direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Vinkesteeg 15, 20 t/m 24b, Montfort
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1669.BPMFT2023VINKESTEE-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Aanleiding

1.1 Aanleiding en doel

De eigenaar van Vinkesteeg 22 is voornemens om zijn woning te voorkopen. Echter dit is niet mogelijk omdat op basis van de geldende bedrijfsbestemming reguliere bewoning niet is toegestaan. Hierover heeft nadere afstemming met de omgeving plaatsgevonden (Vinkesteeg 15, 20, 24/24a en 24b) waar sprake is van een vergelijkbare situatie, mocht ooit sprake zijn van gewenste verkoop van de woning. Dit heeft er toegeleid dat ook deze eigenaren mee willen 'liften'zodat zij dit probleem niet hebben als zij de woning willen verkopen in de toekomst. Derhalve is het voornemen om de geldende (agrarische) bedrijfsbestemming middels een bestemmingsplanherziening om te zetten in een tun- en woonbestemming overeenkomstig de systematiek voor de woonbestemming in de kernen van de gemeente Roerdalen.

De gemeenteraad van Roerdalen heeft op 14 november 2023 besloten om onder voorwaarden principemedewerking te verlenen aan deze gewenste bestemmingswijziging. Door middel van herziening van het thans geldende bestemmingsplan middels onderhavig bestemmingsplan wordt de bestemmingswijziging planologisch-juridisch mogelijk gemaakt. In dat kader bestaat dit bestemmingsplan uit een toelichting met de onderbouwing c.q. verantwoording van de bestemmingswijziging met bijbehorende regels en verbeelding als (nieuw) juridisch kader.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen in het zuid-oostelijk deel van de kern Montfort aan de Vinkesteeg (nummer 15, 20, 22, 24/24a en 24b). Deze percelen zijn in gebruik voor wonen (woningen met bijbehorende bouwwerken) van (enige) bedrijfsactiviteiten is geen sprake meer, met uitzondering van Vinkesteeg 24/24a.

Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Montfort, sectie C, perceelnummer 3699 en sectie E, perceelnummers 1318 (ged.), 1525, 1526 en 1007.

afbeelding "i_NL.IMRO.1669.BPMFT2023VINKESTEE-VG01_0001.png"

Luchtfoto met ligging plangebied in de kern Montfort

afbeelding "i_NL.IMRO.1669.BPMFT2023VINKESTEE-VG01_0002.png"

Luchtfoto met kadastrale gegevens en begrenzing plangebied (rood kader)

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Het plangebied is gelegen in het vigerende bestemmingsplan '1e herziening Kernen Roerdalen' (vastgesteld 17 juni 2016). Op basis hiervan is binnen het plangebied de bestemming 'Agrarisch' (Vinkesteeg 15) 'Bedrijf' (Vinkesteeg 20, 22, 24/24a en 24b) en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5 van kracht. Per (agrarisch) bedrijfsperceel is een bouwvlak toegekend. In aantal gevallen is hierbinnen de bouwaanduiding 'bedrijfswoning' en maatvoeringsaanduidingen (goot- en bouwhoogte) opgenomen.

Ter plaatse van de bedrijfsbestemming zijn bedrijven tot en met categorie 2 toegestaan en ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' een bedrijfswoning. Hetzelfde geldt binnen de agrarische bestemming met dien verstande dat het hier om agrarische bedrijfsaciviteiten gaat.

De toegestane bedrijfswoning is op basis van de begripsbepaling als volgt gedefinieerd: een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, vanwege de bestemming van het gebouw of het terrein. Dit betekent dat een bedrijfswoning niet gebruikt mag worden voor reguliere bewoning. Er moet dus altijd dus een relatie zijn met de (agrarische) bedrijfsactiviteiten.

Om reguliere bewoning planologisch-juridisch mogelijk te maken is een bestemmingswijziging noodzakelijk waarbij de (agrarische) bedrijfsbestemming omgezet wordt in een tuin- en woonbestemming met de aanduiding 'bedrijf' ter plaatse van nummer 24/24a. Dit in overeenstemming met de systematiek uit het vigerende bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1669.BPMFT2023VINKESTEE-VG01_0003.png"

Uitsnede vigerend bestemmingsplan '1e herziening Kernen Roerdalen' met begrenzing plangebied (rood omkaderd)

In deze toelichting van het bestemmingsplan wordt de bestemmingswijziging nader onderbouwd c.q. verantwoord. De regels van de tuin- en woonbestemming sluit aan bij de geldende regels voor woninen binnen de kernen van Roerdalen en Montfort in het bijzonder. De verbeelding betreft de visuele weergave hiervan.

Het bestemmingsplan is opgezet conform de eisen die de Wro en de gemeente Roerdalen daaraan stellen. De regels zijn opgesteld conform de standaardregels SVBP2012. De verbeelding voldoet aan de meest actuele digitaliseringseisen conform IMRO2012.

1.4 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk, wordt in hoofdstuk 2 bestaande en toekomstige situatie (bestemmingswijziging) besproken. In hoofdstuk 3 wordt vervolgens ingegaan op de relevante beleidskaders van het Rijk, de provincie en de gemeente, waarbij tevens de ladder voor duurzame verstedelijking betrokken wordt. In hoofdstuk 4 komen de milieu- en omgevingsaspecten aan bod. Hoofdstuk 5 bevat de toelichting op de juridische planopzet en de planregels. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 ingegaan op respectievelijk de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Ten slotte komt in hoofdstuk 7 de procedure aan bod.

Hoofdstuk 2 Planvoornemen

2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgeving van het plangebied, het plangebied zelf en de bestemmingswijziging binnen het plangebied.

2.2 Bestaande situatie

Het plangebied is gelegen binnen de kern Montfort aan de Vinkesteeg op de overgang naar het buitengebied. De omgeving wordt enerzijds gekenmerkt als woongebied en anderzijds buitengebied met de nodige bedrijven. De overzijde van de Vinkesteeg bestaat uit grondgebonden woningen (vrijstaande en halfvrijstaande) in twee bouwlagen met kap. De woningen aan de Vinkesteeg 15, 20, 22, 24/24a en 24b sluiten hierop aan ondanks dat deze planologisch-juridisch gezien worden als bedrijfswoning. Het betreffen een vijftal vrijstaande woningen in 1/2 bouwlagen met kap. Deze woningen worden uitsluiten gebruikt ten behoeve van het wonen en hebben geen functie meer als bedrijfswoningen, omdat de (agrarische) bedrijfsactiviteiten van nummer 15, 20, 22 en 24b inmiddels beëindigd zijn. Het enige wat nog herinnert aan het 'verleden' van de (agrarische) bedrijfsactiviteiten zijn de bijbehorende bouwwerken die een groter oppervlak hebben dan bij een doorsnee woning.

Alleen ter plaatse van Vinkesteeg 24/24b is nog sprake van bedrijfsactiviteiten. De bedrijfsactiviteiten zijn kleinschalig en beperken zich tot agrarische nevenactiviteiten.

Hierdoor is de Vinkesteeg aan te merken als een reguliere woonstraat waar het wonen voorop staat.

In het aangrenzende buitengebied is op de hoek Vinkesteeg/Brandlintjesweg een kunstmest- en veevoerderhandel gelegen. Op de hoek Hoogstraat/Brandlintjesweg is een loonwerkersbedrijf en een tweetal agrarische bedrijven gelegen.

