1.1 plan
het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Windpark Jacobahaven' van de gemeente Noord-Beveland.
1.2 bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1695.BPWindparkJacobahv-
VA01 met de bijbehorende regels.
1.3 aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangegeven, waar ingevolge de regels worden
gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
1.4 aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
1.5 aan- of uitbouw
een uit de gevel springend, in architectonisch opzicht ondergeschikt deel van een hoofdgebouw dat door de
indeling en inrichting is bestemd hoofdzakelijk te worden gebruikt overeenkomstig de functie van het
hoofdgebouw.
1.6 afgewerkt bouwterrein
de gemiddelde hoogte van de grond die gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde omringt.
1.7 afwijking
een afwijking als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 1 van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals deze luidt op het moment van vaststelling van het plan.
1.8 agrarisch bedrijf
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen of veredelen van
gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in grondgebonden agrarische bedrijven,
glastuinbouwbedrijven en niet-grondgebonden agrarische bedrijven.
1.9 agrarisch loonbedrijf
een niet-industrieel bedrijf dat met behulp van verplaatsbare landbouwwerktuigen en landbouwapparatuur,
uitsluitend of overwegend diensten verleent aan agrarische bedrijven ten behoeve van de agrarische
bedrijfsvoering.
1.10 aquacultuur
- extensieve aquacultuur: de teelt van zoutwatergebonden organismen in de open lucht;
- intensieve aquacultuur: een niet aan de grond gebonden bedrijf dat zich toelegt op de teelt en verwerking van zoutwatergebonden organismen in gebouwen.
1.11 archeologisch onderzoek
onderzoek verricht door of namens de gemeente, door een dienst, bedrijf of instelling, beschikkend over het
certificaat als bedoeld in paragraaf 5.1, artikel 5.1 tot en met artikel 5.6, van de Erfgoedwet en werkend
volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).
1.12 archeologische verwachting
de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische
sporen en relicten.
1.13 archeologisch vooronderzoek
archeologisch vooronderzoek kan bestaan uit locatiegericht bureauonderzoek, booronderzoek, geofysisch
prospectieonderzoek, het graven van proefsleuven of een combinatie daarvan. De verschillende vormen van
onderzoek worden verricht door een partij die beschikt over het certificaat als bedoeld in paragraaf 5.1, artikel
5.1 tot en met artikel 5.6, van de Erfgoedwet en die werkt volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie
(KNA). De resultaten van het onderzoek worden weergegeven en geïnterpreteerd in een rapport. Op basis
daarvan beoordeelt de gemeente of een omgevingsvergunning kan worden verleend.
1.14 archeologische waarde
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied aanwezige archeologische sporen en
relicten.
1.15 Awb
de Algemene wet bestuursrecht, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan.
1.16 bebouwing
een of meer gebouwen en/of andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
1.17 bebouwingspercentage
een op de kaart of in de regels aangeduid percentage, dat de grootte van het deel van een maatvoeringsvlak
aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd.
1.18 bedrijfsgebouw
een gebouw dat dient voor de uitoefening van een of meer bedrijfsactiviteiten.
1.19 bedrijfswoning
een woning in of nabij een gebouw of op een terrein, dat dient voor de huisvesting van een huishouden, wiens
huisvesting daar gelet op de bestemming noodzakelijk is.
1.20 bedrijfsmatige activiteiten in of bij een woning
het in een woning of bijgebouw door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, zoals een
kapsalon of een nagelstudio, waarbij de woning in overwegende mate zijn oorspronkelijke woonfunctie
behoudt met een ruimtelijke uitstraling die daarbij past en de aard en omvang van de activiteiten zodanig zijn
dat deze geen onevenredige afbreuk doen aan het woon- en leefmilieu in de directe omgeving en waarvoor
geen melding- of vergunningplicht op basis van het Besluit omgevingsrecht geldt.
1.21 beroepsmatige activiteiten in of bij een woning
het gebruik van (een beperkt gedeelte van) een woning en/of daarbij behorende aan- of uitbouwen en
aangebouwde bijgebouwen voor een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten door de
hoofdbewoner op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, vastgesteldtechnisch of hiermee
gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en/of daarbij behorende aan- of
uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend.
1.22 bestaande bouwwerken
bouwwerken die bestaan of kunnen worden gebouwd op het tijdstip van de terinzagelegging van het
vastgesteld van dit bestemmingsplan, met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet.
1.23 bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak.
