direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Stedelijk gebied, herziening woningbouwlocatie Hulsel
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1667.BPHwoon4007-ONH1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

Voorliggend rapport betreft het bestemmingsplan "Stedelijk gebied, herziening woningbouwlocatie Hulsel" van de gemeente Reusel-De Mierden.

1.1 Aanleiding en doel

Voor een woningbouwlocatie binnen de gemeente Reusel-De Mierden is het gewenst dat een herziening van het geldende bestemmingsplan wordt vastgesteld. Het betreft de woningbouwlocatie ter plaatse van de sportvelden aan de noordzijde van de kern Hulsel.

De behoefte aan een herziening is ontstaan door de huidige veranderingen en wensen binnen de woningmarkt. In de afgelopen jaren is de vraag naar nieuwbouwwoningen aan veranderingen onderhevig geweest en is de gemeente tot het standpunt gekomen dat er weer voldoende vraag is vanuit de markt om een nieuwbouwontwikkeling te realiseren. Er is een behoefte ontstaan aan meer diversiteit qua woningen op kleinere kavels. Dit is de aanleiding geweest om een nieuw stedenbouwkundig plan te laten opstellen en in een actuele juridisch-planologische regeling te vervatten. De woningbouwlocatie is gelegen binnen het plangebied van het vigerende bestemmingsplan ''Stedelijk gebied, woningbouwlocatie Hulsel'', vastgesteld d.d. 17 december 2019.

Het doel van dit bestemmingsplan is het bieden van een actueel bestemmingsplan op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan biedt de ruimte voor de verwachtingen in de komende tien jaar.

1.2 Plangebied

Het plangebied ligt ten noorden van de kern Hulsel en bevindt zich deels op het huidige sportcomplex. Onderstaande afbeelding geeft de luchtfoto van het plangebied weer, tevens is de plangrens van voorliggend bestemmingsplan ingetekend.

afbeelding "i_NL.IMRO.1667.BPHwoon4007-ONH1_0001.jpg"

LUCHTFOTO PLANGEBIED

De gronden zijn kadastraal bekend gemeente Reusel-De Mierden, sectie K, nummers 1522 (gedeeltelijk), 1545, 1546, 1632 (gedeeltelijk) en 1633. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 18.750 m². De gronden zijn gemeentelijk eigendom.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan ''Stedelijk gebied, woningbouwlocatie Hulsel'', vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 17 december 2019. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de vigerende verbeelding. De ligging van het plangebied is aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1667.BPHwoon4007-ONH1_0002.jpg"

UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN

De woningen zijn gepland binnen de enkelbestemming 'woongebied'. Deze gronden zijn onder andere bestemd voor wonen, aan huis gebonden beroepen en bedrijven, groenvoorzieningen en speelvoorzieningen. Binnen de bestemming zijn geen bouwvlakken opgenomen. In de regels zijn voorwaarden opgenomen voor de ontwikkeling; waaronder maximaal 25 wooneenheden, maximale goothoogte 6 meter en maximale bouwhoogte 10 meter.

Ter plaatse van het plangebied gelden verder de enkelbestemmingen 'Groen' (onder andere bestemd voor groenvoorzieningen, paden, straatmeubilair en nutsvoorzieningen) en 'Verkeer' (onder andere bestemd voor wegen, straten, voet- en rijwielpaden en parkeervoorzieningen).

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plan opgenomen.

2.1 Inleiding

Middels onderhavig bestemmingsplan wordt de nieuwe ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk gemaakt. Er is een stedenbouwkundig plan opgesteld met daarin de huidige woningbehoefte opgenomen. Om in te kunnen spelen op de steeds in beweging zijnde woningmarkt, is in dit bestemmingsplan echter gekozen voor een relatief flexibele bebouwingsregeling binnen de bestemming 'Woongebied', die aan het plangebied wordt toegekend.

Onderhavig bestemmingsplan gaat niet uit van bouwvlakken waarmee de verkaveling vastligt. Mocht de behoefte bestaan, kan er geschoven worden met percelen dan wel woningen. Hierdoor zal wellicht verdichting plaatsvinden op enkele locaties binnen het plangebied. Het maximum woningaantal is wel vastgelegd in dit bestemmingsplan. Met betrekking tot het inrichtingsplan van de woningbouwlocatie (zie volgende paragraaf en bijlage 1) wordt een beeldkwaliteitsplan opgesteld, zie paragraaf 2.3. In de volgende paragraaf wordt het stedenbouwkundig plan besproken.

2.2 Woningbouwontwikkeling

Voor de woningbouwontwikkeling wordt aangehaakt bij de situatie en structuren die in het vigerende bestemmingsplan zijn opgenomen.

De geplande groenstructuur, in het midden van het plangebied, wordt vervangen door een langwerpige groenstructuur, waardoor ten noorden van de ontwikkellocatie plek vrij komt voor extra woningen. Daarnaast zijn de woningbouw aantallen en typen aan weerszijden van het nieuwe woongebiedje iets aangepast waarmee beter aansluiting wordt gevonden bij de behoefte. Verder zal de beoogde nieuwe situatie aan de zuidzijde ten opzichte van de geplande situatie ongewijzigd blijven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1667.BPHwoon4007-ONH1_0003.png"

INRICHTING WONINGBOUWLOCATIE HULSEL

De filosofie achter de opzet van deze nieuwe situatie, is dat ter plaatse meer woningen ingepast kunnen worden, passende bij de veranderde vraag naar woningen en met het oog op het behouden van de kwaliteit. De nieuwe bewoners blijven op groene gebieden uitkijken. Dit heeft gezondheidstechnisch een aantoonbaar positieve invloed. Bijna alle woningen kijken uit op de brink met een doorkijk naar het sportpark.

2.2.1 Bebouwing en functies

Het programma van de woningbouwontwikkeling is behoorlijk vrij, waarin desalniettemin wordt ingezet op een combinatie van 34 wooneenheden in de koop- en huursector. Aan de brink worden voornamelijk de rijwoningen gesitueerd om er voor te zorgen dat er veel ruimte rond de woningen blijft ondanks de dichtere bebouwingsdichtheid. Aan de randen van het gebied zijn de tweekappers en vrijstaande woningen gepland zodat deze een goede overgang vormen naar de omliggende bestaande woningen. Daarnaast biedt het initiatief ruimte voor patiowoningen.

2.2.2 Verkeer en parkeren

Parkeren

Binnen de woningbouwontwikkeling wordt gekozen voor een gemengd parkeerprogramma waarin een combinatie aanwezig is van langsparkeren en parkeerkoffers. Bij de uitwerking van het plan wordt rekening gehouden met de parkeernorm van de verschillende typen woningen.

