| Plan: | Herontwikkeling Secr. Goldsteinplantsoen 8, de Wijk |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1690.BP00453-VG01 |
Op het perceel Secretaris A.W.G. Goldsteinplantsoen 8 te De Wijk is een voormalig bedrijfspand en erf aanwezig. Het voornemen is het perceel te herontwikkelen tot twee woonpercelen.
Bij het schrijven van 6 maart 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders aangegeven in principe medewerking te verlenen onder voorwaarden. De aangegeven voorwaarden zijn verwerkt bij de planontwikkeling en komen zover van toepassing aan de orde in de volgende paragrafen.
Dit plan voorziet in een herziening tot bestemming ‘Wonen’, waarbij de twee woningen met bijbehorende bouwwerken mogelijk worden gemaakt.
Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van het dorp De Wijk. In de omliggende omgeving is hoofdzakelijk sprake van woonpercelen. In afbeelding 1.1 is het plangebied aangeduid met een rode ster.
Bij het opstellen van dit plan is gebruik gemaakt van websites, visiedocumenten, beleidsstukken en rapportages. Daar waar nodig zijn de teksten en/of afbeeldingen integraal overgenomen om de inhoud zoveel mogelijk te waarborgen. Voor het overige is de naam en/of vindplaats van de bronnen weergegeven.
In hoofdstuk 2 wordt de huidige en gewenste situatie beschreven. Vervolgens komt in hoofdstuk 3 het van toepassing zijnde ruimtelijke beleid aan de orde. In hoofdstuk 4 worden de relevante omgevingsaspecten beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridische opzet van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 6 is de economische uitvoerbaarheid van het plan aangegeven en gaat in op de inspraak en het overleg over het bestemmingsplan.
Op het perceel Secretaris A.W.G. Goldsteinplantsoen 8 te De Wijk was voorheen een peuterspeelzaal gevestigd. Op het perceel was een schoolgebouw en berging/garages met een gezamenlijk oppervlak van ca. 496 m² aanwezig. Het terrein was voor het overige ingericht als speelterrein met een bestraat oppervlak van ca. 475 m².
Het schoolgebouw is buitengebruik geraakt waarna initiatiefnemer het perceel heeft aangekocht in mei 1989. Vervolgens heeft initiatiefnemer in de bestaande bebouwing een speciaalzaak voor de wielersport gevestigd. De toegang en het buitenterrein zijn daarmee ongewijzigd gebleven.
Het westelijk van het plangebied gelegen woongebied (Parkweg e.o.) is in de periode van 2016 tot en met 2019 reeds herontwikkeld. Daarbij zijn de verouderde (huur)woningen vervangen voor nieuwbouw. Met deze herontwikkeling is dit voornemen reeds betrokken. Met de in dezen beoogde ontwikkeling zijn de westelijk gesitueerde nieuwbouw woningen namelijk dichter op het plangebied toegestaan dan op grond van milieuzonering (hinderrichtafstanden) mogelijk zou zijn. Daarbij is, met de aanleg van de nieuwe weg voor de woningen Parkweg 13 tot en met 17, reeds voorzien in een mogelijkheid om de met dit plan beoogde woonpercelen te ontsluiten.
In afbeelding 2.1 een luchtfoto van het plangebied en omgeving, gedateerd van voor 2019, bijgevoegd. Daarop is de voornoemde bebouwing van het voormalige schoolgebouw te zien. Tevens is de bestaande ontsluiting vanaf de Secretaris A.W.G. Goldsteinplantsoen aangeduid. Ook is de nieuwe toegang vanaf de Parkweg reeds aangeduid. Het plangebied is op de foto aangeduid met een rode omlijning.
Initiatiefnemer heeft de bedrijfsactiviteiten reeds gestaakt. Tevens is de voornoemde bebouwing reeds gesaneerd (asbest) en gesloopt op basis van een verkregen sloop vergunning.
Het perceel is volledig omsloten door de omliggende woningen. Het perceel, welke als het ware achter alle omliggende woonpercelen is gelegen, is door middel van schuttingen, hagen en ander groen van de omliggende woonerven afgesloten. De toegang tot het perceel bevindt zich tussen de woonperceel Secretaris A.W.G. Goldsteinplantsoen 7 en 9. Het perceel is rondom voorzien van hulst. De hulst struiken zijn in de loop der jaren uitgegroeid tot een 5 meter hoge bomen. De hulst bomen zijn op verzoek van enkele omwonenden en vanwege een aangrenzende bouwontwikkeling in het voorjaar van 2019 reeds (fors) gesnoeid. Door een aangrenzende woningbouwontwikkeling is aan de oostzijde reeds een openheid ontstaan vanaf het plangebied ter hoogte van de woningen Parkweg 13 tot met 15.
Het plangebied is gelegen binnen het plangebied van de beheersverordening De Wijk en is daarin aangeduid als ’Bestaand’ en ‘Showroom’. Daarbij is voorzien in een ‘bouwvlak’ en de aanduiding ‘maximale goothoogte 3 meter’. In afbeelding 2.2 een uitsnede van de verbeelding behorende bij de geldende beheersverordening.
