| Plan: | Buitengebied 2010, Blauwe Steen ong. Beers |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1684.18BPBlauwesteenong-VA01 |
Aan de Blauwe Steen in Beers willen 2 initiatiefnemers ieder een ruimte-voor-ruimte woning realiseren, hiervoor hebben ze twee ruimte-voor-ruimte titels aangekocht. Deze 2 woningen zijn gepland op een locatie waar onlangs de bomen van een boomkwekerij zijn verwijderd.
Omdat deze ontwikkeling strijdig is met het geldende bestemmingsplan en omdat het initiatief past op de locatie en gewenst is wordt medewerking verleend. Via voorliggend document wordt gemotiveerd waarom medewerking wordt verleend en waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Het plangebied ligt aan de Blauwe Steen ten zuidoosten van de kern Beers in de gemeente Cuijk. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Ligging van het plangebied in de omgeving (bron: openstreetmap.nl)
Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Cuijk 2010' van de gemeente Cuijk, vastgesteld op 19 september 2011. Voor het buitengebied van de gemeente Cuijk is het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010, Herziening 2016' vastgesteld op 3 april 2017.
Voor het plangebied gelden de volgende bestemmingen en aanduidingen die relevant zijn voor onderhavig plan:
In het plangebied gelden de volgende gebiedsaanduidingen die enkel betrekking hebben op agrarische gronden.
Binnen de bestemming 'Agrarisch met Waarden - Landschapswaarden' is de toevoeging van twee woningen niet toegestaan. Bijgevoegd een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan 'Buitengebied Cuijk 2010'.
Uitsnede uit het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010’ van de gemeente Cuijk (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.
Het plangebied is gelegen aan de Blauwe Steen in het buitengebied ten zuidoosten van de kern Beers. Het kampenlandschap kenmerkt zich door laagtes met waterlopen in de oude stroomgeulen van de Maas. Deze laagtes zijn subtiel herkenbaar, maar kunnen versterkt worden voor een betere leesbaarheid van het landschap en voor een betere oriëntatie in het gebied. De doorgaande ontsluiting ligt vooral langs de randen van het gebied en wordt (deels) gekenmerkt door laanbeplanting. Het binnengebied ligt verborgen en wordt ontsloten door een netwerk van verharde en onverharde paden. De oriëntatie is lastig, wat zowel een kwaliteit als een bedreiging is. Kleinschalige erven liggen informeel verspreid door het gebied, vaak op enige afstand van elkaar. Rondom de kruispunten van wegen zijn concentraties van erven aanwezig. In het gebied zijn verschillende soorten beplanting aanwezig. De beplanting geeft het gebied een kleinschalig en intiem karakter. Het coulissenwerk biedt verrassende zichten en houdt bovendien minder fraaie bebouwing uit het zicht. Het groen kan echter niet overal tegenwicht bieden aan (toekomstige) bebouwing en overige activiteiten. Het plangebied is eind 19e eeuw ontgonnen. Vanaf de jaren 60 stroomt aan de noordzijde van het perceel een primaire waterloop. Deze waterloop is op bijgevoegde kaart weergegeven.
Topografische kaart jaren 60 van het plangebied (bron: topotijdreis.nl)
Voorheen was op het plangebied een boomkwekerij gevestigd. De bomen van de kwekerij zijn onlangs verwijderd. De percelen zijn onbebouwd.
Ten westen van de locatie zijn een boomkwekerij en een hoveniersbedrijf gevestigd. Tussen het plangebied en deze locaties is een woning gevestigd. Ten noorden van het plangebied is ook een woning gelegen. De situatie is duidelijk zichtbaar op bijgevoegde afbeelding.
Luchtfoto van het plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Aan de Blauwe Steen in het buitengebied van Beers, worden 2 ruimte-voor-ruimte woningen gerealiseerd. Het plangebied bevindt zich in een landelijk gebied met een groene kamerstructuur met daartussen open ruimten. Het plan wordt door middel van een groene kamerstructuur ingepast in de omgeving.
Hoofdstructuur
Beide percelen zijn ontsloten via 1 gemeenschappelijke inrit aan de oostzijde. De inrit is een onverharde weg tussen Blauwe Steen en Keizerstraat. De hoofdgebouwen liggen centraal op het perceel op een iets verhoogd perceelsdeel. Dit in verband met de lage ligging van het gebied. Hoofd- en bijgebouwen liggen minimaal 5 m van de erfgrens. De bijgebouwen liggen los van de woning.
Architectuur
De bouwstijl van de woningen is een moderne versie van een boerderij of schuur. De woningen hebben een maximale bouwhoogte van 10 m en een maximale goothoogte van 5,5 m. Omdat een plat dak niet is toegestaan zijn de woningen voorzien van een kap. Door middel van het vaststellen van aanvullend welstandbeleid wordt de beoogde beeldkwaliteit gewaarborgd.