Binnen het plangebied dienen 54 tot 63 parkeerplaatsen gerealiseerd te worden op basis van het woningbouwprogramma, zoals nu in de inrichtingstekening is opgenomen. Omdat het precieze programma nog niet bekend is heeft de stedenbouwkundige met het parkeertechnisch worst-case scenario (tweekappers met veel inritten) de parkeerplaatsen ingetekend. Daarmee konden 45 parkeerplaatsen in het openbaar gebied worden gerealiseerd.

Naast de parkeerplaatsen in de openbare ruimte worden ook parkeerplaatsen op eigen perceel gerealiseerd. Bij een tweekappers dient 1 parkeerplaats op eigen perceel te worden gerealiseerd. Bij vrijstaande woningen 2 parkeerplaatsen.

Bij een combinatie van vrijstaande woningen, tweekappers en rijwoningen kan daarmee zeker voldaan worden aan de parkeernorm.

De parkeervoorziening bij het bestaande clubgebouw naast de sportvelden wordt niet meegenomen als "dubbelgebruik". Dit om te voorkomen dat automobilisten op drukke momenten in de berm van de Kanten gaan parkeren

Verkeer

Het verkeer van de nieuwe woningen wordt via de Kanten en Kerkekkers/Kerkweg ontsloten op de centrale ontsluitingsweg Willibrordlaan. Het verkeer zal zich vanuit het plangebied naar 2 zijden verdelen door de ligging van de centrale parkeerplaats midden tussen de Kanten en de Kerkweg. Beide wegen kunnen de toename van het aantal verkeersbewegingen zonder hinder te veroorzaken verwerken.

2.2.3 Groen en water

Binnen de woningbouwontwikkeling blijven de woonblokken verbonden door groen. De groene structuren die reeds aanwezig zijn, blijven binnen de nieuwe situatie behouden. Slechts de groenstructuur in het midden van het plangebied wordt vervangen door een langwerpige groenstructuur. Alle woningen blijven gelegen aan een groene ruimte (middengebied), waardoor een groene en ruime uitstraling behouden blijft. Binnen de woningbouwontwikkeling wordt geen nieuw oppervlaktewater aangebracht, wel wordt een waterberging gerealiseerd in het middengebied van het plan. Bij hevige regenval kan tijdelijk de groenzone oppervlaktewater bevatten. De bestaande sloten aan de zuid- en oostzijde van het plangebied blijven behouden.

De bestaande groenstrook met sloot achter de bestaande woningen blijft gehandhaafd binnen het planvoornemen. Uitgangspunt is dat deze strook beheersmatig goed toegankelijk blijft. Vanuit oogpunt Flora en Fauna is het wenselijk om bestaande groenstrook te behouden.

2.3 Beeldkwaliteitplan

De kwaliteit van een stedenbouwkundige ruimte wordt bepaald door de samenhang van de inrichting van de openbare ruimte en de inrichting van de aangrenzende particuliere percelen. Een kwalitatief goede gemeenschappelijke ruimte is ook winst voor het individu. Een mooi huis in een fraaie straat heeft meerwaarde. In bijlage 2 is het Beeldkwaliteitplan uit het vigerende bestemmingplan opgenomen. Hierin zijn de beschrijvingen en beelden opgenomen van de gewenste kwaliteit binnen het plangebied. Voor de herziening van de woningbouwlocatie in Hulsel, wordt geen nieuw Beeldkwaliteitsplan opgesteld, omdat de gewenste beeldkwaliteit niet is gewijzigd. De beeldkwaliteit van de architectuur van de nieuwe situatie dient te voldoen aan de beeldkwaliteit zoals beschreven in het Beeldkwaliteitsplan van het bestemmingplan 'Stedelijk gebied, woningbouwlocatie Hulsel''.

2.4 Duurzame en gezonde leefomgeving

Een duurzame en gezonde leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van mens en natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen, technologische doorbraken en politieke onzekerheid. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in energietransitie en klimaatbestendigheid.

2.4.1 Energietransitie

Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld.

Onderhavig plan draagt op de volgende wijzen bij aan de energietransitie:

  • de woningen worden 'aardgasvrij' gebouwd;
  • de oriëntatie van de woningen is geoptimaliseerd voor zonne-energie (zongericht verkavelen).
2.4.2 Klimaatbestendigheid

Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden langer, heter en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling.

Onderhavig plan voorziet hier op de volgende wijze in:

  • waterberging op eigen terrein en op het middenterrein van het plangebied;
  • groene / bruine daken;
  • zo min mogelijk verharding / halfverharding;
  • aantrekkelijk verblijfsklimaat voor de gebruikers, gebiedseigen planten en dieren;
  • groen / bomen aanleggen ten behoeve van opname van stikstof en CO2, het vast houden van water en het tegengaan van hittestress;
  • goede langzaam verkeersnetwerken;

Hoofdstuk 3 Beleid

In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende provinciale en gemeentelijk beleid. Binnen het plangebied zijn reeds 25 woningen bestemd. De negen extra woningen passen beleidsmatig nog steeds binnen het in het vigerend bestemmingsplan reeds beoordeelde beleid. Het toevoegen van de extra woningen binnen het bestaand stedelijk gebied heeft provinciaal slechts invloed op de Ladder voor Duurzame verstedelijking.

Daarnaast is de toevoeging van de woningen getoetst aan het gemeentelijk woningbouwbeleid.

3.1 Besluit ruimtelijke ordening: Ladder voor Duurzame Verstedelijking

Met het doel de ruimte zorgvuldig en duurzaam te gebruiken, is de Ladder voor Duurzame Verstedelijking opgesteld. Deze is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (versie 1 juli 2017). Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden aangetoond dat deze voorzien in een behoefte, en moet - in geval van de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt - een motivering worden opgenomen waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

De woningbouwontwikkeling te Hulsel staat in voorliggend bestemmingsplan in totaal 34 woningen toe. Binnen het geldende bestemmingsplan is de bouw van 25 woningen toegestaan. Dit betekent een toename van negen extra wooneenheden ten opzichte van de reeds bestemde woningen. Het planvoornemen valt hierdoor officieel niet onder de definitie van 'stedelijke ontwikkeling' (artikel 1.1.1 lid 1 sub i van het Bro).

Hierna is wel onderbouwd waarom deze extra woningen voorzien in de woningbehoefte in Hulsel.

