direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1663.BG2018-VO01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

Aanleiding

Het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente De Marne is vastgesteld op 16 december 2008. Gedurende de tijd is er nieuwe wetgeving in werking getreden en de provincie Groningen, het waterschap, de gemeente De Marne en andere partijen hebben hun beleid geactualiseerd, dan wel nader uitgewerkt. Daarnaast heeft de gemeente De Marne de afgelopen jaren meegewerkt aan verschillende ruimtelijke plannen. Vorengaande aspecten maken onderdeel uit van voorliggend bestemmingsplan Buitengebied.

Achtergrond

Het bestemmingsplan Buitengebied vormt het kader voor de ruimtelijke ordening voor het landelijk gebied van de gemeente. Het heeft tot doel om het gebruik en de inrichting van gronden en het oprichten van gebouwen en bouwwerken te reguleren met het oog op het bevorderen van een zo goed mogelijk gebruik van het landelijk gebied. Het bestemmingsplan vormt een stuk gemeentelijke wetgeving: het bindt zowel de burger als de overheid.

Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient een bestemmingsplan te bestaan uit een juridische regeling en een verbeelding. Tevens gaat het plan vergezeld van een toelichting, waarin is beschreven welk ruimtelijk beleid in het buitengebied wordt nagestreefd.

Leeswijzer

De toelichting is onder te verdelen in twee delen. Het eerste deel wordt gevormd door de hoofdstukken 1 tot en met 10. In dit deel wordt beschreven hoe het plangebied is ontstaan, hoe het zich vandaag de dag manifesteert en welk ruimtelijk beleid van toepassing is.

Deze gegevens zijn bepalend voor de vertaling in de regels. De hoofdstukken 1 tot en met 10 vormen daarmee het (beleids)kader waarbinnen de juridische vormgeving van het plan kan plaatsvinden. In het tweede deel van de toelichting wordt aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met aangetroffen waarden en het beleid van hogere overheden. Een en ander komt samen in hoofdstukken 11 en 12 waarin respectievelijk de planbeschrijving en een toelichting op de juridische vertaling in de regels zijn opgenomen.

Met name in het eerste deel van de toelichting is gestreefd naar een beknopte weergave van de huidige situatie en voor het bestemmingsplan -en de dagelijkse toepassing daarvan- relevante beleid. De toelichting blijft door deze werkwijze beperkt tot een korte typering en vertaling van het beleid. Er is gebruikgemaakt van kaartjes om een en ander te verduidelijken.

Hoofdstuk 2 Bodem en water

2.1 Bodem

Algemeen

De bodemkundige en waterhuishoudkundige situatie zijn in belangrijke mate bepalend voor het karakter van een gebied. De abiotische kenmerken hebben allereerst invloed op de natuurlijke vegetatie die ergens voorkomt. Verder heeft de mens als gevolg van de abiotische kenmerken een gebied op verschillende manieren in gebruik genomen. Hierdoor is een bepaald landschap ontstaan. Bodem en waterhuishouding bepalen ook de geschiktheid van een gebied voor verschillende vormen van landbouw.

De abiotische kenmerken van een gebied zijn inmiddels natuurlijk ook in belangrijke mate beïnvloed door de mens. Via bemesting beïnvloedt de mens bijvoorbeeld de vruchtbaarheid van de bodem en dit heeft ook weer invloed op de kwaliteit van het grondwater. De kwantiteit van het grondwater wordt bijvoorbeeld beïnvloed door grondwaterwinning en ontwatering.

Hierdoor zijn er niet alleen wijzigingen opgetreden in de bodem en waterhuishouding van het gebied, maar dit heeft ook weer invloed gehad op de natuurlijke vegetatie. In dit hoofdstuk wordt de huidige bodemkundige en waterhuishoudkundige situatie van het plangebied beschreven.

Ontstaansgeschiedenis

De bodem en vorm en reliëf van het plangebied is gevarieerd. Dit heeft te maken met de ontstaansgeschiedenis van het landschap.

Na het terugtrekken van landijs in het pleistoceen steeg het zeeniveau, waardoor het land werd overspoeld. Er vormden zich grote zeeboezems en meer landinwaarts ontstond een soort veenmoeras, waarin bij overstromingen zware klei werd afgezet.

In de eerste paar duizend jaar van het holoceen werd de ontwikkeling van het landschap voornamelijk bepaald door de mate waarin de veenontwikkeling gelijke tred kon houden met de stijging van de zeespiegel. In sommige perioden kon het veen zich sterk uitbreiden, in andere perioden drong de zee ver op. Binnen het kleigebied bestaat een grote verscheidenheid in profielopbouw (klei op wadzand, veen met een kleidek).

Het dynamische proces van opslibbing en afslag stond onder invloed van de getijdenwerking, de oostelijke stroming van de zee en de overheersende windrichting vanuit het westen. In de Waddenzee werd in de loop der tijd klei afgezet en ontstonden kwelderwallen. Aan de zeezijde van het kleigebied ontwikkelde zich hierdoor een kweldergordel. Dit gebied was hoog genoeg om te bewonen; op veel plaatsen moesten echter wel wierden worden opgeworpen om de voeten droog te houden. Een groot aantal van deze wierden zijn nog steeds zichtbaar in het plangebied. Ook de eerste nederzettingen op de kwelderwallen zijn nog aanwezig.

Het veengebied is ten gevolge van de snelle zeespiegelstijging verder overstroomd geraakt en bedekt met klei. De noordelijke kweldergordel kwam steeds meer tot ontwikkeling en aan de randen slibden de zeeboezems langzaam dicht. Via een aantal geulen drong de zee bij vloed het achter de kweldergordel gelegen gebied in. Hierbij werd een relatief dun pakket, zware klei afgezet.

Het kweldergebied breidde zich steeds verder uit. In het Lauwerszeegebied drong de zee middels diepe erosiegeulen ver landinwaarts door. Dit stelsel vond aansluiting met de Hunze, waardoor deze laatste een monding kreeg die veel meer landinwaarts lag (Reitdiep).

Vanaf circa 1200 begon men met het aanleggen van dijken. De zeeboezem van de Lauwers werd steeds verder ingedijkt. Zeewaarts van de Olddijk ging de opslibbing tot in recente tijd door.

Het voormalige Hunze-estuarium (zeeboezem) is gevormd in het dal van de rivier de Hunze. Langs het estuarium ontstonden kwelderwallen waarop een groot aantal wierden zijn opgeworpen. Het estuarium is verzand ten gevolge van afsluiting door de kwelderwallen. Deze kwelderwallen zijn

Het Reitdiep is het benedenstroomse deel van de rivier de Hunze. Deze mondde uit in het Hunze-estuarium, Het estuarium verzandde en de rivier volgde een nieuwe loop naar de Lauwerszee (bron: Landschapsbeleidsplan De Marne). Het voormalige Hunze estuarium is nog steeds zichtbaar in het landschap als laagte. Vooral ten noorden en noordwesten van Eenrum is het hoogteverschil tussen voormalig estuarium en kwelderwal tamelijk groot. De aangelegde dijken zijn ook zichtbaar, met name langs de noord- en zuidwestgrens van de gemeente. De dijken vormen hier een grillig en kronkelend patroon.

afbeelding "i_NL.IMRO.1663.BG2018-VO01_0001.jpg"

Dijk ten noorden van Westernieland

Bodem

De bodem in de gemeente bestaan voornamelijk uit zavel en klei. Het grootste deel van de zeekleigronden bestaat uit poldervaaggronden. Dat zijn gronden met een zwak ontwikkelde (vage) humushoudende bovengrond en hydromorfe kenmerken (roestkleurige en grijze vlekken). Het zijn goed gerijpte zavel- en kleigronden.

Een groot deel van het oude kweldergebied bestaat uit een lage kwelderrug, met een lichte, aan de zeezijde kalkrijke en verder landinwaarts kalkloze zavelgronden. Achter de kwelderrug worden de gronden geleidelijk zwaarder en gaan over in de knippige gronden van het knipkleigebied.

De gronden van de jonge zeeboezems (langs het Reitdiep en de voormalige Hunze), en de aanwasvlakte bestaan overwegend uit kalkrijke poldervaaggronden met lichte tot zware zavel en lichte tot zware klei.

De niet-bedijkte gebieden kunnen op basis van hun hoogteligging ten opzichte van de zeespiegel en de vegetatie worden onderverdeeld in:

  • kwelderruggen (nesvaaggronden, poldervaaggronden, deels bijzonder lutumarme gronden);
  • kwelderbekkens (nesvaaggronden en hoger opgeslibde poldervaaggronden);
  • begroeide bezinkvelden (grosvaaggronden, kalkrijke zandgronden en bijzonder lutumarme gronden, al dan niet met een zavel- of kleidek).

2.2 Waterhuishouding

De waterhuishouding in een gebied wordt sterk bepaald door de hoogteligging en het reliëf. Het gebied van de gemeente De Marne ligt ruwweg tussen 0 en 2 m boven NAP. Wierden en dijken steken daar een aantal meters bovenuit.

Natuurlijke afwateringen onderscheiden zich van kunstmatige door hun kronkelende loop en door de aanwezigheid van oeverwallen langs de benedenloop. In de gemeente worden zowel natuurlijke als kunstmatige afwateringen aangetroffen. Voorbeelden van natuurlijke afwateringen zijn de Kromme Raken, de Pieterbuurstermaar, Westernielandstermaar en de Broekstermaar. Voorbeelden van kunstmatige afwateringen zijn het Warfhuister Loopdiep, het Hunsingokanaal en een groot aantal tochten in het agrarische gebied.

De gemeente watert via het Reitdiep en het Hunsingokanaal af op het Lauwersmeer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1663.BG2018-VO01_0002.jpg"

Blik op het Reitdiep bij Roodehaan

In het plangebied bedraagt de gemiddeld hoogste grondwaterstand 40-80 cm beneden maaiveld. De gemiddelde laagste grondwaterstand is altijd groter dan 120 cm beneden maaiveld.

2.3 Beleid

Waterparagraaf

Op grond van artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen welke een beschrijving bevat van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In die paragraaf dient te worden uiteengezet of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: 'het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen'.

Het kader voor de watertoets is het vigerend beleid (onder andere Nationaal Waterplan 2016-2021, Waterbeleid 21e eeuw, Europese Kaderrichtlijn Water). De watertoets wordt uitgevoerd binnen de bestaande wet- en regelgeving op het gebied van ruimtelijke ordening en water. Een aantal relevante beleidsdocumenten wordt hierna kort besproken.

STRUCTUURVISIE INFRASTRUCTUUR EN RUIMTE
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. In de SVIR is de visie van de rijksoverheid op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 aangegeven. Dit betreft een integraal kader dat de basis vormt voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR is gekozen voor een meer selectieve inzet van het rijksbeleid dan voorheen. Voor de periode tot 2028 zijn de ambities van het Rijk in drie rijksdoelen uitgewerkt:

  • vergroten van de concurrentiekracht door versterking van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • verbeteren van de bereikbaarheid;
  • zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

Met de hiervoor genoemde rijksdoelen zijn 13 nationale belangen aan de orde die in de SVIR verder gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio's. Voor het aspect water is aangegeven in de SVIR dat 'ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling' van nationaal belang is. Het Rijk beschermt de primaire waterkeringen (dijken, dammen, kunstwerken en duinen) die in beheer zijn bij het Rijk evenals het kustfundament. Ook stelt het Rijk de normen voor de primaire waterkeringen, ook die in beheer bij waterschappen. Primaire waterkeringen bieden, in combinatie met de hoge gronden, bescherming tegen overstroming vanuit de buitenwateren (de wateren waarvan de waterstand direct wordt beïnvloed bij stormvloed). Het plangebied heeft de aanduidingen: verzilting inlaatpunten en verziltinggevoelig gebied.

NATIONAAL WATERPLAN 2016-2021
De minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken hebben op 10 december 2015 het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid voor de komende jaren en de daarbij behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende vijf ambities centraal:

  • Nederland blijft de veiligste delta in de wereld
  • Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater
  • Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht
  • Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement
  • Nederlanders leven waterbewust.

WATERBELEID 21E EEUW
Met het Waterbeleid 21e eeuw wordt ingespeeld op toekomstige ontwikkelingen die hogere eisen stellen aan het waterbeheer. Het gaat hierbij om onder andere de klimaatverandering, bodemdaling en zeespiegelrijzing. Het Waterbeleid 21e eeuw heeft twee principes voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd, te weten de tritsen:

  • vasthouden, bergen en afvoeren;
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren.

De trits vasthouden, bergen en afvoeren houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij de trits schoonhouden, scheiden en zuiveren gaat het erom dat het water zoveel mogelijk wordt schoongehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Provincie

OMGEVINGSVISIE PROVINCIE GRONINGEN
In de Omgevingsvisie provincie Groningen 2016-2020 zijn de hoofdlijnen van het Nationale Waterplan vertaald. De provincie Groningen richt zich op slimmere combinaties van functies rondom zeedijken. Daarnaast stimuleert de provincie voor veen- en laaggelegen gebieden ruimtelijke maatregelen ter voorkoming van onder meer wateroverlast en onveiligheid. De provincie heeft vastgelegd met welke frequentie wateroverlast mag optreden. De normen voor regionale keringen zijn vastgesteld op basis van de studie Droge voeten 2050. Voor de regionale watersystemen bepaalt de provincie de norm en helpen de waterschappen bij het behalen van hun doelstellingen (door onder andere ruimte te reserveren).

GRONDWATER
Waterschappen beheren het ondiepe grondwater. De provincie Groningen beheert het diepe grondwater. De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is uitgangspunt voor het provinciaal grondwaterbeheer. Voor de bescherming van het grondwater heeft de provincie doelen en regels opgesteld en ontwikkelt ze beleid voor het zorgvuldig gebruik ervan.

De provincie geeft aan dat ze geen grondwater willen verspillen. Bij laagwaardig gebruik (industrie/landbouw) van grondwater, stimuleert de provincie om over te stappen op oppervlaktewater. Dit hoeft niet als aannemelijk gemaakt kan worden dat er geen negatieve effecten optreden en dat de grondwatervoorraad op peil blijft.

WATERROBUUSTE INRICHTING
De provincie Groningen is primair beschermd tegen overstromingen door de eerste laag (de dijken). Aanvullend wapent de provincie zich met een 'waterrobuuste inrichting' tegen (schade door) overstromingen. Dat gaat langs de volgende drie sporen:

  • ruimtelijke adaptie: het aanpassen van de inrichting zodat minder schade ontstaat bij overstromingen;
  • het waterpeil meer bepalend laten zijn bij de functie;
  • buitendijkse gebieden laten meegroeien met de zeespiegelstijging.

OPPERVLAKTEWATER
Voldoende schoon (oppervlakte- en grond)water is voor allerlei functies van belang. Samen met het waterschap en de gemeente is de provincie verantwoordelijk om dat ook daadwerkelijk te realiseren. De provincie stelt doelen vast voor de kwaliteit en hoeveelheid water voor de verschillende functies, stellen eisen aan het gebruik van specifieke wateren en houden rekening met mogelijke toekomstige ontwikkelingen (zoals energiewinning). Schoon water is van belang als drinkwater en voor de biodiversiteit, maar ook een belangrijke recreatieve functie als het gaat om zwemwater en vaarwegen. De provinciale taken bestaan hier uit:

  • samenwerken met alle overheden en gebruikers aan het beschikbaar krijgen en houden van voldoende zoetwater (zoetwatervoorziening);
  • vaststellen doelen voor de waterkwaliteit vanuit de Kaderrichtlijn water en samenwerken met het waterschap aan het robuuster inrichten van het watersysteem in het Natuurnetwerk Nederland- en waterbergingsgebieden (waterkwaliteit);
  • vaststellen van specifieke kaders voor enkele gebruiksfuncties en/of kenmerken zoals zwemwater en diepe plassen.

Waterschap Noorderzijlvest

WATERBEHEERPROGRAMMA 2016-2021
Het Waterschap Noorderzijlvest heeft een nieuw waterbeheerprogramma. In het waterbeheerprogramma staat omschreven wat het waterschap de komende jaren gaat doen. Het programma is voor de periode van 2016-2021 en is per 1 januari 2016 in werking getreden.

Voor de belangrijkste taken heeft het waterschap de doelen gesteld en maatregelen om die doelen te halen. Met die maatregelen zorgt het waterschap voor veilig, voldoende en schoon water. De maatregelen zijn afgestemd op de plannen en doelen van andere overheden en gebiedspartners. Het waterbeheerprogramma is minder concreet dan het vorige waterbeheerplan. Nadere uitwerking in plannen en projecten gebeurt later bij het vaststellen van (meerjaren)begrotingen.

In het beheergebied van het waterschap komen verschillende waterfuncties voor. Een kaart met de waterfuncties is hierna opgenomen. Verschillende gebruiksfuncties van water vragen om verschillende waterstanden, het waterschap stemt deze aspecten op elkaar af.

afbeelding "i_NL.IMRO.1663.BG2018-VO01_0003.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1663.BG2018-VO01_0004.png"

Functiekaart, bron Waterbeheerprogramma 2016-2021

Gemeente

WATERPLAN GEMEENTE DE MARNE
Het waterschap heeft in samenwerking met de gemeente De Marne in 2007 een waterplan opgesteld 'Van Reitdiep tot Wad'. Voor het landelijke gebied stelt het waterplan dat water een belangrijke rol speelt bij de functie landbouw. Andersom geldt dat de landbouw een belangrijke rol speelt bij het realiseren en handhaven van een goede waterkwaliteit. Kansen voor een goed en aantrekkelijk watersysteem doen zich voor op het gebied van de samenwerking tussen de verschillende functies in het gebied (landbouw, natuur, recreatie). Op het Hogeland gaat het daarbij bijvoorbeeld om de kansen die de maren bieden aan zowel landbouw, recreatie als natuur. Een van de doelen gedurende de looptijd van het waterplan is het versterken van de maren als dragers van natuur en recreatie. Daarnaast wordt de waterhuishoudkundige functie (afvoer en berging) van de maren verbeterd. Langs de Waddenkust geldt dat de waterhuishouding hoofdzakelijk is afgestemd op de landbouw.

Hoofdstuk 3 Cultuurhistorie, archeologie en landschap

3.1 Cultuurhistorie en archeologie

Algemeen

De ontwikkeling van het huidige landschap vindt zijn basis in de bodem, de waterhuishouding, de natuurlijke vegetatie en de invloed die de mens in de loop van de tijd hierop heeft gehad. Door verschillen in reliëf, waterhuishouding en vruchtbaarheidstoestand van de bodem, heeft de mens het gebied op verschillende manieren in gebruik genomen. Hierdoor zijn verschillende landschapstypen te onderscheiden met eigen cultuurhistorische, visuele en functionele kenmerken.

Cultuurhistorie

In paragraaf 2.1 is de ontstaansgeschiedenis van het landschap in gemeente De Marne beschreven. In gemeente De Marne is goed te zien hoe het kleilandschap van de noordelijke kuststreken is ontstaan door het vrije spel van zee en wind en vervolgens door de mens in cultuur is gebracht.