Direct grenzend aan het plangebied (percelen 468 en 1527) is een (onbenutte) bedrijfsbestemming gelegen. Deze gronden zijn momenteel niet als zodanig in gebruik maar ingericht als bosschage dan wel weiland.

afbeelding "i_NL.IMRO.1669.BPMFT2023VINKESTEE-VG01_0004.png"

Vinkesteeg 20, 22, 24/24a en 24b

afbeelding "i_NL.IMRO.1669.BPMFT2023VINKESTEE-VG01_0005.png"

Vinkesteeg 15

afbeelding "i_NL.IMRO.1669.BPMFT2023VINKESTEE-VG01_0006.png"

Woningen overzijde weg

afbeelding "i_NL.IMRO.1669.BPMFT2023VINKESTEE-VG01_0007.png"

Achterzijde kunstmest- en veevoerderhandel met op de achtergrond de woningen aan de Vinkesteeg

2.3 Toekomstige situatie

Aangezien de (agrarische) bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de Vinkesteeg 15, 20, 22, en 24b zijn beëindig bestaat het voornemen om de bedrijfsbestemming (met bedrijfswoning) om te zetten in een tuin- en woonbestemming. Ondanks de aanwezige bedrijfsactiviteiten aan de Vinkesteeg 24/24a wordt deze woning ook meegenomen en omgezet. De bestaande bedrijfsactiviteiten aan de Vinkesteeg 24/24a worden gerespecteerd en voorzien van een adequate planologisch-juridische regelen waarbij de bestaande rechten worden gewaarborgd, middels de aanduiding 'bedrijf' waarbij bedrijven in milieucategorie 1 en 2 op bais van de lijst van bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan net zoals in de huidige situatie. Dergelijke bedrijven zijn gezien hun aard en omvang passend binnen een woonomgeving.

Ruimtelijke gezien blijft de situatie ongewijzigd. Het betreft enkel en alleen een bestemmingswijziging. De aspecten verkeer, parkeren en water zijn verder dan ook niet aan de orde. Dit blijft hetzelfde als nu het geval is.

Door de beoogde bestemmingswijziging wordt meer recht gedaan aan deze bestaande situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1669.BPMFT2023VINKESTEE-VG01_0008.png"

Verbeelding met bestemmingswijziging naar tuin- en woonbestemming

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Inleiding

Bij ieder plan vindt inkadering binnen het beleid van de overheid plaats. Door een toetsing aan rijks-, provinciaal, en gemeentelijk beleid ontstaat een duidelijk beeld van de marges waarbinnen het bestemmingsplan wordt opgezet. De beleidsinkadering dient een compleet beeld te geven van de ruimtelijke overwegingen en het relevante planologisch beleid.

Gemeenten zijn niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincies geven met het door hen gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. De belangrijkste kaders van Rijk en de provincie Limburg worden in het kort weergegeven, omdat deze zoals gezegd randvoorwaarden geven voor het lokale maatwerk in het bestemmingsplan. Tevens komt de ladder voor duurzame verstedelijking in dit hoofdstuk aan bod.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevinsvisie (NOVI)

De nationale omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld. Deze visie is door het rijk opgesteld in het kader van de nieuwe omgevingswet, die per 1 januari 2022 in werking treedt. Aan de hand van een toekomstperspectief is hierin de langetermijnvisie in beeld gebracht. Op nationale belangen wil het Rijk (net als nu) sturen en richting geven. Hiervoor worden de volgende vier prioriteiten onderscheiden:

  • Ruimte voor klimaat adaptatie.
  • Duurzaam economisch groeipotentieel.
  • Sterke en gezonde steden en regio's.
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Om invulling te kunnen geven aan deze vier prioriteiten hanteert het rijk de volgende drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaat voor enkelvoudige functies.
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal.
  • Afwentelen wordt voorkomen.

Met de NOVI wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden, waarbij wordt gestreefd naar de verdere ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. De wens is om daar naar toe te groeien en een goed bereikbaar netwerk van steden en regio’s te realiseren. De grote actuele woningbehoefte vraagt tegelijkertijd om oplossingen op korte termijn. Het kabinet heeft voor de korte termijn daarom een pakket aan maatregelen voorgesteld om de woningbouw een nieuwe, stevige impuls te geven. De locaties bevinden zich in het Stedelijk Netwerk Nederland. De ontwikkeling vindt plaats in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Grote open ruimten tussen de steden houden hun groene karakter. Het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad wordt verbeterd.

De opgave is daarbij om de veiligheid en gezondheid van onze leefomgeving zodanig te verbeteren dat in 2050 negatieve omgevingseffecten op onze gezondheid naar een verwaarloosbaar laag niveau zijn gebracht. Daarnaast streeft het kabinet ernaar om in 2030 te voldoen aan de huidige WHO-advieswaarden. Ook het tot een verwaarloosbaar niveau terugbrengen van omgevingsrisico's als gevolg van industriële activiteiten en transport (omgevingsveiligheid) is onderdeel van de opgave'.

Met de bestemmingswijziging wordt enkel de bedrijfsbestemming omgezet in een tuin- en woonbestemming. waardoor bestaande (bedrijfs)woningen binnen bebouwd gebied enkel planologisch-juridisch omgezet worden in reguliere woningen. In de bestaande situatie is hier in feite al sprake van, aangezien geen sprake meer is van enige bedrijfsactiviteiten, met uitzondering van de bedrijfsactiviteiten ter plaatse van Vinkesteeg 24/24a. Deze bedrijfsactiviteiten worden verder voortgezet. De bestemmingswijziging voorziet dan ook enkel in het planologisch-juridisch adequaat regelen van de bestaande situatie. Er is daarbij geen sprake van een nieuwe ontwikkeling. Er zijn hiermee dan ook geen specifieke uitgangspunten vanuit de NOVI in het geding.

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, ook wel het Barro genoemd, is met de aanvulling op 1 oktober 2012, volledig in werking getreden. Het Barro heeft als doel om vanuit een concreet nationaal belang een goede ruimtelijke ordening te bevorderen. Het Barro is het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid waaraan bestemmingsplannen van gemeenten moeten voldoen.

Dit betekent dat het Barro regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden en zich daarbij primair richt tot de gemeenten. Daarnaast kan het Barro aan de gemeenten opdragen om in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. De volgende onderwerpen uit het Barro moeten worden vertaald in bestemmingsplannen: (1) Project Mainportontwikkeling Rotterdam, (2) Kustfundament, (3) Grote Rivieren, Waddenzee en Waddengebied, (4) Defensie, (5) Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, (6) Rijksvaarwegen, (7) Hoofdwegen en spoorwegen, (8) Elektriciteitsvoorzieningen, (9) EHS, (10) Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en de (11) uitbreidingsruimte van het IJsselmeer.

Met het inwerkingtreding van het Barro heeft er ook een wijziging plaatsgevonden van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de Bro is opgenomen dat gemeenten en provincies verplicht zijn om in de toelichting van een ruimtelijk besluit de zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen, wanneer een zodanig ruimtelijk besluit een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. In de toelichting is in paragraaf 3.2.3 de ladder voor duurzame verstedelijking verder uitgewerkt, conform de Bro. Het plangebied en dit bestemmingsplan heeft verder geen andere directe relaties met het Barro.

3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

De 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zodat de ruimte in stedelijke gebieden optimaal wordt benut. De Ladder is per 1 oktober 2012 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid Bro). Kern van de Ladder is dat de stedelijke ontwikkeling op een locatie pas doorgang kan vinden als op regionaal niveau is aangetoond dat er daadwerkelijk een actuele behoefte aan is en dat de beschikbare ruimte in het stedelijk gebied optimaal wordt benut. Van belang daarbij is of elders in de regio een soortgelijke ontwikkeling is gepland die reeds in de behoefte kan voorzien. In juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij de afzonderlijke treden zijn losgelaten. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt nu als volgt:

“De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.”

De eerste en de tweede trede zijn samengevoegd en de derde trede is vervallen. De uitgebreide motivering is beperkt tot 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' buiten het bestaand stedelijk gebied. Tevens is het begrip 'actuele regionale behoefte' vervangen door het begrip 'behoefte' en wordt een nieuw onderdeel toegevoegd waarmee het mogelijk wordt een dubbele Laddertoets bij flexibele planvorming te voorkomen. Uiteindelijk zal de gewijzigde Ladder via het invoeringsbesluit van de Omgevingswet worden ingevoegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. De strekking van de Ladder blijft daarbij gelijk. De Ladder-onderbouwing zorgt ervoor dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken, nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied, maar ook met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte, én voor de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Hieronder volgt een toetsing van onderhavig planvoornemen aan de nieuwe Ladder.

