het plangebied:
Uitsnede (concept) cultuurhistorische waardenkaart
Vorengenoemde cultuurhistorische elementen worden niet aangetast als gevolg van de aanleg van de tunnel:
Wet- en regelgeving
Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd. Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) of een analyse in het kader van het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Naast het raadplegen van bronnen is het plangebied ten behoeve van de inventarisatie op 15 augustus 2016 bezocht door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs.
Plangebied
Het plangebied ligt op de kruising van de N372 met de Brunlaan (ten westen) en Zanddijk (ten oosten) te Peizerwold. Het plangebied bestaat hier uit paardenweides die omgeven worden door greppels. Er is geen permanent oppervlaktewater in het plangebied aanwezig. Langs de Brunlaan groeien enkele solitaire zwarte elzen en een schietwilg. Langs de Zanddijk is een elzensingel aanwezig, terwijl langs de N372 een eikenlaan aanwezig is.
Ten behoeve van de plannen zullen grond en greppels vergraven worden en worden maximaal drie zwarte elzen langs de Zanddijk en een eik langs de N372 gekapt.
Impressie plangebied: links ten westen van N372 (Brunlaan), rechts ten oosten van N372 (Zanddijk)
Onderzoek
SOORTENBESCHERMING
Onderdeel van de Wet natuurbescherming (Wnb) is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen:
Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb.
Inventarisatie
Ten aanzien van de aanwezigheid van beschermde soorten is, naast het afgelegde veldbezoek, via Quickscanhulp.nl (© NDFF - quickscanhulp.nl 15-08-2016 09:01:29) soortinformatie uit de Nationale Database Flora en Fauna opgevraagd. Uit de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van diverse middelzwaar en streng beschermde planten- en diersoorten bekend. Op basis van de terreinomstandigheden in en direct rond het plangebied kan gesteld worden dat het plangebied een beperkte natuurwaarde kent.
Het plangebied bestaat voor het grootste deel uit begraasde paardenweides waarin plantensoorten als gestreepte witbol, grote vossenstaart, kruipende boterbloem, krulzuring, ridderzuring en witte klaver zijn aangetroffen. De bermen van de N372, de Brunlaan en de Zanddijk bestaan voor het grootste deel uit een ruige graslandvegetatie met onder meer grote brandnetel, hennegras, kropaar en smalle weegbree. Plaatselijk is in de bermen ook een schralere vegetatie aanwezig met onder meer rode klaver, rood zwenkgras en vertakte leeuwentand. De droogstaande greppels zijn grotendeels dichtgegroeid met grote kattenstaart, harig wilgenroosje, liesgras en moerasspirea.
Beschermde plantensoorten zijn niet in het plangebied aangetroffen en gezien inrichting en gebruik ook niet te verwachten.
In het plangebied is geen bebouwing aanwezig. Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen kunnen daarom worden uitgesloten. Langs de Brunlaan en Zanddijk zijn wel oude zwarte elzen en is een oude schietwilg aanwezig. In deze bomen zijn enkele holtes aangetroffen, maar deze bevinden zich laag boven de grond of lopen niet naar boven toe door. Daardoor zijn ze ongeschikt als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Andere potentiele verblijfplaatsen (zoals loszittende schors) zijn eveneens niet aangetroffen, zodat verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen niet verwacht worden.
Het plangebied kan wel onderdeel vormen van het foerageergebied van in de omgeving verblijvende vleermuizen. Dit geldt vooral voor de randen van het plangebied. Te verwachten zijn soorten als gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger, die uit de omgeving van het plangebied bekend zijn (Quickscanhulp.nl). Daarnaast kunnen de Brunlaan en de Zanddijk met de elzensingel onderdeel vormen van een vliegroute van vleermuizen.
Uit de directe omgeving van het plangebied is het voorkomen van de strikt beschermde zoogdieren eekhoorn en waterspitsmuis bekend (Quickscanhulp.nl). In de bomen in het plangebied is geen eekhoornnest aangetroffen. Hoogstens is incidenteel een foeragerende of zwervende eekhoorn in het plangebied te verwachten. Doordat de opgaande beplanting grotendeels behouden blijft bij de plannen worden negatieve effecten op eekhoorn niet verwacht. Door het ontbreken van permanent oppervlaktewater is het plangebied ongeschikt voor waterspitsmuis.
