direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Oldenhave 17, Ruinen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1690.BP00469-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

In het buitengebied van Ruinen, aan de Oldenhave 17, was een agrarisch bedrijf gevestigd. De bedrijfsvoering hiervan is inmiddels beëindigt en de bestaande bedrijfswoning is inmiddels gesloopt. De eigenaar, hierna initiatiefnemer, wil op deze plek een nieuwe reguliere woning bouwen, zonder enige binding te hebben met een agrarisch bedrijf. De beoogde ontwikkeling is niet mogelijk op basis van de huidige beheerverordening (zie paragraaf 1.4).

Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken, is het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Dit bestemmingsplan voorziet hier in.

1.2 Ligging van het plangebied

Het plangebied betreft het perceel aan de Oldenhave 17 te Ruinen. Het ligt in het buitengebied van de gemeente de Wolden ten Zuidwesten van Ruinen. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergeven ten opzichte van de kern Ruinen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00469-VG01_0001.jpeg"

Figuur 1.1 Ligging van het plangebied (bron: pdok.nl)

1.3 De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan 'Oldenhave 17, Ruinen' bestaat uit de volgende stukken:

  • Toelichting;
  • Regels;
  • Verbeelding met identificatienummer NL.IMRO.1690.BP00469-VG01

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

1.4 Vigerende beheersverordening

Het plangebied bevindt zich binnen de beheersverordening 'Buitengebied' (vastgesteld door de gemeenteraad op 28 februari 2019). Het plangebied is hierin bestemd met de bestemming 'Agrarisch met Waarde' met de aanduiding 'Agrarisch bedrijf'. Een klein deel van het plangebied is bestemd met de bestemming 'Agrarisch'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00469-VG01_0002.jpeg"

Figuur 1.2 Ligging van het plangebied (bron: pdok.nl)

In het plangebied is een grondgebonden agrarische bedrijf toegestaan. Evenals wonen ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep, dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit.

Hiernaast kent het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Deze bestemming is voor het behoud en herstel van de archeologische waarden. In het plangebied is archeologisch onderzoek verplicht bij ingrepen van meer dan 100 m² en dieper dan 30 centimeter (zie paragraaf 4.6).

1.5 Leeswijzer

Na deze inleiding worden in Hoofdstuk 2 de huidige situatie en de nieuwe situatie beschreven. In Hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie Drenthe en de gemeente De Wolden beschreven. Vervolgens worden in Hoofdstuk 4 alle relevante milieuthema's beschreven. Hoofdstuk 5 omvat de juridische aspecten/planverantwoording. In Hoofdstuk 6 en Hoofdstuk 7 wordt respectievelijk ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en het vooroverleg, inspraak en zienswijzen.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Ruinen. Het ligt aan de Oldenhave 17. Vanaf het perceel kijk je in westelijke richting uit op de Ronde Hoek (figuur 2.1). De Ronde Hoek is een 60 km/uur weg die in noordelijke richting de Oldehave verbindt met de Meppelerweg en de kern Ruinen. In Noordwestelijke richting van het perceel is een agrarisch bedrijf gevestigd (figuur 2.2). Ten zuid(oost)en liggen een aantal woningen. De omligende woningen bestaan uit een bouwlaag met kap. Deze hebben veelal een rieten dak. Een enkele woning heeft dakpannen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00469-VG01_0003.png"

Figuur 2.1: Omgeving vanaf het perceel (bron: Streetview)

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00469-VG01_0004.png"

Figuur 2.2: Omgeving ten Zuidwesten van het plangebied (bron: Streetview)

Op figuur 2.3 is een luchtfoto van het perceel te zien. De voormalige bedrijfswoning en schuur zijn in april jl. gesloopt. Hiervoor in de plaats wordt een nieuwe woning gerealiseerd. De overige (bedrijfs)gebouwen blijven behouden. Op figuur 2.4 is de situatie voor de sloop te zien. Aan de noordzijde van het perceel staat een boomgaard. Figuur 2.5 is een foto van de huidige situatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00469-VG01_0005.jpeg"

Figuur 2.3: Het plangebied (bron: pdok.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00469-VG01_0006.png"

Figuur 2.4: Situatie plangebied voor sloop (bron: Streetview)

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00469-VG01_0007.png"

Figuur 2.5 Situatie plangebied na de sloop van de woning

2.2 Voorgenomen initiatief

Het voornemen is om op de plaats van de gesloopte bebouwing een nieuwe woning te realiseren. In figuur 2.5 is de beoogde situatie te zien. Hier is te zien dat een aantal bestaande schuren blijven bestaan, maar worden omgebouwd zodat er het gebruikt kan worden voor een andere functie. Er wordt nog een extra bijgebouw toegevoegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00469-VG01_0008.png"

Figuur 2.6: Beoogde situatie Oldenhave 17

Zoals beschreven in paragraaf 2.1, bestaan de omliggende woningen voornamelijk uit een bouwlaag met rieten kap. Met de beoogde woning wordt hierop aangesloten. De nieuwe woning komt op de locatie van de bestaande boerderij. bestaat uit een bouwlaag met kap (figuur 2.6). De nieuwe woning wordt in de stijl van een schuurwoning gebouwd. De bestaande schuur wordt verbouwd tot carport.

