Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Schottershuizen 23, Zuidwolde
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1690.BP00398-0401

Toelichting

1 Inleiding
  
1.1 Aanleiding
 
Op het perceel het perceel Schottershuizen 23 is het bedrijf van de familie Bunskoek gevestigd. De bedrijfsactiviteiten bestaan uit het voeren van een modern veehouderijbedrijf en een handel in bouwmaterialen. De handel in bouwmaterialen is begonnen als een tweede tak en heeft zich in de afgelopen jaren ontwikkeld als een volwaardig deel van het bedrijf.
 
Reeds voor 1997 is er tussen het bedrijf en het toenmalige gemeentebestuur contact geweest over de bedrijfseconomische noodzaak om naast de agrarische activiteiten een tweede tak te ontwikkelen in de vorm van een bouwmaterialenhandel. Daarbij is door het bedrijf overwogen om die tak van het bedrijf, ondanks de bezwaren van een dislocatie, te ontwikkelen op het bedrijfsterrein van Zuidwolde. Zijn verzoek om daarvoor bedrijfsterrein aan hem te verkopen is, om voor het toenmalige college moverende redenen, afgewezen.
 
Daarbij is de toezegging gedaan dat de tweede tak van het bedrijf op het agrarisch bouwvlak werd geaccepteerd. Daarbij is vastgesteld dat er geen sprake zou zijn van een traditionele bouwmarkt. Op basis van dit bestuurlijk standpunt en de situatie die betrokkene heeft geaccepteerd is de tweede tak opgezet. Daarbij is wel medewerking verleend aan de benodigde milieuvergunning maar tot nu toe niet aan een adequate planologische regeling.
 
Gelet op de verwevenheid met de exploitatie van het agrarische bedrijf en de gewijzigde economische ontwikkelingen is het elders opzetten van een bouwmaterialenhandel zonder een bouwmarktfunctie geen optie meer.
 
De vanuit het verleden gegroeide situatie, de bestuurlijke verwachtingen die in de loop der jaren zijn gewekt en de specifieke bedrijfssituatie maken het noodzakelijk om na jaren te komen tot een juiste planologische regeling.
Daarnaast is behoefte aan herschikking van bedrijfsruimte en de (her)bouw van een nieuw bedrijfsgebouw voor de handel in bouwmaterialen
 
Dit plan regelt een duidelijke functiescheiding tussen de beide bedrijfsactiviteiten, een correcte bestemming voor de handel in bouwmaterialen en maakt (her)bouw van nieuwe bedrijfsbebouwing voor de handel in bouwmaterialen mogelijk op basis van bestaande aanwezige vierkante meters bebouwing. Bij schrijven van 6 maart 2014 heeft het college van burgemeester en wethouders uitgesproken in principe bereid medewerking te verlenen aan dit plan.
 
1.2 Ligging plangebied
  
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente De Wolden aan de rand van Zuidwolde in de buurtschap Schottershuizen. In het omliggende gebied zijn verspreid (woon) boerderijen gelegen. Het perceel is plaatselijk bekend als Schottershuizen 23 en is kadastraal bekend Zuidwolde sectie D nummers 2752 en 2754.
 
 
1.3 Verantwoording
 
Bij het opstellen van dit plan is gebruik gemaakt van websites, visiedocumenten, beleidsstukken en rapportages. Waar nodig zijn de teksten en/of afbeeldingen integraal overgenomen om de inhoud zoveel mogelijk te waarborgen. Voor het overige is de naam en/of vindplaats van de bronnen weergegeven.
 
1.4 Leeswijzer
 
In hoofdstuk 2 wordt de huidige situatie in het plangebied beschreven. Vervolgens komt in hoofdstuk 3 het provinciale en gemeentelijk beleid aan de orde. In hoofdstuk 4 worden de omgevingsaspecten beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de toekomstige situatie in het plangebied en het uiteindelijke planvoornemen. In hoofdstuk 6 is de juridische opzet van het bestemmingsplan toegelicht. In hoofdstuk 7 is de economische uitvoerbaarheid van het plan aangegeven en gaat in op de inspraak en het overleg over het bestemmingsplan.
 
2 Beschrijving van het plangebied
  
2.1 Huidige situatie
 
Op het adres Schottershuizen 23 is het bedrijf van de familie Bunskoek gevestigd. Het aanvankelijk als relatief kleine boerderij overgenomen bedrijf is inmiddels ontwikkeld tot een modern veehouderijbedrijf en een handel in bouwmaterialen.
 
De handel in bouwmaterialen is begonnen als een tweede tak en heeft zich in de afgelopen jaren ontwikkeld als een volwaardig deel van het bedrijf. Al meer dan 20 jaar is er tussen de gemeente en de familie Bunskoek geen enkel verschil van mening over de aanwezigheid en acceptatie van deze bouwmaterialen handel. Echter is tot op heden het gebruik nimmer specifiek geregeld in voorheen geldende bestemmingsplan dan wel vigerende bestemmingsplan.
 
De handel in bouwmaterialen vindt hoofdzakelijk plaats op het noordelijke deel van het perceel. Het zuidelijke deel van het perceel is hoofdzakelijk in gebruik ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering. In een deel van de veeschuur is een verkoopruimte voor kleiner bouwmateriaal gevestigd. Tevens vindt opslag van materialen plaats in twee bedrijfsgebouwen, welke vóór en achter de woning zijn gesitueerd zijn.
 
 
In het kader van de procedure beheersverordening buitengebied van De Wolden is de huidige situatie aan de orde gebracht. De gemeenteraad had echter reeds in algemene zin besloten enkel bestaande rechten op basis van het voorheen geldende bestemmingsplan dan wel andere ruimtelijke procedures in de beheersverordening op te nemen. In de nu geldende beheersverordening buitengebied van De Wolden, vastgesteld 31 oktober 2013, is het perceel bestemd tot "agrarisch met waarden" en voorzien van de aanduiding "agrarisch bedrijf" en "bouwvlak". Tevens zijn de gronden aangeduid met de "waarde archeologie".
 
2.2 Gewenste situatie
 
Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een correcte bestemming voor de gevestigde Handel in bouwmaterialen, een duidelijke functiescheiding tussen de beide bedrijfsactiviteiten en de mogelijkheid voor de (her)bouw van een nieuw bedrijfsgebouw ten behoeve van de handel in bouwmaterialen.
 
Met dit plan is het noordelijk deel van het perceel dat gebruikt wordt voor de bouwmaterialenhandel voorzien van een bedrijfsbestemming. De concentratie van de handels- activiteiten op het noordelijke deel van het perceel vinden op een zodanig wijze plaats dat het tussen de werkplaats/opslag gelegen terrein kan worden overdekt. Het bestaande magazijn in een deel van de voormalige veestal en het kantoor in de woning blijven op de huidige plaats gehandhaafd. Om geen uitbreiding van, het ten behoeve van de handel in bouwmaterialen in gebruik zijnde, bedrijfsvloeroppervlak te doen ontstaan wordt ter compensatie de vóór de woning gelegen schuur afgebroken waarbij ter plaatse het bouwperceel wordt geschrapt.
 
Het zuidelijke deel blijft ongewijzigd in gebruik voor de agrarische bedrijfsvoering. Voor deze gronden blijft het geldende ruimtelijke regiem voor agrarische bedrijfsdoeleinden conform de beheersverordening Buitengebied in stand.
 
