direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Haps, Burgemeester Moorenstraat 28
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1684.02BPburgmoorenst28-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Voorliggend rapport betreft het bestemmingsplan "Haps, Burgemeester Moorenstraat 28" van de gemeente Cuijk.

 

Op het adres Burgemeester Moorenstraat 28 te Haps staat een vrijstaande woning. Deze woning staat veel verder van de straat dan de overige woningen in deze straat. De woning is bovendien verouderd.

 

Initiatiefnemers de heer P. Weerts en mevrouw L. Buskens willen de bestaande woning slopen en vervangen door een nieuwe woning, die dichter bij de straat is gesitueerd.

Het plan kan niet worden gerealiseerd op basis van het vigerende bestemmingsplan. Reden waarom een procedure tot herziening van het bestemmingsplan wordt doorlopen.

1.2 Ligging en kadastrale begrenzing

Onderstaande afbeelding geeft de topografische ligging weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPburgmoorenst28-VA01_0001.jpg"

TOPOGRAFISCHE SITUATIE 

Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie weer. Tevens is de plangrens van voorliggend bestemmingsplan ingetekend.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPburgmoorenst28-VA01_0002.jpg"

KADASTRALE SITUATIE

De gronden zijn kadastraal bekend gemeente Cuijk, sectie K, nummer 2778.

De oppervlakte van het plangebied bedraagt 684 m². De gronden zijn eigendom van de kinderen Weerts.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan "Haps", vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 31 oktober 2011.

Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de vigerende verbeelding. De ligging van het plangebied is aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPburgmoorenst28-VA01_0003.jpg"

UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN

Het gehele plangebied ligt binnen de bestemming 'Wonen'. In het plangebied is één vrijstaande woning toegestaan, die binnen het aangeduide bouwvlak moet zijn gebouwd. Zoals eerder vermeld ligt het bouwvlak op veel grotere afstand dan de bouwvlakken van de straat van de overige woningen in de straat.

Voorts is op het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' van toepassing, die het uitvoeren van een archeologisch onderzoek verplicht bij grondroeringen door werken of bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 2500 m².

Binnen het gehele plangebied geldt de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - radar'. Ten behoeve van het functioneren van het radarsysteem mag niet hoger gebouwd worden dan 65 meter boven NAP.

Hoofdstuk 2 Gebiedsanalyse

In dit hoofdstuk wordt een analyse van de directe omgeving van het plangebied gegeven, alsmede een beoordeling van mogelijke belemmeringen.

2.1 Directe omgeving en plangebied

Het plangebied ligt in het zuidoostelijke deel van de kern Haps. Dit deel van de kern heeft een overwegende woonfunctie. Onderstaande afbeelding geeft het plangebied in de directe omgeving weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPburgmoorenst28-VA01_0004.jpg"

DIRECTE OMGEVING EN PLANGEBIED

Aan de zuidwestzijde van de Burgemeester Moorenstraat staan voornamelijk vrijstaande woningen. De afstanden van de woningen tot aan de voorste perceelgrens variëren van 4,5 tot 8 meter. De afstand van de woning in het plangebied tot de voorste perceelgrens bedraagt 19 meter.

2.2 Fysieke belemmeringen

Het plangebied ligt binnen een afstand van 15 km van het militaire vliegveld Volkel en derhalve binnen het radarverstoringsgebied. Het plangebied ligt buiten de funnel en de zones van de vliegveiligheidssystemen.

Radarsystemen dienen 'vrij zicht' te hebben om goed te kunnen functioneren. Het plangebied ligt op 12.000 meter van de radarinstallatie. Uit de in artikel 2.4 van de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) opgenomen berekening volgt dat bouwwerken binnen het plangebied niet hoger mogen zijn dan 101 meter boven NAP. Het plangebied ligt op een hoogte van circa 12 meter boven NAP. Het plan kan hier ruimschoots aan voldoen en vormt derhalve geen belemmering voor het radarsysteem.

Hoofdstuk 3 Plan

Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van het feitelijke plan. Achtereenvolgens komen aan de orde:

  • 1. het bouwplan;
  • 2. verkeer en parkeren;
  • 3. groen en water.

