| Plan: | Cuijk, Heeswijkse Kampen, Lavendelplein |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1684.08BPheeswklavplein-VA01 |
Voor de ontwikkeling van het Lavendelplein heeft de gemeente Cuijk in 2012 een prijsvraag uitgeschreven. Beoogd wordt een structurele horecavoorziening te realiseren ter versterking van de toeristisch recreatieve functie aan het water, die zowel bovenwijkse uitstraling heeft als een functie heeft voor de wijk. Op 2 oktober 2012 heeft het college uit vier inzendingen een voorkeurskandidaat gekozen. Deze kandidaat heeft het plan om op het Lavendelplein een bistro en cafetaria te realiseren.
Tegen de gunning is bezwaar gemaakt en het college heeft eind 2014 besloten om de prijsvraag en de voorlopige gunning in te trekken. De voorkeurskandidaat was na de intrekking van de voorlopige gunning onverminderd enthousiast over de realisatie van het plan en heeft het overleg gezocht met de bezwaarmakende partij. Dit heeft tussen de beide partijen geleid tot een akkoord. Op 14 juli 2015 heeft het college besloten de opdracht voor het realiseren van een horecavoorziening op het Lavendelplein, onderhands te gunnen aan de voorkeurskandidaat.
De ontwikkeling past niet in het vigerende bestemmingsplan. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van de horecavoorziening juridisch-planologisch mogelijk gemaakt
Het plangebied ligt aan de Lavendel in de wijk Heeswijkse Kampen in Cuijk, aan de rand van de Heeswijkse Plas. Onderstaande kaart en luchtfoto laten de globale ligging zien van het plangebied.
|
| ligging plangebied in Cuijk (bron: www.openstreetmap.org) |
|
| ligging plangebied detail (bron: www.bing.com/maps) |
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan Cuijk, Heeswijkse Kampen. Hierin heeft het Lavendelplein de bestemming 'Verkeer' met de aanduiding 'plein'.
|
| Uitsnede vigerend bestemmingsplan |
De als zodanig op de verbeelding aangegeven gronden zijn bestemd voor publieksruimte in de vorm van een multifunctioneel autovrij (markt)plein c.q. boulevard met bijbehorende voorzieningen (vergelijkbaar met de vigerende bestemming). Hierin is bebouwing en een horecafunctie niet mogelijk.
Dit bestemmingplan is opgebouwd uit een verbeelding (plankaart), regels en deze toelichting. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie van het plangebied beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op het beoogde plan. Hoofdstuk 4 omschrijft het beleidskader. In hoofdstuk 5 worden de diverse randvoorwaarden behandeld. Het plan wordt getoetst aan aspecten als milieu, flora en fauna, archeologie en water. Ook komt hier de economische uitvoerbaarheid van het plan aan de orde. In hoofdstuk 6 wordt een juridische toelichting gegeven op de in dit bestemmingsplan opgenomen bestemmingen. Hoofdstuk 7 tenslotte omvat de procedures die voorliggend plan heeft doorlopen en beschrijft de resultaten van het vooroverleg en de ter visie legging.
De ontwikkeling van de woonkern Cuijk heeft zich in de afgelopen decennia gekenmerkt door uitbreidingen evenwijdig aan de Maas, waardoor een langgerekte dorpsstructuur ontstond. Lange tijd is de woonkern als het ware ingesloten geweest tussen de Maas en de spoorlijn. Het Structuurplan Cuijk en St. Agatha (1977) heeft de aanzet gegeven tot de uitbreiding van Cuijk in westelijke richting, de Heeswijkse Kampen. Begin jaren tachtig is gestart met de bouw van woningen in het zuidelijk deel van dit gebied, dat inmiddels is gerealiseerd en plaats biedt aan circa 1.250 woningen.
De Heeswijkse Plas is een ontgrondingenplas die deel uitmaakt van het veel grotere ontgrondingengebied Kraaijenbergse Plassen. De Heeswijkse Plas staat via Plas 1 en industrieterrein Haven Cuijk in verbinding met de Maas. De woonwijken De Nielt en de Eilanden zijn later toegevoegd aan de oost- en zuidrand en maken handig gebruik van het aanwezige water.
Het plangebied maakt onderdeel uit van deze nieuwbouwwijk Heeswijkse Kampen. In 1991 is de "Structuurvisie Heeswijkse Kampen" verschenen ter invulling en ontwikkeling van het noordelijk deel. Bijgevoegd is een kaartbeeld van deze structuurvisie. In de Structuurvisie werd op het Lavendelplein al een horecavoorziening voorzien. Tot op heden is dit nog niet gerealiseerd.
|
| Kaartbeeld structuurvisie Heeswijkse Kampen |
Het Lavendelplein met Lavendelkade is een bijzondere plek in de Heeswijkse Kampen geworden. Het plein is gigantisch en biedt volop mogelijkheden voor evenementen. Het plein bestaat uit een hoog en laag gedeelte. Het lage gedeelte bestaat uit gele bestrating die richting het water steeds meer over gaat in bruine bestrating. Het geeft het idee van een branding van het water. In dit deel is een grote zandbak aangelegd, waarin een ‘gezonken’ speelschip wordt gelegd. Vanuit dit lage deel kan men de loopsteiger langs het water bereiken. Het hoge deel is de plek waar evenementen kunnen worden gehouden. Via zittrappen en een looptrap in de hoek, kan men de steiger aan het water bereiken. Mindervaliden kunnen via een hellingbaan de steiger bereiken. Op de Lavendelkade zijn bijzondere lichtmasten aangebracht. In plaats van het gehele plein vol te zetten met enkele lichtmasten, is gekozen voor 6 lichtmasten met spots. Deze spots zullen vaak niet allemaal branden, maar slechts enkele om het plein te verlichten. Bij evenementen kunnen extra spots worden aangezet om het plein bij evenementen optimaal te verlichten.
