| Plan: | Buitengebied, deelplan Eursinge 7, Eursinge |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1690.2021BP1002008-VG01 |
Op het perceel Eursinge 7 bevindt zich een voormalig agrarisch bedrijf. De eigenaar is voornemens om de aanwezige agrarische bebouwing te slopen en hiervoor in de plaats met toepassing van de ruimte-voor-ruimte regeling een woning te bouwen. In principe dient de te bouwen woning op hetzelfde perceel terug te worden gebouwd als waarop het voormalig agrarisch bedrijf aanwezig was. In dit geval is dat, vanwege het geluidsaspect, niet mogelijk. Daarom is voor de te bouwen woning gezocht naar een alternatieve locatie. Deze is gevonden op een, ook in eigendom zijnd, perceel dat ligt tussen de percelen Eursinge 9 en 11. Dit perceel sluit aan op het perceel van de slooplocatie. Op dit perceel zijn geen (geluids)belemmeringen aanwezig om tot de bouw van de woning te kunnen overgaan.
Het voorliggende bestemmingsplan maakt de gewenste ontwikkeling mogelijk. Het plan is een gedetailleerde bestemmingsregeling. Het bestemmingsplan is afgestemd op de nieuwe Wet ruimtelijke ordening en voldoet aan de meest recente inzichten betreffende de digitale uitwisseling en raadpleging (RO-Standaarden). Hierdoor is het bestemmingsplan een goed leesbaar en bruikbaar plan.
In deze toelichting van het bestemmingsplan komen, na onderhavig inleidend hoofdstuk, de volgende hoofdstukken aan bod:
Achtereenvolgens komen na deze inleiding (hoofdstuk 1) de volgende onderwerpen aan bod:
In de huidige situatie is op het perceel Eursinge 7 een voormalig agrarisch bedrijf aanwezig.
De percelen, Eursinge 7 en de nieuwbouwlocatie, vallen onder de beheersverordening "Buitengebied De Wolden". Deze beheersverordening is op 28 februari 2019 vastgesteld door de gemeenteraad van De Wolden.
De nieuwbouwlocatie is in de huidige situatie een onbebouwd perceel dat ligt tussen de woningen Eursinge 9 en 11.
De percelen, Eursinge 7 en de nieuwbouwlocatie, vallen onder de beheersverordening "Buitengebied De Wolden". Deze beheersverordening is op 28 februari 2019 vastgesteld door de gemeenteraad van De Wolden. De percelen hebben hierin de bestemming "Agrarisch", met de dubbelbestemmingen "Waarde-Archeologie", "Veiligheidszone munitie opslagplaats C" en "milieuzone hydrologische beïnvloeding". Het perceel Eursinge 7 heeft daarnaast de aanduidingen "Agrarisch bedrijf" en "Bouwvlak".
In de nieuwe situatie verandert de agrarische bestemming voor wat betreft het bouwperceelsgedeelte van "Agrarisch" naar ‘Wonen". De overige gronden houden de agrarische bestemming.Het Ruimte-voor-Ruimte beleid maakt het mogelijk om bij sloop van ten minste 750 m² met een afwijkingsmarge van 5% aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing een woning (ter compensatie) terug te bouwen En bij sloop van ten minste 2.000 m² met een afwijkingsmarge van 3% twee woningen (ter compensatie) terug te bouwen. Het heeft de voorkeur om de compensatiewoning binnen dan wel aansluitend op het voormalige agrarische bouwvlak te realiseren. Gelet op de directe nabijheid van de provinciale weg N375 is het uit geluidsoogpunt niet mogelijk de woning op de slooplocatie te realiseren. Daarom wordt de compensatiewoning gebouwd op het perceel dat ligt tussen de percelen Eursinge 9 en 11.
Het perceel waarop de compensatiewoning wordt gebouwd ligt in hetzelfde plangebied dan de slooplocatie en heeft hierin de bestemming "Agrarisch" en eveneens de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" en de aanduidingen "Veiligheidszone opslagplaats munitie C" en "milieuzone- hydrologische beïnvloeding".
In tegenstelling tot de slooplocatie zijn er geen belemmeringen voor de bouw van de woning op deze nieuwbouwlocatie.
Zoals hierboven aangegeven dient minimaal 750 m2 aan agrarische bebouwing te worden gesloopt
Op het perceel Eursinge 7 is 986 m2 aan bijgebouwen aanwezig. De locatie voldoet dus aan de eis van minimaal 750 m2 sloop. De eigenaren zouden echter graag een aangebouwd bijgebouw van 270 m2 willen behouden. Dit gebouw wordt gebruikt voor de verkoop van mini tractoren, landbouwtractoren en -werktuigen. Deze activiteit past binnen het beleid "Vrijkomende Agrarische Bebouwing"(VAB) beleid van de gemeente. In paragraaf 3.4 "gemeentelijk beleid" wordt dit beleid nader beschreven en in 4.4. "milieuzonering bedrijven" wordt ingegaan op de milieutechnische consequenties van deze activiteit.
Daarom wordt er per saldo 716 m2 gesloopt. Aangezien deze oppervlakte binnen de 5 % marge valt hebben wij hiermee ingestemd.
De bestaande bedrijfswoning heeft een oppervlakte van slechts 72 m2. De totale oppervlakte is daarmee 342 m2 en overschrijdt dus niet de totale oppervlakte van 350m2 die bij een woonbestemming in het buitengebied aan bebouwing (woning + bijgebouwen) toegestaan is.
In bijlage 1 is de bestaande en nieuwe situatie weergegeven.
In 1992 werd het Europese Verdrag van Valletta (Malta) ondertekend door een groot aantal EU-landen, waaronder Nederland, met als doel om het (Europese) archeologische erfgoed veilig te stellen. De ondertekenaars hebben zich verplicht, archeologische belangen tijdig te betrekken bij de ruimtelijke planvorming voor woningbouw, landinrichting, wegenaanleg en dergelijke. Het beleid is gericht op het behoud van de archeologische waarden in de bodem en de planologische bescherming van waardevolle archeologische vindplaatsen.
De uitgangspunten van het verdrag zijn op nationaal niveau uitgewerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, 2007). Voor archeologische waarden geldt per 1 september 2007 op basis van de gewijzigde Monumentenwet 1988 de wettelijke verplichting om bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten monumenten.
De gronden vallende binnen voorliggend plangebied zijn op basis van dit verdrag getoetst. Een nadere beschrijving van het thema archeologie staat in hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten.