 
Begrenzing bouwperceel
 
De met dit plan voorgenomen ontwikkeling zijn niet passend binnen de huidige grenzen van het agrarische bouwvlak zoals aangegeven in de beheersverordening Buitengebied. De bestaande grenzen zijn zoveel mogelijk in tact gelaten en enkel daar waar nodig dan wel ruimtelijk passend aangepast. Hierbij de motivatie van de begrenzing van de bestemmingen en daarvoor geldende bouwvlakken.
 
Aan de voorzijde wordt de bestaande schuur afgebroken en de bebouwing geconcentreerd achter de boerderijwoning. Om die reden wordt het bouwvlak voor dat gedeelte verwijderd. Nabij de inrit en aansluitend op het erf van het perceel Schottershuizen 21 blijft de begrenzing van het bouwvlak onveranderd waardoor de aanwezige afschermende beplanting gehandhaafd blijft en deel gaat uitmaken van het aan het plan verbonden inpassingsplan.
 
Tussen de huidige schuur/het bouwvlak voor de houthandel ligt (bestaande) verharding en een aantal voorzieningen voor opslag van zand en grind. Het is, mede in verband met het garanderen van voldoende afstand van bebouwing tussen het erf van het perceel Schottershuizen 21 en de lood(sen) voor de bouwmaterialenhandel, gewenst dat deze ruimte niet beschikbaar komt voor het realiseren van gebouwen. De aanwezige buitenopslag zal blijven bestaan. Om die reden is het gedeelte bestemd als bouwmaterialenhandel maar maakt geen deel uit van het bouwvlak. Ook bebouwing ten behoeve van het agrarisch bedrijf op deze strook is daarmee uitgesloten.
 
In verband met de bescherming van de belangen van het erf bij het perceel Schottershuizen 21 aan de oostzijde van het erf vanaf de Bazuinerweg vervallen. Het voormalige tracé van deze toegang tussen de gerealiseerde paardenbak is betrokken bij de vergunning voor dat deel en maakt geen deel uit van dit bestemmingsplan. Dat betekent dat dat gedeelte ook niet meer beschikbaar is voor stalling en buitenopslag.
 
Aan de noord zijde is gekozen voor een logische begrenzing van het bouwvlak door aan te sluiten op het terrein van de paardenbak. Een bestemming tot bouwperceel voor het agrarische bedrijf ligt niet voor de hand en uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ook niet gewenst. Tussen de paardenbak en de nieuwe loods voor de bouwmaterialen zou een relatief smalle strook bebouwd kunnen worden voor het agrarisch bedrijf en daarmee in feite bouwmassa aan dit deel van het erf toegevoegd worden. Ook vanuit een oogpunt van goede logistiek is dat niet gewenst.
 
Voorts is het van belang om aan te geven dat door de concentratie van de bebouwing voor de bouwmaterialenhandel op het noordelijk gedeelte van het erf er buitenopslag tussen en in de omgeving van de huidige gebouwen vervalt. Het is logisch en praktisch om die aan de noordzijde van de loods te doen plaatsvinden waarbij de landschappelijke inpassing gegarandeerd is door de aanwezigheid van het erf bij Schottershuizen 21, de bomenrij langs de Bazuinerweg en de aanvullende beplanting die voortvloeit uit het inpassingsplan. Op deze manier is de buitenopslag geheel aan het oog onttrokken.
 
Door de gemaakte keuzes zal de totale oppervlakte aan buitenopslag nauwelijks veranderen.
In het bij dit plan behorende inpassingsplan is aangegeven hoe de ruimteverdeling zijn beslag zal krijgen en op welke wijze de landschappelijke inpassing is gegarandeerd.
 
3 Beleid
   
3.1 Rijksbeleid
    
Op 13 maart 2012 is de Rijkstructuurvisie Infrastructuur en Ruimte (hierna SVIR) vastgesteld. Daarin is aangegeven dat het Rijk streeft naar "Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig". Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.
Het Rijk kiest daarbij voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
 
Een aantal van deze nationale belangen wordt juridisch geborgd via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
 
Conclusie
Voor dit plan zijn in de SVIR dan wel de Barro, geen onderwerpen van nationaal belang opgenomen waarmee rekening dient te worden gehouden.
 
3.2 Provinciaal beleid
   
Omgevingsvisie Drenthe
 
Provinciale Staten hebben op 2 juli 2014 ingestemd met de Actualisatie Omgevingsvisie Drenthe 2014. De actualiseerde visie is in werking getreden op 20 augustus 2014. In de omgevingsvisie zijn de belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing van de provincie in het ruimtelijk domein geformuleerd. De omgevingsvisie vormt het strategisch kader voor de ruimtelijk economische ontwikkeling van Drenthe in de periode tot 2020, met in sommige gevallen een doorkijk naar de periode daarna. De Omgevingsvisie Drenthe is een integraal document en fungeert als provinciale structuurvisie op grond van de Wet ruimtelijke ordening, als provinciaal milieubeleidsplan, als regionaal waterplan en als provinciaal verkeers- en vervoersplan.
 
  
Betreft het robuust natuursysteem, Ecologische / multifunctionele verbinding is het provinciaal beleid gericht op het versterken van deze verbindingen, door ze op te nemen in een gebiedsontwikkeling of door ze te verbinden aan een (economisch-sociale) ontwikkelopgave. Op langere termijn (2040) wil men via deze verbindingen het Dwingelderveld via Havelte en het Drents-Friese Wold verbinden met de boswachterijen van Grolloo en Schoonloo. En tevens de bestaande verbinding tussen het Dwingelderveld en de boswachterijen van Grolloo en Schoonloo via het Scharreveld versterken. Bij deze afweging staat de ecologische functionaliteit centraal.
 
De bestaande en gedeeltelijk gerealiseerde ecologische verbindingen tussen Dwingelderveld, de natuurgebieden rond Zuidwolde en het Reestdal is al versterkt door de barrièrewerking van de N48 te verminderen door middel van de aanleg van twee ecoducten. Het plangebied is gelegen aan de rand de van de verbinding tussen deze beide ecoducten.
 
Het ruimtelijke plan omvat een herschikking van bebouwing en functies. Daarmee wordt de bebouwing en gebruiksfuncties meer geconcentreerd. Met dit plan is niet voorzien in een uitbreiding van de bestaande gebruiksfuncties. Daarbij is het plangebied qua oppervlakte relatief klein binnen deze ecologische verbinding. Met dit plan zal de Ecologische / multifunctionele verbinding en de daarmee beoogde doelen niet worden aangetast.
 
In de omgevingsvisie zijn de provinciale belangen benoemd, waarmee gemeenten rekening dienen te houden bij het beoordelen van bestemmingsplannen. De provinciale belangen zijn verdeeld in Drentse kwaliteiten en ontwikkelingen. Binnen de Drentse kwaliteiten staat het behoud en de ontwikkeling van de kernkwaliteiten, de dynamiek van bedrijvigheid, de biodiversiteit en de milieu- en leefomgevingskwaliteit centraal. De kernkwaliteiten zijn opgenomen op een kernkwaliteitenkaart. Op het gebied van ontwikkelingen zijn onder meer het regionale economische vestigingsklimaat, de landbouw, het toerisme, de demografische ontwikkeling, de mobiliteit en de ontwikkeling van natuur en landschap (ecologische hoofd structuur, diversiteit in landschapstypen) als provinciaal belang benoemt.
 