Nieuwe stedelijke ontwikkeling

De Ladder-onderbouwing is verplicht voor 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen'. Voordat getoetst wordt of een voorziene ontwikkeling 'nieuw' is, dient te worden getoetst of het planvoornemen kan worden aangemerkt als een 'stedelijke ontwikkeling'. De definitie van 'stedelijke ontwikkeling' is: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke ontwikkelingen (artikel 1.1.1 lid 1 sub i van het Bro). In de definitie voor stedelijke ontwikkeling is geen ondergrens opgenomen. Hieruit zou men kunnen concluderen dat iedere stedelijke ontwikkeling, hoe kleinschalig ook, valt binnen het toepassingsbereik van de Ladder. Echter uit vaste jurisprudentie van de Afdeling blijkt dat er wel sprake kan zijn van een voorziene ontwikkeling die te kleinschalig is om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Volgens vaste jurisprudentie zijn 11 woningen (welke op één en dezelfde locatie worden gerealiseerd) het maximale aantal woningen wat door de Afdeling als te kleinschalig wordt geacht om als een stedelijke ontwikkeling te kunnen worden gekwalificeerd. Het minimale aantal woningen wat gerealiseerd moet worden (op dezelfde locatie) om als stedelijke ontwikkeling te worden gekwalificeerd is aldus 12.

Met de bestemmingswijziging wordt niet voorzien in het realiseren van nieuwe woningen. Het betreft alleen het planologisch-juridisch omzetten van bestaande (bedrijfs)woningen naar reguliere woningen, waarbij de bedrijfsbestemming wordt omgezet in een tuin- en woonbestemming. Het aantal woningen blijft hiermee gelijk. Er is dan ook geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hiermee is de ladder voor duurzame verstedelijking dan ook niet van toepassing.

Behoefte

Als gevolg van de bestemmingswijziging komen de bedrijfsbestemmingen te vervallen, behoudens ter plaatse van Vinkesteeg 24/24a waar de bedrijfsbestemming blijft gehandhaafd door middel van de aanduiding 'bedrijf' met bijbehorende regeling. Immers de bedrijfsbestemming wordt weg bestemd, behoudens ter plaatse van Vinkesteeg 24/24a. Echter het betreffen hier bedrijfspercelen die gelegen zijn direct grenzend aan een woongebied. Daarnaast zijn het bedrijfspercelen met een kleine omvang waardoor deze alleen geschikt zijn voor eventuele kleine bedrijven. Eventuele (nieuwe) bedrijven zullen zich naar verwachting hier niet vestigen is de verwachting omdat de voorkeur van kleinschalige bedrijven in de meeste gevallen uitgaat naar een lokaal bedrijventerrein waar de vestigingsmogelijkheden en ontsluiting in de meest gevallen veel beter zijn.

Met het weg bestemming van de bedrijfsbestemming komt dan ook geen bedrijventerrein te vervallen waar concreet behoefte aan is.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Provinciale omgevingsvisie (POVI)

Op 1 oktober 2021 is de Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. Om goed in te kunnen spelen op de Limburgse kansen en uitdagingen in de leefomgeving is een visie nodig voor de langere termijn (2030-2050), waarin allerlei onderwerpen aan bod komen, zoals wonen, bodem, infrastructuur, energie, economie, landbouw, water, natuur, landschap en cultureel erfgoed, maar ook gezondheid en de gezonde leefomgeving. De provincie zoekt naar de balans tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving waarin we leven, wonen, werken, leren en vrije tijd besteding. Afweging hierbinnen geschiedt op basis van onderstaande Limburgse principes:

  • Streven naar een inclusieve, gezonde en veilige samenleving die uitnodigt tot ontmoeten, recreëren en maatschappelijk betrokken.
  • De kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal. Een gebiedsgerichte aanpak is de basis voor samenwerking met andere partijen en initiatiefnemers. Er is dus ruimte voor maatwerk.
  • Meer stad, meer land. Stedelijke functies worden geconcentreerd in compacte steden en dorpen. Landelijke gebieden worden als tegenhanger van de drukkere stedelijke gebieden ontwikkeld.
  • Zorgvuldig omgaan met de ruimte en voorraden, zowel onder- als bovengronds. Ingezet wordt op een sociaal-economische ontwikkeling zonder vraagstukken af te wentelen naar de volgende generaties. In lijn met de Omgevingswet gaat de omgevingsvisie uit van het voorzorgsbeginsel: preventief handelen, milieuaantastingen bij voorrang aan de bron bestrijden en de vervuiler betaalt.

De leefbaarheid en vitaliteit van de kernen in het landelijk gebied is dus belangrijk. Een aantal kernen vervult op sommige terreinen een regionale verzorgende functie met onderwijs, zorg, cultuur, winkels en werklocaties. De zorg voor een goede kwaliteit van de leefomgeving en een goede bereikbaarheid zijn hierbij belangrijke uitgangspunten.

Limburgse steden en dorpen moeten ook in de toekomst een aantrekkelijke en leefbare thuisbasis voor de inwoners zijn. De Limburgse steden en dorpen krijgen de komende decennia dan ook te maken met grote gecompliceerde vraagstukken en transities. Bij veel vraagstukken in het bebouwd gebied geldt dat de overheid, maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven samen oplossingen moeten vinden. Een belangrijke rol ligt hiervoor bij de gemeenten. Een toenemend aantal vraagstukken overstijgt echter het lokale niveau en vraagt om gezamenlijk optrekken van gemeenten in regionaal verband.

Compacte steden en dorpen blijven het uitgangspunt. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten zoveel mogelijk een plek krijgen binnen het bebouwde gebied. Dit om de diversiteit tussen stad/dorp en land, tussen dynamisch en rustig wonen, werken en recreëren als kwaliteit van de leefomgeving te kunnen behouden. Daarbij is aandacht voor compacte binnensteden/dorpen, het behouden van basisvoorzieningen en leefbaarheid.

Ten aanzien van het thema wonen is aangegeven dat een woningaanbod/planvoorraad gewenst is waarbij vraag en aanbod in evenwicht zijn, zowel in kwalitatief als kwantitatief opzicht. Derhalve voldoende woningen van de juiste woningen op de juiste plek, waarbij alle woningbouwontwikkelingen worden beschouwd als een provinciaal belang.

Met de bestemmingswijziging wordt enkel de bedrijfsbestemming omgezet in een tuin- en woonbestemming. waardoor bestaande (bedrijfs)woningen binnen bebouwd gebied enkel planologisch-juridisch omgezet worden in reguliere woningen. In de bestaande situatie is hier in feite al sprake van, aangezien geen sprake meer is van enige bedrijfsactiviteiten, met uitzondering van de bedrijfsactiviteiten ter plaatse van Vinkensteeg 24/24a. Deze bedrijfsactiviteiten worden verder voortgezet. De bestemmingswijziging voorziet dan ook enkel in het planologisch-juridisch adequaat regelen van de bestaande situatie. Er is daarbij geen sprake van een nieuwe ontwikkeling. Er zijn hiermee dan ook geen specifieke uitgangspunten vanuit de POVI in het geding.

3.3.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 (geconsolideerde versie van 16 december 2022)

De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid uit het voormalige Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) juridische binding te geven.

Het POL2014 is inmiddels komen te vervallen, maar de in 2014 vastgestelde omgevingsverordening blijft van kracht totdat een nieuwe omgevingsverordening op grond van de nieuwe POVI in werking treedt.

Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingswet, en daarmee ook de inwerkingtreding van een nieuwe omgevingsverordening, zijn een tweetal wijzigingsverordeningen in procedure gebracht:

  • 1. Wijzigingsverordening voor de onderwerpen: wonen, huisvesting internationale werknemers, naijlende effecten steenkoolwinning en zonne-energie (vastgesteld op 30 september 2022), en
  • 2. Wijzigingsverordening voor de onderwerpen: vestigingsmogelijkheden bedrijven, kleinschalige veehouderij-initiatieven, beschermingsgebied Einstein Telescope en klimaatadaptatie (vastegsteld op 16 december 2022).