De laatste tijd ondervindt de ruimtelijke ordening steeds meer invloed van het Europese beleid. In het bijzonder geldt dit voor de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Bij het opstellen van bestemmingsplannen wordt aandacht gevraagd voor het veiligstellen van de beschermde flora en fauna. De uitvoeringsinstrumenten voor de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in Nederland zijn de Natuurbeschermingswet 1998 (of kortweg Nb-wet 1998) en Flora- en faunawet (Ff-wet). Sinds 1 januari 2017 vervangt de nieuwe Wet natuurbescherming deze wetten alsmede de Boswet. De gronden vallende binnen dit plan zijn aan deze wet getoetst. Uitwerking hiervan is te vinden in hoofdstuk 4.
Het beleid van Europa en de rijksoverheid is van invloed op het te voeren Drentse omgevingsbeleid. Zo is er op Europees niveau veel aandacht voor het verbinden van economische kerngebieden door vervoersnetwerken, de aansluiting van relatief zwak ontwikkelde regio’s, landsoverschrijdende samenwerking, stroomgebieden, ecologische relaties en duurzame ontwikkeling.
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), vastgesteld. De SVIR heeft een horizon tot het jaar 2040 en vervangt onder andere de Nota Ruimte. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vormt de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.
Het rijk kiest met de structuurvisie voor een selectievere inzet van de onderstaande 13 Rijksbelangen:
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt dieper ingegaan op deze 13 rijksbelangen. Het rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:
Geconstateerd wordt dat de herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied, deelplan Eursinge 7, Eursinge, geen rijksbelangen raakt. Derhalve wordt geconcludeerd dat voldaan wordt aan de uitgangspunten zoals verwoord in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.
Het kabinet heeft in de SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen moet worden ingezet. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze zijn bedoeld om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wro, gewenst. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. In het Barro zijn geen specifieke regels opgenomen voor het onderhavig plangebied.
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de plantoelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. De ladder voor duurzame verstedelijking is sinds 1 oktober 2012 opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid Bro en stelt eisen aan bestemmingsplannen met het oog op een zorgvuldige afweging, transparante besluitvorming en een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden.
De ladder is per 1 juli 2017 gewijzigd. Doel van de ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. Met de wijziging van de ladder zijn de 'treden' losgelaten en vervallen de begrippen 'actuele' en 'regionaal'. Voor gebieden buiten bestaand stedelijk gebied geldt een uitgebreide motiveringsplicht. En er is een nieuw artikellid toegevoegd voor de Laddertoets bij wijzigings- en uitwerkingsplannen (de laddertoets kan dan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van het wijzigings- of uitwerkingsplan). In de praktijk blijft overeind dat de behoefte moet worden aangetoond en afhankelijk van de ontwikkeling en de locatie, kan het gebied dat daarbij moet worden betrokken, kleiner of groter zijn. Het uitgangspunt dat gebouwd wordt in bestaand stedelijk gebied, blijft overeind.
Het voorliggende bestemmingsplan voorziet slechts in de bouw van één woning. Uit jurisprudentie is gebleken dat de ‘ladderplicht’ geldt vanaf de bouw van 11-12 woningen. Daarom is dit plan niet ladderplichtig.
Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het plan niet strijdig is met de Ladder voor Duurzame Verstedelijking.
Provinciale Staten hebben op 3 oktober 2018 de revisies van de Omgevingsvisie- en Omgevingsverordening Drenthe 2018 vastgesteld die vervolgens op 1 november 2018 in werking zijn getreden. De Omgevingsvisie is voor Drenthe een centraal visiedocument. Deze Omgevingsvisie is het strategische kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe. De ambitie ziet toe op het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe passend bij deze kernkwaliteiten. Deze ambitie vormt het hart van ons beleid waarmee wordt ingezet op ‘ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit’, mede vanuit de wetenschap dat landschapskwaliteit een belangrijke vestigingsfactor is. In de omgevingsvisie worden zes verschillende kernkwaliteiten benoemd die de Drentse ruimtelijke identiteit inhoud geven. Het gaat om landschap, cultuurhistorie, aardkundige waarden, archeologie, rust en natuur.
Het plangebied met de kernkwaliteit Landschap aangeduid als "Esdorpenlandschap". Het provinciaal beleid voor deze gronden is gericht op het behouden en versterken van:
Het provinciaal beleid is gericht op:
De compensatiewoning voegt zich in het bestaande bebouwingslint binnen de bestaande verkaveling van Eursinge. De bestaande laanbeplanting langs Eursinge blijft in tact. De invulling van deze onderbreking in het bestaande bebouwingslint versterkt het bebouwingslint. In de nieuwe woonkavel is voldoende breedte om de voorgenomen bebouwing in te passen in het bestaande lint met behoud van voldoende doorzichten en ruimte ten opzichte van de aangrenzende woonbebouwing. In bijlage 2, hieronder verkleind weergegeven, is het landschapsinrichtingsplan opgenomen.
Daarnaast ligt het plangebied binnen de kernkwaliteit "Cultuurhistorie". Cultuurhistorie is het totaal aan bovengrondse sporen van menselijke activiteiten in de stad en op het platteland, in de bebouwde en de onbebouwde omgeving. Deze sporen leveren ons niet alleen informatie op over het leven en werken van de mens in vroeger tijden (de bewoningsgeschiedenis), maar verklaren ook voor een belangrijk deel waarom onze omgeving er nu uitziet zoals ze eruitziet. De cultuurhistorie in Drenthe omvat dus zowel het historisch (steden)bouwkundig erfgoed als het historisch landschappelijke erfgoed.
Omgevingsbeeld
De structuur van dit gebied wordt gedomineerd door de twee grote bos- en heidegebieden van het Dwingelderveld en bij Hooghalen, door de beekdalen van de Elperstroom en de Westerborkerstroom met de daarbij gelegen esdorpen die al in de middeleeuwen zijn ontstaan.
De twee bos- en heidegebieden zijn aangelegd met de karakteristieke padenstructuur van boswachterijen en stuifzandbossen. Ze bevatten ook vele sporen van de tijd ervoor en erna, zoals (pre-)historische routes en grenzen en jongere ingrepen uit en na de Tweede Wereldoorlog, zoals de radiotelescoop van Dwingeloo en de sporen van Kamp Westerbork.
Bijzonder is de ligging van het (Nationaal Park) Dwingelderveld als oude gemeenschapsgrond te midden van een krans van esdorpen.
De smalle en soms duidelijk begrensde beekdalen van de Elper- en Westerborkerstroom hebben een sterke ruimtelijke relatie met de ernaast gelegen dorpen.