In de nabije toekomst wordt voor de loopsteiger nog een aanlegsteiger voor boten aangelegd, zodat kleinere boten gemakkelijker kunnen aanmeren bij de Lavendelkade. De boten kunnen vervolgens gebruik maken van de voorzieningen in het winkelcentrum Heeswijkse Kampen.
In het winkelcentrumcomplex aan de Lavendel hebben inmiddels veel bewoners en voorzieningen hun intrek genomen. Zowel de bouwwerkzaamheden als de aanleg van de openbare ruimte zijn inmiddels afgerond. Aan de achterzijde van het complex is een grote parkeerplaats aangelegd en een fietsenstalling. Aan de voorzijde loopt de openbare ruimte via de Lavendel over naar de Lavendelkade. De bestrating bestaat uit een antraciet-grijs geblokt motief. Als accent loopt gele betrating, vanuit de onderdoorgang van het complex, in een waaier over naar de Lavendelkade. In de openbare ruimte zijn winkelwagenstallingen, ondergrondse glasbakken en fietsenrekken aangebracht. De groenstroken zijn ingeplant met Magnolia bomen, Lavendelstruiken en Taxushagen.
Hierna zijn enkele beelden en een luchtfoto van het Lavendelplein opgenomen.
|
|
| Impressie Lavendelplein | |
|
|
| Luchtfoto plein (linkerzijde is de noordzijde) | |
Vanaf het plein kan over het water gekeken worden en zijn de tegenover gelegen wooneilanden zichtbaar. Deze wooneilanden vormen een typerend stedenbouwkundig element in Heeswijkse Kampen.
In de huidige situatie heeft het Lavendelplein een openbare functie, het geheel is geplaveid en voor iedereen toegankelijk. Het plein is geschikt voor een markt of ander evenement. Normaal gesproken is het plein niet toegankelijk voor auto's en is een parkeerverbod van kracht.
De Heeswijkse Kampen is een ruim opgezette wijk met een diversiteit aan woningen, van starterswoningen tot tweekappers en appartementen. Ten oosten van het Lavendelplein is een klein winkelcentrum met supermarkt aanwezig. Er wordt aan de achterzijde van dit winkelcentrum geparkeerd.
Onderhavig initiatief voorziet in de ontwikkeling van een bistro en cafetaria op de hoek van het Lavendelplein, langs de waterkant van de Heeswijkse Plassen.
Het Lavendelplein kenmerkt zich door een frisse uitstraling. De omliggende bebouwing is modern. De plek op het Lavendelplein leent zich uitstekend voor een uitgesproken gebouw: een ontwerp dat op zichzelf moet staan maar toch een relatie aangaat met de directe omgeving. De centrale ligging op het plein heeft tot gevolg dat gekozen is voor een alzijdig gebouw. De oostzijde onderscheidt zich door de verbindingsroute met het winkelcentrum, de westzijde door de directe ligging aan het water met uitzicht over de Heeswijkse Plas. Op het zuidelijk gelegen deel van het plein bevindt zich een speelelement. Op bijgevoegde afbeelding is het ontwerp weergegeven.
|
|
| Westgevel (waterzijde) (bron: Archiquad) | Zuidgevel (bron: Archiquad) |
|
|
| Ontwerp plattegrond (bron: Archiquad) | |
|
|
| Ligging ontwerp op plein(bron: Archiquad) | |
Het ontwerp is gebaseerd op een schip. Zowel in de vorm van het gebouw als in de uitstraling staat dit thema centraal. De mast op het gebouw, in combinatie met het terugkomen van de herkenbare boeg van een schip zal zorgen dat de link snel gelegd is. Het thema sluit direct aan bij het ontwerp van de rest van het plein. De belangrijkste kwaliteit van het plan, het uitzicht over de Heeswijkse Plas, wordt optimaal benut. Het breed uitgestrekte terras en de transparante gevelpui leveren een fraai uitzicht over de speelplaats en het water op. De Bistro en cafetaria liggen in de zuidwesthoek van het plein, waarmee er op het plein nog veel ruimte overblijft voor evenementen. Ten opzichte van het plein nemen de nieuwbouw en het terras relatief weinig ruimte in.
In het ontwerp is een duidelijke scheiding aanwezig tussen de Bistro en de cafetaria. Het mooiste uitzicht vanaf de locatie zal gereserveerd zijn voor het restaurant. Deze zal uitkijken over het water van de Heeswijkse Plas. Aan de andere zijde van het gebouw bevindt zich het ijsloket en de cafetaria. Vanaf deze aanlooproute komt het ontwerp het best tot zijn recht. Hierdoor wordt een duidelijk herkenningspunt in de wijk gecreëerd. De boeg creëert ruimte voor een ruim opgezet terras dat uitkijkt op de lager gelegen speelplaats. De oriëntatie ten opzichte van de zon komt overeen met het gebruik van het gebouw. Het terras biedt mogelijkheden tot uitbreiding voor het opvangen van intensieve klandizie tijdens evenementen.
Parkeren op het Lavendelplein is niet toegestaan. Het parkeren voor bezoekers wordt opgelost tussen het complex "Lavendelkade" en de Lavendel. Hiervoor zullen de nodige voorzieningen worden getroffen.
Wel wordt het Lavendelplein gebruikt om te laden en te lossen, zodat dit niet op de Lavendel hoeft te gebeuren.
