Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Kraaijenbergse Plassen Camping "t Loo
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1684.17BPcampinghetloo-VA01

Regels

1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:
 
plan:
het bestemmingsplan ‘Kraaijenbergse plassen, camping ‘t Loo, Hardweg 10’ met identificatienummer NL.IMRO.1684.17BPcampinghetloo-VA01van de gemeente Cuijk;
 
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten  met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;
 
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waaringevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
 
aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
 
aanlegplaats:
ligplaats voor een boot aan een steiger, geschikt voor zowel lang als kort verblijf;
 
bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
 
bedrijfsgebouw
een gebouw dat dient voor de uitoefening van een of meer bedrijfsactiviteiten;
 
beroep-aan-huis
een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;
 
beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte (bvo)
de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een beroep of bedrijf aan huis c.q. een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslagruimten, sanitaire ruimten en dergelijke;
 
bedrijfswoning:
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die kennelijk slechts is bedoeld voor de huisvesting van (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar,gelet op de bestemming van de grond ter plaatse van het gebouw of het terrein,noodzakelijk is;
 
bestaand:
  • bij bouwwerken: op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan aanwezig of in uitvoering, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning;
  • bij gebruik: bestaand op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan;
 
gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
 
hoofdgebouw:
een gebouw dat op een bouwperceel door zijn indeling of afmeting als het belangrijkste gebouw kan worden aangemerkt;
 
horeca:
een bedrijf waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt, zoals (eet)cafés, restaurants, brasseriën, cafetaria’s etc., met uitzondering van een discotheek / bar-dancing, een en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie;
 
kampeermiddel
tent, tentwagen, kampeerauto of caravan, danwel ander onderkomen of ander voertuig, gewezen voertuig of gedeelten daarvan, voor zover niet als bouwwerk aan te merken, die geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of ingericht, danwel worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf, dan wel voor nacht verblijf van personeel, werkzaam op het kampeerterrein waar deze onderkomens of voertuigen zijn geplaatst;
 
nutsvoorzieningen:
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en apparatuur voor telecommunicatie;
 
permanentebewoning verblijfseenheid:
bewoning door (het huishouden van) een persoon of door daarmee gelijk te stellen groep van personen van een recreatiewoning, stacaravan of andere voor wisselende bewoning bedoelde ruimte als hoofdverblijf c.q. vaste woon- of verblijfplaats’;
 
permanente bewoning
bewoning van een ruimte als hoofdverblijf;
 
recreatie:
vrijetijdsbesteding die in hoofdzaak is gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen, trimmen, fietsen, paardrijden, vissen, zwemmen, roeien, kanoën etc.;
 
recreatieverblijf
een stacaravan, een recreatiewoning of een (vrijstaande) verblijfseenheid (vrijstaande) verblijfseenheid
elk recreatief woonverblijf - woning, bungalow, chalet of appartement - waarvan de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben;
 
seksinrichting
de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
 
stacaravan
een caravan of enig ander kampeermiddel dat naar omvang, constructie en gebruik een plaatsgebonden karakter heeft; een plaats die is ingericht ten behoeve van een recreatieverblijf of kampeermiddel;
 
terras:
een buiten de besloten ruimte van een inrichting liggend deel van een (horeca)bedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt;
 
verblijfsrecreatie:
vormen van recreatie die mede gericht zijn op verstrekken van nachtverblijf;
 
voorgevel
de gevel van een gebouw, die is gekeerd naar de weg of het openbaar gebied waarop het bouwperceel overwegend georiënteerd is (bij een hoekperceel is er slechts sprake van één voorgevel);
 
voorgevellijn
de lijn waarin de voorgevel van een bouwwerk is gelegen alsmede het verlengde daarvan binnen de grens van het bouwvlak, voor zover deze aanwezig is;
 
water:
al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen;
 
waterhuishoudkundige voorzieningen:
wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, waterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan infiltratievoorzieningen (zoals infiltratiekratten, wadi’s, infiltratiegreppels, doorlatende bestrating en infiltratie-en transportriolen), dijken, dammen, grondwallen, duikers, stuwen en gemalen;
 
woning:
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van de regels wordt als volgt gemeten:
 
afstand
de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen
worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst is
 
dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak
 
bouwhoogte/nokhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen
gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen zoals schoorstenen,
lichtkoepels, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen
 
goothoogtevaneenbouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord of een
daarmee gelijk te stellen constructiedeel
 
inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het
hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen
 
oppervlaktevaneenbouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts
geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van
het bouwwerk
 
lengte, breedte en diepte van een bouwwerk
tussen (de lijnen getrokken langs) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van
gemeenschappelijke scheidingsmuren)
ondergrondse (verticale) bouwdiepte van een bouwwerk
vanaf het peil tot de afgewerkte vloer van het ondergrondse (deel van het) bouwwerk
 
peil
  1. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg;
  2. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld

2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Groen - Landschappelijke Inpassing

3.1 Bestemmingsomschrijving

3.1.1 Algemeen
De voor ‘Groen - Landschappelijke Inpassing’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. het aanbrengen en instandhouden van gebiedseigen (erf) beplanting;
  2. waterhuishoudkundige doeleinden.
3.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving
  1. Leidend bij de landschappelijke inpassing is het inpassingplan, ‘Visualisatie camping ‘t Loo’, opgesteld door Rivas-Vastgoed, 2011 zoals opgenomen in de toelichting van dit bestemmingsplan;

3.2 Bouwregels

Op of in de voor ‘Groen - Landschappelijke Inpassing’ bestemde gronden mag niet worden
gebouwd.

3.3 Specifieke gebruiksregels

3.3.1 Verplichting
  1. De landschappelijke inpassing op de gronden met de bestemming ‘Groen - Landschappelijke Inpassing’ moet uiterlijk twee jaar na inwerkingtreding van het bestemmingsplan ‘Kraaijenbergse plassen, camping ‘t loo’ zijn aangelegd overeenkomstig het inpassingsplan en dient vervolgens aldus in stand te worden gehouden.
  2. Onder inpassingsplan wordt verstaan het plan ‘Visualisatie camping ‘t Loo’, opgesteld door Rivas-Vastgoed, 2011, dat als bijlage deel uitmaakt van de regels van dit bestemmingsplan.
3.3.2 Strijdig gebruik
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, wordt in elk geval gerekend het
gebruik voor:
  1. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  2. het aanbrengen van verhardingen.

3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

3.4.1 Omgevingsvergunningplichtige werken
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
  1. het verwijderen van landschapselementen;
  2. het verwijderen van houtopstanden ten behoeve van een doorgang;
  3. het aanleggen en of verharden van wegen of paden dan wel het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen.

Artikel 4 Recreatie

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Recreatie’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. verblijfs- en dagrecreatie ten behoeve van een bedrijfsmatige exploitatie, in de vorm van een camping, met aanlegplaatsen voor boten;
  2. ter plaatse van de functie-aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie 1’ (sr-1):
    1. maximaal 182 standplaatsen voor recreatieverblijven;
    2. horeca aan de noordzijde, in de vorm van een restaurant met terras;
    3. een botenhelling langs de oever;
    4. een verkoopkiosk langs de oever.
  3. ter plaatse van de functie-aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie 2’ (sr-2):
    1. verblijfsrecreatie met niet meer dan 30 standplaatsen voor kampeermiddelen;
    2. een sanitairgebouw.
  4. ter plaatse van de functie-aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie 3’ (sr-3)
    1. verblijfsrecreatie met maximaal 20 appartementen;
    2. ondersteunende dagrecreatieve voorzieningen ten behoeve van de recreatiebestemming;
    3. horeca in de vorm van een restaurant met terras;
    4. detailhandel ten behoeve van de recreatiebestemming;
    5. opslag en werkplaats ten behoeve van de recreatiebestemming.
  5. ter plaatse van de functie-aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie 4’ (sr-4) :
    1. aanlegsteigers voor maximaal 200 boten;.
    2. verhuur/verkoop van boten.
  6. ter plaatse van de functie-aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie 5’ (sr-5),
    1. parkeermogelijkheden voor maximaal 120 personenwagens.
  7. ter plaatse van de functie-aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie 6’ (sr-6),
    1. recreatieveld voor sport- en spel.
  8. ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ (bw) maximaal één bedrijfswoning.

    met de daarbij behorende:
  9. gebouwen en voorzieningen ten behoeve van een camping, zoals toiletgebouwen, een kantoor, bergruimte en gebouwen ten behoeve van onderhoud en beheer, een recreatieveld;
  10. tuinen, erven en terreinen;
  11. bouwwerken, geen gebouw zijnde.

    met daaraan ondergeschikt:
  12. groenvoorzieningen en beschoeiingen;
  13. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  14. voorzieningen ten behoeve van het verzamelen van afval, glas, papier etc.;
  15. wegen, straten en paden;
  16. nutsvoorzieningen.