De toevoeging van deze extra woningen speelt in op de woonbehoefte die er in de kern Hulsel is. Er bestaat namelijk een behoefte aan twee-onder-een-kapwoningen, rijwoningen, vrijstaande woningen en seniorenwoningen onder de bevolking van Hulsel zowel in de koop- als (sociale) huursector. Met dit herziene bestemmingsplan worden meer van dit type woningen mogelijk gemaakt, waardoor meer flexibiliteit ontstaat en aan de woonwensen van de bewoners wordt voldaan.

De toevoeging van deze extra woningen sluit daarnaast beter aan bij de toenemende vraag naar woningen in de regio. Voor de gemeente Reusel-De Mierden ligt een actuele vraag naar 730 woningen voor de periode 2019 tot en met 2029. Met de toevoeging van negen extra wooneenheden en de vergroting van de diversiteit van de woningen voldoet het bestemmingsplan aan de actuele regionale woningbouwbehoefte en past dit binnen de eisen gesteld in het regionaal beleid en de Kempische visie op wonen 2019-2023 (zie paragraaf 3.2).

Met deze ontwikkeling wordt ook tegemoet gekomen aan de actielijnen en richtinggevende principes zoals genoemd in het beleidsstuk 'Brabantse Agenda Wonen', waarvan eerst inbreiden en indien niet anders mogelijk dan pas uitbreiden een belangrijk principe is. Alle extra woningen worden binnen het provinciaal aangeduide bestaand stedelijk gerealiseerd.

Elders binnen het bestaand stedelijk gebied van Hulsel zijn geen locaties meer aanwezig waarin op een kwalitatief goede manier kan worden voorzien in de relatief grote woningbehoefte in de kern Hulsel.

Conclusie
Het initiatief voldoet aan het Besluit ruimtelijke ordening voor wat betreft het aspect Ladder voor Duurzame Verstedelijking.

3.2 Kempische visie op wonen 2019-2023

Op 12, 21 en 28 maart 2019 hebben de gemeenteraden van Bladel, Bergeijk, Eersel en Reusel-De Mierden de Kempische visie op wonen 2019-2023 vastgesteld.

In deze visie worden vijf speerpunten genoemd voor de regionale woningmarkt:

1. Versnellen van de bouwproductie, op een zorgvuldige manier

2. Behoud voor betaalbaar wonen

3. Zorg voor elkaar faciliteren

4. Klaar voor de toekomst

5. Werken en wonen

Gelet op de huidige druk op de woningmarkt is er behoefte aan nieuwe woningen. In de basis streven we er naar om nieuwe woningen primair binnen bestaand stedelijk gebied te ontwikkelen. Echter binnen bestaand stedelijk gebied van Hulsel zijn geen locaties meer aanwezig waarin op een kwalitatief goede manier kan worden voorzien in de relatief grote woonbehoefte in Hulsel. Middels dit bestemmingsplan kan hierin wel worden voorzien.

Middels dit bestemmingsplan wordt tegemoetgekomen aan de vraag naar een diversiteit van woningen. Middels dit bestemmingsplan wordt flexibiliteit geboden voor de realisatie van diverse woningen.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling past hiermee binnen de Kempische visie op wonen 2019-2023.

3.3 Beleidsregel beoordeling woningbouwinitiatieven

De gemeente Reusel-De Mierden heeft haar beleid ten aanzien van woningbouwinitiatieven vastgelegd in de "Beleidsregels beoordeling woningbouwinitiatieven". De gemeenteraad heeft deze beleidsregels vastgesteld op 22 mei 2018. Op 15 december 2020 heeft de raad deze voor het laatst gewijzigd.

In het beleid van de gemeente gelden verschillende eisen waar woningbouwinitiatieven aan moeten voldoen. Het initiatief moet passen binnen de uitgangspunten en randvoorwaarden van provinciale en gemeentelijke kaderstellende documenten. Deze beleidsregels gelden voor alle initiatieven om woonruimte toe te voegen, niet passend binnen het geldende bestemmingsplan, zoals nieuwbouw, transformatie (functieverandering naar woningbouw) en woningsplitsing. Initiatiefnemers worden gestimuleerd om kwalitatief goede plannen te ontwikkelen met een toekomstbestendig woningaanbod of sociale woningbouw.

De volgende plannen hebben hierbij de voorkeur:

  • Plannen die een aantoonbare maatschappelijke meerwaarde bevatten krijgen de voorkeur boven andere plannen. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om plannen die een oplossing bieden voor ongewenste situaties (ruimtelijk, milieutechnisch, verkeerstechnisch etc.).
  • Plannen gericht op het toevoegen van duurzame woningen krijgen de prioriteit boven andere plannen. Het kan hierbij gaan om:
  • woningen die voldoen aan nul-op-de-meter;
  • het toepassen van duurzame en/of innovatieve energieopwekkende c.q.-besparende maatregelen, zoals zonnepanelen en aardwarmte.
  • Plannen die de ontwikkeling van levensloopbestendige woningen (of wonen met zorg) beogen, krijgen de voorkeur boven andere plannen.
  • Plannen die de ontwikkeling van sociale woningbouw beogen (sociale huur en/of sociale koop) krijgen de voorkeur boven andere plannen.

Voorliggend plan zorgt meer diversiteit qua woningen op kleinere kavels. Hiermee kan worden voldaan aan de vraag van toekomstbestendige woningen.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling past hiermee binnen de Beleidsregel beoordeling woningbouwinitiatieven.

3.4 Nota impuls sociale woningbouw

Op 15 december 2020 heeft de raad de Nota Impuls sociale woningbouw vastgesteld, die op 1 januari 2021 in werking is getreden. Het doel van deze nota is om betaalbaar wonen in de gemeente Reusel-De Mierden te behouden en te stimuleren. We streven hierbij gemeentebreed naar gemiddeld 40% sociale woningbouw. Hierbij kijken we of en hoe het plan bijdraagt aan onze ambities ten aanzien van sociale woningbouw, zoals is vastgelegd in de Kempische visie op Wonen 2019-2023 en de beleidsregels beoordeling woningbouw-initiatieven. Als een bouwplan niet kan voorzien in voldoende sociale woningen vragen wij initiatiefnemers om een afdracht aan het Vereveningsfonds Sociale Woningbouw te doen.

Met de toevoeging van negen kleinere kavels wordt tegemoetgekomen aan de vraag van betaalbaar wonen.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling past hiermee binnen de Nota impuls sociale woningbouw.

3.5 Beleidsplan openbaar groen 2022-2031

Op 16 november 2021 heeft de gemeenteraad het Beleidsplan 'Groen op de kaart', openbaar groen 2022-2031' vastgesteld. Het Beleidsplan verwoorden de gemeentelijke groenvisie en beschrijven de kaders voor het gemeentelijk groen en bieden zodoende duidelijkheid over groene vraagstukken aan zowel de samenleving als de eigen interne organisatie.