1.24 bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
1.25 bevoegd gezag
het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een
omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 2.4
van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
1.26 bijgebouw
een met het hoofdgebouw verbonden of daarvan vrijstaand gebouw dat ten dienste staat van het
hoofdgebouw en door zijn ligging, functie, constructie of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
1.27 boogkas
een halfronde of min of meer halfronde constructie overtrokken met lichtdoorlatend materiaal anders dan
glas, bestemd voor de bescherming van gewassen tegen neerslag.
1.28 bodemingrepen
werken en werkzaamheden waarvan mag worden aangenomen dat zij het bodemarchief kunnen aantasten.
1.29 Bor
Besluit omgevingsrecht, zoals dit luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan.
1.30 bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk bouwen, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een
bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk bouwen, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
1.31 bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing
is toegelaten.
1.32 bouwperceelsgrens
de grens van een bouwperceel.
1.34 bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met
de grond verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
1.34 caravan
een kampeermiddel bestaande uit een samengesteld geheel, voorzien van een as, wielenstelsel en dissel.
1.35 centrale bedrijfsmatige exploitatie
het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een gezamenlijk beheer en exploitatie van
recreatiewoningen of een kampeerterrein gericht op het bieden van permanent wisselend-recreatief verblijf.
1.36 chalet
een kleinschalige recreatiewoning van lichte constructie, met een oppervlakte van maximaal 70 m2 inclusief
aan- of bijgebouw en een hoogte van maximaal 4 meter.
1.37 cultuurhistorische waarde
de in het kader van dit plan aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde gekenmerkt in verband met
ouderdom en gaafheid.
1.38 dagrecreatie
activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme, wellness en educatie, waarbij overnachting
uitdrukkelijk is uitgesloten.
1.39 dagrecreatieve voorziening
speciaal aangelegde accommodatie, al dan niet overdekt, ten behoeve van dagrecreatie.
1.40 deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg
een door het bevoegd gezag aan te wijzen ambtenaar met deskundigheid op het gebied van archeologische
monumentenzorg.
1.41 dunne mest
mest die verpompbaar is en die bestaat uit faeces of urine van landbouwhuisdieren, al dan niet vermengd met
mors-, spoel-, reinigings- of regenwater.
1.42 detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of
leveren van goederen aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan
in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
1.43 erf
al dan niet omheind stuk grond dat in ruimtelijk opzicht direct behoort bij, in functioneel opzicht ten dienste
staat van, en in feitelijk opzicht direct aansluit aan een gebouw en dat, blijkens de kadastrale gegevens behoort
tot het bouwperceel waarop dat gebouw is geplaatst.
1.44 erkende partij
een dienst, bedrijf of instelling, erkend door Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en werkend volgens
de specificaties van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.
1.45 escortbedrijf
de natuurlijke persoon, groep of rechtspersoon die bedrijfsmatig, of van omvang alsof zij bedrijfsmatig was,
prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte (van een seksinrichting) wordt
uitgeoefend.
1.46 extensieve dagrecreatie
die vormen van dagrecreatie die zijn gericht op de beleving van en/of kennismaking met natuur, landschap en
cultuur van het platteland, wandelend, per fiets, of te paard.
1.47 gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten
ruimte vormt.
1.48 geluidsgevoelige bebouwing
woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als andere
geluidsgevoelige gebouwen.
1.49 geluidshinderijke inrichting
bedrijven zoals bedoeld in artikel 41, lid 3, van de Wet geluidhinder en artikel 2.1, lid 3 van het Besluit
omgevingsrecht, die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken.
1.50 geomorfologische waarde
de aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door een karakteristieke hogere dan wel lagere ligging,
veroorzaakt door de ontstaansgeschiedenis van het grondgebied.
1.51 gevellijn
denkbeeldige dan wel op de kaart aangegeven lijn die strak langs de gevel van een gebouw loopt tot aan de
bouwperceelsgrenzen.
1.52 gevoelig object
een (deel van een) gebouw dat bedoeld is voor het verblijf van personen of een object, gebouw of terrein dat is
bedoeld voor verblijfs- of dagrecreatie, niet zijnde een kampeerterrein.
1.53 glastuinbouwbedrijf
een agrarisch bedrijf of bedrijfsonderdeel gericht op de teelt of veredeling van gewassen geheel of nagenoeg
geheel met behulp van kassen.
1.54 grondgebonden agrarisch bedrijf
- akkerbouw-, fruitteelt- en tuinbouwbedrijf: een agrarisch bedrijf dat zich toelegt op het telen of veredelen van gewassen in of op de open grond;
- grondgebonden veehouderij: een agrarisch bedrijf dat is gericht op het houden van dieren en dat voor de bedrijfsvoering afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond die tot dat bedrijf behoort;
- paardenfokkerij: een agrarisch bedrijf dat is gericht op het fokken van paarden, de verkoop van gefokte paarden en het houden van paarden ten behoeve van de fokkerij.
1.55 hoofdgebouw
een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als
belangrijkste gebouw valt aan te merken.
1.56 horeca
een bedrijf, gericht op een of meer van de navolgende activiteiten:
- het verstrekken van al dan niet ter plaatse te nuttigen voedsel en/of dranken;
- het exploiteren van zaalaccommodatie;
- het verstrekken van nachtverblijf.
1.57 kampeermiddel
tent, tentwagen, tenthuisje, kampeerauto of (sta)caravan, al dan niet een bouwwerk zijnde, waarvoor
ingevolge de wet geen omgevingsvergunning tot bouwen vereist is, een en ander mits deze geheel of ten dele
blijvend zijn bestemd of gebouwd dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
1.58 kampeerterrein
terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te
geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf.
1.59 kassen
bouwwerken van glas of ander lichtdoorlatend materiaal ten behoeve van de teelt of veredeling van gewassen.
1.60 kleinschalig kamperen
een kampeerterrein met maximaal 25 standplaatsen.
1.61 kweektunnel
een halfronde of min of meer halfronde constructie overtrokken met lichtdoorlatend materiaal anders dan
glas, bestemd voor het voortrekken van gewassen of het opkweken van plantmateriaal en/of voorkomen van
vogelvraat.
1.62 landschap- en natuurbeschermingsdeskundige
een door het bevoegd gezag aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen inzake
landschap en natuur.
1.63 landschappelijke waarde
de in het kader van dit plan aan een gebied toegekende waarde, wat betreft het waarneembare deel van het
aardoppervlak, welke waarde wordt bepaald door de herkenbaarheid en identiteit van de onderlinge
samenhang en beïnvloeding van niet-levende en levende natuur.
1.64 maatvoeringsvlak
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar een bepaalde maatvoering
geldt.
1.65 mestbassin
een reservoir bestemd en geschikt voor het bewaren van dunne mest, dat niet geheel of gedeeltelijk is gelegen
onder een stal, bijvoorbeeld een foliebassin of mestzak.
1.66 mestplaat
een vloeistofdichte plaat bestemd en geschikt voor het bewaren van vaste meststoffen.
1.67 molenaarswoning
een woning waarvan de eigenaar of gebruiker door middel van een privaatrechtelijke overeenkomst een
functie heeft aanvaard als molenaar en in die hoedanigheid werkzaamheden verricht en zorg draagt voor het
toezicht op en onderhoud van de in artikel 4 van deze planregels bedoelde windturbines.
1.68 natuurwaarde
de in het kader van dit plan aaneen gebied toegekende waarde gekenmerkt door geologische,
geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.
1.69 niet-grondgebonden agrarisch bedrijf
- intensieve veehouderij: een niet aan de grond gebonden agrarisch bedrijf of bedrijfsonderdeel dat zich toelegt op het houden of mesten van slacht-, fok-, leg- of pelsdieren in gebouwen (zoals een kalvermesterij, kippenfarm, varkensfokkerij en -mesterij);
- tuinbouwveredelingsbedrijf: een agrarisch bedrijf of bedrijfsonderdeel gericht op het telen van gewassen in gebouwen, niet vervaardigd van glas of ander lichtdoorlatend materiaal, zoals een champignonkwekerij of witlofkwekerij.
1.70 omgevingsvergunning
de vergunning als bedoeld in artikel 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
1.71 opgraving
de ontsluiting van een archeologische vindplaats met als doel de informatie te verzamelen en vast te leggen die
nodig is voor het beantwoorden van de in het Programma van Eisen verwoorde onderzoeksvra(a)g(en) en het
bepalen van de onderzoeksdoelstellingen. Opgravingen worden verricht door een erkende partij, beschikkend
over een opgravingsvergunning ex artikel 45 van de Monumentenwet en uitgevoerd volgens de desbetreffende
specificatie in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).
1.72 peil
- de kruin van de weg indien de afstand tussen het bouwwerk en de kant van de weg minder dan 5 m bedraagt;
- bij ligging in het water en voor windturbines: het N.A.P.;
- in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld.