De locatie is op een prominente plek gelegen in de woonwijk de Heeswijkse Kampen. Het Lavendelplein is lager gelegen ten opzichte van de straat. De bebouwing van de bistro mag opvallen, maar niet de relatie tussen de Lavendel en het water in de weg staan. Door de ligging is de alzijdigheid van het gebouw belangrijk: het is van alle kanten zichtbaar en opvallend aanwezig. Het vormt zo een opvallend element in de wijk en op het plein. Samen met de winkelvoorzieningen vormt het het hart van de Heeswijkse Kampen. De bistro/cafetaria past daarom goed op de beoogde locatie.
De volgende voorwaarden zijn van toepassing:
De inrichting van het Lavendelplein zal, behalve voor wat betreft de bistro/cafetaria, niet veranderen.
De hiervoor genoemde maximale bebouwingsmaten en -contouren worden in onderhavig bestemmingsplan vastgelegd, de overige voorwaarden worden getoetst bij de vergunningverlening.
Het Lavendelplein blijft haar openbare functie behouden. Slechts een hoek van het plein zal worden ingeruimd voor de bistro en cafetaria. Dit gedeelte van het plein krijgt dus een horecafunctie.
Het is van belang om zicht te krijgen op de functie van de nieuwe horecavoorziening en de inpasbaarheid van de vestiging in de Cuijkse horecastructuur. Daarom is er een kwalitatieve en kwantitatieve toets uitgevoerd naar de komst van de nieuwe horeca-aanbieder in Cuijk. De uitkomsten hiervan zijn als Bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd.
In het onderzoek is geconcludeerd dat Bistro de Lavendel vanuit ruimtelijk en functioneel perspectief een interessante toevoeging is aan de Cuijkse horecastructuur en zal voor zowel wijkbewoners als (watersport)recreanten een extra impuls betekenen om het Lavendelplein te bezoeken. Doordat er binnen de huidige horecastructuur kansen liggen, gezien het lage verzorgingsniveau in de restaurantsector alsmede het grote toeristische potentieel, worden negatieve effecten op de lokale horecastructuur (bijv. centrum en Maasboulevard) niet verwacht. Sterker nog, gezien het concept en de locatie vormt deze Bistro Lavendel juist een aanvulling op de huidige structuur.
Belangrijk ten opzichte van de bestaande situatie is dat er op een deel van het plein ruimte wordt gecreëerd om te laden en te lossen. Hierdoor ontstaan er geen verkeersproblemen op de Lavendel.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte(SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft het kabinet een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. De structuurvisie benoemt 13 onderwerpen van nationaal ruimtelijk belang. Het merendeel van die onderwerpen betreft specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol, de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Een onderwerp dat niet aan bepaalde gebieden gebonden is, is duurzame verstedelijking. Voor dit onderwerp introduceert het Rijk de 'ladder voor duurzame verstedelijking' waarmee zorgvuldig ruimtegebruik door optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden en het voorkomen van overprogrammering worden nagestreefd. Provincies en gemeenten dienen in hun ruimtelijke besluiten te motiveren of een nieuwe stedelijke ontwikkeling in een actuele regionale behoefte voorziet. Als dat het geval is dient gekeken te worden of deze in bestaand stedelijk gebied past (inbreiding). Pas als dat niet het geval is komt uitbreiding in beeld onder voorwaarde van een optimale ontsluiting door verschillende vervoersmodaliteiten.
In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee het SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend verankerd.
In de structuurvisie worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.
Planspecifiek
Concreet zijn de belangen 'Grote rivieren' en 'Defensie' van toepassing binnen de gemeente.
Grote rivieren
De Maas is in het Barro opgenomen als grote rivier. In de regels wordt onderscheid gemaakt tussen het rivierbed en het stroomvoerend deel van het rivierbed. Het doel van de regels is om te voorkomen dat nieuwe activiteiten leiden tot een verslechtering van de huidige situatie. Het gaat daarbij om de handhaving dan wel verbetering van de veiligheid, het doelmatig gebruik, het waterafvoerend en waterbergend vermogen en de ecologische toestand. De Heeswijkse Plas staat in directe verbinding met de Maas, maar maakt geen onderdeel uit van het rivierbed of het stroomvoerend deel van het rivierbed. Nadere regelgeving in het bestemmingsplan is niet noodzakelijk.
Defensie
In het Barro zijn regels opgenomen om een veilig en doelmatige gebruik van defensieterreinen te waarborgen. Het gaat bijvoorbeeld om veiligheidszones rond munitiedepots, obstakelvrije aanvliegroutes en radarverstoringsgebieden.
De gehele gemeente Cuijk heeft te maken met het radarverstoringsgebied en de funnel van militair vliegveld Volkel. Voor het veilig afwikkelen van vliegverkeer gelden in een bepaald gebied rond een luchtvaartterrein maximaal toelaatbare hoogtes voor objecten, zoals woon- en kantoorgebouwen, antennemasten, windmolens en bomen. Hiermee wordt voorkomen dat radarsignalen worden verstoord en vliegtuigen met objecten in botsing kunnen komen. De maximaal toelaatbare hoogtes en de ligging en omvang van het gebied worden bepaald door de ligging van de start- en landingsbanen en berusten op internationale vastgelegde afspraken.
Het plangebied valt in het radarverstoringsgebied. In de regels en op de verbeelding wordt de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - radar' opgenomen voor het radarverstoringsgebied. Bouwwerken hoger dan 105 meter + NAP vormen een belemmering voor het radarverstoringsgebied. In onderhavige situatie is van een dergelijke hoogte geen sprake.
Conclusie
Onderhavig bestemmingsplan vormt geen belemmering voor de uitvoering van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en SVIR.
Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord Brabant
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. In de structuurvisie worden de hoofdlijnen van het beleid van de provincie op het gebied van ruimtelijke ordening uiteengezet.. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. Daarnaast beschrijft de provincie vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken.
