direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Boschhoven ongenummerd tussen 42a en 42b, Leende
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1658.BPBoschong-vs01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

In Leende bestaat het voornemen om tussen de bestaande vrijstaande woningen Boschhoven 42a en 42b een vrijstaande woning te realiseren. Momenteel is dit perceel grotendeels onbebouwd en in gebruik als weiland. Op het weiland is een veldschuur aanwezig.

Omdat de locatie in het landelijk gebied is gelegen, is de realisatie van een woning in principe uitgesloten. Van dit principe kan worden afgeweken wanneer gebruik gemaakt wordt van de Ruimte- voor Ruimteregeling. Dat betekent dat er in het buitengebied van Brabant een kwaliteitsverbetering plaatsvindt die betrekking heeft op de sloop van minimaal 1.000 m2 aan stalruimte en er 3.500 kg aan fosfaatrechten uit de markt worden gehaald. Om deze kwaliteitsverbetering te financieren, biedt de provincie Noord- Brabant met de Regeling Ruimte voor Ruimte de mogelijkheid om een woning te realiseren, mits deze op een plek wordt gerealiseerd die ruimtelijk aanvaardbaar is.

Op 3 december 2019 heeft het college van B&W van de gemeente Heeze- Leende besloten in principe medewerking te verlenen aan het realiseren van een vrijstaande woning op het kadastrale perceel Leende, sectie F, nummer 1536. Het college heeft hier de nadrukkelijke voorwaarde aan gekoppeld dat de ruimte- voor ruimtetitel afkomstig moet zijn van de herontwikkeling van de locatie de Zegge 25 in Heeze (sanering varkenshouderij).

Het voornemen om een nieuwe woning te realiseren op het perceel is niet passend binnen het geldende bestemmingsplan "Kom Leende-Leenderstrijp'. Daarom is onderhavig bestemmingsplan opgesteld. Met dit bestemmingsplan wordt de voorgenomen ontwikkeling juridisch- planologisch mogelijk gemaakt.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen ten westen van de kern Leende in het bebouwingslint Boschhoven. Het betreft het perceel Leende, sectie F, nummer 1536 (tussen Boschhoven 42a en 42b). De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 900 m2.

Het plangebied wordt aan de west- en oostzijde begrensd door de bestaande woonpercelen Boschhoven 42a en 42b. Aan de zuidzijde ligt de Boschhoven en aan de noordzijde grenst het plangebied aan de weilanden. De ligging van plangebied is weergeven op onderstaande afbeeldingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.BPBoschong-vs01_0001.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.BPBoschong-vs01_0002.png"

Ligging en begrenzing plangebied

1.3 Geldend bestemmingsplan

Op de locatie is het bestemmingsplan 'algehele herziening Kom Leende- Leenderstrijp' van toepassing. Dit bestemmingsplan is op 5 oktober 2015 vastgesteld door de raad van de gemeente Heeze- Leende en deels onherroepelijk in werking getreden. Een uitsnede van het bestemmingsplan is opgenomen in onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.BPBoschong-vs01_0003.png"

Uitsnede vigerend bestemmingsplan

Het perceel heeft in het bestemmingsplan de bestemming "Wonen". Op het perceel is echter geen bouwvlak aanwezig. De realisatie van een woning ter plaatse is op basis van het bestemmingsplan derhalve niet mogelijk.

Het perceel is daarnaast voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde- Archeologie 1'. De voor 'Waarde - Archeologie 1' (gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kern en linten) aangewezen gronden zijn mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond verwachte archeologische waarden. Op basis van de bestemmingsplanregels mogen bouwwerken alleen worden opgericht ten behoeve van de op deze gronden liggende andere bestemming(en), indien en voor zover het een bouwplan betreft met een oppervlakte van maximaal 250 m² en een verstoringsdiepte van 0,30 meter ten opzichte van het maaiveld.