Beide wijzigingsverordeningen zijn verwerkt in de geconsolideerde versie van 16 december 2022 en maken onderdeel uit van de Omgevingsverordening 2014. Hierna worden de van toepassing zijnde onderwerpen uit de omgevingsverordening toegelicht en toegepast op onderhavige planontwikkeling.

Ladder voor duurzame verstedelijking

In de omgevingsverordening is een verwijzing opgenomen naar de Ladder voor duurzame verstedelijking en hierbij is in artikel 2.2.2 van de verordening het navolgende bepaald:

  • 1. Een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, houdt rekening met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening.
  • 2. Bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, worden tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen, zoals bedoeld in artikel 2.2.3, onderzocht.
  • 3. De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat een verantwoording over de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste en tweede lid.

Uit paragraaf 3.2.3 volgt dat de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is voor onderhavige bestemmingswijziging.

Artikel 2.4.2 Bestuursafspraken wonen

In het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) zijn, na een proces van co-creatie, eind 2014 de hoofdlijnen voor de ambities, opgaven, rolopvatting en aanpak vastgesteld door Provinciale Staten. Samen met stakeholders hebben de gemeenten en provincie geconstateerd dat voor diverse thema’s meer uitvoeringsgerichte regionale bestuursafspraken nodig en wenselijk zijn. Het gaat om 8 thema's: wonen, detailhandel, bedrijventerreinen, kantoren, energie, land- en tuinbouw, vrijetijds economie en Nationaal Landschap Zuid-Limburg.

De bestuursafspraken maken onderdeel uit van het samenwerkingsmodel gemeenten – provincie dat de afgelopen jaren op het gebied van omgevingsbeleid is gegroeid. Het POL2014 schetst de ambities, opgaven, aanpak op hoofdlijnen en principes. Het is in co-creatie met de gemeenten tot stand gekomen. De gemeenten nemen vervolgens het stokje over en stellen regionale uitwerkingen op in de vorm van structuurvisies, visies of anderszins. De provincie is partner in die regioprocessen en faciliteert deze. Vanuit de regierol ziet de provincie toe op de samenhang tussen de aanpak per regio en die in aangrenzende gebieden.

Meer specifiek ten aanzien van het thema wonen hebben de bestuursafspraken geresulteerd in de vaststelling van een drietal woonvisies voor respectievelijk Noord-, Midden- en Zuid-Limburg. De gemeente Roerdalen maakt onderdeel uit van de regio Midden-Limburg en binnen deze regio is de ‘Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022-2025’ vastgesteld.

In artikel 2.4.2 is een instructieregel opgenomen voor de nieuwe planvoorraad wonen. Hierin is het volgende opgenomen:

De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat:

  • a. rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie;
  • b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek;
  • c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken;
  • d. het ruimtelijk plan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring.
  • e. realisatie van de woningen beoogd is binnen vijf jaar na vaststelling van het ruimtelijk plan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen.

Met de bestemmingswijziging wordt enkel de bedrijfsbestemming omgezet in een tuin- en woonbestemming. waardoor bestaande (bedrijfs)woningen binnen bebouwd gebied enkel planologisch-juridisch omgezet worden in reguliere woningen. In de bestaande situatie is hier in feite al sprake van, aangezien geen sprake meer is van enige bedrijfsactiviteiten, met uitzondering van de bedrijfsactiviteiten ter plaatse van Vinkesteeg 24/24a. Deze bedrijfsactiviteiten worden verder voortgezet. De bestemmingswijziging voorziet dan ook enkel in het planologisch-juridisch adequaat regelen van de bestaande situatie en er is geen sprake van het toevoegen van woningen. Het aantal woningen blijft namelijk gelijk.

Klimaatadaptatie

In artikel 2.19.1 is het volgende opgenomen:

  • 1. De toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van:
    • a. de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s en gevolgen van klimaatverandering; en
    • b. de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.
  • 2. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende risico’s betrokken:
    • a. wateroverlast;
    • b. overstroming;
    • c. droogte;
  • 3. Bij de beschrijving wordt gebruik gemaakt van de informatie van gemeentelijke, regionale en landelijke stresstest- en overstromingskaarten.

Het betreffen reeds bestaande woningen binnen het bebouwd gebied, waardoor de situatie binnen het plangebied niet significant zal bij dragen aan droogte in het gebied. Ook de waterhuishoudkundige situatie blijft ongewijzigd, waarbij geen sprake is van enige wateroverlast. Tevens is het plangebied op enige afstand van de Roer gelegen en daarmee ook buiten het overstromingsgebied van de Roer. De kans op overstroming op het plangebied valt daardoor binnen de overstromingsnorm van het Waterschap en het plan voldoet aan de voorschriften van de geconsolideerde Omgevingsverordening.

Milieubeschermingsgebieden

Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied zich begeeft binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk II. Het is in de boringsvrije zone Roerdalslenk II verboden om een boorput, een bodemenergiesysteem of een aardwarmtesysteem te maken of hebben of de grond te roeren, dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei.

Daarnaast is het verboden om werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten. Tot slot moet het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 30 meter (in zone II) tot aan de Bovenste Brunssumklei vier weken tevoren schriftelijk gemeld worden aan gedeputeerde staten.

Met het planologisch-juridische regelen van de (bedrijfs)woningen als reguliere woningen zijn geen bodemingrepen voorzien die de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kunnen aantasten.

3.3.3 Omgevingsverordening Limburg 2021

Inmiddels is een nieuwe Omgevingsverordening Limburg 2021 vastgesteld (d.d. 17 december 2022) als voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze nieuwe omgevingsverordening wordt pas gepubliceerd en treedt pas in werking gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Deze omgevingsverordening is beleidsneutraal. Te meer omdat de nieuwe instructieregels middels wijzigingsverordening reeds zijn toegevoegd aan de huidige Omgevingsverordening Limburg 2014.

Voor wat betreft voor het planologisch-juridisch omzetten van de (bedrijfs)woningen in reguliere woning relevante onderwerpen en beschermingsgebieden wordt derhalve verwezen naar de nadere toelichting bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 (zie paragraaf 3.3.2). De Omgevingsverordening 2021 brengt geen andere relevante onderwerpen aan de orde die hier nader besproken moeten worden.

3.4 Regionaal beleid

3.4.1 Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 t/m 2025

De Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 tot en met 2025 (hierna Structuurvisie Wonen 2022) is in de gemeente Nederweert op 19 juli 2022 vastgesteld. De Structuurvisie Wonen 2022 geeft aan hoe dient te worden omgegaan met de actuele en te verwachten demografische en economische ontwikkelingen. De nadruk en ambitie ligt hierbij op de benodigde transformatie van de bestaande woningvoorraad en de gevolgen voor de directe woonomgeving. Deze structuurvisie is de opvolger van de regionale visie voor de periode 2018 - 2021 en heeft betrekking op de periode 2022 tot en met 2025. Tevens is de visie basis voor afspraken op de middellange termijn tussen de samenwerkende gemeenten en de provincie.

De (bedrijfs)woningen zijn reeds bestaand en daarmee al onderdeel van de woningvoorraad binnen de gemeente Roerdalen. Er is geen sprake van het toevoegen van nieuwe woningen. Het betreft enkel het planologisch-juridisch regelen van de (bedrijfs)woningen als reguliere woningen. Het aantal woningen blijft hiermee per saldo gelijk.

3.5 Gemeentelijke beleid

3.5.1 Omgevingsvisie Roerdalen 2050

De ‘Omgevingsvisie Roerdalen 2050’ is gericht op de kwaliteit en ontwikkeling buiten (onze fysieke leefomgeving) voor de lange termijn. De omgevingsvisie heeft betrekking op alle terreinen van de leefomgeving en gaat in op de samenhang tussen ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infrastructuur (wegen, sporen etc.) en cultureel erfgoed. De omgevingsvisie is vastgesteld door de gemeenteraad op 8 juli 2021.