In de Structuurvisie ruimtelijke ordening is aangegeven dat nieuwe ontwikkelingen een kans bieden voor behoud en ontwikkeling van het landschap. In de verordening is als hoofdregel opgenomen dat ontwikkelruimte bijdraagt aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Essentieel daarbij is dat er verantwoord omgegaan wordt met bodem, water, natuur en cultuurhistorische waarden. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan vasthouden aan wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe kwaliteiten. Voortdurend past de gebruiker het landschap aan zijn wensen aan. Deze continue ontwikkeling is inherent aan een levend landschap. Dat geldt zowel voor het stedelijke landschap als voor het agrarische cultuurlandschap.
Conclusie
De beleidsdoeleinden vanuit de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord Brabant zijn verder uitgewerkt in de Verordening ruimte Noord Brabant (zie hierna).
Verordening ruimte Noord Brabant
In de Verordening ruimte staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. Door deze regels weten de gemeenten al in een vroeg stadium waar ze aan toe zijn.
Per onderwerp zijn in de verordening gebieden tot op perceelniveau begrensd op een kaart. De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.
Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn:
Planspecifiek
Relevante informatie uit de verordening die betrekking hebben op het plangebied is o.a. dat het gebied is gelegen in het 'Besluitvlak Structuur - Bestaand stedelijk gebied, kern in landelijk gebied'. Op bijgevoegde afbeelding is de ligging binnen dit besluitvlak aangegeven.
|
| Uitsnede kaart verstedelijking (het kruisje geeft de locatie van het plangebied aan) |
De Verordening ruimte geeft aan dat stedelijke ontwikkelingen binnen het bestaand stedelijk gebied moeten plaatsvinden. Het plan past, gezien de ligging, binnen deze voorwaarde.
Conclusie
Onderhavig bestemmingsplan vormt geen belemmering voor de uitvoering van de Structuurvisie Ruimtelijke ordening en verordening ruimte Noord-Brabant.
Notitie Plassengebied Cuijk
De Notitie Plassengebied Cuijk wil een beeld geven van de Kraaijenbergse Plassen en de Heeswijkse Plas nu en in de (nabije) toekomst. De nadruk ligt hierbij op de recreatieve invulling. Aan de hand van bestaande beleidsdocumenten (Verordening Ruimte, bestemmingsplannen, ontgrondingvergunningen, uitwerkingsplannen oevers) zal duidelijk worden welke keuzes al gemaakt zijn en hoe deze vertaald zijn en worden in de inrichting van de plassen. De huidige inrichting geeft een uitgangssituatie en ook de reeds gemaakte afspraken met ondernemers hebben invloed op de toekomst van het gebied. De ruimtelijke consequenties van de door het college gemaakte afspraken worden in beeld gebracht. Daarbij is aangegeven welke bedrijfsmatige activiteiten voortkomen uit overeenkomsten met de ontgronder. Tevens is een overzicht opgenomen van plannen van ondernemers waar uitvoering aan wordt gegeven of waar in ieder geval een principebesluit voor is genomen.
Bij het plangebied ligt alleen plas 9, de Heeswijkse Plas. De plas is gevormd door een bedrijfsmatige ontgronding.
Overzichtskaart Notitie Plassengebied Cuijk
De Heeswijkse Plas is voornamelijk ingericht voor extensieve recreatie (kleinschalig natuurgebied, visoevers). Alleen bij het zwemstrand op de noordoever kan het op mooie dagen wat druk zijn. De plas is voornamelijk gericht op de bewoners van Cuijk en in het bijzonder op de bewoners van de woonwijk de Heeswijkse Kampen. De noordoostoever is ingericht als landschapspark. Ook hier worden de oever ecologisch beheerd middels grote grazers.
Planspecifiek
Voor wat betreft het Lavendelplein wordt aangegeven dat de verdere ontwikkeling van het plein met een afmeerplek voor boten en een multifunctionele inrichting het recreatieve gebruik van deze locatie stimuleert. Watersporters kunnen via het water naar het plein komen en bezoekers kunnen vanaf het plein van het water genieten. Op het plein kunnen horeca-ondernemers zorgen voor een passend aanbod. Een kiosk, een grand-café of brasserie behoren tot de mogelijkheden.
Conclusie
Onderhavig initiatief past daarmee binnen de uitgangspunten van de Notitie Plassengebied Cuijk.
Verordening Kraaijenbergse Plassen en Heeswijkse Plas
In de Verordening Kraaijenbergse Plassen en Heeswijkse Plas zijn regels opgenomen over het gebruik van de plassen. In de verordening is een aantal ruimtelijke maatregelen opgenomen die waar nodig in het bestemmingsplan vastgelegd worden.
In artikel 13 van de verordening wordt gesproken over het verbod van het innemen van een ligplaats. Het begrip 'ligplaats' wordt in de verordening breed uitgelegd als 'een gedeelte binnen het gebied dat bestemd of geschikt is om door een vaartuig te worden ingenomen'. Een ligplaats kan liggen in het open water (voor anker gaan) en aan een steiger of daarmee te vergelijken constructie (afmeren). In het gebied van de Kraaijenbergse Plassen en Heeswijkse Plas zijn alleen ligplaatsen in open water toegestaan: het aanleggen en afmeren aan steigers en kades is verboden. De uitzonderingen zijn een aanlegsteiger bij het Lavendelplein en aanlegsteigers bij woningen die grenzen aan het water.
Conclusie
Onderhavig bestemmingsplan vormt geen belemmering voor de uitvoering van de Verordening Kraaijenbergse Plassen en Heeswijkse Plas.