Door de ruime afstand tussen het plangebied en de genoemde gebieden worden de bovengenoemde beschreven kernkwaliteiten niet aangetast als gevolg van de uitvoering van hetgeen dit bestemmingsplan beoogt.
Archeologie
Voor het plangebied geldt het beschermingsniveau Generiek. Dit richt zich op het algemene uitgangspunt dat alle behoudenswaardig archeologische vindplaatsen (waarden) die op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van Drenthe staan en de nieuw ontdekte behoudenswaardige vindplaatsen niet ongezien kunnen verdwijnen.
Uitgangspunten van ons archeologiebeleid zijn beschreven in:
In paragraaf 4.3 wordt nader ingegaan op de archeologische waarden van het plangebied.
Generiek beschermingsniveau aardkundige waarden
Ambitie van de provincie:
In deze gebieden wil de provincie de lokale, aardkundige kenmerken voor de toekomst bewaren. Hierbij wordt van gemeenten verwacht dat zij in deze gebieden nagaan welke kenmerkende aardkundige waarden aanwezig zijn en dat zij hieraan bescherming geven via het gemeentelijk bestemmingsplan en plannen en initiatieven daarop beoordelen. Bij ontwikkelingen kunnen aardkundige kwaliteiten als inspiratiebron worden gebruikt. In het plangebied zijn geen bijzondere aardkundige waarden aanwezig.
Het plangebied is voor de kernkwaliteit Aardkundige waarden aangeduid met het beschermingsniveau "Generiek beschermingsniveau: respecteren" en voor de kernkwaliteit archeologie aangeduid met het beschermingsniveau "Generiek: behoudens waardige vindplaatsen kunnen niet ongezien verdwijnen". Verder is het plangebied voor de kernkwaliteit cultuurhistorie aangewezen met het beschermingsniveau Respecteren.
Het beschermingsniveau is het laagste sturingsniveau en is voorzien over het grootste deel van het grondgebied van de provincie Drenthe. Voor de gebieden aangewezen met het beschermingsniveau Respecteren richt men zich op het waarborgen van de cultuurhistorische samenhang voor de toekomst. Daarbij hebben initiatiefnemers de verantwoordelijkheid om de cultuurhistorische hoofdstructuur als inspiratiebron te benutten.
De plek van de compensatiewoning is passend binnen de bestaande verkaveling. De voorgenomen woning zal worden vormgegeven passend in het straatbeeld. De bestaande cultuurhistorische hoofdstructuur wordt gerespecteerd en is benut als basis voor het (bouw)plan.
Robuust natuursysteem
Stad en dorp
Omgevingsbeeld
Steden en dorpen spelen een rol bij het behoud van de biodiversiteit van Drenthe. Openbaar groen, zoals parken en bermen, (braakliggende) bedrijventerreinen, maar ook particuliere tuinen zorgen voor deze biodiversiteit. Door de grote afwisseling van verschillende biotopen op een relatief kleine oppervlakte, komen hier veel verschillende soorten planten en dieren voor. Er zijn zelfs soorten die afhankelijk zijn van het stedelijk gebied, zoals de gierzwaluw.
Ambitie
De provinciale ambitie is erop gericht om de biodiversiteit in dorpen en steden te behouden en te bevorderen door de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te verbeteren. Naast een rol voor de biodiversiteit bevordert een groene omgeving vlakbij de woonplaats bovendien de waardering voor natuur en het enthousiasme om daar een actieve rol te vervullen. Wij stimuleren gemeenten om hier invulling aan te geven.
De onderhavige ontwikkeling zorgt voor meer groen en minder verharding. Deze is passend binnen het thema robuust natuursysteem.
Robuust en klimaatbestendig watersysteem
Ambitie van de provincie:
Als gevolg van klimaatverandering nemen ook de perioden met droogte toe. Op het Drents Plateau houden we zoveel mogelijk water vast om droogte te overbruggen. Hierdoor is de landbouw gedeeltelijk zelfvoorzienend en wordt verdroging van natuur zoveel mogelijk voorkomen.
De grondwatervoorraad wordt, waar mogelijk, verhoogd. We streven naar het zoveel mogelijk vasthouden van water in natuurgebieden. Naaldhout moet worden vervangen door loofhout of korte vegetaties. In de landbouwgebieden stimuleren we een optimaal bodembeheer. De bedrijfsvoering in de landbouw moet gericht zijn op het zuinig omgaan met water.
We streven naar een zo groot mogelijke voorraad zoet grondwater van een goede kwaliteit, beschikbaar voor mens en natuur. Voor dit plan is de zogenaamde Watertoets uitgevoerd. De neerslag van de Watertoets is weergegeven in paragraaf 4.5.
De Provinciale omgevingsverordening Drenthe, met inbegrip van de navolgende wijzigingen, geeft de randvoorwaarden voor het opstellen van ruimtelijke plannen. De verordening heeft onder meer als doel om de kernkwaliteiten van Drenthe te behouden en te versterken. Als bij een ruimtelijk plan kernkwaliteiten betrokken zijn, moet in het ruimtelijk plan uiteengezet worden dat met het desbetreffende plan wordt bijgedragen aan behoud en ontwikkeling van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten conform de provinciale ontwikkelingsvisie. Een ruimtelijk plan mag geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk maken die de kernkwaliteiten significant aantasten.
Op grond van artikel 3.23 (Ruimte-voor-ruimte regeling) mag een ruimtelijk plan voor een gebied, niet gelegen binnen het Bestaand Stedelijk Gebied, voorzien in een ruimte-voor-ruimte regeling als in dat gebied voormalige agrarische bedrijfsbebouwing aanwezig is. Een van de randvoorwaarden is dat de bouw van de compensatiewoning niet plaats vindt in gebieden die op de bij de Omgevingsvisie Drenthe behorende Visiekaart 2020 met de functie 'Natuur' of 'Beekdalen' is aangeduid. Daarop geldt een uitzondering indien het ruimtelijke plan in nieuwe kapitaalintensieve functies voorziet waarbij de functie op die locatie geen feitelijke belemmering vormt om in de toekomst de afvoer- en bergingscapaciteit van het regionale watersysteem te vergroten. Een andere uitzondering betreft gronden gelegen binnen de Ecologische Hoofdstructuur (hierna EHS). Het plangebied is echter gelegen buiten de grenzen van de EHS en daarmee gaat deze bepaling in deze niet op. De voorwaarden voor deze provinciale Ruimte-voor- ruimte regeling zijn overgenomen en nader uitgewerkt in het gemeentelijk Ruimte-voor- ruimte beleid.
