1.1 plan
het bestemmingsplan Lage Mierdsedijk 2 -Mierdseweg 2019 van de gemeente Reusel-De Mierden,
nummer : NL.IMRO.1667.Glmdijk5013-VAST
1.2 bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en bijlagen;
1.3 AAB
Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen, voor advies inzake volwaardigheid, continuïteit en
noodzaak in verband met een agrarisch bedrijf;
1.4 aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels,
regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
1.5 aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
1.6 aan huis verbonden bedrijf
het door de bewoner van de woning bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van
ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door handwerk, dat door zijn beperkte omvang in
een woning en de bijbehorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kan worden
uitgeoefend;
1.7 aan huis verbonden beroep
een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch,
therapeutisch, kunstzinnig, vastgesteldtechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn
beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen met behoud van de woonfunctie
kan worden uitgeoefend;
1.8 achtergevelrooilijn
de denkbeeldige lijn die strak langs de achtergevel van het hoofdgebouw wordt getrokken tot aan de
zijdelingse perceelsgrenzen, gezien vanaf de weg waarop het hoofdgebouw is georiënteerd, zonder
bijbehorende bouwwerken, alsmede het verlengde daarvan;
1.9 agrarisch bedrijf
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van
gewassen of het houden van dieren, alsmede de opslag en verwerking van eigen mest;
1.10 agrarisch bedrijf, grondgebonden
een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het
voortbrengend vermogen van onbebouwde gronden in de directe omgeving van het bedrijf;
1.11 agrarisch bedrijf glastuinbouwbedrijf
een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf waarbij de productie geheel of overwegend gericht is op
het telen van gewassen in kassen en/of hoge tunnels, welke ter plaatse (overwegend) permanent
aanwezig zijn;
1.12 agrarisch bedrijf, intensieve veehouderij
agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen
plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-,
pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen,
alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van
grondgebonden melkrundveehouderij;
1.13 agrarisch bedrijf, overig niet-grondgebonden
een agrarisch bedrijf waarvan de productie niet in overwegende mate afhankelijk is van het
voortbrengend vermogen van onbebouwde gronden in de directe omgeving van het bedrijf;
1.14 archeologische waarden
cultuurhistorische waarden die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van
vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig het cultuurhistorisch
erfgoed vertegenwoordigd;
1.15 archeologische verwachtingswaarden
gronden met verwachtingswaarden, die kunnen bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief
met sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig van
wetenschappelijk belang kunnen zijn en het cultuurhistorisch erfgoed kunnen vertegenwoordigen;
1.16 archeologisch waardevol gebied
gronden met actuele, hoge waarden, die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met
sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig van
wetenschappelijk belang zijn en het cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigen;
1.17 bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
1.18 bedrijf
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken,
opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten,
aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen;
1.19 bedrijfsgebouw
een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;
1.20 bedrijfs-/dienstwoning
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden
van) één persoon of gezin, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het
terrein ten dienste van de bedrijfsvoering is;
1.21 begane grond
de bouwlaag van een gebouw, die rechtstreeks ontsloten wordt vanaf het straatniveau danwel
waarvan de bovenkant van de vloer maximaal 1,50 meter boven peil is gelegen;
1.22 beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte
de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan huis verbonden beroep
c.q. een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en
administratieruimten en dergelijke;
1.23 bestaande situatie
- bebouwing: bebouwing zoals aanwezig op het tijdstip van de ter-inzage-legging van het vastgesteldplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;
- gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen;
1.24 bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak;
1.25 bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
1.26 bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend
hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw of ander
bouwwerk, met een dak;
1.27 bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, veranderen of vernieuwen en het vergroten van
een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een
standplaats;
1.28 bouwgrens
