direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Dokter Larijweg 87, Ruinerwold
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1690.BP00448-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het perceel Dr. Larijweg 87, 7961 NP te Ruinerwold is een voormalig agrarisch bedrijfsperceel. De familie Westenbrink is voornemens het perceel te herontwikkelen.

De gemeente De Wolden is in principe bereid medewerking te verlenen aan de voorgenomen herontwikkeling. Daarbij zijn voorwaarden gesteld. Dit bestemmingsplan voorziet in een passend planologisch regiem met inachtneming van de gestelde voorwaarden.

1.2 Ligging en begrenzing

Het perceel Dr. Larijweg 87 is gelegen in het bebouwingslint langs de Dr. Larijweg welke gelegen is tussen Ruinerwold en Oosteinde. Het plangebied betreft het huidige karakteristieke woonerf en achtergelegen gronden met voormalige agrarische bebouwing. In afbeelding 1.1 is het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00448-VG01_0001.jpg"

1.3 Verantwoording

Bij het opstellen van dit plan is gebruik gemaakt van websites, visiedocumenten, beleidsstukken en rapportages. Waar nodig zijn de teksten en/of afbeeldingen integraal overgenomen om de inhoud zoveel mogelijk te waarborgen. Voor het overige is de naam en/of vindplaats van de bronnen weergegeven.

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 worden de huidige en gewenste situatie in het plangebied beschreven. Vervolgens komt in hoofdstuk 3 het rijks-, provinciale-, gemeentelijk- en waterschapbeleid aan de orde. In hoofdstuk 4 worden de omgevingsaspecten beschreven. Hoofdstuk 5 geeft de juridische opzet van het bestemmingsplan weer en behandel de bestemmingen van dit plan. In hoofdstuk 6 is de economische uitvoerbaarheid van het plan aangegeven en wordt

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het plangebied

2.1 Historie

Het plangebied is gelegen in het ontginningsgebied rond Ruinerwold. De ontginning van Ruinerwold is gekoppeld aan de Wold Aa en dateert uit de Middeleeuwen. Het eerste bebouwingslint is gevestigd op de zandrug langs de Dokter Larijweg en later in het verlengde daarvan Boerpad. Boerpad en Dokter Larijweg vormen het oudste bebouwingslint van het unieke dubbellint van Ruinerwold. Vanaf deze smalle zandrug is het omliggende veen in lange, opstrekkende percelen ontgonnen. Op de zandrug, op de kop van de percelen, werden boerderijen gebouwd die een lang en gevarieerd bebouwingslint vormen. Haakswold, Wolddijk en Dijkhuizen vormden daaruit het tweede bebouwingslint.

In de loop der tijd is een deel van de gevestigde agrarische bedrijven doorontwikkeld naar andersoortige bedrijvigheid dan wel herzien tot woonpercelen.

De laagveenontginningen, waarvan het plangebied deel uitmaakt, worden gekenmerkt door een smalle, opstrekkende percelering. De perceelsgrenzen bestaan vaak uit greppels of sloten, met aan één of twee zijden elzensingels. Het bebouwingslint van de Dokter Larijweg staat dwars op deze percelering. De Dokter Larijweg bestaat uit een aaneenschakeling van boerderijen in een licht wisselende rooilijn ten opzichte van elkaar en de weg. De erven en bebouwing zijn wel haaks op de weg georiënteerd.

Vanwege de smalle opstrekkende percelering was destijds grootschalige uitbreiding van de agrarische bebouwing niet meer mogelijk binnen het bebouwingslint. Daarmee is omstreeks 1969 ter hoogte van het plangebied achter het lint agrarische bedrijfsbebouwing ontstaan ten behoeve van twee agrarische bedrijven. Elke bedrijf omvatte een uitbreiding van twee stallen verbonden met een tussenlid. Met deze bebouwing is de oorspronkelijke verkavelingsstructuur doorbroken. Deze bebouwing is nog aanwezig.

2.2 Huidige situatie

Het plangebied omvat het perceel Dr. Larijweg 87, 7961 NP te Ruinerwold. Het betreft een voormalig agrarisch bedrijfsperceel. Het perceel is onder te verdelen in twee delen. Het zuidelijke deel, gelegen in het bebouwingslint langs de Dr. Larijweg en het noordelijke deel met de nieuwere uitbreiding van twee voormalige agrarische bedrijven. In afbeelding 2.1 is een luchtfoto met daarop het plangebied aangeduid met een rode belijning. De nummering in de luchtfoto verwijst naar tabel 1.1 waar de bestaande bebouwing met oppervlaktes zijn vermeld.

Zuidelijke woonerf

Het zuidelijke deel is gelegen in het karakteristieke bebouwinglint langs de Dr. Larijweg. Op dit deel is de (woon)boerderij en twee schuren gelegen. Deze gronden worden door initiatiefnemer in hoofdzaak gebruikt als woonerf. Op afbeelding 2.2 is te zien dat dit gedeelte de bestemming ‘Wonen’ heeft met aanduiding "Karakteristiek’.

In het achterste deel van het meest noordelijk gelegen bijgebouw is een tijdelijke woning gerealiseerd. Deze woning is niet toegestaan op grond van de geldende beheersverordening.

Het erf en bebouwing is in een goede staat van onderhoud en is passend in het fraaie straat- en bebouwingsbeeld van het bebouwingslint van de Dr. Larijweg.

Noordelijke voormalige agrarische bedrijfsgronden

Op het noordelijke deel is de voornoemde grootschalige uitbreiding van twee voormalige agrarische bedrijven aanwezig. De bestaande voormalige agrarische bebouwing omvat vier voormalige (varkens)stallen en een mestsilo.

De bebouwing is in de huidige staat niet meer te gebruiken voor stalling van vee. Indien er geen passende bestemming voor deze bebouwing wordt gevonden ligt verder verval en verrommeling op de loer. Dit deel van het plangebied heeft een agrarische bestemming (zie afbeelding 2.2).

De bestaande stallen hebben een gezamenlijk oppervlak van 2305 m². Het tussenlid van de twee zuidelijke stallen is reeds verwijderd. In de meest zuidelijke stal is een ambachtelijk houtbewerkingsbedrijf, workshopruimte en bijbehorende streekwinkel gevestigd. Deze bedrijvigheden zijn niet toegestaan op grond van de geldende beheersverordening. Van deze stal zijn de gevels gerenoveerd. De drie andere stallen zijn ongebruikt of doen dienst als opslag. Deze stallen zijn in vervallen toestand. Alle vier stallen bevatten nog asbest dakbedekking.

Geheel noordelijk op het perceel is een mestsilo aanwezig. Uit onderzoek van initiatiefnemer is gebleken dat het de grootste en oudste betonnen mestsilo van Drenthe betreft. Het dak van de silo is verdwenen. De betonnen onderbouw is fier blijven staan en heeft nauwelijks geleden door weer en wind, daarmee is de bestaande onderbouw in relatief goede bouwkundige staat.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00448-VG01_0002.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00448-VG01_0003.jpg"

Planologisch

Het plangebied is gelegen binnen de grenzen van de beheersverordening ‘Buitengebied’ (vastgesteld 28-02-2019). Het zuidelijke erf is daarbij aangeduid met de bestemming ‘Wonen’ en voorzien van een bouwvlak. De noordelijke voormalige agrarische bedrijfsgronden zijn aangeduid met de bestemming ‘Agrarisch’. Alle gronden zijn aangeduid met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. In afbeelding 2.2 is een uitsnede van de verbeelding behorende bij de beheersverordening weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00448-VG01_0004.jpg"

Het noordelijke deel van het perceel is bestemd tot "Agrarisch" waarbij niet voorzien is in een "bouwvlak". De bestaande bebouwing is daarmee wegbestemd. De bestaande stallen en mestsilo mogen conform de regels van de beheersverordening worden gebruikt voor agrarische bedrijfsvoering.

2.3 Gewenste situatie

Het voornemen is het plangebied te herontwikkelen voor nieuwe bedrijvigheid bestaande uit dag- en verblijfsrecreatie, kleinschalige paardenhouderij en een ambachtelijk houtbewerkingsbedrijf, met aanverwante detailhandel, parkeervoorzieningen en kantoorruimte. Ter compensatie van deze ontwikkeling worden drie van de vier bestaande stallen gesloopt. Tevens zal het erf landschappelijk worden ingepast. Het landschappelijk inpassingsplan is bijgevoegd als bijlage A behorende bij de regels.

Hieronder zijn de gewenste voorzieningen en ontwikkelingen nader omschreven. Ter verduidelijking zijn in afbeelding 2.3 en 2.5 de bebouwing en/of ontwikkelingen in een illustratie verbeeld. Daarbij zijn de ontwikkelingen beschreven en verbeeld voor het zuidelijke woonerf en het noordelijke deel met de voormalige agrarische bedrijfsgronden, afzonderlijk.

Zuidelijk woonerf

Het zuidelijke deel gelegen in het karakteristieke bebouwinglint langs de Dr. Larijweg blijft intact en blijft in hoofdzaak in gebruik voor wonen. De bestaande parkeerruimte wordt beperkt vergroot. De parkeerruimte wordt (zover niet al aanwezig) landschappelijk ingepast. In het achterste deel van het meest noordelijk gelegen bijgebouw zal een kantoor/receptie worden gerealiseerd. De bestaande uitweg zal gebruikt worden voor de gewenste bedrijvigheid op het noordelijke deel van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00448-VG01_0005.jpg"

Noordelijke deel (voormalige agrarische bedrijfsgronden)

Drie van de vier bestaande varkensstallen worden gesloopt. De meest zuidelijk gelegen stal blijft behouden. Tevens blijft de noordelijk in het plangebied gelegen mestsilo behouden.