4.2 Bouwregels

4.2.1 Algemeen
  1. op of in de als ‘Recreatie’ bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van het bepaalde in artikel 4.1.
4.2.2 Gebouwen, ten behoeve van de functie-aanduiding 'specifieke vorm van recreatie 1'
  1. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie- 1’, mogen verspreid over het terrein maximaal 182 vrijstaande verblijfseenheden worden gebouwd, met:
    1. een maximaal oppervlakte per verblijfseenheid van 70 m2;
    2. een maximale goothoogte van 3,5 m;
    3. een maximale nokhoogte van 6 m;
    4. een minimale onderlinge afstand van 3 m;
    5. een overkapping van maximaal 16 m2 en niet hoger dan 6 m.
  2. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie- 1’, mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd onder de volgende voorwaarde ;
    1. een gebouw met een oppervlakte van maximaal 300 m2
    2. de goothoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven;
    3. de nokhoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven.
4.2.3 Gebouwen, ten behoeve van de functie-aanduiding 'specifieke vorm van recreatie 2'
  1. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie-2’, mag uitsluitend binnen het bouwvlak maximaal een oppervlakte van 200 m2 worden bebouwd onder de volgende voorwaarden:
    1. een sanitairgebouw met een oppervlakte van maximaal 200 m2 ;
    2. de goothoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven;
    3. de nokhoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven.
4.2.4 Gebouwen, ten behoeve van de functie-aanduiding 'specifieke vorm van recreatie 3'
  1. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie- 3’, mag uitsluitend binnen het bouwvlak maximaal een oppervlakte van 1700 m2 worden bebouwd onder de volgende voorwaarden:
    1. de netto oppervlakte van de detailhandel mag niet meer bedragen dan 500 m2;
    2. de netto oppervlakte van de horeca mag niet meer bedragen dan 400 m2;
    3. de goothoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven;
    4. de nokhoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven.
4.2.5 Bebouwing, ten behoeve van de functie-aanduiding 'specifieke vorm van recreatie 4'
  1. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie- 4’, mogen steigers worden gebouwd voor totaal 200 aanlegplaatsen.
4.2.6 Bedrijfswoning
Binnen het bouwvlak mag ter plaatse van de aanduiding ‘bw’ één bedrijfswoning worden gebouwd onder de volgende voorwaarden:
  1. een maximale inhoud van 750 m3 dan wel de bestaande inhoud zoals deze bestaat op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp;
  2. een maximale goothoogte van 6 m, dan wel de goothoogte zoals deze bestaat op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp.
  3. een maximale bouwhoogte van 9 m, dan wel de goot- en bouwhoogte zoals deze bestaat op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp.
4.2.7 Bijbehorende gebouwen bedrijfswoning
Binnen het bouwvlak met de aanduiding ‘bedrijfswoning’ mogen bijbehorende gebouwen worden gebouwd onder de volgende voorwaarden:
  1. minimaal 3 m achter de voorste bouwgrens (en het verlengde daarvan) uitgezonderd de al bestaande bijgebouwen;
  2. een maximale goothoogte van 3,5 m, dan wel de goothoogte zoals deze bestaat op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp;
  3. een maximale bouwhoogte van 5,5 m, dan wel de goot- en bouwhoogte zoals deze bestaat op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp;
  4. de gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 120 m2.
4.2.8 bouwwerken, geen gebouw zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:
  1. de bouwhoogte van perceels- en erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter;
  2. de hoogte van vlaggenmasten, lichtmasten en antennemasten mag niet meer bedragen dan 12 m;
  3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde mag niet meer bedragen dan 6 m.

4.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen:
  1. aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van de milieuregelgeving of verkeersveiligheid.
  2. ten behoeve van de verkeerssituatie op het gebied van veiligheid, en parkeren

4.4 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking
van de bouwregels en toestaan dat:
4.4.1 Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie 1'
  1. een maximale goothoogte van 6 m;
  2. mits voldaan wordt aan de vraag zoals geformuleerd in art. 2.2 van de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant.
4.4.2 Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie 2'
  1. een maximaal bebouwingsoppervlakte van 350 m2;
  2. een maximale goothoogte van 6 m;
  3. een maximale bouwhoogte van 9 m.
  4. mits voldaan wordt aan de vraag zoals geformuleerd in art. 2.2 van de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant.