Omstreeks 500 voor Christus zijn de kwelderwallen, afzettingen van klei, voldoende hoog komen te liggen voor bewoning. Bewoners, afkomstig van de zandgronden, vestigen zich op de hoge kwelderwallen die de zeeboezem van de Hunze flankeren. De kwelders worden gebruikt voor de jacht, het verzamelen van voedsel en geëxploiteerd als weidegebied voor het vee. De bewoners hogen hun nederzettingen op tot wierden om have en goed te beschermen tegen stormvloeden. Vroege voorbeelden van wierden zijn die van Panser, Schouwen en Warfhuizen. Verder ontstaan kwelderwallen door opslibbing, waarop nederzettingen ontstaan die uitgroeien tot het huidige Eenrum, Mensingeweer en Groot Maarslag. Prominent is de centrale welving, een brede en hoge kwelderwal. Op deze kwelderwal ligt een reeks van wierden die de oorsprong vormen van de kerkdorpen Vierhuizen, Ulrum, Leens en Wehe.

De aanleg van wierden kan worden beschouwd als eerste fase in de strijd tegen de zee. Voor 1200 overheerst het wierdensysteem, na 1200 het poldersysteem. Om de jonge, vruchtbare zeeklei te kunnen toevoegen aan het areaal van landbouwgronden en zo een grotere mensengemeenschap te voeden gaat de mens over tot systematische dijkenaanleg en ontginning van de nieuw gewonnen polders. De kloosters die zich in het gebied vestigen, nemen het voortouw. De kloosterlingen beschikken over de benodigde kennis ten aanzien van de dijkenaanleg en de afvoer van overtollig water via de maren en uitwateringssluizen, de zogeheten zijlen. Bij deze zijlen ontstaan nederzettingen, zoals Houwerzijl en Schouwerzijl.

Het continue proces van opslibbing en inpoldering van de rijpe kwelders heeft uiteindelijk geresulteerd in een reeks zeer vruchtbare kustpolders waar de dijklichamen nog altijd het beeld bepalen. Maar ook ten zuiden van de oude kwelderlandschappen vindt inpoldering plaats. De bedijking en ontginning van de Reitdieppolders wordt sterk vergemakkelijkt door de afsluiting van Reitdiep in 1876. De volgende en voorlopig laatste stap in het proces van inpolderingen wordt gezet in 1969. Met de inpoldering van de Lauwerszee is aan de Marne een geheel nieuw gebied toegevoegd, met eigen wetmatigheden en karakter1.

Archeologie

In het voorgaande is ingegaan op de (cultuur)historie van het plangebied. In deze paragraaf wordt een beschrijving gegeven van de in het plangebied voorkomende archeologische waarden.

De gemeente De Marne herbergt een keur aan archeologische waarden. Binnen de gemeentegrenzen zijn een aantal archeologische terreinen aanwezig die een zekere bescherming genieten; van wettelijk beschermde terreinen met reeds bekende vondsten tot gronden waar een hoge verwachting aanwezig is op het aantreffen van archeologische resten. Ook historische boerderijplaatsen, pastorieën en borgterreinen worden onder de archeologisch waardevolle terreinen geschaard vanwege de grote trefkans op oude bewoningssporen.

In 2008 heeft bureau RAAP Archeologisch Adviesbureau voor de gemeenten binnen de regio Noord-Groningen een rapport opgesteld met bijbehorende beleidsadvieskaarten voor archeologie. Op de beleidskaart wordt voor het noordelijk deel van de gemeente De Marne een lage archeologische verwachting opgenomen en voor het zuidelijk deel een hoge archeologische verwachting. Verder komen verschillende archeologisch vindplaatsen voor die zijn weergegeven op de kaart. Samengevat bevinden zich in de gemeente de volgende archeologische en cultuurhistorische waarden:

  • ARCHIS-waarneming;
  • pastorie;
  • archeologisch waardevolle terreinen (AMK);
  • RAAP-vindplaats;
  • wierden (bodemkaart) en/of Clingeborg;
  • historische kernen;
  • borgterrein;
  • boerderijplaats;
  • vijver/viskenij;
  • kerk;
  • kerktoren;
  • kosterie;
  • diaconie;
  • overige gebouwen;
  • molen;
  • opvallend perceel.

3.2 Landschap

Het landschap van de Marne is onder invloed van de zee en menselijk handelen eeuwenlang langs lijnen van geleidelijkheid ontstaan. Deze processen hebben geresulteerd in een divers landschap met soms vloeiende, en soms scherpe overgangen. In de Marne komen vier landschapstypen voor: de oude kwelderlandschappen, de voormalige zee-armen, de kustpolders en de Waddenzee.

afbeelding "i_NL.IMRO.1663.BG2018-VO01_0005.png"

Landschappen, bron: Structuurvisie De Marne

Deze landschappelijke verschillen zijn tot op heden herkenbaar, maar door relatief recente ontwikkelingen, zoals de ruilverkaveling, deels vervaagd. Bij de ruilverkaveling is het landbouwareaal grotendeels getransformeerd tot gebied met grootschalige, rationele blokverkaveling. Veel sloten zijn gedempt ten behoeve van perceelsvergroting. Landbouwontsluitingswegen worden breder en veel landschappelijke elementen, zoals kolken en dijkresten, zijn verdwenen in het belang van een meer efficiënt landbouwkundig gebruik van de gronden. Ter compensatie van verdwenen groen als gevolg van de ruilverkaveling zijn zogenaamde dorpsbosjes aangeplant. Door deze bosjes is het landschap en de relatie tussen dorpen en landschap gewijzigd.

Ieder landschapstype heeft haar eigen karakter. Naast de verschillen zijn er ook duidelijke raakvlakken. Zo is het Marnster landschap als geheel gevormd door de invloeden van de zee in combinatie met ingrepen van de mens om de zee te beteugelen en te profiteren van de vruchtbare klei. Daarnaast heeft het landschap in het algemeen een open karakter. Bovendien kent het landschap, met uitzondering van het Lauwersmeer (onderdeel van het landschap van de voormalige zee-armen) en de Waddenzee voornamelijk een agrarisch gebruik en uitstraling. Het Lauwersmeer en de Waddenzee hebben juist een natuurlijk karakter. Tot slot zijn de stilte en het nachtelijke duister even buiten de bebouwde kommen kenmerkend voor de Marne2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1663.BG2018-VO01_0006.jpg"

Kromme raken ten oosten van Warfhuizen

3.3 Beleid

Rijk

STRUCTUURVISIE INFRASTRUCTUUR EN RUIMTE
Uit de SVIR blijkt dat het bieden van ruimte voor het behoud en de versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteiten als nationaal belang wordt gezien. De landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten geven namelijk identiteit aan een gebied.

ERFGOEDWET
Een van de belangrijkste uitgangspunten van het Verdrag van Malta, namelijk het rekening houden met en ontzien van archeologische waarden bij de besluitvorming over ruimtelijke ingrepen, is opgenomen in de Erfgoedwet.

Hierin wordt gesteld dat de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening houdt met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. In de andere artikelen wordt geregeld dat de gemeente een aanvrager van een omgevingsvergunning kan verplichten tot het overleggen van een archeologisch rapport (i.e. archeologisch vooronderzoek).

WET RUIMTELIJKE ORDENING EN BESLUIT RUIMTELIJKE ORDENING
Binnen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) vormt het bestemmingsplan een belangrijk instrument. De gemeente bepaalt door middel van het bestemmingsplan welke inrichting, bebouwing en welk grondgebruik in het plangebied is toegestaan.

De Wro biedt de mogelijkheid aan een gebied één of meer bestemmingen toe te kennen, waaronder die van de dubbelbestemming Waarde-Archeologie. Dit biedt de mogelijkheid om door middel van het toekennen van een archeologische bestemming en de daaraan verbonden regels en beperkingen (verwachte) archeologische waarden binnen een gebied te beschermen.

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is een verdere uitwerking van de Wro en bevat onder meer bepalingen over bestemmingsplannen, tegemoetkoming in schade en grondexploitatie. In artikel 3.1.6 van het Bro staat aangegeven dat een bestemmingsplan evenals een ontwerp, vergezeld moet gaan van een toelichting waarin is opgenomen op welke wijze rekening is gehouden met de aanwezige of te verwachten monumenten.

Vanaf 1 januari 2012 zijn gemeenten op grond van het Bro verplicht cultuurhistorische waarden mee te laten wegen in de totstandkoming van een bestemmingsplan. In de toelichting op een bestemmingsplan wordt daarom: 'een beschrijving gegeven van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden'.

Provincie

OMGEVINGSVISIE PROVINCIE GRONINGEN
Aan de hand van onder meer kernkarakteristieken is de provincie Groningen onderverdeeld in 11 gebieden met elk eigen landschapstypen en karakteristieken. De in het plangebied aanwezige kernkarakteristieken, die een zekere bescherming genieten, betreffen: de wierden, de karakteristieke waterlopen, karakteristieke laagten, grootschalig open landschap en oude dijken.

Ter behoud van deze karakteristieke (landschappelijke) waarden zijn in het voorliggend bestemmingsplan de specifieke regelingen voor in het plangebied aanwezige waarden, zoals benoemd in de Omgevingsverordening (zie onderstaande afbeelding), integraal opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1663.BG2018-VO01_0007.png"

Omgevingsverordening, kaart Landschap

Regionaal

NOTA ARCHEOLOGIEBELEID REGIO NOORD-GRONINGEN
Alle Nederlandse gemeenten worden geconfronteerd met de wettelijke verplichting om het aspect archeologie te laten meewegen in ruimtelijke planprocedures. In het licht van de ontwikkelingen in wetgeving hebben de gemeenten binnen de Regioraad Noord-Groningen een goed onderbouwde, heldere en eenduidige archeologische verwachtingskaart/beleidsadvieskaart opgesteld.

De Nota Archeologiebeleid Regio Noord-Groningen beschrijft de verwachting van archeologische waarden in het gebied. De aanwezigheid van bekende archeologische vindplaatsen en de verwachte archeologische waarden zijn in kaart gebracht. Op basis hiervan zijn adviezen opgesteld over waar en in welke vorm archeologisch onderzoek nodig is. De adviezen zijn vertaald in bestemmingsplanregels.

De volgende dubbelbestemmingen zijn aan de beleidsadviezen gekoppeld:

  • Waarde-Archeologie 1 (WR-a 1): wettelijk beschermde archeologische monumenten (Rijksmonumenten);
  • Waarde-Archeologie 2 (WR-a 2): archeologische waardevolle gebieden (AMK terreinen - niet rijksbeschermd, de wierden, de borgen, de boerderij plaatsen, de ARCHIS-waarnemingen en de wemen met hun onderzoeksbuffer);
  • Waarde-Archeologie 3 (WR-a 3): gebieden van archeologisch belang (historische kernen);
  • Waarde-Archeologie 4 (WR-a 4): archeologische onderzoeksgebieden (de hoge verwachtingen van de verwachtingskaarten en de beek- en rivierdalen).

afbeelding "i_NL.IMRO.1663.BG2018-VO01_0008.jpg"

Nota Archeologiebeleid Regio Noord-Groningen, kaart 13 beleidsadvieskaart gemeente De Marne

Op de beleidsadvieskaart van gemeente De Marne is te zien dat het zuidelijk deel van de gemeente een hoge verwachting heeft voor het aantreffen van archeologische waarden (oranje deel). Het noordelijk deel heeft een lage verwachting (groene deel). Daarnaast zijn in het buitengebied verschillende vindplaatsen vastgelegd op de kaart, waaronder veel boerderijplaatsen.

LANDSCHAPSONTWIKKELINGSPLAN NOORD-GRONINGEN
In opdracht van het regionaal samenwerkingsverband de Stuurgroep Noord-Groningen is het Landschappelijk Raamwerk Noord-Groningen (LR) ontwikkeld. Dit Raamwerk is bedoeld om ontwikkelingen die het landschap van Noord-Groningen beïnvloeden te kunnen sturen, zodat de kwaliteiten van de gebieden behouden blijven of verbeterd worden. Reeds in de inleiding van het LR wordt gesteld dat ontwikkelingen mogelijk moeten blijven om het gebied een toekomst te geven.

In het LR wordt de bestaande landschappelijke kwaliteit als uitgangspunt genomen. Nieuwe functies en ontwikkelingen worden vanuit een positieve invalshoek benaderd. Het gaat er daarbij om welke kwaliteit kan ontstaan doordat nieuwe functies en het landschap op een betekenisvolle manier samengaan. Zo kunnen mogelijk opnieuw herkenbare en waardevolle cultuurland-schappen ontstaan, die in de toekomst het behouden en beschermen waard zijn.

Met als doel duidelijk te maken op welke wijze ruimtelijke ontwikkelingen samen kunnen gaan met kwaliteitsverbetering van het landschap, heeft de Stuurgroep Noord het LR nader uitgewerkt in het Landschapsontwikkelingsplan Noord-Groningen (LOP). Het LOP bouwt voort op de conclusies uit het LR en de gebiedsuitwerking. Het LOP is vooral bedoeld als schakel tussen beleid en realisatie. Het LOP is vastgesteld door de colleges van de betrokken gemeenten, het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen en de dagelijkse besturen van het Waterschap Noorderzijlvest en de Regioraad Noord-Groningen.

Het LOP is een op de uitvoering gericht plan waarmee de ambitie van de gebiedsuitwerking kan worden waargemaakt: ruimtelijke ontwikkelingen zó uitvoeren dat het landschap er beter van wordt. Vragen die daarbij aan de orde komen, zijn:

  • Hoe om te gaan met beplanting in Noord-Groningen?
  • Op welke wijze is schaalvergroting in de agrarische sector in te passen in het landschap?

Het LOP bestaat uit vier onderdelen. Het eerste geeft een analyse en visie over hoe om te gaan met het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het landschap. Het tweede gedeelte is concreter en bevat een uitwerking van zeven ontwerpopgaven, die de stuurgroep selecteerde uit dat Landschappelijk Raamwerk. Het LOP bestaat verder uit een uitvoeringsprogramma en een kwaliteitskaart.

Het LOP vormt de basis voor bestemmingsplannen, maar heeft geen eigen beleidsstatus en is geen eigenstandig toetsingskader of uitvoeringsprogramma. Het hart van het LOP wordt gevormd door de kwaliteitskaart en de kwaliteitsbeschrijving per deelgebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1663.BG2018-VO01_0009.png"

Landschapsontwikkelingsplan Noord-Groningen, kaart 3.3 landschapskwaliteiten gemeente De Marne

De kwaliteitsbeschrijving per in het plangebied te onderscheiden deelgebied is hierna nader uitgewerkt.

  • A. Waddenkust

Kwaliteiten en waarden in dit deelgebied zijn:

  • hoge economische waarde van het akkerland;
  • recreatiemogelijkheden buitendijks;
  • binnendijkse waarden voor trekvogels;
  • openheid van het landschap;
  • langgerekte verkaveling;
  • solitair liggende boerderijen;
  • waardevolle landschappelijke elementen in de vorm van noord-zuid lopende kreken, dobben achter de zeedijken, coupures in de dijken, eendenkooien en kwelderruggen.

  • B. Wierdenlandschap/Lauwersland

Kwaliteiten en waarden in dit deelgebied zijn:

  • bebouwing veelal op verhogingen in het landschap (wierden en oude en jonge kwelderwallen);
  • verspreid in het landschap liggende onbebouwde wierden;
  • oorspronkelijke onregelmatige (waaronder radiaire) verkaveling;
  • kleinschalige sloten- en marenpatroon;
  • openheid van het landschap;
  • beplanting veelal op (agrarische) erven en langs wegen.

  • C. Reitdiepdal

Kwaliteiten en waarden in dit deelgebied zijn:

  • in delen nog onregelmatige blokverkaveling;
  • grillige historie van het water nog goed afleesbaar;
  • redelijke natuurwaarde in het dal;
  • enige cultuurhistorisch waardevolle zijlen.

Gemeente

STRUCTUURVISIE
In de Structuurvisie van gemeente De Marne wordt 'rust en ruimte als beeldmerk' als één van de beleidsdoelen genoemd. De Marne is een uitgesproken plattelandsgemeente met 'rust', 'ruimte' en 'duisternis' met een uniek landschap en fraaie dorpen. Met deze bijzondere eigenschappen vormt De Marne een aantrekkelijk leefgebied. Het vertrekpunt voor het beleid is dat deze eigenschappen worden gekoesterd. Nieuwe ontwikkelingen zijn mogelijk indien deze eigenschappen worden behouden en/of versterkt zodat de gezonde balans tussen leefomgeving en economie wordt behouden. Daarnaast is het gemeentelijk beleid erop gericht om fraaie doorzichten vanuit het dorp naar het landschap en vice versa te handhaven

Verder wordt in de Structuurvisie als beleidsdoel genoemd om het open karakter van het Land van Aagt te versterken. De voormalige zeearmen zijn in het landschap van De Marne nog afleesbaar en herkenbaar. De voormalige zeearm van de Hunze, Het Land van Aagt, manifesteert zich vandaag de dag nog als een zeer open laagte in het landschap en een stelsel van meanderende waterlopen. Het beleid is gericht op het handhaven en versterken van de kenmerkende openheid. Dat betekent dat in dit gebied zeer terughoudend omgegaan wordt met bebouwing en beplanting.

RECLAMEBELEID
De gemeenteraad heeft op 22 juni 2004 de beleidsnota Algemeen beleid voor reclame- en verwijzingsborden vastgesteld. De gemeente heeft hierin beoordelingscriteria vastgelegd, om reclame-uitingen beheersbaar te houden. Het beleid beoogt verder om aan belanghebbenden duidelijkheid te verschaffen over de wijze waarop een verzoek tot reclame- of verwijzingsborden wordt getoetst. Verder helpt de beleidsnotitie bij de afronding van het eventueel te volgen handhavingstraject. De beoordelingscriteria zijn opgesteld om een afweging te maken tussen reclame-uitingen en bewegwijzering enerzijds en anderzijds de inpassing daarvan in het karakter van de bebouwde omgeving en het landelijke gebied. De gemeente heeft vastgesteld dat reclameborden in beginsel niet thuishoren in het buitengebied. Ze passen in het algemeen slecht bij het karakter van de landelijke omgeving en dragen door hun opvallende verschijningsvorm bij aan de verrommeling van het landschap.

WELSTANDSNOTA
In 2014 heeft de gemeente De Marne een nieuwe welstandsnota vastgesteld. Het doel van de nota is het behouden en verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in de dorpen en in het buitengebied van de gemeente.

Voor het buitengebied zijn welstandscriteria opgesteld wat betreft omgeving, schaal, vorm, oriëntatie, stijl, materiaal en kleur van bebouwing.

Hoofdstuk 4 Natuur en ecologie

4.1 Huidige situatie

Flora

Het plangebied is voornamelijk een grootschalig cultuurgebied. De grond is voor het grootste deel in gebruik als akkerland en plaatselijk als grasland. De beplantingen in de gemeente bestaan voornamelijk uit zware erfbeplantingen, wegbeplantingen en beplantingen op wierden. Daarnaast komen enkele verspreid liggende bosjes voor. De beplantingen op het borgterrein Verhildersum vertegenwoordigen een aanzienlijke natuurwaarde.

Door het zeer intensieve gebruik komen op de akkers nauwelijks kruiden voor, met uitzondering van soorten als herderstasje, vogelmuur en duist. Kenmerkende plantensoorten van klei-akkers zijn kamille, gewone klaproos, kleine hoefblad, gewone ereprijs en paarse dovenetel. In de bermen van verharde wegen komen grazige kruidenrijke vegetaties voor, met plaatselijk zeldzame of karakteristieke soorten. De dijken zijn in gebruik als grasland; hierop bevindt zich meestal een soortenrijk graslandtype, met soorten als kamgras, akkerdistel en zachte dravik.