Deze zuidelijke stal is ca 35 x 15 meter. In de stal is reeds een ambachtelijk houtbewerkingsbedrijf, met opslagruimte, werkplaats en toonruimte, gevestigd. Tevens is in deze stal een ruimte gecreëerd voor het geven van creatieve workshops en er is een kleine kantine/keuken met toiletruimte gecreëerd. In het oostelijke deel van deze stal zullen 5 paardenboxen worden gecreëerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00448-VG01_0006.jpg"

De mestsilo (1500 m3) is geheel noordelijk op het voormalige agrarische bedrijfsperceel gelegen en zal plaats bieden aan 5 logies appartementen en groepsruimtes. Daarvoor wordt in de betonnen schil een opening gecreëerd voor toegang en daglicht. Het dak wordt een kegelvormige constructie. In het dak zijn tevens daglichtvoorzieningen getroffen. In afbeelding 2.4 is een impressie van de verbouwde silo weergegeven.

Hierna per onderdeel een beschrijving van de bestaande danwel beoogde gebruiksfuncties.

Ambachtelijk houtbewerkingsbedrijf

Het hout dat verwerkt wordt in het ambachtelijk houtbewerkingsbedrijf wordt voorbewerkt aangeleverd vanuit houtzagerijen. De materialen worden opgeslagen in de werkplaats. Er is sprake van een zeer beperkte opslag omdat materialen veelal voor een specifieke opdracht besteld worden en deze nagenoeg direct worden bewerkt.

De werkzaamheden ter plaatse zijn beperkt tot enkel lichte bewerkingen en voorbereidende werkzaamheden. Verder worden voor een aanzienlijk deel van de werkzaamheden de onderdelen op locatie verder verwerkt en geplaatst. Denk daarbij aan buitenkeukens, interieurs en dergelijke. Het bedrijf is een puur ambachtelijk houtbewerkingsbedrijf.

De werkzaamheden in de werkplaats vinden in hoofdzaak overdag plaats van 8 tot 17 uur. In de werkplaats zijn geen zware machines aanwezig en die zullen er met dit voorgenomen plan ook niet komen. De vervaardigde producten worden op bestelling gemaakt.

De showroom geeft klanten de mogelijkheid producten te zien en daarop maatwerk aanpassingen te bespreken. De producten worden eveneens aangeboden via een webshop. Het aantal bezoekers per week is beperkt tot gemiddeld 7 personen per week.

De verkoop via de webshop is beperkt tot 3 bestellingen per week. De voornoemde werkzaamheden hebben een zeer beperkte verkeersaantrekkende werking.

Het bedrijf Inouthout.nl is reeds jaren actief (voorheen Boerpad en Meppel) en heeft reeds een gevestigde naam. De voornoemde bezoekersaantallen zullen naar verwachting daarom niet fors gaan toenemen. De workshops zijn een passende aanvulling op het ambachtelijke houtbewerkingsbedrijf.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00448-VG01_0007.jpg"

Workshops

De te geven workshops beperken zich tot het maken van bloemstukken en ornamenten met hoofdzakelijk natuurlijke materialen. De workshops zijn beperkt tot seizoenthema’s en zullen periodiek een aantal bezoekers trekken waarbij veelal sprake zal zijn van een gezamenlijke deelname waarbij men gebruik maakt van carpooling. Dit blijkt uit ervaringsgegevens van de opdrachtgever.

Verblijfsrecreatie

Vanwege de landelijke ligging en de beschikbare ruimte op het perceel is gekozen om logies te bieden voor mens en paard. In de weekenden en vakanties zullen particulieren op zoek naar rust, natuur alsmede paardenliefhebbers gebruik gaan maken van de accommodatie.

Gedurende de week zal de zakelijke markt worden aangeboord en zal de accommodatie ruimte bieden voor heide sessies, coaching en soortgelijke bijeenkomsten waarbij de rust en de paarden ingezet (kunnen) worden.

Voor de inzet van paarden als coaching zullen 5 paardenboxen alsmede opslag/berging ten behoeve van de paarden, in de te behouden stal worden gesitueerd.

Inrichting erf

Tussen de mestsilo en de te behouden stal zal voorzien worden in een paardrijbak en parkeerruimte.

Het landschap is mede de inspiratie geweest voor de voorgenomen ontwikkelingen. Er is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Met het bijgevoegde inpassingsplan (Bijlage A behorende bij de regels) zijn voorgenomen ontwikkelingen passend afgestemd op de kaders van het gemeentelijk beleid (LOK).

Planologisch

Voor deze ontwikkelingen is reeds vooroverleg gevoerd. Bij schrijven van 3 januari 2019 is in principe medewerking uitgesproken in dezen. Daarbij zijn de volgende voorwaarden gesteld:

  • Er wordt een planschade-afwentelingsovereenkomst gesloten;
  • Er wordt een anterieure overeenkomst gesloten;
  • Er wordt elders (conform uitgangspunten) een compensatiewoning gebouwd op basis van de drie te slopen schuren;
  • Er worden maximaal 5 appartementen gerealiseerd in de silo;
  • De bestaande goothoogte van de silo blijft behouden;
  • Het dak op de silo wordt kegelvorming en heeft een hellingshoek van maximaal 30°;
  • Er wordt geen kapschuur bijgebouwd;
  • De tijdelijke woning wordt getransformeerd naar kantoor/receptie;
  • Parkeren op eigen terrein conform Crow;
  • Het erf wordt als geheel ingepast conform LOK;
  • Het hoofdgebouw van Dr. Larijweg 87 wordt bestemd als bedrijfswoning;
  • Er wordt akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de verkeersstromen over de inrit;

Met dit bestemmingsplan wordt voorzien in een passend planologisch regiem voor het huidige bedrijf en ruimte om de voornoemde voorgenomen ontwikkelingen uit te voeren. Voornoemde voorwaarden zijn, voor zover van toepassing, behandeld in dit bestemmingsplan.

Voor de compensatiewoning wordt een afzonderlijke procedure doorlopen. Het behouden van de rechten is vastgelegd in een overeenkomst.

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

Op 13 maart 2012 is de Rijkstructuurvisie Infrastructuur en Ruimte (hierna SVIR) vastgesteld. Daarin is aangegeven dat het Rijk streeft naar ‘Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig’. Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke- natuurlijke- en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Het Rijk kiest daarbij voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben de centrale overheden beleidsvrijheid.

Een aantal van deze nationale belangen wordt juridisch geborgd via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

Conclusie

Voor dit plan zijn in de SVIR dan wel de Barro geen onderwerpen van nationaal belang opgenomen waarmee rekening dient te worden gehouden.

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, een onderbouwing van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing op te nemen. De ladder voor duurzame verstedelijking is sinds 1 oktober 2012 opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid Bro en stelt eisen aan, met het oog op een zorgvuldige afweging, transparante besluitvorming en een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder voor duurzame verstedelijking heeft als doel om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren en over programmering op regionaal niveau te voorkomen.

Op 1 juli 2017 is een wijziging van de Ladder voor duurzame verstedelijking doorgevoerd (artikel 3.1.6 lid 2 – 4 Bro). Voorheen bestond de ladder uit drie treden, dat is nu niet meer het geval en is de ladderbenadering losgelaten. De behoefte van de ontwikkeling dient te worden beschreven indien er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Als de ontwikkeling is voorzien buiten het bestaand stedelijk gebied, zal daarnaast gemotiveerd moeten worden, waarom de ontwikkeling niet binnen het bestaand gebied kan worden gerealiseerd.

Nieuwe stedelijke ontwikkeling

Of de behoefte van de ontwikkeling moet worden beschreven hangt af van de vraag of er sprake is van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ als bedoeld in artikel 3.1.6, lid 2 Bro. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.

De definitie van een stedelijke ontwikkeling is als volgt in het Bro omschreven:

'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.

De aard en de omvang van de toegestane functies en bebouwing waarin het plan voorziet is naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van belang of sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

Met dit plan zijn nieuwe ruimtelijke mogelijkheden binnen een voormalig agrarisch bedrijfsperceel voorzien. De gronden zijn niet meer voorzien van een bouwvlak. Onder de bestaande bestemming is een agrarische bedrijfsvoering op de gronden dan wel bestaande bouwwerken mogelijk. De voormalige agrarische bebouwing is reeds jaren buiten gebruik.

Daarvoor in de plaats wordt op deze gronden in nieuwe bedrijvigheid voorzien bestaande uit dag- en verblijfsrecreatie, kleinschalige paardenhouderij en een ambachtelijk houtbewerkingsbedrijf, met aanverwante detailhandel, parkeervoorzieningen en kantoorruimte. Ter compensatie van deze ontwikkeling worden drie van de vier bestaande stallen gesloopt.

Per saldo zullen de planologische mogelijkheden toenemen en de bebouwing fors afnemen. Voornoemde ontwikkeling wordt volgens de ladder aangemerkt als ‘Overige functies’.

Over de toepassing van de 'ladder' heeft de Afdeling bestuursrechtspraak in de afgelopen jaren veel uitspraken gedaan. Voor overige stedelijke functies is daarbij gesteld, dat voor andere stedelijke ontwikkelingen in de vorm van een terrein 'in beginsel' geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als het ruimtebeslag minder dan 500 m2 bedraagt. Bestaat de andere stedelijke ontwikkeling uit de toevoeging van een gebouw, dan ligt de ondergrens 'in beginsel' bij een bruto-vloeroppervlakte van minder dan 500 m2. Door de toevoeging van 'in beginsel' bij iedere ondergrens, lijkt de Afdeling duidelijk te willen maken dat geen sprake is van ‘harde’ ondergrenzen.