De kernkwaliteiten vormen de belangrijkste basis voor het begrip 'ruimtelijke kwaliteit'. Daarnaast is zorgvuldig ruimtegebruik en milieu- en leefomgevingskwaliteit van belang.
 
Het plangebied is met de kernkwaliteit Landschap grotendeels aangeduid als esdorpenlandschap. Een beperkt (westelijk) deel van het plangebied is aangeduid als "es".
 
Binnen het esdorpenlandschap zijn de essen, vanwege de kenmerkende open ruimtes veelal omgeven met esrandbeplanting en de beekdalen, vanwege het onbebouwd gebied met kleinschalige beplantingstructuren en beekdal(rand)beplanting, van provinciaal belang. Het provinciaal beleid is gericht op het behoud van de open ruimte en het versterken van esrandbeplanting en het behoud van het onbebouwde karakter en het versterken van de karakteristieke beekdal(rand)beplanting.
 
Op het deel van het plangebied dat is aangeduid als "es" is met dit ruimtelijke plan enkel een deel van de te slopen schuur voorzien. Met de voorziene sloop zal de veelal onbebouwde structuur van de esgronden worden verstrekt.
 
De karakteristieken van het esdorpenlandschap en daarbij aangegeven provinciale belangen en beleidsuitgangspunten zijn nader uitgewerkt in het gemeentelijk landschappelijke ontwikkelingskader. In paragraaf 3.4 gemeentelijk beleid wordt daar nader op ingegaan.
 
Het plangebied is tevens aangewezen voor de kernkwaliteit Aardkundige waarden en aangeduid met het beschermingsniveau "Hoog: beschermen". Er is geen sprake van een zogenaamd stergebied. In gebieden met een hoog beschermingsniveau zijn ontwikkelingen toegestaan als de aardkundige kwaliteiten en kenmerken behouden blijven. Met ruimtelijke ontwikkelingen dient zorgvuldig en verantwoord te worden om gegaan met de aardkundige waarden.
 
Het genoemde beschermingsniveau is een indicatieve waarde gebaseerd op de geomorfologische kaart van Drenthe. Op de geomorfologische kaart van Drenthe is het westelijke deel van het plangebied aangeduid als "Gestuwde grondmorenerug". Daarbij is aangegeven dat grootschalig vergraven of doorsnijden, vanwege het doorbreken van de ondoorlatende keileemlaag, de karakteristieke vorm en hydrologie zullen aantasten en de bodem zal worden verstoord en dat peilverlaging zal leiden tot verdroging en mogelijk verstuiving. Door niet-reliëfvolgend te bebouwen of beplanten kan het zicht worden ontnomen.
 
Met dit plan is geen grootschalige danwel diepe grondbewerking voorzien. De voorziene grond ingreep is ten behoeve van de bouw van het voorgenomen bedrijfsgebouw. Dit gebouw is gesitueerd ter plaatse van bestaande bebouwing midden op voor de bestaande bedrijfsactiviteiten ingerichte terrein. Daarbij wordt de bebouwing geconcentreerd en twee vrijstaande bedrijfsgebouwen gesloopt. Met de sloop van de westelijk gesitueerde schuur wordt het onbebouwde karakter van de es verstrekt. Met het landschappelijk inpassingsplan is rekening gehouden met de karakteristieken van het (open) landschap.
 
Een beperkt (westelijk) deel van het plangebied is betreffende de kernkwaliteiten Archeologie aangeduid als "Verwachting toetsen (es). Dit gebied is gelijk aan het gebied aangeduid als "Es". Zoals aangegeven is daarop met dit ruimtelijke plan is enkel de sloop van een bedrijfsgebouwen voorzien. Ten behoeve van de bouw van dit bedrijfsgebouw is de grond al oppervlakkig geroerd. Met de sloop zal daarin geen meer belastende grondwerkzaamheden plaatsvinden.
 
Desalniettemin blijft de dubbelbestemming "waarde archeologie" gehandhaafd zodat bij een wijziging van het bouwvoornemen, waarbij wel belastende grondwerkzaamheden zouden kunnen plaatsvinden, is voorzien een borging van de nog aanwezige archeologische waarden door middel van een aanleg vergunningstelsel.
 
Het plangebied is betreffende de kernkwaliteiten natuur, rust, en cultuurhistorie niet voorzien van enige waarde aanduiding
 
Regeling vestiging solitair bedrijf in buitengebied
 
Bij besluit van 19 augustus 2014 hebben Gedeputeerde Staten de "Regeling vestiging solitair bedrijf in buitengebied" vastgesteld. Deze omvat regels als bedoeld in het huidige artikel 3.26 eerste lid, van de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe.
 
Volgens artikel 1, sub a, van de regeling kan een ruimtelijk plan alleen voorzien in de vestiging van een bestaand solitair buiten bestaand stedelijk gebied gelegen regionaal georiënteerd bedrijf indien de desbetreffende bedrijvigheid op basis van een goede ruimtelijke ordening niet op een bedrijventerrein gevestigd kan worden.
 
Hier is sprake van een al 20 jaar bestaande handel in bouwmaterialen, die is ontstaan als een tweede tak. Daarbij is destijds door het toenmalige gemeentebestuur besloten om ten behoeve van deze bedrijfsactiviteit bedrijfsterrein beschikbaar te stellen en de bedrijfsactiviteit op het agrarisch bouwperceel te accepteren. Deze tak van het bedrijf heeft zich, gelet op de juridische beperkingen, op een specifieke wijze ontwikkeld zonder showroom en een bij een bouwmarkt gebruikelijk (en voor een rendabele exploitatie noodzakelijk) assortiment. Deze bijzondere ontstaansgeschiedenis is er ook de oorzaak van dat thans een verplaatsing naar een bedrijfsterrein niet meer economisch verantwoord is. Een ander gevolg is geweest dat binnen het erf de handelsactiviteiten zodanig zijn geconcentreerd dat het merendeel van de activiteiten uit het zicht vanaf de openbare weg zijn gelegen. De voorziene herschikking versterkt deze, reeds aanwezige landschappelijke inpassing.
 
Met dit plan wordt een herschikking en concentratie van de handelsactiviteiten vastgelegd. Daarbij biedt dit plan een investering in kwaliteitsverbetering van de omliggende groene ruimte binnen het plangebied en daarbij mag geconcludeerd worden dat er met de afweging van alle aspecten gekomen is tot een plan dat bijdraagt aan een goede ruimtelijke ordening.
 
Provinciale omgevingsverordening Drenthe
 
De Provinciale omgevingsverordening Drenthe, met inbegrip van de navolgende wijzigingen, geeft de randvoorwaarden voor het opstellen van ruimtelijke plannen. De verordening heeft onder meer als doel om de kernkwaliteiten van Drenthe te behouden en te versterken. Als bij een ruimtelijk plan kernkwaliteiten betrokken zijn, moet in het ruimtelijk plan uiteengezet worden dat met het desbetreffende plan wordt bijgedragen aan behoud en ontwikkeling van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten conform de provinciale ontwikkelingsvisie. Een ruimtelijk plan mag geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk maken die de kernkwaliteiten significant aantasten.
 
In artikel 3.26 zijn voorwaarden gesteld aan bedrijfsfuncties in vrijkomende agrarische bebouwing. Er is in dezen geen sprake van een ‘significante’ uitbreiding ten behoeve van reguliere bedrijvigheid die in het buitengebied niet is toegestaan. In dit geval er is ruimtelijk geen sprake van uitbreiding van het bebouwd oppervlak.
 