De beoogde woning heeft een oppervlak van circa 160 m². Het bruto oppervlak van de woning inclusief de overstekende kap is circa 290 m2, De goothoogte bedraag circa 3 meter en maximale bouwhoogte bedraagt circa 8 meter. Hiermee sluit de beoogde woningen aan bij de regels van de bestemming wonen uit de geldende beheersverordening 'Buitengebied'. Door de woning in de vorm van een schuur te realiseren past goed binnen een agrarisch gebouwen uit de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00469-VG01_0009.png" Figuur 2.6: Ontwerp nieuwe woning

In figuur 2.7 en 2.8 zijn de aanzichten van de nieuwe woning te zien.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00469-VG01_0010.png"

Figuur 2.7: Voor- en rechter zijaanzicht

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00469-VG01_0011.png"

Figuur 2.8: Achter- en linker zijaanzicht

2.3 Verkeer en parkeren

Het plangebied wordt ontsloten op de Oldenhave. De Oldehave ontsluit in noordelijke richting het projectgebied richting de kern Ruinen. Door de beoogde ontwikkeling zal de verkeersgeneratie van en naar het plangebied niet toenemen. Door het verdwijnen van de agrarische functie is het aannemelijk dat het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied zal afnemen.

Parkeren is, evenals in de huidige situatie, op eigen terrein. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied, geldt volgens CROW de minimale parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning. Hier is op eigen terrein ruimte genoeg voor.

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister vastgesteld. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Om de verantwoordelijkheden te leggen waar deze het beste passen brengt het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsruimte voor het faciliteren van ontwikkelingen.

Ladder voor duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder is per 1 oktober 2012 ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen dat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.

Toetsing ladder voor duurzame verstedelijking

Met dit plan wordt een bestaande bedrijfswoning vervangen voor een nieuwe woning. Met dit voornemen wordt geen extra bebouwing aan het perceel toegevoegd. Een plan om één nieuwe woning te realiseren wordt, vanwege de relatieve kleinschaligheid (minder dan 11 woningen), door de Raad van State niet gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Voor deze kleinschalige ontwikkeling is dan ook geen aanleiding om de ladder te doorlopen om deze ontwikkeling verder te onderbouwen.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels voor de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het voornemen raakt geen nationale ruimtelijke belangen. Zodoende staat het rijksbeleid de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.

3.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Drenthe 2018

In 2018 is een actualisatie van de Omgevingsvisie Provincie Drenthe vastgesteld. De Omgevingsvisie Drenthe is het strategische kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van de provincie Drenthe voor de periode tot 2030 en in een aantal gevallen verder in de toekomst.

De provincie ziet vijf belangrijke ontwikkelingen:

  • de demografische ontwikkeling;
  • de klimaatverandering;
  • de afname van de biodiversiteit;
  • de transitie naar een kennis- en netwerkeconomie;
  • de transitie naar een duurzame energievoorziening.

De belangrijkste opdracht tot 2030 is het vinden van een antwoord op de vraag hoe met deze ontwikkelingen moet worden omgegaan. Daarnaast heeft de provincie diverse ambities en daarmee ook belangen. Het doel van de omgevingsvisie is het koesteren van kwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe, passend bij die kwaliteiten. Het is een streven naar ruimtelijke kwaliteit door nieuwe ontwikkelingen en behoud van bestaande kwaliteiten. De ontwikkelingen moeten passen bij de kernkwaliteiten die de provincie rijk is.

De provincie Drenthe wil ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit. De visie biedt ruimte voor het toevoegen van een incidentele woning buiten bestaand stedelijk gebied mits:

  • de bebouwing is gelegen in een bebouwingslint of een cluster van bebouwing;
  • er sprake is van een significante verbetering van de ruimtelijke kwaliteit;
  • er sprake is van een landschappelijke inpassing, passend bij de gebiedskenmerken die zijn vastgelegd in een landschappelijk inpassingsplan;
  • het plan past binnen de gemeentelijke woonvisie en leidt niet tot leegstand elders.

Voor het plangebied zijn de volgende kernkwaliteiten van toepassing. De kernkwaliteiten zijn verder inhoudelijk uitgewerkt in de visie, waarbij per kernkwaliteit algemeen en specifiek beleid is opgenomen.

  • 'landschap'; Esdorpenlandschap: Het esdorpenlandschap is een agrarisch cultuurlandschap. De esdorpen vormen vanouds de ontginningsbasis van het landschap. Ze liggen veelal op landschappelijke overgangen van nat (beekdal) naar droog (es/heide/bos). Omdat het hier gaat om een perceelsgebonden ontwikkeling wordt het landschap niet aangetast.Daarnaast was in de huidige situatie al een (bedrijfs)woning aanwezig. Met dit plan wordt dit een reguliere woning. Dit heeft geen negatief effect op het Esdorpenlandschap.
  • 'aardkundige waarden'; Middel beschermingsniveau aardkundige waarden: In deze gebieden vormen de aardkundige waarden een randvoorwaarde voor ontwikkelingen. Aardkundige waarden geven de richting aan, door het behoud van karakteristieken na te streven, zodat de kenmerken van het aardkundig hoofdlandschap worden behouden. De provincie verwacht dat gemeenten per plangebied bekijken of er sprake is van kenmerkende waarden en beschermen deze waar nodig borgen via het bestemmingsplan
  • 'archeologie'; Beschermingsniveau 1: generiek :Het beschermingsniveau Generiek richt zich op het algemene uitgangspunt dat alle behoudenswaardig archeologische vindplaatsen (waarden) die op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van Drenthe staan en de nieuw ontdekte behoudenswaardige vindplaatsen niet ongezien kunnen verdwijnen. In paragraaf 4.6  wordt nader ingegaan op dit onderdeel.
  • 'cultuurhistorie'; respecteren: Het beleidsuitgangspunt respecteren geldt voor de gehele cultuurhistorische hoofdstructuur. Bij ontwikkelingen wordt ingezet op het waarborgen van de cultuurhistorische samenhang voor de toekomst;In paragraaf 4.6 wordt nader ingegaan op dit onderdeel.