Met betrekking tot de woningmarkt wordt gestreefd naar een gezonde evenwichtige verdeling van koop, middenhuur en sociale huurwoningen. Hiermee wordt ingezet op het behoud van een gezonde mix (diversiteit) aan inwoners, zowel in leeftijd als achtergrond. Het strategisch verdunnen van het woningaanbod vormt een oplossingsrichting om de balans op de woningmarkt te herstellen. Het biedt kansen om de kwaliteit van de woningvoorraad, binnen de kernen van Roerdalen, op peil te houden. Strategisch verdunnen kan vorm krijgen door op specifieke plekken in een wijk een deel van de bebouwing te slopen. De vrijgekomen ruimte wordt benut voor de herbouw van woningtypes die aansluiten bij de behoefte; bijvoorbeeld levensloopbestendige woningbouw voor senioren. Deze vastgoedontwikkeling kan direct worden gebouwd conform de nieuwste eisen ten aanzien van energie en duurzaamheid.

In de omgevingsvisie zijn een aantal focuspunten opgesomd voor het thema Wonen:

  • Behoud dorpse karakter.
  • Bouwen voor behoefte.
  • Voorkomen van leegstand.
  • Focus op bouwen binnen de bestaande kernen.
  • Strategisch verdunnen op specifieke locaties.
  • Economische concentratiegebieden.
  • Verduurzaming en klimaatadaptatie van vastgoed en openbaar gebied.
  • Versterken groene uitstraling kernen onder andere door dorpsparken.

Met het planologisch-juridisch omzetten van de (bedrijfs)woningen naar reguliere woningen wordt met name ingezet op het behoud van het dorpse karakter en voorkomen van leegstand. Door de woningen aan te merken als reguliere woningen en niet meer als bedrijfswoningen is voor de toekomst geborgd dat de woningen als zodanig gebruikt kunnen worden voor wonen. De woningen blijven als onderdeel van de woningvoorraad en het bebouwde gebied behouden. Daarnaast zijn de bedrijfsbestemmingen gelegen in de kern Montfort en de directe omgeving kent een overwegend woonkarakter. Het omzetten van de bedrijfsbestemmingen in woonbestemmingen lever dan ook een positieve bijdrage aan de leefbaarheid in de kern van de reeds bestaande woningen.

3.5.2 Beleidsregel compensatie woningbouwinitiatieven gemeente Roerdalen 2022

Op 14 juli 2022 is de beleidsregel ‘Compensatie woningbouwinitiatieven gemeente Roerdalen (2022)’ vastgesteld. De realisatie van nieuwe woningbouwontwikkelingen heeft een negatief effect op de huidige woningvoorraad. Ter compensatie wordt derhalve voor specifieke initiatieven een financiële compensatie vereist. De compensatieregeling is zodoende van toepassing op nieuw te bouwen woningen, die niet zijn opgenomen in de planvoorraadlijst.

Deze beleidsregel is niet van toepassing in onderhavige situatie omdat het hier reeds bestaande woningen betreft die al onderdeel zijn van de woningvoorraad.

3.5.3 Kwaliteitskader Roerdalen

De provincie verlangt van de Limburgse gemeentes om uitwerking en uitvoering te geven aan het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM). Het LKM is uitgewerkt in het Kwaliteitskader Roerdalen. Het kwaliteitskader is als bijlage opgenomen in de Omgevingsvisie Roerdalen 2050. Het LKM stelt voorwaarden aan de gemeentelijke uitwerking. Deze voorwaarden zijn:

  • De gemeente werkt het LKM als gemeentelijk beleid uit en verankert dit in de gemeentelijke structuurvisie.
  • De gemeente respecteert de in het LKM opgenomen drempelwaarden.
  • De gemeente maakt gebruik van een regionale kwaliteitscommissie.
  • De gemeente rapporteert aan de provincie.

Grondprincipe van het kwaliteitsmenu is dat bepaalde ontwikkelingen in het buitengebied ter plaatse leiden tot verlies aan omgevingskwaliteit, wat moet worden gecompenseerd door een kwaliteit verbeterende maatregel en/of financiële bijdrage. De provincie verlangt van de Limburgse gemeentes uitwerking en uitvoering te geven aan het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM). Het LKM is uitgewerkt in een gemeentelijk kwaliteitsmenu voor Roerdalen, dat is verankerd in de gemeentelijke Omgevingsvisie Roerdalen 2050.

In onderhavige situatie is geen sprake van een nieuwe ontwikkeling. Het betreft enkel het planologisch-juridisch regelen van (bedrijfs)woningen als reguliere woningen binnen de bestaande bebouwde kom. Het kwaliteitskader is derhalve dan ook niet van toepassing.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Inleiding

Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen.

Met onderhavige bestemmingswijziging worden de bestaande bedrijfswoningen aan de Vinkesteeg 15, 20, 24 t/m 24b planologisch-juridisch omgezet naar reguliere woningen door middel van een tuin- en woonbestemming, waarbij de bestaande bedrijfsactiviteiten op nummer 24/24a planologisch-juridisch gewaarborgd blijven. Er is daarbij geen sprake van het oprichten van nieuwe milieugevoelige objecten in de vorm van nieuwe woningen. Het betreft enkel het adequaat planologisch-juridisch regelen van de reeds bestaande situatie. In dat kader zijn de milieuaspecten in de hierna volgende paragrafen kort onderbouwd c.q. verantwoord.

4.2 Bodem

In het kader van de voorgenomen bestemmingswijziging zal inzicht moeten worden gegeven in de bodemkwaliteit ter plaatse. Er is immers sprake van het omzetten van een bedrijfsbestemming in een tuin- en woonbestemming. Echter het betreft hier een bestaande situatie waarbij geen bodemingrepen zullen plaatsvinden. Ondanks dat is uit zorgvuldigheid een historisch bodemonderzoek conform NEN5725 (Aelmans, rapportnummer E231557.003/ROE , d.d. 29 september 2023, Bijlage 1) uitgevoerd. Uit dit historisch bodem onderzoek is gebleken dat uit de voorhanden zijnde historische informatie geen aanwijzingen zijn aangetroffen, die duiden op de aanwezigheid van mogelijke bodemverontreinigingen en/of bodembedreigende activiteiten.

Voor het perceel Vinkesteeg 15 geld dat onder het afdak op de betonverharding enkele vlekken van vloeistoflekkages zichtbaar waren. Gezien de gesloten structuur van de beton is het niet aannemelijk dat hierdoor bodemverontreinigingen zijn ontstaan.

Ten aanzien van de locatie luidt, op basis van vorenstaande, voor de percelen Vinkesteeg 20, 22, 24, 24A en 24B de hypothese: onverdacht. Voor het perceel Vinkesteeg 15 geld op basis van de aangetroffen lekkagevlekken formeel de hypothese verdacht. Door de deugdelijke betonvloer is het ons inziens niet doelmatig een daadwerkelijk verkennend onderzoek uit voeren.

Het aspect bodem is dan ook geen belemmering voor deze bestemmingswijziging.

4.3 Geluid

Met de bestemmingswijziging worden geen nieuwe geluidsgevoelige objecten opgericht. Het zijn reeds bestaande woningen. Daarnaast zijn de woningen niet gelegen binnen een onderzoekszone van een zoneplichtige weg in het kader van de Wet geluidhinder. De Vinkesteeg is aangewezen als 30 km weg en ter hoogte van het plangebied komt overwegend bestemmingsverkeer. De verkeersintensiteit is naar verwachting dan ook laag, waardoor het zeer aannemelijk is dat op de geluidbelasting op de gevels van de woningen voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.

Railverkeerslawaai en industrielawaai zijn voor het plangebied niet aan de orde.

Het aspect geluid is derhalve geen belemmering voor deze bestemmingswijziging.

4.4 Luchtkwaliteit

Als gevolg van de bestemmingswijziging neemt het aantal woningen niet toe. Het betreft een bestaande situatie waarbij de verkeersgeneratie niet toeneemt. De bestemmingswijziging is daarmee aan te merken als niet in betekenende mate. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is voor de bestemmingswijziging.