De voorgenomen borging van het bestaande ambachtelijke houtbewerkingsbedrijf met showroom als mede de kleinschalige paardenhouderij, geven een invulling van vrijkomende agrarische bebouwing. Er is geen toename van bebouwd oppervlak. Daarmee is dit deel van deze ontwikkeling niet aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Voor de ontwikkeling van de dag- en verblijfsrecreatie zou, mede gezien de sloop van drie van de vier bestaande stallen, gesteld kunnen worden dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Deze rechtspraak is gebaseerd op een afweging naar aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling. Een agrarisch bedrijf of bedrijf in een vrijkomend agrarisch bedrijf, zal in dit landelijke gebied een andere impact hebben dan een recreatiebedrijf. Daarmee wordt ondanks de voornoemde rechtspraak en afweging dat gesteld kan worden dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling, de ladder doorlopen.

Realisatie buiten stedelijk gebied

Als de ontwikkeling is voorzien buiten het bestaand stedelijk gebied, dan moet ook gemotiveerd worden waarom de ontwikkeling niet binnen het bestaand gebied kan worden gerealiseerd.

Het plangebied is gelegen in het buitengebied. Daarmee is de ontwikkeling voorzien buiten het bestaande stedelijke gebied.

Behoefte

Bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling buiten stedelijk gebied, dient het plan een beschrijving van de behoefte aan de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt te bevatten. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling.

De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Bij overige functies, waaronder accommodaties voor sport en recreatie, is het ruimtelijk verzorgingsgebied de gemeente of een groter gebied.

Het plangebied is gelegen binnen de gemeente De Wolden welke zich richt op ontwikkeling en verbreding van de recreatiesector. Daarbij is ruimte voor nieuwe bedrijfsconcepten zoals de Perenhoeve. Binnen De Wolden wordt beleidsmatig aangestuurd op toename van bedrijven gericht op de combinatie van recreatie en paard. Het voorgenomen bedrijfsconcept is geheel passend daarin. Daarmee zijn de logies verblijven gesitueerd in de unieke karakteristieke mestsilo. Daarmee is sprake van een unieke aanvulling op het bestaande aanbod in de regio en voorziet het plan in een actuele behoefte en wordt tevens voldaan wordt aan de ladder van duurzame verstedelijking.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat voldaan wordt aan de ladder van duurzame verstedelijking zoals bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid Bro. En dat het Rijksbeleid niet in de weg staat aan de gewenste ontwikkelingen in dezen.

3.2 Provinciaal beleid

Op 26 september 2018 is de geactualiseerde Omgevingsvisie Drenthe vastgesteld, welke op 1 november 2018 in werking is getreden.

In de omgevingsvisie zijn de belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing van de provincie in het ruimtelijk domein geformuleerd. De omgevingsvisie vormt het strategisch kader voor de ruimtelijke economische ontwikkeling van Drenthe in de periode tot 2020, met in sommige gevallen een doorkijk naar de periode daarna. De Omgevingsvisie Drenthe is een integraal document en fungeert als provinciale structuurvisie op grond van de Wet ruimtelijke ordening, als provinciaal milieubeleidsplan, als regionaal waterplan en als provinciaal verkeers- en vervoersplan.

Op de visiekaart 2020 is het plangebied aangeduid als ‘Landbouwgebied’. In de gebieden aangewezen als landbouwgebied wordt de landbouw maximale speelruimte geboden. Bij de te nemen inrichtingsmaatregelen voor de landbouw dient zo veel mogelijk rekening gehouden te worden met de kernkwaliteiten. Ontwikkelingen in deze gebieden mogen daarom geen negatief effect hebben op de landbouw. In deze gebieden streeft de provincie naar een waterhuishoudkundige inrichting die is afgestemd op de functie Landbouw.

Het behouden en ontwikkelen van de kernkwaliteiten is belangrijk voor een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving in Drenthe, maar even belangrijk is een gezond economisch klimaat, met voldoende bedrijvigheid en werkgelegenheid, en een gezond sociaal klimaat, met voldoende variatie in het aanbod van woonmilieus en voorzieningen met een hoge leefbaarheid. De provincie Drenthe wil voorwaarden creëren voor het ontwikkelen van een robuuste sociaaleconomische structuur van Drenthe, met daarbij centraal het onderscheid tussen stad en land en het complementaire karakter van deze gebieden.

Provinciale omgevingsverordening Drenthe

De Provinciale omgevingsverordening Drenthe, met inbegrip van de navolgende wijzigingen, geeft de randvoorwaarden voor het opstellen van ruimtelijke plannen.

De verordening heeft onder meer als doel om de kernkwaliteiten van Drenthe te behouden en te versterken. Als bij een ruimtelijk project kernkwaliteiten betrokken zijn, moet in het ruimtelijk project uiteengezet worden dat met het desbetreffende project wordt bijgedragen aan behoud en ontwikkeling van de bij het project betrokken kernkwaliteiten conform de provinciale ontwikkelingsvisie.

Een ruimtelijk project mag geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk maken die de kernkwaliteiten significant aantasten. Hieronder worden de kernkwaliteiten behandeld.

In de provinciale omgevingsvisie is aangegeven dat men vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening zeer terughoudend is als het gaat om de uitbreiding van de bestaande bedrijfslocaties. Vestiging op een bedrijventerrein binnen stedelijk gebied en dan in het bijzonder op bedrijventerreinen, heeft de voorkeur. Daarbij is aangegeven dat indien verplaatsing niet mogelijk of onwenselijk is of als het bedrijf een gunstige invloed op de werkgelegenheid en daarmee op de vitaliteit van het landelijk gebied heeft, men uitbreiding verantwoord acht.

Het provinciaal beleid betreffende de ontwikkeling van bedrijfslocaties is vastgelegd in de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe en de daarop gebaseerde ‘Regeling Vestiging solitairbedrijf in buitengebied’.

Het plangebied is gelegen buiten bestaand stedelijk gebied. Agrarische bedrijven en bedrijven binnen de sector recreatie en toerisme en overige functioneel aan het buitengebied verbonden bedrijvigheid is uitgesloten van het voornoemde beleid.

Kernkwaliteiten

In de omgevingsvisie zijn de provinciale belangen benoemd, waarmee gemeenten rekening dienen te houden bij het beoordelen van ruimtelijke plannen. De provinciale belangen zijn verdeeld in Drentse kwaliteiten en ontwikkelingen. Binnen de Drentse kwaliteiten staat het behoud en de ontwikkeling van de kernkwaliteiten, de dynamiek van bedrijvigheid, de biodiversiteit en de milieu- en leefomgevingskwaliteit centraal. De kernkwaliteiten zijn opgenomen op een kernkwaliteitenkaart. Op het gebied van ontwikkelingen zijn onder meer het regionale economische vestigingsklimaat, de landbouw, het toerisme, de demografische ontwikkeling, de mobiliteit en de ontwikkeling van natuur en landschap (ecologische hoofdstructuur, diversiteit in landschapstypen) als provinciaal belang benoemt.

De kernkwaliteiten vormen de belangrijkste basis voor het begrip 'ruimtelijke kwaliteit'. Daarnaast zijn zorgvuldig ruimtegebruik en milieu- en leefomgevingskwaliteit van belang.

De provinciale doelstellingen voor de kernkwaliteit landschap zijn:

  • het behouden en versterken van de ruimtelijke afwisseling van landschapstypen;
  • het behouden en versterken van de volgende karakteristieke kenmerken van de verschillende landschapstypen.

Kernkwaliteit landschap

Het plangebied is met de kernkwaliteit landschap aangeduid als ‘Wegdorpen van de laagveenontginningen’. Voor deze gebieden is het open weidegebied en de smalle verkaveling met het fijnmazige slotenpatroon van provinciaal belang. Het provinciaal beleid voor deze gebieden is gericht op het behouden en versterken van het open karakter en de smalle verkavelingsstructuur.

Kernkwaliteiten aardkundige waarden, archeologie en cultuurhistorie

Het plangebied is voor de kernkwaliteit aardkundige waarden aangeduid met het beschermingsniveau "Generiek" en voor de kernkwaliteit archeologie aangeduid met het beschermingsniveau "Generiek". Verder is het plangebied voor de kernkwaliteit cultuurhistorie aangewezen met het beschermingsniveau "Respecteren".

Het beschermingsniveau is het laagste sturingsniveau en is voorzien over het grootste deel van het grondgebied van de provincie Drenthe.

Voor de gebieden aangewezen met het beschermingsniveau Respecteren richt men zich op het waarborgen van de cultuurhistorische samenhang voor de toekomst. Daarbij hebben initiatiefnemers de verantwoordelijkheid om de cultuurhistorische hoofdstructuur als inspiratiebron te benutten.

Een smalle strook zuidelijk van het plangebied, welke grenst aan de Dr. Larijweg, is voor de kernkwaliteit Cultuurhistorie aangeduid als "CHS-vlak" (Cultuurhistorisch Hoofd Structuur – vlak)Het betreft een smalle strook van enkele meters. De voorgenomen ontwikkelingen bevinden zich niet op deze gronden.

Kernkwaliteiten natuur en rust

Het plangebied is betreffende de kernkwaliteiten natuur en rust niet voorzien van enige waarde aanduiding.