Het voornemen is het perceel Secretaris A.W.G. Goldsteinplantsoen 8 te herontwikkelen voor woningbouw. Daarbij zijn twee woonpercelen voor vrijstaande woningen met daarbij behorende bouwwerken voorzien. De beide woonpercelen zullen ieder een omvang hebben van ca. 600 m².
De toegang zal worden verlegd naar de Parkweg, waarbij aangesloten wordt op de nieuwe weg ter hoogte van de woonpercelen Parkweg 13 tot en met 17. Zoals hiervoor reeds is aangegeven is met de herontwikkeling van het westelijk gelegen woongebied reeds rekening mee gehouden. Daarbij is overeen gekomen dat aan het einde van het doorlopende deel van de Parkweg, waarop aangesloten wordt, een open karakter behouden blijft. In afbeelding 2.3 is de voorgenomen perceelsindeling alsmede bebouwing weergegeven.
De omliggende woningen kenmerken zich in hoofdzaak met een eenvoudige hoofdvorm bestaande uit twee bouwlagen met een kap. De gevels bevatten in hoofdzaak gemetselde gevels en een pannendak.
Vanwege de verholen ligging van het plangebied is gekozen voor een eigen vormgeving. De voorgenomen woningen bestaan uit een hoofdgebouw met aanbouw. De voorgenomen woningen hebben een eenvoudige vorm bestaande uit twee bouwlagen met een platte afdekking. De gevels zijn zullen in schoonmetselwerk met donkere en lichte steen worden uitgevoerd. In afbeelding 2.4 en 2.5 is een impressie van de voorgenomen woningen weergegeven. De situering van de woningen is in afbeelding 2.3 weergegeven.
Met dit plan wordt het plangebied betrokken bij de omliggende woongebied en met name bij het herontwikkelde deel ten westen van dit woongebied. De detailhandel functie wordt planologisch geschrapt. De invulling waarin dit plan voorzien is passend bij het reeds voorgaande herontwikkeling van dit woongebied.
Op 13 maart 2012 is de Rijkstructuurvisie Infrastructuur en Ruimte (hierna SVIR) vastgesteld. Daarin is aangegeven dat het Rijk streeft naar ‘Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig’. Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Het Rijk kiest daarbij voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Een aantal van deze nationale belangen worden juridisch geborgd via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
Voor dit plan zijn in de SVIR dan wel de Barro geen onderwerpen van nationaal belang opgenomen waarmee rekening dient te worden gehouden.
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de plantoelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. De ladder voor duurzame verstedelijking is sinds 1 oktober 2012 opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid Bro en stelt eisen aan bestemmingsplannen met het oog op een zorgvuldige afweging, transparante besluitvorming en een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder voor duurzame verstedelijking heeft als doel om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren en over-programmering op regionaal niveau te voorkomen.
Op 1 juli 2017 is een wijziging van de Ladder voor duurzame verstedelijking doorgevoerd (artikel 3.1.6 lid 2 – 4 Bro). Voorheen bestond de ladder uit drie treden, dat is nu niet meer het geval. De behoefte van de ontwikkeling dient te worden beschreven indien er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Als de ontwikkeling is voorzien buiten het bestaand stedelijk gebied, zal daarnaast gemotiveerd moeten worden waarom de ontwikkeling niet binnen het bestaande gebied kan worden gerealiseerd.
Of de behoefte van de ontwikkeling moet worden beschreven hangt af van de vraag of er sprake is van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ als bedoeld in artikel 3.1.6, lid 2 Bro. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.
De definitie van een stedelijke ontwikkeling is als volgt in het Bro omschreven:
Dit plan kan onder 'ruimtelijke ontwikkeling van een woningbouwlocaties’ worden geschaard. Indien een plan voorziet in de toevoeging van ten hoogste elf woningen, dan is blijkens jurisprudentie geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
In dezen is sprake van een ontwikkeling van twee woningen en daarmee in dezen geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Voor dit plan zijn in de SVIR dan wel de Barro geen onderwerpen van nationaal belang opgenomen waarmee rekening dient te worden gehouden.
Op 2 juni 2010 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Drenthe vastgesteld. Vooruitlopend op de omgevingswet is de revisie Omgevingsvisie Drenthe 2018 vastgesteld op 3 oktober 2018 jl.
In de omgevingsvisie zijn de belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing van de provincie in het ruimtelijk domein geformuleerd. De omgevingsvisie vormt het strategisch kader voor de ruimtelijk economische ontwikkeling van Drenthe in de periode tot 2020, met in sommige gevallen een doorkijk naar de periode daarna. De Omgevingsvisie Drenthe is een integraal document en fungeert als provinciale structuurvisie op grond van de Wet ruimtelijke ordening, als provinciaal milieubeleidsplan, als regionaal waterplan en als provinciaal verkeers- en vervoersplan.
Het plangebied is gelegen binnen het als zodanig aangewezen ‘stedelijk gebied’. Op de visiekaart 2020 is het plangebied niet voorzien van enige aanduiding.