Het uitgangspunt van het Ruimte-voor- ruimte beleid is de bouw van de compensatie woning binnen het voormalige agrarische bouwperceel. Daarvan kan worden afgeweken indien herbouw van de compensatie woning andere bedrijven zou hinderen. Op de locatie van de te slopen voormalige agrarische bedrijfsbebouwing kan niet worden voorzien in een compensatiewoning vanwege de geluidsproblematiek van de N375. Daarmee mag in deze de compensatie woning elders gebouwd worden. Op grond van het Ruimte-voor- ruimte beleid dient de herbouw van de compensatie woning, buiten het voormalige agrarische bouwperceel, aansluitend een dorp of in een bebouwingslint plaats te vinden. De bouwlocatie sluit direct aan op de slooplocatie en bovendien voegt de nieuwe woning zich tussen de bestaande bebouwing. De locatie tussen Eursinge 9 en 11 is dan ook passend binnen het Ruimte-voor-ruimte beleid.
Dit plan is in overeenstemming met het provinciaal beleid.
Vanaf 1 januari 2016 zijn de waterschappen Reest en Wieden en Groot Salland gefuseerd tot Waterschap Drents Overijsselse Delta (hierna WDODelta). Het plangebied is gelegen binnen het gebied van het voormalige waterschap Reest en Wieden. Voor het gebied is het ontwerp waterbeheerplan 2016 - 2021 Reest en Wieden van toepassing. Het waterplan is opgesteld in samenhang met de waterschappen binnen het beheersgebied Rijn-Oost. Bij het opstellen van dit beheersplan waren de omgevingsplannen (Drenthe en Overijssel) en een waterhuishoudingsplan (provincie Gelderland) kader stellend.
Het waterschap laat in dit waterbeheerplan zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten we in de samenwerking met onze partners willen leggen. Vanuit die omgevingsverkenning wordt vervolgens het beleid voor de planperiode 2016-2021 beschreven voor onze primaire taakgebieden:
Bij ruimtelijke plannen adviseert het waterschap om te komen tot een duurzame ruimtelijke inrichting. Ruimtelijke aanpassingen kunnen bijdragen aan het voorkomen van een overstroming of wateroverlast en het beperken van eventuele gevolgen. Daarnaast gaat het ook om de bijdrage die inwoners, gemeenten, provincies en belangenorganisaties zelf kunnen leveren aan waterveiligheid. De betrokkenheid vanuit de samenleving bij de gewenste veiligheid is een belangrijk aandachtspunt in de planperiode.
Doelstellingen voor ruimtelijke plannen:
Het plan voorziet in de sloop van ca 716 m² voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en de bouw van een compensatiewoning met bijgebouw(en). De voorgenomen woning is gesitueerd binnen het bestaande lint van Eursinge. Door de sloop van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing ten opzichte van de nieuw te bouwen woning met bijgebouw zal de totaal verharde oppervlakte verharding fors afnemen. De oppervlakte van de nieuwbouw bedraagt namelijk 342 m2.
In paragraaf 4.5 wordt verslag gedaan van de uitgevoerde watertoets.
Conclusie
Het plan betreft een geringe ruimtelijke ingreep welke geen invloed van betekenis heeft op de eisen vanuit het waterplan en op grond daarvan vormt dit plan geen beletsel voor de uitvoering.
In maart 2011 heeft de gemeenteraad de structuurvisie 2010-2030 vastgesteld. Deze visie vormt het toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen met 2030 als zichtjaar. De structuurvisie heeft niet als doelstelling de ontwikkelingslocaties op perceelsniveau op de kaart weer te geven, maar geeft de ontwikkelingsmogelijkheden per landschapstype weer.
De visie richt zich op het creëren van ontwikkelingsmogelijkheden, waarbij het versterken van de ruimtelijke kwaliteit de randvoorwaarde is. Ruimtelijke kwaliteit in De Wolden wordt bepaald en versterkt door de dynamiek van het landschap. Het plangebied is op de visiekaart aangeduid als ‘landschap van de hoogveenontginningen’.
Het landschap van de veenontginningen maakt slechts een klein deel uit van de oppervlakte van de gemeente De Wolden. Het complex van de Echter Groote Veenen heeft een groot oppervlak(te). Naar het zuiden toe wordt het begrensd door de Reest, in het noordoosten door het beekdal van het Oude Diep. Naar het westen ligt het hoogveen tegen de rug van Zuidwolde.
Dit landschapstype kenmerkt zich als volgt: De lange rechte lijnen overheersen in dit gebied. De turf is er op industriële wijze gewonnen, waarnaar het landschap kaal is achtergebleven, de uitzichten zijn wijds. Het landschap is open, slechts de hoofdwegen en –kanalen zijn in enkele gevallen voorzien van beplanting. De erven zijn over het algemeen beplant en staan als groene eilanden in het open gebied.
Dit plan voorziet in een compensatiewoning welke zich voegt in het bestaande bebouwingslint van Eursinge. Deze ontwikkeling heeft daarmee geen nadelig effect op de karakteristieken van het bestaande landschap.
De structuurvisie geeft een eerste aanzet voor inpassing van nieuwe ontwikkelingen op basis van de aangegeven landschapstypes. Dit toetsingskader is nader uitgewerkt in het LOK.
De gemeenteraad heeft op 29 november 2012 het LOK vastgesteld. Het LOK is een instrument waarbij de samenhang tussen de verschillende landschappen, stedenbouwkundige aspecten, uitbreidingsplannen en functieveranderingen op elkaar worden afgestemd. Daarnaast bevat het LOK randvoorwaarden waarbinnen ontwikkelingen kunnen plaatsvinden.
Het plangebied is gelegen binnen het ontginningslandschap (hoogveenontginning). De hoogveengebieden zijn lange ondoordringbare natte, ruige gebieden geweest. Doordat de hoogvenen volgens een systematische, planmatige opzet worden ontgonnen, ontstaat een rationeel ontginningspatroon met rechte lijnen en (min of meer) haakse hoeken. In de loop van de jaren zijn veel karakteristieken van de hoogveenontginningen vervaagd of verdwenen. Daarmee is ook het onderscheid met de jonge veldontginningen minder scherp geworden. Daarom zet de gemeente dan ook in op die elementen die duidelijk onderscheidend zijn: de opstrek en de wijken. De gemeente streeft er naar dat nieuwe ontwikkelingen in de hoogveengebieden het verkavelingspatroon accentueren, door de positionering van erfbeplantingen en de aanleg van nieuwe of verbreding van bestaande wijken.
Dit plan voorziet in een nieuw woonperceel voor de bouw van een compensatiewoning met bijbehorende bebouwing. Het perceel sluit aan weerszijden aan op de bestaande bebouwing van het dorp Eursinge. Met dit plan worden de karakteristieken van het omliggende landschap niet aangetast. Ten behoeve van dit plan is voorzien in een landschappelijk inpassing. De landschappelijke inpassing is weergegeven in een inrichtingstekening met bijbehorende beplantingslijst, welke als bijlage A bij de regels is gevoegd. De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing is geborgd in de regels van dit plan.
In de gemeente De Wolden bestaat de bestuurlijke wens tot deregulering en meer verantwoordelijkheid bij de burger neer te leggen. Deze wens heeft er toe geleid dat in de raadsvergadering van 13 december 2012 de raad besloten heeft tot het welstandsvrij verklaren van grote gebieden van de gemeente. Daarmee heeft de gemeenteraad het vertrouwen in de burger uitgesproken dat hij/zij de verantwoordelijkheid aan kan om op een juiste wijze met de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente De Wolden om te gaan.
Het plangebied is op de kaart behorende bij de welstandsnota 2013 aangewezen als welstandsvrij gebied.
De gemeente wil ruimte bieden om vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) te gebruiken voor andere dan agrarische bedrijvigheid. Hiermee wordt ruimte geboden aan ondernemers met nieuwe activiteiten in het buitengebied en wordt de resterende economische waarde van de leeggekomen agrarische bebouwing benut voor andere bedrijvigheid.
De eigenaren van het perceel Eursinge 7 verkopen mini-tractoren, landbouwtractoren en -werktuigen. Dit gebeurt vanuit een aangebouwd bijgebouw met een oppervlakte van 270 m2. Op grond van de Staat van Bedrijfsactiviteiten valt deze activiteit binnen SBI-code 466, met een milieucategorie van 3.1.
Dit is de maximale milieucategorie die op grond van het VAB-beleid is toegestaan. In paragraaf 4.4 wordt nader op de milieutechnische consequenties ingegaan. Voorts dient aan een aantal andere voorwaarden te worden voldaan. Deze worden hieronder besproken:
Voorwaarden:
1. Onder vrijkomende agrarische bebouwing worden ook voormalige agrarische gebouwen gerekend, die al zijn omgezet naar een andere bestemming. Bijvoorbeeld naar een woonbestemming of een agrarisch aanverwante of dienstverlenende functie.
Reactie: Dit bestemmingsplan beoogt de wijziging van de agrarische bestemming naar de bestemming "Wonen" van het perceel Eursinge 7.
2. Het gebouw moet minstens 3 jaar voor de aanvraag zijn opgericht.
Reactie: Het betreft hier bestaande bebouwing die hier reeds tientalen jaren aanwezig is.
3. Het gebouw moet minstens 3 jaar in agrarisch gebruik zijn geweest.
Reactie: Het betreft hier bestaande bebouwing die hier reeds tientalen jaren agrarisch in gebruik is geweest.
4. Het gebouw/bouwwerk moet met vergunning gebouwd zijn.
Reactie: Het betreft hier bestaande bebouwing die hier reeds tientalen jaren aanwezig is.
5. Het gebouw moet onderdeel uitmaken of in het verleden onderdeel uitgemaakt hebben van een agrarisch bouwperceel. Een reguliere woning en bijvoorbeeld veldschuren die geen onderdeel uitmaakten van een agrarisch bouwperceel komen niet in aanmerking.
Reactie: het gebouw is onderdeel van het agrarisch bedrijf Eursinge 7.
6. Bedrijfsactiviteiten moeten binnen de bestaande gebouwen plaatsvinden. Dit kan het oorspronkelijke boerderijpand zijn waarin ook de woonfunctie is gevestigd. Het kan ook gaan om vrijstaande stalgebouwen of schuren bij het oorspronkelijke boerderijpand/woonhuis. De bestaande gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfsgebouwen waaronder overkappingen mag met een binnenplanse ontheffing eenmalig tot ten hoogste 500 m2 (totaal aan bedrijfsgebouwen) worden uitgebreid; Incidentele buitenopslag moet aan het zicht onttrokken worden en op een goede wijze op het erf worden ingepast. Eventuele buitenopslag, die is toegestaan, moet deel uitmaken van het inrichtingsplan. Dit om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen.
Reactie: De activiteiten vinden plaats binnen een voormalig agrarisch bedrijfsgebouw. De oppervlakte van het gebouw is 270 m2. Er vinden buiten geen activiteiten plaats, behoudens kleinschalige stalling van enkele mini-trekkers.
7. De nieuwe functie moet leiden tot een verbetering en/of behoud van de ruimtelijke kwaliteit en mag geen ongewenste verstedelijking of aantasting van landschappelijke/natuurlijke waarden veroorzaken;
Reactie: De ruimtelijke kwaliteit wordt niet aangetast en de landschappelijke en natuurlijke waarde blijven behouden. Zie ook het volgende punt.
8. Er moet sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing. Er moet een inrichtingsplan voor het totale erf (en de directe omgeving) worden ingediend. De gemeente beoordeelt bijvoorbeeld hoe vorm en omvang van de gebouwen is in relatie tot de landschapskwaliteit, en het handhaven of verbeteren van de landelijke uitstraling van het gebied. Het Landschapsontwikkelingskader vorm de basis voor de beoordeling.
Reactie: als onderdeel van de ruimte-voor-ruimte regeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Hierin is weergegeven hoe het perceel Eursinge 7 wordt ingepast. Het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage A bij de regels van dit plan gevoegd.
9. Er mag sprake zijn van detailhandel, indien de detailhandelsactiviteiten ondergeschikt zijn aan de hoofdactiviteit en daarmee een directe relatie hebben. Het maximaal toegestane bruto winkeloppervlak bedraagt 60 m2..
Reactie: er is geen sprake van detailhandel. Naar verwachting wordt het bedrijf gemiddeld door één klant per dag bezocht.
10. Reclame-uitingen moeten in overeenstemming zijn met het Reclamebeleid en de Welstandsnota.
Reactie: Een eventueel aan te brengen reclame uiting zal in overeenstemming zijn met het reclamebeleid van de gemeente De Wolden.
11. De bedrijfsactiviteit moet zich verhouden tot de functies in de directe omgeving. Toegestaan zijn in beginsel de categorieën 1, 2 en 3.1 van de VNG handreiking "Bedrijven en Milieuzonering", mits voldaan wordt aan de daarin genoemde richtafstanden. Bedrijvenlijst uit de VNG handreiking is opgenomen als bijlage in het VAB-beleid.
