| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Hoogspanningsstation Musselkanaal - Zandberg |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1681.TAMH22h-VG01 |
Als gevolg van de energietransitie is er een sterke toename in duurzame initiatieven, in het bijzonder de toename van decentrale opwek. Teneinde het toenemend aantal duurzame energieprojecten in de provincies Drenthe en Groningen nu en in de toekomst aan te kunnen sluiten op het regionaal/landelijk energienet en hiermee te voldoen aan aanvragen van (nieuwe) klanten zijn Enexis en TenneT genoodzaakt het bestaande transformatorstation Musselkanaal/Zandberg uit te breiden door het vervangen van een transformator en het in gebruik nemen van een wisseltransformator. Om in de nieuwe situatie alle drie de transformatoren in gebruik te mogen nemen, dienen geluidsproductieplafonds vastgesteld te worden in het omgevingsplan. Deze wijziging omgevingsplan ziet enkel en alleen op het vaststellen van geluidsproductieplafonds ten behoeve van het in gebruik mogen nemen van drie transformatoren met een totaal gelijktijdig ingeschakeld vermogen van 270 MVA.
Het transformatorstation is gelegen aan de Schaapsbergweg 56 in het buitengebied van het dorp Zandberg (kadastraal perceel ODN00-M-2469). Het betreft een 110 kV- transformatorstation en wordt gedeeld met de landelijke netbeheerder TenneT.
In is de locatie van het transformatorstation weergegeven. De directe omgeving van het transformatorstation heeft een agrarische bestemming met verspreid liggende (bedrijfs-) woningen/boerderijen.
Figuur 1.1. Ligging transformatorstation MZ
Het gebruiken van "niet in een gesloten gebouw ondergebrachte transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer" wordt onder de Omgevingswet aangemerkt als een "activiteit die in aanzienlijke mate geluid kan veroorzaken" (zie Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), artikel 5.78b, lid c). Op grond van artikel 2.11a Omgevingswet dient in dat geval een geluidproductieplafond vastgesteld te worden in het omgevingsplan. Het voornemen van dit project is om transformatorstation Musselkanaal/Zandberg uit te breiden. Met de voorgenomen plannen wordt meer dan 200MVA totaal ingeschakeld vermogen gerealiseerd. Het omgevingsplan dient daarom te worden gewijzigd. Voor de wijziging van het omgevingsplan dient er te worden onderzocht wat de effecten zullen zijn op de fysieke leefomgeving en of in het kader van een evenwichtige toedeling van functies te rechtvaardigen zijn.
Voor het wijzigen van een omgevingsplan moet een gemeente altijd de uniforme openbare voorbereidingsprocedure volgen. Deze procedure kent drie fasen:
Uit artikel 1.2 van de Omgevingswet (Ow) volgt welke activiteiten in elk geval tot de fysieke leefomgeving behoren. De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed.
En als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden in ieder geval aangemerkt gevolgen die kunnen voortvloeien uit:
En ook gevolgen voor de mens, voor zover deze wordt of kan worden beïnvloed door of via onderdelen van de fysieke leefomgeving. De lijst in artikel 1.2 Ow is niet uitputtend. Naast de in dit artikel genoemde onderwerpen behoren ook onderwerpen als duurzaamheid en klimaatadaptatie, gezondheid, veiligheid, natuurlijke hulpbronnen, milieu, drinkwatervoorziening, stedenbouwkundige kwaliteit en welstand tot de fysieke leefomgeving.
Een milieubelastende activiteit is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wijst de milieubelastende activiteiten aan waarvoor rijksregels gelden.
Het verhogen van het totaal ingeschakelde vermogen naar 270 MVA, is geen milieubelastende activiteit zoals in hoofdstuk 3 van Besluit Activiteiten Leefomgeving wordt omgeschreven. Er is dan ook buiten het uitvoeren van een geluidsonderzoek, geen nader onderzoek nodig naar milieueffecten.
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project mer-plichtig of mer.-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V van het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.
Het voornemen ziet op het in gebruik nemen van transformatoren waardoor geluidproductieplafonds dienen te worden vastgesteld. Deze worden niet als categorie genoemd in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Een dergelijke activiteit uitvoeren is dus niet mer-plichtig of een mer-beoordelingsplichtig.
Het voorliggende plan heeft van 19 juni tot en met 30 juli ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn er geen inhoudelijke zienswijzen ingediend. Om die reden is het plan na de terinzagelegging niet aangepast.
De motivering is opgebouwd uit 7 hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in Hoofdstuk 2 een toelichting gegeven op de huidige situatie en de voorgenomen ontwikkeling. In Hoofdstuk 3 wordt het beleidskader besproken. De toetsing van het voornemen aan het omgevingsplan staat beschreven in Hoofdstuk 4. In Hoofdstuk 5 worden de effecten van het voornemen op de aspecten fysieke leefomgeving en milieu beschreven. In Hoofdstuk 6 wordt de juridische vormgeving van de wijziging omgevingsplan uiteengezet. Hoofdstuk 7 bespreekt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het voornemen.
Het projectgebied is een bestaand transformatorstation waarop zowel eigendommen van Enexis als TenneT staan. Het ligt in een landelijke omgeving. Op het terrein bevinden zich een hoofdgebouw, een schakeltuin en drie transformatoren. De drie transformatoren zijn T111 (50 MVA), T121 (90 MVA) en een wisseltransformator T181 (90 MVA). Hierdoor is, in de huidige situatie, het tegelijk in te schakelen vermogen (50+90 =) 140 MVA.
Het plan voor het uitbreiden van transformatorstation Musselkanaal/Zandberg bestaat uit de volgende onderdelen:
De wijziging van dit omgevingsplan ziet enkel en alleen op het vaststellen van geluidproductieplafonds zodat alle drie de transformatoren in de nieuwe situatie in gebruik genomen mogen worden.