1.73 plattelandswoning
(voormalige) agrarische bedrijfswoning die (tevens) door derden mag worden bewoond conform artikel 2.14,
lid 7, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
1.74 prostitutie
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.
1.75 Provinciale Handreiking Verevening
de notitie zoals vastgesteld in het portefeuillehoudersoverleg van de Vereniging Zeeuwse Gemeenten op 22
oktober 2013.
1.76 raamprostitutie
een seksinrichting met een of meer ramen van waarachter de prostituee tracht de aandacht van passanten op
zich te vestigen met als doel het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een
ander tegen vergoeding.
1.77 recreatief nachtverblijf
recreatie in ruimten welke zijn bestemd of gebouwd voor recreatief nachtverblijf, zoals een recreatiewoning,
kampeerhuisje, logeergebouwen, pension of kampeermiddel, door personen die hun hoofdverblijf elders
hebben.
1.78 recreatief wonen
bewoning van een ruimte als toeristisch verblijf, ondergeschikt aan een hoofdverblijf elders.
1.79 regenkap
niet door wanden omsloten bouwwerk overtrokken met lichtdoorlatend materiaal anders dan glas, bestemd
voor de bescherming van gewassen tegen neerslag.
1.80 risicovolle inrichting
een inrichting die valt onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen, zoals dit luidde
ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan.
1.81 rotor
het samenstel van rotorbladen (wieken) en hub (neus) van een windturbine.
1.82 rotorblad
de wiek van een windturbine.
1.83 rotordiameter
de diameter van de cirkel die door de tip (het uiteinde) van een rotorblad (wiek) wordt beschreven.
1.84 seksautomatenhal
een inrichting of daarmee gelijk te stellen gelegenheid waarin door middel van automaten filmvoorstellingen
en/of life-shows van erotische en/of pornografische aard kunnen worden gegeven.
1.85 seksbioscoop/-theater
een inrichting of daarmee gelijk te stellen gelegenheid waarin door vertoningen van erotische en/of
pornografische aard kunnen worden gegeven.
1.86 seksinrichting
de voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was,
seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder
een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotischmassagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.
1.87 stacaravan
een permanent kampeermiddel met een oppervlakte van maximaal 70 m2 inclusief aan- of bijgebouw en een
hoogte van maximaal 3,4 meter.
1.88 standplaats
een ruimte voor het plaatsen van een kampeermiddel.
1.89 straatprostitutie
zich op de openbare weg respectievelijk op openbare ruimten of in een zich op de openbare weg
respectievelijk openbare ruimte bevindend voertuig beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele
handelingen met een ander tegen vergoeding.
1.90 tijdelijke kweektunnels
kweektunnels die slechts gedurende een seizoen op de landbouwgronden aanwezig zijn.
1.91 tip van het rotorblad
het uiteinde van een rotorblad.
1.92 trekkershut
een gebouw van eenvoudige constructie, bestemd voor kortdurend recreatief verblijf, met een oppervlakte van
maximaal 40 m2 en een hoogte van maximaal 5 meter.
1.93 vaste meststoffen
dierlijke meststoffen en andere meststoffen van organische oorsprong en samenstelling, mits de meststoffen
niet verpompbaar zijn.
1.94 verblijfsrecreatie
recreatie in ruimten welke zijn bestemd of gebouwd voor recreatief nachtverblijf, zoals een recreatiewoning,
groepsaccommodatie/logeergebouw, pension, hotel of bed & breakfast door personen die hun hoofdverblijf
elders hebben.
1.95 voorgevel van een hoofdgebouw
de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan
worden aangemerkt.
1.96 voorgevellijn
de gevellijn waarin de voorgevel van het hoofdgebouw is gelegen, alsmede het verlengde daarvan.
1.97 Wabo
de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan.
1.98 waterbassin
een reservoir bestemd en geschikt voor het opslaan van water ten behoeve van het agrarische bedrijf.
1.99 weg
weg als bedoeld in artikel 1, lid 1, sub b van de Wegenverkeerswet 1994.
1.100 Wegenverkeerswet
de Wegenverkeerswet 1994, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan.
1.101 Wgh
de Wet geluidhinder, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van het plan.
1.102 windturbine
een bouwwerk ter opwekking van energie door benutting van windkracht, met uitzondering van
bemalingsinstallaties ten behoeve van de waterhuishouding.