Langs de waterlopen komen water- en oevervegetaties voor. De oevervegetatie bestaat vrijwel uitsluitend uit zeer smalle rietkragen of een zoom van liesgras. Waterplanten die algemeen voorkomen zijn bijvoorbeeld kleine kroos, veelwortelig kroos en gedoornd hoornblad.

De botanische waarden hebben vooral betrekking op moeras- en slootvegetaties in en langs waterlopen. In het plangebied komt een aantal bijzondere moerasplanten voor. Voorbeelden hiervan zijn zwarte zegge, krabbescheer, holpijp en lidsteng.

Fauna

De gemeente De Marne is een belangrijk gebied voor weide- en akkervogels en vogels van waterrijke gebieden. Vanwege de belangrijke ganzengebieden en broed-, foerageer- en rustgebieden voor verschillende vogelsoorten is het zeekleilandschap in ornithologisch opzicht van (inter)nationale betekenis.

Vanwege het voorkomen van sloten, singels en erfbeplantingen is het gehele plangebied van belang voor broedvogels. De oude erfbeplantingen van (voormalige) borgterreinen is van belang voor vele soorten, waaronder predatoren als torenvalk en ransuil.

Enkele andere kenmerkende broedende soorten in de gemeente zijn gele kwikstaart, bruine kiekendief, knobbelzwaan en grasmus. Foeragerende en pleisterende soorten zijn bijvoorbeeld goudplevier, kievit, grutto en wulp. In het Reitdiepgebied, de maren en sloten zijn de meest voorkomende soorten de fuut, waterhoen, meerkoet, kuifeend en waterhoen.

Insecten en kleine zoogdieren worden met name aangetroffen in kruidenrijke perceelsranden en bermen. Hazen komen in het gehele plangebied voor; reeën zijn gebonden aan bosachtige delen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1663.BG2018-VO01_0010.jpg"

Eendenkooi in de Westpolder

4.2 Beleid

Europees

VOGEL- EN HABITATRICHTLIJN
De Vogelrichtlijn is gericht op het beschermen van de in het wild levende vogelsoorten en op de instandhouding van de leefgebieden (habitats) van deze soorten. De Habitatrichtlijn is gericht op het instandhouden van natuurlijke en halfnatuurlijke habitats en bescherming van wilde flora en fauna. De internationale verplichtingen uit beide richtlijnen zijn verankerd in de Wet natuurbescherming (voorheen in de Natuurbeschermingswet 1998).

Rekening dient te worden gehouden met het afwegingskader dat op deze gebieden van toepassing is. Dit afwegingskader is echter niet alleen van toepassing op activiteiten binnen de richtlijngebieden, maar ook op activiteiten in de nabijheid hiervan (als deze gevolgen kunnen hebben voor de richtlijngebieden). Gesproken wordt van de externe werking.

Gelet op de externe werking, zijn de aangewezen gebieden de Waddenzee (Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijngebied) en het Lauwersmeergebied (Vogelrichtlijngebied) relevant voor het buitengebied van gemeente De Marne. In het navolgende zijn de betreffende gebieden getypeerd. Het gaat om de volgende habitattypen en soorten:

Habitatrichtlijngebied Waddenzee
Habitattype

  • permanent met zeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken;
  • estuaria;
  • bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten;
  • eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Zeekraal (Salicornia sp.) en andere zoutminnende soorten;
  • Atlantische schorren met kweldergrasvegetatie (Glauco-Puccinellietalia maritimae);
  • embryonale wandelende duinen;
  • wandelende duinen op de strandwal met Helm (Ammophila arenaria; zogenaamde witte duinen);
  • schorren met slijkgrasvegetatie (Spartinion maritimae);
  • vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (grijze duinen).

Soort

  • fint;
  • grijze zeehond;
  • zeehond;
  • zeeprik.

Vogelrichtlijngebied Waddenzee
De Waddenzee is aangewezen als Speciale Beschermingszone onder de EU-Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het gebied zich kwalificeert op grond van een aantal internationaal van belang zijnde vogelsoorten. De aanwijzing als Vogelrichtlijngebied heeft betrekking op de volgende vogelsoorten:

Aalscholver   Grote Zaagbek   Rotgans  
Aalscholver (broedvogel)   Grutto   Scholekster  
Bergeend   Kanoet   Slechtvalk  
Blauwe Kiekendief (broedvogel)   Kievit   Slobeend  
Bontbekplevier   Kleine Mantelmeeuw (broedvogel)   Smient  
Bontbekplevier (broedvogel)   Kleine Zwaan   Steenloper  
Bonte strandloper   Kluut   Strandplevier (broedvogel)  
Brandgans   Kluut (broedvogel)   Tapuit (broedvogel)  
Brilduiker   Kolgans   Toendrarietgans  
Bruine Kiekendief (broedvogel)   Krakeend   Toppereend  
Drieteenstrandloper   Krombekstrandloper   Tureluur  
Dwergstern (broedvogel)   Lepelaar   Velduil (broedvogel)  
Eider   Lepelaar (broedvogel)   Visdief (broedvogel)  
Eider (broedvogel)   Meerkoet   Wilde eend  
Fuut   Middelste Zaagbek   Wintertaling  
Goudplevier   Nonnetje   Wulp  
Grauwe Gans   Noordse Stern (broedvogel)   Zilverplevier  
Groenpootruiter   Pijlstaart   Zwarte ruiter  
Grote stern (broedvogel)   Rosse grutto   Zwarte stern  

Vogelrichtlijngebied Lauwersmeer
De speciale beschermingszone, tevens Wetland, Lauwersmeer bestaat uit open water, moerassen en graslanden. De aanwijzing als Vogelrichtlijngebied heeft betrekking op de volgende vogelsoorten (soorten gemarkeerd met een sterretje (*) zijn de zogenaamde 'kwalificerende soorten' waarvoor het gebied is geselecteerd als Vogelrichtlijngebied):

Aalscholver   Kleine Zilverreiger   Reuzenstern*  
Bergeend   Kleine Zwaan*   Rietzanger (broedvogel)  
Blauwborst (broedvogel)   Kluut   Rotgans  
Bontbekplevier   Kluut (broedvogel)   Slechtvalk  
Brandgans*   Kolgans   Slobeend*  
Brilduiker   Krakeend*   Smient  
Bruine Kiekendief (broedvogel)*   Kuifeend   Steenloper  
Dwergmeeuw   Lepelaar*   Tafeleend  
Fuut   Meerkoet   Visarend  
Goudplevier   Nonnetje   Wilde eend  
Grauwe Gans*   Noordse Stern (broedvogel)   Wilde Zwaan  
Grauwe Kiekendief (broedvogel)*   Oeverzwaluw   Wintertaling  
Grote Zilverreiger   Paapje (broedvogel)*   Wulp  
Grutto   Porseleinhoen (broedvogel)   Zilverplevier  
Kemphaan (broedvogel)*   Pijlstaart*    

Rijk

STRUCTUURVISIE INFRASTRUCTUUR EN RUIMTE
In de SVIR ligt de nadruk op bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige bijzondere waarden en kenmerken van de volgende gebieden: Vogel- en Habitatrichtlijngebieden, gebieden aangewezen op grond van de Wet natuurbescherming (voorheen Natuurbeschermingswet) en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Rijk, provincies en gemeenten zijn hier samen verantwoordelijk voor.

Bescherming, instandhouding en ontwikkeling van daarbuiten gelegen natuurgebieden en leefgebieden van in (inter)nationaal verband beschermde soorten is de verantwoordelijkheid van provincies en gemeenten.

STRUCTUURVISIE DERDE NOTA WADDENZEE
De Structuurvisie Derde Nota Waddenzee (voorheen planologische kernbeslissing, inmiddels onderdeel van de SVIR) bevat de hoofdlijnen van het rijksbeleid voor de Waddenzee. De structuurvisie geeft de begrenzing van de Waddenzee en het Waddengebied. De Waddenzee betreft het water van de Waddenzee met inbegrip van droogvallende zandplaten en slikken. Het Waddengebied is een zone om de Waddenzee. De gemeente De Marne is onderdeel van het Waddengebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1663.BG2018-VO01_0011.jpg"

Grens Waddenzee (rood) en Waddengebied (groen), Derde Nota Waddenzee 2007, deel 4

De hoofddoelstelling voor de Waddenzee is "de duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied en het behoud van het unieke open landschap". De structuurvisie geeft de beleidskeuzen die het Rijk relevant acht voor het realiseren van de doelstellingen van de Waddenzee. Deze zijn uitgesplitst in maatregelen gericht op:

  • de natuur in brede zin (inclusief kwaliteit van water, bodem en lucht);
  • bestaande en nieuwe menselijke activiteiten in de Waddenzee en daarbuiten, voor zover van invloed op de Waddenzee.

Wat betreft de externe werking beschrijft de structuurvisie: "[p]lannen, projecten of handelingen buiten het pkb-gebied, waarvan op grond van objectieve gegevens niet kan worden uitgesloten dat zij afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, projecten of handelingen significante gevolgen hebben voor de, op grond van deze pkb, te beschermen en te behouden waarden en kenmerken van de Waddenzee, dienen aan de hoofddoelstelling van deze pkb te worden getoetst".

Het afwegingskader ten aanzien van natuurwaarden, landschappelijke waarden, archeologische waarden en waterkwaliteit, zoals beschreven in de structuurvisie, geldt ook voor ontwikkelingen die in het Waddengebied plaatsvinden.

WET NATUURBESCHERMING 
De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. De wet geldt sinds 1 januari 2017 en vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. In de wet is de Europese wetgeving verankerd. De wet regelt de natuurbescherming in gebieden, in het wild voorkomende diersoorten en plantensoorten en de Nederlandse bossen.

RIJKSNATUURVISIE 'NATUURLIJK VERDER'
In 2014 is door het Rijk de Natuurvisie 'Natuurlijk verder' opgesteld. In de natuurvisie wordt in grote lijnen het natuurbeleid voor de komende tien jaar beschreven. Kernpunt van de visie is een omslag in het denken: natuur hoort midden in de samenleving thuis. Daarnaast zijn veel taken op het gebied van natuurbescherming en -ontwikkeling overgedragen van het Rijk naar de provincies.

In de Rijksnatuurvisie wordt ook ingegaan op het Natuurnetwerk Nederland. Dit zijn gebieden die behoren tot de hoofdstructuur van Nederlandse natuurgebieden. Daarnaast wordt uitgebreid aandacht besteed aan het combineren van natuur met andere functies, zoals landbouw en recreatie.

Provincie

OMGEVINGSVISIE PROVINCIE GRONINGEN 
In de Omgevingsvisie van de provincie Groningen is voor het thema natuur het volgende provinciale belang opgenomen: het beschermen en ontwikkelen van de biodiversiteit, zowel binnen als buiten het Nationaal Natuurnetwerk Nederland.

De in het plangebied aanwezige aandachtsgebieden voor natuur zijn: het Waddengebied, het Natura 2000-gebied en NNN-gebied Waddenzee, leefgebieden voor akkervogels en bos- en natuurgebieden buiten het NNN.

Ter behoud van deze waarden zijn in het voorliggend bestemmingsplan specifieke regelingen voor in het plangebied aanwezige waarden, zoals benoemd in de Omgevingsverordening (zie onderstaande afbeelding), integraal opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1663.BG2018-VO01_0012.jpg"

Omgevingsverordening, kaart Natuur

Hoofdstuk 5 Landbouw

5.1 Huidige situatie

De agrarische sector is van groot belang in de gemeente De Marne. De bedrijfsvoering van de productiebedrijven die voor hun inkomen (vrijwel) volledig afhankelijk zijn van de landbouwontwikkelingen op Europese en mondiale schaal, staat mede door marktontwikkelingen en verdergaande milieuvoorschriften onder toenemende politieke druk. Dat is een punt van grote zorg. Los van de economische en sociale problematiek die dat met zich meebrengt, komt de landschapsinstandhouding voornamelijk op agrarische schouders terecht. De sector zal ruimte worden gegeven voor alternatieve bedrijfsvoeringen en teelten die de economische dynamiek en veerkracht van de sector in stand zullen houden. De plattelandseconomie zal door deze ontwikkelingen veranderen. De afgelopen jaren is al een trend zichtbaar van enerzijds wonen, anderzijds het ontstaan van allerlei kleinschalige soms hoogwaardige economische bedrijvigheid op het gebied van de agrarische dienstverlening en toerisme die de bestaande werkgelegenheid op het platteland wel doet veranderen van samenstelling, maar ook in stand houdt. Deze geleidelijke verandering is van groot belang om de plattelandseconomie vitaal te houden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1663.BG2018-VO01_0013.jpg"

Agrarisch bedrijf verscholen in het groen

5.2 Beleid

Rijk

STRUCTUURVISIE INFRASTRUCTUUR EN RUIMTE
De grondgebonden landbouw is een belangrijke economische en landschappelijke drager van het landelijk gebied. In de SVIR wordt landbouw met name genoemd in relatie tot natuur en water. De formulering van ruimtelijk beleid voor grondgebonden landbouw en van de bijbehorende regels is een verantwoordelijkheid van provincies en gemeenten.

Provincie

OMGEVINGSVISIE PROVINCIE GRONINGEN
In de Omgevingsvisie van de provincie Groningen is aangegeven op welke wijze de provincie de ontwikkelingen in de landbouw wil ontwikkelen, toetsen, toelaten en stimuleren. De provincie wil met haar beleid duurzame ontwikkeling van landbouw stimuleren.

Schaalvergroting en modernisering van de landbouw van de landbouw kan op gespannen voet staan met onze landschaps- en natuurdoelen en andere maatschappelijke wensen. Om aantasting van het landschap te voorkomen, mogen boeren niet overal in de provincie het bedrijf uitbreiden. Het uitbreiden van een agrarisch bedrijf is in principe alleen toegestaan binnen de bouwvlakken die in het bestemmingsplan zijn aangegeven.

De provincie maakt gebruik van twee werkwijzen om hiermee om te gaan: de Bouwblok op maatmethode en het Groninger Verdienmodel. Voor de Bouwblok op maatmethode zijn voorwaarden opgenomen in de Omgevingsverordening voor het vergroten van een agrarisch bouwblok boven de 1 ha. Het Groninger Verdienmodel is ontwikkeld om te bepalen of een melkrundveehouderij en de bedrijfsvoering wezenlijk bijdraagt aan verduurzaming van de sector. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan, bijvoorbeeld voor het uitbreiden van een bedrijf, moet het bedrijf voldoen aan de eisen die gelden voor het Groninger Verdienmodel. De provincie toetst hieraan.

De Omgevingsvisie en bijbehorende verordening geeft kaders voor agrarische bouwpercelen, intensieve veehouderij en glastuinbouw. Voor intensieve veehouderij is in de Omgevingsverordening vastgelegd op welke locaties een veehouderij met een maximaal stalvloeroppervlakte van 7.500 m2 (groen) of 5.000 m2 (oranje) mag uitbreiden en waar geen uitbreiding is toegestaan (geel).

afbeelding "i_NL.IMRO.1663.BG2018-VO01_0014.jpg"

Omgevingsverordening, kaart intensieve veehouderij

Gemeente

STRUCTUURVISIE 
In de Structuurvisie van gemeente De Marne wordt 'sterke landbouw' genoemd als een van de beleidsdoelen. Het beleid van de gemeente is er op gericht om ruimte te geven aan de ontwikkeling van de landbouw, mits landschappelijk zorgvuldig ingepast. Door schaalvergroting in de landbouw komt agrarische bebouwing vrij. Deze gebouwen moeten, zeker daar waar het cultuurhistorisch waardevolle en/of karakteristieke panden betreft, zoveel als mogelijk een nieuwe invulling krijgen. Tenslotte vormt de verkeersafwikkeling van het landbouwverkeer (agrologistiek) een belangrijk aandachtspunt. Als gevolg van processen van schaalvergroting nemen de afmetingen van de voertuigen, alsmede de afstanden tussen de boerderij en het land toe. Hierdoor ontstaat er meer druk op het lokale wegennet. Voorkomen moet worden dat dit tot verkeersonveilige situaties leidt.

VISIE MESTOPSLAG DE MARNE
Op [datum nader in te vullen] heeft de gemeente De Marne de Visie mestopslag De Marne vastgesteld. Deze visie is opgesteld in het kader van voorliggend bestemmingsplan; om in het bestemmingsplan niet alleen ruimte te bieden aan mestopslag in aansluiting op de agrarische bouwvlakken, maar ook aan mestopslag op veldkavels. De provincie Groningen stemt alleen toe in mestopslag op veldkavels als daaraan een ruimtelijke visie ten grondslag ligt.

De algemene uitgangspunten van de visie voor mestopslag op veldkavels zijn de volgende:

  • er wordt aangetoond dat er door milieuhygiënische knelpunten, dan wel planologische of logistieke belemmeringen op of direct aansluitend aan het bouwvlak binnen de bestemmingLandschappelijke en natuurlijke waarden onvoldoende ruimte is;
  • de mestopslagplaats is in hoofdzaak bestemd voor gebruik binnen de bedrijfsvoering van het agrarische bedrijf waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft;
  • de inhoud van het mestbassin bedraagt niet meer dan 3.000 m3;
  • de milieuregelgeving verzet zich niet tegen de aanleg.

Voor het buitengebied van de gemeente is een kaart opgesteld waarin te zien is binnen welke gebieden kan worden gezocht naar een geschikte locatie. Bij het opstellen van de kaart is rekening gehouden met aanwezige landschappelijke waarden in het gebied. Verder geldt, behalve vorengenoemde voorwaarden, nog een aantal kwalitatieve voorwaarden waaraan wordt getoetst, zoals een minimum afstand tot een ander mestbassin of een sloot en voorwaarden wat betreft de uitvoering van een mestbassin.

Hoofdstuk 6 Recreatie

6.1 Huidige situatie

Dagrecreatie

In recreatief opzicht is De Marne een zeer aantrekkelijke gemeente, waarbij verder moet worden gekeken dan het Lauwersmeergebied. Voor zowel rust- als natuurzoekers, maar ook voor de meer actieve vormen van recreatie (wandelen, fietsen, watersport) heeft de gemeente namelijk veel te bieden. In eerdere hoofdstukken werd reeds stilgestaan bij waarden van landschap en cultuurhistorie.

Verblijfsrecreatie

In het plangebied bevindt zich een aantal kampeerterreinen, te weten:

  • Camping 't Heerdje te Houwerzijl (SVR);
  • Leenstertillen te Leens (Staatsbosbeheer);
  • Klein Deikum te Pieterburen (SVR);
  • Robersum te Vierhuizen (SNK).

In alle gevallen gaat het om kampeerterreinen met een bescheiden omvang. Op een aantal van deze terreinen bevinden zich tevens alternatieve vormen van verblijfsrecreatie, zoals groepsaccommodaties en trekkershutten.

6.2 Beleid

Provincie

OMGEVINGSVISIE PROVINCIE GRONINGEN
In de Omgevingsvisie van de provincie Groningen wordt beperkt aandacht besteed aan recreatie en toerisme. Het beleid richt zich op het beperkt bieden van ruimte aan de uitbreiding van kampeerterreinen en recreatiewoningen om verstening en verdichting van het open landschap te voorkomen. De provincie investeert in goede routestructuren en in de kwaliteit van recreatieve routenetwerken, wandel- en fietspaden en bijbehorende voorzieningen, het basistoervaarnet en dagrecreatieve terreinen.

In de Omgevingsverordening zijn voorwaarden opgenomen over het gebruik van recreatiewoningen en uitbreiding van kampeerterreinen.

Gemeente

STRUCTUURVISIE
In de Structuurvisie van de gemeente De Marne is het beleidsdoel 'ruimte voor recreatieve ondernemers' opgenomen.