4.5 Externe veiligheid

In de directe omgeving zijn ten oosten van het plangebied enkele risicovolle inrichtingen (met propaantanks) gelegen en op enige afstand een brandstofleiding van defensie Tevens zijn ten zuiden enkele hogedruk gastransportleidingen van de Gasunie gelegen. Ten noorden van het plangebied is de A73 gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaats vindt.Het plangebied is niet gelegen binnen het plaatsgebonden risico, brandaandachtsgebied of explosieaandachtsgebied van deze bronnen. Wel is het plangebied binnen het invloedsgebied van deze leidingen en de A73 gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1669.BPMFT2023VINKESTEE-VG01_0009.png"

Uitsnede kaart veilige omgeving uit de atlas leefomgeving

afbeelding "i_NL.IMRO.1669.BPMFT2023VINKESTEE-VG01_0010.png"

Uitsnede kaart veilige omgeving uit de atlas leefomgeving (ingezoomd)

Echter met de bestemmingswijziging neemt het aantal personen dat ter plaatse van het plangebied verblijft niet toe. Het betreffen bestaande bedrijfswoningen die omgezet worden in reguliere woningen. Het risico op eventuele slachtoffers bij een eventuele calamiteit blijft gelijk. De situatie blijft ten aanzien van het aspect externe veiligheid dan ook ongewijzigd.

4.6 Bedrijven en milieuzonering

Door de bestemmingswijziging worden de (agrarische) bedrijfsbestemming omgezet in een tuin- en woonbestemming. Hierdoor komt de bedrijfsbestemming te vervallen, met uitzondering van de bedrijfsactiviteiten ter plaatse van Vinkesteeg 24/24a. Hierdoor ontstaat voor de woningen aan de overzijde van de Vinkesteeg een kwaliteitsverbetering. Er kunnen zich immers geen bedrijven meer vestigen aan de Vinkesteeg 15, 20, 22 en 24b.

Omdat het een transformatie van bestaande bedrijfswoningen naar burgerwoningen betreft, is er planologisch gezien geen sprake van een toevoeging van een geluidgevoelig object. Bedrijfswoningen genieten evenals burgerwoningen bescherming tegen geluid van naastgelegen bedrijven. De geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit (of de Bruidsschat onder de Omgevingswet) zijn voor beide woonbestemmingen hetzelfde aangezien hier geen sprake is van een bedrijventerrein. De aanwezige bedrijven worden zodoende niet belemmerd in hun bedrijfsvoering als gevolg van de transformatie, en de toegestane geluidniveaus bij de woningen kunnen in de onderhavige situatie als een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden beschouwd.

Als gevolg van de bestemmingswijziging dient wel nader aangetoond te worden dat ter plaatse van de woningen aan de Vinkesteeg 15, 20, 22, 24/24a en 24b sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Te meer omdat de bedrijfsbestemming ter plaatse van perceel 469 en 1527 gehandhaafd blijft. Op basis van de bedrijfsbestemming zijn bedrijven in milieucategorie 1 en 2 toegestaan met een richtafstand van respectievelijk 10 en 30 meter op basis van een rustige woonomgeving. Door de omzetting van de bedrijfsbestemming in een tuin- en woonbestemming ter plaatse van de woningen is hier sprake van.

Ter plaatse van perceel 1527 is een omgevingsvergunning (Rozendaalseheide 16 Montfort) verleent. Onderdeel van deze omgevingsvergunning is dat een strook van ongeveer 5 meter breed aan de achterzijde van de woningen aangemerkt moet worden als groenstrook. Hierdoor is er al sprake van enige buffering tussen de woningen en het perceel met de bedrijfsbestemming. Echter het betreft ter plaatse van perceel 1527 een bedrijfsbestemming zonder bouwvlak. Dit betekent dat hier geen bedrijfsbebouwen kunnen en mogen worden opgericht waardoor de bedrijfsactiviteiten beperkt zijn tot eventuele opslag. Verder is de bedrijfsbestemming niet of moeilijk te ontsluiten omdat het niet direct grenst aan openbaar gebied. Tevens maken de gronden met de bedrijfsbestemming ter plaatse van perceel 1527 onderdeel uit van de landschappelijke inpassing bij het loonwerkersbedrijf aan de Brandlintjesweg 65. Dit is een voorwaardelijke verplichting als onderdeel van het bestemmingsplan buitengebied van de gemeente Roerdalen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1669.BPMFT2023VINKESTEE-VG01_0011.png"

Landschappelijke inpassing op basis van voorwaardelijke verplichting

Voor perceel 468 is bedrijfsbestemming (milieucategorie 1 en 2) met bouwvlak en de functieaanduiding bedrijfswoning van toepassing. Dit betekent dat hier wel bedrijfsbebouwing met een bedrijfswoning mag worden opgericht. Uitgaande van een richtafstand van 30 meter ligt alleen de woning aan de Vinkesteeg 24b binnen deze richtafstand. Gezien de omvang van het perceel (650 m2) en de situering van de woning op dit perceel is hier in feite reeds sprake van een bestaande reguliere woonsituatie. Alleen is deze niet als zodanig geregeld. Mocht er in de toekomst zich hier een bedrijf vestigen dan zullen de bedrijfsactiviteiten zich vooral op het oostelijk deel van het perceel (aan de zijde van het buitengebied) plaatsvinden. De eventueel bedrijfswoning zal naar verwachting direct naast de bestaande woning worden gesitueerd, zodat hiermee fictief aan de richtafstand van 30 meter zal worden voldaan.

De overige woningen aan de Vinkesteeg 15, 20, 22 en 24a zijn niet binnen de richtafstand van perceel 468 gelegen.

Daarnaast zijn bedrijven in milieucategorie 1 en 2 passend in een woonomgeving. Het betreffen namelijk veelal kleinschalige bedrijfjes met beperkte bedrijfsactiviteiten. In de meest gevallen gaat het dan om opslag en worden de werkzaamheden overwegend op locatie uitgevoerd waardoor de impact op de omgeving beperkt is. Ook wordt voor aan huis gebonden beroepen de milieucategorieën 1 en 2 gehanteerd. Dit zijn inprincipe dezelfde bedrijven als die op basis van de vigerende bedrijfsbestemming zijn toegestaan. Ook dergelijke aan huisgebonden beroepen worden acceptabel geacht in een woonomgeving.

Aangezien het hier een historisch gegroeide situatie is waar feitelijk sprake is van reguliere woningen doet het omzetten van de bedrijfsbestemming in een tuin- en woonbestemming meer recht aan deze bestaande situatie waarbij het woon- en leefklimaat van de woningen gewaarborgd wordt, ondanks dat op Vinkesteeg 24/24a nog bedrijvigheid wordt toegestaan in milieucategorie 1 en 2 en de bedrijfsbestemming op de percelen 1527 en 468 behouden blijft en hier in 'theorie' bedrijven zich kunnen vestigen.

Verder zijn op enige afstand van het plangebied in het aangrenzende buitengebied ook een aantal bedrijfsbestemmingen gelegen. Gezien de ruime afstand tussen deze bedrijfsbestemmingen en het plangebied kan gesteld worden dat in voldoende mate wordt voldaan aan de bijbehorende richtafstanden zodat het woon- en leefklimaat ten alle tijden wordt gewaarborgd.

Omgekeerd vormt de tuin- en woonbestemming ter plaatse van de woningen aan de Vinkesteeg 15, 20, 22, 24/24a en 24b geen belemmering voor de bedrijfsbestemmingen in de omgeving omdat reeds andere woningen op kortere afstand zijn gelegen.

4.7 Geur

Door de bestemmingswijziging worden geen nieuwe geurgevoelige objecten opgericht. Het aspect geur is dan ook niet aan de orde.

4.8 Kabels en leidingen

Het plangebied is niet gelegen binnen een zone of werkingstrook van hoofdleidingen of kabels die planologische bescherming behoeven. Vanuit dit aspect gelden er dan ook geen beperkingen voor de (functionele) invulling, bebouwing en het gebruik van het plangebied.

4.9 Archeologie en cultuurhistorie

Het volledige plangebied heeft op basis van het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Op basis van deze dubbelbestemming is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen met een verstoringsoppervlakte van 1.000 m2 en een verstoringsdiepte van 40 cm. Echter in onderhavige situatie is enkel sprake van een bestemmingswijziging waarbij de bedrijfsbestemming wordt omgezet in een tuin- en woonbestemming. Het betreft hier een bestaande situatie waarbij geen bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het aspect archeologie is derhalve niet aan de orde.