Reactie: de activiteiten vallen onder milieucategorie 3.1 van de Handreiking. Gelet op de kleinschaligheid van de activiteit zal deze geen overlast veroorzaken.
De SB codeI is 4661 Groothandel in landbouwmachines, werktuigen en tractoren.
De bij deze milieucategorie behorende afstand bedraagt 50 meter. Aan deze afstand wordt voldaan. Zie verder paragraaf 4.4.
Reactie: In de directe omgeving zijn geen (agrarische) bedrijven meer aanwezig.
Reactie: er is geen sprake van een grote verkeersaantrekkende werking. Er wordt slechts gemiddeld één klant per dag verwacht.
Reactie: gelet op het beperkt aantal klanten is de aanleg van extra parkeerplaatsen niet noodzakelijk. Op het voormalige agrarische erf is voldoende parkeerruimte aanwezig.
Dit plan voldoet aan de doelstellingen en criteria van het voornoemde gemeentelijk beleid.
De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten:
Deze bescherming geldt als het gebruik van deze objecten is toegestaan volgens het bestemmingsplan, de beheersverordening, omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan of beheersverordening. Op tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan met een periode van maximaal 10 jaar is de Wet geluidhinder niet van toepassing.
Onder "woning" wordt verstaan (artikel 1 Wet geluidhinder): gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan op grond van de geldende planologische status (bestemmingsplan, de beheersverordening, omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan of beheersverordening). De Wet geluidhinder kent het begrip bedrijfswoning niet. Een bedrijfswoning is gewoon een woning, waarvoor het mogelijk is een hogere waarde (als nodig) te verlenen. Dit geldt natuurlijk alleen voor bedrijfswoningen die zijn gelegen in een geluidzone.
Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) is rond inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur en spoorwegen een geluidzone van kracht. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de in de wet bepaalde voorkeursgrenswaarde. Wanneer niet aan deze grenswaarde kan worden voldaan, kan het bevoegd gezag, in de meeste gevallen de gemeente, hogere grenswaarden vaststellen. Hiervoor geldt een bepaald maximum, de uiterste grenswaarde genoemd.
Het uitgangspunt van het Ruimte-voor- ruimte beleid is de bouw van de compensatie woning binnen het voormalige agrarische bouwperceel. Daarvan kan worden afgeweken indien herbouw van de compensatie woning andere bedrijven zou hinderen. Op de locatie van de te slopen voormalige agrarische bedrijfsbebouwing kan niet worden voorzien in een compensatiewoning vanwege de geluidsproblematiek van de N375. Als er milieubelemmeringen zijn mag de compensatie woning elders gebouwd worden. Op grond van het Ruimte-voor- ruimte beleid dient de herbouw van de compensatie woning, buiten het voormalige agrarische bouwperceel, aansluitend een dorp of in een bebouwingslint plaats te vinden. De voorgenomen woning voegt zich in het bebouwingslint tussen Eursinge 9 en 11. Om na te gaan of deze plek voldoet aan de bepalingen van de Wet Geluidhinder is akoestisch onderzoek verricht door ingenieursbureau Spreen. Het onderzoek is gedateerd op 7 juli 2020, projectnummer: 20201609. Het onderzoek heeft uitgewezen dat in de nieuwe situatie wordt voldaan aan de Wet Geluidhinder, er is geen sprake van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Het akoestisch onderzoek is als bijlage 3 toegevoegd.
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkelingen heeft Sigma Bouw & Milieu twee verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd. Ten eerste het onderzoek op de nieuwbouwlocatie. Dit onderzoek is gedateerd op 9 september2020 en heeft als projectnummer 20-M9355. Uit dit onderzoek is gebleken dat er geen belemmeringen zijn voor het beoogde gebruik van het plangebied. Dit bodemonderzoek is als bijlage 4 aan deze toelichting gehecht.
Ten tweede is onderzoek gedaan naar de bodemgesteldheid op de slooplocatie. Dit onderzoek is gedateerd op 10 september 2020, projectnummer 20-M9356. Uit dit onderzoek is gebleken dat ondergrondmengmonster MM6 (boring 2+3) een verhoogd gehalte polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) bevat ten opzichte van de interventiewaarde en een verhoogd gehalte minerale olie t.o.v. de tussenwaarde. De verhoogd gemeten gehalte PAK en minerale olie in het ondergrondmengmonster MM6 overschrijden de interventiewaarde en/of tussenwaarde (indicatiewaarde voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0.5) en geven daardoor uit milieuhygiënische overweging een directe aanleiding tot het instellen van aanvullend onderzoek. Dit onderzoek zal in het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning worden uitgevoerd. Dit geeft op dit moment geen belemmeringen voor het voeren van onderhavige bestemmingsplanprocedure. Het tweede bodemonderzoek is als bijlage 5 toegevoegd.
De Archeologische Monumenten Kaart (AMK) bevat een overzicht van belangrijke archeologische terreinen in Nederland. In het plangebied zijn geen archeologische monumenten aanwezig waarmee rekening gehouden dient te worden. Op grond van de Archeologische Beleidskaart van De Wolden valt het plangebied onder een gebied met hoge of middelhoge verwachting. Bij ingrepen van meer dan 1000 m2 en dieper dan 30 cm dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De ingreep in dit geval is ongeveer 342 m2. Specifiek archeologisch onderzoek is daarom niet vereist. Mocht er desondanks tijdens bouwwerkzaamheden iets aangetroffen worden, dan geldt de algemene zorg- en meldplicht.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). De omgeving van de planlocatie betreft met name woonbebouwing. Het dichtstbijzijnde bedrijf is een melkveehouderij, Eursinge 16. De afstand tot het plangebied bedraagt ongeveer 140 meter. Op grond van de VNG-publicatie dient een afstand van minimaal 100 meter te worden aangehouden tussen een melkveehouderij en een milieugevoelige functie zoals een woning. Aan deze afstand wordt voldaan.
Het huidige aanwezige bedrijf, Eursinge 7, wordt met voorliggend plan gesaneerd. En wordt bestemd als "Wonen". Wel wordt, zoals in paragraaf 3.4 uitgebreid beschreven, de huidige groothandel in landbouwmachines gehandhaafd. Dit is mogelijk op grond van de VAB-regeling. Deze activiteit valt onder milieucategorie 3.1. van de Handreiking Bedrijven en Milieuzonering van de VNG.
De SB code is 4661 Groothandel in landbouwmachines, werktuigen en tractoren.