Het gemeentelijk beleid op het vlak van toerisme en recreatie richt zich op het aantrekken van meer bezoekers. Daarnaast heeft de gemeente de ambitie om toeristen en recreanten langer in het gebied vast te houden. In dit kader is het gemeentelijk beleid gericht op het vergroten van (kleinschalige) overnachtingsmogelijkheden.

De gemeente zet in op het beter benutten van bestaande waarden door de bijzondere ontstaansgeschiedenis en de daaruit voortvloeiende ruimtelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van het landschap en in de dorpen herkenbaar en afleesbaar te maken. Bijvoorbeeld door het herstellen van trek- of kerkpaden om de toegankelijkheid van het landschap te vergroten en het hergebruik van cultuurhistorisch waardevolle panden.

Naast het beter benutten van de bestaande waarden vraagt een krachtige toeristische sector ook om nieuwe kwaliteiten. Het Plan voor Regie en Ruimtelijke Ontwikkeling Lauwersoog voorziet voor Lauwersoog een rol als trekpleister van De Marne met ruimte voor de visserij in combinatie met toeristisch-recreatieve functies. Omdat Lauwersoog geen onderdeel is van voorliggend bestemmingsplan, wordt hier niet nader op ingegaan.

BELEIDSPLAN RECREATIE EN TOERISME
Het Beleidsplan Recreatie en Toerisme (2013) geeft een visie op de ontwikkelingen van toerisme en recreatie in de gemeente De Marne.

Toerisme is een belangrijke sector in gemeente De Marne. Het is een van de weinige sectoren waar nog groei mogelijk lijkt. Toch staan de bestedingen onder druk. Doel van gemeente De Marne is de komende jaren meer toeristen te trekken die langer blijven en meer besteden zodat de economische vitaliteit, werkgelegenheid en leefbaarheid toenemen.

In het beleidsplan gaat de gemeente uit van drie uitgangspunten:

  • 1. de gemeente als onderdeel van het Waddengebied;
  • 2. de gemeente met een eigen profiel;
  • 3. de ondernemer is aan zet, de gemeente stimuleert en faciliteert.

Het beleidsplan is uitgewerkt in een concreet uitvoeringsprogramma.

Hoofdstuk 7 Wonen en niet-agrarische bedrijvigheid

7.1 Huidige situatie

Wonen

Het buitengebied van de gemeente De Marne heeft een lange occupatiegeschiedenis. In hoofdstuk 3 is hierover een historische uiteenzetting gegeven. Het wonen in het buitengebied was tot de Tweede Wereldoorlog gebonden aan de bedrijvigheid op het platteland. Daarna zien we dat steeds meer mensen in het buitengebied komen wonen die elders werk vinden. Meestal werden bestaande woningen betrokken en opgeknapt, maar soms vond ook volledige nieuwbouw plaats als vervanging van de bestaande woning. In de jaren zestig en zeventig, toen door de welvaartsontwikkeling het 'buiten wonen' sterk in de belangstelling stond, heeft de trek naar het buitengebied zijn hoogtepunt bereikt.

Mede door de schaalvergroting in de landbouw en de uitstoot van arbeidskrachten wordt de groep mensen die door hun werk aan het buitengebied gebonden zijn (boeren en boerenarbeiders) steeds kleiner. Dit proces zet zich nog steeds voort. Werden aanvankelijk de arbeiderswoningen bewoond door mensen die niet functioneel aan het buitengebied zijn gebonden, de afgelopen jaren doet zich dit ook in toenemende mate voor bij de boerderijen. De toename van de mobiliteit en de behoefte aan rust en ruimte maken deze vrijkomende woningen en boerderijen tot begeerde objecten. Ook de gunstige situering in de nabijheid van (hoofd)kernen speelde en speelt een rol. Deze ontwikkeling heeft er mede voor gezorgd dat de verloedering van het platteland is uitgebleven; in veel gevallen zijn voormalige agrarische bedrijfsgebouwen tot juweeltjes van woningen omgetoverd.

Niet-functioneel aan het buitengebied gebonden bewoners beperken op zich niet de hoofdfuncties van het buitengebied (landbouw, natuur en landschap). Toch komt het wel voor dat er conflicten ontstaan bij de uitbreiding van agrarische bedrijven. De Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit maken de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven bijvoorbeeld afhankelijk van naburige woonbebouwing. Uitzondering hierop zijn zogenaamde plattelandswoningen. In de wet is geregeld dat voormalig agrarische bedrijfswoningen kunnen worden uitgesloten van beoordeling op milieuaspecten zoals geur en geluid, naar aanleiding van uitbreiding van het agrarisch bedrijf waar de woning voorheen onderdeel van was. Hierdoor wordt het bewonen van een plattelandswoning toch mogelijk ondanks dat de woning geen onderdeel meer uitmaakt van het bedrijf.

Een ander belangrijk aspect met ruimtelijke consequenties is het verschijnsel van de hobbyboeren. Een groot aantal bewoners van het buitengebied is agrarisch bezig, hetzij als pure hobby, hetzij als bron van neveninkomsten. In voormalige boerderijen kunnen de gewenste activiteiten meestal zonder ruimtelijke gevolgen worden uitgeoefend. Bij de andere woningen zullen nog al eens bijgebouwen van een zeker formaat nodig zijn.

In het plangebied is de bebouwing vooral langs linten gebouwd. Ook wordt verspreid in het landelijke gebied bebouwing aangetroffen. Het gaat veelal om forse tot zeer forse agrarische bedrijfsgebouwen, al dan niet voorzien van een tweede bedrijfswoning.

Niet-agrarische bedrijvigheid

In het plangebied komen verder verschillende niet-agrarische bedrijven voor. Het betreft hier zowel functioneel als ook niet-functioneel aan het landelijk gebied gebonden bedrijvigheid.

7.2 Beleid

Rijk

STRUCTUURVISIE INFRASTRUCTUUR EN RUIMTE
Een van de nationale belangen die de SVIR benoemt, is die van een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit betekent onder andere dat ruimte zorgvuldig moet worden benut en overprogrammering moet worden voorkomen. Om die doelstellingen te bereiken, is de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. In ruimtelijke besluiten zal voortaan moeten worden gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt ten aanzien van het ruimtegebruik. Onderdeel hiervan is de toets of een ontwikkeling plaatsvindt in bestaand stedelijk gebied.

Provincie

OMGEVINGSVISIE PROVINCIE GRONINGEN
Bij de Omgevingsvisie van de provincie Groningen is een kaart bijgevoegd waarop de begrenzing van het buitengebied is vastgelegd.

De provincie wil voor het buitengebied de waarde voor natuur en recreatie ontwikkelen en de landschappelijke kernkarakteristieken behouden en waar mogelijk versterken. Ook wil de provincie het buitengebied als woongebied aantrekkelijk houden en bedrijven de mogelijkheid bieden om zich te vestigen in vrijkomende bebouwing en zich daar te ontwikkelen. Omdat de inrichting van het buitengebied zowel vitaal als duurzaam dient te zijn, is daarnaast zuinig ruimtegebruik een belangrijk uitgangspunt. De provinciale voorwaarden en regels zijn opgenomen in de Omgevingsverordening.

Hoofdstuk 8 Overige functies

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de overige in het plangebied voorkomende functies en worden deze getoetst aan het provinciale en gemeentelijke beleid. De functies zand-, klei-, zout- en waterwinning blijven onbesproken, omdat deze in het plangebied niet voorkomen. Hetzelfde geldt voor hoogspanningsleidingen en straalpaden.

8.1 Wegen

Huidige situatie

De belangrijkste wegen in de gemeente zijn de N361 (Groningen-Lauwersoog), de N388 (Grijpskerk-N361), de N983 (Aduard-Wehe-den Hoorn) en de N984 (Mensingeweer-Eenrum). Deze wegen vervullen een functie voor het doorgaande regionale verkeer. De overige wegen binnen de gemeente hebben met name een functie voor de lokale ontsluiting.

Beleid

PROVINCIE
De provincie streeft naar een veilig en goed wegennet waarvan functie en gebruik goed op elkaar zijn afgestemd. De N361 wordt in de Omgevingsvisie genoemd als een van de relatief drukke wegen waar maatregelen moeten worden genomen voor een betere doorstroming en/of verkeersveiligheid.

De provincie heeft voor de wegen N361, N388 en N983 een zonering opgenomen in het provinciaal basisnet vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over deze wegen. Ontwikkelingen die binnen deze zonering vallen, moeten worden getoetst aan de voorwaarden zoals opgenomen in de Omgevingsverordening.

GEMEENTE 
De gemeente De Marne heeft een Verkeer- en Vervoersplan voor 2009-2019 vastgesteld. De uitgangspunten die door de gemeente worden aangehouden, zijn:

  • binnen de bebouwde kom, op doorgaande wegen, een maximumsnelheid aanhouden van 50 km/uur waar het kan en 30 km/uur waar het moet. Op de overige wegen in de dorpen 30 km/uur;
  • buiten de bebouwde kom zijn alle gemeentelijke wegen erftoegangswegen;
  • buiten de bebouwde kom een maximum snelheid aanhouden van 80 km/uur waar het kan en 60 km/uur waar het moet (geen 60 km/uur-gebieden);
  • geen landbouwverkeer toestaan op de N361;
  • in principe geen wegen voor het landbouwverkeer afsluiten;
  • busvervoer door de dorpen toestaan;
  • de principes die ten grondslag liggen aan Duurzaam Veilig.

Verder geeft de gemeente in haar Structuurvisie aandacht aan de N361. Een van de beleidsdoelen is het vergroten van de veiligheid van de aansluitingen op deze weg. In 2009 is het wegennet in De Marne geanalyseerd op verkeersveiligheid, uitgedrukt in aantallen ongevallen en letselongevallen. De meeste letselongevallen op de N361 vinden plaats ter hoogte van kruisingen. De gemeente De Marne zet in op het vergroten van de verkeersveiligheid van deze kruisingen met behoud van de ruimtelijke kernkwaliteit.

8.2 Antennemasten

Huidige situatie

De gemeente heeft drie bestaande locaties van opstelpunten (waaronder de C2000-mast nabij Leens) voor antennemasten, alsmede een daklocatie aangewezen waar opwaardering van het aantal operators en/of reconstructie van de mast tot een maximale hoogte van 40 m mogelijk is.

Beleid

PROVINCIE
In de Omgevingsvisie van de provincie Groningen is opgenomen dat antennemasten op een zorgvuldige wijze in het landschap moeten worden ingepast. Daarbij wordt geadviseerd aan de gemeenten om zoveel als mogelijk masten te bundelen en bij de plaatsing van masten aan te sluiten op bestaande verticale elementen in het landschap. Er zijn geen voorwaarden opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening wat betreft antennemasten.

GEMEENTE
Gemeente De Marne heeft op 13 december 2011 de Notitie Antennebeleid vastgesteld. Het plaatsen van een antenne-installatie is in sommige gevallen mogelijk door middel van binnenplans afwijken van een bestemmingsplan. In dat geval staan de voorwaarden in het bestemmingsplan.

De notitie is opgesteld als beleidskader voor het buitenplans afwijken voor kruimelgevallen. In dat geval moet het collega van burgemeester en wethouders afwegen of zij willen meewerken aan de plaatsing van een antenne-installatie. De notitie biedt een beleidskader voor een uniforme en efficiënte toepassing van regelgeving, de samenwerking tussen de verschillende belanghebbenden, de locatiekeuze en de verschijningsvorm van de installaties.

Het beleid stelt algemene plaatsingscriteria waaraan in ieder geval moet worden voldaan bij de plaatsing van een antenne. Daarnaast is een gebiedsindeling gemaakt die bepaalt voor welke gebieden een stimulerend of restrictief beleid geldt.

Voor het buitengebied van de gemeente geldt een stimulerend beleid. De gemeente streeft in dit gebied naar een zo gunstig mogelijke landschappelijke inpassing waarbij geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en/of natuurwaarden in de directe omgeving. Antenne-installaties dienen op zo'n manier en op een dergelijke locatie te worden gerealiseerd dat ze de minste verstoring van de horizon opleveren. De voorwaarde die in alle gebieden geldt, aansluiten bij bestaande bebouwing of elementen, is in het buitengebied dan ook van groot belang.

afbeelding "i_NL.IMRO.1663.BG2018-VO01_0015.jpg"

Windturbine in de Hornhuisterpolder

8.3 Windturbines

Huidige situatie

In het plangebied staat een aantal windturbines. Deze zijn alle gesitueerd in het noordelijk deel van de gemeente. Langs de Ommelanderweg bevindt zich een cluster windturbines.

Beleid

PROVINCIE
In de Omgevingsvisie heeft de provincie drie concentratiegebieden aangegeven voor regionale windparken. Binnen het plangebied komen dergelijke zoekgebieden niet voor.

Voor windturbines buiten de concentratiegebieden stimuleert en faciliteert de provincie het verwijderen van bestaande solitaire windturbines. Een mogelijkheid is een bestaande turbine te verwijderen en binnen de spelregels terug te brengen binnen een van de concentratiegebieden.

Daarnaast kunnen gemeenten in een bestemmingplan ruimte bieden aan windturbines tot 15 m hoogte. In het buitenstedelijk gebied zijn twee typen pilotprojecten mogelijk: maximaal 3 kleine windturbines binnen een zone van 25 m rond een agrarisch bouwperceel of een park of lijnopstelling als onderdeel van een lokaal energie-initiatief.

GEMEENTE
In de structuurvisie van de gemeente is opgenomen dat de gemeente de opwekking van duurzame energie stimuleert, zolang dat niet ten koste gaat van de ruimtelijke kwaliteit van het landschap. Windturbines hoger dan 15 m passen niet in het open landschap van De Marne en zijn om die reden niet wenselijk. Bovendien wordt de Waddenkust gevrijwaard van windturbines. Binnen 2 km uit de Ommelanderzeedijk zijn geen nieuwe windturbines toegestaan (dit is op de verbeelding aangegeven met de aanduiding 'vrijwaringszone - windturbines').

Hoofdstuk 9 Milieuhygiëne

9.1 Algemeen

Wat betreft de ruimtelijke ordening en de milieuregelgeving is in ons land sprake van een tweesporenbeleid, welke beide hun eigen wettelijke kaders hebben (Wet ruimtelijke ordening en de Wet milieubeheer). Afstemming tussen beide kaders is van groot belang. Tevens is het van belang om duidelijkheid te scheppen wat betreft de regelgeving (dubbele regelingen moeten worden voorkomen). De regelgeving in dit bestemmingsplan spitst zich dan ook toe op de ruimtelijke aspecten van de milieuwetgeving. Waar dat nodig is, wordt bij ontheffings- of wijzigingsbevoegdheden ook getoetst aan de milieuhygiënische consequenties van de ingreep.

9.2 Landbouw

Ammoniak

BELEID
De Wet ammoniak en veehouderij en het Besluit emissiearme huisvesting vormen het wettelijke toetsingsinstrumentarium met betrekking tot het verlenen van milieuvergunningen voor de emissie van ammoniak uit dierenverblijven. De Wet ammoniak en veehouderij is van toepassing op de kwetsbare gebieden en een zone van 250 m daaromheen.

VERTALING
Uit gegevens van de provincie Groningen blijkt dat dergelijke gebieden niet in de gemeente De Marne voorkomen. Ook bevinden zich in het plangebied geen zones van buiten het plangebied gelegen voor verzuring gevoelige gebieden. Een en ander impliceert dat ammoniakwetgeving niet relevant is voor het voorliggende bestemmingsplan.

Geur

BELEID
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteitenbesluit vormen het toetsingskader voor geurhinder veroorzaakt door tot veehouderijen behorende dierenverblijven. De Wgv geldt voor veehouderijen die op grond van het Besluit omgevingsrecht vergunningplichtig zijn. Het Activiteitenbesluit geldt voor veehouderijen die volledig onder de werking van het Activiteitenbesluit vallen.

In de wetgeving wordt onderscheid gemaakt tussen de maximale toegestane geurbelasting binnen en buiten de bebouwde kom en de concentratie- en niet-concentratiegebieden (in de zin van de Meststoffenwet). Concreet betekent dit dat in de dorpskernen en in de gebieden waar weinig veehouderij is te vinden, de minste stankoverlast is toegestaan.

Een belangrijk onderdeel van de wetgeving is de gemeentelijke mogelijkheid om een eigen geurbeleid te ontwikkelen. Afhankelijk van de doelstellingen met een bepaald gebied, kunnen normen naar boven of beneden worden gevarieerd. Dit dient echter wel in een ruimtelijke visie te worden neergelegd. In die visie dienen de afwijkende normen te worden gemotiveerd vanuit de gewenste ruimtelijke inrichting van het betreffende gebied en/of de relatie tussen geurbelasting en geurhinder. De 'standaardnormen' in de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit zijn echter zodanig gekozen dat de uitbreidingsmogelijkheden voor veehouderijen niet wijzigen ten opzichte van de uitvoeringspraktijk van de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996. Wanneer de gemeente besluit de normen te variëren, wijzigen de uitbreidingsmogelijkheden uiteraard wel ten opzichte van de richtlijn 1996.

De Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit regelen ook op welke wijze wordt omgegaan met de (voormalige) agrarische bedrijfswoningen. Na beëindiging van het agrarische bedrijf krijgt de voormalige bedrijfswoning in de huidige situatie 'automatisch' de status van burgerwoning. In de wetgeving wordt aan de huidige en de voormalige bedrijfswoningen van veehouderijen (peildatum beëindiging agrarisch bedrijf 19 maart 2000) een lichte bescherming tegen geurhinder uit dierverblijven toegekend.

De Wet geurhinder en veehouderij bepaalt dat uitsluitend gebouwen geurgevoelig zijn. Kijkend naar bijvoorbeeld campings en golfterreinen zijn daarmee uitsluitend de (club)gebouwen geurgevoelig.

Door middel van deze wetgeving wordt de toegestane geurbelasting op geurgevoelige objecten vanuit dierverblijven geregeld.

VERTALING
Zoals hiervoor aangegeven, biedt de wetgeving op het gebied van geur de gemeente de mogelijkheid in het vormgeven van een eigen geurbeleid. De wet bevat een aantal elementen met een duidelijke ruimtelijke component:

  • 1. het al dan niet per gebied laten variëren van de geurnormen;
  • 2. het omgaan met (voormalige) agrarische bedrijfswoningen.

Deze aspecten dienen weliswaar vanuit ruimtelijke motieven te worden onderbouwd, de juridische vertaling dient plaats te vinden via gemeentelijke verordeningen. De afweging omtrent deze aspecten kan los van het bestemmingsplan plaatsvinden.

Dierenwelzijn

BELEID
In verschillende wetgeving zijn eisen opgenomen voor het beschermen van het dierenwelzijn, zoals in de Wet dieren, het Besluit houders van dieren en de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Met name deze laatste gaat in op het houden van dieren in de agrarische sector.

VERTALING
In het bestemmingsplan is een regeling opgenomen zodat, wanneer de Gezondsheids- en welzijnswet dit vereist, in ruimtelijk opzicht kan worden voldaan aan de nieuwe bepalingen (zie paragraaf 12.2).

Milieuzones

BELEID
De laatste jaren is de afstand, die dient te worden aangehouden tussen landbouwbedrijven en geurgevoelige functies, voor de landbouw steeds problematischer geworden. Dit komt voort uit strengere afstandsnormen (welke strikter worden gehanteerd) en een toename van het aantal woningen in het buitengebied. De uitbreidingsruimte van de overblijvende agrarische bedrijven wordt door deze ontwikkelingen steeds verder beperkt.