In de omgevingsvisie zijn de provinciale belangen benoemd, waarmee gemeenten rekening dienen te houden bij het beoordelen van bestemmingsplannen. De provinciale belangen zijn verdeeld in Drentse kwaliteiten en ontwikkelingen. Binnen de Drentse kwaliteiten staat het behoud en de ontwikkeling van de kernkwaliteiten, de dynamiek van bedrijvigheid, de biodiversiteit en de milieu- en leefomgevingskwaliteit centraal. De kernkwaliteiten zijn opgenomen op een kernkwaliteitenkaart. Op het gebied van ontwikkelingen zijn onder meer het regionale economische vestigingsklimaat, de landbouw, het toerisme, de demografische ontwikkeling, de mobiliteit en de ontwikkeling van natuur en landschap (ecologische hoofd structuur, diversiteit in landschapstypen) als provinciaal belang benoemt.
De kernkwaliteiten vormen de belangrijkste basis voor het begrip 'ruimtelijke kwaliteit'. Daarnaast is zorgvuldig ruimtegebruik en milieu- en leefomgevingskwaliteit van belang.
Kernkwaliteit landschap
Het plangebied is met de kernkwaliteit Landschap aangeduid als ‘Esgehuchtenlandschap’. Voor deze gebieden zijn de eenmansessen, bestaande uit kleine, kenmerkende open ruimten, omgeven met esrandbeplanting en de beekdalen, bestaande uit onbebouwd gebied met haaks liggende, kleinschalige beplantingstructuren en/of beekdal(rand)beplanting, van provinciaal belang. Het provinciaal beleid voor deze gebieden is gericht op het behoud van de open ruimte en het versterken van esrandbeplanting alsmede het behoud van het onbebouwde karakter en het versterken van karakteristieke beekdal(rand)beplanting.
Kernkwaliteit aardkundige waarden en cultuurhistorie
Het plangebied is voor de kernkwaliteit aardkundige waarden aangeduid met het beschermingsniveau ‘Generieke bescherming’. Verder is het plangebied voor de kernkwaliteit cultuurhistorie aangewezen met het beschermingsniveau Respecteren.
Het beschermingsniveau is het laagste sturingsniveau en is voorzien over het grootste deel van het grondgebied van de provincie Drenthe. Voor de gebieden aangewezen met het beschermingsniveau Respecteren richt men zich op het waarborgen van de cultuurhistorische samenhang voor de toekomst. Daarbij hebben initiatiefnemers de verantwoordelijkheid om de cultuurhistorische hoofdstructuur als inspiratiebron te benutten.
Kernkwaliteit archeologie
Het plangebied is voor de kernkwaliteit archeologie aangeduid met het ‘beschermingsniveau 1: generiek’ en ‘beschermingsniveau 4: verwachte archeologische waarden, beekdal’.
In gebieden of terreinen waar archeologische waarden worden verwacht (verwachtingsgebieden) die van provinciaal belang zijn, stuurt men aan op een goede uitvoering van archeologisch onderzoek, conform de gangbare, in de archeologische beroepsgroep geldende kwaliteitseisen. Onder deze verwachtingsgebieden vallen onder andere alle Drentse beekdalen.
Men verwacht dat als in deze verwachtingsgebieden archeologische waarden worden aangetroffen, deze door hun ruimtelijke spreiding, samenhang, zeldzaamheid, tijdsdiepte en/of goede fysieke kwaliteit van provinciaal belang zullen zijn. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden met een verwachting die van provinciaal belang (archeologie) is, is een onderzoeksvrijstelling tot maximaal 1000 m2 mogelijk.
De Provinciale omgevingsverordening Drenthe, met inbegrip van de navolgende wijzigingen, geeft de randvoorwaarden voor het opstellen van ruimtelijke plannen.
De verordening heeft onder meer als doel om de kernkwaliteiten van Drenthe te behouden en te versterken. Als bij een ruimtelijk plan kernkwaliteiten betrokken zijn, moet in het ruimtelijk plan uiteengezet worden dat met het desbetreffende plan wordt bijgedragen aan behoud en ontwikkeling van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten conform de provinciale ontwikkelingsvisie. Een ruimtelijk plan mag geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk maken die de kernkwaliteiten significant aantasten.
Een ruimtelijk plan kan voorzien in nieuwe woningbouw mits de behoefte op basis van de gemeentelijke woonvisie kan worden aangetoond en aansluit bij bestaand stedelijk gebied.
Dit plan omvat de herontwikkeling van een bedrijfsperceel binnen stedelijk gebied tot woondoeleinden ten behoeve van de bouw van twee vrijstaande woningen met bij behorende bouwwerken.
Het plangebied is gelegen in als zodanig aangewezen bestaand stedelijk gebied en was reeds geheel ingericht als schoolterrein en was vervolgens in gebruik voor lichte bedrijvigheid. Daarbij is het plangebied geheel omsloten door woonpercelen. Ter plaatse is geen sprake van een inrichting behorend tot het Esgehuchtenlandschap. Gezien de aard en omvang van dit plan zullen de kernkwaliteiten, zover van toepassing, niet worden aangetast.
Met dit plan is geen (extra) bodemingreep van 1000 m² of meer bemoeid. In paragraaf 4.6 (Cultuurhistorie en archeologie) is de gemoeid bodemingrepen alsmede de verwachte waarden nader behandeld.