Overweging

Met dit plan wordt een passende invulling gegeven aan het (deels) verpauperde voormalige agrarische bedrijfsperceel. Met de sloop en landschappelijke inpassing van de gronden wordt de doorbroken verkavelingsstructuur van het oorspronkelijke bebouwingslint verzacht. De voornoemde plannen en daarmee deels nieuwe inrichting van het perceel zal geen afbreuk doen aan het open karakter en de smalle verkavelingsstructuur van het gebied. De ontwikkeling doet geen afbreuk aan de hoofdstructuur van het gebied.

Conclusie:

Dit project is in overeenstemming met het provinciaal beleid.

3.3 Waterschapsbeleid

Het plan is gelegen binnen het beheersgebied van het waterschap Drentse Overijsselse Delta. In het waterbeheerplan is beschreven hoe het waterschap uitvoering geeft aan haar watertaken in de periode 2016-2021. In het waterbeheerplan beschrijven we hoe we dit in de periode 2016-2021 doen. Het waterbeheerplan geeft vooral de koers aan voor de komende jaren.

De doelen in het waterbeheerplan zijn.

  • Overstromingen, wateroverlast of droogte te voorkomen of beperken. Inwoners kunnen hierdoor op een goede manier wonen en werken. Boeren en natuurbeheerders kunnen goed gebruik maken van de grond.
  • Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het water in de volle breedte. Een goede ecologische en chemische kwaliteit van het (oppervlakte)water is belangrijk. Het water is schoon en gezond en inwoners kunnen hiervan genieten. Ook de doelen voor waterkwaliteit die voortvloeien uit Europese wetgeving; de Kaderrichtlijn Water (KRW) maken onderdeel uit van het plan.
  • Afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties effectief en efficiënt behandelen. We proberen niet alleen schadelijke stoffen uit het water te halen. Ook willen we van deze stoffen nieuwe producten maken en nieuwe toepassingen zoeken.

Er is uitvoering gegeven aan de digitale watertoets. Op basis van de watertoets is geconcludeerd dat de normale procedure van toepassing is, wat betekent dat het waterschap een maatwerk wateradvies opstelt voor dit plan (zie paragraaf 4.7).

Conclusie

Op basis van voornoemde kan vastgesteld worden dat dit plan geen beletsel geeft voor de uitvoering van het Waterschapsbeleid.

3.4 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie de Wolden (2010-2030)

In maart 2011 heeft de gemeenteraad de structuurvisie 2010-2030 vastgesteld. Deze visie vormt het toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen met 2030 als zichtjaar. De structuurvisie heeft niet als doelstelling de ontwikkelingslocaties op perceelsniveau op de kaart weer te geven, maar geeft de ontwikkelingsmogelijkheden per landschapstype weer.

De visie richt zich op het creëren van ontwikkelingsmogelijkheden, waarbij het versterken van de ruimtelijke kwaliteit de randvoorwaarde is. Ruimtelijke kwaliteit in De Wolden wordt bepaald en versterkt door de dynamiek van het landschap.

Het plangebied is op de visiekaart aangeduid als ‘droog slagenlandschap’.

Het Slagenlandschap wordt gekenmerkt door lintdorpen op de hogere zandkoppen en veenontginningen vanuit deze linten. De lijnen zijn recht, de gebieden kleinschalig. Het slagenlandschap is verdeeld in een vroegere en latere ontginning.

De vroegere ontginning rondom Ruinerwold, heeft plaatsgevonden op de rijkere gronden, waar door de boeren grote percelen zijn ontwikkeld. De perceelsgrenzen zijn vormgegeven door sloten. De boerderijen die hier staan zijn groot en rijkversierd. De latere ontginning rond Koekange speelde zich af in armere omstandigheden, vanuit kleine boerderijen, met kleinere percelen. Afschermende houtwallen geven in dit gebied de perceelsgrenzen weer.

Met dit plan wordt een passende invulling gegeven aan het (deels) verpauperde voormalige agrarische bedrijfsperceel. Met de sloop en landschappelijke inpassing van de gronden wordt de doorbroken verkavelingsstructuur van het oorspronkelijke bebouwingslint verzacht. Met dit plan is voor zover mogelijk rekening is gehouden met de karakteristieken van het bestaande landschap. Het plangebied wordt landschappelijk ingepast conform het gemeentlijk Lokaal ontwikkelingskader.

De structuurvisie geeft een eerste aanzet voor inpassing voor nieuwe ontwikkelingen op basis van de aangegeven landschapstypes. Dit toetsingskader is nader uitgewerkt in het LOK.

Landschappelijk ontwikkelingskader (LOK)

De gemeenteraad heeft op 29 november 2012 het LOK vastgesteld. Het LOK is een instrument waarbij de samenhang tussen de verschillende landschappen, stedenbouwkundige aspecten, uitbreidingsplannen en functieveranderingen op elkaar worden afgestemd. Daarnaast bevat het LOK-randvoorwaarden waarbinnen ontwikkelingen kunnen plaatsvinden.

Het plangebied is gelegen binnen het gebied aangeduid als ontginningslandschap (laagveenontginning). De laagveenontginningen zijn ontstaan in de Middeleeuwen. Vanaf smalle zandruggen zijn lange, zeer smalle ontginningspercelen opgezet die tot ver het land in lopen. Op de zandrug ontwikkelen zich boerderijen op de kop van de percelen. De lange bebouwingslinten zijn als ontginningsas nog steeds markant aanwezig in het landschap. Vooral rond Ruinerwold is de opstrekkende verkaveling nog duidelijk zichtbaar door de aanwezige elzensingels op de perceelsgrenzen. De rijkdom van de ontginningen weerspiegelt zich in de woningen. De oudere woningen uit de beginperiode zijn nog sober, met een lage goot en vaak een rieten dak. De latere bebouwing, zeker bij Ruinerwold, toont de rijkdom van toen door grote boerderijen met sjieke voorhuizen en royale tuinen.

Van oudsher hebben de gebieden een sterk besloten karakter door de vele elzensingels op de perceelsgrenzen. Door schaalvergroting in de landbouw en de wens om de gronden efficiënter te benutten zijn veel elzensingels echter weggehaald. Bovendien zijn door ruilverkavelingen veel gronden samengevoegd. Bij Koekange zijn de karakteristieke slagen dan ook deels verdwenen. Gemeente De Wolden wil bij nieuwe ontwikkelingen juist de opstrekkende verkaveling weer accentueren.

Met dit plan wordt een passende invulling gegeven aan het (deels) verpauperde voormalige agrarische bedrijfsperceel. Met de sloop en landschappelijke inpassing van de gronden wordt de doorbroken verkavelingsstructuur van het oorspronkelijke bebouwingslint verzacht.

Dit plan voldoet aan de doelstellingen en criteria van het voornoemde gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante omgevingsaspecten. Op grond van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient te worden bezien of het project uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening verenigbaar is met de eisen die aan de omgeving worden gesteld. Het plan dient een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen en de belangen van omwonenden niet te schaden.

Het plan omvat de herontwikkeling van een perceel met voormalige agrarische bebouwing. Drie voormalige stallen worden gesloopt en elders ingezet voor de bouw van een Ruimte voor Ruimte woning. Binnen het plangebied wordt bedrijvigheid toegestaan in de vorm van recreatie en een ambachtelijk houtbeweringsbedrijf.

4.1 Milieuzonering

Een goed woon- en leefklimaat wordt bereikt als er een balans is tussen de milieubelastende- en milieugevoelige activiteiten, er is als het ware een goede mix van wonen en werken. In dat kader dient te worden beoordeeld of in de omgeving van het plangebied functies voorkomen die kunnen worden gehinderd door dit plan of waarvan het plan juist hinder ondervindt.

Zoals aangegeven is de bestaande agrarische bebouwing op het achtererf inmiddels planologisch wegbestemd. De bestaande stallen en mestsilo mogen conform de regels van de beheersverordening worden gebruikt voor een agrarische bedrijfsvoering. Echter is de bebouwing in de huidige staat niet meer te gebruiken voor de stalling van vee.

Met dit plan wordt dag- en verblijfsrecreatie, een kleinschalige paardenhouderij en een ambachtelijk houtbewerkingsbedrijf met aanverwante detailhandel, parkeervoorzieningen en kantoorruimte mogelijk gemaakt.

Er komt een verschuiving in de bedrijfsfuncties in het plangebied, waardoor de agrarische bestemming een recreatieve bestemming wordt. In de nabijheid zijn meerdere woonpercelen gelegen. Daarmee dient met dit plan een afweging te worden gemaakt betreffende de effecten op het woon- en leefklimaat ter hoogte van deze woonpercelen.

Bedrijven en milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient hinder en gevaar te worden voorkomen. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). In de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering zijn voor vele bedrijfsactiviteiten indicatieve hinderrichtafstanden aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00448-VG01_0008.jpg"

In tabel 4.1 zijn bedrijfscategorieën aangegeven waaronder de verschillende bedrijfsactiviteiten welke dit plan omvat, kunnen worden geschaard. Daarbij zijn de bijbehorende richtafstanden en milieucategorie aangegeven. Gezien de kleinschaligheid van de met dit plan beoogde activiteiten zijn de voornoemde richtafstanden niet 1-op-1 toepasbaar. Er zal sprake zijn van minder hinder op de omgeving. Ondanks dat worden de voornoemde richtafstanden in dezen overwogen.

Zoals aangegeven zijn de richtafstanden een indicatieve afstand voor bepaalde bedrijfsactiviteiten. Van deze indicatieve afstanden kan onderbouwd worden afgeweken.

De bestemming ‘Wonen’ van het meest dichtbij gelegen woonperceel grenst aan het plangebied. In afbeelding 2.2 is een uitsnede van de geldende beheersverordening weergegeven waarop tevens de bedoelde woonpercelen met huisnummering zijn weergegeven. De woning Dr. Larijweg 87 wordt bewoond door initiatiefnemer en zal met dit plan bestemd worden als bedrijfswoning.