In de nieuwe situatie wordt transformator T111 vervangen voor een 90 MVA transformator. Tevens wordt de wisseltransformator T181 volledig in gebruik genomen. Hierdoor gaat het totaal ingeschakelde vermogen naar (90+90+90 =) 270 MVA. Aan het overschrijven van 200 MVA maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen zijn in de wet extra vereisten gekoppeld. Om de 200MVA totaal ingeschakeld vermogen te mogen overschrijden dient in het omgevingsplan een geluidproductieplafond te worden vastgesteld (zie paragraaf 1.3.1 ). Hiervoor dient het omgevingsplan te worden gewijzigd.
Figuur 2.1 Het in te schakelen vermogen in huidige en toekomstige situatie
Figuur 2.2 Geplande wijzigingen (met in rood omcirkeld de te vervangen transformator en de locatie van het E-house)
Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
De NOVI noemt duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit als een van de belangrijkste keuzes. Gesteld wordt dat er meer windturbines en meer zonnepanelen nodig zijn, wat automatisch als gevolg heeft dat er ook voldoende beschikbaarheid moet zijn op het net om de windturbines en zonnepanelen aan te kunnen sluiten. Met dit voornemen wordt er binnen de terreingrenzen met minimaal extra ruimtegebruik extra capaciteit gecreëerd. Dit is ook ten gunste van toekomstige generaties. Het past dan ook goed binnen de kaders van de NOVI.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)1 voorziet onder meer in de juridische borging van nationale belangen. Hoofdstuk 5 bevat (instructie)regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van het omgevingsplan inperkt, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken (waaronder de voormalige regelingen uit het Besluit en Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro/Rarro). Het grootste deel heeft betrekking op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (afdeling 5.1 Bkl).
Instructieregels van afdeling 5.1 Bkl gelden alleen voor de omgevingsplanregels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het grootste deel van de Bkl-instructieregels is dus niet van toepassing op omgevingsplanregels met een ander oogmerk. Over de onderwerpen waarvoor het Bkl geen instructieregels heeft opgenomen (onderwerpen die buiten het toepassingsbereik van de instructieregels vallen) is de gemeente vrij om regels te stellen, mits dat past binnen de andere wettelijke kaders.
Een belangrijke verbeterdoelstelling van de Omgevingswet is dat decentrale overheden meer bestuurlijke afwegingsruimte krijgen. Deze afwegingsruimte is in de instructieregels van het Bkl vormgegeven door voor een aantal thema´s (geluid, geur en trillingen) standaardwaarden en grenswaarden op te nemen. Overname van de standaardwaarde kan in beginsel zonder aanvullende motivering. Gebruikmaking van de ruimte tussen standaard- en grenswaarde vergt wel een aanvullende motivering
Bij de vaststelling van een (afwijking of wijziging van een) omgevingsplan ten behoeve van het verzwaren van een transformatorstation dient rekening gehouden te worden met de instructieregels die het Bkl stelt. Voor het project zijn de volgende regels in ieder geval relevant;
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Deze paragraaf stelt regels aan activiteiten anders dan wonen die geluid veroorzaken op geluidgevoelige gebouwen. Paragraaf 5.1.4.2a ziet specifiek ook op het geluid veroorzaakt door industrieterreinen waar het transformatorstation in de toekomst onder gecategoriseerd zal worden. Hier is onder meer beschreven dat het gebruiken van niet in een gesloten gebouw ondergebrachte transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of gezien wordt als een activiteit die een aanzienlijke mate van geluid kan veroorzaken. In het geval van deze activiteit dient een begrenst industrieterrein en geluidsproductieplafond te worden vastgelegd in het omgevingsplan. Ook zijn er geluid omgevingswaarden opgenomen voor geluidgevoelige (vervangende) nieuwbouw binnen het geluidsaandachtsgebied dat gebouwd wordt nadat de geluidsproductieplafonds zijn vastgesteld. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan deze regels.
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. De uitbreiding van een hoogspanningsstation doormiddel van het in gebruik nemen van transformatoren en het vaststellen van geluidproductieplafonds binnen de terreingrenzen, is geen stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bkl waardoor de ladder hiervoor niet van toepassing is.
Elektriciteitsvoorziening
In deze paragraaf wordt erop gewezen dat het omgevingsplan grootschalige elektriciteitsopwekking toe moet laten zo ver daar voldoende ruimte voor is. In lijn hiermee moet ook het hoogspanningsnet uitgebreid worden.
In het Bal en Bbl worden nadere regels genoemd ten aanzien van activiteiten in de leefomgeving en bouwwerken. Als het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voor een bepaalde activiteit geen regels stellen, heeft de gemeente in principe de beleidsvrijheid om in het omgevingsplan daar zelf regels over te stellen. Deze wijziging omgevingsplan voornemen ziet op het vaststellen van een geluidsproductieplafonds zodat drie transformatoren tegelijk in gebruik genomen mogen worden op het transformatorstation. Het Bbl is in dit project niet relevant aangezien er geen bouwactiviteiten in de zin van het (ver)bouwen van bouwwerken benodigd zijn.
Bij de vaststelling van een (afwijking of wijziging van een) omgevingsplan ten behoeve van het verzwaren van een transformatorstation dient wel rekening gehouden te worden met de regels uit het Bal. Voor het project zijn de volgende regels relevant:
In paragraaf 1.3.3 is reeds geconstateerd dat er geen sprake is van een milieubelastende activiteit waardoor veel regels uit het Bal niet relevant zijn.