Conclusie:
Dit plan is in overeenstemming met het provinciaal beleid.
 
3.3 Waterschapsbeleid
   
Op 24 november 2009 is het Waterbeheerplan 2010 - 2015 Reest en Wieden vastgesteld. Het waterplan is opgesteld in samenhang met de waterschappen binnen het beheersgebied Rijn-Oost. Bij het opstellen van dit beheersplan waren de omgevingsplannen (Drenthe en Overijssel) en een waterhuishoudingsplan (provincie Gelderland) kader stellend.
 
Het waterbeheerplan geeft de koers aan die het waterschap voor een bepaalde periode wil volgen. De hoofdthema’s in het waterbeheersplan zijn: het waarborgen van veiligheid, het watersysteembeheer en het ontwikkelen van de afvalwaterketen. Ook opgenomen zijn de maatregelen voor het uitvoeren van de Kaderrichtlijn Water (KRW), Waterbeheer 21e eeuw en een resultaatverplichting voor het uitvoeren van de KRW-maatregelen.  
 
Dit plan betreft een bestemmingswijziging en er vindt geen uitbreiding van het bebouwd oppervlak plaats. Gezien de ligging in het landelijk gebied en dat er geen toename van het verhard oppervlak plaats vindt worden er geen significante invloed op de waterafvoer verwacht. Tevens zal dit plan geen van de hoofdthema’s van het waterbeheersplan negatief beïnvloeden.
 
Conclusie
Het plan betreft een geringe ruimtelijke ingreep welke geen invloed van betekenis heeft op de eisen vanuit het waterplan en op grond daarvan vormt dit plan geen beletsel voor de uitvoering.
 
3.4 Gemeentelijk beleid
 
Structuurvisie De Wolden (2011)
 
In maart 2011 heeft de gemeenteraad van De Wolden de structuurvisie 2010-2030 vastgesteld. Deze visie vormt het toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen met 2030 als zichtjaar. De structuurvisie heeft niet als doelstelling de ontwikkelingslocaties op perceelsniveau op de kaart weer te geven, maar geeft de ontwikkelingsmogelijkheden per landschapstype weer.
 
De visie richt zich op het creëren van ontwikkelingsmogelijkheden, waarbij het versterken van de ruimtelijke kwaliteit de randvoorwaarde is. Ruimtelijke kwaliteit in De Wolden wordt bepaald en versterkt door de dynamiek van het landschap.
 
 
De structuurvisie geeft een eerste aanzet voor inpassing voor nieuwe ontwikkelingen op basis van de aangegeven landschapstypes. Dit toetsingskader is nader uitgewerkt in het Landschappelijk OntwikkelingsKader (hierna LOK).
 
Landschappelijk OntwikkelingsKader (LOK)
 
De gemeenteraad heeft op 29 november 2012 het LOK vastgesteld. Het LOK is een instrument waarbij de samenhang tussen de verschillende landschappen, stedenbouwkundige aspecten, uitbreidingsplannen en functieveranderingen op elkaar worden afgestemd. Daarnaast bevat het LOK randvoorwaarden waarbinnen ontwikkelingen kunnen plaatsvinden.
 
Het landschap van de hoogveenontginningen wordt gekenmerkt door:
  • Rationeel opstrekkend verkavelingspatroon met rechte lijnen en min of meer haakse hoeken;
  • Op regelmatige afstand liggende wijken;
  • Lange, rechte wegen en stevige laanbeplantingen;
  • Boerderijen in de lange ontginningslinten.
In het LOK is aangegeven dat in de loop van de jaren veel karakteristieken van de hoogveenontginningen zijn vervaagd of verdwenen. En daarom is het streven om bij nieuwe ontwikkelingen in de hoogveengebieden het verkavelingspatroon te accentueren, door de positionering van erfbeplantingen en de aanleg van nieuwe of verbreding van bestaande wijken.
 
Ten aanzien dit plan is een inpassingsplan opgesteld op basis van de voormelde karakteristieken en het streven zoals aangegeven in het LOK. Het inpassingsplan is bijgevoegd als bijlage I.
 
Welstandsnota 2013
 
In de gemeente De Wolden bestaat de bestuurlijke wens tot deregulering en meer verantwoordelijkheid bij de burger neer te leggen. Deze wens heeft er toe geleid dat in de raadsvergadering van 13 december 2012 de raad besloten heeft tot het welstandsvrij verklaren van grote gebieden van de gemeente. Daarmee heeft de gemeenteraad het vertrouwen in de burger uitgesproken dat hij/zij de verantwoordelijkheid aan kan om op een juiste wijze met de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente De Wolden om te gaan.
 
Het plangebied is op de kaart behorende bij de welstandnota 2013 aangewezen als welstandvrij gebied.
 
Conclusie
Dit plan voldoet aan de doelstellingen van het voornoemde gemeentelijk beleid.
 
4 Omgevingsaspecten
 
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante omgevingsaspecten. Op grond van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient te worden bezien of het plan uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening verenigbaar is met de eisen die aan de omgeving worden gesteld. Het plan dient een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen en de belangen van omwonenden niet te schaden.
  
4.1 Milieuzonering
   
Een goed woon- en leefklimaat wordt bereikt als er balans is tussen de milieubelastende en milieugevoelige activiteiten, er is als het ware een goede mix van wonen en werken. In dat kader dient beoordeeld te worden of in de omgeving van het plangebied functies voorkomen die gehinderd kunnen worden door dit plan of waarvan het plan juist hinder ondervindt.
 
In het kader van een goed woon- en leefklimaat is het van belang de gevolgen van de vestiging van een bedrijf ten opzichte van de in de nabijheid gelegen woningen in beeld te brengen en dient een goed woon- en leefklimaat te zijn gegarandeerd.
 
Bedrijven en milieuzonering
 
In de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" van de VNG staan voor een groot aantal bedrijfscategorieën richtafstanden aangegeven. Deze richtafstanden hebben betrekking op de onderdelen geluid, geur, stof en gevaar. In de handreiking geeft de VNG aan dat de gegeven afstanden in het algemeen richtafstanden zijn en geen harde afstandseisen. Dit betekent dat afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn.
 
Op het perceel het perceel Schottershuizen 23 is het bedrijf van de familie Bunskoek gevestigd. De bedrijfsactiviteiten bestaan uit het voeren van een modern veehouderijbedrijf en een handel in bouwmaterialen. De handel in bouwmaterialen is begonnen als een tweede tak en heeft zich in de afgelopen jaren ontwikkeld als een volwaardig deel van het bedrijf. De vestiging van de handel in bouwmaterialen is tot op heden niet specifiek geregeld in het voorheen geldende bestemmingsplan en vigerende beheerverordening Buitengebied. Het veehouderijbedrijf is wel specifiek geregeld en de agrarische bestemming met bouwvlak is
in de vigerende beheerverordening Buitengebied bepaald voor het gehele plangebied.  
De meest dichtbij gelegen woningen zijn:
 
Schottershuizen 21: Het bestemmingsvlak wonen en het bouwvlak agrarisch bedrijf in de beheersverordening buitengebied zijn gelegen op ca 17 meter afstand. De woning is op 41 meter van het bouwvlak gelegen. Deze afstand tot het bouwvlak blijft met dit plan ongewijzigd.
 