In paragraaf 3.4 wordt onderbouwd aangegeven dat het plan passend is binnen de gemeentelijk woonvisie.
Dit plan is in overeenstemming met het provinciaal beleid.
Het plan is gelegen binnen het beheersgebied van het waterschap Drents Overijsselse Delta. In het waterbeheerplan is beschreven hoe het waterschap uitvoering geeft aan haar watertaken in de periode 2016-2021. Dit plan geeft dus vooral de koers aan die het waterschap wil voeren. Bij het vaststellen van die koers wil het waterschap rekening houden met de wensen en plannen van de partners. Het doel van dit waterbeheerplan is ook bedoeld als uitnodiging tot dialoog en samenwerking.
Voornoemde doelstelling sluit aan bij de opzet van het bestuursprogramma 2014-2018 van Vechtstromen. Het bestuursprogramma gaat uit van een vijftal gespreksthema's voor de dialoog met partners en stakeholders in de omgeving:
Er is uitvoering gegeven aan de digitale watertoets. Op basis van de watertoets is een wateradvies opgesteld door het waterschap. Zie paragraaf 4.7 van dit plan.
Het plan betreft een geringe ruimtelijke ingreep welke geen invloed van betekenis heeft op de eisen vanuit het waterplan en op grond daarvan vormt dit plan geen beletsel voor de uitvoering.
In maart 2011 heeft de gemeenteraad de structuurvisie 2010-2030 vastgesteld. Deze visie vormt het toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen met 2030 als zichtjaar. De structuurvisie heeft niet als doelstelling de ontwikkelingslocaties op perceelsniveau op de kaart weer te geven, maar geeft de ontwikkelingsmogelijkheden per landschapstype weer.
De visie richt zich op het creëren van ontwikkelingsmogelijkheden, waarbij het versterken van de ruimtelijke kwaliteit de randvoorwaarde is. Ruimtelijke kwaliteit in De Wolden wordt bepaald en versterkt door de dynamiek van het landschap.
Het plangebied is gelegen binnen het gebied op de visiekaart aangeduid als ‘Beekdal van de Reest’. Daarbij is het plangebied gelegen binnen de ontwikkel aanduiding ‘kerndorp’ en ‘herstructurering’.
De Reest is een riviertje op de grens van Drenthe en Overijssel. Het is een laaglandbeek die ontspringt in de hoogveenmoerassen bij Dedemsvaart en ten zuiden van het Drents Plateau richting Meppel stroomt. Het riviertje loopt langs de rand van een bolling in het landschap, waar hij zich diep heeft ingesneden. Het landschapstype dat is ontstaan wordt het esgehuchtenlandschap genoemd. Het is vergelijkbaar met het esdorpenlandschap, alleen kleinschaliger, en met meer hoogteverschillen.
De structuurvisie geeft een eerste aanzet voor inpassing voor nieuwe ontwikkelingen op basis van de aangegeven landschapstypes. Dit toetsingskader is nader uitgewerkt in het LOK.
De gemeenteraad heeft op 29 november 2012 het LOK vastgesteld. Het LOK is een instrument waarbij de samenhang tussen de verschillende landschappen, stedenbouwkundige aspecten, uitbreidingsplannen en functieveranderingen op elkaar worden afgestemd. Daarnaast bevat het LOK randvoorwaarden waarbinnen ontwikkelingen kunnen plaatsvinden.
Het plangebied is in het LOK niet voorzien van enige aanduiding.
In de gemeente De Wolden bestaat de bestuurlijke wens tot deregulering en om meer verantwoordelijkheid bij de burger neer te leggen. Deze wens heeft er toe geleid dat in de raadsvergadering van 13 december 2012 de raad besloten heeft tot het welstandsvrij verklaren van grote gebieden van de gemeente. Daarmee heeft de gemeenteraad het vertrouwen in de burger uitgesproken dat hij/zij de verantwoordelijkheid aan kan om op een juiste wijze met de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente De Wolden om te gaan.
Het plangebied is op de kaart, behorende bij de welstandnota 2013, aangewezen als welstandvrij gebied.
Dit plan omvat de herontwikkeling van een bedrijfsperceel binnen stedelijk gebied tot woondoeleinden ten behoeve van de bouw van twee vrijstaande woningen met bij behorende bouwwerken. De bestaande bebouwing is alsmede de inrichting wordt verwijderd. Daarbij wordt met dit plan voorzien in een invulling passend in de (omliggende) bestaande woonwijk.
Met dit plan worden daarmee de karakteristieken van het omliggende landschap niet (extra) nadelig aangetast.
Dit plan voldoet aan de doelstellingen en criteria van het voornoemde gemeentelijk beleid.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante omgevingsaspecten. Op grond van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient te worden bezien of het plan uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening verenigbaar is met de eisen die aan de omgeving worden gesteld. Het plan dient een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen en de belangen van omwonenden niet te schaden.
Dit plan omvat de herontwikkeling van een bedrijfsperceel binnen stedelijk gebied tot woondoeleinden ten behoeve van de bouw van twee vrijstaande woningen met bij behorende bouwwerken.