De bij deze milieucategorie behorende afstand bedraagt 50 meter. Aan deze afstand wordt voldaan, zoals uit onderstaande afbeelding blijkt waarin de afstand van het bedrijfsgebouw tot de direct omliggende woningen is weergegeven.
Anderzijds mogen omliggende bedrijven geen belemmeringen ondervinden door de bouw van de woning en door het herbestemmen van het perceel Eursinge 7. Gelet op het feit dat er zoals, hierboven aangegeven, geen bedrijven in de directe omgeving aanwezig zijn is hiervan geen sprake. Het genoemde melkveehouderijbedrijf wordt al beperkt door woningen die dichterbij de melkveehouderij liggen dan de te bouwen woning op het perceel tussen Eursinge 9 en 11.
Een ruimtelijke ingreep kan invloed hebben op het watersysteem. Daarom is het bij ruimtelijke ontwikkelingen van belang om de "verandering" te toetsen aan het waterbeleid, door middel van de zogenaamde "Watertoets".
Het doel van de Watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen meer expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het waterschap Drents Overijsselse Delta.
De uitvoering van de Watertoets heeft ertoe geleid dat kan worden volstaan met de zogenaamde korte procedure. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen het bestemmingsplan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd en de toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1500 m2. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast.
Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen adviseert het waterschap om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren (as van de weg).
De Watertoets is als bijlage 6 bij deze toelichting gevoegd.
In het plangebied wordt één woning toegevoegd. In de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage is de ontwikkeling opgenomen onder categorie D 11.2, onder 2º: een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen. Er is sprake van een m.e.r-beoordelingsplichtige activiteit indien er sprake is van meer dan 2000 woningen. Het planvoornemen met 1 woning ligt ver onder de drempelwaarde, waardoor kan worden aangenomen dat er geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. In het kader van de voorbereiding is geconstateerd dat het plan niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied ligt. Het plangebied ligt op 1,5 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied "Dwingelderveld".
Gezien de afstand en de aard van de beoogde ingreep zijn er geen negatieve effecten te verwachten op de natuurwaarden of de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied en de EHS. Er is in voldoende mate rekening gehouden met milieu- en overige omgevingsaspecten. Daarbij levert de ontwikkeling juist een verbetering op, aangezien de huidige veehouderij gesaneerd wordt.
Het milieubelang is in voldoende mate afgewogen en er zijn geen nadelige effecten te verwachten.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven.
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate
In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
In het plangebied is sprake van het toevoegen van 1 woning. Aangezien dit aantal ruimschoots onder de kwantitatieve grens voor woningbouwlocaties ligt, zoals opgenomen in de Regeling NIMB, mag er vanuit worden gegaan dat het project naar verwachting geen significante bijdrage heeft op de luchtkwaliteit. Het uitvoeren van een luchtkwaliteitsonderzoek gericht op het wegverkeer is dan ook niet nodig en er hoeft geen verdere toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit plaats te vinden. Daarbij levert dit plan juist een milieuwinst op, aangezien de veehouderij met dit plan verdwijnt. Per saldo levert deze ontwikkeling dus een gunstigere luchtkwaliteit ter plaatse op.
Het aspect Externe Veiligheid heeft te maken met de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en de bescherming hiertegen. De veiligheidsrisico's worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder kunnen de veiligheidsrisico's worden verdeeld in risico's veroorzaakt door bedrijvigheid (inrichtingen) en in risico's veroorzaakt vanwege het transport (weg, spoor, water, buisleidingen) van gevaarlijke stoffen. Conform het nationale veiligheidsbeleid en de Visie Externe Veiligheid van de gemeente Hoogeveen is onderzoek verricht naar de veiligheidssituatie rondom het plangebied. Dit onderzoek bestaat uit het in beeld brengen van alle relevante risicofactoren met de bijbehorende risico's alsmede het vaststellen van de invloed hiervan op het plangebied. Stationaire bronnen Binnen of in de nabijheid van het plangebied zijn geen risicovolle bedrijven aanwezig. Er hoeft niet getoetst te worden aan veiligheidsafstanden op basis van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico, zoals verwoord in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Transportroutes voor gevaarlijke stoffen Voor het transport van gevaarlijke stoffen via de weg, het spoor en het water is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vanaf 1 april 2015 van kracht geworden.
Uit raadpleging van de Risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn.
De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting betreft het tankstation Green Planet, Bultinge 2 te Pesse. Dit tankstation verkoopt onder andere LPG. Het invloedsgebied van het tankstation is 150 meter. De afstand tussen de nieuwbouwlocatie en Green Planet is ongeveer 340 meter. Een tweede risicobron zou de A28 kunnen zijn. De toetsafstand is 200 meter. De afstand tussen de nieuwbouwlocatie en de A 28 is ruim 500 meter.
Conclusie
Het voornemen om een woning te bouwen levert ten aanzien van externe veiligheid geen belemmeringen op.
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet vervangen. De bescherming van Natura 2000 gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen (houtopstanden) wordt nu via deze wet geregeld. De wet regelt zowel de soorten- als de gebiedsbescherming. De provincie is per 1 januari 2017 het bevoegde gezag voor soortenbe scherming en houtopstanden. Deze bevoegdheden lagen voorheen bij het Rijk. Daarnaast is de provincie bevoegd gezag gebleven voor Natura 2000 bescherming en faunabeheer. De provincie is verantwoordelijk voor het afgeven van vergunningen en ontheffingen voor al deze gebieden. Hierop geldt alleen een uitzondering als het rijksaangelegenheden betreft.
Provinciale Staten hebben op 14 december 2016 regels gesteld en vrijstelling gegeven over de soortenbescherming, faunabeheer en houtopstanden in de Provinciale omgevingsverordening Drenthe. In deze verordening zijn de vrijstelling voor beweiden en bemesten en de soortenvrijstellingen van het rijk overgenomen. Verder zijn er regels gesteld om faunabeheer mogelijk te maken. Ten slotte zijn de spelregels voor houtopstanden (voorheen Boswet) vastgelegd. Zo is bepaald aan welke eisen een compensatieverzoek moet voldoen en is de mogelijkheid voor het aanleggen van tijdelijk bos geregeld. Daarnaast hebben Gedeputeerde Staten op 20 december 2016 de beleidsregels Wet natuurbescherming Drenthe vastgesteld. Deze beleidsregels gaan over het toedelen van ontwikkelingsruimte in relatie tot de PAS (Natura 2000), soortenbescherming en houtopstanden. De provincie Drenthe zet zich ook in voor actieve soortenbescherming.