4.5 Specifieke gebruiksregels

4.5.1 Verplichting
  1. De landschappelijke inpassing op de gronden met de bestemming ‘Recreatie’ moet uiterlijk twee jaar na inwerkingtreding van het bestemmingsplan ‘Kraaijenbergse plassen, camping ‘t loo’ zijn aangelegd overeenkomstig het inpassingsplan en dient vervolgens aldus in stand te worden gehouden.
  2. Onder inpassingsplan wordt verstaan het plan ‘Visualisatie camping ‘t Loo’, opgesteld door Rivas-Vastgoed, 2011, dat als bijlage deel uitmaakt van de regels van dit bestemmingsplan.
4.5.2 Strijdig gebruik
Tot een gebruik van gronden en bouwwerken in strijd met de bestemming, wordt in elk geval gerekend:
  1. het gebruik voor seksinrichtingen
  2. permanente bewoning van de recreatiewoningen/verblijfseenheden;
  3. een gebruik van de onbebouwde grond als stort- en opslagplaats van aan het gebruik onttrokken goederen en materialen, anders dan als tijdelijke opslag ten behoeve van het normale gebruik en onderhoud.

Artikel 5 Verkeer

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. de geleiding, beveiliging en regeling van verkeersbewegingen;
  2. de ontsluiting van aanliggende percelen;
  3. parkeren;

    en daaraan ondergeschikt het gebruik voor:
  4.  water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  5. groenvoorzieningen;
  6. nutsvoorzieningen;extensief recreatief medegebruik;
  7. geluidreducerende en geluidwerende voorzieningen;

    en de daarbij behorenden bouwwerken geen gebouw zijnde, werken en werkzaamheden.

5.2 Bouwregels

5.2.1 Gebouwen
Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan.
5.2.2 Bouwwerken geen gebouw zijnde
Het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde is toegestaan, onder voorwaarde dat de bouwhoogte maximaal 4 m mag zijn, met uitzondering van:
  1. palen, masten en portalen voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer waarvan de bouwhoogte maximaal 12 m mag zijn;
  2. signalerings- en telecommunicatiemasten waarvan de bouwhoogte maximaal 40 m mag zijn.

5.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen:
  1. ten behoeve van de verkeerssituatie op het gebied van veiligheid, en parkeren.

5.4 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor de opslag van grote obstakels als boten,caravans e.d. alsmede als opslag-, stort- en lozings- of begplaats van bruikbare en/of onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen of producten, behoudens als zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.

Artikel 6 Waarde - Archeologie

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Waarde-Archeologie’ aangewezen gronden zijn, behalve bestemd voor het bepaalde in de ter plaatse geldende bestemmingen, ook bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.

6.2 Bouwregels

6.2.1 Omgevingsvergunning
Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 0,5 m, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de
aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.
6.2.2 Voorwaarden
Indien uit het in lid 6.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
6.2.3 Bouwverbod
Indien uit het in lid 6.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in lid 6.2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.

6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren ter plaatse van de aanduiding ‘Waarde - Archeologie ‘:
  1. het ophogen van de bodem, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt;
  2. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt;
  3. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt;
  4. het verlagen of het verhogen van het waterpeil;
  5. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt waarbij de breedte van deze werken tenminste 1,25 mbedraagt;
  6. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bos zijn bestemd, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
  7. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
  8. het aanleggen van bos of boomgaard, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m; 
  9. het scheuren van grasland, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 0,5 m;
  10. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 0,5 m, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt.

    Het verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden welke:
  11. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen overeenkomstig de overige bestemmingen
    van deze gronden; 
  12. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
  13. de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
  14. is gebleken dat de in lid 6.3 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal;
  15. de in lid 6.3 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de omgevingsvergunning worden verleend, indien aan de omgevingsvergunning de volgende voorschriften worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 
    3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

6.4 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

Ter plaatse van de aanduiding ’Waarde - Archeologie’ kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het slopen de volgende voorschriften worden verbonden:
  1. de sloopwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 0,5 m vanaf 0,3 m boven het maaiveld en minder worden begeleid door een gekwalificeerd deskundige;
  2. indien tijdens de begeleiding van de sloopwerken vondsten van zeer hoge waarde worden aangetroffen, wordt hiervan terstond melding gemaakt bij het bevoegd gezag die in het belang van de archeologische monumentenzorg aanvullende voorschriften kunnen verbinden aan de omgevingsvergunning.