VAB Bestemming

De bedrijvigheid in de te behouden stal, waarin het houtbewerkingsbedrijf en paardenhouderij, zich bevinden, is het meest dichtbij gelegen (ca 6 meter) tot de dichtstbijzijnde woonbestemming. De afstand van de stal tot de meest nabij gelegen woning van derden bedraagt ca 73 meter. De uitweg van het plangebied grenst direct aan de westelijk van het plangebied gelegen woonbestemming.

Betreft de paardenhouderij kan niet voldaan worden aan de voornoemde afstand betreffende de hinderfactor geur, stof en geluid. Onder het kopje wet geurhinder veehouderij is onderbouwd aangegeven dat betreffende geur alsnog voldaan kan worden aan de voornoemde richtafstand.

Betreffende de mogelijke stofhinder van het houtbewerkingsbedrijf en de paardenhouderij wordt met dit plan voldoende afstand tot de bestaande woningen in acht genomen.

Betreft de mogelijke geluidshinder van het houtbewerkingsbedrijf, de paardenhouderij alsmede de uitweg op de omgeving is door Ingenieursbureau Spreen een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd voor de gehele inrichting. In paragraaf 4.3 is het aspect geluid nader onderbouwd.

Zoals aangeven is de factor geluid in dezen de bepalende factor. Uit akoestisch onderzoek blijkt dat de voorgenomen ontwikkelingen inpasbaar zijn in de omgeving. Zie voor een nadere onderbouwing paragraaf 4.3 en het akoestisch onderzoek in bijlage 1.

Voornoemde is gebaseerd op de gewenste situatie. Door middel van sloop en herbouw dan wel in gebruik name van de huidige woning en bijbehorende bouwwerken voor bedrijvigheid zou alsnog hinder kunnen ontstaan. Om dat te voorkomen is in de gebruik- en bouwregels voorzien in een maatwerkregel.

Gezien voornoemde is aantoonbaar dat met dit plan binnen het plangebied dan wel de omliggende woonpercelen sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Recreatiebestemming

De recreatie activiteiten zijn noordelijk binnen het plangebied beoogd. Daarmee zijn deze activiteiten op meer dan 50 meter van de meest nabij gelegen woning gesitueerd. Daarmee is er sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Activiteitenbesluit en Wet geurhinder en veehouderij

Het Activiteitenbesluit bevat algemene milieuregels voor bedrijven. Alle bedrijven in Nederland vallen in beginsel onder het Activiteitenbesluit. Veel van de voorschriften van het Activiteitenbesluit zijn verder uitgewerkt in de Activiteitenregeling. In een afzonderlijke procedure zal een melding activiteiten besluit voor bedrijvigheid welke dit plan omvat worden gedaan.

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het toetsingskader voor de omgevingsvergunning milieu voor het aspect geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen. Deze is van toepassing op de voorgenomen kleinschalige paardenhouderij, bestaande uit de 5 boxen voor de stalling van paarden van logiesgasten.

Op grond van Wet geurhinder en veehouderij dient voor het houden van paarden een afstand van 50 meter van het bestemmingsvlak van de inrichting en het bestemmingsvlak van een verspreide burgerwoning, in acht te worden genomen. De minimumafstand geldt van de buitenzijde van het dierenverblijf tot de buitenzijde van het geurgevoelige object (gevel-tot-gevelafstand). Op grond van artikel 5 Wet geurhinder en veehouderij bedraagt de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom ten minste 25 meter.

De voorgenomen paardenboxen zijn op voldoende afstand van woningen van derden gelegen. De mestplaat ten behoeve van de paardenhouderij zal tevens op voldoende afstand worden aangelegd. Daarmee kan ruim worden voldaan aan de geldende eisen Wgv.

Conclusie

Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.2 Bodem

In het kader van een ruimtelijke ontwikkeling dient gemotiveerd te worden dat de voorgenomen functie passend wordt geacht in relatie tot de bodemkwaliteit. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.

De noordelijke gronden binnen het plangebied hebben een agrarisch bestemming en zijn voorheen bedrijfsmatig agrarisch in gebruik geweest. De met dit plan voorgenomen (aanvullende) gebruiksmogelijkheden zijn niet aan te merken als een gevoelige functie. Het verblijf van mensen vindt in hoofdzaak in de bestaande bebouwing plaats. Daarbij zal de buitenruimte vanwege de voorgenomen sloop en sanering grotendeels heringericht worden.

De nog aanwezige voormalige agrarische bebouwing welke gesloopt worden, moeten tevens gesaneerd worden vanwege asbesthoudende dakplaten. In het kader van de asbestsanering zal eventueel verontreiniging vanwege asbest(deeltjes) in de bodem worden overwogen. Indien nodig zal milieuhygiënisch bodemonderzoek worden verricht volgens NEN 5707 (asbest in de bodem).

Ten behoeve van deze ontwikkeling zal na sanering en voorafgaande aan de werkzaamheden alsmede in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning een milieuhygiënisch bodemonderzoek worden verricht volgens NEN 5740. In het kader van de nieuw- of verbouwactiviteiten op de locatie zal op grond van artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht bij een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen een bodemonderzoek moet worden uitgevoerd.

De zuidelijke gronden binnen het plangebied hebben een woonbestemming en zullen met dit plan als zodanig in gebruik blijven. Op deze gronden zijn geen ontwikkelingen voorzien met dit plan. Daarmee kan voor deze gronden in dezen aangenomen worden dat er sprake is van een voldoende bodemkwaliteit.

Door initiatiefnemer is er voor gekozen in het kader van deze ruimtelijke procedure geen bodemonderzoek uit te voeren, maar volgend op de voornoemde sanering de vereiste onderzoeken uit te laten voeren. De daarmee te maken kosten zijn door initiatiefnemer ingecalculeerd betreffende de vereiste asbestsanering. In het kader van de voorbereiding van deze ontwikkeling heeft initiatiefnemer de kosten, waaronder kosten voor bodemsanering danwel grondverbetering, afgewogen, waarbij is gebleken dat de kosten op wegen tegen de baten van de meerwaarde van de gronden na herziening van de bestemming waarin dit plan voorziet.

Conclusie

Het aspect bodem vormt qua haalbaarheid geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

4.3 Geluid

Met dit plan worden functies binnen het plangebied verlegd. Dat kan van invloed zijn op nabij gelegen geluidsgevoelige objecten.

Er is in het kader van dit plan akoestisch onderzoek gedaan door Ingenieursbureau Spreen. De resultaten en conclusies van het onderzoek zijn weergegeven in het rapport van 30 augustus 2019 met nummer 20191402. Het volledige rapport is bijgevoegd als bijlage 1. In het rapport is de volgende de conclusie weergegeven:

'langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus
De langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) gedurende de representatieve bedrijfssituatie bedragen ter plaatse van de maatgevende woningen van derden 40 dB(A) in de dagperiode, 39 dB(A) in de avondperiode en 25 dB(A) in de nachtperiode.

Hiermee kan worden voldaan aan de streefwaarden volgens stap 2 van de VNG-publicatie en de geluidsvoorschriften van het Activiteitenbesluit.

Maximale geluidniveaus toetsing VNG-publicatie De maximale geluidsniveaus (LAmax) gedurende de representatieve bedrijfssituatie bedragen ter plaatse van de maatgevende woningen van derden 73 dB(A) in de dagperiode en 60 dB(A) in de avond- en nachtperiode.

De streefwaarden met betrekking tot de maximale geluidsniveaus volgens stap 2 worden alleen ter plaatse van de woningen Dokter Larijweg 86 en 86a overschreden als gevolg van het aan- en afrijden van één vrachtwagen of tractor in de dagperiode en één personenauto in de nachtperiode.

Aangezien de streefwaarden worden overschreden zijn aanvullende maatregelen overwogen om de maximale geluidsniveaus te reduceren. Maatregelen om aan de streefwaarden volgens stap 2 te kunnen voldoen zijn vanuit stedenbouwkundig oogpunt redelijkerwijs niet wenselijk geacht.

Volgens stap 3 zijn gemotiveerd maximale geluidsniveaus toelaatbaar van 70 dB(A) in de dagperiode,65 dB(A) in de nachtperiode en 60 dB(A) in de nachtperiode.

De maximale geluidsniveaus in de dagperiode kunnen worden gereduceerd tot deze streefwaarden door ten westen van de oprit een 1,5 meter hoog en 40 meter lang geluidsscherm te plaatsen.

Hierbij dient te worden opgemerkt dat de overschrijding maximale geluidsniveaus hoger dan 70 dB(A) slechts optreden op het moment dat de vrachtwagen afval komt halen of een tractor mest af zal voeren, hetgeen niet dagelijks plaats zal vinden. Onzes inziens zal het optreden van één of twee maximale geluidsniveaus van 73 dB(A) in de dagperiode niet tot ontoelaatbare hinder leiden.

De geluidwering van een goed onderhouden woning zal redelijkerwijs tenminste 18 dB(A) bedragen, waarmee wordt voldaan aan een toelaatbaar maximaal geluidsniveau in de woningen van 55 dB(A).

Op basis van het bovenstaande zal het bevoegd gezag moeten overwegen of het plaatsen van geluidsschermen om te kunnen voldoen aan stap 3 wenselijk en/of als doelmatig is aan te merken.

Maximale geluidniveaus toetsing Activiteitenbesluit

De maximale geluidsniveaus (LAmax) gedurende de representatieve bedrijfssituatie exclusief laden en lossen in de dagperiode bedragen ter plaatse van de maatgevende woningen van derden 60 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode.

