REGELS
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In de regels van dit plan wordt verstaan onder: 1.1 wijzigingsplan de geometrische bepaalde objecten als vervat in het GML bestand met identificatienummer NL.IMRO.1674.1119WAGONSTRAAT-0601 van de gemeente Roosendaal. 1.2 verbeelding de plankaart met daarop aangegeven het plangebied en de bestemmingen, met het identificatienummer NL.IMRO.1674.1119WAGONSTRAAT-0601 van de gemeente Roosendaal. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 2 Toepassing 2.1 Toepassingsverklaring verbeelding Dit wijzigingsplan wijzigt de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan 'Reparatieplan Borchwerf II veld B' met identificatienummer NL.IMRO.1674.2076VELDBBWII-0601 van de gemeente Roosendaal, vastgesteld op 15 september 2017, overeenkomstig de wijze, zoals vervat in de verbeelding behorende bij onderhavig wijzigingsplan. 2.2 Toepassingsverklaring regels De regels deel uitmakende van het bestemmingsplan ‘Reparatieplan Borchwerf II veld B’ met identificatienummer NL.IMRO.1674.2076VELDBBWII-0601van de gemeente Roosendaal, vastgesteld op 15 september 2017, zijn onverkort van toepassing, met dien verstande dat de regels uit artikel 7 van het moederplan worden vervangen door artikel 3 van dit wijzigingsplan, dat als volgt luidt: Artikel 3 Bedrijventerrein - 2 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Bedrijventerrein-2' aangewezen gronden zijn bestemd voor: bedrijven voor zover deze voorkomen in categorie 3.1 en 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten alsmede groothandelsbedrijven; ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf van categorie 3.2 uitgesloten' is een bedrijf in de categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten uitgesloten; ter plaatse van de aanduiding 'waterberging' tevens voor waterberging/ retentievoorzieningen; bijbehorende voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van algemeen nut zoals verkeers-, groen-, water-, nuts- en daarmee vergelijkbare voorzieningen, waaronder voet- en fietspaden, ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen, straatmeubilair, abri's, kunstobjecten, transformatorhuisjes, voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling, bergbenzinkbassins, retentievoorzieningen en geluidwerende voorzieningen; met dien verstande dat: activiteiten uit kolom 1 van de bijlagen C en D van het Besluit milieueffectraportage 1994 met een omvang boven de drempelwaarde niet zijn toegestaan; per bedrijfsvestiging het kantoorvloeroppervlak niet meer dan 50% van het totale bedrijfsvloeroppervlak mag bedragen tot een maximum van 1.500 m²; transport/ vervoer van gevaarlijke stoffen over de goederenlijn niet is toegestaan; nieuwe risicovolle inrichtingen niet zijn toegestaan, tenzij de plaatsgebonden risicocontour van PR 10-6/ jaar mogen geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten worden opgericht. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: gebouwen; bouwwerken, geen gebouw zijnde 3.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: gebouwen zijn uitsluitend ter plaatse van het als zodanig aangegeven bouwvlak zijn toegestaan; de oppervlakte van bouwpercelen mag niet minder bedragen dan 40% en niet meer dan 75%; de onderlinge afstand van niet-aaneengebouwde gebouwen op hetzelfde bouwperceel dient ten minste 1 m te bedragen; onverminderd het onder a bepaalde, dient de afstand van gebouwen tot de zijdelingse en achterliggende perceelsgrenzen ten minste 3 m te bedragen; de hoogte van gebouwen mag ten hoogste 15 m bedragen, tenzij op de verbeelding anders is aangegeven, met uitzondering van nutsvoorzieningen waarvan de goothoogte maximaal 3 m mag bedragen. 3.2.3 Bouwwerken geen gebouwen zijnde De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste bedragen: 1. erfafscheidingen 3 m 2. (reclame)masten en verlichtingsarmaturen 25 m 3. bliksemafleiders 15 m 4. geluidwerende voorzieningen 8 m 5. andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde 5 m 3.2.4 Parkeren Voor wat betreft het parkeren, gelden de parkeernormen zoals deze zijn opgenomen in de Nota parkeernormen, zoals deze van kracht is op het moment dat een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, met dien verstande dat de parkeerplaatsen op eigen terrein dienen te worden gerealiseerd. 3.3 Afwijken van de bouwregels 3.3.1 Omvang, hoogte en positionering hoofdgebouwen Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde: in lid 3.2.2 onder a ten behoeve van het oprichten van bedrijfsgebouwen buiten het bouwvlak voor zover de overschrijding niet meer dan 5m bedraagt; in lid 3.2.2 onder c tot een verlaging van het minimum bebouwingspercentage naar ten hoogste 20% c.q. tot een verhoging van het maximale bebouwingspercentage naar ten hoogste 85%; in lid 3.2.2onder e ten behoeve van de bouw van bedrijfsgebouwen tot op één van de zijdelingse of achterliggende perceelsgrenzen; in lid 3.2.2 onder f voor het oprichten van bedrijfsgebouwen met een hoogte van maximaal 16m; omgevingsvergunning als bedoeld in a tot en met d wordt uitsluitend verleend onder de voorwaarden dat: de afwijking noodzakelijk is uit een oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en efficiënt gebruik van het bouwperceel of de bouwpercelen; de functionele en ruimtelijke structuur niet onevenredig worden aangetast; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast; de verkeersveiligheid, brandveiligheid c.q. brand- en rampenbestrijdingsmogelijkheden zijn gewaarborgd; op het bouwperceel parkeer-, laad-, en losruimte van voldoende omvang aanwezig is c.q. zijn. 3.3.2 Parkeren Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.4 mits of onder de voorwaarden dat: de parkeerdruk in het openbaar gebied niet onevenredig toeneemt; het voldoen aan de normen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; op andere wijze in de benodigde parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien. 3.4 Specifieke gebruiksregels 3.4.1 Bedrijven Het is niet toegestaan de gronden te gebruiken: voor bedrijven als bedoeld in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en Vergunningenbesluit milieubeheer dat als bijlage in de regels is opgenomen (Stb. 1993, 50); voor nieuwe risicovolle inrichtingen, tenzij de plaatsgebonden risicocontour PR 10-6/ jaar vanwege de inrichting op het bedrijventerrein binnen de eigen perceelsgrenzen is gelegen; voor AMvB-inrichtingen waarvoor krachtens 8.40 van de Wet op Milieubeheer afstanden gelden met het oog op externe veiligheid, tenzij de veiligheidsafstanden vanwege de inrichtingen op het bedrijventerrein binnen de eigen perceelsgrens of -grenzen liggen en met uitzondering van gasreduceer-, compressor-, meet- en regelinstallaties categorie A. 3.4.2 Opslag Het is niet toegestaan de gronden buiten het als zodanig aangegeven bouwvlak en andere onbebouwde gronden te gebruiken voor de opslag van goederen met een totale stapelhoogte van meer dan 4m. 3.4.3 Smart- en growshops, groothandel in smart- en growproducten en belwinkels Het is niet toegestaan de gronden en opstallen te gebruiken voor wonen, behoudens daar waar door middel van een aanduiding een bedrijfswoning is toegestaan. 3.4.4 Detailhandel en kantoren Het is niet toegestaan de gronden en opstallen te gebruiken als detailhandel en zelfstandige kantoren met uitzondering van detailhandel in de ondergeschikte zin in ter plaatse vervaardigde of geproduceerde goederen en met uitzondering van bedrijven met een aparte aangegeven aanduiding. 3.4.5 Horeca Het is niet toegestaan de gronden en opstallen te gebruiken voor horecadoeleinden, met uitzondering van kleinschalige horecavoorzieningen ten behoeve van de eigen werknemers, zoals een bedrijfsrestaurant. 3.5 Afwijken van de gebruiksregels 3.5.1 Staat van bedrijfsactiviteiten Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: lid 3.1 teneinde bedrijven toe te laten die voorkomen in één categorie hoger dan genoemd in lid 3.1 voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm alsmede getoetst aan de aangegeven maategevende milieuaspecten) geacht kan worden te behoren tot de toelaatbare categorieën van de Staat van bedrijfsactiviteiten; lid 3.1 teneinde bedrijven toe te laten die niet in de Staat van bedrijfsactiviteiten zijn genoemd, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) geacht kan worden te behoren tot de algemeen toelaatbare categorieën van de Staat van bedrijfsactiviteiten. met dien verstande dat: geluidshinderlijke inrichtingen als bedoeld artikel 2.4 van het Inrichtingen- en Vergunningenbesluit niet zijn toegestaan. 3.5.2 Plaatsgebonden risicocontour Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 onder h voor de vestiging van een nieuwe risicovolle inrichting met een plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar buiten de perceelsgrens of -grenzen van het bedrijf op voorwaarde dat: de plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar vanwege een inrichting ten aanzien van kwetsbare objecten in acht worden genomen; met de plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar vanwege een inrichting ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten rekening wordt gehouden; een verantwoording dient te worden gegeven van het groepsrisico in het invloedsgebied van de inrichting overeenkomstig het bepaalde in artikel 13 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen zoals dat geldt ten tijde van het in ontwerp ter inzage leggen van dit wijzigingsplan; vooraf advies wordt ingewonnen van de Regionale Brandweer. 3.5.3 Toelaatbaar maximum vloeroppervlakte kantoor bij een bedrijf Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 onder f teneinde de oppervlakte van een bij een bedrijf behorend kantoor te verhogen tot maximaal 2.500 m², op voorwaarde dat: het kantoorvloeroppervlak passend is te beschouwen bij de maat, schaal en omvang van het bedrijf; het kantoorvloeroppervlak nooit meer dan 50% van het totale bedrijfsvloeroppervlak mag bedragen; inwilliging van een verzoek om omgevingsvergunning mag niet leiden tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van omliggende bedrijven en niet mag plaatsvinden binnen de plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar van een risicovolle inrichting. Hoofdstuk 3 Overgangs- en slotregels Artikel 4 Slotregel De regels van dit plan worden aangehaald als: Regels van het wijzigingsplan Wagonstraat van de gemeente Roosendaal.