Ommerweg 45: Het bestemmingsvlak wonen en het bouwvlak agrarisch bedrijf in de beheersverordening buitengebied zijn gelegen op ca 3 meter afstand. De bestaande woning is op circa 33 meter van het bouwvlak gelegen. Met dit plan wordt de afstand tussen de bestemmingsvlakken wonen en bouwvlak agrarisch bedrijf fors vergroot tot circa 42 meter. De afstand van de bestaande woning tot het bouwvlak wordt met dit plan vergroot tot circa 69 meter.
 
Schottershuizen 25: Het bestemmingsvlak wonen en het bouwvlak agrarisch bedrijf in de beheersverordening buitengebied zijn gelegen op ca 13 meter. De woning is op circa 36 meter van het bouwvlak gelegen. Deze afstanden blijven met dit plan ongewijzigd.
 
Zoals aangegeven is de bestaande ruimtelijke situatie dat binnen het gehele plangebied een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering uitoefent mag worden.
 
Volgens de handreiking bedrijven en milieuzonering van de VNG behoort een rundveehouderij tot categorie 3.2. De bijbehorende richtafstand voor geur is 100 meter en de richtafstand voor geluid en stof is 30 meter. Ruimtelijk gezien is ter plaatse te uitoefening van een andere graasdierhouderij, welke behorend tot de milieucategorie 3.2 met een bijbehorende hinder richtafstand van 100 meter, zijn toegestaan.
 
In de handreiking bedrijven en milieuzonering van de VNG kan de bestaande handel in bouwmaterialen geschaard worden onder de bouwmarkten, tuincentra, hypermarkten met sbi-2008 code 4752. De bijbehorende categorie is 2 met een richtafstand van 30 meter.
Aangezien er vanuit de houthandel ook (beperkt) geleverd wordt aan aannemers, bouwbedrijven en aan de gemeente is de omschrijving groothandel in hout- en bouwmaterialen (sbi code 4673) deels passend en zou er sprake zijn van een categorie 3.2 bedrijf.
Daarnaast vindt opslag van zand en grind binnen het plangebied plaats van minder dan 200 m² waarbij sprake is van categorie 2.
 
Gezien deze samenstelling van activiteiten en omvang (bebouwd oppervlak) van de activiteiten gezamenlijk kan worden aangenomen dat er sprake is van een categorie 3.1 bedrijf met een richtafstand van 50 meter voor het aspect geluid.
 
De woningen Schottershuizen 21 en 25 en Ommerweg 45 zijn op groter afstand dan de gestelde 30 meter inzake de houthandelsactiviteiten van het bouwvlak gelegen en wordt feitelijk voldaan aan de afstandseis. Ingeval van de agrarische activiteiten is sprake van bij ruimtelijke bestaande en rechtmatige situatie en is bij recht een categorie 3.2 bedrijf toegestaan. In de nieuwe situatie wordt voor een deel van het plangebied de lagere categorie 3.1 toegestaan. Met dit plan vindt er conform de richtafstanden van handreiking bedrijven en milieuzonering geen toename van hinder plaats.
 
Om de geluidsbelasting vanuit de inrichting op de omgeving inzichtelijk te maken is er akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit aspect wordt nader behandeld in paragraaf 4.3 Geluid
 
Wet milieubeheer
 
Er is een vergunning Wet milieubeheer afgegeven voor de inrichting met betrekking tot de handel in bouwmaterialen activiteiten. Ten behoeve van de bouw van het nieuwe bedrijfsgebouw en herschikken van de activiteiten zal een melding activiteitenbesluit worden ingediend.
 
In de vergunning (milieu) is het aantal verkeersbewegingen ten behoeve van de handel in bouwmaterialen geregeld. De toegang vanaf de Bazuinerweg is al vervallen. Ten behoeve van de agrarische activiteiten is een nieuwe toegang aan gelegd in meer in oostelijke richting. De gewijzigde inrichting van de voormalige en nieuwe toegang is weergegeven in het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen bij dit plan als bijlage I.
 
De agrarische activiteiten worden ongewijzigd voortgezet. Deze activiteiten vallen onder de werking van het Activiteitenbesluit.
 
Nabij gelegen inrichtingen
Verder mag de met dit plan voorgenomen bedrijfsactiviteit geen belemmering opleveren voor de bedrijfsvoering van bestaande (agrarische) bedrijven in de omgeving. Met dit plan worden geen gevoelige functies toegevoegd waardoor de bedrijfsvoering van bestaande (agrarische) bedrijven in de omgeving kan worden belemmerd.
 
Conclusie
Vanuit het aspect milieuzonering zijn er geen onoverkomelijke belemmeringen betreffende dit plan.
 
4.2 Bodem
   
In het kader van een bestemmingsplan dient gemotiveerd te worden dat de bestemming (functie) die in het bestemmingsplan wordt toegelaten, passend wordt geacht in relatie tot de bodemkwaliteit.
 
Volgens de bodem informatiekaart van de provincie Drenthe is op deze locatie een historische activiteit bekend. Er was vanaf 1984 een bovengrondse dieseltank aanwezig. Deze is inmiddels, voor zover bekend op een correcte wijze, verwijderd. Verder is aangegeven dat er in dezen de locatie voldoende is onderzocht.
Betreft de bestaande activiteiten zijn de in de vergunning, melding en het activiteiten besluit opgenomen voorschriften van toepassing op (nieuwe) bodemverontreiniging te voorkomen.
 
Op grond van de beheersverordening Buitengebied De Wolden is het perceel bestemd tot agrarisch, met bouwvlak. Met dit plan wordt de bestemming voor het noordelijke deel gewijzigd naar bedrijf – Voormalig Agrarisch. De gebruiksfunctie blijft bedrijvigheid met wonen. De bestaande bedrijfswoning blijft intact en er is sprake van een bestaande situatie.
 
Op basis van de al beschikbare informatie over de bodemkwaliteit op de locatie wordt verwacht dat de met dit plan toegelaten bestemming passend is in relatie tot de bodemkwaliteit.
 
Conclusie:
Vanuit het aspect bodem zijn er geen belemmeringen betreffende dit plan verwacht.
 
4.3 Geluid
   
Met dit plan is geen sprake van de toevoeging van een gevoelig geluidsgevoelig object. Bij de verlening van de milieuvergunning voor het bedrijf is de bouwmaterialenhandel meegenomen. Het aantal verkeersbewegingen zal ten gevolge van de herschikking van functies op het terrein niet wijzigen. De bestaande woning is bij recht toegestaan.
 
Op grond van de Wet geluidhinder behoeft daarmee geen akoestische afweging in het kader van dit op te stellen bestemmingsplan te worden gemaakt.
 
Vanuit de inrichting bestaat een geluidsbelasting ten opzichte van de omliggende woningen. Deze geluidsbelasting mag niet leiden tot een belemmering van het woon- en leefklimaat van deze woningen.
 
Om de geluidsbelasting op de omgeving inzichtelijk is er akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage V). In het akoestisch onderzoek zijn de geluidsbelastingen ter plaatse van de woningen van derden inzichtelijk gemaakt en getoetst aan de geluidsvoorschriften van het Activiteitenbesluit. Het doel van het akoestisch onderzoek is de geluidsbelasting ten gevolge van de gehele inrichting in beeld te brengen voor de representatieve bedrijfssituaties en incidentele bedrijfssituatie. Tevens is de geluidsbelasting ten gevolge van de verkeersbewegingen op de openbare weg (de indirecte hinder) beoordeeld.
 