Toetsing Omgevingsvisie

De ontwikkeling in het buitengebied van Ruinen past binnen de ambities van de Omgevingsvisie en haar kernkwaliteiten. Met dit bestemmingsplan wordt een agrarische bestemming gewijzigd in een woonbestemming. Met dit plan wordt geen nieuwe woningen toegevoegd aan het buitengebied. Wel is een bestaande woning gesloopt en daarvoor in de plaats wordt een nieuwe woning herbouwd. Met het herbouwen van de woning wordt rekening gehouden met de landschappelijke inpassing. Het erf is in de huidige situatie door middel van een boomgaard al goed ingepast. Met de beoogde ontwikkeling wordt de erf beplanting niet aangetast, waardoor het erf goed ingepast blijft. De bouwstijl van de schuurwoning past goed bij de rest van de woningen in de omgeving. Tevens wordt de kwaliteit van het buitengebied met een nieuwe woning verbetert.

Provinciale omgevingsverordening Drenthe

Provinciale Staten van Drenthe hebben op 3 oktober 2018 de Verordening Ruimtelijk Omgevingsbeleid vastgesteld. Deze Omgevingsverordening wordt elk jaar geactualiseerd. De laatste actualisatie is van juni 2019.

De verordening is gericht tot de gemeenten en bevat voorschriften waar ruimtelijke plannen aan dienen te voldoen. Met de beoogde ontwikkeling wordt er geen extra woning en/of bebouwing toegevoegd aan het buitengebied. Met dit plan wordt een bestaande bedrijfswoning vervangen door een reguliere woning. Er wordt dus feitelijk geen nieuwe woning toegevoegd aan het buitengebied. De overige artikelen uit de verordening zijn voor het plangebied niet relevant. Het plan sluit aan bij de provinciale ruimtelijke beleidskaders.

3.3 Regionaal beleid

Woonvisie Zuidwest Drenthe

In het kader van de regionale afstemming is met de buurgemeenten Hoogeveen, Westerveld en Meppel overleg gevoerd over het woningbouwprogramma. De uitkomst van de afstemming heeft geresulteerd in een regionale woonvisie.

Op 30 oktober 2012 is de Regionale Woonvisie Zuidwest Drenthe, Groeimodel, deel I door het college van de gemeente de Wolden en de andere betrokken gemeenten vastgesteld. In het bestuurlijk afstemmingsoverleg RO/Wonen Zuidwest Drenthe van 21 december 2015 is de woningbehoefte voor Zuidwest Drenthe vastgesteld voor de periode 2016-2025. Deze woningbehoefte prognose is gebaseerd op de provinciale bevolkingsprognose 2015, vertaald naar de woningbehoefte in de regio Zuidwest Drenthe. De vastgestelde woningbehoefte geldt als kader voor de woningbouwontwikkeling in de regio en dient als uitgangspunt voor de actualisatie van het gemeentelijk woonbeleid voor de gemeenten binnen deze regio.

Met dit plan wordt een agrarische bestemming gewijzigd in een woonbestemming. In de huidige situatie was al een (bedrijfs)woning aanwezig. Met dit bestemmingsplan wordt dan ook geen nieuwe woning toegevoegd aan het buitengebied. .

3.4 Waterschapsbeleid

Het beleid van het waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het waterbeheerplan 2016 - 2021. Specifiek voor het gebied heeft het waterschap het beleid geformuleerd in 'Water Raakt!'. Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.

Het waterschap laat in dit waterbeheerplan zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten we in de samenwerking met de partners willen leggen. Vanuit die omgevingsverkenning wordt vervolgens het beleid voor de planperiode 2016-2021 beschreven voor onze primaire taakgebieden:

  • Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water.
  • Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water.
  • Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water.
  • Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater.

Bij ruimtelijke plannen adviseert het waterschap om te komen tot een duurzame ruimtelijke inrichting. Ruimtelijke aanpassingen kunnen bijdragen aan het voorkomen van een overstroming of wateroverlast en het beperken van eventuele gevolgen.

Daarnaast gaat het ook om de bijdrage die inwoners, gemeenten, provincies en belangenorganisaties zelf kunnen leveren aan waterveiligheid. De betrokkenheid vanuit de samenleving bij de gewenste veiligheid is een belangrijk aandachtspunt in de planperiode.

Doelstellingen van het waterschap inzake ruimtelijke plannen is het beperken van de gevolgen van wateroverlast en overstromingen (overlast, schade en slachtoffers) en het vergroten van het bewustzijn van de (resterende) eigen verantwoordelijkheid van de inwoners, overheden en bedrijven.

Dit plan zal geen negatieve gevolgen van wateroverlast en overstromingen veroorzaken. Voor dit plan is de digitale watertoets doorlopen. De uitkomst van deze toets en nadere uitwerking van het wateradvies, is aangegeven in paragraaf 4.4

 

Conclusie

Het plan betreft een geringe ruimtelijke ingreep welke geen invloed van betekenis heeft op de eisen vanuit het waterplan en op grond daarvan vormt dit plan geen beletsel voor de uitvoering.