Hiermee kan worden voldaan aan de geluidsvoorschriften van het Activiteitenbesluit.

Indirecte hinder

De geluidsbelasting ten gevolge van de indirecte hinder bedraagt 38 dB(A) ter plaatse van de maatgevende woning, hetgeen niet meer bedraagt dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A)."

In het advies (pagina 13) wordt, betreffende de geluidsbelasting ten opzichte van de woningen ten westen van de oprit, een geluidsabsorberend geluidsscherm overwogen. Daarbij wordt geconcludeerd dat een dergelijke maatgevel vanuit stedenbouwkundig oogpunt redelijkerwijs niet wenselijk is.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00448-VG01_0009.jpg"

Om toch in een passende afscherming te voorzien heeft initiatiefnemer in overleg met de betreffende eigenaren respectievelijk eigenaren van de westelijk gelegen woningen, voorzien in een gebouw, ten behoeve van opslag van hout, berging huisvuil containers en fietsen. Deze opslag zal, naast een afscherming voor geluid, tevens de privacy (meer) beschermen.

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling, zover de getroffen maatregelen door het bevoegd gezag voldoende zijn bevonden.

4.4 Luchtkwaliteit

De luchtkwaliteit dient te worden meegenomen in de ruimtelijke besluitvorming. Uitgangspunt is dat een plan niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een plan de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren.

Luchtkwaliteitsnormen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als aannemelijk is dat aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.
  • b. Een plan leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.
  • c. Een plan draagt slechts ‘niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.
  • d. Een plan is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

Van een verslechtering van de luchtkwaliteit in betekenende mate als bedoeld onder c is sprake indien zich één van de volgende ontwikkelingen voordoet:

  • woningbouw: minimaal 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitende weg of minimaal 3.000 woningen bij 2 ontsluitende wegen;
  • infrastructuur: 3% concentratiebijdrage (verkeerseffecten gecorrigeerd voor minder congestie);
  • kantoorlocaties: minimaal 100.000 m² bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitende weg, minimaal 200.000 m² bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitende wegen.

Er is in dezen geen sprake van een project dat ‘niet in betekenende mate' (NIBM) bij draagt aan de luchtverontreiniging.

Volgens de "Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN)" opgesteld door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport was de concentratie fijnstof (PM10) ter hoogte van het plangebied in het jaar 2017 minder dan 18 µg/m3. En is de concentratie fijnstof (PM10) ter hoogte van het plangebied in het jaar 2020 (gebaseerd op meetgegeven uit 2018) tevens kleiner dan 18 µg/m3.

Op grond van de Wet milieubeheer geldt voor zwevende deeltjes (PM10) voor de bescherming van de gezondheid van de mens een grenswaarde van 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie.

Gezien de aard en omvang is het niet aannemelijk dat dit plan zal leiden tot een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde.

Conclusie:

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit project.

4.5 Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op bedrijven, buisleidingen of transportroutes. Op deze categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Het huidige beleid voor inrichtingen (bedrijven) is afkomstig uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor buisleidingen geldt het Besluit buisleidingen externe veiligheid (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid voor transport van gevaarlijke stoffen staat in de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen.

In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid, moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) en de eventuele toename hiervan, te worden bepaald.

Met dit plan wordt geen gevoelige functie toegevoegd. Daarbij komen er volgens www.risicokaart.nl van het interprovinciaal Overleg in de directe omgeving van het plangebied (straal 500 meter) geen inrichtingen voor die met gevaarlijke stoffen werken en daardoor een calamiteitenrisico vormen voor de omgeving. Tevens zijn binnen de directe omgeving van het plangebied (straal 500 meter) geen buisleidingen gelegen. Er is daarmee geen nadere afweging betreffende plaatsgebonden risico dan wel groepsrisico vereist.

Conclusie

Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.6 Cultuurhistorie

Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging dient plaats te vinden van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie, ofwel de aanwezigheid van monumenten of archeologisch waardevolle gebieden.

Monumenten

Dr. Larijweg is een bijzonder cultuurhistorisch waardevol bebouwingslint onderdeel van het dubbellint van Ruinerwold. Aan deze weg staan veel rijks- of provinciale monumenten en karakteristieke panden. De panden Dokter Larijweg 86/86a, 89 en 87 zijn aangewezen als provinciaal monument, respectievelijk karakteristiek.

De ruimtelijke ontwikkelingen waarin dit plan voorziet vinden plaats op de noordelijke voormalige agrarische bedrijfsgronden. De achter gelegen gronden zijn in de huidige situatie vanaf de Dr. Larijweg niet zichtbaar vanwege de ligging achter het waardevolle bebouwingslint. Daarbij is met dit plan sloop van een deel van de ontsierende voormalige agrarische bebouwing voorzien en wordt de karakteristieke mestsilo verbouwd. Daarbij wordt het plangebied landschappelijk ingepast.

Gezien de aard en omvang van dit plan zullen de monumentale dan wel karakteristieke waarden van de omliggende bebouwing niet aangetast worden.

Archeologische beleidskaart

Op 26 januari 2012 heeft de gemeenteraad de Archeologische beleidskaart voor de gemeente De Wolden vastgesteld.

Het plangebied is in hoofdzaak op de kaart aangeduid met de waarde ‘lage verwachting’. In deze gebieden waar de waarde ‘lage verwachting’ geldt, is archeologisch onderzoek verplicht bij ingrepen van meer dan 3 ha en dieper dan 30 cm –Mv.

Ten zuiden van het perceel, wat grenst aan de Dr. Larijweg, is de grond en bebouwing aangeduid met ‘historische kernen (1832), buitenplaatsen, middeleeuwse begraafplaatsen (in gebruik) en zone rond historische nederzettingslocaties’. In gebieden waar de waarde ‘historische kernen (1832), buitenplaatsen, middeleeuwse begraafplaatsen (in gebruik) en zone rond historische nederzettingslocaties’ geldt, is archeologisch onderzoek verplicht bij ingrepen > 100 m² en dieper dan 30 cm -Mv.

Met dit plan zijn geen ontwikkelingen voorzien op grond ten zuiden van het plangebied met de aanduiding historische kern.

De met dit plan voorgenomen werkzaamheden zijn voorzien op de gronden aangeduid met een lage verwachting. Daarbij zullen de werkzaamheden, met bodemingreep dieper dan 30 cm –Mv, de oppervlakte van 3 ha niet kunnen overschrijden. Daarmee is in dezen geen archeologisch onderzoek verplicht is.

Cultuurhistorische waardenkaart

Op 13 maart 2014 heeft de gemeenteraad de Cultuurhistorische waardenkaart voor de gemeente De Wolden vastgesteld. De cultuurhistorische waardenkaart biedt inspiratie voor recreatie, erfgoededucatie en PR-marketingstrategieën of ruimtelijk ontwerp (inrichting en beheer).

Op de beleidskaart is het plangebied aangeduid als beleidsgebied 1. Daarbij is aangegeven dat de cultuurhistorische waarde van dit gebied zeer hoog is en dat bij nieuwe ontwikkelingen cultuurhistorische waarden een essentiële rol spelen. Daarbij wordt het zorgvuldig inpassen van nieuwe ontwikkelingen in de bestaande situatie aanbevolen, waarbij iedere verandering zou moeten bijdragen aan het versterken van de bestaande cultuurhistorische waarden of deze tenminste niet aantasten.

Het plangebied is volgens de inventarisatiekaart gelegen in het ‘cultuurlandschap: Hollandveenontginning, met heterogene structuur’. Alle veenontginningen in de gemeente De Wolden worden tot de Hollandveenontginningen met heterogene structuur gerekend. De heterogene structuur bestaat uit verspreid liggende bosjes en een afwisselend grondgebruik. Dicht bij het veen lag grasland, het verst daar vandaan werd akkerbouw bedreven op het veen. Bebouwing kwam voor in linten, met plaatselijk bebouwing buiten de lijn van het lint. In de laatste anderhalve eeuw ontwikkelde zich in Ruinerwold een bijzonder dubbellint. Koekange wordt ook wel tot de randveenontginningen gerekend omdat het veen hier tegen de keileemrug uitwigde. Ook Ruinerwold wordt daaronder begrepen.

Tevens is op de inventarisatiekaart voor het plangebied een nog bestaande weg en een verdwenen weg van voor 1832 aangeduid. De nog bestaande weg is een pad gelegen aan de westzijde van de boerderij welke doorloopt tot aan het perceel ten noorden van het plan. Deze bestaande weg blijft behouden en wordt landschappelijk ingepast conform het gemeentelijk Landschappelijk Ontwikkelingskader.

Met dit plan wordt een passende invulling gegeven aan het (deels) verpauperde voormalige agrarische bedrijfsperceel. Met de sloop van drie stallen en de landschappelijke inpassing van de gronden wordt de doorbroken verkavelingsstructuur van het oorspronkelijke bebouwingslint verzacht. Daarbij wordt met het gebruik van de unieke mestsilo (meer recenter) het cultuurhistorische karakter van dit gebied benut als inspiratiebron en wordt het omliggend landschap beleefbaar voor de gasten op dit perceel. De werkzaamheden zullen alleen plaatsvinden op de achterzijde (noord) van het perceel.

Het plangebied is gelegen binnen de bestaande strokenverkaveling aan een historische bebouwingsas. De structuren van het landschap worden met dit plan niet aangetast en zover nog aanwezig behouden.

De voorgenomen werkzaamheden zullen landschappelijk worden ingepast. De aanleg en instandhouding is in de regels met een voorwaardelijke verplichting geborgd.