1.4 Leeswijzer

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. De regels en de verbeelding vormen de juridisch bindende elementen van het bestemmingsplan. Deze toelichting is als volgt opgebouwd:

  • in hoofdstuk 2 wordt het planvoornemen beschreven;
  • in hoofdstuk 3 volgt een beschrijving van het ruimtelijke beleidskader dat van toepassing is op het bestemmingsplan;
  • in hoofdstuk 4 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan bod;
  • in hoofdstuk 5 volgt de beschrijving van het juridische deel van het plan;
  • in hoofdstuk 6 ten slotte komen de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan bod.

Hoofdstuk 2 Planvoornemen

2.1 Gebiedsprofiel

2.1.1 Historisch profiel

Boschhoven is een historisch bebouwingslint ten westen van de kern Leende. In 1830 lag Boschhoven midden in de open akkers van Leende, langs een driesprong van wegen, waaronder de Boshovense Straat. Boschhoven wordt algemeen beschouwd als een van de oudste delen van Leende.

Boschhoven was lange tijd nog een zeer goed en gaaf voorbeeld van een akkerdorp met verspreide, deels haaks op de weg gerichte langgevelboerderijen en een driehoekig beplant plein met Heilig Hartbeeld. De historische structuur is ook nu nog goed herkenbaar. De meeste boerderijen zijn in de loop van de tijd gerestaureerd, sommige zijn afgebroken en opnieuw opgebouwd (o.a. Boschhoven 1, 21 en 50). In de loop der tijd zijn woningen toegevoegd. Cultuurhistorisch worden vooral de bestaande klinkerweg en de nog aanwezige beukenhagen als belangrijk genoemd. De beukenhagen geven in sommige gevallen nog aan waar de oude kerkpaden liepen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.BPBoschong-vs01_0004.png"

Uitsnede historische kaart: Boschhoven omstreeks 1900

2.1.2 Huidig profiel

De van oudsher agrarische activiteiten zijn in de loop der jaren steeds meer uit het gebied verdwenen. Boschoven kenmerkt zich nu vooral door woonboerderijen in een historisch bebouwingslint omringd door weilanden, waar het agrarisch gebruik plaats heeft gemaakt voor de woonfunctie. De bestaande klinkerweg is een belangrijk cultuurhistorisch element in het bebouwingslint. De weg was tot omstreeks 1930 enkele eeuwen lang onderdeel van de doorgaande landroute tussen Eindhoven en Weert. De bestrating met gebakken klinkers dateert (deels) uit de periode 1890-1940.

Het bebouwingslint ligt nu als het ware tussen verschillende stedelijke functies in. Aan de oost- en zuidzijde ligt de bebouwde kom van Leende -van het bebouwingslint, die door enkele weilanden en akkers van de locatie wordt gescheiden. Aan de noord-oostzijde liggen de sportvelden van Leende en aan de westzijde ligt de woonwijk Boschhoven, met in het groen gelegen vrijstaande woningen. Alleen richting de noordzijde en aan de zuidwestzijde is het van oudsher open gebied nog goed beleefbaar.

De ruimtelijke structuur van het plangebied zelf is vrij eenduidig. De gronden in het plangebied worden momenteel benut als grasland/weiland. Op het perceel is een veldschuur aanwezig. In de zuidwest hoek van het perceel staan drie solitaire bomen. Het perceel wordt aan de zuid- en oostzijde omzoomd door een beukenhaag.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.BPBoschong-vs01_0005.png"

2.2 Voorgestane ontwikkeling

Met het planvoornemen wordt op het perceel een vrijstaande woning gerealiseerd. Met de toevoeging van de Ruimte- voor Ruimtewoning vindt een verdichting van de straatwand plaats. De woning krijgt een straatgerichte gevel passend binnen de kenmerkende verspringende rooilijn van Boschhoven, zie onderstaande inrichtingsschets, die ook als Bijlage 1 bij de regels van dit bestemmingsplan is gevoegd. Zowel de voor- als kopgevel zijn vanaf de Boschhoven goed zichtbaar, waarmee de woning een dubbele oriëntatie op de Boschhoven krijgt.