VERTALING
De exacte zone rond een agrarisch bedrijf verschilt van bedrijf tot bedrijf; op deze plaats kan dan ook geen eenduidige categorisering worden gegeven. De zone van het betreffende agrarische bedrijf is vastgelegd in de milieuvergunning. In het bestemmingsplan wordt bijvoorbeeld in het kader van een groot aantal ontheffings- en wijzigingsbepalingen rekening gehouden met de milieuzones.

9.3 Geluidzones

Industrieterreinen

BELEID
In de Wet geluidhinder zijn regels opgenomen waarmee wordt voorzien in de vaststelling van geluidzones rond industrieterreinen of "grote lawaaimakers".

Binnen het plangebied komen geen gezoneerde industrieterreinen voor. Daarnaast komen geen inrichtingen voor die in onderdeel D, bijlage 1 van het Besluit omgevingsrecht zijn aangewezen als "grote lawaaimaker" volgens de Wet geluidhinder.

Bij Ulrum bevindt zich wel een kartbaan die als "grote lawaaimaker" is aangewezen. De kartbaan is gezoneerd op grond van de Wet geluidhinder. De zone valt deels in het plangebied. Op de verbeelding van voorliggend bestemmingsplan is deze zone aangegeven en in de regels zijn hiervoor geluidsnormen opgenomen.

VERTALING
In voorliggend bestemmingsplan is de nieuwvestiging van "grote lawaaimakers" uitgesloten.

Wegen

BELEID
In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones. In een buitenstedelijk gebied voor wegen bestaande uit drie of vier rijstroken geldt een zone van 400 m en voor wegen bestaande uit een of twee rijstroken geldt een zone van 250 m, gemeten vanuit de as van de weg. Een uitzondering hierop vormen die wegen waar een maximum snelheid van 30 km/uur geldt en wegen die zijn aangeduid als woonerf.

Indien binnen deze zones geluidsgevoelige bebouwing wordt gerealiseerd, dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden om vast te stellen of voldaan kan worden aan de geluidsnormen zoals opgenomen in de Wet geluidhinder.

VERTALING
In het voorliggende bestemmingsplan is het ontwikkelen van geluidgevoelige objecten bij recht niet mogelijk. Alleen het bouwen van een tweede bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf is bij recht mogelijk, maar hiervoor is wel eerst een omgevingsvergunning noodzakelijk. Een toets aan de Wet geluidhinder voor voorliggend bestemmingsplan is niet noodzakelijk.

9.4 Externe veiligheid

Wetgeving

Ten aanzien van externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in:

  • inrichtingen (Besluit externe veiligheid inrichtingen);
  • transport van gevaarlijke stoffen via weg, water en spoor (Besluit externe veiligheid transportroutes met bijbehorend Basisnet);
  • transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen (Besluit externe veiligheid buisleidingen).

Voor externe veiligheid worden twee categorieën risicogevoelige objecten onderscheiden, namelijk kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.

Bij kwetsbare objecten kan bijvoorbeeld worden gedacht aan woningen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, scholen, kinderopvang, grote kantoren, hotels en winkelcomplexen en grote kampeer- en recreatieterreinen.

Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen, dienstwoningen van derden, kleinere kantoren, hotels en winkels, bedrijfsgebouwen, sporthallen, zwembaden, speeltuinen, overige sport- en kampeerterreinen en objecten van hoge infrastructurele waarde zoals elektriciteitscentrales.

Het risico wordt in wet- en regelgeving rond externe veiligheid vertaald in het plaatsgebonden risico, weergegeven in de 10-6 jaar/contour (grenswaarde voor kwetsbare objecten en richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten) en het groepsrisico (ontwikkelingen in het invloedsgebied getoetst aan een oriënterende waarde).

Toetsing

INRICHTINGEN
In en in de nabijheid van het plangebied liggen een aantal inrichtingen met gevaarlijke stoffen die onder het Bevi vallen. Van een van deze inrichtingen valt de plaatsgebonden risicocontour en het invloedsgebied in het plangebied. Het betreft de volgende Bevi-inrichting:

Inrichting   PR 10-6-jaar/contour in meter   Binnen/buiten plangebied   Invloedsgebied in meter   Binnen/buiten plangebied  
Shell tankstation Wehe-den Hoorn   35 (vulpunt)
25 (reservoir)
15 (afleverinstallatie)  
binnen   150 (vulpunt en reservoir)   binnen  

Vorengenoemd tankstation ligt buiten het plangebied, maar de risicocontouren en het invloedsgebied overlapt het plangebied voor voorliggend bestemmingsplan. Er zijn geen kwetsbare objecten gelegen binnen deze contouren.

Twee Bevi-inrichtingen liggen op zeer korte afstand van het plangebied. Het gaat om Heiploeg B.V. in Zoutkamp en om een inrichting van de Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. in Saaksum. De risicocontouren van deze inrichtingen overlappen het plangebied niet.

Verder zijn er nog een aantal inrichtingen in het plangebied gelegen waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen, maar die niet onder het Bevi vallen. Deze inrichtingen vallen daarmee onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer. Het bestemmingsplan heeft met betrekking tot deze opslagplaatsen dan ook geen taak.

Uitzondering hierop is de net buiten het plangebied gelegen Willem Lodewijk van Nassau-kazerne, waar een munitieopslag aanwezig is waarvoor veiligheidsafstanden gelden. Hier wordt nader op ingegaan in paragraaf 9.5.

WEGEN
In het plangebied ligt een aantal wegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het betreft de navolgende wegen:

Weg   Veiligheidszone 3 in meters   Binnen/buiten plangebied   Veiligheidszone 2 in meters   Binnen/buiten plangebied  
N361   30   binnen   200   binnen  
N388   30   binnen   200   binnen  

In de Omgevingsverordening van de provincie Groningen zijn veiligheidszones voor provinciale wegen vastgelegd. Binnen Veiligheidszone 3 mag een bestemmingsplan niet voorzien in de bouw van nieuwe objecten of het gebruik van bestaande objecten voor minder zelfredzame personen. Binnen Veiligheidszone 2 (invloedsgebied) zijn in de verordening voorwaarden opgesteld met betrekking tot de verantwoording van het groepsrisico bij nieuwe ontwikkelingen binnen deze zone.

REITDIEP
In de huidige situatie is geen overschrijding van de oriënterende waarden voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Vanwege het conserverende karakter van voorliggend bestemmingsplan wijzigt het risico niet.

BUISLEIDINGEN
Binnen het plangebied is een groot aantal buisleidingen aanwezig waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het betreft aardgastransportleidingen waarvoor een plaatsgebonden risicocontour geldt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1663.BG2018-VO01_0016.jpg"

Buisleidingen, uitsnede risicokaart.nl

Vertaling

P.m. Omgevingsdienst

9.5 Veiligheidszone defensieterrein

In het plangebied bevindt zich een klein deel van de C-veiligheidszone rond de munitieopslag op de Willem Lodewijk van Nassau-kazerne. Door het Ministerie van Defensie wordt bij brief van 5 december 2005 aangegeven dat binnen deze zones geen inbreuken op veiligheidzones aanwezig zijn. Het voorliggende bestemmingsplan brengt daarin geen verandering. De gronden welke vallen binnen de C-veiligheidszone betreffen uitsluitend onbebouwde agrarische gronden. Het bestemmingsplan laat het bebouwen van deze gronden niet toe. Om die reden is in het huidige bestemmingsplan, in overleg met het Commando Diensten Centra van het Ministerie van Defensie, besloten af te zien van een juridische vertaling in de regels. Dit uitgangspunt wordt in voorliggend bestemmingsplan aangehouden. Ter info is op navolgende afbeelding de betreffende veiligheidszone aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1663.BG2018-VO01_0017.jpg"

Kazerne, uitsnede risicokaart.nl

9.6 Bodemverontreiniging

Huidige situatie

Binnen het hele plangebied is een grote variatie van gebruiken aanwezig, waaronder landbouw, bouwgrond, recreatie, wonen, werken, wegen et cetera. Het landelijke Bodemloket (internetversie) maakt duidelijk dat in het plangebied een groot aantal locaties voorkomt waar zich bodemverontreinigingen en/of brandstoftanks in de bodem bevinden. Op een groot aantal locaties is reeds bodemonderzoek uitgevoerd.

Overweging

Op basis van de huidige situatie, het gebruik en de historische informatie, kan worden geconcludeerd dat bodemverontreinigingen zijn te verwachten die een belemmering kunnen gaan vormen voor mogelijke ontwikkelingen. Alvorens de ontwikkeling kan worden gerealiseerd, zal mogelijk vooraf een onderzoek (historisch onderzoek, locatieonderzoek, verkennend onderzoek en eventueel een nader onderzoek en saneringsonderzoek) plaatsvinden ter plaatse van alle geconstateerde potentiële bodemverontreinigende activiteiten. In een beperkt aantal gevallen is reeds onderzoek voorhanden. In het vervolgonderzoek zal de beschikbare informatie worden meegewogen of eventuele verontreinigingen voldoende in beeld zijn gebracht en of een sanering (na het volgen van de juiste procedures) dient te worden uitgevoerd.

Te allen tijde dient verontreinigde bodem op een verantwoorde wijze te worden afgevoerd. In alle situaties moet men streven naar een gesloten grondbalans. In die situaties, waar grond gaat vrijkomen, wordt sterk aanbevolen om de kwaliteit van de vrijkomende bodem analytisch vast te stellen. Uiteraard dient het onderzoek representatief te zijn voor de hele vrijkomende partij.

Aanbevolen wordt om, indien grond vrijkomt van diverse locaties, conform de hiernavolgende punten te handelen:

  • 1. Indien grond vrijkomt met bijmenging van puin of andere bodemvreemde materialen dient deze bij voorkeur binnen het betreffende perceel te worden verwerkt.
  • 2. Bij het werken met grond ter plaatse van locaties met potentiële bodemverontreinigingen dient men te letten op bijzonderheden, waardoor een eventuele bron/oorzaak van de hogere concentraties van verontreinigingen kunnen worden achterhaald.
  • 3. In de volgende voorkomende gevallen dient contact te worden opgenomen met de afdeling Milieu van de gemeente De Marne:
      • a. indien graafwerkzaamheden worden gestart op en/of nabij locaties met een potentiële bodemverontreiniging;
      • b. indien verontreinigde grond en/of verontreinigd grondwater vrijkomt;
      • c. indien Categorie I-grond, wat niet op de percelen zelf kan worden verwerkt, vrijkomt;
      • d. indien tijdens graafwerkzaamheden een brandstofgeur, verfgeur, andere bodemvreemde geuren of bijzonderheden (bijzonderheden die mogelijk duiden op de aanwezigheid van een mogelijke bodemverontreiniging zoals ondergrondse tanks of leidingen) worden waargenomen;
      • e. indien tijdens graafwerkzaamheden asbest wordt waargenomen;
      • f. indien grond vrijkomt, waarvan middels uitloging nog een nadere categorie dient te worden vastgesteld en tevens indien hiervan een definitieve categorie op basis van uitlogingsresultaten is beoordeeld.

9.7 Plan-m.e.r.

Het bestemmingsplan is er vooral op gericht de bestaande situatie in het bestemmingsplangebied te behouden en daar waar mogelijk te versterken. Ten behoeve van die versterking is het noodzakelijk dat het bestemmingsplan mogelijkheden biedt voor toekomstige ontwikkelingen. Alleen op deze manier kan een levendig landelijk gebied worden gewaarborgd. Hiermee vormt het bestemmingsplan het kader voor mogelijke m.e.r.-(beoordeling)plichtige activiteiten en is het noodzakelijk om een planMER op te stellen voor het ontwerpbestemmingsplan. Een dergelijk rapport biedt inzicht in de verschillende milieueffecten van de ontwikkelingen die op grond van het bestemmingsplan mogelijk zijn. Op basis van dit planMER kan een onderbouwde en overwogen keuze worden gemaakt over welke ontwikkelingen wel en welke niet mogelijk gemaakt (kunnen) worden op basis van milieuoverwegingen. Het planMER is als bijlage aan dit bestemmingsplan toegevoegd.

In het planMER zijn met name agrarische activiteiten onderzocht, omdat deze activiteiten in het voorliggend bestemmingsplan kaderstellend zijn voor de plan-m.e.r. Overige relevante aspecten zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening echter eveneens onderzocht. Op basis van dit inzicht in de verwachte milieueffecten is het mogelijk om het voornemen, zoals dat in het voorontwerpbestemmingsplan is uitgewerkt, en een alternatief hiervoor te beoordelen. Naar aanleiding hiervan zijn, met de planMER als onderdeel van de onderbouwing, keuzes gemaakt in de ontwikkelingen die wel en die niet op grond van het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.

P.m. aanvullen BHA

Hoofdstuk 10 Vertaling bijzondere thema's

10.1 Inleiding

In deel 1 van het bestemmingsplan is de huidige situatie in het plangebied beschreven. Daarbij is telkens het relevante beleid van de verschillende overheden weergegeven.

In deel 2 van het bestemmingsplan wordt aangegeven op welke wijze de gemeente (binnen de beschreven beleidskaders) het bestemmingsplan heeft vormgegeven.

In hoofdstuk 10 wordt allereerst ingegaan op de vertaling van een aantal uit overige wet- en regelgeving afkomstige thema's. Het gaat hier om wet- en regelgeving op het gebied van archeologie, ecologie, water en de externe werking van de Waddenzee. Omdat deze wet- en regelgeving gevolgen heeft voor de concrete beleidsuitwerking per functie, is dit hoofdstuk voor de planbeschrijving geplaatst.

In hoofdstuk 11 is de planbeschrijving opgenomen, waarin wordt ingegaan op de wijzigingen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied. Vervolgens wordt in hoofdstuk 12 de juridische vormgeving van het plan beschreven. Daarbij wordt allereerst ingegaan op de deelgebiedsindeling. Vanaf paragraaf 12.2 worden per thema de gegeven regels besproken.

10.2 Archeologie

Gekozen is voor het opnemen van dubbelbestemmingen. Een dubbelbestemming is een bestemming die naast een andere bestemming geldt. Er is gekozen voor een dubbelbestemming in plaats van aanduidingen, omdat deze bestemming veel andere bestemmingen overlapt. Was dit niet het geval geweest, dan had ook voor een extra aanduiding op de verbeelding en daarbij behorende regels in de enkelbestemming kunnen worden gekozen.

Vertaling naar het bestemmingsplan

De uitgangspunten met betrekking tot het in 2008 vastgestelde beleid, het rapport van bureau RAAP Archeologisch Adviesbureau met bijbehorende beleidsadvieskaarten, zijn juridisch vertaald in voorliggend bestemmingsplan. In paragraaf 3.3 is al ingegaan op het vastgestelde archeologiebeleid.

In het bestemmingsplan zijn de dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie 2, Waarde - Archeologie 3 en Waarde - Archeologie 4 opgenomen; deze corresponderen met de Nota Archeologiebeleid Regio Noord-Groningen. In dat rapport zijn de AMK-terreinen aangeduid als Waarde-Archeologie 1. In het bestemmingsplan is deze dubbelbestemming niet opgenomen, omdat dit monumenten betreft die al door rijksbeleid (Erfgoedwet) beschermd zijn.

10.3 Ecologie

Het plangebied kent (vanuit ecologisch oogpunt) zowel waardevolle als minder waardevolle delen. De vanuit ecologisch oogpunt minder waardevolle delen overheersen echter. Verreweg het grootste deel van het plangebied bestaat namelijk uit gras- en akkerland en herbergt voornamelijk algemeen voorkomende soorten flora en fauna. Wel is het gebied van belang voor weide- en akkervogels en vogels van waterrijke gebieden. Daarnaast vertegenwoordigen sloten en bermen plaatselijk bepaalde natuurwaarden.

De gemeente is van mening de voorkomende waarden te moeten beschermen, maar tegelijk geen onnodige beperkingen te moeten opleggen aan delen van het plangebied waar aanwijsbaar minder waarden van flora en fauna voorkomen. Deze overweging vormt de basis voor de gekozen regeling.

Het uitvoeren van een ecologisch onderzoek is verplicht in geval van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Hoewel het voorliggende plan bij recht ontwikkelingen (veelal binnen het bouwvlak) mogelijk maakt, is op dit moment niet bekend of en wanneer gedurende de looptijd van het bestemmingsplan bepaalde ontwikkelingen zullen plaatsvinden. Indien bij de voorbereiding van het bestemmingsplan reeds uitgebreid flora- en faunaonderzoek zou zijn uitgevoerd, bestaat daarnaast een gerede kans dat de resultaten zijn achterhaald op het moment dat een bepaalde ontwikkeling wordt gerealiseerd. Een ecologisch onderzoek heeft namelijk een 'houdbaarheid' van maximaal vijf jaar, terwijl een bestemmingsplan Buitengebied doorgaans tien jaar of langer vigeert. Dit gegeven vraagt om een andere aanpak. Bij alle in het bestemmingsplan opgenomen ontheffingen en wijzigingen is het uitvoeren van ecologisch onderzoek als voorwaarde opgenomen.

In het bestemmingsplan is voorts als volgt met bestaande ecologische waarden omgegaan.

Afwegingskader Wet natuurbescherming

Zoals eerder in deze toelichting gesteld, grenst het plangebied aan een aantal Natura 2000-gebieden. Op deze gebieden (en gebieden in de directe nabijheid daarvan) is het afwegingskader van de Wet natuurbescherming van toepassing. Dit afwegingskader dient te worden betrokken bij de besluitvorming over nieuwe activiteiten of plannen die significante gevolgen kunnen hebben voor de te beschermen flora en fauna. In het navolgende wordt nader ingegaan op de relevantie voor het voorliggende bestemmingsplan en de wijze waarop een vertaling naar de regels heeft plaatsgevonden.

HUIDIG GEBRUIK
Naast de natuurlijke waarden van Lauwersmeer en Waddenzee, bieden beide gebieden een (tijdelijke) verblijfplaats aan een keur aan (water)vogels. De graslanden van het plangebied zijn zeer aantrekkelijke foerageergebieden voor een groot aantal van deze vogelsoorten. In de aanwijzingsbesluiten tot speciale beschermingszone wordt dit ook expliciet vermeld.

Een duidelijke relatie tussen de huidige activiteiten in het plangebied en floristische waarden is niet aan te geven. Aangenomen kan echter worden dat het huidige gebruik van het plangebied geen belemmering vormt voor de waarden van flora in de richtlijngebieden. Bij het opstellen van beheerplannen zal het bestaande gebruik worden getoetst. Eenzelfde conclusie kan worden getrokken ten aanzien van de relatie tussen de activiteiten in het plangebied en de waarden van fauna. Ondanks intensief agrarisch gebruik vormt het plangebied een zeer aantrekkelijk verblijfsgebied voor met name vogels. In de aanwijzingsbesluiten wordt overigens ook onderkend dat bestaand gebruik doorgaans geen belemmering vormt voor de richtlijngebieden.

TOEKOMSTIG GEBRUIK
De relatie tussen het toekomstige gebruik van het plangebied en de waarden van flora en fauna in de richtlijngebieden is in het kader van het voorliggende bestemmingsplan niet aan te geven. Op dit moment is er namelijk geen zicht op de locatie en de schaal van de ontwikkelingen welke gedurende de planperiode mogelijkerwijs zullen gaan plaatsvinden. In het bestemmingsplan is daarom een regeling opgenomen die in geval van ontwikkelingen (in de vorm van ontheffingen, wijzigingen en aanlegvergunningen) een toets aan het afwegingskader van de Wet natuurbescherming verplicht stelt. Deze verplichting geldt voor het gehele plangebied, omdat mogelijk het gehele plangebied wordt gebruikt als verblijfs- en foerageergebied voor kwalificerende vogelsoorten.