Wel zijn enkele algemene grondgebonden zoogdieren in het plangebied te verwachten, zoals bosmuis, bosspitsmuis, rosse woelmuis, veldmuis, egel en hermelijn. Voor deze algemene soorten geldt in de provincie Drenthe een vrijstelling van de verbodsartikelen bij ruimtelijke ontwikkelingen.
In het plangebied zijn geen (nesten van) vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestplaats aangetroffen. Het plangebied kan wel een klein onderdeel vormen van het foerageergebied van enkele uilen- en roofvogelsoorten als buizerd, kerkuil, ransuil en steenuil die in de directe omgeving van het plangebied zijn waargenomen (Quickscanhulp.nl).
Door het ontbreken van permanent oppervlaktewater kan voortplanting van (beschermde) amfibieën of vissen in het plangebied worden uitgesloten. Overwintering van zwaarder beschermde amfibieënsoorten wordt eveneens niet verwacht. Wel biedt het plangebied landbiotoop voor enkele algemene amfibieënsoorten als bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Voor deze algemene soorten geldt in de provincie Drenthe een vrijstelling van de verbodsartikelen bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Beschermde soorten uit de soortgroepen reptielen en ongewervelden worden niet in het plangebied verwacht door het ontbreken van geschikt biotoop.
Toetsing
Doordat de opgaande beplanting inclusief elzensingel grotendeels behouden blijft, blijft het plangebied beschikbaar als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen. Aanbevolen wordt om bij de plaatsing van straatverlichting langs de Brunlaan en Zanddijk te voorkomen dat deze de bomenrij verlicht. Te veel verlichting kan een verstorend effect hebben op een eventueel aanwezige vliegroute van vleermuizen. Ervan uitgaande dat één zijde van de bomenrij hoe dan ook onverlicht blijft, zijn geen negatieve effecten op vleermuizen te verwachten.
Het plangebied vormt hoogstens een klein onderdeel van het foerageergebied van buizerd, kerkuil, ransuil en/of steenuil. Gezien de beperkte omvang gaat het niet om een essentieel en onmisbaar onderdeel van het leefgebied van deze soorten. Negatieve effecten op deze soorten worden zodoende naar aanleiding van de plannen op voorhand niet verwacht.
Ten aanzien van broedvogels dient bij de planning en uitvoering van werkzaamheden rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Verstoring van broedgevallen van vogels dient te worden voorkomen. Voor de in en direct rond het plangebied te verwachten vogelsoorten kan dit plaatsvinden door werkzaamheden buiten de broedperiode van aanwezige soorten uit te voeren. Tevens kunnen voorbereidende maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat vogels tot broeden kunnen komen binnen het plangebied. Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd in het kader van de Wnb. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt dat het broedseizoen ongeveer van 15 maart tot 15 juli duurt. De uitvoering van de werkzaamheden vindt plaats in het najaar.
Als gevolg van de werkzaamheden kunnen verblijfplaatsen van enkele algemene amfibieën- en zoogdiersoorten worden verstoord en/of vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. Deze algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen bij ruimtelijke ontwikkelingen in de vrijstellingsregeling van de provincie Drenthe. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wnb.
GEBIEDSBESCHERMING
Voor het plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wet natuurbescherming (Wnb) en de provinciale omgevingsvisie en -verordening.
In de Wnb is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voormalig Ecologische Hoofdstructuur) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van het NNN is voor provincie Drenthe uitgewerkt in de Omgevingsvisie Drenthe en de bijbehorende Provinciale Omgevingsverordening Drenthe. Het NNN in Drenthe kent geen externe werking.
Inventarisatie
Het plangebied is geen onderdeel van een beschermd gebied in het kader van de Wet natuurbescherming. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het Leekstermeergebied gelegen op een afstand van ruim 600 meter ten noordwesten van het plangebied.