Convenant Duurzaam Bouwen
Gemeenten in de regio Noordoost-Brabant (waaronder Cuijk, woningcorporaties en bouwbedrijven) willen dat alle nieuwbouw en renovaties in de woningbouw duurzaam worden uitgevoerd. Hiervoor hebben alle partijen het Regionaal Convenant Duurzaam Bouwen afgesloten. Duurzaam bouwen richt zich vooral op het toepassen van verantwoorde materialen, zuinig omgaan met energie en water en het creëren van een gezond binnenklimaat. Duurzaam bouwen levert dus niet alleen meer comfort op, het zorgt ook voor lagere woonlasten en een betere verkoopbaarheid.
Conclusie
Bij de uitwerking van onderhavig moet voldaan worden aan het Convenant Duurzaam Bouwen. Dit betekent dat een GPR-score van minstens 6,5 gehaald dient te worden op de vijf onderdelen Milieu, Energie, Gebruikskwaliteit, Gezondheid en Toekomstwaarde. Dit is als uitgangspunt meegenomen bij de ontwikkeling van het plan.
Behalve de beleidskaders waarin de wenselijkheid van bepaald gebruik op bepaalde plaatsen is verwoord, speelt ook de feitelijke uitvoerbaarheid een belangrijke rol. Een plan wordt uitvoerbaar geacht als er geen onevenredige milieutechnische en fysieke belemmeringen zijn, het plan economisch uitvoerbaar is en de regels handhaafbaar zijn.
Voor een goede milieukwaliteit moet de kwaliteit van bodem, water en lucht minimaal voldoen aan de (internationaal) geldende norm(en). De gezondheid van burgers moet beschermd worden tegen negatieve milieueffecten zoals geluidsoverlast. Om toekomstige kosten en maatschappelijke schade te voorkomen, moeten bij ruimtelijke en infrastructurele ontwikkelingen de milieueffecten worden afgewogen.
In het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.
Planspecifiek
In verband met de voorgenomen oprichting van de winkelvoorziening Heeswijkse Kampen aan de Wijnruit te Cuijk is in 2006 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen. Hieruit is gebleken dat er zich in de bodem op deze locatie aan de Wijnruit geen verontreinigingen bevinden. Gezien de direct nabije ligging van het Lavendelplein en de gebruiksgeschiedenis hiervan kan gesteld worden dat de bodem geen belemmering vormt voor de uitvoering van het initiatief. Het bodemonderzoek is reeds in 2006 uitgevoerd, maar de situatie aan het Lavendelplein is sinds deze tijd niet veranderd. Hiermee kan gesteld worden dat de bodemkwaliteit sinds die tijd ook niet is veranderd.
Conclusie
Het bestemmingsplan is op het gebied van bodemkwaliteit uitvoerbaar.
Op 15 november 2007 is de 'Wet luchtkwaliteit' in werking getreden. Sinds 1 januari 2009 is tevens het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' in werking getreden. In het kader van deze wet- en regelgeving dient gekeken te worden of een bepaalde functie niet te veel luchtvervuiling veroorzaakt. Deze nieuwe wet- en regelgeving maakt onderscheid tussen projecten die "in betekende mate" en "niet in betekende mate" (NIBM) leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Op basis van de wet en regelgeving is voor projecten die 'niet in betekenende mate' de luchtkwaliteit verslechteren (tot 1.500 woningen of 33.333 m2 b.v.o. kantoorruimte per ontsluiting) geen luchtkwaliteitonderzoek meer noodzakelijk.
Planspecifiek
Voor projecten die niet zijn opgenomen in het 'Besluit NIBM' (waaronder onderhavig initiatief) dient onderzocht te worden in hoeverre deze als NIBM kunnen worden gekwalificeerd. Daartoe is een rekenmodel (NIBM-tool) beschikbaar via de infomil website waarin het geschatte aantal extra verkeersbewegingen kan worden ingevoerd en op basis waarmee kan worden ingeschat op het plan NIBM is. Voor dit project is dat gedaan en de output staat in bijgevoegde afbeelding.
|
| Afbeelding: Screenshot NIBM-tool |
In de tabel is te zien dat bij een weekdaggemiddelde van 200 auto's (bij zeer grote drukte en in die zin een worst-case berekening) de maximale bijdrage nog steeds ruim onder de grens van NIBM-plannen ligt. Deze 200 auto's is gebaseerd op een schatting. Vanuit de wijk zullen er ook veel bezoekers op de fiets of lopend het cafetaria bezoeken.
Conclusie
Gezien de uitkomsten van de NIBM-tool kan gesteld worden dat het initiatief uitvoerbaar is op het gebied van luchtkwaliteit.
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld, zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
Planspecifiek
In onderhavige situatie is geen sprake van een geluidsgevoelig object in de zin van de Wgh.
In het kader van industrielawaai geldt dat moet worden aangetoond dat deze functie geen geluidoverlast produceert in de nabijheid van bestaande woningen. Dit aspect moet daarom getoetst worden aan de hand van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering”.
De beoogde functie betreft een bistro/snackbar. Dit valt conform de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” binnen de categorie 'Restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d.' (SBI2008-code 561). Deze bedrijfscategorie heeft een beperkte indicatieve hindercirkel (ook voor geluid) van 10 m. De beoogde bistro/snackbar wordt aan de waterzijde van het plein geprojecteerd, het verst weg van naburige woningen. Dit is in ieder geval ruim meer dan 10 m.
Conclusie
Het initiatief is, gezien de hiervoor beschreven uitkomsten, uitvoerbaar op het gebied van geluid.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om te kijken naar de omliggende functies in relatie tot de nieuwe functie: past de nieuwe functie in de omgeving? Dit is zowel van belang vanuit de nieuwe functie als gedacht vanuit de omgeving. Door middel van een zonering in het kader van de Wet ruimtelijke ordening en de aan te houden afstanden vanuit de Wet milieubeheer wordt dit geregeld. De vragen daarbij zijn:
Planspecifiek
In onderhavige situatie is het van belang dat gekeken wordt naar de afstand tussen de geplande horecavoorziening en de bestaande woningen in de omgeving.
