| Plan: | Noorderpolder II, deelgebied De Velden, fase 2 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1676.00339BpwZZ-VA01 |
Aan de noordkant van Zierikzee bevindt zich het ontwikkelgebied Noorderpolder, dat bestaat uit de deelgebieden De Lanen aan de oostzijde en De Velden aan de westzijde. Van deelgebied De Velden is de eerste fase, het zuidwestelijke deel, inmiddels gerealiseerd. Het overige deel van De Velden moet nog nader worden ingevuld. Hiervoor zijn in het vigerende bestemmingsplan dan ook meerdere wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsverplichtingen opgenomen, waarmee de laatste fases van de woonwijk Noorderpolder kunnen worden ontwikkeld.
Het voornemen is om middels een wijzigingsbevoegdheid een appartementengebouw in de zuidoostelijke hoek van het deelgebied, fase 2, mogelijk te maken. Het betreft de locatie aan de Emil Sandströmweg ten zuiden van het waterveld. In het vigerende bestemmingsplan 'Zierikzee buiten de grachten' (het moederplan) zijn hier twee bouwvlakken ten behoeve van elk maximaal 9 gestapelde woningen opgenomen. In de nieuwe stedenbouwkundige opzet is één appartementengebouw van in totaal 25 wooneenheden voorzien. Omdat dit niet past binnen het vigerende bestemmingsplan, wordt met voorliggend wijzigingsplan gebruik gemaakt van de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid.
Het plangebied omvat eveneens drie andere vlakken binnen het deelgebied. Deze zijn enkel meegenomen om te voorkomen dat door de wijziging het aantal woningen toeneemt. Als voorwaarde bij de wijzigingsbevoegdheid in het moederplan is namelijk gesteld dat het aantal woningen niet mag toenemen (artikel 34.2.2 onder c). Het toegenomen aantal woningen ter plaatse van het zuidoostelijke appartementengebouw (25 in plaats van 18) is hier in mindering gebracht.
Voor het middelste gebouw aan het oostelijke waterveld, aan de Ingeland, is inmiddels al een omgevingsvergunning verleend. Deze ontwikkeling is op grond van het vigerende bestemmingsplan reeds mogelijk, en past ook binnen het met dit wijzigingsplan in mindering gebrachte aantal woningen (9 in plaats van 12).
Voorliggend wijzigingsplan wordt opgesteld met als doel om de ontwikkeling van het appartementengebouw met 25 appartementen in de zuidoostelijke hoek van deelgebied De Velden mogelijk te maken. Omdat dit qua bouwvlak en woningaantal afwijkt van het vigerende bestemmingsplan, wordt gebruik gemaakt van de opgenomen wijzigingsbevoegdheid. De overige locaties zijn meegenomen om te kunnen voldoen aan de in het moederplan gestelde voorwaarden. Daarbij zal voor het reeds vergunde middelste appartementengebouw aan het waterveld ook een passende eindbestemming worden opgenomen.
Het plangebied ligt in het deelgebied De Velden van ontwikkelgebied Noorderpolder. Dit gebied bevindt zich ten noordoosten van het centrum van Zierikzee, ten oosten van de N654 tussen de Korte Blokweg in het noorden en de Emil Sandströmweg in het zuiden. Aan de zuidoostkant van dit gebied is fase 1 inmiddels gerealiseerd. Fase 2 betreft de ontwikkeling aan het waterveld in het zuidoosten van De Velden. Het wordt begrensd door de Kadeweg en Emil Sandströmweg in het oosten en zuiden, fase 1 aan de westkant en de doorgetrokken Ingeland in het noorden.
Voorliggend plangebied bestaat uit vier vlakken. Het wordt hoofdzakelijk opgesteld ten behoeve van het appartementengebouw in fase 2 in de zuidoostelijke hoek van het gebied. Het gebouw wordt gesitueerd aan de zuidkant van de bestaande waterpartij, op korte afstand ten noorden van de Emil Sandströmweg. De precieze begrenzing van het plangebied wordt hier gevormd door de bestemming 'Wonen - De Velden' uit het vigerende bestemmingsplan 'Zierikzee buiten de grachten', met inbegrip van het deel van het nieuwe appartementengebouw dat hier net buiten valt. Daarbij is de plangrens zo doorgetrokken dat de meebestemde toekomstige oever aansluit op de vigerende bestemmingen (zie figuur 1.2).
Daarnaast zijn er nog drie vlakken in het plangebied meegenomen, gebaseerd op het moederplan. Het betreft de twee andere bestemmingen 'Wonen - De Velden' aan de oostelijke waterpartij, en diezelfde bestemming in het uiterste westen van het deelgebied direct ten noorden van de Watergang. Voor het gebouw aan de Ingeland is het bouwvlak afgestemd op het vergunde bouwplan. Voor de andere twee vlakken gaat het alleen om een planologische wijziging met betrekking tot het aantal wooneenheden, en is de begrenzing van de bestemming en aanduiding uit het moederplan aangehouden.
Figuur 1.1 toont de ligging van het plangebied in de omgeving.
Figuur 1.1: Ligging en begrenzing van het plangebied in de omgeving (het plangebied is globaal rood omkaderd).
Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan 'Zierikzee buiten de grachten', dat door de gemeenteraad van Schouwen-Duiveland op 9 april 2020 is vastgesteld. Figuur 1.2 toont een uitsnede van dit bestemmingsplan, met de begrenzing van voorliggend wijzigingsplan.
De gronden van voorliggend wijzigingsplan kennen hierin grotendeels de bestemming 'Wonen - De Velden'. De hiervoor aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen in woningen, en hierbij horende ondergeschikte voorzieningen. Daarbinnen zijn bouwvlakken opgenomen, waar gebouwen en bouwwerken ten dienste van de bestemming mogen worden gebouwd. Op de oostelijke bouwvlakken is de bouwaanduiding 'gestapeld' opgenomen, het westelijke bouwvlak 'aaneengebouwd'. Middels maatvoeringsaanduidingen is daarnaast per bouwvlak het maximum aantal woningen en de maximum bouw- en goothoogte bepaald. Verder kent het gehele plangebied een archeologische dubbelbestemming; grotendeels 'Waarde - Archeologie - 7', een kleiner deel 'Waarde - Archeologie - 6'.
Ter plaatse van voorliggend plangebied zijn daarnaast meerdere gebiedsaanduidingen opgenomen. Voor het hele plangebied geldt de wijzigingsbevoegdheid 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 5', en voor de hele woonbestemmingen ook 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 6'. In het moederplan is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 5' onder andere aanduidingsvlakken kunnen worden verwijderd dan wel opgenomen, een andere situering van bestemmingen en aanduidingen kan worden opgenomen en de geldende bestemming kan worden gewijzigd in aangegeven bestemmingen. De wijzigingsbevoegdheid binnen 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 6' geldt pas vanaf 31 december 2025.
Tot slot liggen de twee zuidoostelijke delen en het westelijke deel van het plangebied binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - bouwverbod 3'; het noordoostelijke deel in 'overige zone - bouwverbod 4'. Daarmee is een fasering ingebouwd; ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – bouwverbod 4' geldt dat een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen alleen kan worden verleend indien minimaal 90% van de toegestane woningen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bouwverbod 3' gebouwd dan wel in aanbouw is.
Voorliggend wijzigingsplan geeft invulling aan de wijzigingsbevoegdheid bij 'wijzigingsgebied 5'. Voor de gronden die binnen dit wijzigingsplangebied vallen, wordt de bestaande bestemmingsregeling herzien en vervalt het geldende bestemmingsplan 'Zierikzee buiten de grachten'.
Figuur 1.2: Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Zierikzee buiten de grachten' (voorliggend plangebied is donkerblauw omkaderd).
In hoofdstuk 2, 3 en 4 worden achtereenvolgens het beleidskader, het planologisch kader en het milieu- en duurzaamheidskader beschreven. In hoofdstuk 5 wordt de visie op het plangebied toegelicht. Daarna volgt hoofdstuk 6 met daarin de juridische aspecten. De toelichting van dit wijzigingsplan wordt afgesloten met de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 7 en 8.
Voorliggend plangebied maakt deel uit van deelgebied De Velden, binnen de uitbreidingswijk Noorderpolder aan de noordkant van Zierikzee. Deelgebied De Velden bestaat uit verschillende woonvelden, waarvan de eerste twee aan de zuidzijde (direct ten noorden van de Emil Sandströmweg) inmiddels zijn gerealiseerd. Ten noorden hiervan bevinden zich twee nog te ontwikkelen velden, aan de oostzijde ligt een waterveld waarlangs enkele losstaande appartementengebouwen zijn voorzien. Figuur 2.1 toont een overzicht van de woonvelden in vogelvluchtperspectief.
Voorliggend wijzigingsplan heeft betrekking op het zuidoostelijke deel van De Velden, en de realisatie van het meest zuidelijke appartementengebouw in het waterveld. Het appartementengebouw is voorzien direct ten zuiden van de waterpartij. In de huidige situatie is hier al een waterlichaam aanwezig; dit wordt in de toekomstige situatie nog vergroot waardoor het appartementengebouw direct aan het water komt te liggen. Verder zijn de gronden geheel onbebouwd, en bestaat het terrein hoofdzakelijk uit grasland.
Zoals beschreven in hoofdstuk 1 omvat het plangebied nog drie andere vlakken. Twee locaties liggen in het midden aan het waterveld, ten noorden en zuiden van de doorgetrokken Ingeland. De andere locatie bevindt zich in de zuidwestelijke hoek van veld 4 zoals aangeduid in figuur 2.1. Deze drie locaties zijn in de bestaande situatie eveneens onbebouwd en braakliggend. Voor de middelste locatie aan het waterveld, aan de Ingeland, is de omgevingsvergunning inmiddels verleend. Na de voorbelasting van de gronden is de bouw van het betreffende appartementencomplex in december 2021 gestart.
Figuur 2.1: Overzicht van de woonvelden in deelgebied De Velden vanuit vogelvluchtperspectief (bron: AM e.a., 20 september 2021).
Stedenbouwkundig en beeldkwaliteitsplan De Velden
Het deelgebied De Velden als onderdeel van uitbreidingswijk Noorderpolder wordt gefaseerd ontwikkeld. Zoals beschreven, zijn de eerste twee velden (fase 1) inmiddels gerealiseerd. Voor de ontwikkeling van het waterveld en de overige velden is een stedenbouwkundig en beeldkwaliteitsplan opgesteld. Dit dient als leidraad voor het bereiken van de gewenste stedenbouwkundige samenhang van de noordelijke Velden van Noorderpolder, en vormt een kader voor de verdere ontwikkeling van het plan. Hierin wordt onder meer ingegaan op het landschappelijke en historische karakter van de omgeving, de stedenbouwkundige uitgangspunten, het ruimtelijk concept, de planopzet (o.a. verkaveling, bouwvolumes, woningtypologieën), randvoorwaarden voor de bebouwde en onbebouwde ruimte, en enkele beeldbepalende profielen.
Figuur 2.2 toont de planopzet voor het gehele nog te ontwikkelen deel van De Velden.
Figuur 2.2: Planopzet De Velden - Waterveld, Veld 3 en 4 (bron: AM e.a., 20 september 2021).
Waterveld
Het waterveld vormt een centraal element binnen het gehele plan. Langs deze waterpartij zijn in totaal vier appartementengebouwen voorzien. Aan de westzijde van de waterpartij komt een belangrijke langzaamverkeersverbinding richting de binnenstad.
Dit wijzigingsplan is opgesteld om de ontwikkeling van het meest zuidelijke appartementengebouw mogelijk te maken. Het stedenbouwkundig plan wijkt hier af van de voorlopige verkaveling zoals die was opgenomen in het moederplan. Ten opzichte van de opzet uit het moederplan is het plan gewijzigd van twee gebouwen met 9 appartementen naar één gebouw met 25 appartementen. Het toegenomen aantal woningen op deze locatie is elders - de overige drie bestemmingsvlakken binnen dit wijzigingsplan - in mindering gebracht.
Voor het appartementengebouw ten noorden hiervan (aan de Ingeland) is ook al een concreet bouwplan voorhanden, in lijn met het stedenbouwkundig plan en passend binnen het vigerende bestemmingsplan. Hiervoor is inmiddels de vergunning verleend en is in december 2021 met de bouw gestart. De herverdeling van woningaantallen ten behoeve van het zuidelijke appartementengebouw is in het stedenbouwkundig plan voor deze locatie reeds meegenomen. Hier wordt zodoende een appartementengebouw met 9 woningen gerealiseerd (ten opzichte van de 12 toegestane woningen op grond van het vigerende bestemmingsplan). Om te borgen dat het aantal wooneenheden ook planologisch gezien gelijk blijft, wordt deze locatie met het werkelijke aantal woningen in dit wijzigingsplan meebestemd.
Zuidelijk appartementengebouw
Het zuidelijke appartementengebouw is voorzien aan de zuidkant van de waterpartij, gelegen aan de Emil Sandströmweg. Hier wordt een appartementengebouw gerealiseerd met in totaal 25 appartementen. Het nieuwe appartementengebouw bestaat uit een volume met 4 bouwlagen afgedekt met een plat dak, met een maximale hoogte van 13,5 meter. Daarmee is het iets hoger dan de drie andere gebouwen langs het waterveld met drie bouwlagen, en vormt het een accent op de kop van het water. Ten opzichte van de bebouwing die in het vigerende bestemmingsplan op deze locatie rechtstreeks is toegestaan is één bouwlaag toegevoegd, maar zijn de twee gebouwen teruggebracht tot één gebouw met een compacte footprint. Daarmee komt de nieuwe bebouwing beduidend verder weg te liggen van de bestaande woningen aan de westkant, dan in de bestaande planologische situatie toegestaan is. De kortste afstand neemt toe van circa 40 tot ruim 65 meter. Door de plaatsing van de parkeerplaatsen aan de westkant van het nieuwe gebouw is ook met de stedenbouwkundige opzet een passende afstand geborgd. In combinatie met de groenvoorziening (bomenrij) die langs en in het verlengde van de Dijkgraaf is voorzien (zoals te zien in figuur 2.4), wordt een goede afscherming gerealiseerd tussen het appartementengebouw en de bestaande woningen. Bovendien zorgt een gebouw met een compacte footprint voor betere doorzichten op en beleving van het water.
Het nieuwe gebouw wordt alzijdig gerealiseerd, met woningen, voordeuren en terrassen in alle vier de windrichtingen. Hierdoor zijn er geen achterkanten en wordt een duidelijke relatie gelegd met het omliggende landschap. Ook zorgt het voor meer levendigheid en sociale veiligheid. Aan de zuidwestkant van het gebouw is een toegangsweg voorzien, die aansluit op de Emil Sandströmweg. Hieraan bevinden zich enkele parkeerplaatsen op maaiveldniveau, en tevens de inrit naar een parkeerkelder onder het gebouw. In de kelder bevinden zich eveneens de bergingen van de appartementen.
Figuur 2.3 toont de verkavelingstekening van het nieuwe appartementengebouw. In figuur 2.4 is een impressietekening van het plangebied in vogelvlucht weergegeven.
Figuur 2.3: Situatietekening zuidoostelijke appartementengebouw (bron: AM/Grosfeld Bekkers van der Velde Architecten, 11 oktober 2021).
Figuur 2.4: Impressie toekomstige situatie in vogelvlucht, bezien vanuit het zuidwesten (bron: AM/Grosfeld Bekkers van der Velde Architecten, 11 oktober 2021).
In het appartementengebouw worden in totaal 25 wooneenheden gerealiseerd. De appartementen verschillen in type en omvang, en variëren in gebruiksoppervlakte van circa 79 m2 tot en met 152 m2. Figuur 2.5 toont een plattegrond van de begane grond van het nieuwe gebouw.
Figuur 2.5: Plattegrond begane grond van het appartementengebouw (bron: AM/Grosfeld Bekkers van der Velde Architecten, 11 oktober 2021).
De gemeente Schouwen-Duiveland heeft te maken met geldende beleidskaders van diverse overheden. Deze kaders zijn van invloed op de inhoud van een bestemmings- of wijzigingsplan. Het gemeentelijke ruimtelijke beleid, zoals vastgelegd in dit wijzigingsplan, dient zich te bewegen binnen de marges van deze beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de voor dit plan relevante beleidskaders en de wijze waarop deze in dit plan tot uiting komen, beschreven.
Met voorliggend wijzigingsplan wordt toepassing gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in het bestemmingsplan 'Zierikzee buiten de grachten'. Ten opzichte van het moederplan worden hiermee geen nieuwe of aanvullingen ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De realisatie van woningbouw op deze locatie is in het moederplan al toegestaan, middels eindbestemmingen met aanduidingen voor het type en aantal woningen. Dit wijzigingsplan voorziet alleen in een afwijkende verkaveling en andere verdeling van de woningaantallen. In het kader van het moederplan heeft dan ook al een uitvoerige toetsing aan de diverse beleidskaders plaatsgevonden. Voor een uitgebreide beschrijving van alle beleidskaders wordt daarom verwezen naar de toelichting bij dat bestemmingsplan. In dit wijzigingsplan wordt beknopt ingegaan op de voor deze ontwikkeling relevante beleidskaders.