Bestaande natuurgebieden

De bestaande natuurgebieden, deel uitmakend van het Natuur Netwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstuctuur, zie kaart 4.1) zijn bestemd als Natuur. De juridische regeling in de regels is opgebouwd rond het behoud en ontwikkeling van deze gebieden. Ontwikkelingen (waaronder de bouw van uitkijktorens) zijn hier uitsluitend onder voorwaarden en via ontheffing mogelijk.

10.4 Water

Ontwikkelingen in het bestemmingsplan

Hoewel het bestemmingsplan Buitengebied kan worden gekarakteriseerd als een conserverend plan, worden in het plan toch de nodige ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Onderscheid kan worden gemaakt in bij recht geboden ontwikkelingsmogelijkheden en ontwikkelingen die slechts onder voorwaarden (ontheffingen en wijzigingen) mogelijk zijn.

Bij recht worden in het bestemmingsplan mogelijkheden geboden om bebouwing binnen het bouwvlak en bij woningen op te richten. Daarnaast kan worden gebouwd ten behoeve van functies als niet-agrarische bedrijven, verblijfsrecreatieterreinen, sportterreinen et cetera. Het gaat in al deze gevallen om kleine oppervlakken.

Daarnaast is een groot aantal ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk via een ontheffings- of wijzigingsbepaling en/of een aanlegvergunning.

Vertaling naar het bestemmingsplan

Het is van belang dat de waterschappen worden betrokken bij ontwikkelingen die gedurende de planperiode gaan spelen. Daarom is in de regels opgenomen dat ingeval van wijzigingen en ontheffingen, vooraf overleg dient te worden gevoerd met het waterschap. Dit biedt het betreffende waterschap de mogelijkheid haar wensen en adviezen kenbaar te maken. Eenzelfde bepaling is opgenomen bij de watergerelateerde aanlegvergunningen. Bij aanvragen voor dergelijke vergunningen van het betreffende waterschap dient vooraf met het waterschap te worden overlegd.

Het waterschap geeft op voorhand het volgende aan:

  • er is een voorkeur voor, waar mogelijk, lokale infiltratie van neerslag van verhard oppervlak;
  • in geval van nieuwe ontwikkelingen dient, bij een toename van de verharding >750 m², compenserende berging voor opvang van de neerslag te worden gerealiseerd. Neerslag van een schoon verhard oppervlak dient lokaal te worden geïnfiltreerd of te worden afgevoerd naar het oppervlaktewater;
  • afvalwater dient te worden afgevoerd naar de riolering. Ingeval dit niet mogelijk is, dient een IBA te worden gerealiseerd;
  • gebruik van uitlogende materialen dient te worden voorkomen.

In dit kader nog de opmerking dat de provincie middels het kanalenreglement bevoegdheden heeft voor het gebruik van waterwegen als vaarweg.

Wateradvies

Wat betreft het formele wateradvies het volgende. In het voortraject is overleg gevoerd met het waterschap. Naar aanleiding van dit overleg is besloten om naast de verplicht te bestemmen primaire waterkering en oude dijken, ook de regionale keringen en hoofdwatergangen te bestemmen. Verder krijgen de rioolgemalen en rwzi's een passende (nuts) bestemming indien dit nog niet is opgenomen in het vigerende bestemmingsplan.

10.5 Afstemming Structuurvisie Derde Nota Waddenzee

Zoals in hoofdstuk 4 werd opgemerkt, dient rekening te worden gehouden met de externe werking zoals die volgt uit de Structuurvisie Derde Nota Waddenzee.

Wat betreft de externe werking beschrijft de structuurvisie: "[p]lannen, projecten of handelingen buiten het pkb-gebied, waarvan op grond van objectieve gegevens niet kan worden uitgesloten dat zij afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, projecten of handelingen significante gevolgen hebben voor de, op grond van deze pkb, te beschermen en te behouden waarden en kenmerken van de Waddenzee, dienen aan de hoofddoelstelling van deze pkb te worden getoetst".

Een vraag die van belang is welke ontwikkelingen in het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt welke mogelijk significante gevolgen hebben voor de aanwezige waarden. In hoofdstuk 4.2 staan de aanwezige waarden en mogelijke ontwikkelingen opgesomd.

Relevante ontwikkelingen zijn:

  • in de Waddenzee geluidhinder opleverende activiteiten door voorgenomen bedrijfsactiviteiten;
  • de aanleg van kabels en buisleidingen in de nabijheid van het gebied;
  • aantasting van de kenmerkende open horizon door de voorgenomen vestiging van windturbines;
  • in de Waddenzee lichthinder veroorzakende activiteiten, zoals grootschalige kassencomplexen.

De genoemde ontwikkelingen zijn in het bestemmingsplan niet bij recht mogelijk. Een uitzondering hierop is het bij recht oprichten van 1.000 m² aan kassen bij een agrarisch bedrijf. Dergelijke mogelijkheden kunnen echter niet worden aangemerkt als 'grootschalige kassencomplexen'.

Alle overige genoemde ontwikkelingen zijn uitsluitend mogelijk met gebruikmaking van een aanlegvergunning, ontheffing of wijziging. In de regels is bepaald dat alvorens de aanlegvergunning, ontheffing of wijziging wordt verleend, aangetoond dient te worden dat de activiteit niet leidt tot aantasting van de waarden en kenmerken van het Waddengebied zoals beschreven in de Structuurvisie Derde Nota Waddenzee. De betreffende waarden en kenmerken zijn opgenomen in de regels van het voorliggende bestemmingsplan.

Hoofdstuk 11 Planbeschrijving

Voorliggend bestemmingsplan is conserverend van aard. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Toch is het bestemmingsplan opnieuw getoetst aan de huidige wetgeving en beleid. Daarnaast zijn alle plannen waaraan de gemeente De Marne haar medewerking heeft verleend na vaststelling van het bestemmingsplan Buitengebied 2008, verwerkt in voorliggend bestemmingsplan. Een overzicht van deze plannen is opgenomen in paragraaf 11.2 Wijzigingsplannen en omgevingsvergunningen.

Dit hoofdstuk beschrijft de wijzigingen van voorliggend bestemmingsplan ten opzichte van het geldende bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente De Marne.

In bijlage 1 van deze toelichting is daarnaast een overzicht gevoegd met daarin de omissies in het plan die na vaststelling aan het licht zijn gekomen en hoe deze omissies zijn aangepast in voorliggend plan.

11.1 Beleid

Update beleidsdocumenten

Voorliggend bestemmingsplan is getoetst aan het geldende beleid op het niveau van het Rijk, de provincie en de gemeente.

Er is onder meer getoetst aan de landelijke Structuurvisie Infrastructuur in Ruimte, welke het landelijke ruimtelijke beleid omvat. Daarnaast is aan de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening van de provincie Groningen getoetst. Ook gemeente De Marne heeft een nieuwe structuurvisie vastgesteld (2014) waarin het beleid voor de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente is opgenomen.

Verder is onderwerpspecifiek beleid, zoals een nieuwe welstandnota, het Beleidsplan Recreatie en Toerisme en de Visie Mestopslag van de gemeente, opgenomen in de toelichting.

Agrarische bouwvlakken

In het bestemmingsplan Buitengebied (2008) is de zogenaamde 'cirkel systematiek' toegepast. Voor de agrarische bedrijven in het buitengebied is een cirkelvormig bouwvlak opgenomen waarvoor een regel was opgenomen. In de regel staat dat er bebouwing is toestaan binnen een oppervlakte van 1 of 2 ha, afhankelijk van de aanduiding. Verder moet de bebouwing per bedrijf worden geconcentreerd binnen een vierhoek, in de meeste gevallen aan één zijde van de weg, aansluiten bij de bestaande bebouwing en rekening houden met uitzicht vanaf de (dienst)woning.

In voorliggend bestemmingsplan is per agrarisch bedrijf een passend bouwvlak vastgesteld. De oppervlakte van het bouwvlak is gelijk aan de oppervlakte die was toegestaan op basis van het bestemmingsplan Buitengebied 2008, maar het bouwvlak bepaalt nu de grenzen waarbinnen mag worden gebouwd. De systematiek van het cirkelvormige bouwvlak is in voorliggend bestemmingsplan losgelaten, omdat deze systematiek niet meer kan worden toegepast binnen het huidige geldende provinciale beleid.

11.2 Wijzigingsplannen en omgevingsvergunningen

  • Bestemmingsplan Aagtsweg 3 Eenrum
  • Wijzigingsplan Trekweg 1 Wehe den Hoorn
  • Bestemmingsplan Schapenhouderij Westpolder Vierhuizen
  • Buitengebied herziening 1 Radarmast Rijkswaterstaat
  • Herbouw schuur met bedrijfswoning, Vlakkeriet 3 Houwerzijl
  • Bestemmingsplan Leidingtrace Ranum - Saaksum
  • Wijzigingsplan voormalige bibliotheek Zuster A .Westerhofstraat 21 te Leens
  • Inpassingsplan N361 Mensingeweer-Ranum
  • Omgevingsvergunning Broeksterweg 24 te Broek
  • Omgevingsvergunning Breekweg 14 te Leens
  • Wijzigingsplan Vlakkeriet 6 Houwerzijl
  • Bestemmingsplan Dijksterweg 51 Kleine Huisjes
  • Theehuis Westpolder

Hoofdstuk 12 Juridische vormgeving

12.1 Gebiedsbestemmingen

Gebiedsindeling

In het bestemmingsplan wordt gewerkt met één alomvattende gebiedsbestemming Agrarisch - Landschappelijke en natuurlijke waarden.

Binnen de agrarische bestemming is een keur aan te beschermen landschappelijke waarden aanwezig In het navolgende is daarom een opsomming gegeven van de kernkwaliteiten van het landschap en de wijze waarop deze in het bestemmingsplan worden beschermd.

Kernkwaliteit   Bescherming  
Oude dijken   Deze zijn opgenomen in de dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle lijnen. Beschermd worden cultuurhistorisch waardevolle wegen, dijken en dijkrestanten, alsmede de landschapselementen die met de oude dijken samenhangen, zoals coupures, schotbalkoodsjes en kolken.  
Wierden   Het reliëf van de wierden wordt beschermd middels de dubbelbestemming Waarde - Wierden.
De zones rondom de wierden hebben de dubbelbestemming Waarde - Invloedsgebied wierden. Deze dubbelbestemming bevat regels die gericht zijn op de bescherming van de landschappelijke openheid.  
Openheid   Kenmerkend voor delen van het gebied. De grootschalige open gebieden hebben de dubbelbestemming Waarde - Open gebied.  
Opstrekkende verkaveling   Het gebied dat betrekking heeft op landschap met een herkenbare opstrekkende verkaveling is bestemd als Waarde - Verkaveling.  
Verkaveling   Het gehele plangebied is zodanig herverkaveld, dat zich hier geen kenmerkende verkavelingen meer bevinden.  
Karakteristieke waterlopen   Het beloop en het profiel van de karakteristieke waterlopen zijn beschermd door middel van deze bestemming.  
Diepe plassen en meren   De diepe plassen en meren zijn als zodanig aangeduid binnen de bestemming Water.  

Op deze wijze bevat het bestemmingsplan voldoende beschermende maatregelen voor de bestaande landschappelijke waarden. In het geldende bestemmingsplan was in de agrarische bestemming een omgevingsvergunningenstelsel (aanlegvergunningen) opgenomen, maar omdat dit nu is geborgd in de (dubbel) bestemmingen is deze regeling geschrapt uit de agrarische bestemming. De gemeente heeft ervoor gekozen de cultuurhistorische waarden in een apart (facet)bestemmingsplan op te nemen. Dit betreft onder meer de karakteristieke panden en de cultuurhistorisch waardevolle erven.

Ontwikkelingsrichting per functie

De kenmerken en kwaliteiten van een deelgebied en de wijze waarop deze deelgebieden nu al voor functies als landbouw en natuur worden gebruikt, bepalen de ontwikkelingen van de verschillende functies in het landelijk gebied binnen de bestemmingsplanperiode. Deze ontwikkelingen zijn mede afhankelijk van het beleid dat door Rijk en provincie wordt gevoerd.

De ontwikkelingen zijn op hun beurt van belang voor het bestemmingsplanbeleid. In het navolgende wordt daarom een overzicht gegeven van de ontwikkelingen van de verschillende functies in het buitengebied die een vertaling vinden in het bestemmingsplan. Een en ander wordt gedetailleerd uitgewerkt in het vervolg van Hoofdstuk 12.

LANDBOUW
Al een aantal jaren is een proces gaande van terugloop van het aantal bedrijven en opschaling van de overblijvende bedrijven. Ook in de gemeente De Marne is dit proces herkenbaar.

De gemeente De Marne biedt de ruimte om schaalvergroting te realiseren. In de Structuurvisie van gemeente De Marne wordt 'sterke landbouw' genoemd als één van de beleidsdoelen. Het beleid van de gemeente is er op gericht om ruimte te geven aan de ontwikkeling van de landbouw, mits landschappelijk zorgvuldig ingepast.

Door schaalvergroting in de landbouw komt agrarische bebouwing vrij. Voor deze gebouwen moeten, zeker daar waar het cultuurhistorisch waardevolle en/of karakteristieke panden betreft, zoveel als mogelijk nieuwe functies worden gezocht.

NATUUR
Het gebied rond het Lauwersmeer en de Waddenzee vertegenwoordigen zeer hoge natuurwaarden. Deze gebieden bevinden zich echter buiten het plangebied. De provinciale kaart Natuur (Natuurnetwerk Nederland) laat zien dat de natuurwaarden met name zijn te vinden in kleinere eenheden (in de vorm van bijvoorbeeld eendenkooien, dobben en kleinere bospercelen). Logischerwijs ligt het accent wat betreft het natuurbeleid op de natuurwaarden van de Waddenzee en het Lauwersmeergebied. Wel streeft de gemeente binnen het plangebied naar herstel van landschappelijke en natuurlijke waarden. Ook dienen bij ontwikkelingen de bestaande waarden van flora en fauna (die zich bijvoorbeeld bevinden in sloten, in bermen en in de singels en erfbeplantingen) te worden meegenomen in de afweging omtrent de beoogde ontwikkeling.

RECREATIE EN TOERISME
Ook op het gebied van recreatie en toerisme ligt de grootste 'waarde' buiten het plangebied (Lauwersoog). Dit neemt echter niet weg dat ook het plangebied veel heeft te bieden voor de 'stille genieter'. Het fraaie landschap met zijn vergezichten, de kronkelende waterlopen, de rust en de fraaie dorpen vormen kwaliteiten, die in toenemende mate worden gewaardeerd. De bestaande recreatieve infrastructuur is berekend op een opschaling van recreatie en toerisme. De uitbreiding van de recreatieve infrastructuur, zoals varen, fietsen en wandelen, wordt bevorderd.

Vormen van kleinschalige (verblijfs)recreatie, als nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf, staan volop in de belangstelling, zoals kleinschalig kamperen, bed & breakfast en dagrecreatieve activiteiten en daarmee samenhangende horeca. Niet alleen boeren en toeristen hebben echter baat bij deze recreatieve ontwikkeling. Er is namelijk ook sprake van een positief effect op de middenstand in de dorpen van het platteland. Deze ontwikkelingen komen de algehele leefbaarheid ten goede. De gemeente wil hiervoor dan ook onder voorwaarden mogelijkheden bieden.

WONEN
Vrijkomende agrarische bedrijven raken in toenemende mate in trek voor bewoning door burgers. Deze tendens is ook in de gemeente De Marne waarneembaar. De gemeente wil hiervoor de ruimte bieden. Veelal kan door functieverandering ten behoeve van het wonen een positieve bijdrage worden geleverd aan de instandhouding van het vaak cultuurhistorisch waardevolle erfgoed en de leefbaarheid van het platteland.

Met betrekking tot bouwen in het buitengebied is het beperkt. Bij beëindiging van het agrarisch bedrijf bestaat via een functiewijziging naar wonen een mogelijkheid voor woningsplitsing. De Ruimte-voor-Ruimte-regeling biedt mogelijkheid voor de bouw van één of twee nieuwe woningen, afhankelijk van het oppervlakte aan te saneren (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing. Ook is een saneringsregeling opgenomen voor de sloop van voormalige (agrarische) bedrijfsbebouwing met een terugbouwregeling van 50% van de bestaande oppervlakte van de te slopen bebouwing. Er mag nooit meer dan 100 m2 aan gebouwen worden teruggebouwd. Hiermee kan worden afgeweken van de regel dat de oppervlakte van en woning inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen niet meer dan 300 m2 mag bedragen. Uiteraard geldt dit alleen als de bestaande oppervlakte al meer bedraagt. Per saldo neemt de totale oppervlakte aan bebouwing bij het toepassen van deze regeling af.

Voor de huisvesting in verband met mantelzorg zijn geen regels in dit bestemmingsplan opgenomen. Vergunningvrij mag deze huisvesting plaatsvinden in (vrijstaande) bijgebouwen bij (bedrijfs)woningen (zie bijlage II van het Besluit omgevingsrecht).

Bedrijfswoningen bij agrarische bedrijven die door personen worden bewoond die geen binding hebben met het daar gevestigde agrarisch bedrijf, kunnen worden omgezet in een zogenaamde plattelandswoning.

NIET-AGRARISCHE BEDRIJVIGHEID
Vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen kunnen een aantrekkelijke vestigingslocatie vormen voor kleine (startende) ondernemingen. Deze ontwikkeling heeft een aantal voordelen:

  • vestiging stimuleert de lokale economie;
  • vestiging levert een bijdrage aan het behoud van de leefbaarheid;
  • vestiging impliceert het behoud van een voormalig agrarisch pand.

De gemeente zal dan ook (zij het op beperkte schaal) ruimte bieden voor omzetting van de voormalige agrarische bebouwing naar een bedrijfsbestemming, uitsluitend in combinatie met de woonfunctie. Wel zal in het concrete geval een zorgvuldige afweging van alle in het geding zijnde belangen moeten worden gemaakt.

OVERIGE FUNCTIES
Het plangebied wordt doorsneden door verschillende wegen. Er wordt niet ingezet op aanpassingen (bijvoorbeeld in de vorm van verdubbeling) van deze wegen.

Wat betreft het water zijn alleen de hoofdwatergangen bestemd. De overige sloten en waterlopen maken deel uit van de agrarische bestemming.

In het plangebied zijn gaswinlocaties en nutsvoorzieningen aanwezig. Er is niet voorzien in een uitbreiding hiervan.

Functierangorde en hoofdbeleidskeuze

Verreweg het grootste deel van het plangebied is in agrarisch gebruik. In een aantal gevallen heeft de natuur het primaat. In deze gebieden zijn de planologische ontwikkelingsmogelijkheden gericht op het realiseren van de natuurdoelstellingen. Hierna wordt per gebiedsbestemming de hoofdlijnen van het beleid beschreven.

AGRARISCH

  • Landbouw

Aan de grondgebonden landbouw worden ruime ontwikkelingsmogelijkheden geboden. Ook nieuwvestiging van grondgebonden agrarische bedrijven is toegestaan.