3.1 Bouwplan

De bestaande woning wordt gesloopt en vervangen door een nieuwe, eveneens vrijstaande woning. Onderstaande afbeelding geeft de situering van de nieuwe woning weer en bevat ook enkele gevelaanzichten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1684.02BPburgmoorenst28-VA01_0005.jpg"

SITUERING BOUWPLAN EN IMPRESSIE GEVELS

De woning bestaat uit één bouwlaag en wordt voorzien van een rieten kap. Aan de rechter zijkant komt een aanbouw van één bouwlaag met plak dak en aan de linker zijkant een carport. De woning wordt uitgevoerd in 'logbouw' en krijgt een Scandinavische uitstraling.

De bebouwde oppervlakte van de woning bedraagt circa 100 m². De woning krijgt een goothoogte van circa 3 meter en een bouwhoogte van circa 7,5 meter.

Bij de woning wordt een vrijstaand bijgebouw (in houtskeletbouw) gerealiseerd met een oppervlakte van circa 30 m² en een hoogte van circa 3 meter.

De welstandcommissie heeft op 8 januari 2014 positief geadviseerd ten aanzien van het bouwplan.

3.2 Verkeer en parkeren

Het plan betreft de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning. Het aantal woningen blijft derhalve gelijk. Daarmee verandert ook de verkeersaantrekkende werking niet.

Parkeren
Voor een berekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen zijn de parkeernormen, zoals vastgelegd in de Parkeernota Gemeente Cuijk, gehanteerd. Voor één woning in het dure segment zijn 2 parkeerplaatsen nodig, waarvan tenminste 0,3 parkeerplaatsen in het openbare gebied voor het bezoekersparkeren.

In de huidige situatie is sprake van een lange oprit die leidt naar de woning. Er is thans geen garage of carport aanwezig. Conform de parkeernota wordt een lange oprit gezien als 1 parkeerplaats. Dat betekent dat daarnaast thans 1 parkeerplaats in het openbaar gebied in gebruik is.

In de nieuwe situatie zal sprake zijn van een lange oprit en een carport, die conform de parkeernota samen gezien mogen worden als 1,3 parkeerplaatsen. In het openbare gebied zal dus nog ruimte voor 0,7 parkeerplaats nodig zijn. Hiermee neemt de parkeerdruk enigszins af.

3.3 Groen en water

Het plangebied is thans geheel in gebruik als tuin en bevat derhalve geen structureel groen en ook geen oppervlaktewater. Nadat de nieuwe woning is gerealiseerd zal de tuin heringericht worden.

Hoofdstuk 4 Beleid

In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende beleid. Achtereenvolgens komt aan de orde het beleid op:

  • nationaal niveau;
  • provinciaal niveau;
  • gemeentelijk niveau.

4.1 Nationaal niveau

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De SVIR geeft een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid op rijksniveau, en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR worden de ambities van het Rijk tot 2040 geschetst, alsmede doelen, belangen en opgaven tot 2028. In de SVIR kiest het Rijk voor minder nationale belangen en eenvoudiger regelgeving.

De reeds ingezette trend om aan de provincies en gemeenten ruimte te laten inzake de ruimtelijke ontwikkelingen wordt versterkt in de SVIR.

De SVIR bevat 13 nationale belangen die worden beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Het betreffen:

  • 1. Het Project Mainportontwikkeling Rotterdam
  • 2. Militaire terreinen en objecten
  • 3. De Wadden
  • 4. De kust (inclusief primaire kering)
  • 5. De grote rivieren
  • 6. De Werelderfgoederen
  • 7. Reserveringen uitbreidingen weg en spoor
  • 8. Veiligheid vaarwegen
  • 9. Het netwerk voor elektriciteitsvoorziening
  • 10. De buitendijkse uitbreidingsruimte in het IJsselmeer
  • 11. Bescherming van de (overige) primaire waterkeringen
  • 12. Reservering voor rivierverruiming Maas
  • 13. De Ecologische Hoofdstructuur (EHS)

De nationale belangen zijn vastgelegd in en worden beschermd door het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, zie paragraaf 4.1.2.