Het Beleidsplan openbaar groen kent de volgende centrale doelen:

  • Het formuleren van een integrale visie, ambities en doelen voor inrichting, gebruik en beheer van het gemeentelijk openbaar groen.
  • Het ruimtelijk vertalen en op kaart vastleggen van de visie op het groen.
  • Het aanwijzen van het belang, de betekenis en de functies van het groen.
  • Het aanduiden van kansen voor versterking en ontwikkeling van de groenstructuur.
  • Het vastleggen van het beleid (inclusief bijbehorende middelen) en ruimtelijk-functionele vertrekpunten voor inrichting, beheer en bescherming van groen en bomen. Deze zijn gekoppeld aan actuele thema’s – zoals klimaatadaptatie en biodiversiteit – en specifieke vraagstukken in het groen.

Relevant voor voorliggend plan is de volgende afspraak:

Minimaal het huidige groenareaal behouden en de ambitie om dit areaal te vergroten, waarbij het gemeentelijk kengetal van 75 m2 per woning en 0,6 boom per inwoner geldt als minimum.

Het oppervlakte groen in het stedenbouwkundig plan bedraagt circa 5.400 m2.

Uitgaande van 34 woningen betekent dit dat er circa 5400/34 = 159 m2 groen per woning in het plan aanwezig is.

Rekeninghoudend met 34 woningen x 2,14 bewoners per woning x 0,6 bomen per bewoner = 45 bomen. Deze 45 bomen worden geplant. 37 bomen worden binnen de groene zones geplant en met 8 bomen zal de bestaande groenzone worden versterkt. Hiermee wordt voldaan aan de afspraken uit het beleidsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1667.BPHwoon4007-ONH1_0004.png" BOMENPLAN

Hoofdstuk 4 Uitvoeringsaspecten

Ten behoeve van het geldende bestemmingsplan "Stedelijk gebied, woningbouwlocatie Hulsel" zijn diverse milieuaspecten reeds onderzocht. De aanpassingen aan de situering en de toevoegingen van enkele woningen hebben op de meeste milieuaspecten geen milieuhygiënische consequenties. De wijzigingen leiden niet tot geheel nieuwe situaties ten opzichte van de vigerende bouwmogelijkheden.

De wijziging van de stedenbouwkundige verkaveling en toevoeging van enkele woningen heeft wel consequenties voor uitvoeringsaspecten stikstof, water en geluid (wegverkeerslawaai en industrielawaai) en lichthinder. Deze uitvoeringsaspecten zijn hierna uitgebreider beschreven. Voor de volledigheid zijn ook de andere aspecten kort benoemd.

4.1 Bodem

Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan, waartoe deze onderbouwing behoort, een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Zo mag een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem en mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet.

4.1.1 Analyse

Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit sportvelden. Het initiatief omvat daar een bestemmingswijziging naar de gevoeliger functie 'Wonen'. Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) voor deze gronden is noodzakelijk.

Om de bodemkwaliteit inzichtelijk te maken heeft Econsultancy uit Swalmen een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd: rapport "Verkennend bodemonderzoek Kanten te Hulsel" (23 mei 2019, 9028.001), bijgevoegd in bijlage 3.

4.1.2 Conclusie

Het aspect bodemkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

4.2 Bedrijven en milieuzonering

4.2.1 Inleiding

Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:

  • de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op omliggende milieugevoelige objecten (woningen etc.) en of de voorgenomen ontwikkeling een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende inrichtingen;
  • bestaande milieubelastende inrichtingen (bedrijven) van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.

4.2.2 Analyse

Invloed plan op de omgeving
Het plan betreft woningbouw. Er is derhalve geen sprake van milieutechnische uitstraling op de omgeving.

Invloed omliggende inrichtingen op plan

Direct ten noorden van het plangebied liggen de sportvelden van de voetbalvereniging. Deze sportvelden zorgen voor mogelijk geluid en lichthinder voor de woningen binnen het plangebied. De richtafstand tot sportvelden bedraagt 50 meter.

De nieuwe woningen worden op grotere afstand van de sportvelden gerealiseerd. Op de nieuwe woningen zal daarmee geen slechtere akoestische en lichthinder situatie ontstaan. Hierna zijn de aspecten beschreven.

Industrielawaai

Uit het akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd door Econsultancy uit Swalmen: rapport "Akoestisch onderzoek industrielawaai sportvelden te Hulsel" (7 augustus 2019, 9028.008) bijgevoegd in bijlage 4, wordt geconcludeerd dat:

  • De realisatie van woningen op deze locatie volgens huidig ontwerp leidt tot een overschrijding van de grenswaarde in de dagperiode voor het maximale geluidniveau ter plaats van meerdere woningen als gevolg van het gebruik van scheidsrechtersfluitjes op het hoofdveld. De niveaus treden met name op wanneer de scheidsrechtersfluit op korte afstand tot de woningen wordt gebruikt. De meest effectieve maatregel is het voorschrijven van een stillere variant van het fluitje. Het treffen van afschermende maatregelen wordt als niet doelmatig gezien.

Lichthinder

Sinds de vaststelling van het voorgaande bestemmingsplan is de situatie ten aanzien van de lichthinder gewijzigd. Waar in het vigerend bestemmingsplan nog uitgegaan werd van lichthinder bronnen direct aansluitend aan de nieuwbouwontwikkeling zijn de lichtmasten geplaatst rond de trainingsvelden. Daarmee is de afstand van de woningen tot de lcihtmasten ca. 90 meter. Door de grote afstand is er geen lichthinder te verwachten. De voetbalclub heeft daarnaast aangegeven dat in de toekomst geen wijziging van deze situatie is te verwachten.

4.2.3 Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan. Mogelijke hinder kan met maatregelen aan de bron worden weggenomen.

4.3 Geluid

4.3.1 Inleiding

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.

4.3.2 Analyse

Het plan omvat nieuwe geluidgevoelige objecten. Ten opzichte van de vigerende bouwmogelijkheden omvat de beoogde ontwikkeling negen nieuwe geluidgevoelige objecten, waarbij het plan in totaal 34 geluidgevoelige objecten omvat. De nieuwe geluidgevoelige objecten zijn gelegen aan de noordzijde van het plangebied.