Erfinrichting
De percelen aan de zijde van de openbare weg kennen een landschappelijk erfinrichting met informeel groen van weides, (fruit)bomen en een poel die tevens dienst doet als wateropvang. De percelen zijn richting aangrenzende percelen omzoomd met houtsingels met gebiedseigen beplanting. Hiermee wordt aangesloten op het streefbeeld uit de gebiedsvisie Beers - Vianen. Deze gebiedsvisie is vastgesteld in augustus 2013. De erven worden landschappelijk ingericht, met gebiedseigen beplanting en er is ruimte voor de aanleg van landschapselementen. Betreffende landschapselementen zijn een natuurvriendelijke waterberging, een aantal houtwallen, (bloemen)weides en een boomgaard. Daarnaast wordt per perceel minstens één solitar aangeplant, mogelijke soorten zijn de rode beuk, tamme kastanje en Hollandse linde. Tot slot worden hagen geplant als scheiding, mogelijke soorten zijn een beuk of liguster.
Kamerstructuur
Het inrichtingsplan gaat uit van de realisatie van 'groene kamers' waarbinnen de kavels gelegen zijn. Aan de noordwestzijde van beide percelen is een mogelijke derde locatie gelegen. Om een volwassen kamerstructuur te realiseren wordt deze mogelijk te ontwikkelen kavel aan de noordwestzijde ook landschappelijk ingepast met houtsingels. Deze landschappelijke inpassing is niet opgenomen in de schetsontwerp van de kavels, maar wel in het inrichtingsplan voor de landschappelijke inpassing van het gebied. Het inrichtingsplan voor het gebied is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in dit bestemmingsplan
Bijgevoegde tekening toont het schetsontwerp van de toekomstige situatie. Het schetsontwerp is met een legenda ook opgenomen in bijlage 1.
Schetsontwerp toekomstige situatie plangebied met 2 'groene kamers' (bron: BuroSRO)
De kamerstructuur en beplantingstype zijn vastgelegd in het inrichtingsplan. Hierin zijn alleen de elementen geborgd die bijdrage aan de landschappelijke kwaliteiten. Dit inrichtingsplan wordt gewaarborgd door middel van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan. Het inrichtingsplan is in bijgevoegde afbeelding weergegeven. Het plan is met een legenda ook opgenomen in bijlage 1 van de regels.
Beplantingsplan plangebied (bron: BuroSRO)
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Gebiedsgericht
De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.
In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.
In de SVIR worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.
Ladder duurzame verstedelijking
Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is "duurzame verstedelijking". Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).
De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De ladder bestaat uit drie 'treden' die doorlopen moeten worden om te bezien of een ontwikkeling bijdraagt aan duurzame verstedelijking:
Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
Door het ministerie van Infrastructuur en Milieu is een handreiking gemaakt. Deze 'handreiking ladder voor duurzame verstedelijking' werkt verder uit hoe met de ladder omgegaan moet worden. Voor een verdere uitleg van de ladder duurzame verstedelijking wordt naar die handreiking verwezen.
Planspecifiek
Gebiedsgericht
Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden.
Ladder duurzame verstedelijking
Het realiseren van twee ruimte-voor-ruimte-woningen is volgens de 'handleiding ladder voor duurzame verstedelijking' geen stedelijke ontwikkeling die voorziet in een regionale behoefte. Toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking is voor het initiatief dan ook niet nodig.
Gezien de hiervoor beschreven aspecten staat het Rijksbeleid de ontwikkeling van de locatie niet in de weg.
Structuurvisie Ruimtelijke Ordening
Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie welke in 2010 werd vastgesteld. De SVRO geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie ondersteunt daarnaast het beleid op andere provinciale beleidsterreinen. Een deel van het provinciale beleid uit de vigerende beleidsstukken is nog steeds actueel en blijft ongewijzigd. De provinciale sturingsfilosofie is gebaseerd op vijf rollen: ontwikkelen, ordenen, beschermen, regionaal samenwerken en stimuleren.
De ordenende rol gaat uit van het behartigen van ruimtelijke belangen en keuzes. Deze zijn geordend in vier ruimtelijke structuren. De structuren geven een hoofdkoers aan: een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De vier onderscheidende structuren zijn: groenblauwe structuur, agrarische structuur, stedelijke structuur en infrastructuur.
Het uitgangspunt van de beschermende rol is zorgvuldig ruimtegebruik. Bij ruimtelijke afwegingen betekent dat eerst gekeken wordt naar mogelijkheden voor intensivering of hergebruik op of binnen bestaand bebouwd gebied. De provincie wil nieuw ruimtebeslag zoveel mogelijk voorkomen.
Planspecifiek
In de structuurvisie gelden voor het plangebied de aanduidingen 'gemengd landelijk gebied' en 'zoekgebied verstedelijking'. Binnen deze gebieden zijn ontwikkelingen van woon-, recreatie- en werkfuncties mogelijk. Het plan past binnen de structuurvisie.
Verordening ruimte
In de Verordening ruimte staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. Door deze regels weten de gemeenten al in een vroeg stadium waar ze aan toe zijn.
Per onderwerp zijn in de verordening gebieden tot op perceelniveau begrensd op een kaart. De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.
Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn:
Belangrijk bij de beoordeling van nieuwe plannen is de inpasbaarheid in het provinciaal beleid. De Ruimtelijke Verordening is daarbij het document wat de meest concrete regels biedt voor nieuwe ontwikkelingen. Binnen bestaand stedelijk gebied is stedelijke ontwikkeling mogelijk. Indien sprake is van de nieuwbouw van woningen dient verantwoord te worden hoe dit zich verhoudt tot de beschikbare harde plancapaciteit en andere woningbouwafspraken.