3.5 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie De Wolden (2011)

De gemeentelijke Structuurvisie 2010-2030 is een strategische beleidsdocument met een uitvoeringsparagraaf. De structuurvisie is vastgesteld door de gemeenteraad op 10 maart 2011 en is alleen bindend voor de opsteller, in dit geval de gemeente. De structuurvisie is gebaseerd op de gedachte dat in hoofdzaak moet worden ingezet op nieuw te bouwen woningen in de vijf kerndorpen (Zuidwolde, de Wijk, Ruinen, Ruinerwold en Koekange). Dit met het oog op het in stand houden van de aanwezige voorzieningen aldaar.

De visie richt zich op het creëren van ontwikkelingsmogelijkheden, waarbij het versterken van de ruimtelijke kwaliteit de randvoorwaarde is. Ruimtelijke kwaliteit in De Wolden wordt bepaald en versterkt door de dynamiek van het landschap.

Het plangebied maakt onderdeel uit van het "esdorpenlandschap". Het esdorpenlandschap is het grootst in oppervlakte. Dit is het landschap waar Drenthe bekend om is: essen, beken, velden en bossen in een samenhangend systeem. De structuur komt voort uit de natuurlijke eenheden en wordt gekenmerkt door kromme lijnen. Het esdorpenlandschap is weer nader onderverdeeld in "het gave esdorpenlandschap", "de bossen van het esdorpenlandschap" en "het minder gave esdorpenlandschap". Het gebied rondom Ruinen en Ansen behoort tot "het gave esdorpenlandschap"(gebied 1A).

Landschappelijk bouwen

Vanuit cultuurhistorisch perspectief wordt gekozen voor woningbouw aansluitend op de bestaande bebouwing en structuur in de vorm van kleine brinken (pleintjes) met daaromheen een ensemble van huizen, de open ruimtes als bron van levendigheid, kleinschaligheid en groen. Voor de uitbreidingslocaties geldt:

  • De essen vrij blijven van bebouwing, om de kenmerkende openheid te behouden. Geschikt zijn bijvoorbeeld de randen van de es. Hierbij zijn de esrand met boomwallen en eikenhakhoutbosjes structuurbepalende elementen.
  • De kenmerkende open, losse structuur van de dorpen blijft behouden. Dit betekent het behoud van de open ruimten in het dorp en het behoud van de smalle wegenstructuur.

Met de introductie van het concept 'landschappelijk bouwen' voor de kleine kernen en het buitengebied anticipeert de gemeente in belangrijke mate op de verwachte krimp. Op deze manier kan de gemeente De Wolden toch woningaanbod blijven aanbieden. Niet alleen in de kerndorpen, maar ook in de kleine kernen en in het buitengebied worden immers mogelijkheden voor woningbouw geboden. Belangrijk hierbij is het behoud van de identiteit van het landschap. Het landschappelijk bouwen is van toepassing op de realisatie van de woning die de structuurvisie biedt in het buitengebied.

Landschappelijk OntwikkelingsKader (LOK)

De gemeenteraad heeft op 29 november 2012 het LOK vastgesteld. Het LOK is een instrument waarbij de samenhang tussen de verschillende landschappen, stedenbouwkundige aspecten, uitbreidingsplannen en functieveranderingen op elkaar worden afgestemd. Daarnaast bevat het LOK randvoorwaarden waarbinnen ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. In het LOK worden 'rode' en 'groene; middelen aangereikt die gebruik kunnen worden voor het creëren van bij het landschap en het dorp passende dorpsranden.

De kenmerken van een landschap komen voort uit het ontstaan en het gebruik van het landschap. Het plangebied ligt in een Essenlandschap. Het is het landschap dat als eerste is bewoond en waar de bewoners de inrichting van het land hebben geplooid naar de natuurlijke omstandigheden. Historische boerderijen, erven, oude boomgaarden, houtsingels en essen maken het een waardevol gebied.

Aandachtspunten

In het LOK worden aandachtspunten voor het Essenlandschap beschrijven: De rijke, alom gewaardeerde historische uitstraling van dit deelgebied en de kleinschalige opzet ervan is de grote kracht van het esdorpenlandschap. Door de groei van erven en dorpen en de gewenste opschaling in de agrarische sector staat de historiciteit en kleinschaligheid echter onder druk. Maar nieuwe ontwikkelingen bieden ook kansen om juist het karakter van het esdorpenlandschap te versterken. Dat vraagt echter wel om maatwerk, waarbij de logische, landschappelijke verankering bijzondere aandacht vraagt.

Het perceel is in de huidige situatie reeds landschappelijk ingepast. Met de bestaande boomgaard wordt het perceel vanuit het open landschap en de openbare weg reeds afgeschermd. Daarnaast gaat het hierom een perceelsgebonden ontwikkeling waarmee het omliggende Essenlandschap niet wordt aangetast. Zoals ook beschreven in paragraaf 2.2 doet de bouw van de woning geen afbreuk aan de bestaande (landschappelijke) karakteristieken en waarden van het gebied.