Verkeerslawaai
Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van de wegen Kanten en Kerkweg. Middels een akoestisch onderzoek is onderzocht wat de geluidsbelasting is op de nieuwe woningen. Daaruit volgen eventueel te nemen maatregelen om een goed binnenniveau te krijgen. In het onderzoek zijn ook de omliggende 30 km/uur wegen meegenomen in het kader van de beoordeling van een goed woon-en leefklimaat.

Voor de 25 geluidgevoelige objecten in het plangebied, zoals omschreven in het vigerende bestemmingsplan, is het verkeerslawaai inzichtelijk gemaakt. Econsultancy uit Swalmen heeft een akoestisch onderzoek wegeverkeerslawaai uitgevoerd: rapport "Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai nieuwbouwwoningen te Hulsel" (25 juli 2019, 9028.002 D2). Zie bijlage 5.

Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat er vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen zijn voor de realisatie van 25 woningen. Ook de toevoeging van negen nieuwe woningen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan zal vanuit akoestisch perspectief wederom tot geen belemmeringen leiden. De negen nieuwe woningen worden niet dichter bij de weg binnen het plangebied en de gezoneerde delen van de Kanten en Kerkweg gerealiseerd dan de reeds geplande woningen, waardoor ook voor deze nieuwe woningen de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting niet wordt overschreden. Voor de volledigheid van de onderbouwing is het rapport in bijlage 5 bijgevoegd.

Er gelden, rekening houdend met de huidige indeling, vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.

4.3.3 Conclusie

Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

4.4 Externe veiligheid

4.4.1 Inleiding

Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies is het aspect externe veiligheid van belang. Dit heeft betrekking op inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit.

4.4.2 Analyse

Het plan omvat 9 nieuwe kwetsbare objecten binnen het reeds bestemde woongebied. De externe veiligheidssituatie zal hetzelfde zijn voor deze nieuwe woningen als voor de reeds bestemde woningen, daarom is hierna de bestaande onderbouwing uit het vigerende bestemmingsplan opgenomen

De Risicokaart Nederland geeft een overzicht van de ligging van risicovolle activiteiten (inrichtingen, buisleidingen en transportroutes).
Op de Risicokaart is te zien dat in de omgeving van het plan geen risicovolle activiteiten worden uitgevoerd. Een nadere toetsing aan het aspect externe veiligheid is niet aan de orde.

afbeelding "i_NL.IMRO.1667.BPHwoon4007-ONH1_0005.jpg"

RISICOKAART PLANGEBIED

4.4.3 Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

4.5 Geurhinder veehouderijen

4.5.1 Inleiding

Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.

4.5.2 Analyse

Middels onderhavig bestemmingsplan worden geen bedrijven of intensieve veehouderijen mogelijk gemaakt, enkel woningen. Binnen het plangebied worden geen activiteiten toegestaan die geurhinder op de omgeving kunnen veroorzaken.

Het plangebied ligt in de omgeving van diverse intensieve veehouderijen. Op de kaart van de geurvisie uit 2012 liggen de geurcontouren net buiten de geplande woonpercelen. Middels een geuronderzoek is in 2019 onderzocht of er een belemmering is voor voorliggende ontwikkeling.

Het plan omvat 9 nieuwe gevoelige objecten binnen het reeds bestemde woongebied. De geursituatie zal hetzelfde zijn voor deze nieuwe woningen als voor de reeds bestemde woningen, daarom is hierna de bestaande onderbouwing uit het vigerende bestemmingsplan opgenomen.

Om de geurkwaliteit inzichtelijk te maken heeft Econsultancy uit Swalmen een geuronderzoek uitgevoerd: rapport "Onderzoek geurhinder veehouderijen nieuwbouwwoningen te Hulsel" (22 mei 2019, 9028.004), bijgevoegd in bijlage 6. Econsultancy concludeert daarin dat:

  • op basis van de berekende voorgrondbelastingen geconcludeerd wordt dat er geen overschrijdingen van de geurnorm van 5,0 ouE/m³ plaatsvinden ten gevolge van de veehouderijen. De maximale geurbelasting bedraagt 3,1 ouE/m³ voor het plangebied. Het percentage geurgehinderden blijft beperkt tot 8,7%. Op basis van het percentage geurgehinderden en de GGD-richtlijn kan gesteld worden dat de milieukwaliteit ten gevolge van de afzonderlijke veehouderijen goed zal zijn;
  • de achtergrondbelasting ter plaatse van het plan varieert van 6,7 tot 8,1 ouE/m³. Met een maximale achtergrondbelasting van 8,1 ouE/m³ wordt volgens de gemeentelijke verordening een optimaal woon- en leefklimaat gerealiseerd voor kernrandzones. Het percentage geurgehinderden blijft beperkt tot 10,6%. Op basis van het percentage geurgehinderden en de GGD-richtlijn kan gesteld worden dat de milieukwaliteit ten gevolge van de gezamenlijke veehouderijen redelijk goed zal zijn.

Op basis van het geuronderzoek wordt door Econsultancy geconcludeerd dat voor de realisatie van het plan geen beperkingen gelden. Ter plaatse van de geurgevoelige locaties wordt voldaan aan de Wet geurhinder en veehouderijen, de gemeentelijke verordening en gebiedsvisie. De bestaande veehouderijen worden door de realisatie van het plan niet beperkt en ter plaatse van het plan geldt een goed woon- en leefklimaat.

4.5.3 Conclusie

Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.

4.6 Volksgezondheid

4.6.1 Inleiding

Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid.

Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor bij de uitbreiding van veehouderijen of een ontwikkeling van milieugevoelige functies in de omgeving van veehouderijen. Het betreft specifiek de aspecten endotoxinen en geitenhouderijen. In deze paragraaf wordt het plan aan deze aspecten getoetst.

Het plan omvat 9 nieuwe gevoelige objecten binnen het reeds bestemde woongebied. De gezondheidssituatie zal hetzelfde zijn voor deze nieuwe woningen als voor de reeds bestemde woningen, daarom is hierna de bestaande onderbouwing uit het vigerende bestemmingsplan opgenomen.

4.6.2 Endotoxinen

Endotoxinen zijn bouwstenen van bepaalde bacteriën die een toxisch effect op de mens kunnen hebben en tot gezondheidsklachten kunnen leiden. Endotoxinen komen vaak voor in fijnstof van intensieve veehouderijen. De Gezondheidsraad hanteert een advieswaarde van 30 endotoxine-eenheden per kubieke meter (EU/m³) voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht over een langere periode. Omdat thans nog een toetsingskader wordt voorbereid, wordt voor de beoordeling de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingkader 1.0" gehanteerd. Daarin zijn afstandsgrafieken opgenomen voor de relevante diersoorten vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens gerelateerd aan de fijnstofemissie. In algemene zin kan worden gesteld dat het effect van endotoxinen tot maximaal 250 meter van veehouderijen plaatsvindt.