de grens van een bouwvlak;
1.29 bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte
liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grondlaag en met
uitsluiting van onderbouw/kelder en zolder;
1.30 bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende
bebouwing is toegelaten;
1.31 bouwperceelgrens
een grens van een bouwperceel;
1.32 bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels bepaalde
gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
1.33 bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of
indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
1.34 carport
een dakconstructie vrijstaand zonder wanden dan wel aan maximaal drie zijden begrensd door de
gevels van belendende gebouwen. Als de carport niet gesitueerd wordt tussen belendende
gebouwen mag deze maximaal voorzien worden van 2 gevels. Een carport is bedoeld voor het stallen
van voertuigen en wordt aangemerkt als een bouwwerk geen gebouw zijnde;
1.35 dak
een gesloten bovenbeëindiging van een gebouw c.q. bouwwerk;
1.36 detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen
en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending
anders dan in de uitoefening van een beroeps-of bedrijfsactiviteit;
1.37 erf
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in
feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van het gebouw en deze die inrichting niet
verbieden;
1.38 erfbeplanting
een visueel afschermende, maskerende en/of het landschapsbeeld versterkende en overwegend
opgaande (rand)beplanting binnen of direct aansluitend op het bestemmingsvlak of bouwperceel van
een bedrijf, een woning of een terrein met een andere functie;
1.39 erfbeplantingsplan
een plan inzake visueel afschermende, maskerende en/of het landschapsbeeld versterkende en
overwegend opgaande (rand)beplanting binnen of direct aansluitend op het bestemmingsvlak of
bouwperceel van een bedrijf, een woning of een terrein met een andere functie, inclusief de
inrichting en het beheer ervan;
1.40 escortbedrijf
de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon, die bedrijfsmatig of in een omvang
alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte
wordt uitgeoefend zoals escortservices en bemiddelingsbureaus;
1.41 evenement
een activiteit in de openlucht, dan wel in al dan niet tijdelijke tenten of paviljoens, gericht op het
bereiken van een algemeen of besloten publiek voor informerende, educatieve, culturele en/of
levensbeschouwelijke doeleinden/tradities;
1.42 extensieve recreatie
die vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals
wandelen en fietsen;
1.43 extensief recreatief medegebruik
een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming
waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan en waarbij het gebruik weinig invloed heeft op de
doeleinden binnen de bestemming;
1.44 functie
doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen
daarvan is toegestaan;
1.45 gebouw
elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden
omsloten ruimte vormt;
1.46 geluidbelasting vanwege het wegverkeer
de etmaalwaarde van het equivalente geluidniveau in dB(A) op een bepaalde plaats, veroorzaakt
door het gezamenlijke wegverkeer op een bepaald weggedeelte of een combinatie van
weggedeelten, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder;
1.47 hoofdgebouw
een gebouw dat op een bouwperceel, door zijn constructie, bouwmassa, ruimtelijke uitstraling en/of
afmetingen dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste bouwwerk is aan te merken;
1.48 huishouden
persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge
verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan;
1.49 kampeerboerderij
het gelegenheid geven tot het houden van recreatief nachtverblijf in gebouwen deel uitmakend van
een agrarische bedrijf dan wel een voormalig agrarisch bedrijf;
1.50 kinderboerderij
dagrecreatieve voorziening waar boerderijdieren worden gehouden voor de educatie van kinderen,
al dan niet in combinatie met speelvoorzieningen;
1.51 kwaliteitswinst van het landschap
kwaliteitswinst van het landschap, zoals is opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant; in dit kader dient
een minimale basisinspanning te worden geleverd van 20% van de waardevermeerdering van de
grond en/of het object;
1.52 landschappelijke inpassing
er is sprake van een voldoende/ zorgvuldige/ gedegen landschappelijke inpassing, indien voldaan
wordt aan de volgende voorwaarden:
- Tenminste 10% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak na afwijking/ wijziging moet worden aangewend voor landschappelijke inpassing van alle aanwezige en nieuw op te richten bebouwing binnen het bestemmingsvlak.
- De landschappelijke inpassing wordt zo gesitueerd dat deze de ontwikkeling (zoveel mogelijk) visueel afschermt. Het heeft hierbij de voorkeur om met de inpassing de contouren van het bestemmingsvlak te begrenzen.
- Indien op het perceel al groenstructuren bestaan die aan de bovenstaande criteria voldoen mogen deze worden meegeteld.
- Landschappelijke inpassing telt niet mee voor een eventueel te leveren kwaliteitsverbetering.