Welstandsnota 2013

In de gemeente De Wolden bestaat de bestuurlijke wens tot deregulering en om meer verantwoordelijkheid bij de burger neer te leggen. Deze wens heeft er toe geleid dat in de raadsvergadering van 13 december 2012 de raad besloten heeft tot het welstandsvrij verklaren van grote gebieden van de gemeente. Daarmee heeft de gemeenteraad het vertrouwen in de burger uitgesproken dat hij/zij de verantwoordelijkheid aan kan om op een juiste wijze met de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente De Wolden om te gaan

 

Het plangebied is op de kaart behorende bij de welstandnota 2013 aangewezen als welstandsvrij gebied (figuur 3.1). Desondanks is het wel belangrijk dat de nieuwe woning goed past bij de omringde bebouwing. Zoals beschreven in paragraaf 2.1 en 2.2, past de nieuwe schuurwoning in het buitengebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00469-VG01_0012.png" Figuur 3.1: Uitsnede welstandskaart gemeente De Wolden

Woonplan 2017-2022

De gemeente De Wolden heeft op 6 juli 2017 het Woonplan 2017-2022 'Een leven lang wonen' vastgesteld. Het document heeft als doel zowel de gemeente als stakeholders handreikingen te geven voor keuzes en opgaven voor de komende jaren. In het woonplan is geen specifiek beleid voor het buitengebied. Met de beoogde ontwikkeling wordt er geen extra woning aan het gebied toegevoegd. Het voornemen heeft dus geen invloed op het woonplan. Met dit plan wordt een bestaande bedrijfswoning vervangen voor een duurzamere woning. Hiermee wordt verpaupering van een voormalig agrarisch bedrijfsperceel tegen gegaan.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Natuur en ecologie

Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op de natuurbescherming, rekening worden gehouden met de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming.

Gebiedsbescherming

De bescherming van Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten is geregeld in de Wet natuurbescherming(Wnb). Indien ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van de natuurwaarden binnen deze gebieden, moet een vergunning worden aangevraagd. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het provinciale bescherming van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) en weidevogelleefgebieden.

Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het natuurnetwerk Nederland (NNN). Uit de kaart van het Natuurbeheerplan blijkt dat in het plangebied of directe omgeving geen beschermde landschapselementen aanwezig zijn. De afstand tot zowel het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 3,8 km en tot het dichtstbijzijnde NNN -gebied bedraagt 171 meter. Ondanks de korte afstand op een NNN-gebied kan gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling, verstoring en verandering van dit NNN-gebeid worden uitgesloten.

De Wet Natuurbescherming en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg. 

Natura 2000-gebieden: impact stikstofdepositie

In Nederland staan veel Natura 2000-gebieden onder druk door een overbelasting van sikstofdepositie. In het Programma Aanpak Stikstof (PAS) zijn alle Natura 2000-gebieden opgenomen waar ten minste één stikstofgevoelig habitat voorkomt dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. Ook kleinschalige initiatieven kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie en moeten om die reden daarop worden beoordeeld. Voor kleine plannen waarvan op voorhand (en goed gemotiveerd) kan worden onderbouwd dat deze - vanwege bijvoorbeeld de grote afstand tot Natura 2000-gebieden - geen negatieve gevolgen kunnen hebben voor de relevante Natura 2000-gebieden, kan een passende beoordeling van de stikstofdepositie achterwege blijven. Hiermee geeft het ministerie ruimte voor een kwalitatieve onderbouwing voor kleine projecten, waarvan op voorhand met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen (significant) negatief effect is op de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

De potentiële effecten van onderhavig plan zijn hoofdzakelijk het gevolg van de tijdelijke werkzaamheden in de aanlegfase. Vanwege de aard van de emissie hiervan (beperkt in hoeveelheid en laag bij de grond) en op basis van honderden uitgevoerde AERIUS-berekeningen wordt ingeschat dat een toename van de stikstofdepositie niet zal optreden op een afstand meer dan 5 kilometer. In dit geval ligt het project op circa 4 kilometer.

Omdat het slechts om zeer tijdelijke aanlegfase gaat, kan vanwege de aard van de emissie hiervan (beperkt in hoeveelheid en laag bij de grond) geconcludeerd worden dat het plan niet zal leiden tot een toename van de stikstofdepositie in de kritische gebieden.

In de gebruikfase verbetert de situatie in vergelijking met de huidige situatie. De woning wordt duurzamer in gebruik dan de vorige woning. Daarnaast verdwijnt een agrarische functie en zullen de verkeersbewegingen afnemen. Dit alles komt ten goede aan de stikstofdepositie van het gebied.

Soortenbescherming

In de Wnb wordt onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en daarnaast de overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

De bestaande bebouwing binnen het plangebied zijn inmiddels gesloopt. De locatie is door de recente ingrepen ongeschikt als groeiplaats voor bijzondere en beschermde plantensoorten. Het vormt ook geen waardevol habitat voor beschermde dieren.

Het plan stelt geen directe ingrepen aan watergangen en oevers voor. Ook worden geen bomen gekapt. Er worden dus geen potentiële vaste verblijfplaatsen van beschermde soorten geschaad. Het plan is dus uitvoerbaar binnen de kaders van de Wnb. Voor alle soorten is de zorgplicht van kracht. Bij verstoring van dieren tijdens de werkzaamheden moeten deze de gelegenheid krijgen te vluchten naar een nieuwe leefomgeving

 

4.2 Milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten.

Op grond van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) gelden bepaalde richtafstanden. Deze richtafstanden zijn opgenomen om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen en bestaande bedrijven mogen niet onevenredig worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. Er kan afgeweken worden van de richtafstanden, mits dit goed gemotiveerd is.