Analyse
Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten (woningen). Onderstaande tabel bevat een overzicht van de agrarische bedrijven op een afstand van minder dan 600 meter van het plangebied

veehouderij   diersoort   fijnstofemissie
(kg/jr)  
adviesafstand
(30 EU/m³ *)  
werkelijke afstand  
Reuselsedijk 5, Hulsel   Vleesvarkens (60)   6   10 meter   600 meter  
*) conform afstandsgrafiek in bijlage 2 van de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingkader 1.0"  

De werkelijke afstand tot de relevante intensieve veehouderijen bedraagt meer dan de afstand bijhorende bij de advieswaarde van 30 EU/m³. Er is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van endotoxinen.

4.6.3 Geitenhouderijen

Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid.

Analyse
Uit een eerste analyse is gebleken dat in een straal van 2 km rondom het plangebied twee geitenhouderijen gevestigd zijn, zie onderstaande afbeelding.

Op circa 700 meter van het initiatief is een geitenhouderij gesitueerd op het adres Molendijk 2 te Hulsel. Op circa 1300 meter van het initiatief is een geitenhouderij gesitueerd op het adres Molendijk 10 te Hulsel. Op basis van verschillende onderzoeken (zie bovenstaand) is aangetoond dat er verhoogde gezondheidsrisico's zijn wanneer ín de nabijheid van een geitenhouderij gewoond wordt. Dit moet in overweging worden meegenomen bij de besluitvorming over het bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1667.BPHwoon4007-ONH1_0006.jpg"

GEITENHOUDERIJEN IN EEN STRAAL VAN 2 KM RONDOM HET PLANGEBIED

4.6.4 Conclusie

Het aspect volksgezondheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

4.7 Luchtkwaliteit

4.7.1 Inleiding

Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

4.7.2 Analyse

Het plan omvat 9 nieuwe gevoelige objecten binnen het reeds bestemde woongebied. De luchtkwaliteitssituatie zal hetzelfde zijn voor deze nieuwe woningen als voor de reeds bestemde woningen, daarom is hierna de bestaande onderbouwing uit het vigerende bestemmingsplan opgenomen.

Effecten plan op luchtkwaliteit
In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen.

Onderhavig plan omvat 25 woningen en betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig.

Goed woon- en leefklimaat

In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn daarom alleen de volgende criteria van toepassing:

  • 40 µg/m3 jaargemiddelde concentratie NO2;
  • 40 µg/m3 jaargemiddelde concentratie PM10;
  • 25 µg/m3 jaargemiddelde concentratie PM2,5;
  • 35 overschrijdingsdagen per jaar van de gemiddelde concentratie PM10.

Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit wordt alleen gekeken naar luchtverontreiniging van verkeer op wegen in de omgeving.

In het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is door diverse bronbeheerders zoals gemeenten, provincies en Rijkswaterstaat de Monitoringstool ingevoerd. Uit de resultaten van de Monitoringstool blijkt dat op deze locatie in de jaren 2012, 2015 en 2020 aan bovengenoemde grenswaarden (jaargemiddelde en overschrijdingsdagen) voor PM10 en NO2 wordt voldaan.

Uit de monitoringstool volgt dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

4.7.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

4.8 Spuitzone

4.8.1 Inleiding

ln het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits híeraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen (bronmaatregelen zoals driftarme spuitdoppen) of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag.

4.8.2 Analyse

Het plan omvat 9 nieuwe gevoelige objecten binnen het reeds bestemde woongebied. De spuitzonesituatie zal hetzelfde of beter zijn voor deze nieuwe woningen als voor de reeds bestemde woningen, daarom is hierna de bestaande onderbouwing uit het vigerende bestemmingsplan opgenomen.

In de directe omgeving (binnen 50 meter) van het plangebied is geen agrarische bedrijvigheid aanwezig waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Een nadere toetsing aan het aspect spuitzone is niet aan de orde.

4.8.3 Conclusie

Het aspect spuitzone vormt geen planologische belemmering voor het plan.

4.9 Archeologie

4.9.1 Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.

4.9.2 Analyse

Het plangebied wijzigt niet, daarom is de onderbouwing uit het vigerende bestemmingsplan hierna opgenomen.

Het plangebied ligt deels in een zone met een middelhoge/hoge archeologische verwachtingswaarden. Er gelden verschillende zones met verschillende vrijstellingen voor onderzoek: dubbelbestemming 3 (groter dan 250 m² en een diepte van meer dan 0,3 m onder maaiveld), dubbelbestemming 4.2 (groter dan 500 m² en een diepte van meer dan 0,5 m onder maaiveld), dubbelbestemming 5.2 (groter dan 2.500 m² en een diepte van meer dan 0,5 m onder maaiveld). Het initiatief overschrijdt deze grenzen. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek door een gespecialiseerd bureau is derhalve noodzakelijk.

Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006).

Bij gebieden met meerdere verwachtingen geldt de hoogste verwachting voor het gehele plangebied. In deze gebieden dient bij planvorming en voorafgaand aan vergunning-verlening bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van projectgebieden die groter zijn dan 250 m² en dieper gaan dan 0,3 m onder maaiveld er vroegtijdig een inventariserend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.

Vanwege de verwachting van het plangebied en de onderzoeken die in de buurt zijn uitgevoerd heeft er overleg plaats gevonden met de adviseur van de bevoegde overheid over de te volgen strategie voor het plangebied. Zij heeft aangegeven dat er direct een proefsleuvenonderzoek binnen het plangebied uitgevoerd dient te worden. Voor dat proefsleuvenonderzoek dient eerst een Programma van Eisen te worden opgesteld.

Door Econsultancy uit Swalmen is : de rapportage 'Programma van eisen archeologisch proefsleuvenonderzoek Kanten te Hulsel' opgesteld (5 juli 2019, nr. 9028.005). Het programma van eisen is als bijlage 7 bijgevoegd. In het rapport heeft Econsultancy de onderzoeksstrategie beschreven.

In het onderzoeksgebied worden verspreid in een dambord patroon 18 proefsleuven aangelegd van 20 x 4 meter. Hiermee wordt 1.440 m2, ongeveer 8% van het onderzoeksgebied onderzocht. Op deze wijze wordt verwacht dat er goede uitspraken gedaan kunnen worden over de aanwezigheid en kwaliteit van archeologische waarden. Met de ligging van de proefsleuven is rekening gehouden met de landschappelijke situatie (overgang lage dekzandruggen naar lage zandgronden naar beekdal).