Activiteiten die natuur betreffen
In hoofdstuk 11 van het Bal zijn regels opgenomen voor activiteiten die mogelijk gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden of andere bijzondere nationale natuurgebieden, bepaalde dier- of plantensoorten en houtopstanden. Zo is er zorgplicht om nadelige gevolgen voor Natura-2000 gebieden zo veel mogelijk te beperken. In Hoofdstuk 5 van deze motivering wordt het voornemen specifiek getoetst aan de regels van hoofdstuk 11 Bal.
Het plan is lijn met de NOVI. Er zijn op voorhand geen redenen bekend op basis waarvan de voorgenomen ontwikkeling in strijd is met regelgeving van het Rijk. De daadwerkelijke toetsing van de voorgenomen ontwikkeling aan instructieregels van het Rijk gebeurt in Hoofdstuk 5 van deze motivering.
De Actualisatie Omgevingsvisie Drenthe 2022 (28 september 2022) is het strategische kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van de provincie Drenthe. Met deze visie zet de provincie in op "het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe passend bij deze kernkwaliteiten." De kernkwaliteiten zijn de kwaliteiten die bijdragen aan de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe. Het gaat om: rust, ruimte, natuur en landschap; oorspronkelijkheid (authenticiteit, Drents eigen); noaberschap; kleinschaligheid (Drentse schaal); menselijke maat; veiligheid. Het provinciaal belang ligt in het behouden en, waar mogelijk, ontwikkelen van de kernkwaliteiten. In de Omgevingsvisie is voor alle kernkwaliteiten een uitwerking naar concrete indicatoren gemaakt, namelijk voor landschap, cultuurhistorie, aardkundige erfgoed, archeologie, rust en natuur. Aanvullend geeft de provincie aan dat 'zuinig ruimtegebruik' en het bewaken van een goede 'milieu- en leefomgevingskwaliteit' van provinciaal belang zijn.
In het kader van deze wijziging omgevingsplan die ziet op het vaststellen van een geluidsproductieplafond ten behoeve van het in gebruik nemen transformatoren, zijn met name kernkwaliteiten natuur en rust van belang.
Natuur
Veranderingen in de omgeving kunnen al snel een effect hebben op de natuur. Voor het in gebruik nemen van transformatoren is in het kader van natuur vooral het effect van geluid op natuur relevant. De impact hiervan is ook afhankelijk van het verschil met de huidige situatie en plaatselijke situatie. Bij de beoordeling kan gekeken worden naar de afstand tot bijvoorbeeld Natura-2000 gebieden en het voorkomen van bijzondere soorten in het gebied. In hoofdstuk 5 wordt de impact op natuur beoordeeld.
Rust en ruimte
Met dit voornemen wordt er binnen de terreingrenzen met minimaal extra ruimtegebruik meer netcapaciteit gecreëerd. Dit past goed het doel van de provincie om zuinig om te gaan met ruimte. Door het plaatsen van een moderne stillere transformator wordt ook de rust in het gebied zo veel mogelijk bewaakt. Het effect van geluid op de leefomgeving wordt nader beoordeeld in Hoofdstuk 5.
In de Omgevingsverordening provincie Drenthe (17 januari 2024) is het beleid uit de Actualisatie Omgevingsvisie Drenthe 2022 vertaald naar juridische regels. In de omgevingsverordening zijn regels opgesteld die de aspecten van de fysieke leefomgeving dienen te waarborgen. Zo zijn er regels bijvoorbeeld regels opgenomen over natuur (hoofdstuk 4, bescherming NNN-gebieden, herplant plicht), bodem (hoofdstuk 5, saneringsverplichtingen), radioastronomie (hoofdstuk 3, bescherming tegen elektromagnetische straling) en geluid (hoofdstuk 7, stiltegebieden). In hoofdstuk 5 van deze motivering worden de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op relevante aspecten van de fysieke leefomgeving uiteengezet. Hierbij zal ook zover relevant getoetst worden aan de regels van de Omgevingsverordening provincie Drenthe.
In Hoofdstuk 5 van deze motivering worden de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op relevante aspecten van de fysieke leefomgeving uiteengezet. Hierbij zal ook, zover relevant, getoetst worden aan de regels van het Bkl en het Bal
Het plan is lijn met de omgevingsvisie provincie Drenthe. Er zijn op voorhand geen redenen bekend op basis waarvan de voorgenomen ontwikkeling in strijd is met regelgeving van de provincie. De daadwerkelijke toetsing van de voorgenomen ontwikkeling aan Omgevingsverordening provincie Drenthe gebeurt in Hoofdstuk 5 van deze motivering.
De Omgevingsvisie BuitenGewoon Borger-Odoorn (vastgesteld 19 oktober 2023) is de visie op de fysieke leefomgeving van de gemeente Borger-Odoorn. De visie bestaat uit de volgende vijf onderdelen:
Het deel 'Visie'. Hierin zijn het toekomstbeeld voor 2040 opgenomen, evenals de ambities voor de korte en lange termijn en de manier waarop er onder de Omgevingswet wordt (samen)gewerkt.
Het deel 'Gebiedskompassen en leefgebieden'. In dit deel zijn de ambities verder uitgewerkt en zijn de belangrijkste gebiedswaarden omschreven. Daarvoor is de gemeente opgedeeld in drie deelgebieden:
Het grootse Veen; Hart van het Hunzedal; De oorspronkelijke Hondsrug. Voor elk deelgebied is een gebiedskompas opgesteld, bestaande uit een beschrijving van het karakter, aanduiding van de meest bijzondere waarden en een overzicht van verwachte ontwikkelingen.
Het deel 'Van idee naar plan'. Hierin is een stappenplan opgenomen aan de hand waarvan initiatiefnemers van een eerste idee naar een concreet plan kunnen toewerken.