Planspecifiek
Op de natuur en landschap kaart van de Verordening ruimte is te zien dat op 60 m afstand van het plangebied een aantal bomen van Natuur Netwerk Brabant (onderdeel Natuur Netwerk Nederland) staan. In paragraaf 5.4 wordt dit aspect nader toegelicht.
De Verordening ruimte bepaald in artikel 8.2 dat gebieden met de functieaanduiding 'zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling' in aanmerking komen voor de realisatie van één of meerdere ruimte-voor-ruimte woningen, mits de toelichting een verantwoording bevat waaruit blijkt dat:
Ad.
Artikel 7.8 van de Verordening ruimte bepaalt dat een bestemmingsplan dat is gelegen binnen gemengd landelijk gebied voorzien in één of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels, ieder ten behoeve van de bouw van één woning, indien:
Ad.
Artikel 21 van de Verordening ruimte bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen binnen de aanduiding 'Aardkundig waardevol' mede is gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.
Ad.
Het plangebied ligt in het aardkundig waardevolle gebied Maasterrrassen Land van Cuijk. Reliëfverschillen die samenhangen met dit gebied mogen niet worden ver- of afgegraven of op een andere manier aangetast (door middel van ontgrondingen of ophogingen). De locatie bevat geen duidelijke reliëfverschillen, terwijl op andere locaties in het gebied het reliëf meer uitgesproken is. De ontwikkeling zorgt er daarmee niet voor dat het reliëf wordt aangetast. De aanwezige aardkundige waarden blijven behouden.
Gezien de hiervoor beschreven aspecten staat het provinciaal beleid de ontwikkeling van de locatie niet in de weg.
In de Structuurvisie Cuijk is op hoofdlijnen de gewenste ruimtelijke ontwikkeling tot 2030 weergegeven.
De structuurvisie is opgedeeld in twee gebieden:
Het plangebied is gelegen in het gebied 'Vitaal Cuijk'. Dit gedeelte van de gemeente bestaan voornamelijk uit agrarische gebied en natuurgebieden. De doelstelling voor dit gebied is ‘behoud waar mogelijk versterking
van de ruimtelijke kwaliteit, met name voor aan het buitengebied gebonden functies, mede in relatie tot de dynamiek ervan’. De landschappelijke waarden en natuurwaarden spelen daarbij een belangrijke rol. Daarnaast zet de gemeente in op een multifunctioneel buitengebied waarin functies es niet met elkaar concurreren, maar in samenhang bijdragen aan een vitaal en leefbaar platteland.
Op het gebied van wonen wil de gemeente blijven werken aan een aantrekkelijke, veilige en duurzame woon- en leefomgeving. Hier is het prettig wonen in gevarieerde woonmilieus; van stedelijk in de kern Cuijk tot zeer landelijk in de kleinere dorpskernen. De kwaliteit van het wonen kan aantrekkelijker worden gemaakt door ontwikkelingen te stimuleren en daarbij de leidende principes te hanteren.
Planspecifiek
Door het landschappelijk inpassingsplan van de 2 ruimte-voor-ruimtewoningen blijft de landelijke uitstraling van het gebied behouden. Deze inpassing is omschreven in hoofdstuk 3. De te realiseren woningen versterken de multifunctionaliteit van het landelijk gebied. Dit zorgt voor een bijdrage aan een vitaal en leefbaar platteland. Het initiatief sluit daarmee aan bij de Structuurvisie Cuijk.
De opstelling van de beleidsnotitie 'Bebouwingsconcentraties voor kwaliteitsverbetering in het buitengebied' dient als gemeentelijke uitwerking van genoemd provinciaal beleid. Het omvat een gebiedsgerichte visie, die benut kan worden als ontwikkelingskader voor concrete initiatieven. De daarbij beoogde kwaliteitswinst (onder andere sloop, gewenste beeldkwaliteit en landschappelijke inpassing) dient de gemeente vast te leggen in projectbesluiten, partiële bestemmingsplanherzieningen en eventueel privaatrechtelijke overeenkomsten. De nota dient als inspiratiekader, ontwikkelingskader en toetsingskader voor ruimtelijke initiatieven in bebouwingsconcentraties, welke via een aparte planologische procedure kunnen worden afgewikkeld. Het is dus richtinggevend. Vanuit dit ‘basisproduct’ zal dus voor de initiatieven maatwerk plaats moeten vinden. Het bestemmingsplan buitengebied zal uiteindelijk als toetsingskader gaan dienen voor generieke minder ingrijpende verzoeken.
Het doel van de nota is een ontwikkelingskader en toetsingskader te bieden voor ruimtelijke initiatieven in bebouwingsconcentraties. De nota dient als ontwikkelingskader en toetsingskader voor specifieke verzoeken. Het bestemmingsplan buitengebied zal uiteindelijk als toetsingskader gaan dienen voor generieke verzoeken, welke binnenplans kunnen worden afgewikkeld.