Het bevoegd gezag is akkoord gegaan met het programma van eisen.

4.9.3 Conclusie

Voor het aspect archeologie is nog niet bekend of dit een planologische belemmering voor het plan vormt, hiervoor dient eerst het proefsleuvenonderzoek te worden uitgevoerd.

4.10 Cultuurhistorie

4.10.1 Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.

4.10.2 Analyse

Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Het plan tast geen waardevolle elementen aan.

4.10.3 Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

4.11 Milieueffectrapportage

4.11.1 Inleiding

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Andere activiteiten zijn in principe niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig.

4.11.2 Analyse

Het plan valt onder de activiteit D11.2 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) zoals genoemd in de bijlage Besluit milieueffectrapportage. Het plan is niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig. Aan de hand van de onderstaande toetsingscriteria (conform bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn) vindt hiervan een motivering plaats:

  • 1. kenmerken van het project;
  • 2. plaats van het project;
  • 3. kenmerken van het potentiële effect.

ad 1.   Op de woningbouwlocatie worden 9 woningen toegevoegd aan de reeds bestemd 25 woningen, waarmee ruimschoots onder de drempelwaarde van de activiteit D11.2 gebleven wordt.  
ad 2.   In de nabije omgeving van het plangebied liggen geen gevoelige gebieden, zoals Natura 2000-gebieden, waterwingebieden, of landschappelijk of archeologisch waardevolle gebieden. Zie ook de paragrafen 4.9, 4.10, 4.12 en 4.13.  
ad 3.   Uit de paragrafen 4.1 tot en met 4.13 is gebleken dat het plan geen significante milieueffecten op de omgeving heeft.  

Voor het plan moet echter wel een vormvrije mer-procedure worden doorlopen. Voorliggende toelichting met in het bijzonder hoofdstuk 4 dient te worden beschouwd als vormvrije mer.

Tevens is een separate aanmeldnotitie opgesteld die aan het college wordt voorgelegd.

4.11.3 Conclusie

De activiteiten die mogelijk worden gemaakt in het plangebied zijn gelet op de kenmerken en de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, niet zodanig van invloed op het milieu dat een milieueffectrapportage moet worden doorlopen.

4.12 Natuurwaarden

4.12.1 Inleiding

Ten behoeve van de bescherming van natuurwaarden geldt de Wet natuurbescherming. De daarin opgenomen bescherming omvat de onderdelen:

  • gebiedsbescherming;
  • soortenbescherming;
  • bescherming van houtopstanden.

Slechts het onderdeel 'gebiedsbescherming' wijzigt ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. De nieuwe beoogde ontwikkeling omvat een groter aantal woningen dan het aantal woningen in de huidige situatie. Het betreft een toevoeging van negen woningen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Aangezien deze toename invloed kan hebben op de stikstofdepositie in en buiten een beschermd gebied, is de effectbepaling van de negen nieuwe woningen berekend.

4.12.2 Analyse

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Brabant. Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan enerzijds om verstorende effecten zoals geluid, licht en trillingen op natuurgebieden behorende tot het Natuurnetwerk Brabant en anderzijds om stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

Gezien de aard en omvang van het plan en de afstand tot Natuurnetwerk Brabant (circa 1,8 kilometer van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Kempenland-West) kan worden geconcludeerd dat de toevoeging van 9 woningen geen verstorende effecten heeft op gebieden behorende tot Natuurnetwerk Brabant.

Bijlage 8 bevat het stikstofdepositie-onderzoek waarin de gebruiksfase voor het totale plangebied is beoordeeld. Daaruit volgt dat het realiseren van de totale ontwikkeling geen significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden heeft.

Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is.

4.12.3 Conclusie

Het aspect 'natuurwaarden' vormt geen planologische belemmering voor het plan.

4.13 Waterparagraaf

4.13.1 Inleiding

Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water een sturende factor in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beide is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit en verdroging te voorkomen. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan.

Ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan is het aantal vierkante meter verhard oppervlak toegenomen. Dit resulteert in een herziening van de waterbergingsopgave.

4.13.2 Analyse

Ter beoordeling van het vigerende bestemmingsplan heeft Econsultancy uit Swalmen een watertoets uitgevoerd: rapport 'Rapportage watertoets Kanten te Hulsel' (1 augustus 2019, nr. 9028.007, D2). Voor de volledigheid van de onderbouwing is dit rapport als bijlage 9 Watertoets 2019 opgenomen.

Op basis van de nieuwe beoogde situatie zal het verhard oppervlak toenemen. In onderstaande tabel staan de oppervlakten van de huidige en toekomstige bebouwing(en) en verhardingen weergegeven.

Type verharding   Huidig verhard oppervlak (m²)   Toekomstig verhard oppervlak (m²)  
Bebouwing   -   2.320 m²  
Verharding openbaar   230 m2   4.575 m²  
Tuinen   -   2.655 m²  
Totaal   230 m2   9.550 m²  

GEGEVENS HUIDIG EN TOEKOMSTIG VERHARD OPPERVLAK

Er is door Kragten een infiltratieonderzoek uitgevoerd en oplegnotitie opgesteld waarin de nieuwe waterhuishoudkundige situatie is beschreven. De totale notitie is opgenomen als bijlage 10.

In de huidige situatie is 230 m2 verhard oppervlak binnen het projectgebied aanwezig. In de toekomstige situatie is dit 9.550 m2. Dit betekent dat het totale verhard oppervlak binnen het projectgebied toeneemt met 9.320 m2. Aangezien het toenemend verhard oppervlak niet groter is dan 10.000 m2 is geen waterhuishoudkundig plan benodigd.

Het toekomstig verhard oppervlak omvat in totaal 9.550 m2. Aan de hand van het toekomstig verhard oppervlak en de bergingseis bedraagt de waterbergingsopgave voor het plangebied in totaal circa (9.550 m2 x 0,06 m =) 559,2 m3.

Centraal binnen het plan een groene zone is voorzien. Een deel van deze zone kan ter beschikking worden gesteld voor waterberging. Verder worden er voor de woningblokken in het midden van het gebied ook kleine wadi’s aangelegd. Naast de wadi’s zijn ook enkele watergangen voorzien in het projectgebied waar hemelwater in geborgen kan worden. Deze bevinden zich aan de zuidzijde en in het midden van het projectgebied.

De verschillende bergingen zorgen ervoor dat er 566 m3 water kan worden geborgen binnen het projectgebied. Aangezien er 559,2 m3 water moet worden geborgen, is met de watergangen en wadi’s gezamenlijk voldoende hemelwaterberging binnen het projectgebied aanwezig om te voldoen aan de bergingseis.