Conclusie

Het aspect ‘cultuurhistorie’ vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.7 Water

In het kader van dit project is op 25 maart 2019 de digitale watertoets uitgevoerd. Op basis van deze toets dient de normale procedure te worden gevolgd.

Na bestudering van de informatie en in overleg met de afdeling vergunningen is het waterschap Drents Overijsselse Delta tot het oordeel gekomen dat het plan in aanmerking voor de korte procedure.

Concreet betekent dit dat de planvorming doorgang kan vinden onder de voorwaarde dat de standaard waterparagraaf wordt toegepast. Het waterschap Drents Overijsselse Delta beschouwt daarmee het plan als afgehandeld.

Standaard waterparagraaf korte procedure

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht ruimtelijke plannen te ‘toetsen op water’, de zogenaamde watertoets. De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Deze waterparagraaf heeft betrekking op "herontwikkeling voormalig agrarisch erf naar bedrijvigheid en recreatie. Drie van de vier varkensstallen worden gesloopt".

Relevant beleid

Het beleid van het waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het waterbeheerplan 2016-2021. Specifiek voor het stedelijke gebied heeft het waterschap het beleid geformuleerd in ‘Water Raakt!’. Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.

Invloed op de waterhuishouding

Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen het bestemmingsplan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd en de toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1500 m². Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Op het achterste deel van het terrein rond om de voormalige mestsilo is sprake van natte plekken. Dit is lager terrein en wordt nu nauwelijks gebruik behalve voor de paarden van de bewoners. De silo zelf staat iets hoger en direct rond de silo is geen overlast. De initiatiefnemers houden zelf rekening met deze situatie. Deze wateroverlast heeft geen negatieve invloed op de omgeving.

Voorkeursbeleid hemelwater

Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi’s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater.

Watertoetsproces

De initiatiefnemer heeft het Waterschap Drents Overijsselse Delta geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets.

De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding in ruimtelijke zin.

Deze conclusie is automatisch getrokken op basis van de ingevoerde gegevens op www.dewatertoets.nl. Het proces van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Drents Overijsselse Delta gaat akkoord met het plan.

Conclusie

Het aspect ‘water’ vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.8 Ecologie

Bij ruimtelijke planvorming dient aandacht te worden besteed aan natuurwetgeving. Hierbij kan een tweedeling gemaakt worden in soortbescherming en gebiedsbescherming. Soortbescherming wordt geregeld in de Flora- en faunawet. De gebiedsbescherming vindt plaats via Vogel- en Habitatrichtlijn (‘Natura 2000-gebieden’).

Het plan omvat de herontwikkeling van een perceel met voormalige agrarische bebouwing. Drie voormalige stallen worden gesloopt en elders ingezet voor de bouw van een Ruimte voor Ruimte woning. Binnen het plangebied wordt bedrijvigheid toegestaan in de vorm van recreatie en een ambachtelijk houtbewerkingsbedrijf.

De wijzigingen vinden in hoofdzaak plaats binnen het bestaande als zodanig ingerichte bedrijfsperceel. De achterliggende agrarische gronden zijn reeds in gebruik voor het houden van paarden (privé). Tevens is met dit plan de te behouden meest zuidelijke stal alsmede het zuidelijke woonerf, reeds in gebruik voor bedrijvigheid. Het bestaande terrein is grotendeels verhard dan wel bebouwd. Gezien de wijze van inrichting is het niet aannemelijk dat sprake is van beschermde flora.

Initiatiefnemer heeft reeds een aanvang gemaakt met het strippen van de te slopen stallen. Daarbij zijn de werkzaamheden beperkt tot de niet asbesthoudende delen. Deze wijze van sloop (handmatig) is een maatregel waardoor negatieve effecten op fauna kan worden voorkomen of negatieve effecten worden gereduceerd. Door de reeds ingezette (handmatige) sloop is de te slopen bebouwing onaantrekkelijker geworden voor fauna.

Met de sloop, bouw en inrichtingswerkzaamheden zal initiatiefnemer de zorgplicht van de wet natuurbescherming in acht nemen.

Het plangebied is gelegen op circa 3 kilometer van het meest dichtbijgelegen natura 2000 gebied Holtingerveld, op circa 7,3 kilometer van het natura 2000 gebied Dwingelerveld en op circa 9,5 kilometer van het natura 2000 gebied De Wieden.

Er is in het kader van dit plan een Aerius berekening uitgevoerd door Fopma natuuradvies. De resultaten en conclusies van het onderzoek zijn weergegeven in het rapport van 18 mei 2020 met nummer 2020-372. De berekening is uitgevoerd op basis van een opgave van de initiatiefnemer, waarbij rekening is gehouden met een verwachte bezettingsgraad. Dit is on het rapport nader aangegeven. Het volledige rapport is bijgevoegd als bijlage 1. In het rapport is aangegeven dat in de sloop- en aanlegfase en in de gebruiksfase de depositie van stikstof op geen enkel meetpunt in het Natura 2000-gebied hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee is er geen sprake van een vergunningplicht.

Conclusie

Het aspect ecologie vormt op voorhand geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.9 Kabels en leidingen

De ligging van kabels en leidingen onder het maaiveld, in combinatie met bijbehorende beschermingsstroken kan beperkingen geven voor de planontwikkeling. Een omlegging daarvan kan forse financiële consequenties hebben voor de haalbaarheid van plannen.

Het beoogde plan betreft realisatie geheel op eigen gronden. Planologisch relevante leidingen zijn hier niet aanwezig. Voor het overige zorgt initiatiefnemer bij de bouw en aanleg voor afstemming met eventuele instanties zoals nutsbedrijven.

Conclusie

Het aspect ‘kabels en leidingen’ vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.10 Parkeren en verkeer

Het plan omvat de herontwikkeling van een perceel met voormalige agrarische bebouwing. Drie voormalige stallen worden gesloopt en elders ingezet voor de bouw van een Ruimte voor Ruimte woning. Binnen het plangebied wordt bedrijvigheid toegestaan in de vorm van recreatie en een ambachtelijk houtbeweringsbedrijf. Met dit plan zal sprake zijn van een toename van de verkeersintensiteit alsmede parkeerbehoefte.

Hieronder wordt deze toename getoetst aan de normen zoals vermeld in de CROW-publicatie 381 waarin de parkeer kerncijfers en de kerncijfers verkeersgeneratie voor verschillende bestemmingen in de groepen wonen, werken, winkelen en boodschappen, sport, cultuur en ontspanning, horeca en (verblijfs)recreatie, gezondheidszorg en (sociale) voorzieningen en onderwijs.

Op grond van de geldende beheersverordening is voor het noordelijke deel van het plangebied alsmede de daarop aanwezige stallen, een agrarische bedrijfsvoering toegestaan. Zoals aangegeven was voorheen sprake van stallen ten behoeve van twee agrarische bedrijven.

Ter plaatse van het plangebied zullen de volgende veranderingen plaatsvinden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00448-VG01_0010.jpg"

Onderstaande berekeningen zijn gebaseerd op de CROW-kerngetallen van:

  • Woning: Koop, vrijstaand
  • Kantoor/receptie: commerciële dienstverlening
  • Bedrijfsruimte: bedrijf arbeidsintensief, bezoekersextensief
  • Logiesverblijven: Hotel***

Daarbij is uitgegaan van de gemiddelde norm bij een ligging in niet stedelijk buitengebied.

Voor het houden van paarden is geen specifieke norm aangeven. Hieronder is daarbij een onderbouwing gegeven van het aantal dat is meegenomen in de berekening.

Parkeren

Voor het houden van de paarden is gerekend met een parkeerplaats per box. De voertuigen zullen veelal twee plaatsen in beslag nemen vanwege de aanhanger. Daarbij zullen de bezoekers met hun paard niet gelijktijdig geparkeerd staan en is er sprake van gebruik van een paardentaxi. Tevens zal een deel van deze parkeerruimte samenvallen met de parkeerbehoefte voor de logiesverblijven voor zover er sprake is van (nacht)verblijf door mens en paard.

Voor een agrarisch bedrijf is in dezen aansluiting gezocht bij de norm van een bedrijf arbeidsintensief, bezoekersextensief. Omdat de stallen een aanzienlijke omvang hebben kan de norm niet vermeerderd worden op basis van het bedrijfsvloeroppervlak (bvo). Daarom is er in dezen voor gekozen de norm te vermeerder per stal of te wel 4 stallen maal de norm per 100 m² bvo.

Het kantoor/receptie gebouw is geen afzonderlijke activiteit en staat ten dienste van de activiteiten op het perceel. Daarom is in dezen niet voorzien in een afzonderlijke parkeerbehoefte en verkeer aantrekkende werking.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00448-VG01_0011.jpg"

Volgens de voornoemde berekening in de bestaande situatie is er sprake van een parkeerbehoefte van in totaal 12 parkeerplaatsen. En in de nieuwe situatie sprake van een parkeerbehoefte van in totaal 24,5 parkeerplaatsen.

Daarmee is met dit plan sprake van de toename van de parkeerbehoefte van in totaal 12.5 parkeerplaatsen. Op het perceel is voldoende ruimte om deze extra behoefte op te vangen.

Verkeer

Het gebruik van de paardenboxen zal in hoofdzaak samenhangen met de recreatieve activiteiten op het perceel en zal daarmee nauwelijks een extra verkeers-aantrekkende werking hebben.

Voor een agrarisch bedrijf is in dezen wederom aansluiting gezocht bij de norm van een bedrijf arbeidsintensief, bezoekersextensief vermeerderd per stal.