- Indien het niet (volledig) mogelijk is om binnen het bestemmingsvlak de landschappelijke inpassing op te nemen is maatwerk mogelijk om de inpassing buiten het bestemmingsvlak te realiseren in de vorm van landschappelijke (robuuste) inpassing van bebouwing- en bestemmingsvlakken. Dit geldt echter niet voor vergroting van het bestemmingsvlak ‘Bedrijf - Agrarisch’ (B-A) ten behoeve van een intensieve veehouderij; hiervoor blijft het bepaalde onder a. gelden.
- De borging (aanleg en instandhouding) geschiedt mede in een zogenaamde anterieure overeenkomst (privaatrechtelijk) voorzien van een tekening(en), op schaal, met dwarsdoorsneden en beplantingslijst;
1.53 landschapselementen
ecologische en/of landschappelijke waardevolle elementen zoals bosjes, houtwallen, poelen en
moerasjes, in de regel kleiner dan 2 ha;
1.54 landschapswaarden/landschappelijke waarden
bijzondere landschappelijke kenmerken van een gebied of object in de zin van aantrekkelijkheid,
herkenbaarheid/identiteit en diversiteit bestaande uit aardkundige, cultuurhistorische en visueelruimtelijke
waarden, afzonderlijk of in onderlinge samenhang;
1.55 landschappelijk open
bijzondere landschappelijke kenmerken van een gebied of deelgebied in de zin van ruimtelijk-visuele
openheid van een gebied vanwege het ontbreken van allerlei opgaande beplantingen en bebouwing
in een gebied of deelgebied. Het betreft hier doorgaans grootschalige gebieden;
1.56 landschappelijke beslotenheid
bijzondere landschappelijke kenmerken van een gebied of deelgebied in de zin van ruimtelijk-visuele
beslotenheid van een gebied vanwege het voorkomen van allerlei opgaande beplantingen en
bebouwing in een gebied of deelgebied. Het betreft hier doorgaans kleinschalige gebieden;
1.57 landschapsontwikkelingsgebied
een gebied dat beleidsmatig gezien aangeduid is voor een of andere vorm van
landschapsontwikkeling. Voorbeelden zijn een RNLE, een zone beekherstel, een
landschapsecologische zone en een robuuste ecologische verbindingszone;
1.58 maaiveld
hoogte waarop het omliggende terrein aansluit op de woning;
1.59 mantelzorg
het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak,
op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband;
1.60 Natuur Netwerk Brabant
provinciaal samenhangend netwerk van natuurgebieden van nationaal en internationaal belang met
als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten bestaande uit de meest
waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te
ontwikkelen natuurwaarden;
1.61 Natuur Netwerk Brabant ecologische verbindingszone
vaak langgerekt gebied, waarbinnen natuur- en landschapselementen zijn of worden gerealiseerd,
gericht op het in het provinciaal Natuur Netwerk Brabant verbinden van natuurgebieden;
1.62 omgevingsvergunning
een vergunning als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht;
1.63 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van
werkzaamheden
een vergunning als bedoeld in artikel 3.3 onder a van de Wet ruimtelijke ordening;
1.64 onderbouw/kelder
een gedeelte van een gebouw, dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan
1,20 m. boven het peil is gelegen;
1.65 ondergeschikte activiteit
een activiteit van zeer beperkte bedrijfsmatige en/of ruimtelijke omvang zodat de functie waaraan zij
wordt toegevoegd, qua aard, omvang en verschijningsvorm, overwegend of nagenoeg geheel als
hoofdfunctie herkenbaar blijft;
1.66 ondergeschikte functie
functie waarvoor maximaal 30% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw als zodanig mag
worden gebruikt;
1.67 onderkomens
voor verblijf geschikte al dan niet aan de bestemming onttrokken voer- en vaartuigen, arken,
caravans en stacaravans voor zover deze niet als bouwwerken zijn aan te merken, alsook tenten;
1.68 ondersteunende horeca
er is sprake van ondersteunende horeca wanneer men in een inrichting die geen (planologische)
hoofdbestemming horeca heeft, (kleine) eetwaren en/of dranken kan consumeren ter plaatse en
men daarvoor moet betalen. De horeca-activiteiten moeten ondersteunend en ondergeschikt zijn
aan de hoofdactiviteit (hoofdbestemming). Ondersteunend betekent dat de horeca activiteit niet los
van de hoofdactiviteit mag plaatsvinden. Ondergeschikt betekent dat de horecafunctie maximaal
30% van het totale overdekte en omsloten bruto vloeroppervlak van de hoofdactiviteit tot een