Oldenhave 17 ligt op korte afstand (13 meter) ten opzichte van een agrarisch bedrijf aan Oldenhave 14 en een VAB bestemming (voormalig agrarisch bedrijf) op Ronde Hoek 8 (50 meter).

Aan de richtafstand van 50 meter ten opzichte van Ronde Hoek 8 wordt met de beoogde ontwikkeling voldaan. Voor het agrarische bedrijf aan Oldenhave 14 wordt een richtafstand van 100 meter voor geur en 30 meter voor geluid en stof aangehouden. Deze afstand wordt gemeten tussen de bouwvlakken van een agrarisch bedrijf en het bouwvlak van de woning van derden. Deze afstand is in de huidige situatie 13 meter. Aan de geldende richtafstand wordt daarmee niet voldaan.

Indien er een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd is het mogelijk van de bovengenoemde afstanden af te wijken Bij het wijzigen van de bestemming van 'agrarisch met waarden' naar 'wonen' betreft het in dit geval een bestaande situatie. De woning op Oldenhave 17 geldt op dit moment als bedrijfswoning, na omzetting van de bestemming wordt dit een reguliere woning.

Het beschermingsniveau van de reguliere woning blijft hetzelfde als het beschermingsniveau van de bestaande bedrijfswoning. Ten opzichte van de bestaande situatie verandert het woon- en leefklimaat niet.

Daarnaast is de bestaande (bedrijfs)woning gesloopt. Het nieuwe bouwvlak van deze woning komt verder van het bedrijf af te liggen. Hierbij wordt de afstand tussen de nieuw te bouwen woning en het bouwvlak van het agrarische bedrijf vergroot naar circa. 30 meter. Dit heeft een positieve invloed op het woon- en leefklimaat van de te bouwen woning.

Daarnaast wordt het agrarische bedrijf op Oldenhave 14 ten opzichte van de bestaande situatie niet verder in zijn uitbreidingsmogelijkheden beperkt.

Vanuit milieuzonering bestaat geen belemmering voor dit bestemmingplan.

4.3 Geluid

Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB en een maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Voor spoorwegen geldt een voorkeursgrenswaarde van 55 dB en een maximale ontheffingswaarde van 68 dB.

Wegverkeerslawaai

Het plangebied is gelegen aan een 60 km/uur weg in het buitengebied. Dat betekent dat akoestisch onderzoek op basis van de Wet geluidhinder noodzakelijk is. Met behulp van het programma Geomilieu en de Verkeersmilieukaart 2020 is de geluidbelasting op het perceel in beeld gebracht. Uit figuur 4.1 blijkt dat de westzijde van het plangebied binnen 50-55 dB valt. Met de situering van de nieuwe woning, is hier rekening mee gehouden. Daarom is de woning in vergelijking met de bestaande woning naar achter verplaats. Zodat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00469-VG01_0013.png" Figuur 4.1: Geluidshinder in het plangebied (bron: Atlasleefomgeving)

4.4 Water

Van groot belang voor de ruimtelijke ordeningspraktijk is de wettelijk verplichte 'watertoets'. De watertoets kan worden gezien als een procesinstrument dat moet waarborgen dat gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder.

Het plangebied is gelegen in het beheersgebied van het waterschap Drents Overijsselse Delta. Het waterschap is verantwoordelijk voor het watersysteem en het zuiveren van het aangeboden stedelijk afvalwater.

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht ruimtelijke plannen te 'toetsen op water', de zogenaamde watertoets. De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Deze waterparagraaf heeft betrekking op de bouw van een woning op het adres Oldenhave 17 te Ruinen. Volgens de watertoets moet de korte procedure worden gevolgd.

 

Relevant beleid

Het beleid van het waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het waterbeheerplan 2016 - 2021. Specifiek voor het stedelijke gebied heeft het waterschap het beleid geformuleerd in 'Water Raakt!'. Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.

Invloed op de waterhuishouding

Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen het bestemmingsplan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd en de toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1500 m2. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast.

Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen adviseren wij om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren (as van de weg). Voor lager gelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater.

Met de beoogde ontwikkeling wordt rekening gehouden met bovenstaand advies. De beoogde woning krijgt geen kelder.

 

Voorkeursbeleid hemelwater

De gemeente De Wolden biedt in zijn algemeenheid een voorziening aan waarop overtollig hemelwater kan worden geloosd. Dit kan een hemelwaterriool zijn, maar ook een wadi, greppel of infiltratievoorziening in de bodem Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Wanneer het hemelwater te verontreinigd is, dient het afvalwater ter plaatse, door de houder, te worden gezuiverd

Er wordt rekening gehouden met gescheiden waterstromen. Het regenwater wordt niet afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie, maar binnen het projectgebied verwerkt. Bij het gescheiden afvoeren van regenwater wordt rekening gehouden met de drempelhoogte in relatie tot de fluctuatie van het ontvangende water.

 
Het gebruik van uitlogende materialen

Het waterschap is verantwoordelijk voor een goede waterkwaliteit van het regionale watersysteem. Om verontreiniging van het watersysteem te voorkomen worden materialen die uitlogen en het oppervlaktewatersysteem kunnen verontreinigen niet gebruikt. Met dit plan worden er geen materialen gebruikt die een verontreiniging van het oppervlaktewater met zich meebrengen. Metalen, zoals lood, koper of zink worden niet gebruikt.