Volgens de onderstaande tabel is in de bestaande situatie sprake van een verkeergeneratie van 48,2 bewegingen. In de nieuwe situatie is er sprake van een verkeergeneratie van 92,2 bewegingen.

Daarmee is met dit plan sprake van een toename van de verkeergeneratie van 44 bewegingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1690.BP00448-VG01_0012.jpg"

De Dr. Larijweg 87 is een oude verkeersontsluiting welke op meerdere punten verbonden is met de doorgaande ontsluitingsweg Wolddijk. Tevens zijn er op een aantal punten aansluitingen van wegen naar andere richtingen. Het verkeer zal in hoofdzaak verlopen via de Wolddijk.

Vanwege andere ruimtelijke ontwikkeling gelegen aan de Wolddijk worden door het bevoegd gezag maatregelen overwogen om de verkeersveiligheid te verbeteren. Deze verbeteringen zullen naar verwachting geen (extra) belemmering op leveren voor de ontsluiting van het plangebied in dezen.

Vanwege de ambachtelijke kleinschalige opzet van de bedrijvigheid zal het verkeer verspreidt over de dag aankomen en vertrekken. Daarmee is de wegenstructuur voldoende om de voornoemde toename op te vangen.

Conclusie

Het aspect parkeren en verkeer vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.11 Milieueffectrapportage

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van een wijzigingsplan plan mer-plichtig, project mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen.

Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of er sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Het plan omvat de herontwikkeling van een perceel met voormalige agrarische bebouwing. Drie voormalige stallen worden gesloopt en elders ingezet voor de bouw van een Ruimte voor Ruimte woning. Binnen het plangebied wordt bedrijvigheid toegestaan in de vorm van recreatie en een ambachtelijk houtbewerkingsbedrijf.

Dit plan omvat de uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met een oppervlakte van ruim minder dan 100 hectare. Daarmee worden met dit plan de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r niet overschreden. De herziening van het gebruik is van dien aard dat er geen sprake is van negatieve effecten op natuurgebieden. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

Conclusie

Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. Op basis van de informatie uit deze hoofdstukken is het juridische bindende deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels, bepaald. De regels omvatten bepalingen betreffende het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding geeft de indeling van de bestemmingen en aanduidingen weer.

5.1 Algemeen

Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de voorgaande hoofdstukken, hebben in de regels van dit plan hun juridische vertaling gekregen. Daarmee zijn de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied vastgelegd.

Het plan is opgesteld conform het Handboek bestemmingsplannen van de gemeente De Wolden en de landelijke Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012). De opzet van de bestemmingsregels is gebaseerd op de beheersverordening Buitengebied. Daarbij zijn maatwerkaanpassingen bettreffende deze specifieke ontwikkeling getroffen.

De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, te weten:

  • 1. Inleidende regels;
  • 2. Bestemmingsregels;
  • 3. Algemene regels;
  • 4. Overgangs- en slotregels.

Inleidende regels

Begrippen (Artikel 1): In dit artikel is een omschrijving gegeven van de in regels van dit bestemmingsplan gebruikte begrippen.

Wijze van meten (Artikel 2): Hierbij is een omschrijving aangegeven over de wijze van meten van in de regels aangegeven afstanden, oppervlakte- en inhoudsmaten.

Bestemmingsregels

In dit hoofdstuk zijn de regels betreffende de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen opgenomen. De bepalingen zijn als volgt opgebouwd:

  • 1. Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van het gebruik wat is toegestaan binnen de bestemming,
  • 2. Bouwregels: de regels, waar en met welke maatvoering, mag worden gebouwd,
  • 3. Nadere eisen: eisen welke met het oog op het voorkomen van onevenredigs aantasting van de aangegeven aspecten kunnen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing,
  • 4. Afwijken van de bouwregels: de afwijkingsmogelijkheden welke specifiek gelden voor de bouwregels van de betreffende bestemming,
  • 5. Specifieke gebruiksregels: in de specifieke gebruiksregels wordt aangegeven welk gebruik in strijd is met de bestemming, waaronder indien nodig specifieke voorwaardelijke verplichtingen,
  • 6. Afwijken van de gebruiksregels: de afwijkingsmogelijkheden welke specifiek gelden voor de gebruiksregels van de betreffende bestemming,
  • 7. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: vergunningstelsel voor specifiek aangegeven werkzaamheden en werken.

In paragraaf 5.2 wordt een nadere toelichting gegeven van en de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen.

Algemene regels

De op het plan van toepassing zijn de algemene regels worden beschreven in hoofdstuk 3.

Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

  • 1. Anti-dubbeltelregel: Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de beoordeling van een bouwplan en op die wijze meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd.
  • 2. Algemene gebruiksregels: In deze regel is aangegeven wat onder strijdig gebruik wordt verstaan. Deze regel gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming.
  • 3. Algemene afwijkingsregels: In deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

Overgangs- en slotregels

In dit hoofdstuk staan de overgangs- en slotregels vermeld. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven onder welke titel het plan bekend staat.

5.2 Wijze van bestemmen

In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.

Artikel 3 Bedrijf - Voormalig Agrarisch Bedrijf

De regels behorende bij deze bestemming zijn overgenomen uit de vigerende beheersverordening buitengebied. Daarbij zijn een aantal maatwerkaanpassingen getroffen. Met een specifieke aanduiding is aangegeven waar bedrijvigheid tot en met categorie 1 en bedrijvigheid tot en met categorie 3.1, zoals vermeld in de Staat van Bedrijfsactiviteiten, is toegestaan.

Daarnaast is wonen ten behoeve van het bedrijf, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep, dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit toegestaan. De lijst met toelaatbare beroepen en vormen van bedrijvigheid bij woningen is te vinden in Bijlage 3C onder bijlage bij de regels. Tevens is deze bestemming gericht op de instandhouding van de karakteristieke hoofdvorm van de gebouwen. Aanvullend is ondergeschikte detailhandel en het hobbymatig houden van 4 paarden ten behoeve van privé gebruik, toegestaan. Vanwege de milieuzonering bedrijven is in de regels bepaald dat de houtbewerkingsactiviteiten op een afstand van ten minste 50 meter van een woning van derden.

Ten behoeve van de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing is voorzien in een voorwaardelijke verplichting waarbij de aanleg voorzien is binnen een 1 jaar na inwerkingtreding van dit bestemmingsplan. Om enige flexibiliteit te houden is voorzien in een afwijking om medewerking te kunnen verlenen aan een gewijzigde inrichting mits de gewijzigde landschapsmaatregelen minimaal gelijk zijn aan de voorgestelde maatregelen en er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden.

Artikel 4 Recreatie

Bij het bepalen van de regels is aangesloten bij de regels bestemming Recreatie van de vigerende beheersverordening buitengebied. Daarbij zijn een aantal maatwerkaanpassingen getroffen ten behoeve van het mogelijk maken van recreatie appartementen in de silo. Tevens is toegestaan activiteiten op het gebied van dienstverlening, sport en spelvoorzieningen en recreatieve voorzieningen. Met daaraan ondergeschikt groepsruimtes, horeca in de vorm van kantines en/of restaurants ten dienste van de recreatie appartementen en groepsruimte, paardenbak en paddock en parkeervoorzieningen. Verder is paardenstalling ten behoeve van de sport en spelvoorzieningen en recreatieve voorzieningen, tot een maximum van 5 paardenboxen, toegestaan. Vanwege de hinderafstanden is in de regels bepaald dat de paardenstalling op een afstand van ten minste 50 meter van een woning van derden te toegestaan.

In afwijking van de voornoemde regels van de vigerende beheersverordening is in dit plan betreffende de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen, aangegeven dat de mestsilo mee gerekend wordt tot de bestaande oppervlakte bedrijfsgebouwen. Dat omdat in de bestaande situatie ingeval van de mestsilo geen sprake is van een gebouw maar een ander bouwwerk geen gebouwd zijnde, welke met deze ontwikkeling wordt gewijzigd naar een bedrijfsgebouw.

Artikel 5 Waarde - Archeologie

De dubbelbestemming ‘waarde-archeologie’, zoals vastgelegd in de beheersverordening Buitengebied blijft behouden in dit plan. De bijbehorende bepalingen, zoals vastgelegd in de beheersverordening Buitengebied De Wolden, zijn overgenomen in dit plan.

Hoofdstuk 6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Het gaat om een particulier initiatief waarbij de initiatiefnemer garant staat voor de economische uitvoerbaarheid van het plan. Eventuele planschadekosten en aan dit plan verwante kosten, komen daarmee voor rekening van de initiatiefnemer.

6.2 Inspraak en overleg

Inspraak

Het college heeft de bevoegdheid te besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Gezien de ruimtelijke impact van het voorliggende plan is de optie voor inspraak gegeven. Er is één inspraakreacties ontvangen. De inspraakreactie heeft geleid tot verduidelijking van de plankaart en tekstuele aanpassingen.

Verder is door de initiatiefnemer de eigenaren respectievelijk bewoners van nabijgelegen (woon)percelen geïnformeerd worden over het ruimtelijke voornemen alsmede het ontwerpbestemmingsplan.

overleg

In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro is door het college het ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de provincie, het waterschap en Veiligheidsregio Drenthe. De provincie, het waterschap en de Veiligheidsregio Drenthe hebben geen opmerkingen op het bestemmingsplan.

Zienswijzen

Het voorliggend bestemmingsplan zal als ontwerp gedurende een periode van 6 weken ter visie worden gelegd. Binnen deze termijn is eenieder in de gelegenheid een zienswijze op het plan in te dienen.

Vaststelling

Het voorliggend bestemmingsplan zal door het college voor besluitvorming worden voorgelegd aan de gemeenteraad.