Conclusies zoals vermeld in het akoestisch onderzoek
 
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau representatieve bedrijfssituatie
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L) ter plaatse van de maatgevende woningen bedraagt tijdens de representatieve bedrijfssituatie 41 dB(A) in de dagperiode, 38 dB(A) in de avondperiode en minder dan 10 dB(A) in de nachtperiod Bij alle woningen kan worden voldaan aan de geluidsvoorschriften van 45 dB(A) in de dagperiode, 40 dB(A) in de avondperiode en 35 dB(A) in de nachtperiode. Hoewel deze niet getoetst hoeven te worden is hierbij tevens rekening gehouden met de bijdrage van de mobiele bronnen.
 
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau incidentele bedrijfssituatie
Ten hoogste 12 dagen per jaar vinden er activiteiten plaats waarbij een hogere geluidsbelasting optreedt. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L) ter plaatse van de maatgevende woningen bedraagt tijdens de incidentele bedrijfssituatie ten gevolge van alle geluidsbronnen 47 dB(A) in de dagperiode, 38 dB(A) in de avondperiode en 10 dB(A) in de nachtperiode.
 
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 47 dB(A) in de dagperiode wordt veroorzaakt door alle geluidsbronnen op het terrein. De geluidsbelasting ten gevolge van de vast opgestelde installaties en toestellen bedraagt echter niet meer dan 10 dB(A). Ook tijdens de incidentele situatie kan daarom worden voldaan aan de geluidsvoorschriften van 45 dB(A) in de dagperiode, 40 dB(A) in de avondperiode en 35 dB(A) in de nachtperiode.
 
Daar dit een incidentele situatie betreft die niet vaker dan 12 maal per jaar voor zal komen kan een geluidsbelasting van 47 dB(A) in de dagperiode, ook vanuit goede ruimtelijke ordening, als acceptabel worden aangemerkt.
 
Ter plaatse van de overige woningen kan, zelfs als rekening wordt gehouden met de bijdrage van de mobiele bronnen, worden voldaan aan de geluidsvoorschriften.
 
Maximale geluidsniveaus
Het maximaal geluidsniveau (L) tijdens de representatieve en incidentele bedrijfssituatie bedraagt ter plaatse van de maatgevende woningen 64 dB(A) in de dagperiode, 64 dB(A) in de avondperiode en 20 dB(A) in de nachtperiode.
 
Hiermee kan bij alle woningen worden voldaan aan de geluidsvoorschriften van 70 dB(A) in de dagperiode, 65 dB(A) in de avondperiode en 60 dB(A) in de nachtperiode. Hoewel deze niet getoetst hoeven te worden is hierbij tevens rekening gehouden met de maximale geluidsniveaus ten gevolge van de mobiele bronnen in de dagperiode.
 
Indirecte hinder
De geluidsbelasting ten gevolge van de indirecte hinder bedraagt ter plaatse van de maatgevende woning 42 dB(A) (etmaalwaarde), hetgeen niet meer bedraagt dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A).
 
Op basis van de uitkomsten van het akoestisch onderzoek kan gesteld worden dat met dit plan het woon- en leefklimaat van de omliggende woning niet wordt aangetast.
 
Conclusie:
Vanuit het aspect geluid zijn er geen belemmeringen betreffende dit plan.
 
4.4 Luchtkwaliteit
   
Nieuwvestiging bedrijf
De luchtkwaliteit dient te worden mee genomen in ruimtelijke besluitvorming. Uitgangspunt is dat een project niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren.
 
Luchtkwaliteitsnormen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als aannemelijk is dat aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.
  2. Een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.
  3. Een project draagt slechts in ‘niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.
  4. Een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.
Er is in dezen sprake van een project dat ‘niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
 
Conclusie:
Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen betreffende dit plan.
 
4.5 Externe veiligheid
   
Volgens www.risicokaart.nl van het interprovinciaal Overleg komen in de directe omgeving van het plangebied (straal 500 meter) geen inrichtingen voor die met gevaarlijke stoffen werken en daardoor een calamiteitenrisico vormen voor hun omgeving. Tevens blijkt dat er zich in de directe omgeving (straal 500 meter) van het plangebied geen buisleidingen bevinden.
 
Op een afstand van ruim 200 meter van het plangebied is de rijksweg N48 gelegen. De N48 is aangewezen voor het transport van gevaarlijke stoffen. Rond de transportroute over de N48 is de plaatsgebonden risicocontour (10-6) op 0 meter bepaald.
 
Conclusie
Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen betreffende dit plan.
  
4.6 Cultuurhistorie
   
Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging dient plaats te vinden van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie ofwel de aanwezigheid van monumenten of archeologisch waardevolle gebieden.
 
Monumenten
De binnen de gemeente De Wolden aangewezen rijksmonumenten en provinciale monumenten zijn op ruime afstand van het plangebied gesitueerd, zodat de voorgenomen ontwikkeling niet van enige invloed is op deze beschermde gebouwen. In de gemeente De Wolden zijn geen gemeentelijke monumenten aangewezen.
 
Archeologische beleidskaart
Op 26 januari 2012 heeft de gemeenteraad de Archeologische beleidskaart voor de gemeente De Wolden vastgesteld. Het perceel Schottershuizen 23 is aangeduid als "historische kernen". In deze gebieden is archeologisch onderzoek verplicht bij ingrepen van meer dan 100 m² en dieper dan 30 cm –Mv.
 
 
Het plan omvat de bouw van nieuwe bedrijfsbebouwing ter plaatse dan bestaande bebouwing. De daarmee gepaarde bodemingreep is groter dan de gestelde eis van 100 m² en dieper dan de gestelde minimale 30 cm diepte. Tevens omvat het plan de sloop van een tweetal bedrijfsgebouwen. Daarmee zal geen grotere bodem ingreep plaatsvinden als destijds met de bouw van de bedrijfsgebouwen al heeft plaatsgevonden.
 
Cultuurhistorische waardenkaart
Op 13 maart 2014 heeft de gemeenteraad de Cultuurhistorische waardenkaart voor de gemeente De Wolden vastgesteld. De cultuurhistorische waardenkaart biedt inspiratie voor recreatie, erfgoededucatie en PR-marketingstrategieën of ruimtelijk vastgesteld (inrichting en beheer).
 
 
Het perceel Schottershuizen 23 volgens de inventarisatie kaart deels gelegen in het gebied "stuwwallen (gestuwde grondmorene) al dan niet met dekzand" en deels gelegen in het gebied gordeldekzandruggen, al dan niet met oud bouwlanddek. Beide zijn aangeduid met een hoge archeologische waarde.
 
Tevens is het westelijke deel van het plangebied aangeduid als "es complexen (Spek & Ufkes, 1995)". Op dit deel van het plangebied wordt enkel een bestaande schuur gesloopt, waarmee het onbebouwde karakter wordt hersteld.
 
Verkennend booronderzoek
In opdracht heeft ArGeoBoor een verkennend booronderzoek uitgevoerd op de locatie Schottershuizen 23 te Zuidwolde (Gemeente De Wolden). De aanleiding van het onderzoek is de voorziene nieuwbouw van een bedrijfshal, een werktuigenberging (kapschuur), de aanleg van een paardrijbak en een oprit. Het rapport is bijgevoegd als bijlage II.
 