6.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn, met inachtneming van het bepaalde in lid 12.1 bevoegd om het plan te wijzigen in die zin dat:
  1. de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ geheel of gedeeltelijk komt te vervallen, onder voorwaarde dat op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  2. de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ alsnog aan gronden wordt toegekend, onder voorwaarde dat:
    1. uit archeologisch onderzoek blijkt dat de bestemming van deze gronden, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft;
    2. de regels van de reeds aanwezige bestemming(en) onverkort van toepassing blijven

3 Algemene regels

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 8 Algemene bouwregels

8.1 Ondergronds bouwen

  1. Op plaatsen waar hoofd- en bijgebouwen zijn of worden gebouwd mag eveneens ondergronds gebouwd worden; direct aansluitend mogen in- dan wel uitritten ten behoeve van de ondergrondse bouwwerken worden gebouwd.
  2. De verticale diepte mag niet meer bedragen dan 3,5 m.

8.2 Uitzondering ondergeschikte bouwdelen

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen bouwvlakken of bestemmingsvlakken worden ondergeschikte bouwonderdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, zonnecollectoren, gevelen kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de bouw- of bestemmingsgrens of de bouwhoogte met ten hoogste 1 meter wordt overschreden.

8.3 Bestaande afstanden en maten

In die gevallen dat de bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud of afstand van bouwwerken, die rechtens tot stand zijn gekomen, minder dan wel meer bedraagt dan in of krachtens het bepaalde in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud of afstand in afwijking daarvan als minimaal voorgeschreven respectievelijk maximaal toegestaan.

Artikel 9 Algemene gebruiksregels

9.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:
  1. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van alle vormen van bedrijvigheid, behoudens waar dat op basis van de bestemming is toegestaan;
  2. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie;
  3. het gebruik van bijgebouwen bij een woning als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte;
  4. het gebruik van recreatieverblijven voor permanente bewoning.

9.2 Beroep of bedrijf aan huis

In de bestemmingen waarin een (bedrijfs)woning is toegestaan of met een afwijking mogelijk kan worden gemaakt, is ondergeschikt aan deze bestemmingen de uitoefening van een beroep-aan-huis of een bedrijf-aan-huis toegestaan als medegebruik, waarbij de volgende voorwaarden gelden:
  1. het betreft een dienstverlenend of ambachtelijk beroep of bedrijf met een ruimtelijke uitwerking en uitstraling in overeenstemming met de functie wonen, zoals administratieve, juridische, (para-)medische, therapeutische, kunstzinnige, ontwerptechnische of daarmee vergelijkbare beroepen en bedrijven;
  2. het medegebruik blijft van ondergeschikte betekenis en de woonfunctie blijft in ruimtelijke en visuele zin primair;
  3. het betreft geen beroep of bedrijf waarvoor een milieuvergunning verleend moet worden of een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet milieubeheer;
  4. er is geen sprake van detailhandel, waaronder in ieder geval begrepen de verkoop over de toonbank en het ophalen van goederen na elektronische betaling;
  5. het beroep of bedrijf heeft geen structurele verkeersbewegingen tot gevolg, veroorzaakt door bezoekers en laden en lossen;
  6. de benodigde parkeervoorzieningen voor de (bedrijfs)woning en het beroep of bedrijf worden op eigen terrein gerealiseerd;
  7. het medegebruik blijft beperkt tot de bewoners van de woning;
  8. het medegebruik blijft beperkt tot maximaal 35% van de brutovloeroppervlakte van de woning, met een maximum van 50 m²;
  9. de reclame-uitingen zijn onverlicht, hebben een maximale oppervlakte van 0,2 m² en een maximale bouwhoogte van 1,2 m.

Artikel 10 Algemene aanduidingsregels

10.1 vrijwaringszone - radar

Ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘bebouwingsvrije zone A73 geldt, in aanvulling op het bepaalde in hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’, een bouwverbod voor gebouwen en bouwerken geen gebouwen zijnde, voor een hogere bebouwing dan 65 m boven NAP, in verband met het obstakelvrij kunnen functioneren van een  radarinstallatie voor vliegbewegingen.