Om een totaalkader te bieden voor het beleid voor vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen (VAB’s), Ruimte-voor-Ruimte-woningen (RvR-woningen) en sloop-bonus- en plant-bonusregelingen dient de nota ook als kader voor initiatieven in het overig buitengebied. Dit kader zal over het algemeen meer het spoor van de geldende provinciale Interimstructuurvisie volgen en dus in mindere mate een verruiming van de bestaande regels kennen.
Planspecifiek
In de nota is omschreven dat mogelijke verbeteringen aanwezig zijn in het versterken van de duidelijk herkenbare historische structuren en waardering van oude bomen (clusters). Daarnaast is het versterken van de contrasten tussen openheid en beslotenheid een uitgangspunt van de nota. Onderhavig plan sluit aan op deze visie door de percelen landschappelijk in te passen middels 'groene kamers'. Hiermee wordt het contrast tussen open- en beslotenheid in het gebied gewaarborgd. Het realiseren van de groene kamers is voorwaardelijk verplicht gesteld.
Het buitengebied tussen Beers en Vianen is aan verandering onderhevig. De gemeente Cuijk wil het gebied revitaliseren door ruimte te bieden aan nieuwe ontwikkelingen. Tegelijkertijd wil ze de landschappelijke kwaliteit en de leefbaarheid behouden en waar mogelijk versterken. Deze ambitie biedt mogelijkheden voor nieuwe functies als wonen, recreatie, bedrijvigheid, zorg, als ook voor alternatieve landbouwvormen en nevenactiviteiten voor boeren om inkomsten te garanderen. Alle nieuwe activiteiten moeten evenwel passen binnen het karakter en de schaal van het landelijk gebied. De gemeente wil de veranderingen zodanig sturen, dat ze resulteren in kansen voor het gebied als geheel.
Het nieuwe kampenlandschap krijgt vorm door een vijftal instrumentele ingrepen op zowel openbaar en structurerend niveau als op particulier en ondersteunend niveau. Op particulier niveau wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds kaderstellende spelregels voor transformatie- en nieuwe bouwopgaven en anderzijds stimulerende spelregels voor kwaliteitsverbetering van bestaande percelen. Instrumenten zijn:
De instrumenten kunnen op verschillende manieren worden gecombineerd. De opstelsom van de verschillende ingrepen toont de eigenheid van het gebied: kleinschalig, afwisselend en groen. In functioneel opzicht is het toekomstbeeld een gebied met een kleinschalig agrarisch karakter, verrijkt met landbouwgebonden functies (agrarisch hergebruik, verwerking of verkoop van agrarische producten, agrarisch verwante bedrijven, agrarisch-technische hulpbedrijven etc.), buitengebied gebonden functies (natuur, landschap, recreatie, verblijfrecreatie etc.), wonen en werken.
Planspecifiek
Deze ontwikkeling is mogelijk door middel van een transformatie van agrarische functies door omzetten van landbouwgronden naar ruimte-voor-ruimte-kavels, gepaard gaande met het toevoegen van coulissen. Bijgevoegde afbeelding toont de contouren waarbinnen het maken van ruimte-voor-ruimte kavels in combinatie met het aanleggen van coulissen is toegestaan, wanneer beeldkwaliteitsimpulsen worden gewaarborgd door middel van een landschappelijk inrichtingsplan. De nieuwe woonkavels liggen binnen deze contouren. Uitgangspunten bij het realiseren van nieuwe woningen zijn de nieuwe bebouwing zo min mogelijk tegenover elkaar te realiseren en rekening te houden met zicht op het landschap.
Contouren (binnen rode stippellijnen) voor het maken van ruimte-voor-ruimte kavels en het aanleggen van Coulissen en de nieuwe woonkavels in blauw.
Met de ontwikkeling wordt een agrarische functie naar 2 woningen omgezet in combinatie van de aanleg van landschappelijke elementen, zoals houtsingels. De agrarische functie werd niet meer in het plangebied uitgevoerd. Door middel van het verkrijgen van 2 ruimte-voor-ruimte titels kunnen de woningen in het plangebied worden gerealiseerd. Dit zorgt voor een verdere concentratie van woningbouw. Aan de overzijde van het de weg zijn geen woningen aanwezig, waardoor woningen niet tegenover elkaar komen te liggen en zicht op het landschap behouden blijft.
In de gebiedsvisie heeft de gemeente Cuijk een sterkte-zwakte analyse uitgevoerd. De conclusie van deze analyse is dat het uitbreiden en herstellen van houtwallen, erfbeplanting en het coulissenlandschap als kansen worden gezien. De realisatie van de woningen speelt in op de gegeven kansen van de gebiedsvisie. Doordat met het plan een coulissenwerk, twee vijvers, natte vegetatie, een boomgaard, bloemrijk grasland en een houtwal en solitaire bomen worden gerealiseerd versterkt dit het karakter van het landelijk gebied. Het landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen in bijlage 1 van de regels. Door deze landschappelijke inpassing draagt het plan bij aan een nieuw kampenlandschap in het gebied en sluit het plan aan bij de Gebiedsvisie Beers-Vianen.
Om kwaliteit van het landelijk gebied in de gemeente Cuijk te behouden of versterken is in 2011 het Landschapsontwikkelingsplan Cuijk 2011 - 2021 vastgesteld. Dit plan vormt een afwegingskader voor ontwikkelingen in het landelijk gebied. Daarbij is de kwaliteit van een plan toetsbaar geworden.