De conclusies van het onderzoek zijn als volgt:
 
In het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt voor resten vanaf het midden-paleolithicum tot in de nieuwe tijd. Op basis van vondsten in de omgeving wordt een verhoogde kans geacht op het aantreffen van resten van vroege landbouwers uit het neolithicum en later tot en met de vroege middeleeuwen. De ontginning van het gebied heeft op basis van historische bronnen plaatsgevonden in de 17 eeuw. Mogelijk dat resten van keuterboerderijen uit deze periode tot de eerste nauwkeurige kaarten in het begin van de 19e eeuw binnen het plangebied voorkomen. Uit de 2e helft van de nieuwe tijd worden geen resten verwacht. Archeologische resten worden verwacht direct onder de bouwvoor. Mogelijk zijn archeologische resten aangetast door ploegwerkzaamheden.
 
De bodemopbouw bestaat een bouwvoor en opgebrachte grond met een grote variatie in dikte. De bouwvoor gaat scherp over in keizand en keileem, waarin zeer plaatselijk een restant van een natuurlijke veldpodzolgrond bewaard is gebleven.
 
Op basis van het verkennend booronderzoek blijkt dat naar schatting is 10 tot 30 cm, de oorspronkelijk veldpodzolgrond is opgenomen inde bouwvoor. Deze verstoring is te wijten aan ploegactiviteiten. Niet uitgesloten kan worden dat de oorspronkelijk verkitte B-horizont is verploegd om de waterdoorlatendheid te verhogen en eigenschappen van de grond te verbeteren. De verwachting is dat deze grondwerkzaamheden al plaats hebben gevonden voor het aanleggen van de huidige bebouwing in de zuidwesthoek van het plangebied. De bodemoppbouw is daar dus vergelijkbaar met de aangetroffen bodem in het onderzochte gebied.
 
Als gevolg van de grondbewerking van de bodem zijn vondslagen geroerd en opgenomen in de bouwvoor. Ook zullen ondiepe sporen verloren zijn gegaan. Eventuele diepere grondsporen zoals: diepere greppels, waterputten, afvalkuilen, paalkuilen etc. kunnen nog best onder de geroerde bodemlagen aanwezig zijn en waardevolle archeologische informatie bevatten. Resten van jagers– en verzamelaars, die normaliter meer aan de oppervlakte liggen, hoeven niet meer verwacht te worden.  
 
Omdat slechts de bouwvoor dient te worden verwijderd, zullen de voorziene graafwerkzaam-heden niet tot in de C-horizont (zeer plaatselijk B- of BC-horizont) reiken. Eventuele archeologische waarden in de vorm van grondsporen zullen door de voorziene ingrepen niet verder worden aangetast.
 
Een vervolgonderzoek wordt niet nodig geacht.
 
Desalniettemin blijft de dubbelbestemming "waarde archeologie" gehandhaafd zodat bij een wijziging van het bouwvoornemen, waarbij wel belastende grondwerkzaamheden zouden kunnen plaatsvinden, is voorzien een borging van de nog aanwezige archeologische waarden door middel van een aanleg vergunningstelsel.
 
Conclusie
Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen betreffende dit plan.
 
4.7 Water
   
In het kader van de Wro is het verplicht de Watertoets uit te voeren. De Watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten.
 
De uitkomst van de watertoets in het kader van dit plan is dat de normale procedure van toepassing is. Op 3 december 2015 is via telefonisch overleg met het waterschap Reest en Wieden bevestigd dat de standaard waterparagraaf van toepassing is met betrekking tot dit plan.
 
Bij de onlangs aangelegde paardenbak is de realisering van een scheidingssloot tussen het gedeelte voor de paardenbak en de bouwmaterialenhandel voorzien. Indien en voor zover nodig blijkt te zijn zal de sloot worden verbreed zodat voor voldoende opvang van oppervlakte water kan worden gezorgd. In overleg met het waterschap zal aansluitend op het bouwperceel aan de oostzijde zorg gedragen worden voor voldoende opvangmogelijkheden voor regenwater.
 
Standaard waterparagraaf
 
Waterhuishouding
Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1.500 m.
 
Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer
In het plan wordt gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen. Als de hemelwaterafvoer (a) niet wordt aangesloten op een gescheiden rioolstelsel of (b) er wordt niet afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen.
 
Oppervlaktewater
Er wordt rekening gehouden met de wijze van onderhoud (varend of vanaf de kant) en de daarbij geldende voorwaarden. Voor werkzaamheden binnen de aangegeven zones van het waterschap is een vergunning op grond van de Waterwet noodzakelijk.
 
Het gebruik van materialen
Het waterschap is verantwoordelijk voor een goede waterkwaliteit van het regionale watersysteem. Om verontreiniging van het watersysteem te voorkomen adviseert het waterschap om materialen zoals lood, koper en zink niet te gebruiken als het hemelwater vrij afstroomt naar het watersysteem.
 
Aanleghoogte van de bebouwing
Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand(GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte.
 
Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast.
 
Wetgeving lozen in oppervlaktewater
In het plan vindt een lozing plaats van water in oppervlaktewater. Hemelwater van schone oppervlakken (zoals daken en tuinen) mag rechtstreeks geloosd worden. Hemelwater dat van een parkeerterrein afstroomt (of anderszins) vervuild raakt, dient via een bodempassage af te wateren. Indien u grondwater gaat onttrekken tijdens de aanleg en u wilt dat lozen in oppervlaktewater dan gelden er specifieke regels.
 
Wetgeving grondwateronttrekking
Er vindt in het plan een grondwateronttrekking plaats. Gezien de verschillende belangen, die partijen hebben bij het grondwater, is het beheer van het grondwater wettelijk geregeld in de Waterwet. In het kort komt het er op neer dat u voor grote grondwateronttrekkingen vergunningplichtig bent. Voor kleinere onttrekkingen geldt een meldingsplicht.
 
Conclusie
Vanuit het aspect water zijn vooralsnog geen belemmeringen betreffende dit plan.
  
4.8 Ecologie
   
Bij ruimtelijke planvorming dient aandacht besteed te worden aan natuurwetgeving. Hierbij kan een tweedeling gemaakt worden in soortbescherming en gebiedsbescherming. Soortbescherming wordt geregeld in de Flora- en faunawet. De gebiedsbescherming vindt plaats via Vogel- en Habitatrichtlijn ("Natura 2000-gebieden").
 
Soort bescherming
Het plangebied maakt onderdeel uit van het erf behorende bij een actief agrarische bedrijf en handel in bouwmaterialen met bedrijfsbebouwing en bedrijfswoning. Daar het voornoemde gebruik kan het plangebied worden aangemerkt als verstoord en heeft het geen bijzondere functie voor beschermde plant- of diersoorten.
 
De twee te slopen bedrijfsgebouwen bestaan uit enkelsteensmuren met een houten topgevel en een onbeschoten kap met asbest golfplaten. De bedrijfsgebouwen hebben beide geen bezoldering. Het is daarmee aannemelijk dat op de bouwlocatie geen bijzondere functie voor beschermde plant- of diersoorten aanwezig zijn.
 
Om vooraf uit te sluiten dat door het plan natuurwaarden aangetast kunnen worden is een quickscan F&F uitgevoegd (bijlage IV). In de rapportage van deze quickscan F&F zijn de volgende conclusies aangegeven.
 
Conclusie Flora- en faunawet
Als de werkzaamheden buiten het broedseizoen aanvangen en de aanbevelingen uit tabel 3 worden uitgevoerd, dan kunnen effecten op vogels en vleermuizen voorkomen worden en is er voor vogels geen ontheffing art. 75 Flora- en faunawet noodzakelijk. Er is ook voor de overige natuurwaarden geen ontheffing art. 75 Flora- en faunawet noodzakelijk.
 
Conclusie EHS
Er zijn geen effecten op de EHS-gebieden te verwachten.
 
Conclusie Natura 2000
Er zijn geen effecten op de Natura 2000-gebieden te verwachten.
  
Bij de voorbereiding en bouw van het voorgenomen bedrijfsgebouw zal de algemene zorgplicht zoals vermeld in de Flora- en Faunawet in acht genomen moeten worden.
 
Gebiedbescherming
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het ‘Mantingerzand’. Dit gebied ligt op een afstand van meer dan tien kilometer vanaf het plangebied. De EHS ligt op een afstand van ca 170 meter van het plangebied.
 
Gezien de aard van de ingreep en de afstand ten opzichte van deze gebieden, zijn negatieve gevolgen voor deze gebieden uitgesloten. Daarmee is met zekerheid is te stellen dat er geen sprake kan zijn van enig effect op beschermde gebieden door de geplande ingreep.
 
Conclusie
Vanuit het aspect ecologie zijn er geen belemmeringen betreffende dit plan.
  
5 Planbeschrijving
 
Het plan voorziet in een bestemmingswijziging in een scheiding en concentratie van bedrijfsactiviteiten en de mogelijkheid voor de bouw van een vervangende bedrijfsbebouwing op het perceel Schottershuizen 23 te Linde.
 
Een goede landschappelijke inpassing is verzekerd doordat aan de straatzijde een schuur wordt gesloopt en aan de noordzijde wordt aangesloten op de landschappelijke inpassing die reeds is verzekerd bij de vergunningverlening voor een paardenbak. Ten behoeve van de bouw zullen twee vrijstaande bedrijfsgebouwen worden gesloopt. Het plan gaat uit van het vastleggen van de gebruiksmogelijkheden binnen een bestaande situatie met aanpassing van het (agrarisch) bouwvlak.
 
Bij de aanleg van de paardenbak is tevens de toegang vanaf de noordzijde tot het bouwperceel in oostelijke richting verlegd. Daarmee is er op grotere afstand tot de woningen aan de noordwestzijde van het perceel een separatie ontsluiting van het voor de veehouderij bedoelde gedeelte van het perceel gerealiseerd. De toegang direct aan de oostzijde van de erven van de buren is daarmee komen te vervallen.
 
In de beheersverordening Buitengebied vastgesteld 31 oktober 2013, is het perceel bestemd tot ‘agrarisch met waarden’ en deels voorzien van een bouwvlak. Met dit plan wordt een deel van het plangebied gewijzigd naar ‘Bedrijf - Voormalig Agrarisch Bedrijf’ en ‘agrarisch met waarden’.
 
De gronden en gebouwen, in gebruik voor de bestaande veehouderij, blijven bestemd tot ‘agrarisch met waarden’ en voorzien van een bouwvlak. Een deel van het bouwvlak wordt ter hoogte van het te slopen bedrijfsgebouw aan de westzijde geschrapt. Deze gronden blijven met dit plan voorzien van de bestemming "agrarisch met waarden". Door het verwijderen van de betreffende schuur wordt een rangschikking van bebouwing bewerkstelligd die bijdraagt aan een goede ruimtelijke inrichting die past in het bebouwingsbeeld van deze buurtschap. Het bouwvlak wordt aan de noordoostzijde vergroot tot een rechthoekige vorm. De reeds eerder toegestane paardenbak blijft buiten het (agrarische) bouwvlak gelegen.
De gebruiksregels voor gronden en gebouwen bestemd tot ‘agrarisch met waarden’ zijn aangevuld met het specifieke gebruik ten behoeve van de bouwmaterialenhandel, voor zover een specifieke aanduiding "bouwmaterialenhandel (sba-bm)" op de verbeelding van dit plan is voorzien.
 
De gronden en gebouwen in gebruik voor de handel in bouwmaterialen worden bestemd tot Bedrijf - Voormalig Agrarisch Bedrijf’ en voorzien van een bouwvlak op een zodanige wijze dat de vervangende nieuwbouw niet dichter naar de straatzijde van het perceel zullen worden gebouwd dan bij recht was toegestaan. De gebruiksregels zijn aangevuld het specifieke gebruik ten behoeve van de bouwmaterialenhandel, aangezien deze niet is genoemd in de lijst met toegestane bedrijven. Om de bouw van een extra bedrijfswoning te voorkomen is in de specifieke aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten (bw-) voorzien.
In de bouwregels voor gronden en gebouwen bestemd tot Bedrijf - Voormalig Agrarisch Bedrijf’ is het maximaal aantal de bebouwen m2 aangegeven teneinde te regelen dat er geen verdere uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten kan plaatsvinden.
 
Voor de opzet van de bestemmingsregels is zoals aangegeven in het handboek bestemmingsplannen De Wolden gebaseerd op de beheersverordening Buitengebied. Niet van toepassing zijnde begrippen en bepalingen, waaronder overgangsrechtelijke bepalingen zijn niet opgenomen in dit plan.
 
Volledigheidshalve is de aanduiding Waarde-Archeologie zoals bepaald in de beheersverordening Buitengebied De Wolden overgenomen in dit plan.
 
6 Juridische vormgeving
 
Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de voorgaande hoofdstukken, hebben in de regels van dit plan hun juridische vertaling gekregen. Daarmee zijn de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied vastgelegd.
 
Het plan is opgesteld conform het Handboek bestemmingsplannen van de gemeente De Wolden en de landelijke Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2008 (SVBP 2012).
 
7 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
   
7.1 economische uitvoerbaarheid
 
Het gaat om een particulier initiatief waarbij de initiatiefnemers garant staan voor de economische uitvoerbaarheid van het plan. Eventuele planschadekosten en aan dit plan verwante kosten komen daarmee voor rekening van de initiatiefnemers. Ook de kosten die gepaard gaan met de uitvoering van dit bestemmingsplan (bijvoorbeeld riolering) zullen door de initiatiefnemers worden gedragen.
 
7.2 inspraak en overleg
 
Inspraak
 
Het college heeft de bevoegdheid te besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Aangezien onderhavig plangebied gering van omvang is en de ruimtelijke consequenties beperkt zijn, is overeenkomstig het besluit van het college geen gelegenheid tot inspraak geboden.
 
Overleg
 
In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro is het vastgesteldbestemmingsplan toegezonden aan de provincie en het waterschap. Van de provincie Drenthe is op 19 oktober een schriftelijke reactie ontvangen (bijlage VI). Deze reacties zijn verwerkt in dit plan.
 
Zienswijzen
 
Het voorliggend bestemmingsplan is als vastgesteld ter visie gelegd gedurende de periode van 1 december 2016 tot en met 11 januari 2017. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze op het plan in te dienen.
 
Van de mogelijkheid om gedurende deze termijn zienswijzen bij het college in te dienen is geen gebruik gemaakt.
 
Vaststelling
 
Het voorliggend bestemmingsplan is door de gemeenteraad bij besluit van 16 februari 2017.