In de gemeente De Marne wordt al sinds jaar en dag terughoudend omgegaan met de intensieve veehouderij. In het gehele buitengebied komt als gevolg van dit terughoudende gemeentelijke beleid slechts op zeer bescheiden schaal intensieve veehouderij voor. In de huidige situatie bevindt zich in het plangebied geen enkele volwaardige intensieve veehouderij. Wel komen enkele intensieve neventakken voor bij volwaardige grondgebonden agrarische bedrijven.

De gemeente De Marne continueert het terughoudende beleid op het gebied van intensieve veehouderij. De gemeente is van mening dat grootschalige intensieve veehouderijbedrijven niet passen in het landschap van de gemeente.

In de gemeente De Marne vormt ook de belevingswaarde van het landschap voor de recreant een belangrijk argument voor het te voeren beleid. Recreanten zoeken meer en meer rust, ruimte en frisse lucht. De Wet geurhinder en veehouderij gaat uitsluitend in op de bescherming van geurgevoelige objecten. Bescherming van recreanten tegen stank van intensieve veehouderij wordt niet in de genoemde wet geregeld, maar is voor de gemeente wel degelijk aan de orde.

De gemeente wil de thans aanwezige waarden en kwaliteiten (rust, ruimte en frisse lucht) behouden. In de huidige situatie is dit volledig gewaarborgd. Dit is mede te danken aan het tot nu toe gevoerde terughoudende beleid. Door het onderscheid tussen grondgebonden en niet-grondgebonden bedrijven geheel te laten vervallen, bestaat op alle bouwvlakken de mogelijkheid om zowel grondgebonden, als niet-grondgebonden agrarische bedrijvigheid uit te oefenen. Op deze wijze bestaat de kans dat er vele intensieve veehouderijbedrijven naar de gemeente De Marne zullen komen. Slechts de milieuvergunning zal daarbij enige sturing aan de omvang van de intensieve veehouderij-activiteiten geven. Een ruimtelijke afweging zal in het geheel niet meer aan de orde zijn, het bestemmingsplan laat een onderlinge uitwisseling immers bij recht toe. Dit acht de gemeente ongewenst.

Om die redenen zal de gemeente in haar beleid het onderscheid tussen intensieve en grondgebonden agrarische bedrijven handhaven. Dit is overigens in overeenstemming met het rijksbeleid zoals verwoord in de Nota Ruimte. Ook in de Nota Ruimte wordt namelijk nog onderscheid gemaakt in grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bedrijven. Dit beleid is eveneens in overeenstemming met de Omgevingsverordening van de provincie Groningen.

  • Natuur en landschap

Waar mogelijk streeft de gemeente naar herstel van landschappelijke en natuurlijke waarden. Punt van aandacht daarbij is de bescherming van landschappelijk waarden, zoals tot uitdrukking komend in onder andere het reliëf, de grootschalige openheid en de verkaveling. Het bestemmingsplan bevat hiertoe een beschermende regeling. Deze is nader toegelicht aan het begin van 12.1 Gebiedsbestemmingen

  • Cultuurhistorie en archeologie

Op het gebied van cultuurhistorie en archeologie worden eveneens geen bijzondere doelen nagestreefd. Bekende archeologische waarden moeten, waar mogelijk in situ, worden beschermd.

  • Recreatie en toerisme

Kleinschalige vormen van verblijfsrecreatie zijn onder voorwaarden mogelijk in combinatie met wonen of wonen ten behoeve van het bedrijf. Daarbij kan het gaan om:

  • 1. bed and breakfastvoorzieninggen tot een omvang van drie kamers voor in totaal zes personen; deze voorzieningen zijn bij recht toegestaan;
  • 2. minicamping met maximaal 15 kampeermiddelen, de gemeente gaat hierbij uit van een maximale bezetting van circa 60 personen per minicamping; een minicamping kan worden opgericht via een afwijking van de gebruiksregels. Indien de sanitaire voorzieningen niet in de bestaande bebouwing kunnen worden gerealiseerd kan via een afwijking van de bouwregels een sanitairgebouw worden gebouwd van maximaal 25 m2;
  • 3. maximaal drie camperplaatsen; deze voorzieningen zijn bij recht toegestaan bij een agrarisch bedrijf.

Ook dagrecreatief medegebruik op agrarische gronden is mogelijk. Hierbij moet worden gedacht aan dagrecreatieve voorzieningen, zoals voet-, fiets- en ruiterpaden, picknickplaatsen en visoevers.

  • Wonen en niet-agrarische bedrijven

Wonen en niet-agrarische bedrijvigheid worden in het plangebied gezien als ondergeschikte functies. Nieuwbouw van woningen is niet mogelijk, met uitzondering van ruimte-voor-ruimte. Voormalige agrarische gebouwen kunnen wel worden benut voor wonen. Het vestigen van nieuwe niet-agrarische bedrijven in vrijkomende agrarische bebouwing is eveneens mogelijk. Dit draagt bij aan de leefbaarheid van het landelijke gebied.

De woningen en niet-agrarische bedrijven zijn aangeduid met een functieaanduiding. De bouw- en gebruiksmogelijkheden gelden alleen voor het bouwperceel. Dit komt overeen met het functieaanduidingsvlak.

NATUUR

  • Natuur en landschap

In het gehele gebied worden waarden van de natuur beschermd en kan natuurontwikkeling plaatsvinden.

  • Cultuurhistorie en archeologie

Het beleid is gericht op het, indien mogelijk in situ, beschermen van de in het gebied voorkomende waarden van cultuurhistorie en archeologie.

  • Recreatie

Natuurgebieden lenen zich goed voor (extensief) recreatief medegebruik. Het bestemmingsplan biedt hiertoe mogelijkheden. Recreatief medegebruik is ten opzichte van natuur en landschap echter een ondergeschikte functie.

  • Wonen en niet-agrarische bedrijvigheid

Deze functies komen in de als zodanig bestemde natuurgebieden niet voor en zijn ook niet mogelijk.

12.2 Functiebestemmingen

Ten behoeve van de in paragraaf 12.1 genoemde beleidsdoelen worden in het bestemmingsplan regels gegeven ten aanzien van het bouwen en het gebruik van de gronden en gebouwen. In onderstaande paragraaf worden deze regels beschreven en toegelicht.

12.2.1 Landbouw
  • A. Agrarische bedrijven

Bestaande agrarische bedrijven

DE BESTEMMING
Binnen de bestemming Agrarisch - Landschappelijke en natuurlijke waarden zijn alle typen agrarische bedrijven aangegeven met een aanduiding. Er is onderscheid gemaakt tussen de volgende aanduidingen:

  • grondgebonden agrarisch bedrijf;
  • intensieve veehouderij;
  • grondgebonden agrarisch bedrijf met bestaande intensieve tak.

Als begrippen worden gehanteerd:

  • agrarisch bedrijf: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren;
  • grondgebonden agrarisch bedrijf: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren en waarbij hoofdzakelijk wordt gebruikgemaakt van open grond;
  • niet-grondgebonden agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf waarbij in hoofdzaak geen gebruik wordt gemaakt van open grond;
  • grondgebonden agrarisch bedrijf met bestaande intensieve tak: een agrarisch bedrijf waarbij hoofdzakelijk gebruik wordt gemaakt van open grond, maar waarbij tevens sprake is van een ondergeschikte tak intensieve veehouderij;
  • intensieve veehouderij: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het houden van dieren en waarbij hoofdzakelijk geen gebruik wordt gemaakt van open grond.

Toekennen bouwvlakken

Wat betreft het toekennen van agrarische bouwvlakken het volgende. In geval van het hobbymatig houden van dieren is geen agrarisch bouwvlak toegekend. Deze vorm kan namelijk onder de woonbestemming plaatsvinden. De jurisprudentie is maatgevend bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van het hobbymatig of bedrijfsmatig houden van dieren. Als sprake is van het bedrijfsmatig houden van dieren is een agrarisch bouwvlak opgenomen.

Agrarische bouwvlakken

In het bestemmingsplan is gewerkt met bouwvlakken van 1, 1,5 en 2 ha. Op een aantal plaatsen in het plangebied is het ongewenst dat agrarische bedrijven op die plaats wordt uitgebreid. Deze agrarische bedrijven hebben een bouwvlak van 1 ha.

Met het oog op het voorkomen van onveilige situaties en met het oog op negatieve landschappelijke effecten, dient een (grondgebonden) agrarisch bedrijf aan één zijde van de weg te worden uitgeoefend. In de regels is dit vastgelegd. De bouwvlakken die in de huidige situatie reeds aan de overzijde van de weg zijn uitgebreid, zijn op de verbeelding aangegeven door middel van de aanduiding 'relatie', waardoor deze niet onder het overgangsrecht zijn geplaatst.

Middels de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid voor het uitbreiden van bouwvlakken met een oppervlakte van 1,5 ha tot een totale oppervlakte van maximaal 2 ha heeft de gemeente voldoende mogelijkheden om per geval maatwerk te leveren. In het kader van die afweging kan ook het bouwen aan de overzijde van de weg worden overwogen.

Voor het vergroten van bouwvlakken tussen 1,5 en 2 ha moet de zogenaamde 'maatwerkmethode' worden toegepast onder begeleiding van een onafhankelijke deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur. Ook moet een erfinrichtingsplan worden opgesteld. De uitvoering en instandhouding van de erfbeplanting wordt geborgd met een voorwaardelijke verplichting.

Maatwerk bij uitbreiding agrarische bedrijven

Grondgebonden agrarische bedrijven met een bouwvlak van 1,5 ha of groter kunnen via een wijzigingsbevoegdheid worden uitgebreid tot 2 ha. Hiervoor moet conform het provinciale beleid de 'maatwerkmethode' worden toegepast, en moet een erfinrichtingsplan worden opgesteld, waarbij rekening moet worden gehouden met:

  • de historisch gegroeide landschapsstructuur;
  • de afstand tot andere ruimtelijke elementen;
  • een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van de bedrijfsgebouwen;
  • het uitgangspunt dat voor de bedrijfsvoering niet meer in gebruik zijnde opstallen, met uitzondering van monumentale of karakteristieke gebouwen binnen het bouwvlak worden gesloopt ;
  • het woon- en leefklimaat van direct omwonenden;
  • het aspect nachtelijke uitstraling.

De aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing is in de regels geborgd door middel van een voorwaardelijke verplichting.

Nieuwe grondgebonden agrarische bedrijven

Zoals in Hoofdstuk 5 is aangegeven, staat de provincie in principe geen nieuwe bouwlocaties voor nieuw- of hervestiging van grondgebonden agrarische bedrijven voor, tenzij sprake is van uitplaatsing uit het Natuurnetwerk Nederland, of van het oplossen van knelpunten (zoals uitplaatsing uit linten in verband met ruimtegebrek of milieuhinder).

In het bestemmingsplan is daarom een wijzigingsbepaling opgenomen, waarin het provinciale beleid is vertaald. Het nieuwe agrarische bouwvlak mag niet groter zijn dan 2 ha, met dien verstande dat:

    • 1. er sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf dat wordt verplaatst:
      • uit het Natuurnetwerk Nederland in de provincie, of;
      • omdat de bestaande bedrijfsvoering aantoonbaar niet kan voldoen aan actuele wettelijke milieuhygiënische normen of omdat de bedrijfsvoering op de oorspronkelijke vestigingslocatie aantoonbaar ernstige overlast veroorzaakt, die niet op een andere manier kan worden tegengegaan;
      • omdat een actuele stedelijke ontwikkeling, of aanleg van infrastructuur binnen de provincie Groningen, dan wel het Besluit externe veiligheid buisleidingen aan continuering van de bedrijfsvoering aan de weg staat, of;
      • op basis van een door Gedeputeerde Staten vastgestelde specifieke taakstelling tot inplaatsing van agrarische bedrijven; en
    • 2. in de plantoelichting van het wijzigingsplan is gemotiveerd dat redelijkerwijs geen gebruik kan worden gemaakt van een bestaand agrarisch bouwvlak gelegen in de nabijheid van de bij het bedrijf in gebruik zijnde gronden, en;
    • 3. de 'maatwerkmethode' is toegepast onder begeleiding van een door Gedeputeerde Staten aangestelde deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur.

Ook moet een erfinrichtingsplan worden opgesteld.

Nieuwe intensieve veehouderijbedrijven

Nieuwvestiging van intensieve veehouderijbedrijven is in het plangebied niet mogelijk.

Wijziging van agrarische bedrijven in andere functies

In relatie met het proces van terugloop van het aantal agrarische bedrijven, is het denkbaar dat voor meer agrarische bedrijfsgebouwen alternatieve functies moeten worden gevonden. Om deze reden is in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, waarmee de agrarische functie voor alle agrarische bedrijven kan worden gewijzigd in een niet-agrarische functie. Hierbij gaat het om de functies:

  • a. wonen;
  • b. bedrijfsactiviteiten die beperkt blijven tot activiteiten die naar aard en omvang ruimtelijk, milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar zijn.

Aan deze functiewijzigingen zijn de volgende voorwaarden verbonden:

  • 1. de functie wonen is slechts toegestaan:
      • in het hoofdgebouw;
      • in een bij het hoofdgebouw behorend karakteristiek gebouw, mits het toevoegen van nieuwe woningen past in de woonvisie;
  • 2. de bedrijfsactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan in combinatie met de woonfunctie, waarbij het aantal wooneenheden per voormalig (agrarisch) bedrijf niet meer bedraagt dan één;
  • 3. in afwijking van het vorenstaande mag het aantal wooneenheden per voormalig agrarisch bedrijf in geval van splitsing niet meer dan twee bedragen, met dien verstande dat de oppervlakte van het hoofdgebouw minimaal 180 m² bedraagt, mits het toevoegen van nieuw woningen past in de woonvisie;
  • 4. de functiewijziging moet plaatsvinden binnen de bestaande bebouwing, met dien verstande dat, met uitzondering van opslag, de bedrijfsactiviteiten kunnen worden uitgevoerd op het bijbehorende erf;
  • 5. de vrijgekomen bebouwing mag niet worden vergroot en er mogen geen nieuwe gebouwen worden opgericht, anders dan vervangende nieuwbouw;
  • 6. er moet zorg worden gedragen voor een goede landschappelijke inpassing. Een wijzigingsverzoek dient gepaard te gaan met een voorstel tot landschappelijke inpassing van de bebouwing waarbij tevens wordt bezien of de landschappelijk verstorende bebouwing kan worden afgebroken of verplaatst of aangepast;
  • 7. er mag geen afbreuk worden gedaan aan de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van de nabijgelegen (agrarische) bedrijven;
  • 8. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan het milieu, de kwaliteit van de bodem en het grond- en oppervlaktewater;
  • 9. er mag geen onaanvaardbare verkeersaantrekkende werking ontstaan;
  • 10. indien sprake is van detailhandel, dient de bedrijfsvloeroppervlakte voor detailhandel beperkt te blijven tot maximaal 200 m²;
  • 11. nieuwvestiging van zorgboerderijen, maneges en pensionstallen is uitsluitend mogelijk in de nabijheid van kernen.

Wat betreft de 'Staat van bedrijven' het volgende. Als belangrijkste bron bij het opstellen van de Staat van bedrijven is gebruikgemaakt van de lijst van bedrijfstypen uit de publicatie "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009. In deze lijst worden voor een groot aantal bedrijfstypen en activiteiten richtafstanden ten opzichte van een rustige woonwijk gegeven. Daarbij is ervan uitgegaan dat de bedrijven ter voorkoming van hinder en/of gevaar die technieken toepassen, die thans als de meest gebruikelijke worden beschouwd. De lijst is ten behoeve van de Staat van bedrijven met behulp van andere bronnen en praktijkervaringen verder verfijnd (onder andere differentiatie naar grootte). De Staat van bedrijven wijkt dus op een aantal punten af van de lijst van bedrijfstypen van de VNG.

In de VNG-publicatie zijn de richtafstanden van de lijst van bedrijfstypen teruggebracht tot zes categorieën. De gemeente acht echter uitsluitend bedrijven met weinig omgevingshinder toelaatbaar. Het gaat dan om de categorieën 1 en 2:

  • categorie 1: bedrijfstypen c.q. bedrijfsactiviteiten die, gelet op hun aard en invloed op de omgeving, toelaatbaar zijn in woonwijken (grootste afstand 10 m).
  • categorie 2: bedrijfstypen c.q. bedrijfsactiviteiten die, gelet op hun aard en invloed op de omgeving, toelaatbaar zijn tussen of onmiddellijk naast woonbebouwing, echter alleen in gebieden met gemengde functies (grootste afstand 30 m).

Agrarische bedrijfsgebouwen

Binnen het bouwvlak mogen bedrijfsgebouwen (en één bedrijfswoning, zie hieronder) ten behoeve van het betreffende (grondgebonden) agrarische bedrijf worden gerealiseerd.

Het college van B en W heeft op 22 januari 2013 een gedoogbesluit genomen om de maatvoering van agrarische bedrijfsgebouwen te wijzigen in verband met gewenste extra goothoogte. Deze maatvoering is in het voorliggende bestemmingsplan overgenomen. De bedrijfsgebouwen dienen aan de volgende voorwaarden te voldoen:

  • bouwhoogte: maximaal 14 m;
  • goothoogte: maximaal 8,5 m;
  • dakhelling: minimaal 15°.

Kassen

Bepaalde delen van het plangebied kenmerken zich door openheid. De aanwezigheid van grotere kassencomplexen kan een forse aantasting van deze openheid veroorzaken. Voor de gemeente vormt dit de voornaamste reden met betrekking tot kassen een terughoudend beleid te voeren. Tegelijk wil de gemeente agrariërs wel de mogelijkheid bieden om op bescheiden mate teeltondersteunend glas op te richten. De toegestane oppervlakte aan permanente (glazen) kassen (niet zijnde tijdelijke tunnelkassen) op het erf van een agrarisch bedrijf is daarom beperkt tot 1.000 m². Via een afwijking kan deze oppervlakte worden vergroot tot 2.000 m².

Duisternis is een belangrijke karakteristiek en ook als zodanig benoemd in het bestemmingsplan. Aangezien de lichtemissie van kassen een bedreiging voor deze kwaliteit vormt, is in het bestemmingsplan bepaald dat de kassen zodanig dienen te worden afgeschermd dat lichtemissie wordt voorkomen.

Bedrijswoningen

BIJ RECHT ÉÉN BEDRIJFSWONING
In principe is bij alle (grondgebonden) agrarische bedrijven bij recht één bedrijfswoning mogelijk. Daar waar dat (bijvoorbeeld vanwege eerdere afspraken) ongewenst is, is dat op de verbeelding aangegeven.

VIA AFWIJKING EEN TWEEDE BEDRIJFSWONING
De gemeente voert een terughoudend beleid ten aanzien van tweede bedrijfswoningen. Voor die bedrijven die kunnen aantonen een tweede bedrijfswoning nodig te hebben, is in het bestemmingsplan echter een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Hieraan zijn een aantal voorwaarden verbonden:

  • 1. de tweede bedrijfswoning wordt gesitueerd binnen het bouwvlak;
  • 2. de noodzaak van de tweede bedrijfswoning vanuit het aspect doelmatige agrarische bedrijfsvoering wordt gemotiveerd;
  • 3. de omvang van het bedrijf zodanig is dat sprake is van een duurzaam volwaardig tweepersoonsbedrijf;
  • 4. door middel van een ondernemersplan (en financiering) dient te worden aangetoond dat het bedrijf de komende tien jaar als volwaardig tweepersoonsbedrijf blijft bestaan;
  • 5. de haalbaarheid dient te worden aangetoond.