Gezien de huidige ontwikkelingen in de landbouw zullen naar verwachting in het kader van 'Rood voor groen' en functieverandering (ruimte-voor-ruimte) huidige agrarische erven worden omgevormd tot burgererf. Erven maken een belangrijk deel uit van de landschappelijke kwaliteit van het plangebied. Het stimuleren van de aanleg van erfbeplanting bij bestaande erven en het verplicht stellen van aanleg van erfbeplanting bij nieuwe erven draagt op lokaal schaalniveau bij aan de versterking van de landschappelijke kwaliteit. Daarbij moet aandacht worden besteed aan de architectuur van woningen en bedrijfsgebouwen
Naast erfbeplanting is het voor ontwikkelingen in het landelijk gebied van Beers van belang dat een beeldkwaliteitsplan wordt opgesteld en de aanleg, herstel en beheer van kleine landschapselementen wordt gestimuleerd.
Planspecifiek
Voor de realisatie van het plan is een inrichtingsplan voorwaardelijk verplicht gesteld. Dit plan is weergegeven in bijlage 1 van de regels. De 2 ruimte-voor-ruimte woningen worden met inheemse beplanting ingepast in de omgeving. Deze landelijke inpassing zorgt voor een versterking van de landschappelijke kwaliteit. De percelen worden ingedeeld in 2 groene kamers, waarmee wordt voldaan aan het versterken van kleine landschapselementen. Met het inrichtingsplan is de landschappelijk inpassing van het noordwestelijk gelegen perceel ook gewaarborgd.
Gemeenten in de regio Noordoost-Brabant (waaronder Cuijk, woningcorporaties en bouwbedrijven) willen dat alle nieuwbouw en renovaties in de woningbouw duurzaam worden uitgevoerd. Hiervoor hebben alle partijen het Regionaal Convenant Duurzaam Bouwen afgesloten. Duurzaam bouwen richt zich vooral op het toepassen van verantwoorde materialen, zuinig omgaan met energie en water en het creëren van een gezond binnenklimaat. Duurzaam bouwen levert dus niet alleen meer comfort op, het zorgt ook voor lagere woonlasten en een betere verkoopbaarheid.
Planspecifiek
Bij de uitwerking van onderhavig plan wordt rekening gehouden met het Convenant Duurzaam Bouwen.
Op basis van het vigerend bestemmingsplan geldt voor het plangebied de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - dassen'. In de integrale dassennota Cuijk 'Dás pas leven in Cuijk', vastgesteld op 23 juni 2003, is het beleid omtrent dassen beschreven. Daarin staat dat het bij ruimtelijke ingrepen van belang is dat een vrije doorgang verzekerd wordt, waardoor de das van gebied tot gebied kan bewegen.
Planspecifiek
De eventuele effecten van het plan voor de vrije doorgang van de dassen zijn beschreven in paragraaf 5.4.
Gezien de hiervoor beschreven aspecten staat het gemeentelijk beleid de ontwikkeling van de locatie niet in de weg.
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming is met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.
Planspecifiek
Aangezien in het plangebied sprake is van een functiewijziging, moet worden aangetoond dat de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. Voor het realiseren van de 2 ruimte-voor-ruimte woningen is een bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van het uitgevoerde onderzoek staat in bijlage 5.
Uit dat onderzoek blijkt dat in de boven- en in de ondergrond geen gehalten zijn gemeten, verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium en plaatselijk licht verhoogd met cadmium en koper en plaatselijk matig verhoogd met nikkel.
De resultaten van het onderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend- of nader
bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.
De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.
Bijdrage aan luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet kent onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt.
Planspecifiek
De ontwikkeling van twee woningen in het plangebied kan, aangezien de toevoeging van het aantal woningen ruim onder de 1.500 woningen ligt, aangemerkt worden als een NIBM-project. Daarmee is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.
De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen, geluidbelastingkaarten en actieplannen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.
Planspecifiek
Het plan voorziet met de ontwikkeling van 2 ruimte-voor-ruimte woningen in geluidgevoelige objecten. De beoogde woningen grenzen aan de weg Blauwe Steen. De Blauwe Steen is een weg waarover een snelheid van 60 km/uur is toegestaan. Voor deze wegen geldt een onderzoekszone van 250 m afstand. Omdat het plangebied binnen deze zone ligt is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage van het onderzoek is weergegeven in bijlage 7.
De maximaal berekende geluidsbelasting op de dichtstbijzijnde gevel is 51 dB. Op basis van artikel 110-g Wgh is een aftrek van 5 dB toegestaan. De maximale belasting komt hiermee op 46 dB. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee niet overschreden. Het plan is hierdoor uitvoerbaar in het kader van de Wet geluidhinder.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.
Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor:
| geurgevoelig object gelegen in: | maximaal toegestane geurbelasting (odour units per m3 lucht) |
| concentratiegebied binnen bebouwde kom | 3,0 ouE/m3 |
| concentratiegebied buiten bebouwde kom | 14,0 ouE/m3 |
| niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom | 2,0 ouE/m3 |
| niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom | 8,0 ouE/m3 |
Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen:
Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 m voor hetzij binnen danwel buiten de bebouwde kom.