Een goed woon- en leefklimaat worden bereikt als er een balans is tussen de milieubelastende- en milieugevoelige activiteiten. Er is als het ware een goede mix van wonen en werken. In dat kader dient te worden beoordeeld of in de omgeving van het plangebied functies voorkomen die kunnen worden gehinderd door dit plan of waarvan het plan juist hinder ondervindt.
De met dit plan voorgenomen woningen kunnen gevolgen hebben voor nabij gelegen bedrijven. Daarbij kunnen nabij gelegen bedrijven nadelige gevolgen hebben voor de voorgenomen woningen.
In de nabijheid van het plangebied (straal van 100 meter) zijn de volgende percelen met een maatschappelijke functie dan wel centrumbestemming gelegen:
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient hinder en gevaar te worden voorkomen. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). In de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgegeven voor de VNG staan uitgebreide lijsten met richtafstanden.
Uit tabel 2.1 blijkt dat de voornoemde maatschappelijke functie dan wel centrumbestemming op voldoende afstand van het plangebied is gelegen. Daarbij is tussen het plangebied en de voornoemde functie en bestemming andere woningen gesitueerd.
Dit plan zal geen extra belemmering opleveren. Daarbij is ten behoeve van de voorgenomen woningen sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Vanuit het aspect milieuzonering zijn er geen onoverkomelijke belemmeringen betreffende dit plan.
In het kader van een bestemmingsplan dient gemotiveerd te worden dat de bestemming (functie) die in het bestemmingsplan worden toegelaten, passend worden geacht in relatie tot de bodemkwaliteit.
Met dit plan wordt het gebruik detailhandel op een voormalig schoolterrein gewijzigd naar wonen. Op basis van het voornoemde gebruik is niet aannemelijk dat de bodemkwaliteit niet voldoende is voor een woonfunctie.
Op basis van de gemeentelijke bouwverordening zal in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning bouwen een verkennend bodem onderzoek worden vereist. Dit zal in een afzonderlijke procedure geschieden.
Gezien de aard en omvang van dit plan is vanuit het aspect bodem geen sprake van belemmeringen.
In dit plan wordt voorzien in de bestemming ‘Wonen’ waarbij twee vrijstaande woningen met bijbehorende bebouwing zijn toegestaan.
Een woning is een geluidsgevoelig object. Op grond van de Wet geluidhinder dient er een akoestische afweging in het kader van dit op te stellen bestemmingsplan te worden gemaakt. Op grond van de Wet geluidhinder is geen afweging vereist ten opzichte van de wegen gelegen binnen een 30 zone.
De voorgenomen woningen zijn gelegen binnen een zone van een weg welke is aangewezen als 30 km zone. De voorgenomen woningen zijn niet gelegen binnen een zonde van een spoorweg. Tevens is ter plaatse geen sprake van een gezoneerd industrieterrein. Daarmee hoeft er in dezen geen afweging betreffende geluid plaats te vinden.
Ondanks het voornoemde dient er sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. De voorgenomen woning zijn reeds omsloten met woonpercelen en daarmee grotendeels afgesloten van de omliggende woonstraten. De woningen worden aan een doorlopende weg gesitueerd op een afstand van ca. 37 meter van de doorgaande woonstraat.
Gezien de voornoemde ligging en situering van de voorgenomen woningen is in dezen sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Vanuit het aspect geluid zijn er geen belemmeringen betreffende dit plan.
De luchtkwaliteit dient te worden meegenomen in ruimtelijke besluitvorming. Uitgangspunt is dat een project niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren.
Luchtkwaliteitsnormen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als aannemelijk is dat aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Van een verslechtering van de luchtkwaliteit in betekenende mate als bedoeld onder c is sprake indien zich één van de volgende ontwikkelingen voordoet:
In dit plan wordt voorzien in de bestemming ‘Wonen’ waarbij twee vrijstaande woningen met bijbehorende bebouwing zijn toegestaan.
Er is in dezen sprake van een plan dat ‘niet in betekenende mate' (NIBM) bij draagt aan de luchtverontreiniging.
Conclusie:
Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen betreffende dit plan.
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op bedrijven, buisleidingen of transportroutes. In deze categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Het huidige beleid voor inrichtingen (bedrijven) is afkomstig uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor buisleidingen geldt het Besluit buisleidingen externe veiligheid (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid voor transport van gevaarlijke stoffen staat in de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen.
In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid, moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen plaatsgebonden risico’s (PR) en het groepsrisico (GR) en de eventuele toename hiervan, te worden bepaald.
De risicokaart Nederland is nagezien op aanwezigheid van mogelijke risicobronnen nabij het plangebied.
Op een afstand van ca 540 meter vanaf de percelen is een buisleiding van de Gasunie met nummer 11072 gelegen. Deze leiding heeft een uitwendige diameter van 8,62 inch en een maximale werkdruk van 4000 kPa. De bijhorende 1% letaliteitgrens bedraagt 95 meter. Op basis van de voornoemde diameter en werkdruk is deze leiding op voldoende afstand van de bestaande woning gelegen.
Tevens is op circa 400 meter is op het perceel Dorpsstraat 75 een autobedrijf en benzineservicestation gelegen. De daarbij horende installatie met de hoogste risicoafstand is een vulpunt waar een risicoafstand (PR 10-6) geldt van 35 meter. Het plangebied is ruim buiten de voornoemde risicoafstand gelegen.