Het deel van het plangebied ten oosten van de N372 en ten noorden van de Zanddijk is aangewezen als NNN-gebied. Dit NNN-gebied bestaat uit agrarisch beheerde graslandpercelen afgewisseld met watergangen en houtwallen.
Toetsing
Gezien de terreinomstandigheden en ligging van het plangebied (ten opzichte van beschermde gebieden) en de aard van de ontwikkeling worden met betrekking tot het voorgenomen plan op voorhand geen negatieve effecten op Natura 2000-gebied Leekstermeergebied verwacht. Het plan heeft in het kader van de Wnb geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten.
Een deel van het plangebied is aangewezen als NNN-gebied. Bestemmingsplannen mogen niet zondermeer voorzien in bestemmingen en regels die “omzetting naar de natuurfunctie onomkeerbaar belemmeren en de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland significant aantasten” (POV Drenthe 2014).
De aanleg van de fietstunnel gaat ten koste van het areaal van het NNN. Hoewel het om een gering oppervlak NNN gaat, is het nodig om het verlies aan areaal van het NNN te compenseren.
In de directe omgeving van de fietstunnel zijn diverse beheertypen aanwezig. Het betreft de beheertypen L01.03 Elzensingel en N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland (en een heel smalle strook/greppel N10.02 Vochtig hooiland).
De elzensingel langs de Zanddijk grenst direct aan het tracé van de tunnel. Tijdens de aanleg van de tunnel wordt het grondwater gedurende circa zes weken verlaagd. De grondwaterverlaging vindt echter plaats in het najaar (oktober-december). Buiten het groeiseizoen zijn bomen ongevoelig voor grondwaterdaling. Doordat gewerkt wordt buiten de kwetsbare periode zullen de bomen binnen het grondwaterverlagingsgebied daarom geen schade ondervinden van de tijdelijke grondwaterdaling.
Wel worden voor de aanleg van de tunnel twee of drie zwarte elzen gekapt, zodat de wezenlijke kenmerken en waarden van het beheertype Elzensingel op kleine schaal aangetast worden. Ook hiervoor is compensatie nodig.
Het tracé van de tunnel tast het beheertype Kruiden- en faunarijkgrasland aan. Het grasland wordt echter intensief beheerd als paardenweide, zodat de daadwerkelijk aanwezige natuurwaarden van het landschap beperkt zijn. Een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, anders dan een aantasting van het areaal, is voor dit beheertype niet aan de orde.
Samenvattend kan gesteld worden dat ten aanzien van het NNN compensatie nodig is voor het onomkeerbaar belemmeren van de omzetting naar een natuurfunctie en voor de geringe aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Deze compensatie wordt door de provincie Drenthe uitgevoerd.
Conclusie
Op basis van de uitgevoerde ecologische inventarisatie is gezien de aangetroffen terreinomstandigheden en de aard van het plan een voldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan.
Uit de ecologische inventarisatie komt naar voren dat in het kader van de Wnb geen noodzaak bestaat voor het uitvoeren van een aanvullend onderzoek naar beschermde soorten, mits rekening wordt gehouden met het broedseizoen van vogels en bij plaatsing van straatlantaarns langs de Brunlaan en Zanddijk wordt voorkomen dat de bomen in zijn geheel worden verlicht.
Uit de ecologische inventarisatie is verder naar voren gekomen dat er geen noodzaak bestaat een Voortoets in het kader van de Wnb. Voor deze activiteit is geen vergunning op grond van de Wnb nodig.
De activiteit is op het punt van natuur wel in strijd met de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe 2014. In dit kader is compensatie nodig voor het onomkeerbaar belemmeren van de omzetting naar een natuurfunctie en voor de geringe aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van gronden die zijn aangewezen als NNN.
In paragraaf 2.2 is vermeld dat het plan voorziet in de aanleg van een tunnelbuis voor kleine zoogdieren. De kruising met de N372 is namelijk niet alleen voor fietsers een knelpunt, maar is ook faunaknelpunt. Oplossen van dit knelpunt kan, mits goed ingepast, gezien worden als een kwalitatieve verbetering van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en hiermee het relatieve verlies aan waarden van NNN compenseren. Kwantitatieve compensatie is in dit geval dan niet meer nodig.