Artikel 11 Algemene afwijkingsregels

11.1 Algemene afwijkingen

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van:
  1. het afwijken van de in de regels voortgeschreven maatvoering met ten hoogste 10%;
  2. de bestemmingsregels en toestaan dat bestemmingsgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  3. de bestemmingsregels en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits:
    1. de oppervlakte per gebouwtje niet meer dan 20 m² bedraagt;
    2. de (bouw)hoogte niet meer dan 3,5 m bedraagt;
  4. de bestemmingsregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat deze hoogte wordt vergroot:
    1. ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 20 m;
    2. ten behoeve van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 10 m.
  5. de onder a tot en met c genoemde afwijkingen kunnen uitsluitend verleend worden
    1. mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    2. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
    3. de verkeersveiligheid;
    4. de sociale veiligheid;
    5. de milieusituatie;
    6. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; en
    7. de aanwezige waarden.

11.2 Evenementen

Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefklimaat kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het van de gronden en bouwwerken voor het houden van een evenement in het teken van de watersport, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1. voor het plangebied van het bestemmingsplan mag niet meer dan 8 maal per jaar een omgevingsvergunning ten behoeve van een evenement worden verleend;
  2. de maximale duur van een evenement bedraagt 16 aaneengesloten dagen, met uitzondering van 2 maal 22 aaneengesloten dagen;
  3. voor een evenement dient een evenementenvergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening verleend te zijn;
  4. er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid;
  5. de ontsluiting en bereikbaarheid van het evenemententerrein moet zijn afgestemd op de grootte en het type van het evenement;
  6. de waarde van de onderliggende en omringende bestemmingen als gevolg van de ontheffing niet onevenredig worden aangetast.

11.3 Afwijken ten behoeve van mantelzorg

  1. Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 9.1 sub c en sub d en toestaan dat een bijgebouw of een verblijfseenheid gebruikt wordt als afhankelijke woonruimte, mits:
    1. bewoning van een verblijfseenheid noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg, hetgeen onder andere dient te blijken uit een positief advies van de onafhankelijke deskundige instantie;
    2. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;
  2. De omgevingsvergunning, verleend op grond van het bepaalde onder a, wordt ingetrokken, indien de bij het verlenen van de omgevingsvergunning bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer  aanwezig is.

Artikel 12 Overige regels

12.1 Afweging bij afwijkingen en wijzigingsbevoegdheden

Het bevoegd gezag weegt in aanvulling op overig bepaalde voorwaarden in ieder geval af, of bij een omgevingsvergunning met afwijking, of bij het gebruik van een wijzigingsbevoegdheid, het verlenen van medewerking niet leidt tot een onevenredige aantasting van:
  1. een goede woonsituatie;
  2. de sociale veiligheid;
  3. het stedenbouwkundige en landschappelijke beeld;
  4. het straat- en bebouwingsbeeld;
  5. de karakteristieke hoofdvorm en kenmerken;
  6. de verkeersveiligheid;
  7. de milieusituatie;
  8. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
 
Strijdigheid van belangen
In het geval van strijdigheid van belangen tussen een bestemming en een dubbelbestemming, met name aan de orde bij wijzigingsbevoegdheden, heeft het belang van de dubbelbestemming prioriteit. De dubbelbestemming vormt het toegevoegde na te streven nieuwe beleid, en levert als zodanig extra criteria op voor de uit te voeren toetsing bij de wijzigingsbevoegdheid. Kan bij wijziging niet aan deze criteria worden voldaan en/of wordt op enig vlak onevenredige schade aangebracht, dan kan geen gebruik worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid.

4 Overgangs- en slotregels

Artikel 13 Overgangsrecht

13.1 Overgangsrecht bouwwerken

13.1.1
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning op de activiteit bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
  1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  2. na het teniet gaan ten gevolgde van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
13.1.2
Burgemeester een wethouders kunnen eenmalig toestemming tot afwijking van de bouwregels verlenen van het eerste lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
13.1.3
Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunningen en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgansbepaling van dat plan.

13.2 Overgangsrecht gebruik

13.2.1
het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
13.2.2
het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
13.2.3
Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
13.2.4
Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 14 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:
 
Regels van het bestemmingsplan, ‘Kraaijenbergse Plassen, camping, ‘t Loo, Hardweg 10’, gemeente Cuijk
   
Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van .......................................................
    
                        De voorzitter,                                                            De griffier,