Door de oriëntatie van de woning achter de rooilijn van de woonboerderij Boschhoven 42b en 44 wordt het zicht op dit pand niet belemmerd. De goothoogte van de woning bedraagt maximaal 4 meter, de bouwhoogte 9 meter, waarmee een woning met een bouwlaag en een kap gerealiseerd wordt. Hiermee wordt stedenbouwkundig goed aangesloten op de bouwmassa en uitstraling van de omliggende woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.BPBoschong-vs01_0006.png"

Uitsnede schetsontwerp

Het planvoornemen voorziet in het behoud en toevoeging van de groene structuren binnen het plangebied. Op de perceelsgrens wordt de bestaande beukenhaag gehandhaafd en aan de noord- en oostzijde wordt een beukenhaag toegevoegd; lage hagen aan de publieke zijde richting de Boschhoven en indien gewenst hogere hagen aan de private zijden.

De landschappelijke inpassing is in dit bestemmingsplan nader juridisch geborgd door middel van een voorwaardelijke verplichting. Daarom is het schetsontwerp opgenomen als Bijlage 1 bij de regels.

Parkeren vindt plaats op eigen terrein. Het perceel wordt voorzien van een eigen inrit op Boschhoven. Op basis van de CROW normering geldt voor een vrijstaande woning in het buitengebied in een weinig stedelijk gebied een gemiddelde parkeernorm van 2,4 parkeerplaats per woning. Op eigen terrein is voldoende ruimte voor het realiseren van deze benodigde parkeervoorzieningen.

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

3.1 Nationaal beleid

3.1.1 Nationale omgevingsvisie

De nationale omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld. Deze visie is door het rijk opgesteld in het kader van de nieuwe omgevingswet, die naar verwachting per 1 januari 2023 in werking zal treden. Aan de hand van een toekomstperspectief is hierin de langetermijnvisie in beeld gebracht. Op nationale belangen wil het Rijk (net als nu) sturen en richting geven. Hiervoor worden de volgende vier prioriteiten onderscheiden:

  • a. Ruimte voor klimaat adaptatie.
  • b. Duurzaam economisch groeipotentieel.
  • c. Sterke en gezonde steden en regio's.
  • d. Toekomstbestendige ontwikkelingen van het landelijk gebied.

Om invulling te kunnen geven aan deze vier prioriteiten hanteert het rijk de volgende drie afwegingsprincipes:

  • a. Combinaties van functies gaat voor enkelvoudige functies.
  • b. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal.
  • c. Afwentelen wordt voorkomen.

Met de NOVI wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden, waarbij wordt gestreefd naar de verdere ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. De wens is om daar naar toe te groeien en een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's te realiseren. De grote actuele woningbehoefte vraagt tegelijkertijd om oplossingen op korte termijn. Het kabinet heeft voor de korte termijn daarom een pakket aan maatregelen voorgesteld om de woningbouw een nieuwe, stevige impuls te geven. De locaties bevinden zich in het Stedelijk Netwerk Nederland.

De opgave is daarbij om de veiligheid en gezondheid van onze leefomgeving zodanig te verbeteren dat in 2050 negatieve omgevingseffecten op onze gezondheid naar een verwaarloosbaar laag niveau zijn gebracht. Daarnaast streeft het kabinet ernaar om in 2030 te voldoen aan de huidige WHO-advieswaarden. Ook het tot een verwaarloosbaar niveau terugbrengen van omgevingsrisico's als gevolg van industriële activiteiten en transport (omgevingsveiligheid) is onderdeel van de opgave.

Het planvoornemen betreft een lokale ontwikkeling. Er zijn daarmee niet direct rijksbelangen in het geding.

Totdat de NOVI van kracht wordt, is het rijksbeleid vastgelegd in respectievelijk de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro).

3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. Daarin wordt de toekomstvisie gegeven van het kabinet met betrekking tot onder andere de ruimtelijke ordening. Deze structuurvisie vervangt (onder andere) de Nota Ruimte. Hiernavolgend wordt ingegaan op deze structuurvisie.

De structuurvisie beschrijft de principes voor de ruimtelijke inrichting in Nederland. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de beoogde ambities tot en met 2040. In de structuurvisie worden de hoofdlijnen van het beleid aangegeven, waarbij de nationale ruimtelijke hoofdstructuur van Nederland een grote rol speelt.