Vanwege externe veiligheid is er geen belemmering om dit bestemmingsplan vast te stellen.
Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging dient plaats te vinden van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie zoals de aanwezigheid van monumenten. Een ander belang zijn de archeologisch waardevolle gebieden.
Dit plan voorziet in het wijzigen van de functie van de bestaande dienstwoning, waarbij deze gebruikt mag worden als woning. Tevens worden de gebruiksmogelijkheden van het bedrijfsperceel ingeperkt. Met dit plan zijn geen bouwwerkzaamheden dan wel andere werken met een (extra) bodemingreep voorzien. Daarbij is het plangebied binnen een bestaand stedelijk gebied gelegen. Dit plan kan daarmee geen nadelige invloed hebben op de cultuurhistorie en daarmee de monumentale waarden in de omgeving.
Op 26 januari 2012 heeft de gemeenteraad de Archeologische beleidskaart voor de gemeente De Wolden vastgesteld. Het plangebied is op de kaart aangeduid met de waarde lage verwachting. In deze gebieden is archeologisch onderzoek verplicht bij ingrepen groter dan 3 hectare en dieper dan 30 cm –Mv.
Met dit plan zijn geen bouwwerkzaamheden dan wel andere werken, met een bodemingreep voorzien. Daarmee worden de voornoemde eisen voor het doen van archeologisch onderzoek niet overschreden.
Omdat het plangebied geringer is dan de voornoemde 3 hectare, is er daarmee, op grond van dit plan, geen onderzoek verplicht.
Op 13 maart 2014 heeft de gemeenteraad de Cultuurhistorische waardenkaart voor de gemeente De Wolden vastgesteld. De cultuurhistorische waardenkaart biedt inspiratie voor recreatie, erfgoededucatie en PR-marketingstrategieën of ruimtelijk ontwerp (inrichting en beheer).
Op de beleidskaart is het plangebied deels aangeduid als beleidsgebied 2. Dit geeft aan dat dit gebied een hoge cultuurhistorische waarde heeft en dat bij nieuwe ontwikkelingen cultuurhistorische waarden een grote rol dienen te spelen. De cultuurhistorie kan daarbij inspirerend werken bij nieuwe ontwikkelingen. Op de inventarisatiekaart is het plangebied deels aangeduid als ‘Gesloten broek met grootschalige strokenverkaveling’.
Dit plan omvat de herontwikkeling van een bedrijfsperceel binnen stedelijk gebied tot woondoeleinden ten behoeve van de bouw van twee vrijstaande woningen met bij behorende bouwwerken. Het plangebied was reeds geheel ingericht als schoolterrein en was vervolgens in gebruik voor lichte bedrijvigheid. Ter plaatse is geen sprake meer van een inrichting behorend tot het ‘Gesloten broek met grootschalige strokenverkaveling’. Gezien de aard en omvang van dit plan zullen de bestaande cultuurhistorische karakteristieken niet nadelig worden aangetast.
Vanuit het aspecten cultuurhistorie en archeologie zijn er geen belemmeringen betreffende dit plan.
In het kader van dit plan is op 27 mei 2019 de digitale watertoets uitgevoerd. Op basis van deze toets volgt dat de korte procedure van toepassing is. Dit houdt in dat direct door kan worden gegaan met de planvorming van dit plan onder de voorwaarde dat de standaard waterparagraaf opgenomen.
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht ruimtelijke plannen te ‘toetsen op water’, de zogenaamde watertoets. De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Deze waterparagraaf heeft betrekking op Herontwikkeling Secretaris A.W.G. Goldsteinplantsoen 8 te De Wijk.
Het beleid van het waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het waterbeheerplan 2016-2021. Specifiek voor het stedelijke gebied heeft het waterschap het beleid geformuleerd in ‘Water Raakt!’. Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.
Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen het bestemmingsplan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd en de toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1500 m2. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast.
Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen adviseren wij om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren (as van de weg). Voor lager gelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater.
Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi’s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater.
De initiatiefnemer heeft het Waterschap Drents Overijsselse Delta geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding in ruimtelijke zin.
Deze conclusie is getrokken naar aanleiding van een digitale watertoets. Het proces van de watertoets is goed doorlopen.
Met dit plan is de bestaande bebouwing reeds verwijderd en het voormalige schoolplein worden verwijderd. Daarvoor in de plaats zal een ontsluiting en bebouwing ten behoeve van twee woningen worden gerealiseerd. (zie afbeelding 2.3). Met dit plan zal het verhard oppervlak afnemen.
De woningen worden aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Hemelwater zal op het perceel op natuurlijke wijze worden geïnfiltreerd. Bij hevige regenval zal het afstromende water, door natuurlijke afloop van het perceel, worden afgevoerd naar het openbare gebied.
Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen betreffende dit plan.
Bij ruimtelijke planvorming dient aandacht te worden besteed aan natuurwetgeving. Hierbij kan een tweedeling gemaakt worden in soortbescherming en gebiedsbescherming. Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet.
Met dit plan wordt voorzien in een woonbestemming om op het voormalige bedrijfsperceel de bouw van twee vrijstaande woningen mogelijk te maken. Het plangebied is gelegen binnen bestaande stedelijk gebied van De Wijk. Daarmee is deze aan te merken als gebied wat met regelmaat verstoord wordt. Een dergelijk met regelmatig verstoord gebied zal voor bepaalde soorten permanent onaantrekkelijk zijn geworden waardoor deze reeds zullen zijn uitgeweken naar andere gebieden.
Het perceel was voorzien van een bedrijfsgebouw en garages welke eind 2019 zijn gesaneerd en gesloopt. Het terrein is grotendeels voorzien van bestrating. Het perceel is omsloten met hulstbomen. De voornoemde hulstbomen zijn reeds grondig gesnoeid.
Met de reeds aangevangen werkzaamheden is het niet aannemelijk dat er beschermde fauna aanwezig is binnen het plangebied dan wel geschaad kan worden met de uitvoering van dit plan. Gezien de huidige inrichting van het perceel is het eveneens niet aannemelijk dat sprake is van aanwezigheid van beschermde flora.
Het plangebied is gelegen op circa 9 kilometer van het meest dichtbij gelegen natura2000 gebied ‘De Wieden’ en op circa 11 kilometer van het natura2000 gebied ‘Holtingerveld’. Op circa 430 meter van het plangebied liggen de dichtstbijzijnde gronden behorende tot het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) gebieden.
Het plan zal gezien de aard en omvang alsmede de voornoemde afstanden geen negatief effect hebben op de natuurwaarden van deze gebieden. Ondanks dat is door Fopma Natuuradvies voor dit plan een Aerius berekening uitgevoerd waarbij voornoemde wordt bevestigd. De volledige berekening is bij dit plan gevoegd als bijlage 1.
Vanuit het aspect ecologie zijn er geen belemmeringen betreffende dit plan te verwachten.
Met dit plan wordt de bestaande bedrijfsbestemming herzien tot ‘Wonen’, waarbij de twee woningen met bijbehorende bouwwerken mogelijk worden gemaakt.
De CROW publicatie 317 geeft parkeerkencijfers en kencijfers verkeersgeneratie voor verschillende bestemmingen in de groepen wonen, werken, winkelen en boodschappen, sport, cultuur en ontspanning, horeca en (verblijfs)recreatie, gezondheidszorg en (sociale) voorzieningen en onderwijs.
De onderstaande parkeerbehoefte en verkeersintensiteit is gebaseerd op de normen vermeld voor een ‘koop, vrijstaand’ gelegen in ‘rest bebouwde kom’ ‘matig stedelijk’. Daarbij is gerekend met het gemiddelde van de aangegeven normen.
Voor de beide woningen is sprake van een parkeerbehoefte van (2 x 2,2) 5 parkeerplaatsen.
Beide woonpercelen worden voorzien van een garage en op het perceel is voldoende ruimte, er zal aan de parkeernorm worden voldaan.
Voor de beide woningen is sprake van (2 x 8,2) 16 verkeersbewegingen. Theoretisch is daarmee sprake van een kleine toename ten opzichte van het voorheen aanwezige bedrijf.
Het perceel wordt ontsloten via de Parkweg. Daarmee is sprake van goede ontsluiting waarbij de wegenstructuur voldoende is voor de verkeersintensiteit van dit plan.
Vanuit het aspect parkeren en verkeer zijn er geen belemmeringen betreffende dit plan.
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling mer-plichtig, project mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of er sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.
Deze omstandigheden betreffen :
Drempelwaarden Besluit m.e.r.
Dit project voorziet in een directe eindbestemming en voldoet daarmee aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit project m.e.r.-(beoordeling)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden.
In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r., er is derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. Op basis van onderdeel D kan de in dit project besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'.
Indien de volgende drempelwaarden worden overschreden is sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project:
Of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit mer, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Uit rechtspraak blijkt dat als een functiewijziging niet gepaard gaat met een uitbreiding van de bebouwde oppervlakte er geen sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit mer. Er is derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht.
Vanuit het aspect milieueffectrapportage zijn er geen belemmeringen betreffende dit plan.
Met dit plan wordt de bestaande bedrijfsbestemming herzien tot ‘Wonen’ waarbij twee vrijstaande woningen kunnen worden gerealiseerd.
Het bestaande bedrijfsgebouw is van oorsprong een noodlokaal. Het pand heeft vervolgens dienst gedaan als peuterspeelzaal en vervolgens bedrijfsgebouw. Het pand voldoet niet meer aan de eisen van deze tijd en zeker niet betreffende duurzaamheid.
De in dezen voorgenomen woningen zullen conform de geldende bouwbesluit eisen (nieuwbouw niveau) gebouwd worden.
Tevens zal met dit plan het verhard oppervlak afnemen. Het afvloeiende hemelwater zal niet afstromen naar de aangrenzende gronden dan wel naar het openbaar gebeid. In de nieuwe situatie zal het afvloeiende hemelwater op natuurlijke wijze op eigen terrein (kunnen) infiltreren.
Met dit plan zal met de sloop, nieuwbouw en herinrichting een positieve bijdrage gedaan worden in het duurzaam bouwen alsmede de klimaatdoelstellingen (wateropvang).