4.13.3 Conclusie

Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding

Het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied, herziening woningbouwlocatie Hulsel' bestaat uit een verbeelding en regels die vergezeld gaan van een toelichting. De verbeelding en de regels zijn juridisch bindend.

De toelichting maakt geen onderdeel uit van het juridisch plangedeelte. Wel fungeert de toelichting als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan. Voor de bestemmingsregeling is grotendeels aansluiting gezocht bij de geldende rechten op basis van de geldende bestemmingsplannen.

5.2 Algemene toelichting verbeelding

Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een gedeelte van de informatie op de analoge verbeelding heeft geen juridische betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een topografische ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding.

5.3 Algemene toelichting regels

De regels zijn ondergebracht in een viertal hoofdstukken:

  • Hoofdstuk 1: Inleidende regels, met daarin een aantal regels die van belang zijn voor de toepassing en interpretatie van de regels in de overige hoofdstukken en de wijze van meten;
  • Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels, met daarin per bestemming onder meer een bestemmingsomschrijving, bouwregels en afwijkingsregels;
  • Hoofdstuk 3: Algemene regels, met daarin algemene bouw-, gebruiks-, afwijkings-, en procedureregels en een aantal andere min of meer standaardregels.
  • Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, met daarin het overgangsrecht en de slotregel.

Bij de totstandkoming van de regels van onderhavige bestemmingsplan is aangesloten bij de SVBP2012 en het Handboek Kempengemeenten.

5.4 Bestemmingen

Het plangebied bevat de volgende bestemmingen:

Groen

De voor ‘Groen' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor groenvoorzieningen, waaronder ook bermen en beplantingen, speelvoorzieningen, inritten, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, voorzieningen voor langzaam verkeer en tot slot nutsvoorzieningen. Nieuwe parkeerplaatsen zijn binnen de bestemming 'Groen' niet toegestaan.

Op deze gronden zijn alleen gebouwen voor voorzieningen van algemeen nut toegestaan. In de regels zijn nadere bebouwingsregels gegeven.

Verkeer

De tot ‘Verkeer' bestemde gronden zijn onder andere bedoeld voor voorzieningen voor verkeer en verblijf, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en tot slot nutsvoorzieningen. Herinrichting van de wegen is, als daar aanleiding toe is, mogelijk binnen deze bestemming.

Op deze gronden zijn alleen gebouwen voor voorzieningen van algemeen nut toegestaan. In de regels zijn nadere bebouwingsregels gegeven.

Woongebied

De voor 'Woongebied' bestemde gronden zijn onder andere bedoeld voor wonen, al dan niet in combinatie met beroepsmatige en bedrijfsmatige activiteiten. Ook toegestaan zijn inritten, tuinen, erven en verhardingen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Verder gelden voor de bestemmingsvlakken op de verbeelding de volgende uitgangspunten:

  • De woningtypologieën zijn per bestemmingsvlak aangeduid op de verbeelding.
  • Standaard wordt een minimale afstand van 3 meter tot de zijdelingse perceelsgrens aangehouden, tenzij anders in de regels opgenomen.
  • Voor hoofdgebouwen geldt een standaard diepte van 12 meter bij aaneengesloten woningen en 15 meter bij (half)vrijstaande woningen.
  • De maximale goot- en bouwhoogte zijn per bestemmingsvlak aangeduid op de verbeelding. De dakhelling mag niet meer bedragen dan 60 graden, tenzij anders aangeduid.

Het deel van het achtererfgebied binnen de bestemming 'Woongebied' (achter de achtergevel van de woning) mag voor maximaal 50% worden bebouwd tot een maximum oppervlak van 150 m2. Bij grotere percelen is een maximum oppervlak van 200 m2 toegestaan. De maximale goothoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt 3,2 meter. De maximale bouwhoogte bedraagt 5,5 meter. In de regels zijn aanvullende bouwregels opgenomen.

Binnen de bestemming zijn verschillende afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Voor het uitoefenen van een beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteit zijn specifieke gebruiksregels opgenomen. De toegestane beroepsmatige en bedrijfsmatige activiteiten zijn opgenomen in bijlage 1 Lijst van rechtstreeks toelaatbare aan huis verbonden beroepen en bedrijven bij de regels.

Mantelzorg

Met het oog op de participatiesamenleving is het Bor 1 november 20014 op diverse plaatsen aangepast om meer ruimte te maken voor mantelzorg in woningen en in bestaande of (vergunningsvrij) nieuw te bouwen bijbehorende bouwwerken. Het is niet langer meer nodig om voor mantelzorg in een vrijstaand bijgebouw een vergunning aan te vragen. Zodoende is een specifieke regeling voor mantelzorg niet meer noodzakelijk binnen het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische en financiële uitvoerbaarheid

Alle gronden gelegen in het ontwerpbestemmingsplan “Stedelijk gebied, woningbouwlocatie Hulsel” zijn in eigendom van de gemeente. De gemeente heeft daarom de volledige regie op de ontwikkeling van deze locatie. Het wettelijk kostenverhaal gaat via de uitgifte van de gronden. De opbrengsten van de grondverkopen zijn de dekking voor alle kosten die we als gemeente gaan maken bij de ontwikkeling van deze locatie. Denk daarbij aan de kosten voor de planontwikkeling, de aanleg van infrastructuur zoals riool en wegen en mogelijke planschade. Dit betekent dat er geen exploitatieplan nodig is. De gemeenteraad moet bij het vaststellen van het ruimtelijke besluit nog wel expliciet besluiten dat een exploitatieplan voor deze locatie niet noodzakelijk is.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Naast de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is het ook belangrijk dat het plan maatschappelijk uitvoerbaar is. Daarom zal een bestemmingsplanprocedure worden doorlopen. In het kader van deze procedure zal het plan ter inzage worden gelegd. Eventuele reacties en zienswijzen kunnen tijdens deze inzagetermijn worden ingediend. De resultaten worden opgenomen in hoofdstuk 7.

Hoofdstuk 7 Procedure

7.1 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan 'Stedelijk gebied, herziening woningbouwlocatie Hulsel' en bijbehorende stukken hebben met ingang van 9 mei 2022 zes weken ter inzage gelegen, waarbij iedereen de mogelijkheid heeft gehad om zienswijzen kenbaar te maken. Er zijn geen zienswijzen tegen het plan ingebracht.

7.2 Vaststelling door gemeenteraad

Het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied, herziening woningbouwlocatie Hulsel' is op 4 oktober 2022 ongewijzigd vastgesteld.