De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.
Planspecifiek
Voorgrondbelasting
Op basis van de geurgebiedsvisie gemeente Cuijk, vastgesteld op 9 september 2013, ligt het plangebied in het verwevingsgebied. In deze gebieden is de geurnorm voor agrarische bedrijven een geuremissie van 5 ouE/m³. Een veehouderij met vaste afstandsdieren is gelegen op 75 m afstand. De voorgeschreven richtafstand bedraagt 50 m. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan.
Achtergrondbelasting
De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij is gelegen op 380 m afstand. In de geurgebiedsvisie gemeente Cuijk, vastgesteld op 9 september 2013, blijkt dat de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied (rode cirkel) 3 - 6 ouE/m3 is. Met deze constatering wordt het plangebied als optimaal+ beoordeeld. Op bijgevoegde kaart is deze waarneming weergegeven.
Achtergrondbelasting gemeente Cuijk (bron: Geurgebiedsvisie gemeente Cuijk)
Omgekeerde werking
Tussen de aanwezige (intensieve) veehouderijen en het plangebied zijn meerdere woningen gevestigd. Deze woning zijn bepalend voor de uitbreidingsmogelijkheden van de betreffende veehouderijen. Onderhavig plan vormt dus geen belemmering voor de uitbreidingsmogelijkheden van de veehouderijen in de omgeving.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.
Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.
De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.
Planspecifiek
In de omgeving van het plangebied zijn enkele agrarische en niet-agrarische bedrijven gevestigd. In onderstaand tabel zijn overzichtelijk de omliggende bedrijven en bijhorende richtlijnen met betrekking tot gemengd gebied uit de Handreiking Bedrijven en milieuzonering van de VNG weergegeven. Hierbij is bij elke bestemming het bedrijfstype aangegeven met de hoogste richtafstand dat volgens het bestemmingsplan bij recht mogelijk is daar te vestigen. Bij het wijzigen naar een ander type moet er rekening gehouden worden met het woon- en leefklimaat van omliggende functies en mag de hinder niet toenemen.
| Bestemming | feitelijk gebruik (KvK) | Maximale invulling bestemming | Adres | Afstand tot plangebied | Richtafstanden milieuzonering VNG | ||
| Agrarisch - specifiek veehouderij | Akkerbouwbedrijf | Veehouderij met vaste afstandsdieren | Blauwe Steen 4 | 80 m | 50m (100m)1 | ||
| Bedrijf - Agrarisch verwant- specifiek Hoveniersbedrijf | Hoveniersbedrijf | Hoveniersbedrijf met b.v.o. > 500 m2 | Lockandsestraat 6 | 100 m | 50 m | ||
| Agrarisch - specifiek veehouderij | Fokken en houden van runderen (geen melkvee) | Veehouderij met vaste afstandsdieren | Leuvert 19 | 150 m | 50 m | ||
| Agrarisch - specifiek veehouderij | Handel in bouwmaterialen/ akkerbouwbedrijf | Veehouderij met vaste afstandsdieren | Vianenstraat 5 | 180 m | 50 m | ||
| Bedrijf - Agrarisch verwant -specifiek bloementeelt en handel | bloementeelt en bloemsierkunst | Bloemenhandel | Keizerstraat 18/20 | 250 m | 30 m | ||
| Agrarisch - specifiek veehouderij/overig agrarisch bedrijf en paardenhouderij | ruitersportcentrum, paardenhouderij | champignonkwekerijen met mestfermentatie | Vianenstraat 13 | 250 m | 100 m | ||
| Bedrijf - Agrarisch verwant -specifiek bedrijfsverzamelgebouw | gevelrenigingsbedrijf, handel bouwmaterialen | 2niet begrensd/ categorie 3.1 | Leuvert 8, 8a, 8b | 350 m | 50 m | ||
1 De VNG brochure hanteert 100 m vanwege het aspect geur. Voor woningen in landelijk gebied geldt echter vanuit de Wet geurhinder en veehouderij een afstand van 50 meter (zie paragraaf 5.1.4). Deze laatste afstand is dan ook opgenomen in dit overzicht.
2 Aan de Leuvert 8, 8a en 8b is een bedrijfsverzamelgebouw gevestigd voor niet buitengebied gebonden bedrijvigheid. Hier is geen omschrijving van de mogelijke typen gegeven. Bestemmingsplan matig zou categorie 4 mogelijk zijn. Echter gezien de naast gelegen woningen zou een categorie 3.1 het maximaal haalbaar zijn. In het overzicht is deze categorie dan ook aangehouden.
Uit de tabel blijkt dat de locatie van het plangebied niet binnen een milieucontour van de omliggende milieubelastende functies ligt. Hiermee vormt het plan geen belemmering voor de huidige bedrijfsvoering of mogelijke bedrijfsvoering van de betreffende inrichtingen.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.
De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting.
De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn.
Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.
Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.
Planspecifiek
Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.
Uitsnede risicokaart van de omgeving van het plangebied (bron: risicokaart.nl)
Hieruit is op te maken dat in de omgeving van het plan geen noemenswaardige aspecten in het kader van externe veiligheid aanwezig zijn. Op 500 m ten zuiden van het plangebied is propaan opgeslagen. Deze tanks hebben een dusdanige afstand van het plangebied, dat het plangebied niet in het invloedsgebied van deze bronnen ligt. De tanks vormen dus geen belemmering voor het plan.
Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van basisnetroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, de weg en het water.
De uitvoerbaarheid van het initiatief voor externe veiligheid is hiermee aangetoond.
Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapportage (m.e.r.) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r. onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een besluit en (milieuvriendelijker) alternatieven. Een plan of besluit is m.e.r.-plichtig in een van de volgende situaties:
M.e.r.-beoordeling
Een aantal activiteiten op kleinere schaal is m.e.r.-beoordelingsplichtig als een indicatieve drempelwaarde uit bijlage D wordt overschreden. Ook als de drempelwaarden niet worden overschreven kan in overleg worden bekeken of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling, omdat er mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Er kunnen twee uitkomsten zijn:
Planspecifiek
Het onderhavige plan behelst het toevoegen van 2 woningen en blijft daarmee (ver) onder de drempel van 2.000 woningen uit bijlage D. Daarom kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voorliggend bestemmingsplan is die vormvrije m.e.r.-beoordeling omdat in het kader van dit bestemmingsplan de belangrijkste milieuaspecten in beeld zijn gebracht.
In lijn met 'Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten' wordt in deze toelichting ingegaan op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten.
Bij een overweging van de kenmerken van het project zijn de volgende criteria van belang: de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder, het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering en risico's voor de menselijke gezondheid.
Toetsing
Voorliggend plan betreft de ontwikkeling van twee woningen, waarbij een derde woning in het vooruitzicht ligt (deze is geen onderdeel van dit plan). De ontwikkeling van 2 woningen zorgt niet voor belemmeringen wat betreft gebruik van natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder. Ook is er gezien de aard van de ontwikkeling geen verhoogd risico voor de menselijke gezondheid door bijvoorbeeld rampen.
De mate van kwetsbaarheid van het milieu van gebieden waarop het project invloed heeft is afhankelijk van de volgende criteria: het bestaande grondgebruik, relatieve rijkdom aan de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied en het opnamevermogen van het natuurlijke milieu met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden op basis van ecologie, landschappelijke, archeologische en cultuurhistorische waarden en wateraspecten. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied.
Toetsing
Het voormalige gebruik van het plangebied ten behoeve van een boomkwekerij en de beperkte aanwezigheid van natuurlijke hulpbronnen in het plangebied zorgen ervoor dat het project zich niet in een qua milieu kwetsbaar gebied bevindt. Zoals beschreven in dit bestemmingsplan ligt het plangebied niet binnen gevoelige gebieden op basis van ecologie, landschappelijke, archeologische en cultuurhistorische waarden en wateraspecten.
De potentiële effecten van het project worden bepaald door de kenmerken en plaats van het project, in samenhang met de volgende criteria: de orde van grootte, het ruimtelijk bereik, de aard, het grensoverschrijdend karakter, de intensiteit en complexiteit, de waarschijnlijkheid en de verwachte duur, frequentie en omkeerbaarheid van de effecten. Daarnaast kunnen ook de cumulatie van effecten met effecten van andere projecten en de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen in overweging worden genomen.
Toetsing
Gezien de beperkte omvang en de aard van de ontwikkeling van 2 woningen en in de toekomst mogelijk een derde woning, is er geen sprake van onevenredige effecten voor het milieu in de omgeving.
Conclusie
Uit het voorgaande is gebleken dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu in de omgeving. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage is niet nodig: het plan is niet m.e.r.-plichtig.
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
Waterwet
De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Keur Waterschap Aa en Maas (2015)
De Keur is een aanvulling op regels uit de Waterwet en is van toepassing op de rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap. Maar ook op alle sloten en watergangen die eigendom zijn van anderen (o.a. agrariërs en tuinders).
De voorschriften in de Waterwet en de Keur geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn. Hieronder vallen activiteiten zoals het lozen in oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater, het dempen van een sloot, of het plaatsen van een duiker of brug. Medewerkers van het waterschap controleren de naleving van de Keur en overtredingen worden bestraft.
Watertoets
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:
Planspecifiek
Aan de noordzijde van het plangebied loopt een primaire waterloop met een beschermingszone. Het plan voorziet niet in ontwikkelingen binnen deze beschermingszone en heeft daardoor geen invloed op de waterloop. Verder is geen oppervlaktewater aanwezig in of rondom het plangebied. Op bijgevoegde afbeelding is de ligging van de betreffende waterloop weergegeven.
Ligging primaire waterloop in het plangebied (bron: waterschap Aa en Maas).
Door de bouw van de ruimte-voor-ruimte-woningen en de aanleg van extra verharding ten behoeve van de gezamenlijke inrit is er sprake van een toename van verharding. Deze toename past binnen de vrijstelling van 2.000 m² liggen die het waterschap hanteert. Realisatie van het initiatief past daarom binnen de uitgangspunten en regelgeving van het Waterschap Aa en Maas.