Vanuit het aspect duurzaamheid zijn er geen belemmeringen betreffende dit plan.
De planregels geven inhoud aan de op de verbeelding gegeven bestemmingen. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet mogen worden gebruikt en wat en hoe er gebouwd mag worden. Bij de opzet van de planregels is het aantal regels zo beperkt mogelijk gehouden. Alleen datgene is geregeld, wat werkelijk noodzakelijk is. Toch kan het in een concrete situatie voorkomen dat een afwijking van de planregels gewenst is. Daarom zijn er in het bestemmingsplan afwijkings- en wijzigingsmogelijkheden opgenomen.
Het plan is opgesteld conform het Handboek bestemmingsplannen van de gemeente De Wolden en de landelijke Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012).
De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, te weten:
In hoofdstuk 1 worden de in de planregels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze moet worden gemeten.
In hoofdstuk 2 zijn specifieke regels opgenomen voor de bestemmingen die voorkomen in het plangebied. De bestemmingsartikelen bestaan uit een bestemmingsomschrijving en bouwregels. De hoofdstukken 3 en 4 bevatten algemene regels.
Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de voorgaande hoofdstukken, hebben in de regels van dit plan hun juridische vertaling gekregen. Daarmee zijn de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied vastgelegd.
De opzet van de bestemmingsregels is gebaseerd op de beheersverordening De Wijk, vastgesteld 30 juni 2013. Daarbij zijn de niet van toepassing zijnde begrippen en bepalingen niet opgenomen in dit plan. Tevens is ten behoeve van dit plan voorzien in maatwerk aanpassingen.
Het plan voorziet in een bestemmingsplanherziening waarbij het plangebied wordt herzien in ‘Wonen’ en ‘Verkeer’.
Er wordt met het plan voor het overgrote deel voorzien in een bestemming ‘Wonen’. Binnen de bestemming ‘Wonen’ is het gebruik wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep, dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit toegestaan. De laatste zijn genoemd in de Lijst toelaatbare beroepen en vormen van bedrijvigheid bij wonen. Tevens zijn daarbij wegen, water, erven, gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan.
In dit plan is voorzien een bouwstrook waarbinnen twee vrijstaande woningen toegestaan. Daarbij is voorzien in regels ten behoeve van de minimale breedte en afstand tot de perceelgrens. Daarbij is vanwege de gewenste hoofdvorm geen verplichte minimale en maximale dakhelling voorzien. Om te voorkomen dat bebouwing te hoog zal worden is daarentegen voorzien in en maximale bouwhoogte.
Bijbehorende bouwwerken mogen enkel in het achtererfgebied worden gebouwd. In uitzondering daarop is voorzien in specifieke regels voor erkers. Bij een woning is een gezamenlijk oppervlak aan bijgebouwen toegestaan. De toegestane oppervlakte is gerelateerd aan de omvang van het perceel. Daarnaast is voorzien in bouwregels met betrekking tot de afstand tot de perceelgrens, dakhelling, bouw- en goothoogte.
Met dit plan worden voor de gronden ten behoeve van de ontsluiting van de woonerven voorzien in de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied’. Deze gronden zijn bestemd voor wegen, straten en paden, waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.
Op deze gronden mogen alleen overige bouwwerken worden gebouwd met een bouwhoogte van niet meer dan 8,5 meter.
Binnen deze dubbelbestemming is de bescherming van archeologische waarden verankerd. In de regels is vastgelegd onder welke condities bij ruimtelijke ingrepen een (verkennend) archeologisch onderzoek nodig is.
Het gaat om een particulier initiatief waarbij de initiatiefnemer garant staat voor de economische uitvoerbaarheid van het plan. Eventuele planschadekosten en aan dit plan verwante kosten komen daarmee voor rekening van de initiatiefnemer.
Het college heeft de bevoegdheid te besluiten of er inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Aangezien onderhavig plangebied gering van omvang is en de ruimtelijke consequenties beperkt zijn, is geen gelegenheid tot inspraak worden geboden.
Door de initiatiefnemer zijn de eigenaren van de aangrenzend woonpercelen geïnformeerd over deze ontwikkeling. Daarbij zijn geen belemmeringen gebleken. Met Actium, eigenaar van de noord en oostelijk aangrenzende woonperceel, is reeds eerder uitvoerig gesproken in verband met de herontwikkeling van een deel van dit woongebied.
In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro is het ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de provincie en het waterschap. In de reactie van 28 februari 2020 geeft de provincie aan te adviseren om de dubbelbestemming archeologie op te nemen. Daarbij onderschrijft de provincie te stelling name vanwege de omvang van het plangebied in dezen geen archeologisch onderzoek vereist is. De volledige reactie is bijgevoegd als bijlage 2. Het waterschap verwijst in naar reactie naar de uitkomst van de digitale watertoets. Op basis van de vooroverlegreacties is de dubbelbestemming archeologie opgenomen.
Het voorliggend bestemmingsplan heeft als ontwerp met ingang van 21 januari 2021 gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze op het plan in te dienen. In de zienswijze periode zijn geen zienswijzen ontvangen.