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

De in de SVIR opgenomen nationale belangen krijgen een wettelijke grondslag in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

De werking van het Barro is naar plaats beperkt. Het plangebied ligt op minder dan 15 km van het militaire vliegveld Volkel. Derhalve gelden hoogtebeperkingen zoals beschreven in paragraaf 2.2. Het bouwplan blijft ruimschoots onder de maximaal toegestane hoogte, zoals bedoeld in artikel 2.6.9 Barro. Het plan vormt geen belemmering voor het nationale belang "Militaire terreinen en objecten".

Het plan vormt evenmin een belemmering voor de overige nationale belangen.

Conclusie
Het plan vormt geen belemmering voor de nationale belangen die middels het Barro beschermd zijn.

4.1.3 Overig nationaal beleid

Het overige nationale beleid is niet specifiek van toepassing op onderhavig plan.

4.2 Provinciaal niveau

Het provinciale ruimtelijk beleid is vastgelegd in de nota's:

  • Structuurvisie Ruimtelijke Ordening;
  • Verordening ruimte 2014.

Het plan wordt aan deze twee nota's getoetst.

4.2.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010, partiële herziening 2014 in werking getreden. De structuurvisie bevat de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid van het provinciale bestuur op de ontwikkeling van Noord-Brabant.

Het plangebied is onderdeel van het stedelijke gebied van Haps, dat als 'kern in het landelijke gebied' is aangemerkt. Dergelijke kernen hebben als taak de lokale behoefte voor verstedelijking op te vangen.

Het plan betreft de vervangende nieuwbouw van een bestaande woning. Het aantal woningen blijft gelijk. Het plan wordt daarmee als passend ervaren binnen het stedelijke gebied van Haps.

Conclusie
Het plan past binnen c.q. is niet in strijd met de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening.

4.2.2 Verordening ruimte 2014

Op 19 maart 2014 is de Verordening ruimte 2014 in werking getreden. Deze Verordening stelt regels aan de inhoud van ruimtelijke plannen voor die aspecten waar provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

Het plan omvat vervangende woningbouw binnen het bestaande stedelijk gebied van Haps. Hiermee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 4.2 van de Verordening dat voorschrijft dat stedelijke ontwikkelingen alleen binnen bestaand stedelijk gebied mogen plaatsvinden.

Omdat het plan niet leidt tot een toename van woningen is artikel 4.3 van de Verordening niet van toepassing. Er is ook geen toetsing aan de regionale afspraken nodig.

Conclusie
Het plan past binnen de Verordening ruimte 2014.

4.2.3 Overig provinciaal beleid

Het overige provinciale beleid is niet specifiek van toepassing op onderhavig plan.

4.3 Gemeentelijk niveau

4.3.1 Woningbouwbeleid

Het project leidt per saldo niet tot een toename van het aantal woningen. Het opnemen van het project in het gemeentelijke woningbouwbeleid is daarom niet aan de orde.

4.3.2 Overig gemeentelijk beleid

Het overige gemeentelijke beleid is niet specifiek van toepassing op onderhavig plan.

Hoofdstuk 5 Uitvoeringsaspecten

In dit hoofdstuk worden de uitvoeringsaspecten beschreven. Achtereenvolgens komen aan de orde:

  • 1. milieu;
  • 2. waarden;
  • 3. waterhuishouding.

5.1 Milieu

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een toetsing plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkelingen aan de relevante milieuaspecten, teneinde het toekomstige gebruik af te stemmen op de omgeving. In deze paragraaf worden de milieuaspecten afzonderlijk beschreven.

5.1.1 Bodemkwaliteit
5.1.1.1 Inleiding

Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie.

5.1.1.2 Analyse

Envita uit Nijmegen heeft een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) uitgevoerd: rapport "Verkennend bodemonderzoek Burg. Moorenstraat 28 in Haps" (26 mei 2014, nr. 204099-10/ R01). Het onderzoeksrapport is als bijlage 1 bijgevoegd.