Om na te gaan of er tengevolge van de werkzaamheden beschermenswaardige flora en fauna wordt aangetast is onderzoek verricht door Eco Reest. Het onderzoek is gedateerd op 6 mei 2020 en heeft als projectnummer 200525. Dit onderzoek kent de volgende conclusies:
In het rapport werd geadviseerd om nader onderzoek te doen naar de nestplaatsen van huismussen. De voormalige agrarische gebouwen zijn echter in februari 2021 gesloopt. Dit is dus buiten het broedseizoen gebeurd. Daarom is nader onderzoek niet meer mogelijk. Ter compensatie van het verlies aan broedplekken zal de eigenaar enkele nestkasten op het erf plaatsen.
Het plangebied ligt buiten Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde gebied is Dwingelderveld op respectievelijk 1,5 kilometer afstand. Dit gebied is onder meer aangewezen als leefgebied voor kamsalamander. Het plangebied is echter niet van belang voor deze soort, zodat negatieve effecten op kamsalamander niet aan de orde zijn. Negatieve effecten op andere instandhoudingsdoelen zijn, gezien de ruime afstand, de potentiële effecten, bekende dosis- en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling - met uitzondering van stikstofdepositie - op voorhand uitgesloten.
Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNN, waardoor geen sprake is van directe effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. De provincie Drenthe kent ten aanzien van het NNN ook geen externe werking, zodat vervolgstappen ten aanzien van het NNN niet aan de orde zijn.
In verband met de uitspraak van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 29 mei 2019 is onderzocht of er in de nieuwe situatie sprake is van stikstofuitstoot op de dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden. Hieruit is gebleken dat dit niet leidt tot een hogere uitstoot dan 0,00 mol per hectare per jaar.
Het ecologisch onderzoek is als bijlage 7 bij deze toelichting gevoegd. De stikstofberekening is als bijlage 8 aan deze toelichting gehecht.
Met het toevoegen van één woning zal het verkeer aan de Eursinge niet significant toenemen. Doordat het agrarisch bedrijf stopt zal er per saldo sprake zijn van afname van het aantal verkeersbewegingen.
Per vrijstaande woning dienen in ieder geval twee parkeerplaatsen op eigen perceel gerealiseerd moeten worden. Gezien de grootte van de percelen zal dit geen probleem zijn.
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. Op basis van de informatie uit deze hoofdstukken zijn is het juridische bindende deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels, bepaald. De regels omvatten bepalingen betreffende het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding geeft de indeling van de bestemmingen en aanduidingen weer.
Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de voorgaande hoofdstukken, hebben in de regels van dit plan hun juridische vertaling gekregen. Daarmee zijn de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied vastgelegd.
Het plan is opgesteld conform het Handboek bestemmingsplannen van de gemeente De Wolden en de landelijke Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012). De opzet van de bestemmingsregels is gebaseerd op de beheersverordening Buitengebied. Daarbij zijn de niet van toepassing zijnde begrippen en bepalingen niet opgenomen in dit plan.
De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, te weten:
De regels zijn gebaseerd op de regels voor de bestemming ‘Wonen’ uit het bestemmingsplan Buitengebied, waarbij enkele maatwerkaanpassingen zijn getroffen. Tevens zijn de niet van toepassing zijnde regels weggelaten.
Begrippen (Artikel 1): In dit artikel is een omschrijving gegeven van de in regels van dit bestemmingsplan gebruikte begrippen.
Wijze van meten (Artikel 2): Hierbij is een omschrijving aangegeven over de wijze van meten van in de regels aangegeven afstanden, oppervlakte- en inhoudsmaten.
In dit hoofdstuk zijn de regels betreffende de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen opgenomen. De bepalingen zijn als volgt opgebouwd:
In paragraaf 5.2 wordt een nadere toelichting gegeven van de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen.
De op het plan van toepassing zijn de algemene regels worden beschreven in hoofdstuk 3.
Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:
In dit hoofdstuk staan de overgangs- en slotregels vermeld. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven onder welke titel het plan bekend staat.
In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.
De percelen die niet tot de woonbestemming behoren zijn bestemd als Agrarisch. Omdat op de verbeelding geen bouwvlak op deze gronden is weergegeven is het oprichten van gebouwen op gronden met de bestemming Agrarisch niet toegestaan.
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep, dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, die zijn genoemd in de Bijlage B Lijst toelaatbare beroepen en vormen van bedrijvigheid bij wonen, met de daarbij behorende wegen en paden, water, tuinen, erven en terreinen, woningen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
In de bouwregels zijn de maximale oppervlaktes en de maximaal toelaatbare goot- en bouwhoogtes van de gebouwen opgenomen. Ook is, zoals in hoofdstuk 3 al opgenomen, een voorwaardelijke verplichting opgenomen welke waarborgt dat het landschapsplan wordt uitgevoerd. Het landschapsplan is als bijlage A aan de regels toegevoegd.
Met de dubbelbestemming Waarde – Archeologie worden de naar verwachting aanwezige waarden in de bodem van een planologische beschermingsregeling voorzien. Deze regeling is materieel geheel gelijk aan de geldende regeling voor archeologie in de beheersverordening Buitengebied.
In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro is het voorontwerpbestemmingsplan door het college toegezonden aan onder meer de provincie, het waterschap Vechtstromen en de veiligheidsregio Drenthe. De provincie Drenthe heeft een inhoudelijke reactie gegeven op het Landschappelijk Ontwikkelingsplan. Naar aanleiding hiervan is dit aangepast, Provincie Drenthe heeft aangegeven akkoord te gaan met dit nieuwe plan.
Vervolgens zal het voorliggend bestemmingsplan als ontwerp ter visie worden gelegd gedurende de periode van 6 weken. Binnen deze termijn kan eenieder een zienswijze bij de gemeenteraad indienen.
Hieraan voorafgaande heeft de initiatiefnemer, in het kader van de participatie, de omwonenden uitgenodigd om kennis te nemen van de plannen en hun mening daarover te geven. Hiervan is verslag gemaakt dat als bijlage 9 aan deze toelichting is gevoegd. De omwonenden kunnen instemmen met de voorgenomen plantontwikkeling.
Het gaat om een particulier initiatief waarbij de initiatiefnemer garant staat voor de economische uitvoerbaarheid van het plan. Eventuele planschadekosten en aan dit plan verwante kosten komen voor rekening van de initiatiefnemer. Tevens is een anterieure overeenkomst met daarin een sloopverplichting gesloten tussen de initiatiefnemers en de gemeente.