Er bestaat in het kader van de bestemmingsplan procedure in principe geen rechtstreekse verplichting voor het uitvoeren van een bodemonderzoek of -sanering (artikel 3.1.6 Bro). Er moet echter wel rekening worden gehouden met de bodemkwaliteit ter plaatse i.v.m. de beoogde functie en financiële haalbaarheid van het plan. Dit betekent dat op basis van de beschikbare bodeminformatie wordt bepaald of de bodemkwaliteit de beoogde functie en financiële haalbaarheid van het plan mogelijk in gevaar brengen.
Ter plaatse van een deel van het plangebied is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740 Zandddijk perceel sectie M nr. 44 te Peizerwold, Sigma Bouw & Milieu, 6 december 2016). De onderzoekslocatie betreft het deel van het weiland waar de oostelijke toerit naar de feitelijke onderdoorgang komt te liggen.
In het onderstaande wordt ingegaan op de resultaten van het onderzoek. Het onderzoeksrapport is als bijlage toegevoegd. Eén perceel is niet onderzocht omdat er geen toestemming was om dit te betreden.
Van de bovengrond zijn twee mengmonsters samengesteld. Het eerste mengmonster (MM1) bevat een licht verhoogd gehalte aan PCB's. De oorzaak hiervan is onbekend. In het tweede bovengrondmengmonster, het mengmonster van de ondergrond en het monster van het grondwater zijn geen verhogingen aangetoond. De resultaten vormen geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging. Er is geen onderzoek uitgevoerd ter plaatse van de Groningerweg (onderdoorgang) en de westelijke toerit. Ter plaatse zijn geen (historische) bodembedreigende activiteiten bekend. Op de nabijgelegen percelen is geen ernstig geval van bodemverontreiniging aanwezig, die zich mogelijk tot in het plangebied heeft verspreid. De kans dat de bodemkwaliteit een probleem gaat opleveren voor de beoogde functie en financiële haalbaarheid van het plan wordt daarom klein geacht. In het kader van het bestemmingsplan is geen verder onderzoek noodzakelijk.
Bij de uitvoering van het werk zijn bij het grondverzet de voorwaarden van het Besluit bodemkwaliteit en de Nota bodembeheer van de gemeente Noordenveld van toepassing. Daarbij moet op gelet worden dat conform de Nota bodembeheer ter plaatse van de wegbermen een hogere verontreinigingsgraad te verwachten is dan in de omgeving. Ook kan er ter plaatse van de weg sprake zijn van funderingslagen en teerhoudende asfaltlagen. Voor de uitvoering van de werkzaamheden zal waarschijnlijk daarom nog wel bodemonderzoek noodzakelijk zijn.
Nederland heeft de regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing) en locaties waartoe leden van het publiek gewoonlijk geen toegang hebben'.
Op 15 november 2007 is dit deel van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit.
Dit bestemmingsplan biedt de mogelijkheid tot het realiseren van een fietstunnel. De aanleg van een fietstunnel heeft geen invloed op de luchtkwaliteit aangezien de verkeersstromen niet wijzigen. Ook de te realiseren parkeerstrook genereert geen extra ritten. Men parkeert nu immers elders in de buurt. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit vanwege wegverkeer kan derhalve achterwege blijven.
De aanleg van de fietstunnel leidt niet tot akoestische effecten. De verkeersintensiteiten van het gemotoriseerd verkeer worden niet ingrijpend beïnvloed. Dit aspect heeft geen invloed op de haalbaarheid van het plan.
Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.
Verkeersdoeleinden zoals ten behoeve van de te realiseren fietstunnel in onderhavig plan worden niet gerekend tot de bedrijven/activiteiten zoals bedoeld in de VNG-uitgave waardoor er ook geen richtafstanden van toepassing zijn. Milieuzonering speelt daarom geen rol en vormt geen belemmering met betrekking tot het realiseren van de tunnel.
Inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) richt zich, zoals uit de naam reeds blijkt, primair op inrichtingen die risico's met zich meebrengen voor de in de omgeving gelegen risicogevoelige objecten. Het besluit onderscheidt twee categorieën risicogevoelige objecten, namelijk kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Dit onderscheid is gebaseerd op maatschappelijke opvattingen over de groepen mensen die in het bijzonder moeten worden beschermd en op gegevens, zoals het aantal personen en de verblijfstijd van groepen mensen. Het besluit geeft waarden voor het risico dat toelaatbaar wordt geacht voor deze objecten. Hierbij worden twee vormen van risico onderscheiden: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Uit raadpleging van de risicokaart komt naar voren dat ten noorden van de fietstunnel een verkooppunt van LPG aanwezig is. De fietstunnel is gelegen buiten de plaatsgebonden risicocontouren van het vulpunt, reservoir en aflevertank.
Het invloedsgebied heeft een omvang van 150 m. Deze afstand reikt tot de fietstunnel.
Een fietspad of -tunnel is niet aan te merken als een (beperkt) kwetsbaar object in de zin van het Bevi noch kan het fietspad of -tunnel worden aangemerkt als een risicovolle inrichting. Het onderdeel externe veiligheid is daarmee niet aan de orde en behoeft niet verder te worden onderzocht.
Buisleidingen
Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) met de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) omvat de regelgeving op het gebied van buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In deze regelgeving is bepaald dat de belemmeringenstrook (4 m bij buisleidingen met een druk tot en met 40 Bar en 5 m bij overige buisleidingen), de plaatsgebonden risicocontour (10-6 ) en het invloedsgebied van het groepsrisico in acht dienen te worden gehouden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle buisleidingen nabij het plangebied gelegen zijn.
Transportroutes gevaarlijke stoffen
Zoals bij inrichtingen het Bevi voorwaarden stelt aan de omgang met externe veiligheid, zo zijn bij vervoer van gevaarlijke stoffen deze voorwaarden opgenomen in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen.
Deze wetgeving is van toepassing op de rijksinfrastructuur die onderdeel uitmaakt van de Basisnetten Weg, Water en Spoor. Hierbij wordt vastgehouden aan de volgende zaken:
In of nabij het plangebied liggen geen wegen, waarmee in verband met het aspect externe veiligheid rekening moet worden gehouden.
Gezien het feit dat de fietstunnel niet kan worden aangemerkt als een inrichting of bedrijf(sactiviteit) en er geen wet- en regelgeving bestaat met betrekking tot geurhinder afkomstig van dergelijke verkeersdoeleinden, zijn er geen normen waaraan getoetst dient te worden.
Daarnaast is de weg geen geurgevoelige bestemming zodat er geen sprake kan zijn van geurhinder door eventueel nabijgelegen geurveroorzakende bedrijven en veehouderijen.
Eventuele geurhinder zou kunnen worden ondervonden/veroorzaakt als gevolg van stagnatie zoals bij stoplichten en drukke kruispunten. Geurhinder wordt dan veelal veroorzaakt door slecht afgestelde motoren, hetgeen tegenwoordig weinig voorkomt, en door optrekkend en stagnerend verkeer. Gezien het feit dat het hier enkel een fietstunnel betreft welke hoofdzakelijk door langzaam verkeer zoals fietsers en voetgangers wordt gebruikt, treedt dit effect niet op en is er in het kader van dit plan sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen. Deze waterparagraaf doet verslag van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In dit kader dient de watertoets uitgevoerd te worden. De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten.
Het plan is voorgelegd aan het Waterschap Noorderzijlvest middels de online watertoets. De uitgangpuntennotitie van het waterschap zijn verwerkt in navolgende waterparagraaf. Het waterschap zal worden betrokken bij de uitwerking van het plan.
De toename van het verhard oppervlak bedraagt circa 500 m2. Deze toename vindt plaats in het buitengebied. Omdat de toename minder is dan 750 m2 is onderzoek naar de mogelijkheden om regenwater af te koppelen niet aan de orde.