Het wijzigingsplan sluit aan de bij verschillende nationale beleidskaders en -uitgangspunten, zoals die in het moederplan al zijn afgewogen. Het wijzigingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Het voorziene aantal woningen binnen dit plangebied is op grond van het moederplan al direct toegestaan middels eindbestemmingen. Het plangebied wordt niet specifiek in nationaal beleid genoemd, en de ontwikkeling is niet in strijd met nationale kaders en belangen. Hieronder wordt nog wel ingegaan op de Ladder voor duurzame verstedelijking, als onderdeel van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro)
Voor succesvol ruimtelijk beleid is het van belang dat vraag en aanbod van stedelijke functies goed op elkaar zijn afgestemd. Dit draagt bij aan economische dynamiek, zorgvuldig gebruik van ruimte en infrastructuur en behoud van de leefbaarheid van stedelijk en landelijk gebied. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de ladder voor duurzame verstedelijking, ook wel de duurzaamheidsladder als centraal ruimtelijk toetsinstrument opgenomen. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving.
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 2 en 3) dienen plannen, waarin nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt worden, getoetst te worden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.
Toetsing aan de Ladder houdt in dat een plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het plan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Het voorliggende wijzigingsplan voorziet in de realisatie van nieuwe woningen, wat kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. Met het plan wordt echter geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Het plangebied kent in het vigerende bestemmingsplan 'Zierikzee buiten de grachten' (2020) al een directe woonbestemming, met aanduidingen voor het toegestane aantal en type woningen. Op grond daarvan is momenteel ter plaatse van het plangebied de realisatie van 46 woningen al toegestaan. Deze woningen zijn dan ook al onderdeel van de resterende planologische harde plancapaciteit zoals regionaal is afgestemd en opgenomen in de gemeentelijke Woonvisie (beschreven in paragraaf 3.4).
Omdat met dit wijzigingsplan geen extra woningen mogelijk worden gemaakt, en deze in het kader van het moederplan al zijn afgewogen en toegestaan, is een nadere toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking feitelijk niet nodig. Bij de wijzigingsbevoegdheid waarvan gebruik wordt gemaakt, is alleen bepaald dat moet worden voldaan aan de onderzoeksverplichting op het gebied van de woningbehoefte, voor zover het een wijziging van woningtypologie betreft. In dit wijzigingsplan zijn de bouwaanduidingen 'gestapeld' en 'aaneengebouwd' uit het moederplan ongewijzigd overgenomen. Desalniettemin is in paragraaf 3.4 de voorgenomen ontwikkeling afgewogen in het kader van de gemeentelijke Woonvisie. Daaruit blijkt dat de woningen passen binnen de resterende behoefte voor het woonmilieu Zierikzee. Daarnaast sluit de realisatie van de appartementen aan bij de kwalitatieve vraag, van in toenemende mate een- en tweepersoonshuishoudens, zoals geschetst in de Woonvisie. Daarbij wordt de ontwikkeling gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied, waarmee op een structuurversterkende plek wordt voorzien in een verdere invulling van ontwikkelgebied De Velden.
Omgevingsplan Zeeland 2018
Op 21 september 2018 heeft het college van Gedeputeerde Staten het Omgevingsplan 2018 vastgesteld. Het Omgevingsplan 2018 bevat de hoofdlijnen uit alle provinciale beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving. Met het Omgevingsplan wordt voorgesorteerd op de komst van de Omgevingswet, het vormt een overbruggingsplan richting de provinciale Omgevingsvisie die momenteel nog wordt opgesteld.
Het Omgevingsplan Zeeland 2018 behandelt de thema's economie, ruimte, mobiliteit, natuur, cultuur, water en milieu. De kern van het Omgevingsplan wordt gevormd door vier integrale strategische toekomstgerichte opgaven die nationaal en provinciaal centraal staan:
Met voorliggend wijzigingsplan wordt met name invulling gegeven aan de opgave 'toekomstbestendige, bereikbare woon-, werk- en verblijfomgeving'. De nieuwe woningen worden gerealiseerd nabij het centrum van Zierikzee, wat aansluit bij het steden- en woonbeleid van de provincie. De ontwikkeling vormt een verdere invulling van de uitbreidingswijk Noorderpolder, die - in een enigszins afwijkende verkaveling en verdeling - al in het vigerende bestemmingsplan is vastgelegd.
In het Omgevingsplan wordt benadrukt dat woningbouwprojecten moeten worden afgestemd via regionale woningmarktafspraken, zodat deze aansluiten bij de actuele kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte. De regionale woningmarktafspraken zijn bedoeld om regionaal woningbouwbeleid vast te stellen en dienen als onderbouwing van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Deze afspraken worden door de gemeenten binnen een woningmarktregio gemaakt en vastgesteld door Gedeputeerde Staten, en periodiek herijkt. Paragraaf 3.2 gaat nader in op de Ladder voor duurzame verstedelijking als onderdeel van het Bro, en geeft daarmee tevens invulling aan het provinciale beleid uit het Omgevingsplan Zeeland 2018.
Omgevingsverordening Zeeland (2018)
In de Omgevingsverordening van de provincie Zeeland zijn regels opgenomen ten aanzien van de fysieke leefomgeving van de provincie Zeeland. Hierbij zijn de uitgangspunten opgenomen die zijn vastgelegd in het Omgevingsplan Zeeland 2018, als voorloper van de provinciale Omgevingsvisie.
De regeling van het voorliggende wijzigingsplan is niet in strijd met de in de Omgevingsverordening Zeeland opgenomen artikelen.
Provinciale bevolkingsprognose (2019)
De Provinciale bevolkings- en huishoudenprognose 2019 vervangt de provinciale prognose van 2015. De prognose vormt de basis voor het provinciaal beleid en wordt ter beschikking gesteld aan alle andere Zeeuwse overheden, instanties, bedrijven en inwoners. Het geeft inzicht in de verwachte ontwikkeling van het aantal inwoners, de leeftijdsontwikkeling en de woningbehoefte van Zeeland totaal en per gemeente of regio.
Op basis van de prognoses voor de bevolkingsgroei en leeftijdsontwikkeling is de verwachte woningbehoefte bepaald. De verwachting is dat de woningbehoefte tot 2038 blijft groeien in Zeeland, waarbij de jaarlijkse groei steeds lager wordt. In de komende tien jaar zal de behoefte aan woningen met 8.500 groeien, met name in de woningmarktregio's De Bevelanden, Tholen en Walcheren. In de andere regio's groeit de woningbehoefte in mindere mate. De groei van de woningbehoefte komt vooral door de groei van de 80 plus en in mindere mate de 60-80 jarige huishoudens. De jongere leeftijdsgroepen nemen juist af qua huishoudentype. De groei van het aantal 80+ en 60-80 jarigen zit vooral in het huishoudentype 'alleenstaand'. De behoefte aan het aantal wooneenheden binnen (verpleeg)tehuizen neemt als gevolg van de vergrijzing met ongeveer 1.000 toe tot 2040.
Kwalitatief Woononderzoek Zeeland 2019 (KWOZ)
De Zeeuwse gemeenten en de provincie Zeeland werken samen op het gebied van wonen. Voor het onderzoek naar de kwalitatieve vraag hebben provincie en gemeenten gezamenlijk een Kwalitatief Woononderzoek Zeeland (KWOZ) en factsheets per gemeente op laten stellen.
Het KWOZ geeft aan wat de huidige stand van de Zeeuwse woningvoorraad is en hoe deze zich verhoudt tot de toekomstige behoefte. Daarbij is de behoefte zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin in beeld gebracht. Dit is een duidelijke vernieuwing en verbetering ten opzichte van de kennis over de woningmarkt in het verleden. Hiermee geeft het onderzoek inzicht in de aanpassingen die nodig zijn om te kunnen blijven voldoen aan de behoefte. Het vormt een essentiële bouwsteen voor het woonbeleid in Zeeland voor iedere gemeente, woningmarktregio en provincie als geheel.
De hoofdconclusies van het KWOZ op het niveau van de provincie Zeeland, zijn in factsheets per gemeente vertaald in een beknopte samenvatting van de belangrijkste uitkomsten op gemeenteniveau. De belangrijkste conclusies voor Schouwen-Duiveland zijn:
Regionale woningmarktafspraken Schouwen-Duiveland
Naast het kader van zowel de gemeentelijke Woonvisie 2018-2027 als de maximale behoeftecijfers uit de WMA-cijfers 2020, is er een nieuw toetsingskader opgesteld binnen de nieuwe Regionale Woningmarktafspraken. Deze zijn overeengekomen tussen de gemeente Schouwen-Duiveland en provincie Zeeland en vastgesteld door burgemeester en wethouders en door gedeputeerde staten op 27 juli 2021. Deze afspraken bieden een extra ruimte van 235 wooneenheden bovenop de al benoemde 460 wooneenheden ten behoeve van de transitieopgave, voor het toevoegen van het type wooneenheden waar binnen de gemeente behoefte aan bestaat, zoals levensloopgeschikte woningen.
Het nieuwe toetsingskader betekent voor alle toe te voegen woningen in de lokale woningmarkt van Schouwen-Duiveland dat in de beoordeling en toetsing van binnenkomende initiatieven meer gekeken wordt naar de kwalitatieve opgave dan enkel de kwantitatieve toevoeging.
Het voorliggende initiatief is aan dit nieuwe toetsingskader getoetst, en past met de verscheidenheid in aanbod van verschillende groottes van appartementen volledig binnen de in de RWMA benoemde transitieopgave.
Structuurvisie Zierikzee 2030 (2019)
De structuurvisie beschrijft de kwaliteiten van de stad Zierikzee en kijkt vooruit naar 2030. In de structuurvisie worden verschillende belangen en ontwikkelingen naast elkaar afgewogen en van hieruit wordt richting bepaald voor de periode tot 2030.
De structuurvisie is vooral gericht op behoud en verbetering van de bestaande ruimtelijke en sociale kwaliteiten en op het versterken van de stad en de leefbaarheid. De visie laat zien hoe we in Zierikzee zo goed mogelijk in kunnen spelen op trends en ontwikkelingen die op ons af komen. In de visie wordt gestuurd door vragen als:
De ontwikkelingen die beschreven staan in de structuurvisie zijn daarom géén hard einddoel voor 2030, maar veel meer een route of richting. In de visie wordt een wensbeeld van Zierikzee in 2030 geschetst aan de hand van de volgende beleidsthema's: wonen, voorzieningen, bedrijven, recreatie en toerisme, verkeer en vervoer, landschap en duurzaamheid.
Voor wat betreft dit wijzigingsplan, is met name het thema wonen en deels duurzaamheid relevant.
Wonen
Het aantal inwoners op Schouwen-Duiveland is de afgelopen 15 jaar voorzichtig aan het teruglopen. Tot 2030 wordt een bevolkingsdaling van zo'n 700 inwoners verwacht. In de periode tot 2040 neemt de bevolking naar verwachting met nog eens 1.200 inwoners verder af. Het aantal huishoudens op Schouwen-Duiveland zal tot 2030 nog iets stijgen door toename van het aantal één- en tweepersoonshuishoudens. Na 2030 zal aantal huishoudens waarschijnlijk gaan dalen.
Zierikzee is een groeikern. Dit betekent dat een deel van de huishoudensgroei, die zich de aankomende 11 jaar nog voor gaat doen, in Zierikzee wordt opgevangen. We willen vestigers in Zierikzee ook ruimte bieden en zien kansen voor de doelgroep kleine huishoudens tot 35 jaar of gezinnen met kinderen. Wij zien vooralsnog potentie voor bijzondere plannen voor 65 woningen in Zierikzee. Wij denken hierbij aan de gebieden Noorderpolder deelgebied De Velden fase 3 en Haven 't Sas.
Toevoegen van woningen
Voor wat betreft het toevoegen van extra woningen in Zierikzee spreken we in overleg met de ontwikkelaars in Poortambacht en Noorderpolder een passende en leidende fasering af voor de afronding van de uitbreidingswijken, inclusief openbare ruimte en voorzieningen. We zetten niet langer in op het verder uitbreiden van de stad, maar zien wel een opgave om de bestaande uitbreidingswijken goed stedenbouwkundig af te ronden. We ronden de nieuwbouwwijken Poortambacht en Noorderpolder zorgvuldig af volgens het principe 'minder en anders'. De plannen moeten, daar waar mogelijk, beter worden afgestemd op de gewijzigde omstandigheden: de kwantitatieve vraag is lager (minder) en de kwalitatieve vraag is gewijzigd (anders). Langdurig braakliggende uitbreidingslocaties rond de stad zijn verleden tijd.
Noorderpolder - De Velden
In de deelgebieden van Noorderpolder staat een goede en verantwoorde ruimtelijke afronding met woningtypen die bijdragen aan een woonbehoefte op middellange termijn centraal. In het deelgebied De Velden fase 2 en 3 worden bij aanpassing van de plannen ruimtelijke aanpassingen gedaan, zoals voldoende parkeren op de goede plaatsen, meer openbaar groen, meer 'lucht' tussen de woningen. We richten ons samen met de ontwikkelaar op de realisatie van de resterende harde plancapaciteit uiterlijk in 2025.
Voor deelgebied De Velden fase 3 voorzien wij een aanpassing van het stedenbouwkundig plan en mogelijk ook het kwaliteitshandboek als gevolg van de gewijzigde kwalitatieve en kwantitatieve behoefte (waarbij ook de belangen van de eventueel van de eventueel betrokken contractspartijen in ogenschouw wordt genomen). Een ruimtelijk procedure moet nog worden doorlopen om de woningen te kunnen realiseren in dit gebied. Er is in deze fase daarom alleen nog ruimte voor een bijzonder woonmilieu. Dit (aangepaste) plan moet extra kwaliteiten toevoegen op het gebied van wonen ten opzichte van wat de stad al te bieden heeft én aantoonbaar extra aantrekkingskracht hebben voor woningzoekenden (bovenop de 30% reguliere stroom van vestigers) buiten onze regio. Wij zien kansen door het combineren van de nog resterende harde plancapaciteit uit fase 2 en de nog te bestemmen capaciteit uit fase 3 van De Velden. In een nieuwe stedenbouwkundige opzet zouden kwalitatief gewenste woningen voor de lokale behoefte en een bijzonder woonmilieu voor vestigers een goede aanvulling op elkaar kunnen zijn.
Onbenutte bouwmogelijkheden
Wij verbinden tijdelijkheid aan nieuwe plannen om grip te houden op de aard en tempo van de plannen. Hierdoor voorkomen we dat weer jarenlang bestaande bouwmogelijkheden onbenut blijven en kunnen we projecten en aantallen te bouwen woningen ook beter faseren over een langere periode. We pakken niet alles tegelijk op zodat er beter ingespeeld kan worden op nieuwe ontwikkelingen en kansen in aansluiting op de behoefte van dat moment op de woningmarkt.
We geven iedereen (ontwikkelaars en particulieren), gelijk aan de einddatum van de structuurvisie 'Ongebruikte individuele bouwtitels in bestemmingsplannen', nog de tijd om uiterlijk eind 2025 de gronden waarop zij nog één of meerdere woningen in Zierikzee kunnen bouwen, te hebben gerealiseerd. Dat wil zeggen uiterlijk eind 2024 is daarvoor een omgevingsvergunning verleend en de woning is uiterlijk eind 2025 opgeleverd. Blijkt eind 2025 dat van deze bestaande bouwmogelijkheden geen gebruik is gemaakt, dan gaan we ervan uit dat er geen behoefte meer aan is. In de praktijk zijn dit namelijk dan al bouwtitels die in bestemmingsplannen zijn opgenomen vanaf 2005 of nog eerder.
In het moederplan is dit verwerkt door ter plaatse van lege bouwkavels een aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 6' op te nemen. Met deze wijzigingsbevoegdheid kunnen burgemeester en wethouders na 31 december 2025 overgaan tot het herbestemmen van deze percelen.
Met de voorgenomen ontwikkeling die dit wijzigingsplan mogelijk maakt wordt toepassing gegeven aan de realisatie van een deel van de harde plancapaciteit in fase 2 van deelgebied De Velden (vóór 2025). Het woningaantal dat in het vigerende bestemmingsplan al is vastgelegd wordt hiermee niet vergroot. Aansluitend op de al gerealiseerde delen van Noorderpolder, draagt de ontwikkeling bij aan een goede stedenbouwkundige afronding van de uitbreidingswijk. Het realiseren van appartementen sluit daarbij aan bij de veranderende kwalitatieve vraag (meer een- en tweepersoonshuishoudens).
Landschap, natuur en duurzaamheid
De uitdaging die we aangaan is een duurzame en groene stad, waar we in 2030 ook gezond en veilig kunnen wonen, werken en verblijven en die in 2040 energieneutraal en in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is.
Hiertoe gaan we onder meer:
Het appartementengebouw zal voldoen aan de gestelde eisen op het gebied van duurzaamheid. In paragraaf 4.9 wordt hierop nader ingegaan.
Woonvisie 2018-2027
Begin 2018 is de Woningmarktanalyse 'Solide basis onder actueel woonbeleid en woonafspraken' (2017-2027) en de evaluatie van de Woonvisie 2013-2018 vastgesteld door de raad. De uitkomsten van deze woningmarktanalyse, de evaluatie en de trends en ontwikkelingen geven aanleiding om de Woonvisie te herzien. In juni 2018 is de nieuwe Woonvisie 2018-2027 vastgesteld door de raad.
Economische ontwikkelingen leiden tot het aantrekken van de woningmarkt. Deze ontwikkelingen moeten niet worden verward met demografische ontwikkelingen op de langere termijn. Een aantal demografische ontwikkelingen op Schouwen-Duivenland hebben grote invloed op de woningmarkt. De bevolkingsomvang is langzaam afgenomen, en hoewel het aantal huishoudens nog beperkt zal toenemen, bevindt de gemeente zich in een overgangsfase. Over 10 jaar is naar verwachting de rek uit het toevoegen van nieuwe woningen binnen de gemeente. Het accent in het beleid verschuift daarom sterker van kwantiteit naar kwaliteit.
Daarnaast verandert ook de bevolkingssamenstelling. Er zijn steeds meer 1- en 2-persoonshuishoudens en de bevolking vergrijst. Dit leidt tot meer vraag naar zorggerichte woningen, of woningen nabij voorzieningen. Door de veranderende samenstelling is er steeds meer behoefte aan kleinere levensloopbestendige woningen met beperkte buitenruimte.
De Woonvisie moet er toe leiden dat tot 2027 de juiste keuzes worden gemaakt om in 2040 het strategisch doel uit de toekomstvisie te hebben bereikt: We wonen prettig naar wens en behoefte. Om dit strategisch doel te bereiken zijn de volgende doelen gesteld:
In het woonmilieu Zierikzee worden kansen gezien voor nieuwe vestigers. Hierbij moet vooral ingezet worden op vernieuwende woonconcepten, plannen die iets extra's bieden ten opzichte van de bestaande voorraad. In Zierikzee wordt gedacht aan kleine huishoudens tot 35 jaar, vitale ouderen en gezinnen. Voor het invullen van de lokale behoefte kunnen er in Zierikzee circa 330 woningen worden toegevoegd aan de woningvoorraad. Hierbij wordt vooral een accent gelegd op de doelgroep 1- en 2-persoonshuishoudens (ouderen en alleenstaanden) door het toevoegen van appartementen en grondgebonden woningen in de middeldure huur- en koopsector.
Binnen dit woonmilieu is een planologische harde plancapaciteit van circa 340 woningen, die overeenkomt met de kwantitatieve behoefte. Uit de tabel in figuur 3.1 blijkt ook dat de resterende planologische harde plancapaciteit nagenoeg overeenkomt met de resterende behoefte. Kwalitatief zien we echter een aanbod dat niet overeenkomt met de vraag naar woningen. Herprogrammeren plancapaciteit om gedifferentieerd te bouwen voor de behoefte op middellange termijn is noodzakelijk, daarnaast moet steeds meer de focus gelegd worden op de transformatie van de bestaande voorraad.
Figuur 3.1: behoefte en plancapaciteit per woonmilieu in gemeente Schouwen-Duiveland (bron: Woonvisie 2018-2027).
We ronden de nieuwbouwwijken Poortambacht en Noorderpolder zorgvuldig af volgens het principe 'minder en anders'. De plannen moeten, daar waar mogelijk, beter worden afgestemd op de gewijzigde omstandigheden: de kwantitatieve vraag is lager (minder) en de kwalitatieve vraag is gewijzigd (anders). Langdurig braakliggende uitbreidingslocaties rond de stad zijn verleden tijd. Het inwilligen van de kwalitatieve eigen behoefte moet primair plaatsvinden op structuurversterkende plekken in de kern.
De resterende plancapaciteit wordt daarom beoordeeld vanuit de in de Woonvisie opgenomen kwalitatieve en kwantitatieve beleidskaders. Daartoe wordt het volgende prioriterings- / afwegingskader gehanteerd:
Kwalitatief kan het volgende nog in een vraag voorzien op basis van de woningmarktanalyse en de in deze Woonvisie opgenomen kwalitatieve en kwantitatieve beleidskaders:
De voorgenomen ontwikkeling van het appartementengebouw in fase 2 van De Velden vormt een aanzet voor de afronding van nieuwbouwwijk Noorderpolder. Daarbij wordt toepassing gegeven aan de bestaande harde plancapaciteit, zoals die ook al is vastgelegd in het moederplan. Deze woningen passen binnen de resterende behoefte voor woonmilieu Zierikzee zoals in de Woonvisie is opgenomen. De realisatie van de appartementen sluit daarnaast aan bij de kwalitatieve vraag, van in toenemende mate een- en tweepersoonshuishoudens.
Bomenbeleidsplan Gemeente Schouwen-Duiveland (2009)
In dit beleid is bepaald dat monumentale en waardevolle bomen worden opgenomen in een bestemmingsplan op het moment dat deze gewijzigd of geactualiseerd wordt. Hierdoor kan het belang om een boom duurzaam in stand te houden dwingend worden meegenomen in de belangenafweging en is het mogelijk om beschermende voorwaarden te stellen. Binnen het plangebied zijn dergelijke bomen niet aanwezig.
Milieubeleidsplan
Het milieubeleid van de gemeente Schouwen-Duiveland is vastgelegd in het milieubeleidsplan. Het beleid wordt besproken en vastgelegd in een aantal modules die elke een apart milieuthema behandelen. Hierna worden de belangrijkste aandachtspunten uit de diverse modules genoemd.
Module Geluid en Stilte (2008)
Schouwen-Duiveland is niet of nauwelijks bekend met het fenomeen geluidhinder. Toch zijn er gebieden op het eiland waar het nodige geluid wordt geproduceerd, zoals recreatiegebieden en langs hoofdwegen. De gemeente wil voorkomen dat de geluidsruimte die er is, gestaag dichtslibt. Het doel is om ook voor de toekomst een veilig, ruim en rustig werk- en leefklimaat te behouden, en waar nodig te versterken. Daarbij moet tevens ruimte zijn voor economische ontwikkeling. Met het geluidbeleid richt de gemeente zich onder andere op de onderwerpen: rust en stilte, ecologische situatie, evenementen en verkeer. Zo komen er geen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen op geluidsbelastende locaties.
Module Licht en Duisternis (2009)
Op Schouwen-Duiveland is nog echte duisternis te ervaren. Mensen, dieren en planten varen wel bij een goede balans tussen licht en donker. Deze kwaliteit dient te worden gewaarborgd, want hij staat onder druk. Duisternis is te behouden door een viertal instrumenten toe te passen; preventie (niet verlichten), duurzaam verlichten (milieubewuster), gericht verlichten en bewust verlichten. Het duisternisbeleid richt zich op openbare verlichting, verlichting bij bedrijven, terreinverlichting, monumentenverlichting en bewustwording bij de burger. Voor bestemmingsplannen betekent dit dat bij ontwikkelingen om een lichtplan wordt gevraagd.
Module Energie en Klimaat (2009)
De uitstoot van fossiele brandstoffen versterkt het natuurlijke broeikaseffect, waardoor het op aarde steeds warmer wordt en het klimaat verandert. De gemeente Schouwen-Duiveland streeft naar een ruimtelijke inrichting waarmee het eiland klimaatbestendig en energieneutraal wordt. Dat kan op twee manieren:
Bij de aanpak staan verduurzaming en energiezuinigheid voorop. De gemeente richt zich op onder andere de volgende sectoren:
Module Luchtkwaliteit (2008)
De luchtkwaliteit op Schouwen-Duiveland is, zeker vergeleken met andere gebieden in Nederland, goed. Die bijzondere positie moet behouden blijven. Waar mogelijk moet er naar gestreefd worden om de luchtkwaliteit zelfs nog te verbeteren. Het verminderen van autoverkeer kan daarbij helpen. Autoverkeer is een belangrijke vervuilingsbron. De volgende instrumenten worden hiertoe gehanteerd: stimuleren van andere en schonere vervoerswijzen, een betere doorstroming van het verkeer en stimuleren van duurzame energie. In het uitvoeringsprogramma wordt met name genoemd dat het fietsverkeer gestimuleerd kan worden door de realisatie van extra fietspaden en goede fietsenstallingen.
Module Bodem (2010)
Iedere bodem heeft zijn kwaliteiten. Hier liggen kansen en knelpunten. Door in een vroeg stadium bij ruimtelijke ontwikkelingen deze kwaliteiten in beeld te brengen, zijn knelpunten vroegtijdig in beeld en kunnen kansen optimaal benut worden, waardoor er optimaal recht wordt gedaan aan de aanwezige bodemkwaliteiten. Hierdoor worden ook toekomstige beheerskosten beter in beeld gebracht en kunnen ze deel uitmaken van de afwegingen die leiden tot het definitieve plan.
Module Externe Veiligheid (2010)
Externe veiligheid betreft de maatregelen die moeten voorkomen dat er buiten de poort van een bedrijf/inrichting slachtoffers vallen, als er door het betreffende bedrijf wordt gewerkt met of opslag plaatsvindt van gevaarlijke stoffen. Daarbij wordt gedoeld op omwonenden maar ook op recreanten op kampeerterreinen of in jachthavens. Schouwen-Duiveland moet een plek zijn waar het veilig werken, wonen, winkelen en recreëren is. Toch blijft de gemeente ruimte bieden aan bestaande en nieuwe bedrijven/inrichtingen die veiligheidsrisico's met zich meebrengen. Deze risico's dienen echter wel aanvaardbaar te zijn, en minimaal te voldoen aan de landelijke voorschriften. Het bestemmingsplan moet ervoor zorgen dat er geen ongewenste ontwikkelingen op het gebied van externe veiligheid kunnen voordoen. Dat gebeurt door:
Concreet wordt het volgende nagestreefd:
De activiteiten die in het kader van bovengenoemde milieumodules moeten worden opgestart en uitgevoerd, staan beschreven in een uitvoeringsprogramma. In dit programma, dat is onderverdeeld in thema's, is aandacht voor het doel van de activiteiten, de rol van de gemeente, de externe partijen waarmee de gemeente de activiteit wil uitvoeren, het betreffende gebied en een tijdsplanning.
Op de diverse milieuaspecten in relatie tot de ontwikkeling die dit wijzigingsplan mogelijk maakt, wordt ingegaan in hoofdstuk 4.
Welstandsnota 2012
De gemeentelijke overheid heeft de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de bebouwde en onbebouwde omgeving in het algemeen en de visuele- of beeldkwaliteit in het bijzonder. In de Woningwet (vanaf 1 januari 2003) wordt de gemeenteraad verplicht:
Dergelijke criteria dienen te worden opgenomen in een gemeentelijke welstandsnota. Voordat het gebiedsgericht welstandsbeleid opgesteld wordt, is het echter van belang te beschikken over een beleidskader inzake de ruimtelijk-visuele kwaliteit van het gehele gemeentelijk grondgebied.
Middels een uitgebreide inventarisatie en analyse van zowel de bestaande beleidsstukken als van de ruimtelijke structuur van het gemeentelijke grondgebied, is gebleken dat Schouwen-Duiveland onder te verdelen is in een aantal gebieden en/of clusters van gebieden met gelijke kenmerken en eigenschappen op stedenbouwkundige, architectonische, functionele en/of thematische gronden.
Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebiedsgerichte welstandsbeleid. De gebiedsgerichte welstandscriteria worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen die zich voegen binnen de bestaande ruimtelijke structuur van Schouwen-Duiveland. Het gaat met name om criteria ter beoordeling van regulier bouwvergunningplichtige (volgens Wabo: omgevingsvergunningplichtige) bouwwerken. Daarnaast omvatten de gebiedsuitwerkingen (eventueel) ook criteria voor de veel voorkomende kleine bouwplannen, aanvullend op de sneltoetscriteria. Gebaseerd op de ruimtelijke opbouw is onderscheid gemaakt naar een vijftal verschillende gebiedscategorieën (thema's) onderverdeeld in 19 deelgebieden met overeenkomstige kenmerken en eigenschappen.
De volgende gebiedscategorieën zijn aangegeven:
Binnen het selectieve gebiedsgerichte welstandsbeleid is het van belang om vast te stellen in welke gebieden meer regulering gewenst is en in welke gebieden minder. Dit is inzichtelijk gemaakt door het vastleggen van zogenaamde welstandsniveaus. In Schouwen-Duiveland wordt gebruik gemaakt van een viertal welstandsniveaus:
Voorliggend plangebied maakt onderdeel uit van de uitbreidingswijk Noorderpolder (deelgebied De Velden). In de Welstandsnota is Noorderpolder ingedeeld onder 'planmatige uitbreidingen'. Alle planmatige uitbreidingen vallen onder welstandsniveau 3, 'regulier welstandsgebied'. Hierbij zijn in de Welstandsnota welstandscriteria opgesteld, op het gebied van onder meer plaatsing, massa en vorm, gevelkarakteristiek en detaillering, kleur en materiaal. Deze dienen altijd in samenhang met de gehele gebiedsbeschrijving van het desbetreffende deelgebied waarop een bouwvraag van toepassing is, te worden gehanteerd.
Voor de ontwikkeling van de nog te realiseren velden in deelgebied De Velden (waterveld, veld 3 en 4) is in dit kader een uitgebreid stedenbouwkundig en beeldkwaliteitsplan opgesteld. Hierin is onder meer aandacht besteed aan het algehele ruimtelijke en stedenbouwkundige concept, de planopzet en de invulling van de te realiseren bebouwing. Ook zijn randvoorwaarden voor de bebouwde en onbebouwde ruimte gesteld, en wordt ingegaan op de beeldbepalende profielen in het gebied. Daarbij is rekening gehouden met de criteria uit de Welstandsnota. Het stedenbouwkundig en beeldkwaliteitsplan wordt door het college van B&W vastgesteld, en naar verwachting door de gemeenteraad worden verankerd in de Welstandsnota.
Geconcludeerd kan worden dat het voorliggende wijzigingsplan aansluit bij het beleid zoals in dit hoofdstuk beschreven.
In dit hoofdstuk worden alle relevante milieuaspecten behandeld die van toepassing zijn op het plangebied. Hierbij is uitgegaan van de ontwikkelingen die specifiek met dit wijzigingsplan mogelijk worden gemaakt. Dat wil zeggen, waarvoor toepassing wordt gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid uit het moederplan en die zodoende een definitieve bestemming krijgen. Dit betreft het zuidoostelijke appartementengebouw met 25 appartementen. Het gebouw ten noorden hiervan met 9 appartementen is met de vigerende woonbestemming al mogelijk gemaakt, en behoeft daarom geen nadere afweging. Deze locatie is hier enkel meegenomen vanwege het planologisch toegestane aantal woningen. De overige gronden binnen het plangebied, waar in totaal 12 woningen zijn toegestaan, behouden de bestaande wijzigingsbevoegdheid. Aan de bijbehorende onderzoeksverplichtingen zal worden voldaan wanneer hieraan - op basis van een definitief bouwplan - toepassing wordt gegeven.
Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen).
De VNG-handreiking bevat een lijst met bedrijven waaraan, afhankelijk van de mate waarin de in de lijst opgenomen bedrijven milieuhinder kunnen veroorzaken (uitgaande van de gemiddelde bedrijfssituatie), een categorie wordt toegekend. Naarmate de milieuhinder toeneemt, loopt de categorie op van 1 tot en met 5, met bijbehorende minimale afstanden tot de woongebieden. Per bedrijfstype wordt zo een globale indicatie gegeven van het invloedsgebied voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De afstanden gelden in principe tussen de perceelsgrens van het bedrijf (bij een gangbare perceelsgrootte en -indeling) en de gevel van een woning gelegen in een rustige woonwijk. Wanneer er geen sprake is van een rustige woonwijk, maar van een gemengd gebied, kan één afstandsstap worden teruggedaan. Een bedrijf dat 50 meter afstand tot een rustige woonwijk moet aanhouden, mag zich hierdoor op 30 meter van een gemengd gebied vestigen.
Onder een rustige woonwijk wordt verstaan een woongebied met weinig verkeer en praktisch geen bedrijven en/of winkelcentra. Gemengde gebieden zijn gebieden met een matige tot sterke functiemenging. Naast wonen komen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en bedrijvigheid. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Voor dergelijke gebieden kunnen de richtafstanden die gelden ten opzichte van een rustige woonwijk met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat.
| Milieucategorie | Minimale richtafstand tot een rustige woonwijk | Minimale richtafstand tot gemengd gebied | |
| 1 | 10 m | Niet van toepassing | |
| 2 | 30 m | 10 m | |
| 3.1 | 50 m | 30 m | |
| 3.2 | 100 m | 50 m | |
| 4.1 | 200 m | 100 m | |
| 4.2 | 300 m | 200 m | |
| 5.1 | 500 m | 300 m | |
| 5.2 | 700 m | 500 m | |
Tabel 4.1: Milieucategorieën en richtafstanden (bron: Bedrijven en Milieuzonering, editie 2009, VNG).
De afstanden in bovengenoemde uitgaven moeten als indicatief worden gezien. Doordat de omvang van bedrijven kan verschillen en omdat bedrijven maatregelen kunnen nemen om de invloed te beperken, kan de invloedssfeer in werkelijkheid afwijken van bovengenoemde afstanden. De uiteindelijke afstemming tussen de hinder van het bedrijf en de omgeving wordt geregeld in het kader van de Wet milieubeheer.
Zoals blijkt uit het moederplan, kan voorliggend plangebied worden gekwalificeerd als omgevingstype 'rustige woonwijk'. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen relevante bedrijfsbestemmingen, waarvan de richtafstand tot in of nabij het plangebied reikt. Op basis van vigerende bestemmingsplannen zijn in de omgeving hoofdzakelijk woonfuncties aanwezig.
Enkel ten zuiden van het plangebied, aan de overzijde van de Emil Sandströmweg, bevindt zich een bestemming 'Maatschappelijk'. Op deze gronden zijn onder meer voorzieningen op het gebied van onderwijs, welzijns- en gezondheidszorg, levensbeschouwing, openbare dienstverlening en kinder- en jeugddagopvang toegestaan. Ter hoogte van het nieuwe appartementengebouw is middels een aanduiding een zorginstelling uitgesloten. Dit betreft de bestaande c.q. voormalige locatie van zorgcentrum Cornelia, dat wordt verplaatst naar een locatie richting het oosten aan de Emil Sandströmweg. Deze verplaatsing is vastgelegd middels het hier geldende bestemmingsplan 'Cornelia Emil Sandströmweg Zierikzee'.
De hier toegestane functies vallen op grond van de VNG-lijst in milieucategorie 2. Gemeten vanaf de perceelsgrens tot aan het nieuwe appartementengebouw wordt strikt genomen niet geheel voldaan aan de bijbehorende richtafstand van 30 m voor omgevingstype 'rustige woonwijk' (circa 22 m); gemeten tussen de bouwvlakken wordt met circa 35 m wel voldaan. Om deze reden is de feitelijke situatie nader beoordeeld.
De bestaande maatschappelijke functie op het perceel, zorgcentrum Cornelia, wordt verplaatst naar een andere locatie. De bouw van de nieuwe locatie is inmiddels al gestart, het oude gebouw aan de Emil Sandströmweg 2 wordt gesloopt. Voor dit perceel is nog geen nieuw (bouw)plan voorhanden. Het bestemmingsplan 'Cornelia Emil Sandströmweg Zierikzee' (vastgesteld op 21 maart 2019) voorziet in deze verplaatsing. Naast het bestemmen van de nieuwe locatie, is op de oude locatie (ten zuiden van het nieuwe appartementengebouw) expliciet aangeduid dat zorgwoonvormen niet zijn toegestaan. Voor het overige zijn daarbij de maatschappelijke bestemming en bijbehorende bouwmogelijkheden uit het voorgaande bestemmingsplan overgenomen. Feitelijk zal de potentieel milieuhinderlijke functie dus niet langer aanwezig zijn, op het moment dat het appartementengebouw gerealiseerd is. Voor een toekomstige nieuwe invulling van het perceel gelden de mogelijkheden die de vigerende bestemming 'Maatschappelijk' biedt.
Omdat een concreet plan voor een nieuwe invulling van het perceel nog ontbreekt, is een beoordeling van de feitelijke toekomstige situatie niet mogelijk. In algemene zin kan gesteld worden dat het opgenomen bouwvlak terugliggend is ten opzichte van de perceelsgrens, waardoor gemeten tussen de bouwvlakken in ieder geval aan de richtafstand wordt voldaan. Voor de toegestane maatschappelijke functies is het maatgevend milieuaspect het geluid, met name door verkeer. In de bestaande inrichting van het perceel bevindt het parkeerterrein zich aan de noordwestzijde; ook vanuit hier gemeten wordt aan de richtafstand van 30 m voldaan.
Daarnaast zijn er in de huidige situatie op vergelijkbare en kortere afstand van de maatschappelijke bestemming, aan zowel de noord-, oost- als zuidkant al woningen aanwezig. De bestaande woonbestemmingen en daarin opgenomen bouwvlakken ten noordoosten en oosten van deze locatie grenzen zelfs direct aan de maatschappelijke bestemming. Ook ter plaatse van de ontwikkellocatie zelf geldt momenteel al een woonbestemming, op grond waarvan woningen kunnen worden gebouwd, alleen met een andere situering van de bouwvlakken.
Deze omliggende bestaande woningen kunnen als maatgevend worden beschouwd voor de toekomstige invulling van het perceel aan de Emil Sandströmweg 2. Het nieuwe appartementengebouw vormt daarbij geen extra belemmering voor de mogelijkheden van deze gronden. Ook zal het woon- en leefklimaat ter plaatse van het nieuwe appartementengebouw redelijkerwijs tenminste vergelijkbaar zijn met de bestaande naastgelegen woningen. In combinatie bezien met de toegestane maatschappelijke functies, beperkte milieucategorie, onderlinge afstand en de huidige (en te verwachten) inrichting van het Cornelia-perceel, wordt het woon- en leefklimaat bij het nieuwe gebouw aanvaardbaar geacht.
Tot slot wordt binnen het plangebied zelf, bij het appartementengebouw een warmtepomp geplaatst. Dit is met name relevant met betrekking tot het mileuaspect geluid en het effect ervan op de omliggende gevoelige bestemmingen. Dit betreft vooral de woningen ten oosten en westen van het appartementengebouw. In dit kader zijn in dit wijzigingsplan gebruiksregels voor geluid van installaties opgenomen (artikel 10.3). Hierin is bepaald dat ter bescherming van de fysieke leefomgeving het gemiddelde geluidsniveau LAr,LT als gevolg van één of meer installaties, op de erfgrens niet meer mag bedragen dan 40 dB(A); met daarbij enkele aanvullende bepalingen. Daarmee is aangesloten bij de landelijke geluidsnorm voor dergelijke installaties, en is zodoende geborgd dat geen sprake zal zijn van geluidhinder bij omliggende woningen.
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor het plan.
Algemeen
Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse.
In het algemeen geldt dat als aan de richtafstand op grond van de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering behorende bij de van toepassing zijn de bedrijfscategorie wordt voldaan, het aspect stof niet zorgt voor een aantasting van het woon- en leefklimaat. Dit aspect hoeft in dit geval niet nader te worden onderzocht.
Regelgeving
De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in hoofdstuk vijf (luchtkwaliteitseisen) van de Wet milieubeheer (hierna Wm), ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd (hierna Wlk). Het doel van de Wlk is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De in de Wlk vastgestelde normen voor luchtkwaliteit mogen niet overschreden of, in geval van een bestaande overschrijding, mag een eventuele toename niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Luchtkwaliteitsnormen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:
Niet in betekenende mate
In de algemene maatregel van bestuur 'Niet In Betekenende Mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Een project draagt 'niet in betekende mate' bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De 3%-grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Een geplande ruimtelijke ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging als:
NIBM
In de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg in beginsel aan te merken is als een ontwikkeling die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling van 25 appartementen blijft ruim onder dit criterium, en past zodoende binnen de term 'NIBM' bijdragend aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Onderzoek en toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit is daarom niet benodigd.
Goede ruimtelijke ordening
In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn wel de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. In de NSL-monitoringstool zijn deze concentraties bepaald langs de belangrijkste wegen, voor peiljaar 2020. Zoals blijkt uit figuur 5.1, bevinden de dichtstbijzijnde rekenpunten zich langs de N59 ten zuiden van het plangebied.
Uit figuur 4.1 blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter hoogte van het plangebied voor de voorgenoemde stoffen niet meer bedragen dan respectievelijk 17,0 ìg/m3, 17,0 ìg/m3 en 9,6 ìg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 ìg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 ìg/m3 (voor PM2,5) wordt dan ook niet overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.
Figuur 4.1: overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2020 (NSL-monitoringstool).
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.
Algemeen
Een belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging in het kader van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Deze wet biedt geluidgevoelige functies (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van o.a. wegverkeerlawaai en industrielawaai door middel van zonering.
In het algemeen geldt dat als aan de richtafstand op grond van de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering behorende bij de van toepassing zijn de bedrijfscategorie wordt voldaan, het aspect geluid niet zorgt voor een aantasting van het woon- en leefklimaat. Dit aspect hoeft in dit geval niet nader te worden onderzocht,
Wegverkeerslawaai
Ingevolge artikel 74 Wet geluid hinder (Wgh) zijn in principe alle wegen gezoneerd. Uitzondering op deze regel zijn wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt en woonerven. Tevens zijn in de Wgh onderzoekszones opgenomen waarbinnen onderzoek moet worden uitgevoerd naar de gevolgen van wegverkeerslawaai op een geluidsgevoelige bestemming. Deze onderzoekszones bedragen voor het stedelijk gebied voor wegen met 1 of 2 rijstroken 200 meter en voor het buitenstedelijk gebied 250 meter voor wegen met 1 of 2 rijstroken. Voor gezoneerde wegen geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De grenswaarde ligt tussen de 53 dB en 68 dB, afhankelijk van de ligging en of het een nieuwe of bestaande situatie betreft.
Een geluidsbelasting hoger dan deze grenswaarde is niet toelaatbaar. In het gebied tussen de voorkeursgrenswaarde en de grenswaarde is de geluidbelasting alleen toepasbaar na een afwegingsproces in de vorm van een procedure hogere grenswaarde.
Industrielawaai
In de Wgh wordt verhoudingsgewijs maar een klein gedeelte van het industrielawaai gereguleerd, namelijk alleen voor bedrijven gelegen op een gezoneerd industrieterrein. De geluidsruimte is voor een deel van de bedrijven vastgelegd in de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu. Een groot deel van de bedrijven valt onder een algemene maatregel van bestuur. Hierin zijn o.a. voor geluid voorschriften opgenomen. Deze voorschriften kunnen bepalend zijn voor de benodigde afstand tussen het bedrijf en gevoelige functies in de omgeving. Daarnaast moet bij de afweging in het kader van bestemmingsplannen ook rekening worden gehouden met geluidsemissies die niet geregeld zijn in het kader van de milieuwetgeving zoals laden en lossen, verkeersaantrekkende werking of menselijk stemgeluid.
Menselijk stemgeluid
Bestemmingen waarbij menselijk stemgeluid in de beoordeling in het kader van een goede ruimtelijke ordening een rol kan spelen, zijn onder andere bedrijven (horeca), sportvelden of speelplaatsen/hangplekken. Getoetst moet worden of het stemgeluid niet leidt tot aantasting van het woon- en leefklimaat
De Wet geluidhinder verlangt inzicht in de akoestische effecten bij de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten, zoals de realisatie van woningen. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van woningen, die worden gekenmerkt als geluidsgevoelig object. Akoestisch onderzoek is daardoor benodigd. Door Rho is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 1. De belangrijkste conclusies worden in deze paragraaf samengevat.
Wegverkeerslawaai
De ontwikkelingslocatie ligt niet binnen de geluidzone van een gezoneerde weg, waardoor akoestisch onderzoek volgens de Wet geluidhinder achterwege zou kunnen blijven. In het kader van een goede ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie is echter wel een beschouwing gegeven van het akoestische woon- en leefklimaat. Hierbij is de geluidbelasting op de gevels van de appartementen berekend ten gevolge van het wegverkeer op de Korte Blokweg, Emil Sandströmweg en de Koning Gustaafweg. De Kadeweg grenst aan het plangebied, maar is niet meegenomen in het onderzoek. Op deze weg ligt een bussluis, waardoor deze niet voor doorgaand verkeer bestemd is. Hierdoor zijn de verkeersbewegingen dusdanig laag, dat de geluidbelasting ten gevolge van deze weg geen negatieve invloed heeft op het akoestisch woon- en leefklimaat.
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat bij de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de niet gezoneerde Emil Sandströmweg de richtwaarde van 48 dB wordt overschreden met 1 dB. Maatregelen om de geluidbelasting te reduceren ten gevolge van deze zijn echter niet wenselijk. Ten gevolge van de Korte Blokweg en de Koning Gustaafweg wordt de richtwaarde van 48 dB niet overschreden.
Als de karakteristieke geluidwering van de gevels voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012 zal een aanvaardbaar geluidniveau in de woningen worden bereikt.
Op basis van de resultaten wordt geconcludeerd dat het appartementencomplex wordt gerealiseerd in een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Het aspect geluid staat de voorgenomen ontwikkeling zodoende niet in de weg.
Industrielawaai
Het plangebied ligt niet in de onderzoekszone van een gezoneerd industrieterrein. Onderzoek naar railverkeerslawaai en industrielawaai is daarom niet benodigd.
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Uit akoestisch onderzoek blijkt dat bij de nieuwe appartementen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden.
In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden.
Plaatsgebonden risico
Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour.
Groepsrisico
Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting.
Verantwoording groepsrisico
Binnen het invloedsgebied geldt dat voor ieder ruimtelijk plan groepsrisicoverantwoording verplicht is. Een verantwoording is een kwalitatieve beschrijving over de waarde van het groepsrisico, maatregelen, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Het advies van de veiligheidsregio speelt hierbij een belangrijke rol. Bij complexe projecten ligt doorgaans een proces van overleg met veiligheidsdeskundigen ten grondslag.
Bevt
In 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. In het Bevt staan regels voor de ruimtelijke inrichting rond wegen, waterwegen en spoorwegen met vervoer van gevaarlijke stoffen. In dit onderzoek is op deze wetgeving voorgesorteerd.
Het Bevt hanteert een vaste grens van 200 meter, vanaf de buitenrand van de transportroute, waarbuiten in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buiten de 200 meter is een verantwoording niet noodzakelijk. Wel geldt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen die nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk maken buiten de 200 meter, in de toelichting aandacht moet worden gegeven aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.
Ten aanzien van de verantwoordingsplicht groepsrisico wordt onderscheid gemaakt tussen een volledige verantwoording en een beperkte verantwoording van het groepsrisico.
Een volledige verantwoording kan bovendien achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat:
In het Bevt zijn tevens plasbrandaandachtsgebieden (PAG) benoemd voor transportroutes. Een PAG is een zone, waarbinnen een aanvullende verantwoording noodzakelijk is met betrekking tot het al dan niet nemen maatregelen om de effecten van een plasbrand te beperken en de zelfredzaamheid van personen.
Externe veiligheid gaat over de invloed van het transport of opslag van gevaarlijke stoffen op de omgeving. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Op basis van de risicokaart zijn de volgende risicobronnen in de omgeving aanwezig:
Langs vervoersassen van gevaarlijke stoffen is een verantwoordingsgebied aanwezig van 200 meter. Het invloedsgebied van LPG is 355 meter voor wegen. Het invloedsgebied van toxische stoffen is meer dan 4.000 meter. Het plangebied bevindt zich buiten het verantwoordingsgebied van de N59 en N654, maar binnen het invloedsgebied van toxische stoffen van deze transportroutes. Er dient een beschrijving te worden gegeven van de aspecten 'zelfredzaamheid' en 'bestrijdbaarheid'.
Zelfredzaamheid
Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten. Evenwel is het natuurlijk niet uit te sluiten dat kinderen, ouderen en/of gehandicapten in de woningen gaan wonen/aanwezig zijn. Vanuit maatschappelijk oogpunt is het juist gewenst dat dergelijke specifieke doelgroepen zich gelijkmatig 'verspreiden' tussen de reguliere doelgroepen.
Scenario toxische gassen
Door een incident op de weg met een tankwagen kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt. De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. Het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied opgemerkt worden door de herkenbare geur van ammoniak. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario.
Mogelijkheden tot voorbereiden van bestrijding van rampen
Bij het stedenbouwkundig ontwerp en de indeling van de openbare ruimte dient rekening te worden gehouden met de bereikbaarheid en keermogelijkheden van hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen in relatie tot ingangen van gebouwen. De aanwezigheid van effectieve bluswatervoorziening is tevens een belangrijk aandachtspunt. Brandkranen dienen nabij de entrees van het gebouw en de opstelplaatsen gerealiseerd te worden.
Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat E-Alert wordt ingezet.
In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd bij ontwikkelingen afsluitbare ventilatiesystemen in gebouwen toe te passen waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden. Aanwezigen zijn in gebouwen enkele uren beschermd tegen de effecten van toxische dampen. Het opleggen van het aanbrengen van afsluitbare mechanische ventilatiesystemen is alleen mogelijk indien dit in de planregels van het wijzigingsplan is vastgelegd.
Risicocommunicatie naar de bewoners is zeer belangrijk. Bij het sluiten van een huur-/koopcontract dient op de externe veiligheidsrisico's gewezen te worden en kan onderhavige rapportage genoemd worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht.
Het aspect 'externe veiligheid' staat de vaststelling van het wijzigingsplan niet in de weg. Bij de uiteindelijke vergunningverlening dient formeel advies te worden gevraagd aan de RUD Zeeland.
Milieuhygiënische bodemkwaliteit
Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht.
Een belangrijk basis vormt de Wet bodembescherming (Wbb) en daarnaast zijn het Besluit bodemkwaliteit en de Waterwet van toepassing. Het doel van de Wbb is om te voorkomen dat nieuwe gevallen van bodemverontreinigingen ontstaan. Voor bestaande bodemverontreinigingen is aangegeven in welke situaties (omvang en ernst van verontreiniging) en op welke termijn sanering moet plaatsvinden. Hierbij dient de bodemkwaliteit tenminste geschikt te worden gemaakt voor de functie die erop voorzien is, waarbij verspreiding van verontreiniging zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het Besluit bodemkwaliteit omvat de regels rond grondverzet, bouwstoffen en een stuk kwaliteitsborging.
Aardkundige waarde
Ten aanzien van de aardkundige waarde richt het gemeentelijk beleid zich op het versterken van de plaatselijke landschapskwaliteiten. Dit kan door aardkundige patronen een zichtbare rol te laten spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Doorsnijding en versnippering van het landschap moet zo veel mogelijk worden voorkomen.
Er is geen landelijke wetgeving met betrekking tot aardkundige waarden. In de provincie Zeeland en in de gemeente zijn de aardkundige waarden opgenomen in het omgevingsplan en bodembeleidsplan.
Bodemenergie
Bodemenergie is het gebruik van de bodem als energiebron of voor de opslag van energie (warmte/koude). In de meeste gevallen wordt er gebruik gemaakt van warmtekoude opslag systemen (WKO). Dit deels is geregeld in het Besluit bodemenergie. Het Besluit schrijft o.a. voor dat een nieuw systeem gemeld moet worden, een bestaand systeem niet mag hinderen en dat de systemen door een erkend bedrijf moeten worden aangelegd. Bodemenergiesystemen mogen niet in grondwaterbeschermingsgebieden worden aangelegd.
Voor de gesloten systemen geldt een meldingsplicht. Open systemen en grote gesloten systemen (>70kW) zijn vergunningsplichtig onder de Waterwet. De gemeente Schouwen-Duiveland beschikt over een kansenkaart bodemenergie.
Voor het opsporen en winnen van delfstoffen of aardwarmte is een vergunning nodig van de Minister van Economische Zaken (artikel 6 van de Mijnbouwwet). Tevens is een omgevingsvergunning nodig.
Niet gesprongen explosieven (NGE)
De potentiële aanwezigheid van niet gesprongen explosieven kan een bedreiging in houden bij grondroerende werkzaamheden en kan tot vertraging in de planvorming en - uitvoering leiden. De gemeente beschikt over NGE beleid. Dit beleid is opgesteld op basis van een historisch onderzoek, ooggetuigenverklaringen en eerdere vondsten. Afhankelijk van de toekomstige ontwikkeling wordt getoetst of een vervolg onderzoek nodig is. Daar waar het huidige grondgebruik wordt gecontinueerd is geen sprake van een verhoogd risico en is vervolgonderzoek of opsporing niet noodzakelijk.
Door SMA Zeeland B.V. is een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd voor de projectontwikkelingslocatie 'De Velden' gelegen aan de Emil Sandströmweg, waarbinnen ook voorliggend plangebied valt. De rapportage is opgenomen in bijlage 2. In deze paragraaf worden de belangrijkste bevindingen samengevat.
In het onderzoek zijn in de bovengrond plaatselijk licht verhoogde gehalten koper, kwik en/of lood aangetoond. In de ondergrond ter plaatse van een toekomstige waterpartij zijn geen verontreinigingen aangetroffen met de geanalyseerde parameters. Deze resultaten zijn vergelijkbaar met de resultaten van de in 1999 en 2005 uitgevoerde onderzoeken.
Voor het onderzoek is uitgegaan van de hypothese 'verdacht'. Deze hypothese dient op grond van de onderzoeksresultaten formeel te worden aangenomen.
De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van aanvullend of nader bodemonderzoek. Er zijn vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen voor de aanleg van een woonwijk en oppervlaktewater op de onderzoekslocatie.
Er dient wel rekening mee gehouden te worden dat (ook licht) verontreinigde grond niet zonder meer mag worden verplaatst op of van de onderzoekslocatie. Indien de ten behoeve van de aanleg van een waterpartij uit te graven grond elders wordt toegepast, kan het noodzakelijk zijn een partijkeuring in het kader van het Besluit bodemkwaliteit uit te voeren op de afgegraven grond. De eventuele mogelijkheden dienen in overleg met het bevoegd gezag te worden bepaald.
Uit het bodemonderzoek blijkt dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen zijn voor de realisatie van woningen en oppervlaktewater. Het aspect bodem vormt zodoende geen belemmering voor dit wijzigingsplan.
Kaderrichtlijn Water (KRW)
In 2000 hebben de landen van de Europese Unie de Kaderrichtlijn Water (KRW) onderschreven om te komen tot basisbeginselen voor een duurzaam waterbeleid in de Europese Unie. De Kaderrichtlijn Water is door Nederland vertaald naar landelijke beleidsuitgangspunten voor een robuust en duurzaam watersysteem. In 2027 moeten de door Nederland aangewezen KRW-oppervlaktewaterlichamen voldoen aan de richtlijnen, zoals deze door de Europese Unie zijn vastgesteld. Voor het bereiken van de KRW-doelen is in het Nationaal Bestuursakkoord Water de onderlinge samenwerking tussen de overheden vastgelegd.
Waterbeheer 21e eeuw (WB21)
In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouder van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.
Waterwet
In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet is ontstaan uit het samenvoegen van acht oude waterwetten. De Waterwet kent één watervergunning, voor onder andere het lozen van afvalwater op het oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater of het bouwen van een steiger. De Waterwet regelt het beheer van waterkeringen, het oppervlaktewater en grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. In de Keur heeft het waterschap regels opgenomen gericht op het veilig stellen van de water aan- en afvoer en de bescherming tegen wateroverlast. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen.
Nationaal Waterplan
Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld.
Nationaal Bestuursakkoord Water
In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.
In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten.
Provinciale Waterverordening
De provincie Zeeland heeft de Waterwet en het Waterbeleid 21e eeuw uitgewerkt in de Waterverordening Zeeland. Hierin staan normen voor de regionale watersystemen (het slotenstelsel). Ze moeten bij hevige neerslag voldoende water kunnen bergen en afvoeren. Voor stedelijk gebied geldt als norm dat er eens in de 100 jaar ernstige wateroverlast mag optreden. Voor het landelijk gebied is de norm eens in de 25 jaar. Waar glastuinbouw is, geldt een norm van eens in de 50 jaar. Aan de hand van deze normen zorgt het waterschap voor de nodige inrichtingsmaatregelen en voorzieningen om wateroverlast te voorkomen.
Waterbeheerplan 2016 - 2021 waterschap Scheldestromen
In het Waterbeheerplan 2016 – 2021 laat het waterschap de hoofdlijnen zien van het beleid op het gebied van watersystemen en afvalwaterketen. Het waterschap heeft daar namelijk een specifieke verantwoordelijkheid voor. Wettelijk vastgelegde taken zoals het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem en het voor het doelmatig zuiveren van afvalwater. Ook hebben we de taak om het watersysteem en de afvalwaterketen toekomstbestendig te maken zodat we gevolgen van de klimaatverandering kunnen opvangen.
Dit waterbeheerplan staat voor verbinding van het werk van het waterschap met het werk van andere overheden: Provincie Zeeland, gemeenten, Rijkswaterstaat, naburige Vlaamse waterbeheerders en het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Het waterschap schept randvoorwaarden voor gebruikers, maar biedt ook mogelijkheden en meerwaarde voor maatschappelijke gebruikers zoals burgers, agrariërs, terreinbeheerders, ondernemers en bedrijven en recreanten.
De visie van het waterschap is het doelmatig beheren van watersystemen en afvalwaterketen. Deze zijn robuust en toekomstbestendig ingericht. Het watersysteem en de afvalwaterketen in het beheergebied zijn in 2027 op orde, ook voor de klimaatomstandigheden die worden verwacht. Concreet betekent dat voor het watersysteem de volgende doelen:
Voor de afvalwaterketen wordt dit vertaald naar de volgende doelen:
Het beheer en onderhoud is gericht op het in stand houden van het waterlopenstelsel voor berging, doorvoer en afvoer van overtollig water. Daarnaast past het waterschap het watersysteem waar nodig aan om aan de doelen te (blijven) voldoen. Ook zet het waterschap zich in om emissies die nadelig zijn voor de waterkwaliteit, te beperken. In de afvalwaterketen gaat het waterschap de energie efficiency verbeteren. Dat doet het waterschap door duurzame energie en grondstoffen te winnen uit afvalwater. Ook geeft het waterschap in de afvalwaterketen prioriteit aan het veilig stellen van de vereiste functionaliteit door knelpunten weg te nemen en (groot) onderhoud uit te voeren. Het Waterbeheerplan 2016 -2021 is op 19 november 2015 door de algemene vergadering vastgesteld.
Watertoets
In ruimtelijke plannen moet voldoende aandacht besteed worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk.
In de Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw tussen rijk, provincies, Waterschappen en gemeenten (d.d. 14 februari 2001) is overeengekomen dat vanaf de ondertekening van deze overeenkomst op alle voor de waterhuishouding relevante nieuwe ruimtelijke plannen een zogenaamde watertoets uitgevoerd dient te worden. Concreet betekent de invoering van de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.6, eerste lid, onder b, Bro.
In artikel 3.1.1. Bro is vastgelegd dat bij het opstellen van een bestemmingsplan (waaronder ook een wijzigingsplan wordt verstaan) overleg dient plaats te vinden met de waterbeheerder. Water dient in een zo vroeg mogelijk moment in de planvorming te worden meegenomen. Bij voorkeur in de initiatieffase.
Hieronder volgt de inhoudelijke toetsing van het plan aan de verschillende 'waterthema's'. Toetsing aan deze thema's levert de watertoets op.
Huidige situatie plangebied
Het plangebied ligt op het grondgebied van waterschap Scheldestromen. Figuur 4.2 toont een uitsnede van de leggerkaart van het waterschap, waarop het oppervlaktewatersysteem in de omgeving is weergegeven. Het plangebied ter plaatse van het nieuwe appartementengebouw bevindt zich ten zuiden van het bestaande oppervlaktewaterlichaam langs de Kadeweg. Ten oosten en zuiden van het plangebied loopt een watergang langs de Kadeweg en Emil Sandströmweg. Deze sluit aan op het watervlak aan de noordkant, en bestaat ten zuiden van het plangebied deels uit een duiker. Binnen het plangebied zelf is in de huidige situatie geen oppervlaktewater aanwezig. Het bestaat hoofdzakelijk uit grasland en is geheel onverhard. Wel valt het zuidelijke deel van het plangebied net binnen de 'beschermingszone oppervlaktewaterlichaam' van de watergang langs de Emil Sandströmweg.
Figuur 4.2: Uitsnede Legger Oppervlaktewaterlichamen waterschap Scheldestromen.
Toekomstige situatie plangebied
Dit wijzigingsplan voorziet in de realisatie van een nieuw appartementengebouw. In de toekomstige situatie zal het bestaande watervlak ten noorden hiervan worden vergroot, waarmee een 'waterveld' onstaat met enkele appartementengebouwen aan het water. Het zuidelijke appartementengebouw komt daardoor aan en deels 'in' het water te liggen (zie figuur 2.2 en 2.3). Een deel van het voorliggende plangebied direct grenzend aan het appartementengebouw zal dan ook uit water bestaan.
Hierna wordt per thema ingegaan op de verschillende wateraspecten in relatie tot dit plan.
| Thema en water(schaps)doelstelling | Uitwerking |
|
Veiligheid waterkering
Waarborgen van het veiligheidsniveau tegen water en de daarvoor benodigde ruimte. |
Het plangebied valt niet binnen een beschermingszone (A of B) van een waterkering zoals opgenomen in de Legger waterkeringen. De gronden kennen in het vigerende bestemmingsplan dan ook geen beschermende dubbelbestemming. Het plan vormt daarom geen belemmering voor de waterveiligheid en bescherming van waterkeringen. |
|
Wateroverlast (vanuit oppervlaktewater) Bij de bouw wordt voldoende hoog gebouwd om instroming van oppervlaktewater in maatgevende situatie(s) te voorkomen. Het plan biedt voldoende ruimte voor vasthouden / bergen / afvoeren van water. |
Binnen het plangebied is geen bestaand oppervlaktewater aanwezig. Wel valt een strook aan de zuidkant van het plangebied binnen de 'beschermingszone oppervlaktewaterlichaam' zoals opgenomen in de Legger oppervlaktewaterlichamen (zie figuur 4.2). Dit betreft een zone van 7 m aan weerszijden van de watergang langs de Emil Sandströmweg en Kadeweg. In de Keur van het waterschap is bepaald dat binnen deze zone een vergunning benodigd is voor onder andere werkzaamheden die de gebruikelijke wijze van onderhoud belemmeren, het plaatsen van werken of opgaande beplantingen (uitgezonderd afrasteringen mits op 0,5 m vanuit de insteek) en de hoogteligging van gronden meer dan 0,25 m te verhogen of verlagen. De voorgenomen ontwikkeling vormt geen belemmering voor het uitvoeren van onderhoud aan het leggerwater. De watergang blijft vanaf de Emil Sandströmweg goed toegankelijk. Wel worden er werken (in ieder geval het appartementengebouw) opgericht voor een deel binnen de zone. Hiertoe zal een watervergunning bij het waterschap worden aangevraagd. Met de voorgenomen ontwikkeling neemt het verhard oppervlak in het plangebied toe. In de huidige situatie zijn de gronden onverhard, in de toekomstige situatie wordt een appartementengebouw met toegangsweg gerealiseerd. In de huidige situatie kennen deze gronden al een woonbestemming, waarbinnen verharding mogelijk is. Hoewel de planologisch toegestane verharding daardoor niet toeneemt, zal de toename in feitelijke verharding ruimschoots worden gecompenseerd door de uitbreiding van het oppervlaktewater ten noorden van het appartementengebouw. |
|
Riolering / RWZI (inclusief water op straat / overlast) Optimale werking van de zuiveringen/RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken en drainagewater in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten. |
Het afvalwater wordt afgevoerd door het vuilwaterstelsel van de gemeente. Hemelwater dient via het oppervlaktewater of via een gescheiden rioleringsstelsel te worden afgevoerd. Voor het hele gebied De Velden wordt het rioleringsstelsel volledig gescheiden uitgevoerd, waarbij hemelwater zoveel mogelijk oppervlakkig via wadi's en zuiverende oeverplanten naar het oppervlaktewater wordt geleid. Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente. Het waterschap is verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater. |
|
Waterschapsobjecten
Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van waterschapsobjecten niet belemmeren. Hierbij wordt gedacht aan milieucontouren rond RWZI's, rioolpersgemalen, poldergemalen, vrijverval- en/of persleidingen. |
Binnen het plangebied zijn geen waterschapsobjecten aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling vormt geen belemmering voor waterschapsobjecten elders. |
|
Watervoorziening / -aanvoer
Het voorzien van de bestaande functie van (grond- en/of oppervlakte)water van de juiste kwaliteit en de juiste hoeveelheid op het juiste moment. Het tegengaan van nadelige effecten van veranderingen in ruimtegebruik op de behoefte aan water. |
Het plan heeft geen invloed op de voorziening en aanvoer van water. Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Het feitelijk verhard oppervlak zal met de ontwikkeling wel toenemen, maar hiertoe wordt ruimschoots gecompenseerd door de uitbreiding van het waterlichaam ten noorden van het nieuwe appartementengebouw. |
|
Volksgezondheid (water gerelateerd)
Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via o.a. de daarvoor benodigde ruimte. |
Er zijn geen risico's voor volksgezondheid bekend. Door het afkoppelen van hemelwater van de DWA worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. De risico's van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. |
|
Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen met name in zettingsgevoelige gebieden kunnen veroorzaken. |
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zal het (grond)waterpeil niet worden aangepast. Eventuele bodemdaling in de omgeving zal niet door het plan worden beïnvloed. |
|
Grondwateroverlast
Tegengaan / verhelpen van grondwateroverlast. |
Het plangebied is niet aangeduid als kwetsbaar gebied of grondwaterbeschermingsgebied. Grondwateroverlast in het gebied is niet bekend, en wordt niet verwacht als gevolg van de ontwikkeling. De (parkeer)kelder zal waterdicht worden gebouwd. |
|
Oppervlaktewaterkwaliteit
Behoud / realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. |
Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden. Het hemelwater wordt waar mogelijk afgekoppeld / niet aangesloten op de riolering conform de door het Waterschap gehanteerde afkoppelbeslisboom. Hemelwater wordt zoveel mogelijk via onder meer wadi's en zuiverende oeverplanten naar het oppervlaktewater geleid. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. |
|
Grondwaterkwaliteit
Behoud / realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. |
Alleen hemelwater dat valt op schone oppervlakken wordt afgekoppeld van de riolering en kan infiltreren in de bodem. Dat betekent dat er geen verontreinigd water in het grondwater terecht komt. |
|
Verdroging (Natuur)
Bescherming karakteristieke grondwater afhankelijke ecologische waarden; van belang in en rond natuurgebieden (hydrologische) beïnvloedingszone. |
De ontwikkeling van het appartementengebouw heeft geen invloed op de mate van verdroging in en rondom het plangebied. |
|
Natte natuur
Ontwikkeling/Bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. |
Het plangebied bestaat in de huidige situatie geheel uit grasland. Het plan voorziet niet in aanpassing van een (aquatische) natuurgebied. In de toekomstige situatie blijft de naastgelegen bermsloot behouden, en wordt het waterlichaam aan de noordkant uitgebreid. Mogelijk wordt in de omgeving ook voorzien in een of meer paddenpoelen als geschikte biotoop voor rugstreeppadden. |
|
Onderhoud waterlopen
Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden kunnen worden. |
Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Wel valt een strook aan de zuidkant van het plangebied binnen de 'beschermingszone oppervlaktewaterlichaam' (zie figuur 4.2). Dit betreft een zone van 7 m aan weerszijden van de watergang langs de Emil Sandströmweg en Kadeweg. In de Keur van het waterschap is bepaald dat binnen deze zone een vergunning benodigd is voor het verrichten van werkzaamheden die de gebruikelijke wijze van uitvoering van het onderhoud aan het leggerwater kunnen belemmeren. Voorliggend plan vormt geen belemmering voor het uitvoeren van onderhoud aan dit leggerwater; de watergang blijft vanaf de Emil Sandströmweg goed toegankelijk. Alle primaire waterlopen met bijbehorende kunstwerken zijn in beheer en in onderhoud bij het waterschap. De onderhoudsstroken behoeven niet in het wijzigingsplan te worden geregeld. Daarin voorziet de Keur watersysteem waterschap Scheldestromen 2012. |
|
Waterschapswegen
Goede bereikbaarheid en in stand houden van wegen in beheer en onderhoud bij het waterschap. |
Binnen het plangebied zijn geen waterschapswegen aanwezig. |
Het aspect water vormt geen belemmering voor dit wijzigingsplan. De (planologisch al toegestane) toename in verharding wordt ruimschoots gecompenseerd door vergroting van het bestaande watervlak. Omdat binnen de beschermingszone oppervlaktewaterlichaam een werk wordt opgericht, zal bij het waterschap een watervergunning worden aangevraagd. Deze watertoets zal in het kader van het wettelijk vooroverleg aan het waterschap Scheldestromen worden voorgelegd.
Algemeen
In deze paragraaf wordt het toetsingskader op het vlak van ecologie beschreven. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming.
Regelgeving
De regelgeving voor de flora en fauna is sinds 1 januari 2017 gebundeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming regelt zowel de soortenbescherming als gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming: Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) en Natuurnetwerk Nederland (voormalig EHS)
De gebiedsbescherming is verankerd in de Wet natuurbescherming en de regelgeving rondom de Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming dan wel de NNN de uitvoering van het plan niet in de weg staat. In het kader van de Wet natuurbescherming zijn binnen de gemeente de volgende Natura 2000-gebieden aangewezen: Voordelta, Oosterschelde, Grevelingen en Kop van Schouwen. Daarnaast loopt nog steeds een aanwijzingsprocedure voor het Krammer Volkerak.
Per Natura 2000-gebied worden in een aanwijzingsbesluit de instandhoudingdoelstelling voor bepaalde soorten of habitattypes bepaald en worden beheerplannen opgesteld. In een dergelijk beheerplan staat onder meer aangegeven voor welke nieuwe activiteiten geen vergunning nodig is. Ook activiteiten buiten de natuurgebieden kunnen effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen. Vandaar dat hier vooraf onderzoek naar moet worden verricht. Als er wel effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen dan zal voor de activiteit een vergunning Wet natuurbescherming moeten worden aangevraagd bij het bevoegd gezag (Provincie of Ministerie EZ).
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen niet zonder meer bestemmingsplanmatig mogelijk worden gemaakt als sprake is van negatieve effecten op de gebiedsafhankelijke kenmerken en waarden van de NNN.
Soortbescherming (hoofdstuk 3 Wet natuurbescherming)
De soortenbescherming bestaat uit drie beschermingsregimes. Twee volgen er uit Europese wetgeving. Volgens de wet zijn de soorten uit de Vogelrichtlijn (VRL) beschermd (artikelen 3.1-3.4 Wnb) en de soorten die genoemd worden in de Habitatrichtlijn (HRL) (artikelen 3.5-3.9. Wnb) Daarnaast is er ook nog een nationale lijst met beschermde soorten (3.10 Wnb). Deze soorten staan vermeld in de bijlage van de wet. Voor alle bestemmingsplannen geldt dat onderzoek moet worden uitgevoerd naar mogelijke beschermde soorten die in het plangebied voorkomen.
Stikstofdepositie
Met de uitspraak van 29 mei 2019 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is de PAS-systematiek komen te vervallen. Voor activiteiten die een stikstofdepositie veroorzaken is de Wet natuurbescherming weer het kader, aangevuld met provinciale beleidsregel.
De Wnb bepaalt dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. Indien ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen de Natura 2000-gebieden geen stikstofdepositie wordt berekend, kunnen negatieve gevolgen in die gebieden worden uitgesloten.
De Wet stikstofreductie en natuurverbetering is op 1 juli 2021 in werking getreden. Via het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering, waarin de stikstofwet verder is uitgewerkt, geldt per 1 juli een vrijstelling voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten omdat de emissies tijdelijk en beperkt zijn. De aanlegfase hoeft niet langer te worden berekend; een berekening voor de gebruiksfase blijft wel nodig.
Soortbescherming
De kans bestaat dat in het plangebied beschermde planten- en/of diersoorten voorkomen. Een quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming is daarom benodigd. Door ABO-Milieuconsult is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 3. De bevindingen hieruit worden in deze paragraaf samengevat.
Figuur 4.3 toont een overzicht van de in de quickscan onderzochte soorten en de onderzoeksresultaten uit de daarbij uitgevoerde bureaustudie en biotooptoets. Per soort(groep) is aangegeven of de ingreep mogelijk verstorend is, en of nader onderzoek en/of een ontheffing benodigd is.
Figuur 4.3: Overzicht onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten (bron: ABO-Milieuconsult).
Uit de uitgevoerde bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat met de plannen rekening gehouden moet worden met de aanwezigheid van de rugstreeppad. Voor het plaatsen van een paddenscherm is geen ontheffing nodig, maar voor het verplaatsen van mogelijke exemplaren die in daartoe opgestelde emmers vallen wel.
De procedure tot het verkrijgen van een ontheffing van de Wnb kan 13 plus 7 weken in beslag nemen; mogelijk langer indien extra informatie wordt gevraagd. Bij het aanvragen van een ontheffing worden alle details meegenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat rugstreeppadden het plangebied veilig kunnen verlaten.
Nadelige effecten op overige beschermde flora en fauna kunnen worden uitgesloten. Nader onderzoek daarnaar is dan ook niet noodzakelijk.
Zorgplicht
De zorgplicht van de Wnb is altijd van toepassing. In de quickscan is geadviseerd hoe aan deze zorgplicht invulling kan worden gegeven.
Zodra een niet in de Wnb beschermd in het wild levend dier wordt aangetroffen tijdens de werkzaamheden kan deze worden gevangen en direct worden overgeplaatst naar een geschikte habitat in de nabijheid van het plangebied. Vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen en dergelijke) moet gefaseerd worden verwijderd, waardoor aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren gelegenheid wordt gegeven te vluchten.
Voor wat betreft de zorgplicht specifiek voor vogels (artikel 3.1), geldt dat indien de werkzaamheden starten binnen het broedseizoen (globaal van half maart tot half juli), deze pas mogen worden uitgevoerd indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden.
Aanbevelingen
Naast de consequenties voortkomend uit de Wnb worden in de quickscan in relatie tot de nieuwbouw enkele aanbevelingen gedaan met als doel de ecologische structuren in de omgeving te versterken.
Zo kunnen voor vleermuizen vleermuiskasten worden geplaatst in de spouw of tegen de muur op > 2,5 m hoogte, en vleermuisstenen worden ingemetseld. Hierbij wordt verwezen naar de brochure vleermuisvriendelijk bouwen. Ook kunnen neststenen worden aangebracht ten behoeve van huismussen en gierzwaluwen. Voor huismussen kan bijvoorbeeld ruimte open gelaten worden onder de eerste twee rijen dakpannen van de goot. Huismussen en andere dieren hebben behoefte aan schuilplaatsen in de omgeving. Het planten van inheemse bomen heeft de voorkeur. Liguster, lijsterbes, sleedoorn, meidoorn en vlier zijn ook bomen die in een haag geplant kunnen worden en goede bescherming geven. Voor rugstreeppadden kan een geschikte biotoop worden gecreëerd door het aanleggen van een of meer paddenpoelen. Een voorbeeld hiervan is in de quickscan aangegeven.
Gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van en ligt niet in de nabijheid van een Natura 2000-gebied. Ook ligt het niet op gronden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Er gaat dan ook geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren. Het gebied maakt ook geen deel uit van een ander beschermd natuurgebied, zoals een belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur.
Stikstofdepositie
Door de uitspraak van de Raad van State van mei 2019 is het voor ieder project nodig uit te sluiten dat in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden negatieve effecten als gevolg van onder andere stikstofdepositie optreden. Omdat gedurende de aanleg- en de gebruiksfase van de woningen sprake is van stikstofemissie moet met een AERIUS-berekening worden beoordeeld of ter plaatse van de stikstofgevoelige habitats van deze Natura 2000-gebieden sprake is van een toename van de stikstofdepositie.
In opdracht van de gemeente Schouwen-Duiveland is door KuiperCompagnons een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor het voorliggende plan. Het project betreft de realisatie van 25 appartementen. Beoordeeld is of sprake is van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats gelegen binnen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plan. Rondom het plangebied zijn diverse Natura 2000-gebieden gelegen. De meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn Oosterschelde (circa 2,3 km afstand) en Grevelingen (circa 4,7 km afstand).
De Wet stikstofreductie en natuurverbetering is op 1 juli 2021 in werking getreden. Via het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering, waarin de stikstofwet verder is uitgewerkt, geldt per 1 juli een vrijstelling voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten omdat de emissies tijdelijk en beperkt zijn. De aanlegfase hoeft niet langer te worden berekend; een berekening voor de gebruiksfase blijft wel nodig. De vrijstelling geldt voor alle bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten. Aangezien de aanlegfase tijdens de beoordeling niet wordt meegenomen, staat dit de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsplan niet in de weg.
Uitgangspunten en berekening
Zoals hierboven beschreven geldt per 1 juli 2021 een vrijstelling voor de aanlegfase. De aanlegfase is dan ook niet berekend. De gebruiksfase is aan de orde nadat de 25 nieuwe appartementen zijn opgeleverd. De woningen worden gasloos gebouwd en veroorzaken zelf derhalve geen emissie tijdens het gebruik. De emissie wordt bepaald door de verkeersbewegingen van en naar de woningen.
De verkeersaantrekkende werking van 25 woningen bedraagt circa 200 personenwagens (8 per woning). Dit betreft een 'worst case' kengetal. Voor de AERIUS-berekening is uitgegaan van 190 personenwagenbewegingen per dag en is verder rekening gehouden met 6 middelzware (zoals bestelbusjes) en 4 zware (zoals vrachtwagens / verhuiswagens / vuilniswagens) verkeersbewegingen per dag. Dit is uitgaande van een 'worst case' situatie, met 95% licht verkeer, 3% midden verkeer en 2% zwaar verkeer. Uitgangspunt is dat al het verkeer via de Emil Sandströmweg arriveert en vertrekt.
Het verkeer moet worden meegenomen tot het is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. In het document van Bij12 'Instructie gegevensinvoer voor Aerius calculator' van oktober 2020 is dit als volgt omschreven:
Dit is het geval op het moment dat het aan- en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt.
Op basis van deze omschrijving is het verkeer beschouwd tot de N59. Daarbij is al het verkeer 'worst case' richting het dichtstbijzijnde stikstofgevoelig gebied meegenomen. De N59 heeft een verkeersintensiteit van circa 17.000 verkeersbewegingen per werkdag. Het verkeer is op dit punt verdund tot minder dan 2%. Vanaf de N59 verspreidt het verkeer in westelijke en oostelijke richting. Daarna kan er zeker van worden uitgegaan dat het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld en zeker niet meer is toe te rekenen aan de locatie.
De berekening is opgenomen als bijlage 4. Gerekend is voor het beoordelingsjaar 2022. Dit kan ook worden gezien als 'worst case' omdat de emissie van stikstof van motorvoertuigen in toekomstige jaren afneemt.
Uit de berekening wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door het gebruik van de 25 appartementen in het voorliggend wijzigingsplan. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit project.
Het aspect natuur en flora en fauna vormt geen belemmering voor het plan. Voor (het verplaatsen van) de aangetroffen rugstreeppadden wordt een ontheffing aangevraagd. Nadelige effecten op overige beschermde flora en fauna kunnen worden uitgesloten. Uit een stikstofdepositieberekening blijkt dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, en dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten.
Algemeen
Energiebesparing en het gebruik van duurzame energie is een belangrijk thema in het nationale klimaatbeleid. In een bestemmingsplan gaat het er bij het thema energie om dat rekening gehouden wordt met duurzaamheidsaspecten bij het ontwikkelen van een plangebied.
Regelgeving
Alleen via het Bouwbesluit geldt een wettelijke verplichting om bij bestemmingsplannen aandacht te besteden aan (duurzame) energie. In een bestemmingsplan kunnen geen voorwaarden worden gesteld met betrekking tot energie van niet stedenbouwkundige aard.
Nationaal klimaatbeleid
In 2013 zijn er in het 'Energieakkoord voor duurzame groei' reeds afspraken gemaakt over energiebesparing, stimuleren van duurzame energie en werkgelegenheid tussen de overheid, vakbonden, werkgevers en milieuorganisaties. Tijdens de klimaattop in Parijs in 2016 hebben 197 landen, waaronder Nederland, zich gecommitteerd aan het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen en de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 2 graden met 1,5 graad als streefwaarde. In de Klimaatwet (2019) is vastgelegd dat broeikasgasuitstoot (ten opzicht van 1990) met respectievelijk 49 procent in 2030 en 95 procent in 2050 verminderd moeten worden. Daarnaast moeten er in 2050 een volledig CO2-neutrale elektriciteitsproductie zijn. In het Klimaatakkoord dat op 26 juni 2019 door het kabinet is gepresenteerd staan afspraken met verschillende sectoren om de uitstoot van broeikasgassen tegen te gaan en de doelen uit de Klimaatwet te kunnen halen. Deze afspraken zijn ingedeeld per sector: elektriciteit, gebouwde omgeving, industrie, landbouw en landgebruik, en mobiliteit. Zo is voor de gebouwde omgeving afgesproken dat in 2030 1,5 miljoen bestaande woningen verduurzaamd zijn, en in 2050 7 miljoen woningen en 1 miljoen gebouwen van het aardgas af zijn. Hierbij is een centrale rol weggelegd voor gemeentes, en wordt een wijkgerichte aanpak gehanteerd.
Wet Voortgang Energie Transitie
Op 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) in werking getreden. Deze Wijzigingswet heeft een aantal aanpassingen doorgevoerd in de Gaswet en de Elektriciteitswet. Door de wijziging van de Gaswet mag een netbeheerder geen aardgasaansluiting meer verzorgen voor nieuwbouw. De aansluitplicht is dus vervallen, waarmee nieuwbouw niet meer aangesloten kan worden op het aardgasnet. Een belangrijk aandachtspunt is dat dit alleen geldt voor kleinverbruikers. Kleinverbruikers hebben een gasmeter tot en met G25 (een doorlaatwaarde tot en met 40 m³ per uur). Veel grotere kantoorpanden en bedrijven hebben een grotere aansluiting en hebben dus nog steeds recht op een aardgasaansluiting. Daarnaast biedt de Wet VET het college de ruimte om gebieden aan te wijzen waar netbeheerders geen nieuwe aardgasaansluitingen meer mogen verzorgen. Van deze bevoegdheid mag alleen gebruik worden gemaakt als er is voorzien in alternatieve voorzieningen. Dit heeft echter alleen invloed op kleingebruikers. Voor grootverbruikers vervalt het recht op een gasaansluiting hiermee dus niet. De wetgeving biedt ook ruimte aan het college van B&W om bij zwaarwegende redenen van algemeen belang uitzonderingen te maken en toch in een gasaansluiting te voorzien.
BENG
Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). De energieprestatie bij BENG wordt bepaald aan de hand van 3 individueel te behalen eisen:
Met het nieuwe appartementengebouw wordt in ieder geval toepassing gegeven aan de wettelijke vereisten op het gebied van duurzaamheid, klimaat en energie. Zo worden de woningen onder meer gasloos gebouwd, en wordt voldaan aan de BENG-eisen. Daarnaast zijn er op het dak zonnecollectoren voorzien. Installaties en zonnepanelen worden zorgvuldig mee ontworpen en worden beschouwd als onderdeel van de architectuur. Het paneel of de collector wordt geplaatst binnen het dakvlak, in of direct op het dakvlak. De panelen worden op een horizontale lijn gerangschikt ten opzichte van elkaar en met een regelmaat in maatvoering en afstand, en alleen in rechthoekige vlakken. Bij het appartementengebouw wordt daarnaast ook een warmtepomp geplaatst.
Het aspect energie en klimaat vormt geen belemmering voor dit wijzigingsplan.
Erfgoedwet
Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels uit de vorige wet- en regelgeving zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 van kracht wordt.
In het vigerende bestemmingsplan kent het voorliggende plangebied geheel een archeologische dubbelbestemming. Dit betreft grotendeels de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 7' en voor een kleiner deel 'Waarde - Archeologie - 6'. Voor de gronden ter plaatse van het nieuwe appartementengebouw geldt in de zuidwestelijke hoek de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 6', voor de rest van dit deel van het plangebied is 'Waarde - Archeologie - 7' opgenomen. In de bijbehorende regeling is bepaald dat niet mag worden gebouwd indien het bouwplan betrekking heeft op een bouwwerk met een oppervlakte groter dan 5.000 m² respectievelijk 2.500 m² en waarbij bovendien grond- of graafwerkzaamheden dieper dan 0,5 m beneden het maaiveld plaatsvinden. Hiervan kan bij omgevingsvergunning na overlegging van een archeologisch rapport worden afgeweken. Ook is een verbod opgenomen voor het zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden met een grotere diepte dan 0,5 m en oppervlakte groter dan 5.000 m² respectievelijk 2.500 m².
Voor het deel van het plangebied waar het zuidelijke appartementengebouw is voorzien, is een archeologisch onderzoek uitgevoerd door Transect. De rapportage is opgenomen in bijlage 5, hieronder worden de belangrijkste bevindingen samengevat. Het onderzoeksgebied omvat tevens het vergunde appartementengebouw ten oosten van de Ingeland. Voor de overige gronden van dit wijzigingsplan wordt, op basis van een definitief bouwplan, in het kader van een nog op te stellen wijzigings- en uitwerkingsplan voldaan aan de onderzoeksverplichting op het gebied van archeologie.
In het onderzoek is conform het gemeentelijke archeologiebeleid binnen het plangebied een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd. Op basis van het bureauonderzoek worden binnen het plangebied mariene afzettingen van het Laagpakket van Walcheren op Holland veen op mariene afzettingen van het Laagpakket van Wormer verwacht. Wanneer de top van het veen intact is, dat wil zeggen veraard, is er sprake van een middelhoge tot hoge archeologische verwachting voor bewoningssporen uit de Late IJzertijd en Romeinse Tijd. Is de top van het veen niet meer intact, dan is er sprake van een lage tot zeer lage verwachting. De Wormer- en Walcherenafzettingen hebben eveneens een lage tot zeer lage verwachting.
Het veldonderzoek heeft uitgewezen dat binnen een deel van het plangebied een intacte veentop aanwezig is, waardoor dit deel in principe een middelhoge tot hoge verwachting heeft. Er zijn echter geen archeologische lagen of resten aangetroffen in de top van het veen. Er is dus waarschijnlijk geen archeologische vindplaats aanwezig binnen het plangebied.
Advies
Een deel van het plangebied heeft, door de aanwezigheid van een intacte veentop een middelhoge tot hoge verwachting. Binnen dit deel zijn echter geen archeologische lagen of resten waargenomen. Conform het gemeentelijk beleid is er hierdoor geen noodzaak tot verder archeologisch onderzoek. In het onderzoek wordt dan ook geadviseerd om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Schouwen-Duiveland, om op basis van dit advies een selectiebesluit te nemen. Naar aanleiding hiervan is door The Missing Link het onderzoek beoordeeld, en geadviseerd het rapport goed te keuren en het selectieadvies over te nemen. Deze beoordeling is opgenomen in bijlage 6.
Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische resten niet gegarandeerd worden. Wanneer bij graafwerkzaamheden toch onverhoopt waardevolle resten worden aangetroffen, dienen deze conform de Erfgoedwet te worden gemeld bij de gemeente Schouwen-Duiveland.
Op basis van archeologisch bureau- en booronderzoek zijn binnen het plangebied geen archeologische lagen of resten waargenomen, en is geadviseerd het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen. Naar aanleiding van het onderzoek en de beoordeling daarvan en conform het daarin geformuleerde advies heeft de gemeente Schouwen-Duiveland een selectiebesluit genomen. Archeologie vormt zodoende geen belemmering voor dit wijzigingsplan.
Integraal verkeer- en vervoersplan (2017)
De IVVP 2017 is een mobiliteitsplan waarin hoofdlijnen is vastgesteld wat we op het gebied van verkeer en vervoer willen bereiken. Het verkeersbeleid is vastgelegd en is aan de hand van een aantal thema's vertaald in een aantal concrete doelen op het gebied van bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid, gezondheid en duurzaamheid. De thema's uit het IVVP zijn:
In het IVVP 2017 zijn geen uitspraken opgenomen over te hanteren parkeernormen.
Het IVVP gaat ook specifiek in op de fiets. Insteek is stimuleren van het gebruik van de fiets. Hiervoor dient een netwerk van routes aanwezig te zijn wat voldoet aan de vastgelegde basiscriteria. Belangrijk is dat bestemmingen die relevant zijn voor fietsers (zoals scholen) aan dit netwerk zijn gelegen en goed bereikbaar zijn per fiets en beschikken over voldoende voorzieningen zoals fietsparkeerplaatsen.
Parkeerbeleid 2017-2020
In het Parkeerbeleid 2017-2020 worden diverse aspecten rondom het parkeren in Schouwen-Duiveland behandeld, zoals parkeerregulering en de toegankelijkheid en het kwaliteitsniveau van parkeerplaatsen. Bewust zijn geen parkeernormen opgenomen, omdat situaties vaak erg specifiek zijn en maatwerk vaak nodig is. Daarvoor kan prima worden gebruik worden gemaakt van de landelijke CROW-richtlijnen, die zijn vastgelegd in de CROW publicatie nummer 317 “kencijfers parkeren en verkeersgeneratie”. In deze publicatie zijn parkeerkencijfers voor verschillende functies opgenomen. Per functie is het kencijfer te bepalen op stedelijkheidsgraad en locatie.
In de beleidsnota wordt voor de gemeente Schouwen-Duiveland de stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk' aangehouden. Voor Zierikzee wordt onderscheid gemaakt in de deelgebieden/locaties 'centrum', 'centrumschil' en 'rest bebouwde kom'. Voorliggend plangebied is aangeduid als locatie 'rest bebouwde kom', zoals te zien in figuur 4.4.
Figuur 4.4: Deelgebieden/locaties parkeerbeleid in Zierikzee.
Het beleid gaat er verder van uit dat bij nieuwe ontwikkelingen het benodigd aantal parkeerplaatsen in beginsel op eigen terrein wordt gerealiseerd. Wanneer dat niet mogelijk is, moet worden aangetoond dat op openbaar terrein voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn.
Ontsluiting
In de huidige situatie kennen de gronden van dit wijzigingsplan al een woonbestemming, waar middels aanduidingen de toegestane woningaantallen zijn aangegeven. Met dit wijzigingsplan neemt het aantal woningen in het zuidelijke vlak toe van 18 naar 25 woningen, maar blijft het aantal woningen binnen het hele plangebied gelijk. Daarmee is in het vigerende bestemmingsplan al voorgesorteerd op deze invulling van de gronden. Het wijzigingsplan maakt ten opzichte van het moederplan dan ook geen extra woningen, en daarbij behorende verkeersgeneratie, mogelijk.
Figuur 4.5 toont de wegenstructuur van het gehele nog te ontwikkelen deel van deelgebied De Velden, en de ontsluiting van de verschillende woonvelden. Hierop is te zien dat het zuidelijke appartementengebouw via een aparte toegangsweg direct aansluit op en ontsloten wordt door de Emil Sandströmweg aan de zuidkant. Via daar wordt het verkeer verdeeld in oostelijke richting naar de Kadeweg en Nassaulaan, en in westelijke richting waar op korte afstand onder meer de N654 (westkant) en N59 (zuidkant) bereikbaar zijn. De overige woonvelden binnen het plangebied worden via aparte (gebieds)ontsluitingswegen ontsloten. Dit wordt in een nog op te stellen wijzigings- en uitwerkingsplan nader uitgewerkt.
Gezien de beperkte omvang van het zuidelijke appartementengebouw, en beperkte toename van het aantal woningen ten opzichte van de planologisch al toegestane woningen op deze locatie, zal de ontwikkeling niet leiden tot een onacceptabele verkeerstoename op de bestaande wegen. Afgaande op de weginrichting van de omliggende (ontsluitings)wegen kan worden geconcludeerd dat deze wegen over voldoende capaciteit beschikken om het extra verkeer dat gegenereerd wordt door de voorgenomen ontwikkeling goed te kunnen verwerken.
Figuur 4.5: Infrastructuur deelgebied De Velden (bron: AM e.a., 20 september 2021).
Parkeren
Voor wat betreft parkeren dient te worden voldaan aan het gemeentelijke parkeerbeleid ('Parkeerbeleid 2017-2020', of het daarvoor in de plaats tredende parkeerbeleid). In het actuele stedenbouwkundig plan van het nog te ontwikkelen deel van De Velden is per woonveld een sluitende parkeerbalans opgesteld. Voor de parkeerbalans is uitgegaan van het gemiddelde uit de tabellen van de CROW-publicatie, aansluitend bij het gemeentelijk parkeerbeleid. Voor middeldure appartementen geldt een parkeernorm van 1,9 parkeerplaatsen per woning, voor dure appartementen geldt een norm van 2,1 parkeerplaats. Voor de zuidelijke appartementen aan het waterveld is naar aanleiding daarvan een parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen per woning gehanteerd.
In figuur 4.6 is een uitsnede van de parkeerberekening voor de zuidelijke appartementen aan het waterveld weergegeven. Hier zijn in totaal 34 woningen voorzien, waarvan 25 in het zuidelijke appartementengebouw. Hier worden in een parkeerkelder onder het gebouw 25 parkeerplaatsen gerealiseerd, en nog eens 27 parkeerplaatsen op maaiveldniveau aansluitend op de toegangsweg. Daarmee wordt voorzien in het benodigde aantal parkeerplaatsen.
Figuur 4.6: Parkeeroplossing waterveld (zuid) (bron: AM e.a., 20 september 2021).
De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Algemeen
De bedoeling van de M.e.r.-regelgeving is om (in een aantal gelimiteerde gevallen) milieu een volwaardige plaats in de besluitvormingsprocessen van een groot aantal wetten, waaronder de Wro, te geven.
Regelgeving
De basis voor de regelgeving met betrekking tot de MER wordt gevormd door de Europese richtlijn voor milieueffectrapportage (85/337/EEG) en de Europese richtlijn betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (2001/42/EG). Beide richtlijnen zijn in de Wet milieubeheer (Hoofdstuk 7) en het Besluit milieueffectrapportage in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd.
De MER-regelgeving maakt onderscheid tussen plannen en besluiten en geeft hiervoor verschillende procedurele verplichtingen. Uitgangspunt van de MER-regelgeving is dat de procedure van het betreffende plan of besluit, waarbij het milieueffectrapport wordt opgesteld wordt gevolgd.
De Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage 1994 maken onderscheid tussen:
Dit betekent dat het bevoegd gezag ook bij deze kleinere activiteiten (die niet aan de drempelwaarden voldoen), na moet gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
Als uit de m.e.r-beoordeling blijkt dat geen milieueffectrapport behoeft te worden opgesteld of uit een milieueffectrapport blijkt dat er als gevolg van het plan geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen, kan het plan worden uitgevoerd.
Dit wijzigingsplan maakt de bouw van een appartementengebouw met 25 woningen mogelijk. Deze ontwikkeling is aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals voorkomend in de eerste kolom van de zogenaamde D-lijst van het Besluit m.e.r. (categorie 11.2). Hoewel de drempelwaarden van 100 hectare en 2.000 woningen (kolom 2) niet worden overschreden, dient evenwel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld.
Als hieruit blijkt dat er mogelijk belangrijke milieugevolgen zijn, is alsnog een uitgebreide m.e.r.-beoordeling of MER nodig. Sinds 16 mei 2017 moet voor elk ruimtelijk plan expliciet een besluit worden genomen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (MER), op een zo vroeg mogelijk moment. Voor de terinzagelegging van het ontwerpbesluit moet het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen, waarin wordt aangegeven of er wel of niet een formele (uitgebreide) m.e.r.-beoordeling of MER moet worden opgesteld. Het besluit over de m.e.r.-beoordeling wordt opgenomen bij het ontwerpbesluit tot vaststelling van het wijzigingsplan.
Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient rekening gehouden te worden met de criteria zoals die zijn opgenomen in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten. Deze criteria hebben betrekking op:
In het kader van dit wijzigingsplan en de ontwikkeling van het appartementengebouw die hiermee mogelijk wordt gemaakt, is zodoende een 'aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling' opgesteld. Deze aanmeldnotitie is opgenomen in bijlage 7.
Hierin wordt geconcludeerd dat als gevolg van de ontwikkeling geen significant nadelige milieueffecten optreden. Deze effecten zijn weloverwogen beoordeeld. Nadelige effecten die hooguit in beperkte mate eventueel optreden zijn te compenseren, en er is mogelijk ook sprake van positieve effecten. Maatregelen zullen worden uitgevoerd om negatieve effecten te beperken en positieve effecten te stimuleren. De geïnventariseerde effecten maken het opstellen van een MER of m.e.r.-beoordeling niet benodigd.
De verschillende milieu- en omgevingsaspecten zijn daarnaast in de voorgaande paragrafen van dit hoofdstuk nader besproken. Per aspect is daarbij ingegaan op de uitgevoerde onderzoeken en de effecten van de voorgenomen ontwikkeling.
Op basis van de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt geconcludeerd dat als gevolg van de ontwikkeling hooguit in beperkte mate en geen significant nadelige milieueffecten optreden, en dat het opstellen van een MER of m.e.r.-beoordeling niet benodigd is. Voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpwijzigingsplan zal op basis van de vormvrije m.e.r.-beoordeling door het college van burgemeester en wethouders een m.e.r.-beoordelingsbesluit worden genomen.
Uit de toetsing aan de sectorale aspecten blijkt dat er, rekening houdend met de in deelconclusies opgenomen voorwaarden, geen belemmeringen zijn voor voorliggend plangebied.
Dit wijzigingsplan kan grotendeels worden gekarakteriseerd als een ontwikkelgericht plan. Het is opgesteld om de ontwikkeling van een appartementengebouw mogelijk te maken. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid die voor de gronden in het moederplan is opgenomen. Om te kunnen voldoen aan de bijbehorende voorwaarde dat het woningaantal niet mag toenemen, zijn drie andere vlakken in het plangebied meegenomen. Deze vlakken zijn grotendeels conserverend bestemd, met als enige wijziging een aangepast maximum aantal wooneenheden. Een wijzigingsbevoegdheid is hier behouden, waaraan in een nog op te stellen wijzigings- en uitwerkingsplan (op basis van een definitief bouwplan voor fase 3) toepassing wordt gegeven.
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de huidige en beoogde situatie van het plangebied, de beleidsmatige verantwoording en een toetsing aan de diverse milieuaspecten. Dit hoofdstuk beschrijft de wijze waarop deze, hiervoor afgewogen, nieuwe invulling van het plangebied in het wijzigingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat de nieuwe regeling de beoogde ontwikkeling in het plangebied mogelijk maakt.
Het wijzigingsplan bestaat uit planregels, een verbeelding en een toelichting. De planregels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het wijzigingsplan. Hierna volgt een toelichting op de afzonderlijke onderdelen. De verbeelding is een kaart van het plangebied waarop onder andere te zien is waar, welke bestemming geldt en waar bouwvlakken liggen waarbinnen gebouwen opgericht dienen te worden. Op de verbeelding zijn de volgende hoofdgroepen opgenomen:
Uit de bestemmingsregels blijkt hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De planregels bestaan altijd uit de volgende vier hoofdstukken:
De opzet van de verbeelding en regels sluit aan op de wettelijk vastgelegde Standaard Vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Verder zijn de bestemmingen zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gronden.
In de toelichting wordt gemotiveerd waarom er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridische plangedeelte, dient het wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels.
De inleidende regels staan in hoofdstuk 1 (artikel 1 en 2) van de regels.
In artikel 1 van de regels worden diverse begrippen die in de planregels voorkomen nader omschreven. Bij de toetsing aan het wijzigingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis, ook als in het normale spraakgebruik of bijvoorbeeld in een encyclopedie andere, afwijkende definities voorkomen.
Artikel 2 geeft aan hoe hoogte-, oppervlakte- en andere maten moeten worden gemeten.
In hoofdstuk 2 (met de artikelen 3 tot en met 8) zijn de bouw- en de gebruiksregels opgenomen van de op de verbeelding opgenomen (enkel)bestemmingen en dubbelbestemmingen.
In de regels van de verschillende bestemmingen komen een aantal onderdelen (bijna altijd) terug. De bestemmingsomschrijving omschrijft voor welke functies de gronden zijn bedoeld. In de bouwregels is vervolgens geregeld wat er ten behoeve van de bestemming mag worden gebouwd.
In de specifieke gebruiksregels is het volgens de begripsomschrijving toegestane gebruik van zowel de onbebouwde gronden als van de aanwezige gebouwen gedetailleerder uitgewerkt en/of wordt een nader omschreven soort gebruik uitgesloten.
Verder komen diverse flexibiliteitsbepalingen voor (afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden) en kan een vergunningplicht zijn opgenomen om bepaalde werkzaamheden te mogen uitvoeren.
| Let op: de gebruiks- en de bouwmogelijkheden die in de enkelbestemmingen zijn opgenomen, kunnen worden beperkt door de dubbelbestemmingen of door de bepalingen uit hoofdstuk 3 (de algemene regels). |
Deze bestemming is opgenomen voor de gronden rondom het appartementengebouw, waar openbaar groen (o.a. bloemrijk gras en oeverbeplanting) is voorzien. Hiermee wordt aangesloten bij de omliggende groenbestemming buiten het plangebied. Binnen deze bestemming zijn naast groen- ook waterhuishoudkundige en speelvoorzieningen toegestaan, met hierbij horende ondergeschikte voorzieningen zoals bermstroken, bermsloten, waterpartijen, taluds, oevers, verhardingen, voet- en fietspaden, inritten, straatmeubilair, afvalverzamelvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen en nutsvoorzieningen.
De bestemming 'Verkeer' is opgenomen ten behoeve van de inrit en de parkeerplaatsen ten westen van het appartementengebouw. Deze gronden zijn onder meer bestemd voor wegen en voet- en fietspaden, en bijbehorende ondergeschikte voorzieningen zoals uitvoegstroken, water(huishoudkundige voorzieningen), straatmeubilair, bruggen, nuts-, parkeer, afvalverzamel-, speel- en groenvoorzieningen.
In lijn met de voorlopige verkaveling zoals opgenomen in het moederplan, is het appartementengebouw deels 'in' het water voorzien. Voor de gronden binnen het plangebied rondom de noordzijde van de woonbestemming is daarom de bestemming 'Water' opgenomen. Daarmee wordt aangesloten bij de waterbestemming in het moederplan, en voorgesorteerd op de uitbreiding van het bestaande waterlichaam. Deze gronden zijn bestemd voor water, waterberging en waterhuishoudkundige voorzieningen, taluds en oevers, en hierbij horende ondergeschikte voorzieningen.
In het moederplan is voor het nog in ontwikkeling zijnde deel van deelgebied De Velden voorzien in een aparte regeling, gedeeltelijk middels de bestemming 'Wonen – De Velden'. Voor deze gronden is voorzien in bepaalde typen en aantallen woningen, waarvoor specifieke aanduidingen zijn opgenomen. Ook bevat deze regeling specifieke bouwregels die samenhangen met het voor dit deel van de woonwijk vastgestelde Kwaliteitshandboek Noorderpolder II. Tot slot zijn er op deze gronden twee wijzigingsbevoegdheden opgenomen: 'wetgevingszone 5' en 'wetgevingszone 6' (zie daarvoor artikel 12).
Voor de gronden van dit wijzigingsplan is grotendeels de bestemming 'Wonen - De Velden' uit het moederplan overgenomen. Voor het zuidoostelijke appartementengebouw is ten opzichte van het moederplan voorzien in een afwijkende verkaveling, op basis van een geactualiseerd bouwplan: in plaats van twee bouwvlakken met elk een maximum aantal wooneenheden van 9, is één bouwvlak met een maximum aantal wooneenheden van 25 opgenomen. De bouwaanduiding 'gestapeld' is behouden, de bouw- en goothoogte is verhoogd tot 13,5 m. Hiermee is voorzien in de definitieve bestemming voor de te realiseren woningen, en zijn zodoende de wijzigingsbevoegdheden hier verwijderd.
Voor de overige drie delen van het plangebied is, net als in het moederplan, geheel de bestemming 'Wonen - De Velden' opgenomen. De enige wijziging ten opzichte van het moederplan is dat het aangeduide maximum aantal wooneenheden hier is teruggebracht. Dit omdat in het zuidoostelijke deel het aantal woningen is toegenomen van 18 tot 25, en in de voorwaarden bij de wijzigingsbevoegdheid is bepaald dat het aantal woningen niet mag toenemen. Door het verlagen van het aantal woningen in deze andere drie vlakken blijft het totale woningaantal gelijk.
Ter plaatse van de middelste woonbestemming is reeds een vergunning verleend. Deze ontwikkeling was al mogelijk binnen de vigerende woonbestemming, en sluit aan bij het teruggebrachte woningaantal. Zodoende wordt in dit wijzigingsplan de planologische bestemming toegespitst op de werkelijke situatie, en zijn ook op dit bestemmingsvlak de wijzigingsbevoegdheden niet meer nodig. Voor de overige twee woonbestemmingen zijn de geldende wijzigingsbevoegdheden behouden. Hieraan wordt, wanneer er een definitief bouwplan is, middels een nog op te stellen wijzigings- en uitwerkingsplan toepassing gegeven.
Aangezien de twee zuidoostelijke appartementengebouwen nu worden gerealiseerd, is de faseringsregeling uit het moederplan niet langer relevant. Het doel van de regeling (voorkomen van 'lege' plekken in het gebied) is daarmee bereikt. Zodoende zijn de aanduidingen 'bouwverbod 3' en 'bouwverbod 4' in dit wijzigingsplan niet overgenomen.
Voor het overige is de bestemmingsregeling voor de drie meebestemde vlakken onveranderd overgenomen uit het moederplan.
Artikel 7 Waarde - Archeologie - 6 en Artikel 8 Waarde - Archeologie - 7
Het plangebied is vanwege de archeologische verwachtingswaarde in het Beleidsplan Archeologie opgenomen in één van de onderzoeksgebieden. De dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie sluiten hierbij aan. Zowel voor bouwwerkzaamheden als voor verschillende soorten (graaf)werkzaamheden moet eerst de archeologische waarde van het betreffende terrein worden vastgesteld en eventuele waarden worden veiliggesteld. De dubbelbestemmingen zijn onverminderd overgenomen uit het moederplan.
Een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen om de mogelijkheid te bieden om de dubbelbestemming te laten vervallen voor die percelen waarop na onderzoek is gebleken dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn.
In hoofdstuk 3 zijn algemene regels opgenomen die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen.
In dit artikel zijn regels opgenomen voor - legale - bouwwerken die niet voldoen aan de bouwregels uit het vorige hoofdstuk. Eventueel afwijkende hoogte-, inhouds- hellings- en oppervlaktematen gelden voor die bouwwerken als vervangende (maximale/minimale) maat, ook als sprake is van vervangende nieuwbouw.
Verder is een regeling opgenomen die vanwege de ruimtelijke kwaliteit een beperking oplegt aan het aantal vlaggenmasten en een regel die vanwege het gemeentelijk beleid gericht op behoud van duisternis het naar boven toe verlichten van reclame-uitingen verbiedt. Ten slotte zijn enkele voorwaarden gesteld aan onoverdekte zwembaden in tuinen.
Artikel 10 Algemene gebruiksregels
In dit artikel zijn enkele algemene verboden opgenomen, maar ook een tweetal regelingen voor functies die in woningen aanvullend aan het 'wonen' wel zijn toegestaan.
Naast een verbod om gronden en bouwwerken in strijd met het wijzigingsplan te gebruiken is in dit artikel een aantal specifieke gebruiksverboden opgenomen. Zo is bijvoorbeeld vanuit de algemene veiligheid een verbod opgenomen voor opslag en be- en verwerking van explosieve stoffen.
Als voldaan wordt aan de genoemde voorwaarden mag in een woning een bed & breakfast worden gevestigd met maximaal 5 slaapplaatsen.
Ook is een regeling opgenomen voor het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis in een woning.
Artikel 11 Algemene afwijkingsregels
Om een aantal ondergeschikte veranderingen aan gebouwen mogelijk te maken in de gevallen dat ze niet rechtstreeks aan de bouwbepalingen van de verschillende bestemmingen voldoen, is een algemene afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Toepassing geven aan deze bevoegdheid is alleen mogelijk als het passend is vanuit stedenbouwkundig oogpunt, de verkeersveiligheid niet negatief beïnvloeden en als het niet te grote nadelen oplevert voor naastgelegen percelen.
De afwijkingsbevoegdheid is verder alleen mogelijk indien niet eerder al afgeweken is voor eenzelfde soort bouwwerk. Een afwijking voor bijvoorbeeld een entreepartij is dus eenmalig mogelijk.
Ook zijn een tweetaldrietal afwijkingsbevoegdheden opgenomen voor woningen: het gebruik van een bijbehorend bouwwerk als gastenverblijf en het gebruik als beroep of bedrijf aan huis waarbij een grotere oppervlakte mogelijk is dan rechtstreeks is toegestaan.
Artikel 12 Algemene wijzigingsregels
Om een aantal functioneel en architectonisch ondergeschikte bouwwerken mogelijk te maken die net buiten de 'eigen' bestemmingsgrens vallen is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. De stedenbouwkundige passendheid en het niet mogen veroorzaken van substantiële nadelen voor naastgelegen percelen zijn ook hier voorwaarden waaraan voldaan moet worden om toepassing te kunnen geven aan deze flexibiliteitsbepaling. Een wijziging is verder alleen mogelijk indien dit niet eerder al is toegepast voor eenzelfde soort bouwwerk. Een wijziging voor bijvoorbeeld een entreepartij is dus eenmalig mogelijk.
Artikel 12.1 Wetgevingszone - wijzigingsgebied 5
De planregels voor 'Wetgevingszone - wijzigingsgebied 5' zijn van toepassing op het noordelijke en westelijke deel van het plangebied. Dit artikel is onveranderd overgenomen uit het moederplan. Het betreft gronden waarop de bestemming Wonen - De Velden rust. Voor deze gronden geldt dat ten tijde van het ter visie leggen van het ontwerpwijzigingsplan 'Noorderpolder II, deelgebied De Velden, fase 2' nog geen woning in aanbouw is, noch voor die gronden vergunningen voor de bouw van woningen zijn verleend. In beginsel sluiten de woningen die binnen de bestemming Wonen - De Velden zijn toegestaan nog aan bij de lokale woningbehoefte. De regels voor de wijzigingsbevoegdheid in dit artikel maken het mogelijk om de oorspronkelijke plannen voor zowel de woningen in fase 2 (appartementen aan het Waterveld) als in fase 3 (grondgebonden woningen aan de westzijde) aan te kunnen passen om aan te sluiten bij de veranderende behoefte aan woningen op de woningmarkt.
Daarvoor is ruimte geboden om bestemmingen in het wijzigingsplan op te kunnen nemen voor wonen, groen, water, verkeer en/of maatschappelijk. Ook kunnen in het wijzigingsplan bouwvlakken, aanduidingsvlakken, maatvoeringsvlakken worden verwijderd en opgenomen. Daarbij is het ook mogelijk om een andere situering op te nemen van bestemmingen, bouwvlakken en aanduidingen. Voorwaarde is dat voorafgaand aan het wijzigingsplan voor het gebied een nieuw stedenbouwkundig plan/ verkavelingsplan met randvoorwaarden moet zijn opgesteld en goedgekeurd. Het aantal woningen in deze wetgevingszone mag niet toenemen. Bij wijziging van het woningtype moet de behoefte daaraan worden aangetoond.
Een wijzigingsplan kan gelijktijdig worden vastgesteld met een uitwerkingsplan als bedoeld in het artikel 'Wonen - Uit te werken De Velden' zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Zierikzee buiten de grachten'.
Artikel 12.2 Wetgevingszone - wijzigingsgebied 6
De gebiedsaanduiding 'Wetgevingszone - wijzigingsgebied 6' is in het noordelijke en westelijke deel van het plangebied van dit wijzigingsplan overgenomen uit het moederplan. Omdat voor de twee zuidoostelijke delen al een concreet bouwplan voorhanden is, is de wijzigingsbevoegdheid hier niet langer opgenomen.
Deze wetgevingszone is van toepassing op de in dit wijzigingsplan opgenomen bouwtitels voor woningbouw in het nog te ontwikkelen deel van deelgebied De Velden (bestemming Wonen - De Velden). Conform de Structuurvisie Zierikzee 2030 is het op grond van deze planregel mogelijk om vanaf het jaar 2026 te inventariseren welke bouwtitels voor woningbouw op dat moment nog onbenut zijn. Deze regeling maakt het enerzijds mogelijk om de bouwtitel te verwijderen en de woonfunctie te behouden, daarmee kan het perceel wel worden gebruikt voor het vergroten van de tuin bij de aangrenzende woning(en). De bestemmingen Wonen - De Velden waarop deze wijzigingsbevoegdheid is opgenomen grenzen aan de bestemmingen Water, Groen en/of Verkeer. De in deze bepaling opgenomen type bestemmingen die aan de gronden kunnen worden toegekend zijn kunnen ruimtelijk passende bestemmingen zijn.
Aan toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid zijn voorwaarden verbonden en een wijzigingsplan dient tevens te voldoen aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. Doel van de regeling is dat in het bestemmingsplan (in dit geval: wijzigingsplan) opgenomen bouwmogelijkheden voor woningbouw ook worden gerealiseerd en niet jarenlang ongebruikt op de gronden blijven rusten. Een van de voorwaarden voor het kunnen toepassen van de wijzigingsbevoegdheid voor het verwijderen van onbenutte bouwtitels is dat er geen sprake is van een gebouwde woning of een woning in aanbouw. In de begripsbepaling voor een woning in aanbouw is opgenomen dat daar sprake van is als de fundering is gemaakt en vervolgens doorlopend de bouwwerkzaamheden aan de woning plaatsvinden. Het is namelijk van belang dat de bouw niet voor een ongebruikelijk langere tijd stopt na de aanleg van de fundering.
In dit artikel is onder meer de anti-dubbeltelregel opgenomen. Deze regel voorkomt dat meer wordt gebouwd dan het wijzigingsplan beoogt. Dit is bijvoorbeeld mogelijk als een deel van een bouwperceel van eigenaar wisselt, terwijl diezelfde gronden bij een al eerder verleende omgevingsvergunning zijn meegeteld bij het bepalen van de maximale bebouwingspercentage van het bouwperceel waartoe het behoorde. Het is dus niet mogelijk de gronden in te zetten voor twee verschillende bouwpercelen om op die manier een omgevingsvergunning voor het bouwen te verkrijgen.
In hoofdstuk 4 is het overgangsrecht ten aanzien van gebruik en bebouwing opgenomen en is in de slotregel (artikel 15) de citeertitel van de planregels benoemt.
In artikel 14 is het overgangsrecht ten aanzien van legaal bestaand gebruik en legale bestaande bouwwerken opgenomen voor zover dat afwijkt van de (nieuwe) bestemming. Bestaand gebruik en bestaande bebouwing die in strijd zijn met dit nieuwe wijzigingsplan, maar al aanwezig was ten tijde van voorgaande plannen, mag onder voorwaarden in stand blijven (bebouwing) dan wel worden voorgezet (gebruik). Gebruik en bebouwing dat voorheen al illegaal was, wordt met deze bepaling niet gelegaliseerd.
Handhaving van regelgeving vraagt om geactualiseerde regels. Door actualisering van bestemmingsplannen worden de bestaande ruimtelijke kaders aangegeven en worden daarmee tevens de grenzen bepaald waarbinnen planologische ontwikkelingen mogelijk zijn.
De regels van het bestemmingsplan (in dit geval: wijzigingsplan) leggen een ruimtelijke relevante norm vast, met dikwijls een daaraan gekoppelde afwijkingsmogelijkheid, die het bestuur de mogelijkheid geeft in te spelen op de dynamiek van de samenleving. Op die wijze wordt ook de gelegenheid geboden een belangenafweging te maken van de individuele belangen ten opzichte van het algemeen belang.
De term handhaving wordt vaak beperkt uitgelegd als uitsluitend het toepassen van handhavingsinstrumenten, zoals de last onder bestuursdwang en de last onder dwangsom. Deze vorm van handhaving is overwegend repressief van aard. Handhaving bestaat echter ook uit het geven van voorlichting en het houden van toezicht op een goede uitvoering. Dit is de preventieve invalshoek. In de meest optimale situatie zou sanctionering niet nodig moeten zijn.
Handhaving van bestemmingsplannen en ruimtelijke regelgeving is steeds meer in de belangstellingkomen te staan van bestuurlijk Nederland. Door het plaatsvinden van enkele ingrijpende incidenten is de handhaving van wet- en regelgeving in een stroomversnelling gekomen. In toenemende mate spreken burgers de gemeente aan op het handhaven van de (eigen) regels.
De rechter spreekt zich nadrukkelijk uit over het handhaven van de regelgeving en neemt daartoe in beginsel een plicht tot handhaving aan. Dit houdt in dat, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift of regel het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moet maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
Binnen de gemeente Schouwen-Duiveland wordt er zo veel mogelijk planmatig gehandhaafd. Hiertoe wordt jaarlijks een handhavingsprogramma vastgesteld. Daarnaast is er ook de nodige ruimte om te kunnen handhaven op incidenten en klachten.
In principe dient tegen alle geconstateerde overtredingen te worden opgetreden. De zogenaamde beginselplicht tot handhaving. Het vaststellen van prioriteiten is echter onvermijdelijk. Als belangrijke handhavingsdoelen kunnen genoemd worden: het tegengaan van het bouwen zonder vergunning en het optreden daar waar sprake is van afwijking van reeds verleende vergunningen. Ook in de gevallen waar de veiligheid in het geding is en/of aantasting van het milieu plaatsvindt, dient prioriteit te worden gegeven aan de handhaving. Het tegengaan van strijdig gebruik van gronden en/of gebouwen is eveneens een belangrijke doelstelling. Als nevengeschikte doelen van de handhaving kunnen worden genoemd: het ongedaan maken van de gevolgen van een overtreding of een daarmee behaald voordeel.
De uitvoering van het handhavingsbeleid is vastgelegd in de hiertoe relevante handhavingsprotocollen, het handhavingsplan en het daaruit voortvloeiende jaarprogramma. Daar waar een overtreding wordt geconstateerd en legalisatie niet mogelijk is, moet in eerste instantie toepassing worden gegeven aan de bestuursrechtelijke handhaving om tot herstel van de rechtsorde te komen. Het proces van bestuursrechtelijke handhaving is vastgelegd in een stappenplan, waarin de verschillende stadia van de besluitvorming en procedures tot uitdrukking komen.
Naast de bestuursrechtelijke mogelijkheden van handhaving wordt een taak gezien voor de strafrechtelijke handhaving. De uitvoering en voortgang van de handhaving wordt jaarlijks vastgelegd in een verslag, dat bestuurlijk wordt vastgesteld.
In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien een bestemmings- of wijzigingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond.
De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan c.q. wijzigingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan, een projectbesluit of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening:
Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is.
Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is én er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. Tevens is wettelijk geregeld dat voor onbenutte bouwruimte die al opgenomen was in een bestemmingsplan dat nog op basis van de oude Wet op de Ruimtelijke Ordening was opgesteld en vastgesteld en bij de herziening van dat bestemmingsplan na 1 juli 2008 geen andere bestemmingsregeling is vastgesteld, geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld.
Met de ontwikkelaar van het appartementengebouw is een een anterieure overeenkomst gesloten. Het kostenverhaal is hiermee anderszins verzekerd, waardoor het opstellen van een exploitatieplan niet nodig is.
Gelet op het voorgaande kan de economische uitvoerbaarheid voldoende gewaarborgd worden geacht.
Gedurende de voorbereiding van bestemmings- en wijzigingsplannen wordt het plan één of meerdere keren ter inzage gelegd. Tijdens de periode van terinzagelegging kunnen bewoners, bedrijven, dorps- en stadsraden en andere geïnteresseerden of belanghebbenden reageren op het plan. In dezelfde periode wordt ook overleg gevoerd met andere overheden over het plan. De resultaten van de terinzagelegging kunnen leiden tot aanpassingen, verbeteringen of wijzigingen van het plan. In dit hoofdstuk wordt beschreven wat de resultaten zijn van deze maatschappelijke consultaties.
Op grond van artikel 3.1.1 van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een wijzigingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.
In dit kader zijn de verschillende vooroverlegpartners in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op het voorontwerpwijzigingsplan. De ontvangen overlegreacties hebben geen aanleiding gegeven tot aanpassingen in het wijzigingsplan.
De provincie Zeeland wees met betrekking tot stikstof nog op de inmiddels beschikbaar gekomen nieuwe Aerius-calculator. Voor de ontwerpversie van het wijzigingsplan is de stikstofdepositieberekening hiermee geactualiseerd. Daarnaast merkte de provincie op dat enkele beschermde soorten genoemd in het flora- en faunaonderzoek van de vrijstellingslijst zijn geschrapt; dit heeft echter geen gevolgen voor dit plan en staat in de rapportage vermeld.
Het ontwerpwijzigingsplan heeft, gezamenlijk met de ontwerp-omgevingsvergunningen, van 21 maart tot en met 2 mei 2022 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen naar voren gebracht.