Watertoetsproces

Het Waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding in ruimtelijke zin.

Het proces van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Drents Overijsselse Delta gaat akkoord met het plan.

4.5 Luchtkwaliteit

Een onderdeel van de Wet milieubeheer betreft luchtkwaliteit. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, aan te pakken.

Overschrijdingen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn veelal het gevolg van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. Op grond van de algemene maatregel van bestuur 'niet in betekenende mate' (NIBM) vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmeringen voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen vrijgesteld van toetsing.

Er wordt slechts 1 nieuwe woning gerealiseerd op een locatie van een bestaande. Met het verdwijnen van de agrarische bedrijfsfunctie in het plangebied is het aannemelijk dat de luchtkwaliteit verbeterd. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

4.6 Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie

Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2021 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Hierbij geldt het verstoorder betaald principe. Als behoud in situ niet mogelijk is, dan moet gekeken worden of behoud ex situ mogelijk is. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.

Archeologische beleidskaart

Op 26 januari 2012 heeft de gemeenteraad de Archeologische beleidskaart voor de gemeente De Wolden vastgesteld. Het plangebied is op de kaart aangeduid met de waarde "historische kernen (1832), buitenplaatsen, middeleeuwse begraafplaatsen (in gebruik) en zone rond historische nederzettingslocaties". Voor een klein deel is het plangebied ook aangeduid als "bufferzone rond voordes en bruggen" (figuur 5.1).

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00469-VG01_0014.png"

Figuur 5.1 Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente De Wolden.

Voor het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. In de planregels wordt verwezen naar de archeologische beleidskaart (figuur 5.1). Hieruit blijkt dat het plangebied valt in de beleidswaarde 'historische kernen'. In deze gebieden is archeologisch onderzoek verplicht bij ingrepen van meer dan 100 m² en dieper dan 30 centimeter. De beoogde woning komt op de locatie van huidige bebouwing. Voor de beoogde woning wordt ook niet dieper gegraven dat de huidige fundering. De onderliggende gronden zijn verstoord bij de aanleg van de bestaande bebouwing. Een archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

Een klein deel van het plangebied valt in de beleidswaarde 'bufferzone rond voordes en bruggen'. Bij ingrepen moet contact worden opgenomen met gemeente. In dit deel van het plangebied vinden geen bodemingrepen plaats. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Cultuurhistorie

Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging dient plaats te vinden van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie ofwel de aanwezigheid van monumenten of archeologisch waardevolle gebieden.

Monumenten

De binnen de gemeente De Wolden aangewezen rijksmonumenten en provinciale monumenten zijn op ruime afstand van het plangebied gesitueerd, zodat de voorgenomen ontwikkeling niet van enige invloed is op deze beschermde gebouwen. In de gemeente De Wolden zijn geen gemeentelijke monumenten aangewezen.

 

Cultuurhistorische waarden

De nieuwe woning wordt gesitueerd op een bestaand bedrijfsperceel, op de locatie van de voormalige bedrijfswoning, welke reeds landschappelijk is ingepast met een bestaande boomgaard waardoor de bebouwing vanuit het open landschap reeds wordt afgeschermd. De bouw van de woning doet geen afbreuk aan de bestaande kenmerken van dit gebied.

4.7 Bodem

Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.

Met de beoogde ontwikkeling vindt een functiewijziging plaats. In het huidige bestemmingsplan is de functie wonen (bedrijfswoning) toegestaan.

De beoogde schuurwoning, komt op de locatie van de voormalige bedrijfswoning. Hierdoor is het aannemelijk dat de bodemkwaliteit ter plaatse van de nieuwe woning voldoet. Tijdens de aanvraag van de omgevingsvergunning moet een recent bodemonderzoek (niet ouder dan 5 jaar) worden aangeleverd. Afhankelijke van de resultaten kan worden bepaald of sanering nodig is. Dit bodemonderzoek wordt voor de start van de bouwwerkzaamheden opgenomen in de vergunning.

4.8 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering.

Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10-6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, geldt deze norm als streefwaarde. Voor (beperkt) kwetsbare objecten binnen de GR-contour moet een bestuurlijke verantwoording plaatsvinden.

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Ook worden binnen korte afstand van het plangebied geen gevaarlijke stoffen vervoerd over de weg, het spoor, het water of door leidingen. Het aspect externe veiligheid geeft geen belemmeringen en uitgangspunten voor dit bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00469-VG01_0015.png" Figuur 5.2 Uitsnede kaart externe veiligheid

4.9 Kabels en leidingen

In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden.

In en in de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van relevante kabels en leidingen die planologische bescherming behoeven. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

4.10 Vormvrije m.e.r. beoordeling

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten.

Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.

Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). Met de beoogde ontwikkeling wordt een bestaande bedrijfswoning vervangen voor een nieuwe woning. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Met de beoogde ontwikkeling wordt er in percentage geen nieuwe bebouwing aan het plangebied toegevoegd. Een zogenaamde 'vormvrije m.e.r. beoordeling' is niet noodzakelijk.