Wel zal deze dubbelbestemming in onderhavig bestemming worden gehandhaafd zodat het aspect archeologie ook na de bestemmingswijziging in voldoende mate gewaarborgd blijft.

4.10 Flora en fauna

Met deze bestemmingswijziging worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het betreft enkel het wijzigen van de bedrijfsbestemming in een tuin- en woonbestemming. Hierbij is dus geen sprake van het realiseren van 'iets'. Stikstofdepositie is dan ook niet aan de orde omdat de situatie ten aanzien van de woningen ongewijzigd. De woningen blijven net als nu gas gestookt.

Tevens vindt er geen sloop van bebouwing plaats of het rooien van beplanting plaats waardoor eventuele beschermende planten- of diersoorten niet in het geding zijn. Ook hiervoor geldt dat de bestaande situatie ongewijzigd blijft.

Het aspect flora en fauna is dan ook niet aan de orde.

4.11 Water

In de directe omgeving zijn geen belangen van het Waterschap Limburg gelegen. Ook blijft de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse ongewijzigd. Het verhard oppervlak neemt als gevolg van de bestemmingswijziging niet toe en de woningen blijven op dezelfde wijze aangesloten op het riool.

Het aspect water is eveneens niet aan de orde.

Hoofdstuk 5 Juridische opzet

5.1 Inleiding

Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.

5.2 De verbeelding

De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1000, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Hierbij dient te worden aangetekend dat de ondergrond (BGT/BRK) geen juridische status heeft.

5.3 De regels

De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouwen gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan ‘Vinkesteeg 15, 20 t/m 24b, Montfort’ zijn opgebouwd conform de door de SVBP2012 voorgeschreven systematiek en zijn gebaseerd op de regels van het vigerende bestemmingsplan '1e herziening kernen Roerdalen'. De regels omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels, en ten slotte de overgangs- en slotregels.

5.3.1 Inleidende regels

Begrippen

In de begripsregels worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsregels worden opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Voor sommige begrippen worden in de SVBP2012 omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen.

Wijze van meten

Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de ‘wijze van meten’ uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de ‘wijze van meten’ worden in de SVBP2012 richtlijnen gegeven.

5.3.2 Bestemmingsregels

Bestemmingen

De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat het gebruik van de gronden voor de verschillende toegestane functies direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning hebben verleend, welke dient te voldoen aan onder meer de bouwregels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening.

De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit:

  • Bestemmingsomschrijving;
  • Bouwregels;
  • Nadere eisen;
  • Afwijken van de bouwregels;
  • Specifieke gebruiksregels;
  • Afwijken van de gebruiksregels;
  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden;
  • Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;
  • Wijzigingsbevoegdheid.

Niet alle onderdelen komen bij elke bestemming voor. Van de meest gebruikte onderdelen volgt hierna een korte toelichting.

Bestemmingsomschrijving

In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functie(s). De hoofdfunctie(s) worden als eerste genoemd. Indien van toepassing, worden ook de aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies mogelijk gemaakt. De ondergeschiktheid kan worden aangegeven door de woorden ‘met daaraan ondergeschikt’. De ondergeschikte functies staan ten dienste van de hoofdfunctie binnen de betreffende bestemming.

De bestemmingsomschrijving is niet alleen functioneel maar bevat, met het oog op de raadpleegbaarheid, ook inrichtingsaspecten. Zo kan er worden bepaald dat de betreffende gronden zijn bestemd voor gebouwen ten behoeve van de toegestane functies. Daarnaast kan in de bestemmingsomschrijving worden aangegeven dat het behoud van bepaalde karakteristieken of waarden wordt nagestreefd. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan cultuurhistorische waarden.

Bouwregels

In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels weergegeven. Hierbij wordt in ieder geval een onderscheid gemaakt tussen de regeling van (hoofd)gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde en daar waar van toepassing ook tussen hoofdgebouwen en aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen.

Nadere eisen

Nadere eisen kunnen worden gesteld ten behoeve van bepaalde doorgaans kwalitatief omschreven criteria, zoals een goede woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. De nadere eisenregeling biedt de mogelijkheid om in concrete situaties in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning sturend op te treden door het opnemen van nadere eisen in de omgevingsvergunning. Nadere eisen kunnen alleen worden gesteld als er in de regels ook een primaire eis wordt gesteld. De nadere eisen moeten verband houden met deze eis. De nadere eisenregeling hoeft niet in alle bestemmingen te worden geregeld.

Afwijken van de bouwregels

Met een omgevingsvergunning kan afgeweken worden van de toegestane bouwregelingen. Deze vergunning is niet bedoeld voor afwijkingen van de bouwregels, waarvan de verwachting is, dat ze veelal kunnen worden verleend. In dat geval zijn de bouwregels hierop aangepast. Voor elke afwijking wordt aangegeven waarvoor een vergunning wordt verleend, welke maximale afwijking kan worden toegestaan en meestal de situaties of voorwaarden waaronder vergunning wordt verleend. Het gaat hier om afwijkingsbevoegdheden voor specifieke bestemmingen. Indien de afwijkingsbevoegdheden gelden voor meerdere bestemmingen dan wel een algemene strekking hebben, zijn ze opgenomen in hoofdstuk 3 (de algemene regels).

Specifieke gebruiksregels

Het is verboden gronden te gebruiken en/of te laten gebruiken op een manier die in strijd is met het bestemmingsplan. In specifieke gebruiksregels kunnen bepaalde functies, in aanvulling op de bestemmingsomschrijving, nog expliciet worden genoemd als zijnde verboden gebruik.

Afwijken van de gebruiksregels

Met een omgevingsvergunning kan van de gebruiksregels in het plan worden afgeweken ten behoeve van een concrete vorm van grondgebruik. Dit mag echter niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Dat wil zeggen dat wel vergunning kan worden verleend ten behoeve van functies die inherent zijn aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies, maar dat via afwijkingsbevoegdheden geen ‘nieuwe’ functies kunnen worden toegestaan. De afwijking dient te zien op kleinere, planologisch minder ingrijpende onderwerpen. Functiewijzigingen en grotere, ruimtelijke ingrepen dienen te worden geregeld via een wijzigingsbevoegdheid of bestemmingsplanherziening.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden

Met een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden kunnen specifieke inrichtingsactiviteiten aan een werk of werkzaamheid worden verbonden. Onder deze inrichtingsactiviteiten valt niet het bouwen en het gebruiken. Een vergunningenstelsel wordt opgenomen om extra bescherming aan een specifieke waarde van de bestemming te bieden, zoals landschappelijke of natuurlijke waarden, ecologische waarden of de groen- en/of waterstructuur. Een vergunningenstelsel kan in specifieke en bijzondere situaties worden opgenomen in verband met bijvoorbeeld het verwijderen van waardevolle boombeplanting.

5.3.3 Toegekende bestemmingen

Tuin

De gronden aan de voorzijde van het perceel zijn bestemd als 'Tuin'. Dit betreft overwegend de gronden voor de voorgevelrooilijn van de woningen. Deze gronden zijn bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen c.q. woningen. Op deze gronden mag niet worden gebouwd, behoudens bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Hierbij moet gedacht worden aan erkers, overkappingen boven de voordeur of een eventuele vlaggenmast.

Wonen

Aansluitend aan de tuinbestemming zijn de gronden bestemd als 'Wonen'. Deze gronden zijn bestemd voor wonen in de vorm van vrijstaande woningen, al dan niet in combinatie met beroep/bedrijf aan huis, met de daarbij behorende: hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde, erven, tuinen, in- en uitritten, parkeervoorzieningen, ontsluitingspaden en brandgangen. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf' is een bedrijf in of bij de woning tot en met categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten toegestaan.

