In deze regels wordt verstaan onder:
1.1 plan:
het bestemmingsplan Drouwenermond, Noorderblokken 3A met
identificatienummer NL.IMRO.1681.07BP0005-VG01 van de gemeente Borger-Odoorn;
1.2 bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;
1.3 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels
worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
1.5 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
1.6 aardkundige waarden:
landvormen en aardlagen met een informatiewaarde (over de natuurlijke ontstaanswijze van het
gebied), een belevingswaarde (omdat zij identiteit en variatie aan het landschap geven) en een
ecologische waarde (als aiotische basis van de biodiversiteit);
1.7 archeologisch deskundige:
een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van
archeologie;
1.8 archeologisch onderzoek:
onderzoek (bureauonderzoek, booronderzoek, gravend onderzoek, begeleiding van bodemingrepen)
verricht door een daartoe bevoegde instantie of onderneming;
1.9 archeologische verwachtingswaarden:
waarden die aan een gebied zijn toegekend op basis van de kans op het voorkomen van
archeologische resten, ook wel archeologische verwachting genoemd. De archeologische
verwachting zegt iets over de dichtheid waarin archeologische terreinen binnen een landschappelijke
eenheid voorkomen of worden verwacht. Hoe hoger de archeologische verwachting, hoe groter de
verwachte dichtheid aan archeologische resten. Hoe groter de dichtheid aan archeologische resten,
hoe groter de (verwachte) archeologische waarde van een bepaalde landschappelijke eenheid. Met
de termen hoge, middelhoge en lage verwachting wordt dit tot uitdrukking gebracht;
1.10 archeologische waarden:
waarden die aan een gebied zijn toegekend vanwege de kennis en wetenschap van de in dat gebied
voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden. Bij toetsing
aan de archeologische waarde zal telkens de Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Borger-
Odoorn toetsingskader zijn;
1.11 bebouwde oppervlakte:
de som van de oppervlakte van alle gebouwen op een bouwperceel;
1.12 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
1.13 bedrijf:
een inrichting voor de bedrijfsmatige uitoefening van industrie, ambacht, handel, vervoer of
nijverheid;
1.14 bedrijfsbebouwing:
één of meerdere gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van de
uitoefening van een bedrijf, waaronder niet wordt begrepen een bedrijfswoning met de daarbij
behorende bijbehorende bouwwerken;
1.15 beperkt kwetsbaar object:
een object als bedoeld in artikel 1, sub b van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;
1.16 bestaande:
- het gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen;
- het onder 1 bedoelde geldt niet voor zover sprake was van strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan, de voorheen geldende beheersverordening, daaronder mede begrepen het overgangsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening, of een andere planologische toestemming;
1.17 bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak;
1.18 bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
1.19 bijbehorend bouwwerk:
een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel
bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde
verbonden bouwwerk met een dak;
1.20 bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van
een bouwwerk;
1.21 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak;
1.22 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende
bebouwing is toegelaten;
1.23 bouwperceelgrens:
de grens van een bouwperceel;
1.24 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde
gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;
1.25 bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij
indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
1.26 cultuurhistorische waarde:
de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en
door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of gebied heeft
gemaakt;
1.27 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, het verkopen
en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of
aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
1.28 erf:
een al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw
en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, waarbij het
bestemmingsplan die inrichting niet verbiedt;
1.29 gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden
omsloten ruimte vormt;
1.30 geluidsbelasting:
de geluidsbelasting vanwege een weg, een industrieterrein en/of een spoorweg;
1.31 geluidzoneringsplichtige inrichting:
een inrichting bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een
bestemmingsplan een geluidszone moet worden vastgesteld.
1.32 hoofdgebouw:
een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of
toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn,
gelet op die bestemming het belangrijkst is;
1.33 kil- of zakgoot:
de schuin aflopende goten die zich bevinden in de overgang (kil) tussen twee naar binnen gerichte
dakvlakken;
1.34 kwetsbaar object:
een object als bedoeld in artikel 1, sub l van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;
1.35 landschappelijk inpassingsplan
plan dat aangeeft op welke wijze de inpassing van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in het
desbetreffende gebied plaatsvindt; tot deze inpassing behoren de situering van de opstallen en de
inrichting van het perceel, waaronder de erfbeplanting ten opzichte van het landschap; het gaat om
bestaande en gewenste karakteristieken en kwaliteiten van het landschap;
1.36 landschappelijke waarden:
de essentiële elementen en kenmerken van landschappen, fysiek van aard, zoals beschreven in
het 'kwaliteitsdocument buitengebied Borger-Odoorn';
1.37 LOFAR-radiotelescoop
een over het plangebied verspreide ontvangstinrichting, hoofdzakelijk gericht op de ontvangst van
signalen uit de ruimte en daarnaast te gebruiken voor ander wetenschappelijk onderzoek, bestaande
uit diverse antenne- en sensorgroepen, die door middel van glasvezelkabels zijn verbonden met een
centrale computer;
1.38 natuurlijke waarden:
biotische en abiotische waarden van een gebied;
1.39 normaal onderhoud:
werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden;
1.40 overkapping:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat dient ter overdekking en dat met een of twee wanden is
omgeven; hieronder wordt in elk geval een carport verstaan;
1.41 peil:
- peil gebouw: de hoogte van de afgewerkte vloer ter plaatse van de hoofdtoegang;
- peil ander bouwwerk:de hoogte ter plaatse van het gemiddelde afgewerkte terrein;
1.42 risicovolle inrichting:
een inrichting, bij welke ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde,
richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand moet worden aangehouden bij het in het
bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten;
1.43 seksinrichting:
een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij
bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch pornografische
aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan; een seksbioscoop, een
seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen
een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
1.44 voorgevel:
de naar de weg, het voetpad of andere openbare ontsluiting toegekeerde gevel van een gebouw,
met dien verstande dat slechts één gevel als zodanig kan worden aangemerkt;
1.45 voorkeursgrenswaarde:
de bij een bestemmingsplan in acht te nemen maximale waarde voor de geluidsbelasting van
geluidsgevoelige objecten, zoals deze rechtstreeks kan worden afgeleid uit de Wet geluidhinder
en/of het Besluit geluidhinder;