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen binnen het bouwvlak worden gebouwd, waarbij de hoogte is beperkt tot maximaal 12 m. Buiten het bouwvlak mag zonder vergunning tot maximaal 3 m hoogte worden gebouwd. Voor sleufsilo's en mestopslagplaatsen buiten het bouwvlak - binnen 25 m van de bouwgrens - geldt een aparte regeling (zie navolgende). Dit geldt ook voor mestopslagvoorzieningen (foliemestbassins) op een afstand verder dan 25 m.

Sleufsilo's en mestopslag

Hieronder wordt achtereenvolgens ingegaan op sleufsilo's en mestopslagplaatsen.

SLEUFSILO'S EN MESTOPSLAGEN BINNEN 25 M VAN HET AGRARISCH BOUWVLAK
In het algemeen geldt dat de omvang van silo's dient te worden beperkt tot voor het landschapsbeeld aanvaardbare proporties, zonder dat daarmee de doelmatigheid van de bouwwerken wordt beperkt. Bij voorkeur dienen deze opslagruimten te worden gebouwd op of in de onmiddellijke nabijheid van de andere agrarische bebouwing. Slechts bij uitzondering is middels een afwijkingsbevoegdheid de bouw van sleufsilo's en de aanleg van mestvoorzieningen buiten het bouwvlak toelaatbaar, indien:

  • a. objectief wordt aangetoond dat de voorzieningen voor mestopslag en veevoer buiten het bouwvlak op grond van ruimtelijke of milieuhygiënische belemmeringen noodzakelijk is, en;
  • b. de voorzieningen voor mestopslag en voor opslag van veevoer zoveel mogelijk aansluiten op bebouwing binnen het bouwvlak, waarbij een afstand van 25 m van de grens van het agrarisch bouwvlak niet mag worden overschreden, en;
  • c. andere ruimtelijk relevante belangen niet onevenredig worden geschaad, en;
  • d. over de landschappelijke aanvaardbaarheid en de wijze van inpassing van de voorzieningen voor mestopslag en voor opslag van veevoer advies wordt ingewonnen bij een onafhankelijke dan wel een door de gemeente aangestelde deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur, en;
  • e. de nakoming van eventueel te stellen voorwaarden aan de landschappelijke inpassing wordt geborgd in de vorm van een voorwaarde bij de omgevingsvergunning.

FOLIEMESTBASSINS BUITEN HET BOUWVLAK
Vanwege ruimtegebrek kan het nodig zijn buiten het bouwvlak mest op te slaan in foliemestbassins. Via een in het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsbevoegdheid kan buiten het bouwvlak een foliemestbassin met een inhoud van maximaal 3.000 m3 worden opgericht, onder voorwaarde dat:

  • 1. er door milieuhygiënische knelpunten, dan wel planologische of logistieke belemmeringen, op of direct aansluitend aan het bouwvlak van het agrarisch bedrijf onvoldoende ruimte is;
  • 2. de mestopslagplaats in hoofdzaak bestemd is voor gebruik binnen de bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft;
  • 3. de milieuregelgeving zich niet tegen de aanleg verzet;
  • 4. met dien verstande dat de bouw van mestbassins alleen mogelijk is ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - zoekgebied mestbassin' en dat de situering en inrichting van de mestopslagplaats op de veldkavel wordt bepaald door middel van een aantal in de regels genoemde kwaliteitscriteria.

Mestverwerking

Hoewel het thema mestverwerking zich in vele varianten voordoet en nog steeds volop in ontwikkeling is, is de gemeente De Marne van mening hiervoor in het bestemmingsplan ruimte te moeten bieden. Mestverwerkingsinstallaties zijn in te delen in vier categorieën:

CATEGORIE A
Het bedrijf verwerkt eigen geproduceerde mest en voegt eigen en/of van derden afkomstige co-substraten toe. Het digestaat wordt op de tot het bedrijf behorende gronden gebruikt.

CATEGORIE B
Het bedrijf verwerkt eigen geproduceerde mest en voegt eigen en/of van derden afkomstige co-substraten toe. Het digestaat wordt op de tot het bedrijf behorende gronden gebruikt, dan wel naar derden afgevoerd.

CATEGORIE C
Het bedrijf verwerkt aangevoerde mest geproduceerd door derden en voegt eigen en/of van derden afkomstige co-substraten toe. Het digestaat wordt op de tot het bedrijf behorende gronden gebruikt.

CATEGORIE D
Het bedrijf verwerkt aangevoerde mest van derden en voegt eigen en/of van derden afkomstige co-substraten toe. Het digestaat wordt als meststof afgeleverd aan derden. In situatie D is geen sprake (meer) van een bedrijfseigen agrarisch activiteit. Situatie D is dan ook niet toelaatbaar in het buitengebied van de gemeente De Marne.

In het bestemmingsplan wordt alleen co-vergisting van categorie A mogelijk gemaakt via een afwijking van de gebruiksregels. Daarbij zal worden getoetst op een aantal aspecten, waaronder:

  • de relatie van de mestverwerkingsinstallatie met het eigen bedrijf;
  • de effecten op het wegennetwerk en de verkeersveiligheid (conform de criteria die voor indirecte hinder gelden in het kader van de Wet milieubeheer-vergunning);
  • de landschappelijke inpassing van de mestverwerkingsinstallatie.

Veestallingen en schuilhutten

De noodzaak voor het bouwen van veestallingen en schuilhutten neemt steeds verder af. In het voorliggende plan is hiervoor dan ook geen regeling opgenomen.

Nadere eisen

In de regels staan geen nadere eisen opgenomen, anders dan ter bescherming van de molenbiotoop van Eenrum (vrijwaringszone - molenbiotoop).

Het gebruik van gebouwen

UITBREIDING VEESTAPEL
Vanuit de natuurwetgeving gelden beperkingen ten aanzien van de toename van stikstofemissie vanuit een agrarisch bedrijf. Een uitbreiding van een stal voor het houden van meer vee is alleen mogelijk als de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied niet toeneemt. Het is niet mogelijk om dat in een bestemmingsplan te regelen. Om strijd met de Wet natuubescherming te voorkomen is in de specifieke gebruiksregels (lid 3.5.1) een verbod opgenomen voor het gebruik van gronden en bebouwing voor het houden van vee als dit leidt tot een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de bestaande situatie. Dus ook als het bouwvlak voldoende ruimte biedt voor vergroting van de bestaande stallen of de bouw van nieuwe stallen voor een uitbreiding van de veestapel, zal een aparte procedure moeten worden gevolgd voor een vergunning als bedoeld in artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming.

De 'Programmatische Aanpak Stikstof' maakt een toename van de ammoniakemissie vanuit een agrarisch bedrijf wel mogelijk, mits de depositie die gepaard gaat met deze toename onder de grenswaarde blijft zoals opgenomen in het Besluit natuurbescherming . Deze grenswaarde is bepaald op 1 mol/ha/jaar. Als de toename van de stikstofdepositie onder de 1 mol/ha/jaar op de Natura 2000-gebieden blijft, geldt een uitzondering op de vergunningplicht als bedoeld in artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming. Deze activiteiten zijn dan nog wel meldingsplichtig in het kader van de PAS. Voor activiteiten met een toename van de stikstofdepositie van minder dan 0,05 mol/ha/jaar geldt een algehele vrijstelling.

In het kader van de PAS is een prognose gemaakt van de ontwikkeling van de stikstofdepositie in de periode van zes jaar waarvoor het programma wordt vastgesteld. Na deze zes jaar kunnen de waarden worden herzien. Indien binnen deze zes jaar de depositieruimte in een bepaald gebied voor 95% is benut, wordt de grenswaarde van 1 mol/ha/jaar voor dat gebied teruggebracht naar 0,05 mol/ha/jaar. Ten behoeve van de PAS is (door het Rijk) een zelfstandige Passende Beoordeling uitgevoerd. De gemeente hoeft dat niet nog eens te herhalen. Om die reden kan dit deel van de PAS-regeling (bij recht) in lid 3.5.1 van het bestemmingsplan worden opgenomen.

Overigens ligt de vraag of de PAS-regeling juridisch houdbaar is, nog bij de Raad van State.

Van belang is nog te bepalen wat wordt verstaan onder de ‘bestaande situatie’. In de begrippen (artikel 1.17 van de regels) wordt uitgegaan van – voor agrariërs – de meest gunstige situatie, die als volgt wordt bepaald:

Indien een omgevingsvergunning Natuur of een 'aangehaakte' omgevingsvergunning is verkregen, wordt de daarin vergunde depositie vanaf het betreffende agrarisch bedrijf ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan gezien als ‘bestaand’.

Is geen Natuurbeschermingswetvergunning aanwezig, dan wordt gekeken naar het feitelijke en planologisch legale gebruik.

Naast de bovengenoemde mogelijkheid voor het uitbreiden van vee geldt nog dat de huidige situatie van de stallen van dien aard is, dat niet altijd de best beschikbare technieken van toepassing zijn. Als per bedrijf de huidige stallen worden vervangen door de best beschikbare technieken, ontstaat een vermindering van de emissie en daarmee van de depositie. Deze ruimte kan vervolgens weer worden benut door het uitbreiden van de veestapel. De hoeveelheid uitbreidingsruimte per bedrijf hangt dus tevens af van de emissiewinst die geboekt kan worden door het vervangen van de huidige stalsystemen door de best beschikbare technieken. Deze mogelijkheden verschillen vanzelfsprekend per bedrijf.

INTENSIEVE VEEHOUDERIJ
In de gemeente De Marne wordt al sinds jaar en dag terughoudend omgegaan met de intensieve veehouderij. Zoals in paragraaf 12.1 is aangegeven, wenst de gemeente dit beleid te continueren. Dit houdt in dat geen mogelijkheden worden geboden voor nieuwe intensieve veehouderij.

NEVENTAK BIJ GRONDGEBONDEN BEDRIJF
In het plangebied komen drie intensieve neventakken voor:

  • Vliedorpsterweg 2 te Houwerzijl;
  • Dijksweg 22 te Houwerzijl;
  • Nijenklooster 3 te Kloosterburen.

Deze bedrijven zijn op de verbeelding aangeduid als 'specifieke vorm van agrarisch - intensieve neventak'. Vanuit het hiervoor beschreven restrictieve beleid op het gebied van intensieve veehouderij, kan uitsluitend de bestaande stalvloeroppervlakte intensieve veehouderij voor dat doel worden benut. Een uitbreiding is op grond van het bestemmingsplan niet mogelijk. De bestaande oppervlaktes zijn in de regels van het bestemmingsplan opgenomen.

UITBREIDING TEN BEHOEVE VAN DIERENWELZIJNEISEN OF HET MILIEU
Voor de grondgebonden agrarische bedrijven met bestaande intensieve veehouderij kan worden afgeweken van de bouwregels voor een uitbreiding van de bestaande stalvloeroppervlakte, uitsluitend ten behoeve van eisen ten aanzien van dierenwelzijn of milieu.

BESTAANDE VOLWAARDIGE INTENSIEVE VEEHOUDERIJEN
In het plangebied bevindt zich aan de Westerweg 1a te Eenrum een volwaardige intensieve veehouderij. Het is niet de bedoeling dat op deze locatie een verdere groei van het intensieve bedrijf gaat plaatsvinden. De bestaande stalvloeroppervlakte is in het bestemmingsplan vastgelegd. Het bestemmingsplan biedt aan dit bedrijf geen verdere uitbreidingsmogelijkheden. Ook een bedrijfswoning is op deze locatie niet gewenst. In het voorliggende bestemmingsplan is daartoe een regeling opgenomen.

NIET-AGRARISCHE NEVENACTIVITEITEN
De gemeente wil agrariërs, indien gewenst, de mogelijkheid bieden extra inkomsten te verwerven uit niet-agrarische nevenactiviteiten. Hiertoe is in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van het toevoegen van een bedrijfstak aan een agrarisch bedrijf. Aan deze wijzigingsbevoegdheid zijn de volgende voorwaarden verbonden:

  • 1. de toegevoegde tak mag niet de primaire productie betreffen en dient ondergeschikt te blijven aan de agrarische hoofdactiviteit;
  • 2. de toegevoegde tak heeft uitsluitend betrekking op:
    • a. sociale, culturele, maatschappelijke, recreatieve en educatieve functies, waaronder begrepen expositieruimten, kinderboerderij en kampeerboerderij;
    • b. zorgfuncties, met dien verstande dat de zorgfunctie plaatsvindt binnen bestaande bebouwing, er sprake is van een levensvatbaar agrarisch bedrijf en sprake is van een verwevenheid tussen zorgfunctie en het (grondgebonden) agrarisch bedrijf;
    • c. detailhandel, met dien verstande dat de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 200 m² en de detailhandel plaatsvindt binnen bestaande bebouwing;
    • d. bedrijven genoemd in de van de regels deel uitmakende Staat van bedrijven, categorieën 1 en 2 van de publicatie Bedrijven en milieuzonering van de VNG (2009), ofwel hiermee wat betreft het leefklimaat vergelijkbare bedrijven;
  • 3. de verschijning van het gehele bedrijf wordt landschappelijk ingepast;
  • 4. de bedrijfsactiviteiten vinden zoveel mogelijk plaats binnen de bestaande gebouwen, met dien verstande dat, met uitzondering van buitenopslag, bedrijfsactiviteiten kunnen worden uitgeoefend op het bijbehorende erf.

Het grondgebruik

PAARDENBAKKEN
Met uitzondering van de agrarische bedrijven, is het niet mogelijk de gronden te gebruiken voor een hobbymatige paardenbak (zijnde een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk grond, kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen van paarden, dan wel het uitoefenen van de paardensport).

Via een afwijking van de gebruiksregels is het mogelijk paardenbakken bij woningen en bedrijven toe te staan. Hieraan is een aantal voorwaarden verbonden, waarmee een landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd en (licht)hinder naar de omgeving zoveel mogelijk wordt voorkomen. Daarnaast is als voorwaarde opgenomen dat de afstand tussen de paardenbak en de meest nabijgelegen woning van derden minimaal 30 m dient te bedragen.

Tot slot is het inrichten van paardenbakken niet mogelijk ter plaatse van de dubbelbestemming Waarde - Open gebied.

BOOM- EN FRUITTEELT
Boom- en fruitteelt behoren tot het agrarisch gebruik van gronden. Opgaande vormen van boom- en fruitteelt kunnen echter negatieve effecten hebben op het landschapsbeeld (aantasting van de grootschalige openheid).

Het geheel uitsluiten van boom- en fruitteelt gaat in de ogen van de gemeente te ver: er zijn namelijk vormen van boom- en fruitteelt die zonder negatieve effecten op het landschap kunnen plaatsvinden. In het bestemmingsplan is daarom onderscheid gemaakt tussen opgaande en niet-opgaande vormen van boom- en fruitteelt. Niet-opgaande vormen van boom- en fruitteelt zijn bij recht toegestaan.

Opgaande vormen van boom- en fruitteelt zijn, met uitzondering van de bestaande boom- en fruitteeltlocaties, niet toegestaan. In het plangebied bevindt zich namelijk een aantal percelen waar opgaande vormen van boom- en fruitteelt plaatsvindt. Zoals hiervoor gesteld, is een toename van opgaande vormen boom- en fruitteelt niet gewenst. Teneinde bestaande rechten te bestendigen, zijn de bestaande percelen waarop opgaande vormen van boom- en fruitteelt plaatsvindt als zodanig aangeduid (specifieke vorm van agrarisch - boomgaard).

HOUTTEELT
Hoewel de provincie onderkent dat houtteelt een tijdelijk karakter heeft en dient te worden geschaard onder de agrarische activiteiten, is houtteelt alleen mogelijk in de bosontwikkelingszones. De provincie is namelijk van mening dat de effecten van houtteelt op het landschap dienen te worden gelijkgesteld aan de effecten van permanent bos op het landschap. Bij houtteelt buiten de bosontwikkelingszones is een ruimtelijke onderbouwing nodig waaruit blijkt dat de bosaanleg onderdeel is van een meeromvattende functieverandering en plaatsvindt aansluitend op bebouwd gebied aan aangrenzende bebouwingslinten. Op dit moment is geen sprake van een 'meeromvattende functieverandering'. In het voorliggende bestemmingsplan is aangegeven dat de aanleg van bos en nieuwe houtteelt niet is begrepen.

In de dubbelbestemmingen Waarde - Invloedsgebied wierden en Waarde - Open gebied is houtteelt helemaal uitgesloten.

B. Paardenbedrijven

Vanuit de ruimtelijke ordening moet onderscheid worden gemaakt in twee typen paardenbedrijven:

  • grondgebonden paardenbedrijven (paardenfokkerijen);
  • niet-grondgebonden paardenbedrijven.

Deze laatste categorie is weer onder te verdelen in:

  • paardenbedrijven gericht op houden en africhten;
  • paardenbedrijven gericht op de recreatie.

PAARDENFOKKERIJEN
Bestaande paardenfokkerijen vallen onder het grondgebonden agrarisch bedrijf en zijn dan ook als zodanig bestemd. Dit betekent dat paardenfokkerijen zich bij recht kunnen vestigen op als zodanig bestemde (grondgebonden) agrarische bedrijfspercelen.

Wat betreft de bouwregels wordt verwezen naar het beschrevene onder 'Het bouwen'.

NIET-GRONDGEBONDEN PAARDENBEDRIJVEN
De niet-grondgebonden paardenbedrijven, zoals maneges en pensionstallen, worden specifiek bestemd (paardenhouderij). In het plangebied komt één pensionstal/manege voor, te weten aan de Vlakkeriet 5, Houwerzijl.

C. Kwekerijen

BESTAANDE KWEKERIJEN
In het plangebied zijn geen kwekerijen aanwezig.

NIEUWE (BOOM)KWEKERIJEN
Binnen het plangebied zal geen medewerking worden verleend aan de nieuwvestiging van (boom)kwekerijen. Bepaalde delen van het plangebied kenmerken zich namelijk door openheid. Nieuwvestiging van (boom)kwekerijen en de veelal daarmee gepaard gaande aanplant en kweek van opgaande gewassen en de oprichting van kassen zullen een te grote aantasting vormen van deze karakteristiek.

12.2.2 Landschap

Waterkering

In het voorgaande is reeds ingegaan op de bescherming van landschappelijke waarden binnen de bestemming Agrarisch - Landschappelijke en natuurlijke waarden. In het navolgende worden daarom uitsluitend de landschappelijke waarden in de overige gebiedsbestemmingen besproken.

Binnen de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' zijn alle in het plangebied voorkomende dijken vervat. De bestemming Waterstaat - Waterkering 1 beperkt zich tot de dijken die een primaire waterkerende functie hebben, de bestemming Waterstaat - Waterkering 2 omvat de dijken ten behoeve van de regionale waterkering. De dijken en landschapselementen die in de huidige situatie meer een landschappelijke en cultuurhistorische functie vertegenwoordigen hebben de dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorisch waardevolle lijnen gekregen.

Binnen de bestemming en de aanduiding Waterstaat - Waterkering 1 geldt een verbod op het realiseren van bebouwing. De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 2 m bedragen. In de buitenste deel van de zone (vanaf de dijk gerekend) kan via een afwijking van de bouwregels op een strook van 25 m wel bebouwing worden gerealiseerd, mits is aangetoond dat de stabiliteit van de primaire waterkering niet nadelig wordt beïnvloed. Deze zone is aangeduid als 'vrijwaringszone - dijk'.

Binnen de bestemming Waterstaat - Waterkering 2 geldt ook een verbod op nieuwe bebouwing, maar hiervan worden afgeweken.