Het deel 'Achtergronden'. Hierin wordt ingegaan op de vier milieubeginselen en de uitgangspunten voor milieukwaliteit die bij de totstandkoming van de Omgevingsvisie zijn gehanteerd.
Het deel 'Uitvoering en bijsturing'. In dit deel wordt ingegaan op de beleidscyclus en op de manier waarop de Omgevingsvisie wordt uitgewerkt en bijgestuurd.
In de omgevingsvisie geeft de gemeente aan duurzame energie belangrijk te vinden maar ook te waken voor het behoud van het landschap. De opwek van duurzame energie dient in de toekomst verder uitgebreid te worden, bij voorkeur met zon op dak. Zoals eerder benoemd is de verzwaring van dit transformatorstation noodzakelijk om deze energietransitie mogelijk te maken. Het transformatorstation ligt in het gebied 'het grootse veen'. Het gebied karakteriseert zich als een weids en open landbouwgebied. Dit karakter wordt met de voorgenomen ontwikkeling zo veel mogelijk behouden. Er wordt minimaal extra gebouwd en er wordt gebruik gemaakt van bestaande bouw en natuur om de nieuwe ontwikkelingen zo veel mogelijk van het zicht te onthouden. Het project past dan ook goed binnen de omgevingsvisie van de gemeente.
De VNG-richtlijn verwijst naar richtlijnen opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Deze richtlijnen zijn bedoeld om gemeenten te ondersteunen bij het uitvoeren van hun taken en het nemen van beslissingen op verschillende terreinen. De onderwerpen van de richtlijnen kunnen variëren, van financiën en ruimtelijke ordening tot sociale zaken en veiligheid. Ze dienen als referentiepunt voor gemeentelijke ambtenaren en bestuurders om consistent en efficiënt beleid te ontwikkelen en uit te voeren. Voor de wijziging van het omgevingsplan zijn de geluidsnormen relevant die in de VNG-richtlijn worden genoemd. In Hoofdstuk 5 worden de geluidseffecten van dit voornemen getoetst aan de geluidsnormen uit de richtlijn.
Er zijn geen relevante programma's vastgesteld in dit kader.
Het plan is lijn met de omgevingsvisie van de gemeente Borger-Odoorn. Er zijn op voorhand geen redenen bekend op basis waarvan de voorgenomen ontwikkeling in strijd is met regelgeving van de gemeente.
Ter plaatse van het projectgebied en in de omgeving geldt het Omgevingsplan van de gemeente Borger-Odoorn. Voor het omgevingsplan geldt dat de voor 1 januari 2024 geldende bestemmingsplannen, met inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024, van rechtswege zijn overgegaan in het tijdelijk deel van gemeentelijk omgevingsplan.
In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege, bestaande uit:
Hierna wordt op deze individuele 'oude' bestemmingsplannen ingegaan, deze geven regels voor de ontwikkeling van het project. Daarna wordt gekeken welke verdere regels en eventuele omgevingswaarden relevant zijn voor de wijziging van het omgevingsplan.
Bestemmingsplan ''Buitengebied, aanpassing hoogspanningsstation Musselkanaal Zandberg
Dit is het bestemmingsplan waarin de functies en bouwregels die gelden op het transformatiestation Musselkanaal-Zandberg zijn bepaald. Op het transformatorstation gelden de bestemmingen Bedrijf-Nutsvoorziening en maximum bebouwingspercentage 100%.
Het in gebruik nemen van transformatoren is niet in strijd met bestemmingsplannen.
Er zijn geen lokale verordeningen opgenomen in het tijdelijk deel van het Omgevingsplan.
De bruidsschat in het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Borger-Odoorn bestaat uit de volgende onderdelen:
Voor het project zijn in ieder geval de regels in paragraaf 22.3.4 Geluid van het Omgevingsplan relevant voor wat betreft de geluidwaarden. Onder de Omgevingswet hebben gemeenteraden vergaande mogelijkheden gekregen om geluidswaarden op te nemen in het omgevingsplan. Hiervoor heeft het Rijk instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (verder te noemen: Bkl). Deze instructieregels verplichten gemeenten om geluidswaarden op te nemen in het omgevingsplan met als doel het normeren van 'activiteiten' die geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen (zoals woningen) kunnen veroorzaken.
In het omgevingsplan is het onderdeel 'geluid' geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.56 Bruidsschat waar waarden gelden).
De instructieregels uit afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidsbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.21 Bkl).
Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.21 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
Geluidsproductieplafonds en geluidsregister
Het gebruiken van "niet in een gesloten gebouw ondergebrachte transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer" wordt in het Bkl), (artikel 5.78b, lid c) aangemerkt als een "activiteit die in aanzienlijke mate geluid kan veroorzaken”). Voor dergelijke activiteiten moeten in het omgevingsplan expliciet bepalingen worden opgenomen, te weten:
De bijbehorende gegevens moeten worden vastgelegd in het geluidregister. Het geluidregister voor industrieterreinen bevat in ieder geval het volgende:
De GPP's hebben betrekking op de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus. Voor industrieterreinen gelden hierbij normen voor de dosismaten Lden en Lnight2 .
Het geluid afkomstig van trafo's is tonaal van karakter. Het geluid wordt hierdoor over het algemeen als hinderlijker ervaren dan ander, ruisachtig geluid. Gelet hierop kan bij de beoordeling van het geluid in de omgeving sprake zijn van een toeslag (K1) van 5 dB. Het criterium voor het toepassen van de toeslag is dat het geluid op de beoordelingslocatie duidelijk als 'tonaal' herkenbaar is binnen het totale aanwezige geluid (inclusief het omgevingsgeluid). In de Omgevingswet is het toepassen van de toeslag niet expliciet verplicht. Wel wordt de mogelijkheid geboden om een dergelijke toeslag toe te passen bij het vaststellen van de GPP's en het geluidaandachtsgebied. Dit wordt in de regels gedaan.
Figuur 5.1 Geluidgevoelige objecten rondom transformatorstation Musselkanaal-Zandberg
Door adviesbureau Peutz is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting na realisatie van de uitbreiding (zie Bijlage 1 Geluidsonderzoek). In het geluidsonderzoek bij dit project is uitgegaan van het opnemen van de toeslag K1 (5 dB) in zowel het geluidaandachtsgebied als in de GPP's. De dichtstbijzijnde geluidgevoelige objecten bevinden zich op circa 280 meter ten noordoosten van de inrichting.
De geluidbron gegevens van elk van de drie trafo's zijn 86 dB(A) gedurende de dag/avond en 82 dB(A) gedurende de nacht. Tijdens de nacht, wanneer er minder vraag is naar energie, schakelen de trafo's over op een andere koelingsmethode dan gedurende de dag en avond. De trafo's maken daardoor in de nacht minder lawaai.
Uit het onderzoek blijkt dat ten gevolge van transformatorstation Musselkanaal- Zandberg ter plaatse van de woningen in de eindsituatie langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus kunnen optreden van ten hoogste 22 dB(A) in zowel de dag- en de avondperiode en 19 dB(A) in de nachtperiode. Eén ander komt overeen met een etmaalwaarde van ten hoogste 29 dB(A). Hierbij is rekening gehouden met de toepassing van een toeslag van 5 dB voor het tonale karakter van het geluid. Hiermee wordt in alle gevallen voldaan aan de richtwaarde van de VNG-richtlijn van 45 dB(A) in de dagperiode, 40 dB(A) in de avondperiode, 35 dB(A) in de nachtperiode en 45 dB(A) etmaalwaarde3 . Tevens wordt voldaan aan de streefwaarde van 40 dB(A) geldend voor een 'landelijk gebied'. In conclusie; er wordt voldaan aan de voorgeschreven waarden.
In het geluidsonderzoek is geen onderzoek gedaan naar de geluidniveaus in de huidige situatie. Het is echter goed mogelijk dat het geluid in de nieuwe situatie gelijk dan wel beter wordt dan de huidige situatie. Nieuwe transformatoren maken doorgaans minder geluid dan oudere transformatoren. Dit ondanks het hogere vermogen van het de moderne transformatoren.
De Omgevingsdienst Drenthe heeft op 20 mei 2025 een milieuadvies uitgebracht voor dit project. In het advies is onder meer aandacht besteed aan het aspect geluid. Andere milieuaspecten zijn niet als relevant beoordeeld. De resultaten van het akoestisch onderzoek en de bijbehorende planstukken zijn in het advies akkoord bevonden. Er is geen aanleiding gevonden om te concluderen dat er geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Cumulatie met andere bronnen
Cumulatie met andere bronnen wordt beschouwd als er sprake is van blootstelling aan meer dan één geluidbron conform de rekenregels uit paragraaf 3.1.5 Omgevingsregeling. In het geval van dit project is hier geen sprake van. Er zijn geen andere vormen van bedrijvigheid of ruimtelijke functies in de omgeving (zoals wegen, spoorwegen, windparken of schietbanen) die tot cumulatie van geluid kunnen zorgen.
De ontwikkeling voldoet aan de geluidswaarden van de VNG-richtlijn. Er is voor het aspect geluid dan ook sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Geluid staat de uitvoerbaarheid van het voornemen niet in de weg. De in het rapport berekende geluidproductieplafonds zullen worden vastgelegd in het Omgevingsplan om de maximaal berekende geluidbelasting naar de omgeving te borgen.
Per 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming4 opgegaan in de Omgevingswet (Ow). Op grond van artikel 4.3 Ow zijn voor de volgende relevante natuuractiviteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regels gesteld:
Dit zijn rechtstreeks werkende geldende regels die zijn gericht aan degene die de activiteit verricht. Daarnaast kunnen er algemene regels gelden naast een eventuele omgevingsvergunningplicht op grond van artikel 5.1 Ow.
Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Gebiedsbescherming
De aanwijzing van natuurgebieden zoals Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale gebieden, nationale parken, Natuurnetwerk Nederland en bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen is geregeld in paragraaf 2.6.3 van de Omgevingswet (Ow).
Natura 2000-gebieden
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.44, eerste lid, Ow legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een omgevingsplan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten.
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). In het Natuurnetwerk Nederland liggen:
Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op het NNN denkbaar zijn, is het noodzakelijk een NNN-toetsing uit te voeren.
Stikstof
Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet (Ow). De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.
Soortenbescherming
Onder de Ow zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Dit vorm krijgen in wet- en regelgeving, maar in fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub g Ow zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook andere decentrale overheden kunnen hiervoor actief beleid voeren. Gedacht kan worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn.
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Vellen van houtopstanden
Bij dit voornemen worden er geen houtopstanden geveld. Dit wordt dan ook niet nader behandeld.
Figuur 5.2 Natuur rondom transformatorstation Musselkanaal-Zandberg
Natura 2000-gebieden
Het transformatorstation ligt niet in de nabijheid van beschermde Natura-2000 gebieden (zie figuur 5.2). Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied is Lieftinghsbroek op 11,5 kilometer afstand. De bescherming van Natura 2000-gebieden kent een externe werking. Dit betekent dat ook activiteiten buiten het Natura 2000-gebied een negatieve impact kunnen hebben op de 'beschermingsdoelstellingen' (ook wel instandhoudingsdoelstellingen genoemd) van dergelijke natuurgebieden.