In deze structuurvisie wordt benadrukt dat het van het grootste belang is dat de concurrentiepositie van Nederland verbetert. Hiertoe is het van belang dat ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn. Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd, te weten:

  • 1. het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland;
  • 2. het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid;
  • 3. het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Om de regeldruk te verlagen heeft het kabinet besloten dat de ruimtelijke afwegingen zo dicht mogelijk bij de burger plaats moeten vinden. Daarom zal er op basis van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte naar gestreefd worden om zoveel mogelijk verantwoordelijkheden bij de gemeenten en provincies onder te brengen. Het Rijk zal zeer terughoudend, en met name achteraf, bij het toezicht betrokken zijn. Er zijn echter wel enkele ontwikkelingen waarbij het Rijk bij voorbaat al aangeeft dat er een Rijksverantwoordelijkheid aan de orde kan zijn. Een Rijksverantwoordelijkheid kan aan de orde zijn indien een onderwerp nationale baten/lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt.

Het plangebied is niet gelegen in een gebied waar een nationaal belang is aangewezen. Er zijn derhalve ten aanzien van de SVIR geen belemmeringen aan de orde voor het planvoornemen.

3.1.3 Besluit en regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro/Rarro)

Om de 13 nationale belangen door te laten werken in ruimtelijke plannen van lagere overheden zijn, naast de SVIR, het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, 2014) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro, 2014) in werking getreden. In het Barro zijn de volgende nationale belangen uit de SVIR vertaald:

  • 1. Rijksvaarwegen;
  • 2. Project Mainportontwikkeling Rotterdam;
  • 3. Kustfundament;
  • 4. Grote Rivieren;
  • 5. Waddenzee en waddengebied;
  • 6. Defensie;
  • 7. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen;
  • 8. Elektriciteitsvoorziening;
  • 9. Buisleidingen van nationaal belang;
  • 10. Ecologische hoofdstructuur;
  • 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
  • 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);
  • 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.

In het plangebied zijn geen van bovenstaande nationale belangen in het geding.

3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking

Op grond van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening dienen overheden nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren (Ladder-onderbouwing). Per 1 juli 2017 zijn de drie treden van de Ladder losgelaten en geldt dat de toelichting bij een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing voor de aanvraag omgevingsvergunning die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaande stedelijk gebied, een motivatie waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Zoals gezegd is de Ladder-onderbouwing verplicht voor 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen'. Onder stedelijke ontwikkeling wordt de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen verstaan. Deze laatste categorie is in de handreiking bij de Ladder voor duurzame verstedelijking (ministerie van Infrastructuur en Milieu) nader gespecificeerd in accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure.

In de definitie voor stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1 lid 1 sub i van het Bro) is geen ondergrens opgenomen. Hieruit zou men kunnen concluderen dat iedere stedelijke ontwikkeling, hoe kleinschalig dan ook, valt binnen het toepassingsbereik van de Ladder. Echter, uit vaste jurisprudentie van de Afdeling blijkt dat er wel sprake kan zijn van een voorziene ontwikkeling die te kleinschalig is om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Zo wordt de ontwikkeling van 11 woningen niet aangemerkt als stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921).

Met het planvoornemen wordt slechts één woning gerealiseerd. Nadere toetsing aan de Ladder is derhalve niet noodzakelijk.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie 'de kwaliteit van Brabant'

Op 14 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant' vastgesteld. Deze omgevingsvisie vervangt na het inwerking treden van de Omgevingswet de provinciale structuurvisie. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie over hoe zij de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit wil laten zien. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. De provincie wil daarmee ruimte bieden voor inbreng vanuit partijen en disciplines. Om hiermee aan de slag te gaan is volgens de provincie een verdere uitwerking van de ambities nodig in de vorm van programma's.

Met de visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikkeling van Brabant. Daarbij ligt de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn:

  • werken aan energietransitie;
  • een klimaatproof Brabant;
  • de slimme netwerkstad, en
  • een concurrerende duurzame economie.

De visie geeft daarbij richting aan deze opgaven vanwege de ingrijpende veranderingen waarmee zij gepaard gaan. Daarnaast geeft de Omgevingsvisie ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De omgevingsvisie is verplicht, maar uitsluitend zelfbindend voor de provincie.