De beoogde functie betreft een bistro/snackbar. Dit valt conform de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” binnen de categorie 'Restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d.' (SBI2008-code 561). Deze bedrijfscategorie heeft een beperkte indicatieve hindercirkel van 10 m, dit is de richtafstand van de zwaarste milieu indicator. De beoogde bistro/snackbar wordt aan de waterzijde van het plein geprojecteerd, het verst weg van naburige woningen. De afstand van het bouwvlak van de beoogde bistro/snackbar met de meest dichtstbijzijnde woningen (de woningen boven het winkelcentrum) is minimaal 50 m en dus ruim meer dan de voorgeschreven 10 m.
Conclusie
Het initiatief is, gezien de hiervoor beschreven uitkomsten, uitvoerbaar op het gebied van milieuzonering.
Bij externe veiligheid gaat het onder meer om de productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door voldoende afstand aan te houden tussen deze activiteiten en 'objecten' wordt voldaan aan de normen. Artikel 1 van het Besluit externe veiligheid bepaalt hierbij dat kwetsbare objecten woningen, scholen, gezondheidscentra en dagverblijven zijn en dat beperkt kwetsbare objecten gebouwen/voorzieningen zijn zoals kantoren, winkels en parkeerterreinen.
Planspecifiek
Om te onderzoeken of er zich in of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen of transportroutes bevinden, is de risicokaart geraadpleegd. Bijgevoegd is een uitsnede hiervan.
Afbeelding risicokaart.nl
Onderhavig project betreft de realisatie van een beperkt kwetsbaar object. In de omgeving van het plangebied zijn echter geen risicobronnen gelegen waarmee rekening moet worden gehouden. Dit blijkt uit de hiervoor opgenomen uitsnede van de risicokaart.
Conclusie
Het bestemmingsplan is, gezien de hiervoor opgenomen conclusies, uitvoerbaar op het gebied van externe veiligheid.
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
Waterwet
De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Beleid Waterschap Aa en Maas en watertoets
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.
In de beleidsnota 'Uitgangspunten watertoets Aa en Maas' zijn in het kort de principes beschreven die richtinggevend zijn bij de waterschapsadvisering over ruimtelijke plannen. Er zijn acht uitgangspunten waarbij het uitgangspunt 'waterbelangen' uit vijf belangen bestaat.
Wateroverlastvrij bestemmen
Realisatie van de bistro/cafetaria op het lavendelplein levert geen wateroverlast op ten aanzien van de bestaande situatie. De naastgelegen Heeswijkse plas wordt niet gebruikt voor waterberging en staat in open verbinding met de Maas. Deze verbinding wordt gevormd door een keersluis die bij hoogwater wordt gesloten om de achterliggende plassen, het Industrieterrein Haven Cuijk en diverse woongebieden te beschermen.
Hydrologisch neutraal ontwikkelen
Waterschap De Dommel en Waterschap Aa en Maas hebben in de notitie “Ontwikkelen met duurzaam wateroogmerk” (11 juli 2006) een definitie en randvoorwaarden gegeven voor het Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen. Daarbij is een vertaalslag gemaakt naar vijf toetsaspecten waaraan een plan of ontwikkeling getoetst kan worden. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt in dat de ontwikkeling geen hydrologische achteruitgang ten opzichte van de referentiesituatie tot gevolg heeft. Er mogen geen hydrologische knelpunten worden gecreëerd voor de te handhaven en de vastgelegde toekomstige landgebruikfuncties in de projectlocatie en het beïnvloedingsgebied. Een hulpmiddel bij het bepalen en oplossen van hydrologische knelpunten is de HNO-tool van het Waterschap. Daarmee kan berekend worden of er een waterbergingsopgave is en hoe groot deze dan is.
In onderhavige situatie is sprake van de realisatie van een bistro/cafetaria. Het terrein waar de bebouwing gerealiseerd moet worden, is in de huidige situatie al geheel verhard (plein). De nieuwe bebouwing voegt dus geen extra oppervlak verharding toe. Het hemelwater zal, wat ook logisch is gezien de ligging direct aan het water, lozen op het oppervlaktewater van de Heeswijkse Plas. De HNO-tool is ingevuld en de uitkomst is dat er geen waterberging hoeft te worden gecreëerd.
Voorkomen van vervuiling
Bij de inrichting, het bouwen en het beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen toegevoegd te worden aan de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem. Daarbij wordt aandacht gevraagd voor het materiaalgebruik. Om watervervuiling te voorkomen, wordt het gebruik van uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen tot een minimum beperkt.
Gescheiden houden van schoon en vuil water
Bij alle bouwplannen dient vermenging van vuil afvalwater en schoon hemelwater te worden voorkomen. Indien mogelijk, wordt alleen het vuile water aan de riolering aangeboden. Het hemelwater zal, wat ook logisch is gezien de ligging direct aan het water, lozen op het oppervlaktewater van de Heeswijkse Plas. Het gebouw zelf (toiletten en afvalwater) wordt aangesloten op het vuilwaterriool. De capaciteit van het riool is voldoende om de toename van het afvalwater te verwerken.
Doorlopen van de afwegingsstappen: “hergebruik - infiltratie - buffering – afvoer”.
In aansluiting op het landelijke beleid (NW4, WB21) hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden, hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij dient de genoemde voorkeursvolgorde doorlopen te worden. In onderhavige situatie is de afweging wel gemaakt, maar zijn er geen mogelijkheden voor hergebruik, infiltratie of buffering. Het hemelwater wordt direct afgevoerd richting de Heeswijkse plas (zoals in de huidige situatie ook al het geval is).