Het waterschap geeft aan dat gezien het gebruik van de tunnel, het hemelwater dat uit tunnelbak wordt gepompt (in de eindsituatie) zonder zuiverende voorzieningen kan worden geloosd op oppervlaktewater. De westelijke bermsloot van de Groningerweg ten noorden van het plangebied is het meest geschikt als ontvangend oppervlaktewater. Het betreft een schouwsloot welke afwatert in noordelijke richting.
De ingrepen die het bestemmingsplan mogelijk maakt hebben geen gevolgen voor het watersysteem.
Voor de aanleg van de tunnel is tijdelijke bronbemaling noodzakelijk. De effecten van de tijdelijke grondwaterverlaging zijn onderzocht ten behoeve van de benodigde watervergunning (Grondwater aspect tunnel N372, Peize, Witteveen+Bos, 15 december 2016). In het onderstaande wordt ingegaan op de resultaten van het onderzoek. Het onderzoeksrapport is als bijlage toegevoegd.
De bemaling wordt uitgevoerd met horizontale drains, aangevuld met verticale filters voor de pompput. Voor het debiet van de bemaling is de aanwezigheid van een kleilaag op circa 15 m diepte van belang. Het uitgevoerde grondonderzoek reikt niet tot deze diepte. Daarom wordt aanbevolen om een aanvullende sondering met kleefmeting uit te voeren (tot een diepte van NAP -25 m) om de aanwezigheid van de ondoorlatende kleilaag te verifiëren.
Op grond van het verwachte debiet voor de fietstunnel (70 m3/uur) en de pompput (aanvullend 10 m3/uur) kan worden overwogen de bouwput in delen te bemalen. In dat geval wordt het haalbaar geacht om de onttrekking uit te voeren onder een melding. Deze dient te worden gedaan bij het Waterschap Noorderzijlvest
De grondopbouw in de omgeving is zeer zandig zodat eigenlijk geen zettingen worden verwacht. De theoretische berekende zetting aan het maaiveld bedraagt ongeveer 3 mm naast de bouwput. Dit wil echter niet zeggen dat eventuele bebouwing ook 3 mm zal zetten. De beoordeling van de bebouwing is afhankelijk van meer factoren:
Samengevat kan worden gesteld dat gezien de zandige ondergrond zeer weinig tot geen zettingen worden verwacht. Bebouwing kan normaal gesproken kleine zettingen opvangen. Dit geldt ook bij bebouwing die op staal is gefundeerd. Problemen kunnen alleen optreden indien de staat van de bebouwing nu al matig is. In alle gevallen wordt aanbevolen om ruim voor de start van de bronbemaling de staat van het gebouw op te nemen. Wanneer de staat matig of slecht is, dient een meer gedetailleerde beschouwing te worden gemaakt.
Milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. In artikel 7.2 Wm wordt de m.e.r.- (beoordelings)plicht gekoppeld aan bepaalde in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten die verbonden zijn aan de eveneens in het Besluit m.e.r. weergegeven activiteiten. Het Besluit m.e.r. bevat hiertoe bijlagen waaronder de C- en D- lijst. Door middel van deze lijsten kan bij het opstellen van een ruimtelijk plan worden beoordeeld of het plan een ontwikkeling omvat die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kent. Bij een m.e.r.-plicht dient een milieueffectrapportage gemaakt te worden en bij een m.e.r.-beoordelingsplicht dient een afweging te worden gemaakt door het bevoegd gezag of een m.e.r. opgestart zal worden.
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. ingrijpend gewijzigd. Een belangrijke wijziging is dat de drempelwaarden in kolom 2 van de D- lijst behorende bij het Besluit m.e.r. indicatief zijn geworden. Zodoende dient ook voor onder de drempelwaarde blijvende activiteiten een m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden doorlopen, indien op grond van de selectiecriteria als opgenomen in bijlage III bij de m.e.r. richtlijn niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.
Voor het bestemmingsplan is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kennen. Hierbij is geen activiteit gevonden die mogelijk m.e.r-(beoordelings)plichtig is. Het uitvoeren van een (uitgebreide) m.e.r (-beoordeling) is dan ook niet noodzakelijk.