3.2.2 Interim Omgevingsverordening

Provinciale Staten hebben op 29 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening vastgesteld (geconsolideerde versie d.d. 15 april 2022). De Interim omgevingsverordening betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies.

De Interim omgevingsverordening vervangt een aantal provinciale verordeningen:

  • provinciale milieuverordening;
  • verordening natuurbescherming;
  • verordening ontgrondingen;
  • verordening ruimte;
  • verordening water;
  • verordening wegen.

De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid zoals de Omgevingsvisie. De beleidsneutrale omzetting betekent overigens niet dat er in het geheel geen wijzigingen ten opzichte van de huidige verordeningen zijn verwerkt.

Belangrijke uitgangspunten vanuit de Omgevingsvisie zijn verwerkt. De nieuwe manier van werken met diep, rond en breed kijken is opgenomen en er wordt vaker een koppeling gelegd met omgevingskwaliteit door bijvoorbeeld sanering van leegstaand vastgoed elders. De nadruk op omgevingskwaliteit komt ook tot uitdrukking bij de kwalitatieve benadering voor hergebruik van leegstaand vastgoed in het landelijk gebied en duurzame verstedelijking.

De voorgenomen planontwikkeling ziet toe op het toevoegen van een ruimte- voor ruimte woning. Het plangebied is op basis van de interim omgevingsverordening gelegen in het landelijk gebied. De locatie is daarnaast aangeduid als gebied waar 'Verstedelijking Afweegbaar' is. Een uitsnede van de verbeelding van de verordening is in onderstaande figuren opgenomen. In het navolgende worden de relevante regels uit de interim verordening, die van toepassing zijn op voorliggend voornemen, samengevat en vindt de toets aan de regels plaats.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.BPBoschong-vs01_0007.png"

Uitsnede interim verordening: landelijk gebied (plangebied bij marker)

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.BPBoschong-vs01_0008.png"

Uitsnede interim omgevingsverordening: verstedelijking afweegbaar ( plangebied bij marker)

Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2)

Op basis van de interim omgevings verordening dient een aantal basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies gehanteerd te worden om invulling te kunnen geven aan een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving. Er dient rekening gehouden te worden met de volgende basisprincipes:

  • 1. zorgvuldig ruimtegebruik;
  • 2. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering;
  • 3. meerwaardecreatie.

AD 1 Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6)

Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat nieuwvestiging mogelijk is op grond van de interim verordening en er feitelijke of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie op grond van de interim verordening is toegestaan. Bij een stedelijke ontwikkeling moet daarnaast toepassing gegeven zijn aan artikel 3.1.6., tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking).

In paragraaf 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking is een toelichting gegeven met betrekking tot de toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Omdat slechts sprake is van de toevoeging van een ruimte- voor ruimte woning is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. De ruimte- voor ruimte titel voor onderhavige ontwikkeling wordt verworven uit de sanering van de varkenshouderij De Zegge 25 te Heeze. Deze voormalige varkenshouderij is gelegen in een gebied dat is aangeduid als 'beperkingen veehouderij', conform het voormalige extensiveringsgebied uit de reconstructieplannen. Deze varkenshouderijlocatie wordt gesaneerd met gebruikmaking van de Regeling Ruimte- voor- Ruimte, waarbij de verworven bouwtitels worden ingezet voor woningbouw in de eigen gemeente. Door een bouwtitel in te zetten in een bestaand bebouwingslint, is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.

AD 2 De lagenbenadering (artikel 3.7)

De lagenbenadering omvat de effecten op:

  • de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden;
  • de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van personen- en goederenvervoer;
  • de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu.

De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting.

AD 3 Meerwaardecreatie (artikel 3.8)

Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:

  • de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat;
  • de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

In dit bestemmingsplan wordt meerwaarde gecreëerd door de aankoop van een ruimte- voor- ruimte titel vanuit de sanering van de varkenshouderij aan de Zegge 25 te Heeze. Met de sanering van deze varkenshouderij in Urgentiegebied wordt een knelpunt in de gemeente Heeze- Leende opgelost op het gebied van geur en ammoniak. Hiermee is geborgd dat op een andere locatie binnen de gemeente sprake is een aanzienlijke kwaliteitswinst. Door de combinatie van het saneren van een varkenshouderij en het uitgeven van ruimte voor- ruimte- kavels om deze sanering mogelijk te maken ontstaat derhalve aantoonbare meerwaarde.

Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9)

Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling in Landelijk gebied mogelijk maakt, bepaalt daarnaast dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of omgeving. Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat:

  • dit financieel, juridisch en feitelijk geborgd is in het plan; of
  • de afspraken uit het regionaal overleg worden nagekomen.

Door aankoop van een ruimte- voor- ruimte titel uit de sanering van de varkenshouderij aan de Zegge 25 te Heeze is een verbetering van de landschappelijke kwaliteit geborgd. Ook is er sprake van een landschappelijke inpassing van de woning. Met de toevoeging van een voorwaardelijke verplichting in de regels is realisering van de landschappelijke inpassing juridisch geborgd.

Afwijkende regels Verstedelijking afweegbaar (artikel 3.43)

In artikel 3.43 zijn voorwaarden opgenomen voor nieuwvestiging van een duurzame stedelijke ontwikkeling. Voorliggend initiatief betreft de realisatie van een ruimte- voor- ruimte woning. Een dergelijk initiatief wordt niet gezien als (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de voorwaarden behorende bij dit artikel is derhalve niet noodzakelijk voor onderhavig initiatief.

Ruimte voor Ruimte (artikel 3.79)

In artikel 3.79 zijn regels opgenomen voor ontwikkelingen met betrekking tot Ruimte voor Ruimte. In het navolgende zijn deze regels weergegeven en is aangegeven hoe voorliggend initiatief hieraan kan voldoen.

Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in één of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels, ieder ten behoeve van de bouw van één woning, indien:

  • a. deze ontwikkeling door of vanwege de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte plaatsvindt, gelet op de in het verleden behaalde aanzienlijke winst van omgevingskwaliteit ;

Voor de voorgenomen ontwikkeling wordt een bouwtitel Ruimte voor Ruimte verworven uit de sanering van de varkenshouderij aan De Zegge 25 te Heeze. De bouwtitel is inmiddels verworven. Door sanering van de intensieve veehouderij aan De Zegge 25, met daarmee de sloop van stallen met een oppervlakte van circa 1.635 m² en daarbij behorende erfverharding, wordt voorzien in de winst van de omgevingskwaliteit. Het bestemmingsplan dat de sanering van de varkenshouderij juridisch regelt, is op 12 april 2021 vastgesteld door de gemeenteraad van Heeze- Leende en inmiddels onherroepelijk. De milieuvergunning voor het houden van varkens zal worden ingetrokken en de dierrechten zullen worden doorgehaald.

Het opgesteld bewijsstukken-dossier is, inclusief akkoordverklaring van de provincie als Bijlage 4 aan het bestemmingsplan toegevoegd.

  • b. de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie ligt, te weten in een bebouwingsconcentratie danwel de ontwikkeling een logische afronding geeft van Stedelijk gebied of een bebouwingsconcentratie ;

De voorgenomen ontwikkeling is gelegen aan de Boschhoven. Dit is een bestaand bebouwingslint aangrenzend aan de kern van Leende. In zijn principebesluit heeft het college van B&W overwogen dat het voorstelbaar is dat de ruimte- voor- ruimte woning aan de Boschhoven wordt opgericht. Er vindt een verdichting van de straatwand plaats die naar aard en omgeving passend is in de omgeving.

  • c. de ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied

Zoals ook in paragraaf 2.2 van de toelichting beschreven maakt de planlocatie onderdeel uit van een bestaand bebouwingslint, aangrenzend aan de kern van Leende. Het bebouwingslint ligt tussen verschillende stedelijke functies in. Het lint zelf bestaat voornamelijk uit burgerwoningen. Door toevoeging van de woning wordt een open ruimte in het bestaande lint gedeeltelijk opgevuld., passend binnen de schaal en het gebruik in de omgeving.

Ten behoeve van dit initiatief is tevens een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Deze is toegevoegd als Bijlage 1 bij de regels. Door opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de regels is de uitvoering van de landschappelijk inpassing juridisch verzekerd.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Heeze- Leende 2013-2030

Door de raad van de gemeente Heeze-Leende is op 15 april 2013 de Structuurvisie Heeze-Leende 2013-2030 vastgesteld. Deze structuurvisie is tot stand gekomen door het relevante bestaande beleid van het Rijk, provincie en de gemeente met daarbij de vastgestelde keuzes die de gemeenteraad in het verleden heeft gemaakt samen te voegen. Hierdoor is één visiedocument ontstaan waarin duidelijk zichtbaar is waar de gemeente de komende jaren naartoe wil. Heeze-Leende wil in 2030 nog steeds een groene gemeente zijn, waar het aantrekkelijk is om te wonen, werken en recreëren. Hierbij richt de gemeente zich met name op kenniswerk, recreatie en toerisme en cultuur.

Een belangrijk onderdeel van de structuurvisie vormt de visiekaart. Zoneringen op de visiekaart geven globaal gebieden aan waarbinnen bepaalde ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Het doel hiervan is om in het drukke buitengebied keuzes te maken, zodat clustering ontstaat. De structuurvisiekaart is onderstaand weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.BPBoschong-vs01_0009.png"

Uitsnede structuurvisiekaart

Op basis van de structuurvisie is het plangebied gelegen binnen de bebouwde kom. Het toevoegen van woningen is op basis van de structuurvisie derhalve mogelijk.

Voor ruimte- voor- ruimte woningen is het volgende opgenomen in de structuurvisie. Om overaanbod van Ruimte-voor-ruimtewoningen te voorkomen, is aangegeven dat tot 2027 alleen Ruimte-voor-ruimtewoningen toegestaan zijn in De Bulders (de nieuwe uitbreiding van Heeze), mede ook om de ontwikkeling van De Bulders te stimuleren. De gemeenteraad kan gemotiveerd afwijken van dit beleid.

De raad heeft bij de behandeling van het verbeterplan voor het urgentiegebied De Zegge 25 te Heeze op 27 mei 2019 reeds besloten dat de twee vrijkomende ruimte- voor ruimte titels bij herontwikkeling van de locatie De Zegge 25 in de gemeente verwezenlijkt mogen worden buiten de Bulders. Door de nadrukkelijke voorwaarde dat de onderhavige ruimte- voor ruimtetitel aan de Boschhoven afkomstig moet zijn van de Zegge 25 te Heeze, kan de voorgenomen ontwikkeling gerealiseerd worden zonder dat strijd is met het beleid zoals omschreven in de structuurvisie.

Op basis van het bovenstaande kan derhalve geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling passend is binnen de gemeentelijke beleidskaders.

3.3.2 Woonvisie

Op 10 februari 2020 heeft de gemeenteraad de Woonvisie Heeze-Leende vastgesteld. Deze woonvisie bevat een lange termijn perspectief met een visie en ambities voor een toekomstbestendig Heeze-Leende.

In de woonvisie zijn de navolgende doelstellingen opgenomen:

  • 1. zorgen voor voldoende woningaanbod voor starters en jongeren;
  • 2. zorgen voor kansen voor huishoudens die willen doorstromen of zich willen vestigen;
  • 3. zorgen voor voldoende geschikte huisvesting voor ouderen en mensen met een zorgvraag;
  • 4. zorgen bij aantoonbare behoefte voor passende huisvesting voor arbeidsmigranten;
  • 5. geen nieuwe woonwagenstandplaatsen toestaan tenzij blijkt dat er een aantoonbare behoefte is;
  • 6. huisvesten van specifieke doelgroepen in overleg met de corporaties;
  • 7. verwezenlijken van de ambities uit het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid door uitvoering te geven het uitvoeringsplan ‘Energietransitie’;
  • 8. verbeteren van de leefbaarheid in de dorpen;
  • 9. streven naar veilige en leefbare wijken en buurten waarin inwoners van Heeze-Leende zich prettig en veilig voelen, elkaar kennen, betrokken zijn bij elkaar en zich verantwoordelijk voelen voor elkaar;
  • 10. aantal toe te voegen woningen afstemmen op de provinciale woningbehoefteberekening voor onze gemeente en we houden rekening met een trendmatig vestigingsoverschot;
  • 11. toevoegen van die woningen waaraan op lange termijn behoefte bestaat en die onvoldoende beschikbaar komt door doorstroming en/of woningen waardoor de doorstroming wordt bevorderd;
  • 12. monitoren van de ontwikkelingen op de woningmarkt en jaarlijks rapporteren aan de raad.