Meervoudig ruimtegebruik
Rondom de Heeswijkse Plassen is ruimte voor veel functies. De kades van het lavendelplein worden gebruikt voor recreatie, de komst van de bistro/cafetaria past bij dit gebruik. De Heeswijkse plas zelf is een mengeling van waterrecreatie en natuurwaarden.
Water als kans
De aanwezigheid van de Heeswijkse Plassen bij de bistro/cafetaria biedt een grote meerwaarde aan de locatie van de bistro/cafetaria.
Waterbelangen
Het Waterschap Aa en Maas benoemt vijf waterschapsbelangen met een ruimtelijk component:
Conclusie
Met het invullen van de hiervoor beschreven aspecten uit de beleidsnota 'Uitgangspunten watertoets Aa en Maas' is de watertoets doorlopen. Per mail van 27 januari 2014 heeft het waterschap Aa en Maas ingestemd met het voorontwerpbestemmingsplan. De in het plan beschreven ontwikkeling is hemelwater-neutraal omdat er geen sprake is van toename van verhard oppervlak. Voor het overige zijn geen waterschapsbelangen aan de orde. Het aspect water vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
Het realiseren van een bistro en cafetaria zorgt voor een toename van het aantal verkeersbewegingen. Bekeken moet worden of de bestaande infrastructuur geschikt is voor deze toename. Tevens moet onderzocht worden of er voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn voor de beoogde functie.
Planspecifiek
De Lavendel is een doorgaande straat in de woonwijk Heeswijkse Kampen en is berekend op een toename van het aantal verkeersbewegingen dat de bistro/cafetaria veroorzaakt.
Naast het aantal verkeersbewegingen is de parkeercapaciteit van belang. In de huidige situatie is het Lavendelplein autovrij en mag er niet op geparkeerd worden. Dit zal ook in de toekomst zo blijven. Wel komt er een mogelijkheid om te laden en te lossen.
Op basis van de parkeernota Cuijk 2007-2015 "Slim Parkeren" dient bij nieuwbouw, verbouw en functiewijziging de parkeercapaciteit te voldoen aan de parkeernorm zoals die is opgenomen in de bij de nota behorende bijlage I. Dit betekent dat voor de beoogde horecagelegenheid een norm geldt van 4 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. De nieuwe horecavoorziening heeft een grootte van 250 m2 bvo. Derhalve zijn op basis van de parkeernota 10 parkeerplaatsen verplicht. Hiervoor is ruimte tussen het complex "Lavendelkade" en de Lavendel en hiervoor zullen de nodige voorzieningen worden getroffen.
Conclusie
Het initiatief is op het gebied van verkeer uitvoerbaar.
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is de Flora- en faunawet van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd.
Gebiedsbescherming
De Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. In de Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd:
Naast deze drie soorten gebieden is de (Provinciale) Ecologische Hoofdstructuur ((P)EHS) in het kader van de gebiedsbescherming van belang. De (P)EHS is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland. Zij bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. De EHS draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
Soortenbescherming
De Flora- en faunawet regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister van LNV (artikel 75, lid 3). Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
Het initiatief ligt niet in de directe nabijheid van Natura 2000 gebieden of gebieden die vallen onder de ecologische hoofdstructuur. Gebiedsbescherming is daarom niet aan de orde. In het kader van de soortenbescherming is van belang dat het terrein in de huidige situatie volledig verhard is en onderdeel uit maakt van het Lavendelplein. Er zijn geen bomen of andere landschapselementen aanwezig die van belang zijn voor het leefgebied van beschermde diersoorten: het gebied is leeg. Er zijn geen beschermde dier- of plantensoorten die hinder ondervinden van de beoogde ontwikkeling.
Conclusie
De uitvoerbaarheid van het initiatief voor flora en fauna is hierboven aangetoond.
In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.
Cultuurhistorie
Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden.
Archeologie
Archeologie gaat over de (verwachte) cultuurhistorische waarde in de bodem. Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet 1988. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat waar nodig die waarden veiliggesteld kunnen worden en / of het initiatief aangepast kan worden.
Ook de Wet op de archeologische monumentenzorg (WAMZ) uit 2007 is in dit kader van belang. De verantwoordelijkheid voor cultuurhistorische waarden ligt bij de gemeente en dit moet bij vaststelling van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) meegenomen worden.
Archeologisch beleidsplan Cuijk
De gemeente Cuijk heeft een bijzonder rijk bodemarchief. Op veel plaatsen zijn archeologische sporen aanwezig of te verwachten vanwege de bewoningsgeschiedenis gedurende de Romeinse tijd, maar ook vanwege nog aanwezige sporen uit de Prehistorie en de vroege en late Middeleeuwen. Het beleidsplan is opgesteld om aan te geven hoe de gemeente hiermee om gaat. Bij het beleidsplan hoort een archeologische beleidskaart. In het beleidsplan is aangegeven hoe in bestemmingsplannen omgegaan dient te worden met archeologie en in de bijlage van het plan zijn voorbeeldregels opgenomen. De voorbeeldregels zijn gekoppeld aan de gebieden van de archeologische beleidskaart.
Planspecifiek
Het plangebied bestaat uit een gedeelte van een plein dat pas enkele jaren geleden is aangelegd. Het geheel wordt gerealiseerd in een nieuwbouwwijk van recente datum. Er zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten die verdwijnen of worden aangetast.
Voor wat betreft archeologie is de archeologische beleidsadvieskaart geraadpleegd. Bijgevoegd is een uitsnede hiervan.
|
|
| archeologische beleidsadvieskaart | |
Uit de archeologische beleidsadvieskaart blijkt dat de locatie binnen de aanduiding 'Waarde-archeologie 5' valt. Deze waarde wordt in dit bestemmingsplan opgenomen via een dubbelbestemming Waarde-Archeologie (in de regels en op de verbeelding). Op deze wijze is het archeologisch bodemarchief beschermd.