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevat de regeling voor de opzet en de inhoud van een bestemmingsplan. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is deze regeling verder uitgewerkt.
Het bestemmingsplan bestaat uit:
Bij het bestemmingsplan hoort een toelichting.
Ook zijn de regels van de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) toegepast. Met deze standaard worden de regels en de verbeelding zodanig opgebouwd en ingericht dat bestemmingsplannen goed met elkaar kunnen worden vergeleken.
Het bestemmingsplan met de daarbij behorende toelichting wordt langs elektronische weg vastgelegd en ook in die vorm vastgesteld, tegelijk met een analoge versie van het bestemmingsplan. Als de digitale en analoge versie tot interpretatieverschillen leiden, is de digitale versie beslissend.
Het bestemmingsplan biedt de geeigende bestemming zodat de aanleg van fietstunnel mogelijk wordt. Hierbij is zo veel mogelijk aangesloten op de bestemmingsregeling van het op 17 april 2013 vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied Noordenveld.
De regels zijn opgebouwd uit een aantal hoofdstukken.
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
In hoofdstuk 1 is een uitleg van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen opgenomen, alsmede de wijze van meten.
BEGRIPPEN
In dit artikel zijn de standaard begripsomschrijvingen van de gemeente Noordenveld opgenomen, aangevuld met die begrippen, die specifiek in dit bestemmingsplan voorkomen en waarbij sprake is van een (mogelijk) afwijkende betekenis in het algemeen spraakgebruik en/of technische begrippen.
WIJZE VAN METEN
Om de in de regels aangegeven oppervlakte, goot- en bouwhoogten en inhoud van bouwwerken te kunnen bepalen, is aangegeven hoe deze worden gemeten.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingen opgenomen. Hiernavolgend wordt per bestemming een korte uitleg gegeven.
VERKEER
Het gehele plangebied heeft de bestemming Verkeer gekregen. De gronden zijn bestemd voor wegen met een functie voor doorgaand verkeer (N372) en fiets- en voetpaden.
Voorts zijn toegestaan parkeer- en groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, met de daarbij behorende kunstwerken, overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde en werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden.
Hoofdstuk 3 Algemene regels
In dit hoofdstuk zijn de anti-dubbeltelregel, de algemene gebruiksregels en de algemene afwijkingsregels opgenomen.
ANTI-DUBBELTELREGEL
Het doel van de anti-dubbeltelregel is om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Kort gezegd, komt het erop neer, dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede maal mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren.
ALGEMENE GEBRUIKSREGELS
In de algemene gebruiksregels is aangegeven welke specifieke vormen van gebruik in elk geval strijdig zijn met de bestemmingen. In dit bestemmingsplan is een verbod opgenomen voor het gebruik van de gronden en gebouwen ten behoeve van een seksinrichting. Dit verbod geldt voor alle bestemmingen.
ALGEMENE AFWIJKINGSREGELS
In de algemene afwijkingsregels is een aantal bepalingen opgenomen die het mogelijk maken om het plan op ondergeschikte punten aan te passen. Omdat dit zich niet beperkt tot één bestemming, maar bij diverse bestemmingen gewenst of noodzakelijk kan blijken, zijn deze regels in beginsel op alle bestemmingen van toepassing.
Het verlenen van een omgevingsvergunning met afwijking mag geen automatisme zijn. Het verlenen van de vergunning wordt zorgvuldig afgewogen en gemotiveerd.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
In dit hoofdstuk zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen.
Voor de redactie van het overgangsrecht geldt het Besluit ruimtelijke ordening. Bebouwing die niet voldoet aan de bepalingen van dit bestemmingsplan is onder het overgangsrecht gebracht. Een geringe uitbreiding van de bebouwing met 10% wordt mogelijk gemaakt.
Het gebruik van gronden en opstallen dat in strijd is met dit bestemmingsplan op het tijdstip van inwerkingtreding, mag in beginsel worden voortgezet. Wijziging van dit strijdige gebruik is verboden, indien de afwijking van het plan wordt vergroot. Indien het strijdige gebruik, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
In de slotregel van het bestemmingsplan wordt aangegeven onder welke titel het bestemmingsplan wordt vastgelegd.
De gemeente Noordenveld heeft een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten met de provincie Drenthe. De Provincie Drenthe staat garant voor de uitvoering.
De economische uitvoerbaarheid van het plan is hiermee gegarandeerd. Het opstellen van een exploitatieplan is niet aan de orde.
Voorafgaand aan de bestemmingsplanprocedure heeft de Provincie Drenthe gesproken met de direct omwonenden en een grondeigenaar. Op 27 oktober 2015 is een inloopbijeenkomst georganiseerd voor omwonenden en overige geïnteresseerden.
Het voorontwerp bestemmingsplan is op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening toegezonden aan diverse instanties in het kader van het vooroverleg. Twee instanties hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt om een reactie te geven. De ingekomen reacties worden hierna behandeld en zijn als bijlage toegevoegd.
Het waterschap Noorderzijlvest geeft in haar reactie aan dat de waterparagraaf in paragraaf 4.10 van de toelochting correct is. Zij heeft geen opmerkingen op de verbeelding en de regels.
Antwoord gemeente
De gemeente neemt de reactie voor kennisgeving aan.
Het waterschap geeft aan dat gezien het gebruik van de tunnel, het hemelwater dat uit tunnelbak wordt gepompt (in de eindsituatie) zonder zuiverende voorzieningen kan worden geloosd op oppervlaktewater. De westelijke bermsloot van de Groningerweg ten noorden van het plangebied is het meest geschikt als ontvangend oppervlaktewater. Het betreft een schouwsloot welke afwatert in noordelijke richting.
Antwoord gemeente
De toelichting wordt op dit punt aangevuld.
Ten slotte geeft het waterschap aan dat ten behoeve van het plan een watervergunning dient te worden aangevraagd. Het gaat dan om het omleggen/veranderen van het bestaande slotenpatroon. mogelijk is ook een watervergunning vereist voor het onttrekken van grondwater in de bouwfase. Wellicht kan worden volstaan met een melding in plaats van een vergunning. Dat is afhankelijk van de duur en het debiet van de onttrekking. Dat staat al beschreven in paragraaf 4.10.
Het waterschap wijst de gemeente voorts op een belangrijke duiker (beton, 400 mm) onder de Brunlaan ter hoogte van achterzijde van perceel Groningerweg 31. Deze duiker is van belang voor de afvoer van water van het gebied ten zuiden van de Brunlaan. De afvoer van zuid naar noord dient te worden gehandhaafd.
Antwoord gemeente
De gemeente betrekt het waterschap bij de uitwerking van het plan en zal een watervergunning aanvragen. Bij de uitwerking van het plan zal de afvoer van zuid naar noord gehandhaafd blijven.
De Provincie Drenthe geeft aan dat twee aspecten van provinciaal belang zijn:
Een deel van het plangebied ligt in het NNN. Op basis van provinciaal beleid is compensatie van de aanwezige waarden nodig. Door de aanleg van een faunavoorziening is kwantitatieve compensatie in dit geval niet meer nodig. Geadviseerd wordt deze faunavoorziening in het bestemmingsplan op te nemen.
Het plangebied ligt in een gebied met een generiek beschermingsniveau. In de ondiepe ondergrond is potklei aanwezig. Vergraven hiervan kan invloed hebben op de waterhuishouding en de stabiliteit van het fundament voor een fietstunnel. De gemeente is verantwoordelijk voor het beschermen van de aardkundige waarden en het maken van goede afwegingen.
Antwoord gemeente
In de regels van de bestemming Verkeer is een faunavoorziening mogelijk gemaakt. De toelichting is aangevuld met informatie en een afweging wat betreft de aardkundige waarden.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 18 mei tot en met 28 juni 2017 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn twee zienswijzen kenbaar gemaakt bij de gemeenteraad. De zienswijzen zijn van een antwoord voorzien in een notitie die als Bijlage aan dit plan is toegevoegd. Naar aanleiding van de zienswijzen is het plan niet aangepast.