absoluut maximum van 50 m² mag beslaan van de inrichting, waarbij ondersteunende ruimten zoals
het sanitair, de keuken en het terras tot horeca worden gerekend;
1.69 open bebouwing
bebouwing bestaande uit overwegend vrijstaande hoofdgebouwen;
1.70 overkappingen
een dakconstructie vrijstaand zonder wanden dan wel aan maximaal twee zijden begrensd door de
gevels van belendende gebouwen. Als de overkapping niet gesitueerd wordt tussen belendende
gebouwen mag deze maximaal voorzien worden van 1 gevel. Een overkapping wordt aangemerkt als
een bouwwerk geen gebouw zijnde;
1.71 perceel
een deel van het Nederlands grondgebied van welk deel de Dienst voor het kadaster en openbare
register, de begrenzing met behulp van landmeetkundige gegevens heeft vastgelegd op grond van
gegevens betreffende de rechtstoestand, bestemming en het gebruik dat door zijn kadastrale
aanduiding is gekenmerkt;
1.72 prostitutie
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
vergoeding;
1.73 recreatief medegebruik
een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming
waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan;
1.74 ruimtelijke kwaliteit
de kwaliteit van de ruimte als bepaald door de gebruikswaarde, belevingswaarde en
toekomstwaarde van die ruimte;
1.75 schuilgelegenheid
een bouwwerk dat aan dieren de gelegenheid biedt te schuilen tegen weersinvloeden, waarbij de
dieren vrij in en uit kunnen lopen;
1.76 seksinrichting
de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij
bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van
erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een
(raam)prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal,
sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;
1.77 standplaats
een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die
op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen
worden aangesloten;
1.78 statische opslag
opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven zoals (antieke) auto's, boten,
caravans, meubels en dergelijke;
1.79 stedenbouwkundig beeld
het door de omvang, de vorm en de situering van de bouwmassa's bepaalde beeld inclusief de ter
plaatse door de infrastructuur, de begroeiing en andere door de mens aangebrachte (kunstmatige)
elementen gevormde ruimte(n);
1.80 straatmeubilair
verkeersgeleiders, rampalen/amsterdammertjes, verkeersborden, brandkranen, lichtmasten,
zitbanken, bloembakken, papier-, glas- en andere inzamelbakken, toegangsconstructies voor
ondergrondse voorzieningen, kunstwerken, speeltoestellen en draagconstructies voor reclame,
telefooncellen, abri's en kleinschalige bouwwerken voor (openbare) nutsvoorzieningen en daarmee
vergelijkbare objecten;
1.81 tuin
de gronden van een perceel behorende bij een woning, voor zover gelegen buiten het bouwvlak;
1.82 uitbouw
een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk
gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch
opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
1.83 verblijfsrecreatie
een vorm van recreatief verblijf, waarbij sprake is van overnachtingen anders dan met gebruikmaking
van een hotel, pension of woning dan wel een vaartuig;
1.84 voorgevellijn
de denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel van het hoofdgebouw wordt getrokken tot aan de
zijdelingse perceelsgrenzen;
1.85 water
al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere
waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen;
1.86 waterhuishoudkundige voorzieningen
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging,
hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen,
infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten, etc.;
1.87 weg
een voor het rij-of ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen
bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg
liggende en als zodanig aangeduide parkeergelegenheden;
1.88 werk
een constructie geen gebouw of bouwwerk zijnde;
1.89 woning/wooneenheid
een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van één of meer personen;
1.90 zorgboerderij
een zorgfunctie waarbij de sociaal-medische opvang van personen - al dan niet in de vorm van het
ter plaatse woonachtig zijn - gecombineerd wordt met agrarische activiteiten in die zin dat de
personen behulpzaam zijn bij de agrarische of natuurbeherende activiteiten;