Archeologisch onderzoek in gebieden vallend binnen 'Waarde-archeologie 5' is vereist bij bouwplannen groter dan 2500 m2. Het beoogde bouwplan heeft overigens een veel kleinere omvang. Conform gemeentelijk beleid is archeologisch onderzoek op de locatie niet nodig.
Conclusie
Gezien het bovenstaande is dit bestemmingsplan uitvoerbaar op het gebied van cultuurhistorie en archeologie.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Conclusie
De grond is nu nog in eigendom van de gemeente en kostenverhaal vindt plaats door middel van gronduitgifte. De gemeente draagt de plankosten, die zijn opgenomen in de gemeentelijke begroting. Hiermee is het plan economisch uitvoerbaar.
Burgemeester en wethouders hebben op 27 januari 2015 het Integraal toezicht en handhavingsplan (ITHP) met uitvoeringsprogramma 2015 voor de gemeente Cuijk vastgesteld.
Het ITHP bestaat uit een aantal delen:
De Brabantse sanctiestrategie met de Handreiking bestuurlijke sanctiemiddelen maakt eveneens onderdeel uit van deel 3 van het vastgestelde ITHP. Het ITHP heeft tot doel de toezicht- en handhavingsactiviteiten voor 2015 te organiseren, te structureren en te benoemen en om de prioriteiten vast te stellen. Het gaat daarbij om de terreinen in het kader van de fysieke leefomgeving (bouwen, ruimtelijke ordening, milieu, brandveiligheid en openbare ruimte). Naast het ITHP en uitvoeringsprogramma 2015 is ook het Werkprogramma Milieuhandhaving voor het jaar 2015 vastgesteld.
Met deze instrumenten speelt de gemeente in op de kwaliteitscriteria die landelijk zijn geformuleerd: enerzijds de criteria genoemd in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en anderzijds de criteria genoemd in het transitieprogramma vergunningverlening, toezicht en handhaving. De Wabo geeft aan dat ieder bevoegd gezag moet beschikken over een integraal handhavingsbeleid en een integraal uitvoeringsprogramma. Het transitieprogramma geeft aan dat een bevoegd gezag moet voldoen aan bepaalde inhoudelijke criteria, procescriteria en criteria ten aanzien van de kritische massa. Het ITHP wordt gezien als een volgende stap in het proces ten aanzien van toezicht en handhaving.
Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding met bijbehorende regels en deze toelichting. De verbeelding en de regels vormen samen het juridische deel. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De regels en verbeelding zijn opgesteld op basis van de landelijk geldende standaarden (SVBP2012) en de gemeentelijke standaarden (Basissystematiek Cuijk en Handboek Digitale Bestemmingsplannen gemeenten Land van Cuijk versie 5.0).
Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens).
De regels van het bestemmingsplan zijn ondergebracht in vier hoofdstukken:
De inleidende- (hoofdstuk 1), algemene- (hoofdstuk 3) en overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4) worden hier verder niet toegelicht.
De bestemmingsregels kennen de volgende opbouw:
lid 1 bestemmingsomschrijving
lid 2 bouwregels
lid 3 specifieke gebruiksregels
lid 4 afwijking van de gebruiksregels
De bestemmingsomschrijving is de centrale bepaling van elke bestemming. Hierin worden de binnen een bestemming toegestane functies genoemd. De bouwregels zijn gerelateerd aan deze omschrijving. Ook het gebruik van grond en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving.
Dit bestemmingsplan kent drie bestemmingen, te weten: 'Horeca', 'Verkeer' en Waarde - Archeologie 5 (dubbelbestemming).
Horeca
De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor één gebouw met een horecafunctie. Tevens zijn de gronden bestemd voor bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, terrassen en vlonders. Het architectonisch ontwerp van het initiatief refereert aan de vorm van een schip, vandaar dat er een 'mast' mogelijk wordt gemaakt. Dit accent kan wat hoger worden dan de maximale bouwhoogte van het gebouw.
Verkeer
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor de verkeersfunctie, zoals wegen, paden en plein. Tevens zijn de gronden bestemd voor bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en paden, speelvoorzieningen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
Waarde - Archeologie 5
Het plangebied heeft de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 5. Deze gronden zijn behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de (te verwachten archeologische) waarden van de gronden. Er geldt een onderzoeksplicht in de volgende gevallen:
Inspraak
Ingevolge de Inspraakverordening Cuijk 2005 heeft het voorontwerpbestemmingsplan Cuijk, Heeswijkse Kampen, Lavendelplein met ingang van 9 januari 2014 gedurende vier weken (derhalve tot en met 6 februari 2014) ter inzage gelegen. Gedurende de terinzagelegging is een gezamenlijke inspraakreactie ontvangen. Naar aanleiding hiervan is het bestemmingsplan aangepast. Het eindverslag van de inspraak is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd.
Overleg
In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan:
Beide instanties hebben gereageerd. Het voorontwerpbestemmingsplan geeft voor de provincie geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Het waterschap heeft ingestemd met het voorontwerpbestemmingsplan. De in het plan beschreven ontwikkeling is hemelwater-neutraal omdat er geen sprake is van toename van verhard oppervlak. Voor het overige zijn geen waterschapsbelangen aan de orde. Het eindverslag van het vooroverleg is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd.
Overenkomstig artikel 3.8 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening is het ontwerpbestemmingsplan "Cuijk, Heeswijkse Kampen, Lavendelplein" met ingang van 21 mei 2014 gedurende zes weken ter inzage gelegd tot en met 1 juli 2014. Naar aanleiding van de publicatie zijn er zienswijzen ingediend en is het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld. De Nota van zienswijzen en wijzigingen betreffende het ontwerpbestemmingsplan is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd.