direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1690.TAMOPH22aUitbrAlt-VG01

Regels

Dit plan beoogt een woningbouwontwikkeling mogelijk te maken aan de Oosterweg te Alteveer. Juridisch gezien is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente De Wolden. De in deze wijziging van het omgevingsplan (hierna dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als afdelingen van hoofdstuk 22(a) van het omgevingsplan van de gemeente De Wolden. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel' na de spatie en direct voor het artikelnummer '22a' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage' na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22a' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • a. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • b. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van het plan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan.
  • c. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer’, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1690.TAMOPH22aUitbrAlt-VG01.

Artikel 2 Begrippen

2.1 TAM-omgevingsplan

het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Uitbreiding Alteveer met identificatienummer NL.IMRO.1690.TAMOPH22aUitbrAlt-VG01 van de gemeente De Wolden;

2.2 begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in Bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I van het Besluit activititeiten leefomgeving, bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

2.3 omgevingsplan:

het omgevingsplan van gemeente De Wolden.

2.4 aan huis verbonden bedrijf:

kleinschalige bedrijvigheid als bedoeld in Lijst toelaatbare beroepen en vormen van bedrijvigheid bij wonen, die door zijn beperkte omvang in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;

2.5 aan huis verbonden beroep:

een dienstverlenend beroep als bedoeld in Bijlage 1 Lijst toelaatbare beroepen en vormen van bedrijvigheid bij wonen, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;

2.6 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

2.7 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

2.8 aaneengebouwde woning:

een woning deel uitmakend van in een rij aaneen gebouwde woningen;

2.9 achtererf:

erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw;

2.10 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

2.11 bestaand:
  • a. het gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning;
  • b. het onder a bedoelde geldt niet voor zover sprake was van strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan, de voorheen geldende beheersverordening, daaronder mede begrepen het overgangsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening of een andere planologische toestemming;
2.12 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

2.13 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

2.14 bouwperceelgrens:

de grens van een bouwperceel;

2.15 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

2.16 erf:

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van dat gebruik van dat gebouw en de functie deze inrichting niet verbiedt;

2.17 overig bouwwerk:

een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;

2.18 overkapping:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat hooguit aan twee zijden tegen gevels is aangebouwd en aan minimaal twee zijden open is;

2.19 peil:
  • a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst:
      • de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst:
      • de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  • c. indien de onder a en b genoemde peilen in het veld aanleiding geven tot onduidelijkheden, een door of namens burgemeester en wethouders aan te wijzen peil;indien op het land wordt gebouwd:
2.20 twee-aaneenwoning:

een woning van het type twee-aaneengebouwd;

2.21 voorerf:

gedeelte van het erf dat aan de voorkant van het gebouw is gelegen;

2.22 voorgevel:

de naar de weg, eventueel voetpad, vanwaar het gebouw hoofdzakelijk toegankelijk is, gekeerde gevel, indien een perceel met meerdere zijnde aan de weg grenst, geldt de als zodanig door burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel;

2.23 vrijstaande woning:

een woning zonder gemeenschappelijke wand met een andere woning;

2.24 water en waterhuishoudkundige voorzieningen:

al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vrijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie, en waterkwaliteit;

2.25 woning:

een gebouw of een gedeelte van een gebouw, krachtens aard en indeling geschikt en bestemd voor de huisvesting van één huishouden;

Artikel 3 Meet-en rekenbepalingen

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten

3.1 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

3.2 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

3.3 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

3.4 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwwerken zoals schoorstenen, antennes, ventilatiekappen, liftkokers, lichtkoepels en daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

3.5 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Overstekken van daken, dieper dan 40 cm, worden meegerekend bij de oppervlakte van bouwwerken;

3.6 de afstand tot de (bouw)perceelgrens:

vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (bouw)perceelgrens.

Artikel 4 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het plan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit TAM-omgevingsplan.

Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod

Niet genoemde functies en activiteiten die in strijd zijn met dit plan zijn niet toegestaan.