Envita concludeert dat de bodemkwaliteit, zoals aangetoond op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek, geen belemmeringen oplevert voor de voorgenomen bestemmingswijziging en geplande bouwactiviteiten.

5.1.1.3 Conclusie

Het aspect bodemkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.2 Bedrijven en milieuzonering
5.1.2.1 Inleiding

Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:

  • de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op omliggende milieugevoelige objecten (woningen etc.) c.q. of de voorgenomen ontwikkeling een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende inrichtingen;
  • bestaande milieubelastende inrichtingen (bedrijven) van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.

5.1.2.2 Analyse

Invloed plan op de omgeving
Het plan omvat woningbouw en heeft daarmee geen invloed op de omgeving.

Invloed omliggende inrichtingen op plan
Het plan ligt niet binnen de richtafstanden van de omliggende bedrijven. Het plan vormt geen belemmering voor de omliggende bedrijven.

5.1.2.3 Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.3 Externe veiligheid
5.1.3.1 Inleiding

Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden aangetoond dat geen nieuwe kwetsbare objecten binnen de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar worden gerealiseerd en moet een eventuele toename van het groepsrisico verantwoord worden.

5.1.3.2 Analyse

Het plan omvat geen nieuwe kwetsbare objecten, maar wel een verplaatsing daarvan. Een nadere toetsing aan het aspect externe veiligheid is daarom nodig.

De Risicokaart Nederland geeft een overzicht van de ligging van risicovolle activiteiten (inrichtingen, buisleidingen en transportroutes). Hieruit volgt dat in de omgeving van het plan geen risicovolle activiteiten worden uitgevoerd. Een nadere toetsing aan het aspect externe veiligheid is niet nodig.

5.1.3.3 Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.4 Geurhinder veehouderijen
5.1.4.1 Inleiding

Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.

5.1.4.2 Analyse

Het plangebied ligt niet in een omgeving met veehouderijen. Een nadere toetsing aan het aspect geurhinder veehouderijen is niet nodig.

5.1.4.3 Conclusie

Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.5 Geluid
5.1.5.1 Inleiding

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.

5.1.5.2 Analyse

Het plan omvat geen nieuwe geluidgevoelige objecten, maar de nieuwe woning wordt wel dichter op de weg geplaatst. Een nadere beoordeling van het aspect geluidhinder is daarmee nodig.

Verkeerslawaai
Op de Burgemeester Moorenstraat en de overige omliggende wegen is het 30 km/uur-regime van toepassing. Dat betekent dat er conform de Wet geluidhinder geen onderzoeksplicht is.

Gezien de beperkte verkeersintensiteiten op de Burgemeester Moorenstraat is het niet aannemelijk dat de gevelbelasting van de woning de normen teboven gaat. Er kan worden voorzien in een goed woon- en leefklimaat.

Industrielawaai
Het plangebied ligt niet binnen een geluidszone van industrielawaai. Er is geen akoestisch onderzoek nodig.

5.1.5.3 Conclusie

Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.6 Luchtkwaliteit
5.1.6.1 Inleiding

Het aspect luchtkwaliteit heeft betrekking op ruimtelijke ontwikkelingen die een bijdrage leveren aan de luchtverontreiniging en op ruimtelijke ontwikkelingen die gevoelig zijn voor een slechte luchtkwaliteit.

Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. In de praktijk blijken vooral fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) een rol te spelen.

Daarnaast is het in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang aan te tonen dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

5.1.6.2 Analyse

Het plan betreft de vervangende nieuwbouw van één woning. Het aantal woningen blijft gelijk en daarmee is het plan niet van invloed op de concentratie van fijnstof in de buitenlucht.

Het plangebied ligt op dusdanig grote afstand van autosnelwegen of andere wegen met een zeer hoge verkeersintensiteit dat voorzien kan worden in een goed woon- en leefklimaat.

5.1.6.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.7 Milieueffectrapportage
5.1.7.1 Inleiding

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de gevallen opgenomen waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Alle andere vormen van ontwikkeling zijn in principe niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig, maar er kan hiervoor wel een nadere motivering vereist zijn.

5.1.7.2 Analyse

Het plan valt onder de activiteit D11.2 "De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen", zoals genoemd in de bijlage Besluit milieueffectrapportage. De omvang van het plan blijft echter zodanig ver onder de drempelwaarde van 2000 woningen voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten, dat zonder nader onderzoek kan worden geconcludeerd dat het plan geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Een nadere motivering is niet noodzakelijk.

5.1.7.3 Conclusie

Het plan is niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig. Het plan heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen.

5.2 Waarden

5.2.1 Archeologie
5.2.1.1 Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 38a van de Monumentenwet 1988 moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.

5.2.1.2 Analyse

Op 11 mei 2009 heeft de gemeente Cuijk haar eigen archeologiebeleid vastgesteld. Het plangebied ligt binnen de beleidszone 'Waarde - Archeologie 5', hetgeen betekent dat voor alle ruimtelijke ontwikkelingen met een oppervlakte van meer dan 2500 m² en een diepte van meer dan 50 cm onder maaiveld een nader onderzoek in de vorm van een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek nodig is.

Het bouwplan heeft een bebouwde oppervlakte van 130 m² en blijft daarmee ruimschoots onder de gestelde grens van 2500 m². Er is geen nader onderzoek nodig.

Volledigheidshalve is het archeologiebeleid middels de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' vastgelegd in de planregels.

5.2.1.3 Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.2.2 Cultuurhistorie
5.2.2.1 Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.

5.2.2.2 Analyse

Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Het plan tast geen waardevolle elementen aan.

5.2.2.3 Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.2.3 Flora en fauna
5.2.3.1 Inleiding

Ten behoeve van de bescherming van zeldzame of kwetsbare planten en dieren zijn twee wetten van toepassing:

  • de Natuurbeschermingswet 1998, deze beschermt waardevolle natuurgebieden;
  • de Flora- en faunawet, die een soortenbescherming bevat.
5.2.3.2 Analyse

Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en de ecologische hoofdstructuur.

De Natuurbeschermingswet 1998 kent tevens een zogenaamde 'externe werking', wat betekent dat ook projecten buiten Natura 2000-gebieden vergunningplichtig zijn wanneer zij een negatief effect hebben op deze gebieden.
Gezien de aard en de beperkte omvang van het plan, en de afstand (>5 kilometer) tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Oeffelter Meent) kan er geen sprake zijn van negatieve effecten van het plan op natuurgebieden.

Soortenbescherming
Het plan omvat het slopen van de bestaande woning en het oprichten van een nieuwe woning. Het plangebied is thans volledig in gebruik als tuin, de woning wordt thans nog bewoond. Er is geen reden aan te nemen dat het plangebied wordt gebruikt als leefgebied van beschermde soorten.

Te allen tijde geldt de zorgplicht, zodat eventueel toch aan te treffen soorten in voldoende mate beschermd zijn.

5.2.3.3 Conclusie

Het aspect flora en fauna vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.3 Waterparagraaf

5.3.1 Inleiding

De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets.

De waterparagraaf betreft een beschrijving van zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).

5.3.2 Beleid

In deze paragraaf wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende beleid.

5.3.2.1 Nationaal niveau
  • Het Nationaal Waterplan
    Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009-2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
5.3.2.2 Provinciaal niveau (Noord-Brabant)
  • Het Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2010-2015
    Dit plan bevat het strategische waterbeleid van de provincie Noord-Brabant voor de periode 2010-2015. Naast beleidskader is het Provinciaal Waterplan ook toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water. Bovendien dient het plan als structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening.
5.3.2.3 Waterschap Aa en Maas

Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Aa en Maas. Het waterschapsbeleid is onder meer beschreven in:

  • Het Waterbeheerplan 2010-2015
    Dit plan maakt inzichtelijk wat het waterschap de komende jaren gaat doen. Het doel is om het watersysteem en de afvalwaterketen op orde te houden. Het beheer van water door het waterschap bepaalt mede of mensen en dieren in Noordoost-Brabant leven in een veilige, schone en prettige omgeving.
  • De beleidsnota ‘Uitgangspunten watertoets waterschap Aa en Maas’
    De beleidsnota bevat acht uitgangspunten, die zijn gehanteerd bij het opstellen van voorliggend plan:
    • 1. Wateroverlastvrij bestemmen.
    • 2. Hydrologisch neutraal ontwikkelen.
    • 3. Voorkomen van vervuiling.
    • 4. Gescheiden houden van schoon en vuil water.
    • 5. Doorlopen van de afwegingsstappen: "hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer".
    • 6. Meervoudig ruimtegebruik.
    • 7. Water als kans.
    • 8. Waterschapsbelangen.
5.3.3 Watersysteem
5.3.3.1 Bodem

Er heeft geen specifiek onderzoek plaatsgevonden naar de infiltratiecapaciteit van de bodem. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek (zie paragraaf 5.1.1) blijkt dat ter plaatse sprake is van een zandbodem. De waterdoorlatendheid is goed.

5.3.3.2 Oppervlaktewater

Binnen het plangebied en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig.

5.3.3.3 Grondwater

De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het plangebied bedraagt 0,4 tot 0,8 m -mv (bron: bodemkaart). In het vervolg van deze paragraaf wordt uitgegaan van een GHG van 0,4 m -mv.

5.3.3.4 Keur-, attentie- en grondwaterbeschermingsgebieden

In de omgeving van het plangebied liggen geen Keur-, attentie- en/of grondwaterbeschermingsgebieden.

5.3.4 Hemelwater
5.3.4.1 Beschrijving huidige situatie

Binnen het plangebied staat thans een woning met een oppervlakte van circa 60 m². In geval van een hevige regenbui die eens in de 10 jaar voorkomt (T=10+10%) waarbij in korte tijd 27,6 mm regen valt, wordt 1,7 m³ hemelwater op het riool in de Burgemeester Moorenstraat geloosd. Dit riool is van het gescheiden type. Het schone hemelwater vanuit het plangebied wordt op het HWA-deel van het riool geloosd.

5.3.4.2 Beschrijving nieuwe situatie en afweging

Het nieuwe bouwplan bevat twee verschillende wijzen waarop het hemelwater wordt verwerkt. Deze wijzen functioneren naast elkaar.

  • Het hoofdgebouw (oppervlakte circa 60 m²) wordt voorzien van een rieten kap zonder goten. Het hemelwater vanaf het dak valt op de grond naast de woning, alwaar het rechtstreeks infiltreert. Dit hemelwater wordt van het riool afgekoppeld.
  • De platte aanbouwen en de carport worden van een sedumdak voorzien. Het hemelwater zal worden gebufferd op het dak en weer verdampen c.q. worden opgenomen door de dakbegroeiing. Bij hevige regenval treedt de overstort in werking. Vanuit de overstort wordt het hemelwater op het HWA-deel van de gescheiden riolering geloosd.
    Het sedumdak is thans nog niet volledig doorontworpen waardoor de buffercapaciteit niet niet exact te bepalen is. Een capaciteit van 10 l/m² is zeer goed voorstelbaar (en waarschijnlijk zelfs aan de zuinige kant). De platte daken hebben een gezamenlijke oppervlakte van 75 m². De buffercapaciteit bedraagt ten minste 750 l, ofwel 0,75 m³.

In geval van een regenbui van T=10+10% wordt (75x27,6=) 2 m³ hemelwater verwerkt. Hiervan wordt 0,75 m³ gebufferd en 1,25 m³ afgevoerd naar het HWA-deel van het gescheiden rioolstelsel.

Het plan leidt in geval van T=10+10% tot een afname van 0,45 m³ hemelwater op het riool. Het rioolstelsel wordt derhalve minder belast.

5.3.5 Afvalwater

Uitgangspunt is dat het vuile afvalwater en het schone hemelwater worden gescheiden.

Het vuile afvalwater zal op het bestaande, gescheiden rioolstelsel in de Burgemeester Moorenstraat geloosd worden.

5.3.6 Waterkwaliteit

Er zijn geen bijzondere maatregelen genomen om vervuiling van het oppervlaktewater te voorkomen. Overeenkomstig de eis van het waterschap worden in principe geen uitlogende materialen toegepast.

Hoofdstuk 6 Financiële aspecten

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Het plan betreft een particulier initiatief, waarvan alle kosten en risico's voor rekening van de initiatiefnemer komen. Het plan wordt economisch uitvoerbaar geacht.

6.2 Kostenverhaal

Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen, tenzij het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is (artikel 6.12 lid 2a Wro).

In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen behoren tot deze in het Bro genoemde bouwactiviteiten. Op basis van artikel 6.12 lid 2a Wro is het vaststellen van een exploitatieplan echter niet verplicht, omdat de gemeente en grondeigenaar een (anterieure) overeenkomst hebben gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over het kostenverhaal. Het kostenverhaal is derhalve 'anderszins verzekerd'. Het opstellen van een exploitatieplan is dus niet vereist.

Hoofdstuk 7 Juridische aspecten

7.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. Deze juridische vertaling is bindend.

Het bestemmingsplan bestaat uit:

  • de toelichting;
  • de planregels;
  • de verbeelding.

De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels, en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake nadere eisen en afwijkingen.

De planregels vormen de juridische regels voor het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken.

De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

Het bestemmingsplan voldoet aan de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.

7.2 Planregels

De relevante planregels van het vigerende bestemmingsplan "Haps" zijn overgenomen. De indeling is als volgt.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Begrippen (artikel 1)
In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Wijze van meten (artikel 2)
In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Wonen (artikel 3)
Het gehele plangebied is in deze bestemming vervat. Deze bestemming staat het realiseren van één vrijstaande woning toe. De woning moet worden opgericht binnen het bouwvlak.

Waarde - Archeologie 5 (artikel 4)
Ter bescherming van eventuele archeologische waarden is een dubbelbestemming opgenomen.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Anti-dubbeltelregel (artikel 5)
In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.

Algemene bouwregels (artikel 6)
Dit artikel bevat regels ten aanzien van afwijkende bestaande bebouwing en ondergeschikte bouwdelen, alsmede aanvullende regels voor het ondergronds bouwen en bijbehorende bouwwerken.

Algemene gebruiksregels (artikel 7)
In dit artikel is het strijdige gebruik opgenomen. Voorts zijn regels opgenomen ten aanzien van mantelzorg en beroep- en bedrijf-aan-huis.

Algemene aanduidingsregels (artikel 8)
Binnen het gehele plangebied geldt de aanduiding 'vrijwaringszone - radar' die een beperking legt op de toegestane hoogten binnen het plangebied. De hoogtebepaling van de vrijwaringszone is vrij recent vastgelegd in het Barro. Dit leidt ertoe dat er een grotere hoogte is toegestaan dan genoemd in het vigerende bestemmingsplan.

Algemene afwijkingsregels (artikel 9)
In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Deze afwijkingen betreffen onder meer het overschrijden van de maximaal toegestane afmetingen en percentages.

Algemene wijzigingsregels (artikel 10)
Dit artikel bevat wijzigingsbevoegdheden voor het veranderen van de verwijzing naar wetteksten en voor het overschrijden van bestemmingsgrenzen.

Algemene procedureregels (artikel 11)
In dit artikel zijn de procedureregels voor het stellen van nadere eisen opgenomen.

Overige regels (artikel 12)
In dit artikel is de aanvullende werking van de bouwverordening, zoals bedoeld in artikel 9 lid 2 van de Woningwet, gedeeltelijk uitgesloten.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht (artikel 13)
Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen.
Het gebruik van de bebouwing daarentegen wordt indien mogelijk positief bestemd of indien noodzakelijk door handhaving aan de gebruiksregels van de betreffende bestemming aangepast.

Slotregel (artikel 14)
Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 8 Procedure

Het bestemmingsplan doorloopt de gebruikelijke procedure. De voorziene procedurestappen zijn:

  • 1. Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan
  • 2. Vaststelling door gemeenteraad
  • 3. Terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan

8.1 Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan

Op grond van artikel 3.8 Wro heeft het ontwerpbestemmingsplan "Haps, Burgemeester Moorenstraat 28" vanaf 17 september gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegen.

Er zijn geen zienswijzen ingekomen.