De bestaande woningen zijn opgenomen binnen een bouwvlak dat voor 100% bebouwd mag worden in de daarbij aangegeven goot- en bouwhoogte. Bedrijfsgebouwen zijn enkel toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf'. Verder mogen bijbehorende bouwwerken zowel binnen als buiten het bouwvlak worden opgericht tot een maximum oppervlak van 100 m², met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte aan hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken per bouwperceel maximaal: 40% van het bouwperceel bedraagt voor vrijstaande woningen. Een uitzondering wordt gemaakt voor die situaties waar sprake is van een groter oppervlak aan bijbehorende bouwwerken. Hier is het bestaande oppervlak aan bijbehorende bouwwerken toegestaan.

Waarde - Archeologie 5

Dit betreft een dubbelbestemming waarbij de gronden mede bestemd zijn voor de bescherming van een terrein met archeologische waarde. Op basis van deze dubbelbestemming geldt een bouwverbod indien sprake is van bodemingrepen met een oppervlak groter dan 1.000 m2 dieper dan 40 cm.

5.3.4 Algemene regels

Anti-dubbeltelregel

Een anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De opgenomen anti-dubbeltelregel is gelijkluidend aan de in het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven formulering.

Algemene bouwregels

Voor het hele plangebied, en dus alle bestemmingen, gelden eveneens een aantal algemene bouwregels. Deze zijn dus niet opgenomen in de afzonderlijke bestemmingen. Dit betreft name bestaande en afwijkende maatvoering alsmede parkeernormen, laden/lossen bij of in gebouwen.

Algemene gebruiksregels

Voor het hele plangebied, en dus alle bestemmingen, gelden eveneens een aantal algemene gebruiksregels. Deze zijn dus niet opgenomen in de afzonderlijke bestemmingen. Dit betreft algemeen strijdig gebruik

Algemene aanduidingsregels

Dit zijn aanduidingen die over meerdere bestemmingen liggen met een bijbehorende regeling. Voor onderhavig plangebied is dit de aanduiding 'milieuzone - roerdalslenk. Dit betekent dat dat de grond niet dieper dan 30 meter mag worden geroerd.

Algemene afwijkingsregels

In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om met een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsregels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Aangegeven wordt van welke regel met een omgevingsvergunning afgeweken kan worden en waarvoor.

Algemene wijzigingsregels

In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om bestemmingsgrenzen met maximaal 5 meter te verschuiven, onder voorwaarde dat het bestemmingsvlak met niet meer dan 10% wordt vergroot.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Inleiding

Naast het toetsen van het planvoornemen aan diverse milieu- en veiligheidsaspecten, dient ook getoetst te worden aan de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Hierbij wordt gekeken naar de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.2 Economische en financiële uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomst met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeiegenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.

Met de bestemmingswijziging wordt niet voorzien in een nieuwe ontwikkeling. Er is enkel sprake van het planologisch-juridisch om zetten van de bestaande bedrijfswoningen aan de Vinkesteeg 15, 20, 24 t/m 24b naar reguliere woningen door middel van een tuin- en woonbestemming, waarbij de bestaande bedrijfsactiviteiten op nummer 24/24a planologisch-juridisch gewaarborgd blijven. Hiermee zijn geen kosten gemoeid. Er kan worden gesteld dat er geen beperkingen/risico's zijn voor de grondexploitatie en financiële uitvoerbaarheid van het plan. Er zijn geen gevolgen voor de gemeentelijke financiën. Er is geen sprake van op de initiatiefnemers te verhalen kosten. Wel zal met de initiatiefnemers een planschadeovereenkomst worden gesloten. Hiermee wordt gewaarbord dat eventuele planschadekosten niet voor rekening van de gemeente komen, maar voor rekening van de initiatiefnemers. Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de economisch en financiële uitvoerbaarheid voldoende is gegarandeerd en anderzijds verzekerd is.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het planvoornemen betreft enkel een bestemmingswijziging die de bestaande bedrijfswoningen aan de Vinkesteeg 15, 20, 24 t/m 24b planologisch-juridisch zetten naar reguliere woningen door middel van een tuin- en woonbestemming, waarbij de bestaande bedrijfsactiviteiten op nummer 24/24a planologisch-jurdiisch gewaarborgd blijven. Er ontstaat door deze bestemmingswijziging ter plaatse van het plangebied geen andere ruimtelijke situatie omdat hier reeds sprake is van (regulier) wonen en er geen bedrijfsactiviteiten (meer) plaats vinden, met uitzondering aan de Vinkesteeg 24/24a. Door het toekennen van een tuin- en woonbestemming wordt aangesloten bij de woonomgeving in de directe omgeving.

Op basis hiervan mag aangenomen worden dat tegen het planvoornemen geen doorslaggevende bezwaren bestaan.

Tevens heeft afstemming plaats gevonden met de eigenaren van perceel 468 en 1527. Zij hebben aangegeven geen problemen te hebben met onderhavige bestemmingswijzing. Hun percelen behouden de bedrijfsbestemming.

Het bestemmingsplan wordt conform de gebruikelijke procedure gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan een ieder reageren op de bestemmingswijziging en zijn of haar zienwijzen indienen.

6.4 Conclusie

Het planvoornemen zal gezien het bovenstaande recht doen aan een goede ruimtelijke ordening, als bedoeld in artikel 3.1 Wro. De bestemmingswijziging betekent, na een afweging van de verschillende belangen, een aanvaardbare invulling c.q. regeling van het plangebied.

Hoofdstuk 7 Procedure

7.1 De te volgen procedure

Het bestemmingsplan doorloopt de volgende procedure:

  • a. Voorbereiding:
  • vooroverleg met overheidsinstanties: betrokken diensten van rijk en provincie, waterschap
  • (watertoets)
  • b. Ontwerp:
  • publicatie en terinzagelegging overeenkomstig afdeling 3.4 Awb en Wro
  • een ieder kan gedurende deze terinzagelegging een zienswijze indienen bij de gemeenteraad
  • c. Vaststelling:
  • vaststelling door de Raad
  • mogelijkheid reactieve aanwijzing
  • publicatie en terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan gedurende de beroepstermijn
  • d. Inwerkingtreding:
  • na afloop van de beroepstermijn (tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan)
  • e. Beroep:
  • beroep bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

In het kader van deze procedure is het voor eenieder mogelijk om zijn/haar zienswijze (bij de gemeenteraad) kenbaar te maken. In publicaties met betrekking tot de diverse stappen die het plan moet doorlopen, wordt daarvan steeds melding gemaakt. Wanneer beroep wordt ingesteld, beslist uiteindelijk c.q. in hoogste instantie, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan.

7.2 Vooroverleg

Volgens artikel 3.1.1 van het Bro dient de gemeente bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met een aantal instanties. In onderhavige situatie betreft het, het planologisch-juridisch omzetten van bestaande bedrijfswoning naar reguliere woningen, waarbij geen sprake meer is van bedrijfsactiviteiten behoudens ter plaats van nummer 24/24a. Het betreft een bestaande woonsituatie binnen de bebouwde kom van de kern Montfort. Er is daarbij geen sprake van een nieuwe ontwikkeling maar uitsluitend het planologisch-juridisch adequaat regelen van de bestaande situatie. Er zijn hiermee geen Rijks, provinciale of gemeentelijke belangen in het geding. Derhalve is het ontwerpbestemmingsplan direct in procedure gebracht en ter inzage gelegd. Hiervan zijn de instanties en de provincie op de hoogte gebracht.

7.3 Vaststelling

Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 22 december 2023 gedurende zes weken, dat wil zeggen tot en met 29 januari 2024 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen tegen het plan ingediend en is er geen noodzaak tot aanpassing van het bestemmingsplan. Wel is paragraaf 4.6 (Bedrijven en milieuzonering) aangepast c.q. aangescherpt ten aanzien van de bestaande bedrijfsactiviteiten op Vinkesteeg 24/24a in relatie tot de direct aangrenzende woningen in verband met eventuele mogelijke overlast met betrekking tot geluid. Het bestemmingsplan is dan ook ten opzichte van het ontwerpbestemmignsplan dan ook gewijzigd vastgesteld in de raadsvergadering van 30 mei 2024.