Hoofdstuk 2 Regels voor functies en activiteiten

Artikel 6 Agrarisch

6.1 Functieomschrijving

Gronden en bouwwerken binnen de functie 'Agrarisch' mogen worden gebruikt voor:

  • a. agrarisch grondgebruik;

met daaraan ondergeschikt:

  • b. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden van de gronden;
  • c. openbare nutsvoorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • d. infrastructurele voorzieningen;
  • e. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • f. sloten, beken, en daarmee gelijk te stellen waterlopen;
  • g. tuinen en erven;
  • h. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
6.2 Beoordelingsregels
6.2.1 Gebouwen

In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 mogen op of in deze gronden geen gebouwen of overkappingen worden gebouwd.

6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 gelden voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen de volgende beoordelingsregels:

  • a. silo's en bassins zijn niet toegestaan;
  • b. de bouwhoogte van erf- terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 1 m;
  • c. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, zal ten hoogste 5 m bedragen.
6.3 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

  • a. het bebouwingsbeeld;
  • b. de woonsituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. de milieusituatie;
  • f. de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden;
  • g. de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden;


maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing.

6.4 Specifieke functieregels
6.4.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik met deze functie wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de functieomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

  • a. het opslaan van mest en/of overige landbouwproducten buiten het bouwperceel, met uitzondering van tijdelijke opslag van akkerbouwproducten;
  • b. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor een intensieve veehouderij;
  • c. het gebruik van bouwwerken voor verblijfsrecreatieve doeleinden;
  • d. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel;
  • e. het dempen van beken;
  • f. het gebruik van gronden ten behoeve van het spuiten van chemische gewasbeschermingsmiddelen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - milieuzone chemische gewasbeschermingsmiddelen'.
6.4.2 Gebruik binnen de milieuzone chemische gewasbeschermingsmiddelen

Ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - milieuzone chemische gewasbeschermingsmiddelen' is agrarisch grondgebruik waarbij geen gewasbeschermingsmiddelen worden ingezet toegestaan, in overeenstemming met het Handelingskader spuitvrije zone De Wolden. Indien dit handelingskader gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt rekening gehouden met deze wijziging.

Artikel 7 Groen

7.1 Functieomschrijving

Gronden en bouwwerken binnen de functie 'Groen' mogen worden gebruikt voor:

  • a. groenvoorzieningen;

met daarbij behorende:

  • b. paden;
  • c. speelvoorzieningen;
  • d. openbare nutsvoorzieningen;
  • e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • f. bruggen, dammen en/of duikers;
  • g. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
7.2 Beoordelingsregels
7.2.1 Gebouwen

In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 mogen op of in deze gronden uitsluitend gebouwen voor nutsvoorzieningen worden gebouwd, waarbij geldt dat de inhoud per gebouwtje niet meer dan 30 m³ bedraagt en de bouwhoogte niet meer dan 3 m;

7.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 gelden voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen de volgende beoordelingsregels:

  • a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 3,5 m bedragen.
7.3 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

  • a. het bebouwingsbeeld;
  • b. de woonsituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. de milieusituatie;
  • f. de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden;
  • g. de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden;


maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing.

Artikel 8 Tuin

8.1 Functieomschrijving

Gronden en bouwwerken binnen de functie 'Tuin' mogen worden gebruikt voor:

  • a. tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen;
  • b. erkers en entreepartijen ten dienste van de op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen;

met daarbij behorende:

  • c. gebouwen en bijbehorende bouwwerken;
  • d. overige bouwwerken;
  • e. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden;
  • f. voorzieningen, parkeerplaatsen en inritten daaronder begrepen.
8.2 Beoordelingsregels
8.2.1 Gebouwen

In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 gelden voor het bouwen van gebouwen de volgende beoordelingsregels:

  • a. er mogen alleen bouwwerken als erkers en entreepartijen worden gebouwd, over maximaal de halve gevelbreedte en een diepte van niet meer dan 1,5 m;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer dan 3,5 m bedragen.
8.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde

In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 gelden voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde de volgende beoordelingsregels:

  • a. indien een bouwwerk, geen gebouw of overkapping zijnde voor de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt opgericht, mag de bouwhoogte niet meer dan 1 m bedragen;
  • b. in overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer dan 2 m bedragen.

Artikel 9 Verkeer

9.1 Functieomschrijving

Gronden en bouwwerken binnen de functie 'Verkeer' mogen worden gebruikt voor:

  • a. wegen;
  • b. bruggen, dammen en/of duikers;
  • c. sloten, bermen en beplanting;
  • d. tuinen;
  • e. groenvoorzieningen;
  • f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • g. bebossing;
  • h. parkeervoorzieningen;
  • i. nutsvoorzieningen.
9.2 Beoordelingsregels
9.2.1 Gebouwen

In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 mogen uitsluitend gebouwen voor nutsvoorzieningen worden gebouwd, waarbij geldt dat de inhoud per gebouwtje niet meer dan 30 m³ bedraagt en de bouwhoogte niet meer dan 3 m.

9.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen of overkapping zijnde

In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 gelden voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkapping zijnde, geldt de volgende beoordelingsregels:

  • a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouw of overkapping zijnde, zal ten hoogste 12 m bedragen.
9.3 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

  • a. het bebouwingsbeeld;
  • b. de woonsituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. de milieusituatie;
  • f. de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden;
  • g. de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden;


maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing.

Artikel 10 Wonen

10.1 Functieomschrijving

Gronden en bouwwerken binnen de functie 'Wonen' mogen worden gebruikt voor:

met de daarbij behorende:

  • c. wegen en paden;
  • d. groenvoorzieningen en water;
  • e. tuinen, erven en terreinen;
  • f. waterhuishoudkundige voorzieningen.
10.2 Beoordelingsregels
10.2.1 Hoofdgebouwen

In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen de volgende beoordelingsregels:

  • a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd;
  • b. hoofdgebouwen dienen binnen een bouwvlak te worden gebouwd;
  • c. ter plaatse van de bouwaanduiding 'vrijstaand' mogen woonhuizen vrijstaand worden gebouwd;
  • d. ter plaatse van de bouwaanduiding 'twee-aaneen' mogen woonhuizen twee-aaneen worden gebouwd;
  • e. ter plaatse van de bouwaanduiding 'aaneengebouwd' mogen woonhuizen uitsluitend aaneengebouwd worden gebouwd;
  • f. de breedte van een woonhuis bedraagt ten minste 5 m;
  • g. de maximum goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan de op de verbeelding aangegeven hoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)';
  • h. indien op de verbeelding een aanduiding 'rooilijn' is opgenomen, wordt de voorgevel van het hoofdgebouw in of evenwijdig aan deze aanduiding gebouwd;
  • i. de dakhelling van een woonhuis bedraagt niet minder dan 30° en niet meer dan 60º;
  • j. de afstand van een vrijstaand woonhuis, dan wel de niet-aangebouwde zijde van een aaneengebouwde woning tot de perceelgrens zal ten minste 3 m bedragen;
  • k. in afwijking van artikel 5.78t Bkl, gelet op artikel 5.78u Bkl, bedraagt het maximale gezamenlijke geluid op de gevels van de woningen niet meer dan de waarden zoals opgenomen in Bijlage 2;
  • l. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - spuitzone' wordt de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken pas verleend als door middel van onderzoek en/of door het treffen van maatregelen aangetoond kan worden dat het woon- en leefklimaat hierdoor niet onevenredig worden aangetast.
10.2.2 Bijbehorende bouwwerken

In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 gelden voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken de volgende beoordelingsregels:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte mag niet meer bedragen dan 60% van het bij het hoofdgebouw behorend achtererfgebied, met een maximum van 100 m²;
  • b. de goothoogte bedraagt ten hoogste 3 m met dien verstande dat de goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk mag worden verhoogd tot ten hoogste 0,25 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw;
  • c. de afstand tot de zijdelingse perceelgrenzen bedraagt ten minste 1 m tenzij in de perceelgrens wordt gebouwd;
  • d. bijbehorende bouwwerken dienen minimaal 3 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het woonhuis te worden gebouwd, tenzij het een overkapping betreft. Hierbij mag de afstand tot de voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde 0 m bedragen.
10.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

In aanvulling op het gestelde in artikel 22.29 gelden voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. indien het voor de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt opgericht mag de bouwhoogte niet meer dan 1 m bedragen;
  • b. in overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer dan 2,5 m bedragen.
10.3 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

  • het bebouwingsbeeld;
  • de woonsituatie;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden;
  • de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden;


maatwerkvoorschiften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing.

10.4 Specifieke beoordelingsregels
10.4.1 Specifieke beoordelingsregels hoofdgebouwen

De omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw kan ook worden verleend in afwijking van:

  • a. lid 10.2.1 onder g, ten behoeve van de bouw van een lessenaarsdak, met dien verstande dat de goothoogte aan één zijde van een hoofdgebouw wordt vergroot tot 9 m;
  • b. lid 10.2.1 onder h, met dien verstande dat de dakhelling van hoofdgebouwen voor maximaal 50% van het dakoppervlak mag worden verminderd tot 0º;
  • c. lid 10.2.1 onder i ten behoeve van het verkleinen van de afstand van een hoofdgebouw tot de perceelgrens.
10.4.2 Specifieke beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken

De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerken kan ook worden verleend in afwijking van:

  • d. lid 10.2.2 onder a en c, waarbij wordt toegestaan dat op hoekpercelen (zijdelingse perceelgrens grenzend aan openbaar gebied) 30 m² buiten het achtererfgebied gebouwd mag worden (alleen met plat dak), mits het maximum (genoemd in lid 10.2.2 onder a) niet wordt overschreden;
  • e. lid 10.2.2 onder a en c en in uitzonderlijke situaties toestaan dat op hoekpercelen (zijdelingse perceelgrens grenzend aan openbaar gebied) 50 m² buiten het achtererfgebied gebouwd mag worden (alleen met plat dak), mits het maximum (genoemd in lid 10.2.2 onder a) niet wordt overschreden. Voorwaarde hierbij is wel dat het perceel gelegen achter de voorgevel van het hoofdgebouw niet voor meer dan 60% bebouwd mag worden.
10.4.3 Beoordelingsregels

Bij toepassing van de afwijkingen zoals opgenomen in 10.4.1 en 10.4.2 wordt aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • het bebouwingsbeeld;
  • de woonsituatie;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden;
  • de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden.
10.5 Omgevingsplanactiviteit
10.5.1 Vergunningplichtige gevallen

In afwijking van het bepaalde in 10.1 onder a van dit TAM-omgevingsplan kan een omgevingsvergunning worden verleend voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep/bedrijf tot een oppervlakte van maximaal 100 m².

10.5.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in 10.5.1 wordt verleend, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. de oppervlakte van het aan huis verboden beroep/bedrijf blijft onder de oppervlakte van het hoofdgebouw;
  • b. aangetoond wordt dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
    • 1. het bebouwingsbeeld;
    • 2. de woonsituatie;
    • 3. de verkeersveiligheid;
    • 4. de sociale veiligheid;
    • 5. de milieusituatie;
    • 6. de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden;
    • 7. de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden;

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 11 Anti-dubbeltelbepaling

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 12 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen of voorschriften aan de omgevingssvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen verbinden met betrekking tot de plaats en afmeting van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. een samenhangend straat-en bebouwingsbeeld;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. de sociale veiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

Artikel 13 Algemene gebruiksregels

13.1 Verboden gebruik

Onder een gebruik in strijd met dit TAM-omgevingsplan wordt in elk geval wordt begrepen het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting/prostitutiebedrijf.

13.2 Toegestaan gebruik

Onder een gebruik in strijd met het TAM-omgevingsplan wordt niet verstaan het gebruiken van een bijbehorend bouwwerk bij een woning ten dienste van bewoning door een persoon die vanwege zijn gezondheidstoestand is aangewezen op de niet bedrijfsmatige zorg van een bewoner van de woning;

Artikel 14 Algemene afwijkingsregels

14.1 Afwijken

Een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het afwijken van:

  • a. de in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages voor zover dit gelet op het gebruik en/of de constructie noodzakelijk is;
  • b. de regels teneinde het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate aan te passen, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven;
  • c. de regels met het oog op de aanpassing aan de werkelijke afmetingen van het terrein, mits de structuur van het plan niet wordt aangetast, de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en de afwijking gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan;
  • d. de regels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde opdat de bouwhoogte wordt vergroot tot niet meer dan 10 m;
  • e. de regels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, opdat de bouwhoogte van kunstwerken en van zend-, ontvang- en/of sirenemasten wordt vergroot tot niet meer dan 40 m;
  • f. de regels opdat de grenzen van het bouwvlak naar de buitenzijde worden overschreden door:
    • 1. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen;
    • 2. gevel- en kroonlijsten, overstekende daken;
    • 3. (hoek)erkers over maximaal de halve gevelbreedte, ingangspartijen, luifels, balkons en galerijen, met dien verstande dat:
      • de bouwvlakgrens met niet meer dan 1,5 m mag worden overschreden;
      • de afstand van een erker tot de naar de weg gekeerde perceelgrens niet minder dan 3 m mag bedragen;
      • de gezamenlijke oppervlakte per erker niet meer dan 6 m² mag bedragen;
      • de gezamenlijke oppervlakte van een erker niet wordt meegerekend bij de bepaling van de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken;
  • g. de regels en kan logiesverstrekking worden toegestaan, waarbij in ieder geval wordt getoetst aan de volgende criteria:
    • 1. vestiging is toegestaan binnen de gehele gemeente;
    • 2. vestiging moet plaatsvinden binnen bestaande bebouwing, en mag zowel in een hoofdgebouw als in een bijbehorend bouwwerk gerealiseerd worden. Er wordt uitgegaan van een bestaande entree (deur);
    • 3. in een bijbehorend bouwwerk mogen uitsluitend slaapplaatsen met sanitaire voorzieningen worden gerealiseerd. Hieraan gekoppeld moet in het bijbehorende hoofdgebouw een ontbijtruimte, en mag een eventuele woonkamer, worden gerealiseerd;
    • 4. het bijbehorend bouwwerk dient in de directe nabijheid gesitueerd te zijn van het hoofdgebouw en dient een duidelijke relatie te hebben met het hoofdgebouw;
    • 5. de uiterlijke kenmerken van het bijbehorend bouwwerk moeten behouden blijven. Er mogen geen uiterlijke kenmerken van een woning worden toegevoegd;
    • 6. er mogen maximaal drie slaapkamers gerealiseerd worden;
    • 7. er mag geen keukenblok in de kamers worden gemaakt;
    • 8. het parkeren dient op het eigen erf plaats te vinden;
    • 9. er mag geen extra inrit worden aangelegd in verband met de vestiging;
    • 10. de vestiging is alleen toegestaan aan een verkeersontsluiting van voldoende omvang;
    • 11. de vestiging mag geen onevenredige afbreuk doen aan de milieusituatie van agrarische bedrijven in de directe omgeving.
14.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning kan alleen worden verleend indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • a. het bebouwingsbeeld;
  • b. de woonsituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. de milieusituatie;
  • f. de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden;
  • g. de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

Artikel 15 Overige regels

15.1 Werking wettelijke regelingen

Waar in dit plan wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, wordt geduid op regelingen zoals die luidden op het tijdstip van de ter inzagelegging van het ontwerp van dit TAM-omgevingsplan.

15.2 Parkeerregels
  • a. Bij de verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen of een omgevingsvergunning voor een gebruiksverandering moet, indien de omvang of de functie van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's, (motor)fietsen of andere voertuigen in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het bijbehorend bouwperceel. Dit betekent dat moet worden voldaan aan de normen in de parkeerkencijfers in de CROW-publicatie 744 en dat indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging;
  • b. Indien de toegekende functie van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het bijbehorend bouwperceel;
  • c. Gerealiseerde voorzieningen als bedoeld in sub a en b, dienen na de realisering in stand te worden gehouden;
15.3 Afwijken van de parkeerregels

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 15.2 indien:

  • a. de structuur van de omgeving hiertoe aanleiding geeft; en
  • b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid;

of

  • c. het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
  • d. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 16 Overgangsrecht

16.1 Overgangsrecht bouwwerken
16.1.1 Bouwwerken

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
16.1.2 Afwijken

Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.

16.1.3 Uitzondering

Artikel 16.1.2 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

16.1.4 Geldingstermijn

Het overgangsrecht voor bouwwerken zoals bedoeld in lid 16.1.1 heeft een geldingstermijn van 10 jaar vanaf de dag van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.

16.2 Overgangsrecht gebruik
16.2.1 Gebruik

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet, behoudens voor zover uit de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan bestaand gebruik.

16.2.2 Strijdig gebruik

Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

16.2.3 Verbod

Indien het gebruik, bedoeld in eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

16.2.4 Uitzondering

Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.