In het plangebied worden natte bermen gerealiseerd voor een betere afwatering van hemelwater. De afvoer van hemelwater zal op eigen terrein in de grond worden geïnfiltreerd. Hiertoe is een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. De 2 ruimte-voor-ruimte woningen worden ontsloten door middel van een gezamenlijke inrit, welke aansluit op een onverharde weg. De capaciteit van deze weg en aansluitende wegen is voldoende om het extra verkeer van twee woningen af te wikkelen.
Voor wat betreft parkeren wordt aangesloten bij de 'Nota Parkeernormen auto en fiets Gemeente Cuijk'. Voor de twee nieuwe woningen geldt een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per woning, welke op eigen terrein worden gerealiseerd. Het voldoen aan deze parkeernorm wordt voorwaardelijk verplicht gesteld in de regels.
De uitvoerbaarheid van het initiatief voor verkeer is hiermee aangetoond.
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-01-2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.
Gebiedsbescherming
In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.
Soortenbescherming
Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
Gebiedsbescherming
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is bijgevoegd in bijlage 7.
Met het plan wordt een agrarische functie gewijzigd naar een woonfunctie. Uit de quickscan natuurwetgeving is gebleken dat deze ontwikkeling geen of een licht positief effect op de Natura-2000 gebieden heeft.
Daarnaast ligt het plangebied op circa 70 m afstand van een onderdeel van het NatuurNetwerk Brabant (NNB), bestaande uit het beheertype ‘Vochtig bos met productie’. De bouw van de woning heeft geen effect op het NNB.
Soortenbescherming
In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wet natuurbescherming (Wn) zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten, waarvoor in de provincie Noord-Brabant een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel moet tijdens de werkzaamheden aangetroffen dieren zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.
De laan met lindes/essen ten oosten van het plangebied fungeert mogelijk als vaste vliegroute van vleermuizen. Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van deze bomen alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst.
Gedurende de quickscan flora en fauna zijn geen sporen aangetroffen van dassen.
De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.
In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.
Cultuurhistorie
Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.
Archeologie
De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.
Op basis van de Wamz zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.
Planspecifiek
Cultuurhistorie
In het plangebied en de directe omgeving bevinden zich geen cultuurhistorische waarden waar het plan effect op kan hebben.
Archeologie
De noordelijke helft van het plangebied heeft geen archeologische verwachtingswaarde (lichtbruin). De zuidelijke helft van het plangebied heeft een archeologische verwachtingswaarde categorie 5 (donkerbruin). Dit is op bijgevoegde uitsnede van de archeologische beleidskaart gemeente Cuijk weergegeven.
Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Cuijk. (bron: gemeente Cuijk)
Volgens het vigerend bestemmingsplan geldt voor categorie 5 een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 50 cm en een verstoringsoppervlakte van minimaal 2.500 m². In het deel van het plangebied met een archeologische verwachtingswaarde vinden geen grondwerkzaamheden plaats met een oppervlakte groter dan 2.500 m².
Op het gebied van cultuurhistorie en archeologie is het initiatief uitvoerbaar.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Planspecifiek
De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst.
Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Deze overeenkomst zal als een separate rapportage worden opgenomen. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.
Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
Verbeelding
De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.
Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.
Planregels
De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld.
Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde.
Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan);
Op basis van het vigerend bestemmingsplan 'Buitengebied Cuijk 2010', bevat voorliggend bestemmingsplan de volgende bestemmingen:
De volgende waarden en aanduidingen blijven ongewijzigd. Deze onderdelen worden overgenomen uit het bestemmingsplan 'Buitengebied Cuijk 2010':
In het plangebied geldt de gebiedsaanduiding. Omdat de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' op basis van de herziening van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010, Herziening 2016' komt te vervallen, wordt deze aanduiding niet overgenomen in dit bestemmingsplan.
Voor dit plan wordt tevens aanvullend welstandbeleid vastgesteld op basis van artikel 1 van de Woningwet. Dit aanvullende beleid is met een verwijzing in Artikel 4 lid 5 naar bijlage 2 van de regels opgenomen.
Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang.
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld.
Het bestemmingsplan is voor vooroverleg toegezonden aan de provincie en het waterschap. De provincie heeft op 19 december 2017 een vooroverlegreactie ingediend, waarin is aangegeven dat verduidelijkt dient te worden of de locatie voor de Ruimte-voor-ruimtewoningen aansluit bij de Gebiedsvisie Beers-Vianen, dat informatie over het verkrijgen van de Ruimte-voor-ruimte titels aan bestemmingsplan toegevoegd dient te worden en dat ingegaan dient te worden op artikel 21 van de Vr over aardkundige waarden. Zie bijlage 8 voor een verslag van deze reactie van de provincie. De reactie is verwerkt in het bestemmingsplan.
Het voorontwerp-bestemmingsplan heeft van 22 november t/m 19 december 2017 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn 2 inspraakreacties binnen gekomen. Zie bijlage 8 voor een verslag van deze inspraakreacties. De inspraakreacties hebben niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan.
Het ontwerp bestemmingsplan heeft van 7 maart tot en met 17 april 2018 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is één zienswijze binnen gekomen. In bijlage 9 is een samenvatting van de zienswijze en de gemeentelijke reactie daarop opgenomen. De zienswijze heeft er toe geleid dat de nota inspraakreacties tevens als bijlage is toegevoegd aan het bestemmingsplan. Verder heeft de zienswijze niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan.