| Plan: | Vedische Universiteit |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1669.BPVeduni-VG02 |
Wet op de archeologische monumentenzorg
De bescherming van het archeologisch erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke ontwikkeling is het onderwerp van het Europees Verdrag van Valletta (Malta, 1992). Nederland heeft dit verdrag ondertekend en de Eerste en Tweede Kamer hebben het verdrag goedgekeurd in 1998. Het doel van de regelgeving is het intact houden van het bodemarchief en het zo min mogelijk beschadigen of opgraven van dit bodemarchief. Dit kan door zo vroeg mogelijk rekening te houden met de archeologische sporen. Op 1 september 2007 is het verdrag geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door het van kracht worden van de Wet op archeologische monumentenzorg (Wamz). Hierdoor heeft de bescherming van het archeologische erfgoed een wettelijke basis gekregen, als onderdeel van de Monumentenwet 1988. De wet op de archeologische monumentenzorg verplicht ontwikkelaars en gemeenten om archeologisch onderzoek uit te laten voeren bij bodemverstorende activiteiten. Deze verplichting geldt o.a. voor bouwen en het anderszins uitvoeren van werkzaamheden in het kader van bestemmingsplannen of in het kader van vrijstellingen. De wet verplicht daarnaast gemeenten, indien deze een bestemmingsplan opstellen, rekening te houden met de in hun bodem aanwezige archeologische waarden. Hierdoor is archeologisch bodemonderzoek ook verplicht voor kleinere bodemverstoringen.
Archeologieverordening 2010
De gemeente Roerdalen heeft een archeologische beleidskaart opgesteld voor het totale grondgebied. Het archeologisch beleid zoals geregeld in de archeologieverordening 2010 van de gemeente Roerdalen (vastgesteld op 16 december 2010) is gekoppeld aan de archeologische verwachtingskaart. In deze verordening is opgenomen dat er een instandhoudingsbepaling/ onderzoeksplicht is opgenomen voor gebieden met een archeologische verwachting, zoals weergegeven op de archeologische verwachtingswaardenkaart, wanneer de bodem verstoord wordt door werkzaamheden. Door middel van een tabel is aangegeven welke 'ondergrenzen' gelden (beiden dienen aan de orde te zijn).
Tabel behorende bij de archeologische verwachtingskaart
Onderstaande afbeelding betreft een uitsnede van de archeologische verwachtings- en beleidskaart. Er is sprake van een lage verwachtingswaarde in het plangebied. Deze is derhalve niet opgenomen als dubbelbestemming in dit bestemmingsplan.
Archeologische verwachtingswaarde
Cultuurhistorie en monumenten
Op grond van de Monumentenwet 1988 kan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) panden aanwijzen als beschermd rijksmonument.
Het voormalige College St. Ludwig te Vlodrop heeft van status als Rijksmonument.
Op het terrein zelf ligt het ca 90 jaar oude St. Ludwigcollege en de daarbij behorende bouwwerken. Dit terrein bevat ook één gemeentelijk monument, te weten het oude bijenhuisje.
Het voormalig college St. Ludwig is van oorsprong een Duits gymnasium met een jongensinternaat, destijds opgezet en gerund door de franciscanen tot 1979. In 1984 is er de Maharishi Vedische Universiteit gevestigd. In het kader van de nieuwbouw volgens het MERU masterplan is het voormalig college St. Ludwig sinds 2001 niet meer in gebruik.
Kenmerkend eigenschappen zijn:
Ten noorden van het voormalige College St. Ludwig en hier direct aangrenzend ligt een (deel van een) speelplaats. In 1931 zijn de twee middenvleugels van het college met twee bouwlagen verhoogd onder het bewind van rector en praeses P. Didymus Hildebrand. Het college toont op enkele plaatsen oorlogsschade. De omgeving van St. Ludwig bestaat uit akkers en landerijen, dicht geboomte en weiden. Een kaarsrechte oprijlaan loopt in oostelijke richting naar de Duitse grens.
Het college heeft als hoofdopzet een rechthoekige plattegrond waarin vier binnenhoven en diverse vleugels met klooster-, internaat-, en economiegebouwen, kapel en een boerderij zijn gesitueerd. De centraal gelegen kapel ligt in het verlengde van de hoofdingang, met links de kloostervleugel en rechts het internaat c.q. instituutsvleugel. Het gebouw telt inclusief het souterrain vier bouwlagen onder een zolderverdieping met zadeldaken terwijl (in totaal) vijf torens de hoeken, langszijden en de symmetrische ingangspartij accentueren. Gepleisterde plint, metselwerk in kruisverband. De torenlichamen hebben een vierkante onderbouw en een achtzijdige tweede geleding met dito spits; de toren van de ingangspartij is met een lantaarn uitgevoerd - en is bij gevolg hoger - heeft tussen de spitsboogvensters een beeldnis onder baldakijn en een uurwerk boven een tekstplaquette. De vleugels die met de torens worden geleed zijn rijker gedetailleerd dan de overige en (gedeeltelijk) uitgevoerd met o.a. tandlijsten, opgehaalde geveltoppen, friesjes, dakkapellen. Zadeldaken met muldenpannen op de vleugels, leien op de torens. De buitengevels alsook de gevels aan de binnenhoven zijn op repeterende wijze met de oorspronkelijke vensters en deuren ingedeeld; segmentboogvormige, rechthoekige gelede vensters en bovenlichten met houten kozijnen en dito indelingen - de torens met spitsboogvensters en glas-in-lood. De neogotische kapel bevat spitsboogvensters met glas-in-lood, zijgevels met steunberen en een leien dak met dakruiter op de nok terwijl het interieur is voorzien van eiken paneeldeuren met smeedijzeren beslag en spitsboogvormige bovenlichten met glas-in-lood; de zijbeuken ingedeeld met telkens acht spitsboognissen, de vensters met glas-in-lood vervaardigd door Glasmalerei W. Derix te Goch en Kevelaer; in het schip een polychrome tegelvloer, kruisribgewelven op zuilen in Naamse steen, spitsboogvensters met glas-in-lood in de kruisarm links van het altaar. Het interieur van het voormalige college bevat grotendeels de originele structuur met vertrekken en ruimten als o.a. de ingangshal met kruisribgewelven op zuilen, gangen, authentieke eiken paneeldeuren met smeedijzeren beslag, vensters en spitsboogvormige bovenlichten met glas-in-lood, trappenhuizen (met smeedijzeren balustrade en houten handlijsten), tegelvloeren met decoratieve patronen, waterreservoirs in de torens.
Het voormalige college St. Ludwig uit 1904-1908 vertegenwoordigt algemeen cultuurhistorisch belang omdat het op duidelijke wijze inzicht verschaft in de historische functie van een monumentaal religieus bouwwerk waarin stichtingsmotieven als devotie, studie en zelfvoorziening herkenbaar aanwezig zijn gebleven. De interne structuur van het college met de tussen klooster- en internaatvleugel geplaatste kapel, de lange gangen met aangrenzende vertrekken en trappenhuizen bleef grotendeels in tact; deze gaafheid houdt architectuur- en cultuurhistorische waarden in. - In de traditie van de "Kulturkampfklöstster" vertegenwoordigt St. Ludwig in nationaal en internationaal verband belangwekkende cultuurhistorische waarden door de reusachtige fortachtige verschijningsvorm, door het markante silhouet, door de ligging in afzondering, door de nadrukkelijke oriëntatie op Duitsland met een honderden meters lange, kaarsrechte oprijlaan terwijl spoorlijn en station met verbinding naar Duitsland op loopafstand van St. Ludwig zijn gelegen: deze factoren bewerkstelligen opmerkelijke historische belevings- en herinneringswaarden omdat de functionele, visuele, ruimtelijke en structurele onderlinge betrokkenheid tussen college en de natuurlijke c.q. aangelegde omgeving in tact is. - In cultuurhistorisch verband biedt St. Ludwig een bijzonder monumentale en late proeve van het verschijnsel "Kulturkampfklöster": de gememoreerde hoedanigheden zijn zeldzaam omdat in ons land weliswaar enkele tientallen "Kulturkampfklöster" zijn gesticht maar slechts een beperkt aantal behouden bleef. - Het college wordt gekenmerkt door een hoge mate van geslotenheid vanwege de carré met verschillende binnenhoven en de hoog oprijzende gevels; binnen het concept van 19de-eeuwse "Grossbauten" biedt St. Ludwig een 20ste-eeuwse "Nachwuchs", vormt het een kenmerkende representant van deze typologie en bezit het architectuurhistorische waarde. - De zich tot (in hoofdzaak) de oostgevel beperkende architectonische representativiteit symboliseert in combinatie met de enorme afmetingen van het bouwwerk de ambivalente verhouding van de stichters tot Duitsland: enerzijds wilden noch konden zij het thuisland verloochenen, anderzijds richtte men een onvermijdbaar college op waarin zowel verbondenheid als provocatieve elementen jegens het moederland tot uitdrukking zijn gebracht: symboliek en stichtingsmotieven zijn tot architectuur verheven en verlenen St. Ludwig het belang van een algemeen cultuurhistorisch en met name kerkhistorisch document.