De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. De verwachting is dat de geluidniveaus in de nieuwe situatie beter dan wel gelijk zijn ten opzichte van de huidige situatie. Op voorhand worden er dan ook geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen. Er hoeft dan ook geen nadere toetsing uitgevoerd te worden.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Zoals te zien is in is er geen Natuurnetwerk Nederland (NNN) gebied in de directe nabijheid van het transformatorstation. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 1,5 kilometer afstand. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Van afname van areaal is geen sprake, tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Het NNN kent ook geen externe werking, een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
Stikstof
De ingebruikname van transformatoren veroorzaakt geen uitstoot van stikstof.
Soortenbescherming
De in gebruik te nemen transformatoren bevinden zich binnen de bestaande terreingrenzen van het transformatorstation. Ook wordt zal de geluidsoverlast gelijk of minder zijn ten opzichte van de huidige situatie. Er worden geen wezenlijke effecten op soorten verwacht door de ingebruikname van de transformatoren.
Er worden geen wezenlijke effecten op natuur verwacht. Er is voor het aspect natuur dan ook sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Toetsingskader
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Onderzoek
Het transformatorstation is geen risico object met een extern veiligheidsrisico. De locatie hoeft dan ook niet getoetst te worden aan het Bkl. Dit is in lijn met het milieuadvies wat is gegeven door de Omgevingsdienst Drenthe op 20 mei 2025.
Conclusie
Het in gebruik nemen van de transformatoren vormt geen risico voor de omgevingsveiligheid. Er is voor het aspect omgevingsveiligheid dan ook sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Toetsingskader
In bijlage 1 van de Omgevingswet (Ow) is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen." Artikel 1.3 en 2.1 Ow borgen het belang van duurzaamheid. In artikel 1.3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord:
"Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de
bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: bereiken en in
stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en
doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van
maatschappelijke behoeften."
Artikel 2.1 geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld.
Artikel 1.3 geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men "voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving". Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving geborgd. Het vergt een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming van alle relevante belangen, waaronder: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen.
Onderzoek
Deze ontwikkeling voorziet in een verbetering van het bestaande elektriciteitsnet als bijdrage aan de duurzame energietransitie en daarmee het beperken van de opwarming van de aarde en CO2-emissie. Zowel de huidige als toekomstige generaties ondervinden de voordelen hiervan. Er wordt met de ontwikkeling ook geen ruimte gebruikt die voor andere doeleinden had kunnen worden gebruikt.
Conclusie
Deze ontwikkeling legt geen problemen op aan toekomstige generaties. Er is voor het aspect duurzaamheid dan ook sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Toetsingskader
Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow) is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1:3 Ow, zie ook 4.4.1). In artikel 2.1 lid 4 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. De GGD kan hierbij adviseren.
Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. In het omgevingsplan werken deze randvoorwaarden door.
Onderzoek
Omdat geluidshinder, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit apart worden behandeld in dit hoofdstuk, wordt onder gezondheid enkel het effect van elektrische magneetvelden en geluid op gezondheid beschouwd.
Magneetvelden
Elektrische magneetvelden komen overal voor en ontstaan bij het opwekken, transporteren en gebruiken van elektriciteit. Deze ontstaan bij hoogspanningslijnen, kabels en elektriciteitsstations, maar ook bij het gebruik van huishoudelijke apparaten zoals een stofzuiger, scheerapparaat en waterkoker. Een elektrisch magneetveld ziet op een gebied rondom apparaten, kabels en elektriciteitsstations waarbinnen elektromagnetische straling meetbaar is. Deze mag niet hoger zijn dan een Europees vastgestelde limiet. Deze limiet is 100 microtesla. Enexis zorgt ervoor dat de sterkte van de elektrische magneetvelden buiten het transformatorstation altijd beneden deze waarde blijft.
Op 18 juli 2023 is er tussen Netbeheer Nederland en de minister van Klimaat en Energie een convenant gesloten over het nemen van proportionele bronmaatregelen die zien op het realiseren van nieuwe netcomponenten, waaronder op hoog- en middenspanningstations. Enexis past de genoemde bronmaatregelen uit dit convenant toe bij de uitbreiding van het transformatorstation Musselkanaal-Zandberg ter beperking van magneetvelden.
Uitgangspunten GGD-advisering geluid in kader gezondheid
GGD'en baseren zich in hun advisering ten aanzien van geluid op de Richtlijn Omgevingsgeluid en Gezondheid. In de richtlijn is opgenomen dat de gezondheidskundige richtwaarde op de hoogst belaste gevel voor de bronnen wegverkeer, railverkeer en bedrijven tezamen niet meer dan 50 Lden en 40 dB Lnight mogen zijn. In paragraaf 5.1 is opgenomen dat de geluidswaarden (inclusief tonale toeslag) ten hoogste 22 dB(A) bedragen in de dag- en de avondperiode en 19 dB(A) in de nachtperiode. De voorgenomen ontwikkeling blijft onder de grenswaarden van de richtlijn. Er zijn dus geen redenen om aan te nemen dat het geluid van de voorgenomen ontwikkeling een effect heeft op de gezondheid van omwonenden.
Conclusie
Het leefomgeving aspect gezondheid hangt samen veel andere leefomgeving aspecten die in dit hoofdstuk apart beschouwd worden. In lijn met het convenant beperkt Enexis de magneetvelden van het transformatorstation. Ook de geluidsniveaus blijven onder de vastgestelde gezondheidsnormen. Er is voor het aspect gezondheid, voor hetgeen in deze paragraaf overwogen is, dan ook sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Dit aspect is niet relevant voor het in gebruik nemen van transformatoren dan wel het vaststellen van geluidproductieplafonds. Er is voor het aspect verkeer & parkeren dan ook sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Toetsingskader
De overheid beoordeelt vooral de luchtkwaliteit van aandachtsgebieden. In deze gebieden kunnen omgevingswaarden worden overschreden. Zij beoordeelt alleen de plekken waar mensen worden blootgesteld aan luchtvervuiling. Er zijn daarom ook locaties waar nooit toetsing of monitoring nodig is.
Toetsen aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig als een project of activiteit weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging. In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM). Dan is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) nodig.
Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Er zijn 2 mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
Onderzoek
Het plan heeft geen permanente verkeersaantrekkende werking en geeft derhalve geen extra toename van de concentratie NO2 en PM10. Daarom kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit niet 'in betekenende mate' zal verslechteren. Het is daarmee ook niet aannemelijk dat het plan de 3% grens overschrijdt. Daarom hoeft niet nader op het aspect luchtkwaliteit te worden ingegaan door middel van onderzoek. Dit is in lijn met het milieuadvies wat is gegeven door de Omgevingsdienst Drenthe op 20 mei 2025. Er is voor het aspect luchtkwaliteit dan ook sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Dit aspect is niet relevant voor het in gebruik nemen van transformatoren dan wel het vaststellen van geluidproductieplafonds. Er is voor het aspect duurzame verstedelijking dan ook sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Dit milieuaspect is niet relevant bij de voorgenomen ontwikkeling waarbij transformatoren in gebruik worden genomen. Het in gebruik nemen van transformatoren heeft geen verstorende werking op de radioastronomie. Het transformatorstation ligt niet binnen zoneringen van radioastronomie en de magneetvelden blijven binnen de normen. Er is voor het aspect bescherming radioastronomie dan ook sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Dit aspect is niet relevant voor het in gebruik nemen van transformatoren dan wel het vaststellen van geluidproductieplafonds. Er komt geen geur vrij. Dit is in lijn met het milieuadvies wat is gegeven door de Omgevingsdienst Drenthe op 20 mei 2025. Er is voor het aspect geur dan ook sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Dit aspect is niet relevant voor het in gebruik nemen van transformatoren dan wel het vaststellen van geluidproductieplafonds. De transformatoren produceren geen trillingen die in dit kader relevant zijn om nader te onderzoeken. Er is voor het aspect trilling dan ook sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Dit aspect is niet relevant voor het in gebruik nemen van transformatoren dan wel het vaststellen van geluidproductieplafonds. Er is voor het aspect welstand dan ook sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Dit aspect is niet relevant voor het in gebruik nemen van transformatoren dan wel het vaststellen van geluidproductieplafonds. Er worden wel graafwerkzaamheden verricht voor het plaatsen van een E-house maar de toetsing hiervan vindt plaats in een andere procedure. De wijziging van het omgevingsplan ziet alleen op de in gebruik name van transformatoren, dit heeft op zichzelf geen effect op archeologie, cultuurhistorie of landschap. Er wordt hiervoor namelijk niet gegraven en de ingebruikname van transformatoren heeft ook geen zichtbaar effect op het landschap.
Er is voor het aspect archeologie, cultuurhistorie en landschap dan ook sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Dit aspect is niet relevant voor het in gebruik nemen van transformatoren dan wel het vaststellen van geluidproductieplafonds. De wijziging van het omgevingsplan ziet alleen op de in gebruik name van transformatoren, dit heeft op zichzelf geen effect op de bodem. Er is voor het aspect bodem dan ook sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Dit aspect is niet relevant voor het in gebruik nemen van transformatoren dan wel het vaststellen van geluidproductieplafonds. De wijziging van het omgevingsplan ziet alleen op de in gebruik name van transformatoren, dit heeft op zichzelf geen effect op water. Er is voor het aspect water dan ook sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Op 1 januari 2024 is het gemeentelijke omgevingsplan van rechtswege ontstaan uit onder meer de gemeentelijke bestemmingsplannen en de bruidsschat van het Rijk. In het omgevingsplan staan onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om de bestemmingsplannen, die nu in het tijdelijke deel van het omgevingsplan zitten, om te zetten naar het definitieve deel van het omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege wijzigen.
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het Digitaal Stelstel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is de TAM-IMRO. Bij de TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het TAM-omgevingsplan transformatorstation Musselkanaal -Zandberg komt in het definitieve deel van het omgevingsplan als apart hoofdstuk. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD)5 .
Voor deze wijziging van het omgevingsplan is gekozen voor een opzet die zo dicht mogelijk ligt bij het voormalige gemeentelijke bestemmingsplan
De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie transformatorstation Musselkanaal-Zandberg, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1681.TAMH22h-VG01 zoals vastgelegd op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/zoeken/locatie. In Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.
Het omgevingsplan van rechtswege worden met dit TAM-omgevingsplan gewijzigd. De volgende wijzigingen zijn aangebracht:
Preambule
De preambule is direct zichtbaar boven de regels. In de preambule staat dat het TAM- omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk 22h van het gemeentelijke omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dát hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met inpassing in het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.
HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS
Artikel 1 Titel
In dit artikel wordt aangegeven onder welke titel het omgevingsplan wordt vastgelegd.
Artikel 2 Algemene begripsbepalingen
In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar de algemeen geldende begrippen.
Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen
In dit artikel zijn begrippen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-IMRO omgevingsplan.
Artikel 4 Toepassingsbereik
De toepassingsbereikbepaling geeft de begrenzing aan waarbinnen de nieuwe regels gelden.
Artikel 5 Voorrangsregeling
De toepassingsbereikbepaling regelt dat de nieuwe regels voorrang hebben als ze in strijd zijn met de oude regels.
HOOFDSTUK 2 FUNCTIES EN ACTIVITEITEN
Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod
In het omgevingsplan geldt dat als er geen regels voor een activiteit zijn opgenomen, deze activiteit zonder meer mag worden uitgevoerd en er geen beperkingen voor die activiteit op grond van het omgevingsplan gelden. Het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met dit TAM-omgevingsplan moet nadrukkelijk vergunningplichtig worden gemaakt of verboden. In dit geval is gekozen voor een algemeen gebruiksverbod.
HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS
Artikel 7 Algemene aanduidingsregels
Geluidzone – Industrieterrein
In dit artikel zijn de regels voor de geluidzone-industrieterrein opgenomen. Er kan alleen een nieuw bouwwerk of machine geplaatst worden wanneer de geluidbelasting op de geluidreferentiepunten onder de vastgestelde geluidproductieplafonds blijft.
HOOFDSTUK 4 OVERGANGSREGELS
Artikel 8 Anti-dubbeltelregel
In dit artikel is aangegeven dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede keer mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren.
Artikel 9 Overgangsrecht
In dit artikel zijn de regels voor het overgangsrecht opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerken en functioneel gebruik.
Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt. In plaats van een uitvoerbaarheidstoets zal het omgevingsplan een onuitvoerbaarheidstoets bevatten. Het omgevingsplan mag namelijk geen regels bevatten die op voorhand onuitvoerbaar zijn.
Kostenverhaal
Het Omgevingsbesluit (Ob) bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow).
Kostenverhaal geldt voor de volgende aangewezen kostenverhaalplichtige activiteiten (artikel 8.13 Ob):
a. De bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie;
b. De bouw van een of meer hoofdgebouwen anders dan gebouwen met een woonfunctie;
c. De uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer gebouwen met een woonfunctie;
d. De bouw van een gebouw dat geen hoofdgebouw als bedoeld onder b is, met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte;
e. De verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een woonfunctie tot gebouwen met een woonfunctie, mits het ten minste tien woonfuncties betreft; of
f. De verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een bijeenkomstfunctie voor het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse tot gebouwen met een of meer van deze gebruiksfuncties, mits de cumulatieve bruto-vloeroppervlakte van de nieuwe gebruiksfuncties ten minste 1.500 m2 bedraagt.
Het project voorziet in de realisatie van een geluidaandachtsgebied met bijbehorende regeling. Aangezien de ontwikkeling niet valt onder één van de genoemde bouwactiviteiten van artikel 8.13 Ob is kostenverhaal ook niet verplicht.
Nadeelcompensatie
Artikel 13.3c van de Omgevingswet bevat de wettelijke grondslag om een schadevergoedingsovereenkomst aan te gaan met degene die de activiteiten verricht. Met de Omgevingswet is ook titel 4.5 van de Awb gelijktijdig in werking getreden. Met het toevoegen van titel 4.5 bevat de Awb een generieke regeling voor nadeelcompensatie. Voor het omgevingsrecht is in hoofdstuk 15 van de Omgevingswet aanvullend op de regeling in de Awb een specifieke regeling voor nadeelcompensatie bij ruimtelijke besluiten opgenomen.
Op grond van hoofdstuk 15 kan schadevergoeding in de vorm van nadeelcompensatie worden uitgekeerd als de schade het gevolg is van een rechtmatig overheidsbesluit. In artikel 15.1 van de Omgevingswet is (limitatief) opgesomd welke rechtmatige ruimtelijke besluiten mogelijk tot schade kunnen leiden. Zo kunnen bijvoorbeeld omgevingsvergunningen voor de binnenplanse- en buitenplanse omgevingsplanactiviteit, vergunningen voor een milieubelastende activiteit en maatwerkvoorschriften allemaal schade veroorzaken die voor een vergoeding in aanmerking komt.
In de regeling van nadeelcompensatie onder de Omgevingswet kan voor activiteiten waarvoor een vergunningplicht geldt, pas een verzoek om nadeelcompensatie worden gedaan bij het bevoegd gezag als die vergunning daadwerkelijk wordt verleend. Voor activiteiten waarvoor geen vergunning vereist is, geldt dat de schade ontstaat op het moment dat er een melding wordt gedaan of feitelijk wordt begonnen met het uitvoeren van de activiteit. Het moment dat de aanspraak op een vergoeding van de schade ontstaat, verschuift in veel gevallen dus van het moment van planvaststelling naar het moment dat een ontwikkeling daadwerkelijk vorm krijgt.
Er wordt geen directe dan wel indirecte schade boven het normale maatschappelijke risico met dit voornemen verwacht. Mocht de conclusie bij planvaststelling zijn dat hier wel sprake van is dan zal initiatiefnemer een overeenkomst van nadeelcompensatie aangaan met de gemeente.
Het voornemen is economisch uitvoerbaar en de gemeente loopt geen financieel risico met de omgevingsplanwijziging.
In overleg met de gemeente is er een informatiebrief verstuurd naar omwonenden op 21 mei 2024. Dit wordt gezien als een passend medium omdat de effecten op de omgeving naar verwachting zeer beperkt zullen blijven. In deze brief zijn de voornemens van Enexis en Tennet op het transformatorstation en de mogelijke effecten hiervan op omwonenden beschreven. Er zijn twee reacties geweest op de brief. De eerste reactie is na een keukentafelgesprek naar tevredenheid afgehandeld. De tweede reactie wordt afgehandeld door de afdeling Grondzaken van Enexis doormiddel van het vestigen van een erfdienstbaarheid.
Gedurende de terinzagelegging van 19 juni tot en met 30 juli zijn er geen inhoudelijke zienswijzen op het voorliggende plan ontvangen. Het plan is daarom ongewijzigd gebleven.