Daarnaast wordt de ontwikkeling, gelet op de aard en de omvang, ook niet aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Weliswaar verandert het gebruik van het perceel door de realisatie van één vrijstaande woning, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Met dit bestemmingsplan is sprake van een ruimte beslag dat beperkter is dan de huidige planologische mogelijkheden. Verder vinden geen wijzigingen aan de wijze van ontsluiting plaats en wordt de parkeerbehoefte, net als in de huidige situatie, binnen het plangebied opgelost. Daarnaast leidt de ontwikkeling niet tot een hogere verkeersaantrekkende werking dan in de huidige situatie mogelijk is. Op basis van voorgaande wordt de beoogde ontwikkeling niet gekwalificeerd als stedelijk ontwikkelingsproject. Er behoeft dan ook geen besluit te worden genomen of een MER nodig, dan wel niet nodig is.

Hoofdstuk 5 Toelichting op de regels

5.1 Inleiding

Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de voorgaande hoofdstukken, hebben in de regels van dit plan hun juridische vertaling gekregen. Daarmee zijn de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied vastgelegd.

 

Het plan is opgesteld conform de landelijke Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012).

5.2 Opzet van de regels

5.2.1 Algemeen

Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels moeten in samenhang worden bekeken.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

5.2.2 Inleidende regels

In Hoofdstuk 1 staan de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en hierin staan:

Begrippen (Artikel 1)

In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige uitleg van deze begrippen vastgelegd.

Wijze van meten (Artikel 2)

Dit artikel geeft weer hoe de wijze van meten opgevat moet worden.

5.2.3 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.:

  • Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan;
  • Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.);
  • Nadere eisen: in sommige gevallen kan het college nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van bebouwing;
  • Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig zijn;
  • Afwijken van de bouw- en gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bouwregels en bestemming;

In paragraaf 5.3 worden de bestemmingen nader toegelicht.

5.2.4 Algemene regels

In Hoofdstuk 3 staan de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

Anti-dubbeltelregel(Artikel 7)

Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.

Algemene gebruiksregels (Artikel 8)

In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de betreffende bestemming helder en duidelijk moet zijn.

Algemene afwijkingsregels (Artikel 9)

In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.

5.2.5 Overgangs- en slotregels

In Overgangs- en slotregels van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

5.3 Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar mogelijk gemaakt worden en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.

Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd.

Agrarisch

De gronden met de bestemming 'Agrarisch' zijn bedoeld voor het uitoefenen van agrarisch activiteiten. De regels zijn gebaseerd op de regels voor de bestemming 'Agrarisch' uit de beheersverordening Buitengebied. Aangezien op het perceel geen sprake meer is van een agrarisch bedrijf, zijn in deze bestemming alleen bepalingen opgenomen ten aanzien van het gebruik van de gronden. Alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan.

Agrarisch met waarden

De gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden' zijn bedoeld voor het uitoefenen van agrarisch activiteiten. De regels zijn gebaseerd op de regels voor de bestemming 'Agrarisch met waarden' uit de beheersverordening Buitengebied. Aangezien op het perceel geen sprake meer is van een agrarisch bedrijf, zijn in deze bestemming alleen bepalingen opgenomen ten aanzien van het gebruik van de gronden. Alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan.

Wonen

De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bedoeld voor het wonen met daarbij behorende gebouwen, tuinen, erven en terreinen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De regels zijn gebaseerd op de regels voor de bestemming 'Wonen' uit de beheersverordening Buitengebied, waarbij enkele maatwerkaanpassingen zijn getroffen. Tevens zijn de niet van toepassing zijnde regels weggelaten.

Dubbelbestemmingen

De dubbelbestemming 'waarde-archeologie', zoals vastgelegd in de beheersverordening Buitengebied blijft behouden in dit plan. De bijbehorende bepalingen, zoals vastgelegd in de beheersverordening Buitengebied De Wolden, zijn overgenomen in dit plan.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).

Financiële haalbaarheid

Bij dit plan de bestemming aangepast zodat nieuwe woning kan worden gerealiseerd. De initiatiefnemer heeft aangetoond over voldoende financiële middelen te beschikken om deze ontwikkeling uit te voeren. Het plan is daarmee economisch uitvoerbaar.

Kostenverhaal

Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.

Voor het bestemmingsplan is geen exploitatieplan opgesteld. Conform artikel 6.12 lid 2 Wro kan de gemeenteraad besluiten geen exploitatieplan op te stellen indien het verhalen van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is. Dit is bij het onderhavige plan het geval. Eventuele kosten voor de gemeente zijn verzekerd op basis van de gemeentelijke legesverordening. Mogelijke planschadekosten zullen worden verhaald op de initiatiefnemer. Een planschadeovereenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer is reeds gesloten.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven. De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat het bestemmingsplan maatschappelijk draagvlak heeft.

Voorbereidingsfase

In het kader van vooroverleg is het voorontwerpbestemmingsplan voorgelegd aan de direct betrokkenen en verzonden aan de overlegpartners. Het waterschap Drents Overijsselse Delta en de provincie Drenthe hebben aangegeven geen opmerkingen te hebben op het plan.

Ontwerpfase

Het ontwerpbestemmingsplan doorloopt de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen formele bestemmingsplanprocedure. Dit betekent dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage is gelegd. Een ieder krijgt de gelegenheid voor het indienen van zienswijzen. In deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.

Vaststellingsfase

Ten aanzien van de ingekomen zienswijzen wordt een gemeentelijk standpunt bepaald in de zienswijzennota. Het resultaat van de zienswijzennota wordt verwerkt in het vast te stellen bestemmingsplan. De indieners van de zienswijzen worden hiervan op de hoogte gesteld. De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vast. Tot slot is tegen de vaststelling van het bestemmingsplan beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.