De gemeente wil in Heeze-Leende voldoende en het juiste type woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek realiseren. In navolging van vaststelling van de woonvisie moeten alle woningen van nieuwe woningbouwinitiatieven levensloopbestendig zijn. Binnen het plangebied is hiervan sprake. Er wordt één levensloopbestendige woning gerealiseerd. Deze woning past binnen de vraag voor woningen voor wat betreft doelgroep en omvang. Het plan voldoet aan de beleidskaders uit de woonvisie.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Milieu

4.1.1 Bodem

Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Zo mag een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem en mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet.

Het planvoornemen betreft de toevoeging van een woning aan een reeds bestaande woonbestemming. Er is derhalve geen sprake van een wijziging van de bestemming. Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek is daarom in het kader van dit bestemmingsplan niet noodzakelijk.

Echter, bij verlening van een omgevingsvergunning voor het daadwerkelijk realiseren van de woning is alsnog een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk waarbij aangetoond dient te worden dat de bodemkwaliteit van voldoende kwaliteit is en geen belemmering vormt. Daarom is er voor gekozen in deze planfase reeds een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 door Archimil B.V. uit te laten voeren. Dit onderzoek is als Bijlage 1 toegevoegd aan deze toelichting. Uit de resultaten van dit onderzoek kan navolgend worden geconcludeerd:

  • De lichte verontreinigingen met zware metalen in de bovengrond alsmede de aangetroffen concentratie Barium in het grondwater vormen geen aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek. Deze vormen mede gezien de geringe concentraties, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen bezwaar.
  • Er behoeven op basis van de onderzoeksresultaten, geen restricties gesteld te worden aan toekomstige bouwactiviteiten op de onderzochte locatie.
  • Indien, bijvoorbeeld bij bouwactiviteiten, grond vrijkomt die op een andere locatie zal worden hergebruikt dient wel bepaald te worden wat de kwaliteit is in het kader van het besluit bodemkwaliteit.

Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

4.1.2 Geluid

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient op basis van de Wet geluidhinder te worden onderzocht of sprake is van geluidsoverlast, in het bijzonder in verband met verkeer, spoor of bedrijven. In de Wet geluidhinder is bepaald dat ten aanzien van zogenaamde ‘geluidgevoelige objecten’ wettelijke eisen gelden ten aanzien van de maximale belasting. Met onderhavig plan worden één burgerwoning toegevoegd. Een burgerwoning wordt beschouwd als een geluidgevoelig object.

4.1.2.1 Wegverkeerslawaai

Onderhavig plangebied is niet gelegen binnen de invloedszone van gezoneerde wegen. Voor de Boschhoven geldt een maximale snelheid van 30 km/h. Op basis van de Wet geluidhinder heeft deze weg geen geluidszone. De verkeersintensiteit ter plaatse van 30 km-wegen is zodanig laag dat de geluidsbelasting gering zal zijn. Een nader akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

4.1.2.2 Overige geluidsaspecten

De planlocatie is niet gelegen in de buurt van een gezoneerd industrieterrein. Er is derhalve geen sprake van een belemmering in het kader van industrielawaai.

Het plangebied ligt op circa 2,5 kilometer van de spoorlijn tussen Eindhoven en Weert. Het plangebied is dan ook niet gelegen binnen de geluidzone van de spoorlijn. Het aspect railverkeerslawaai is dan ook niet aan de orde voor onderhavig plan.

De planlocatie is eveneens niet gelegen in een geluidszone van een vliegveld. Er is derhalve geen sprake van een belemmering in het kader van luchtvaartlawaai.

De aspecten wegverkeer-, industrie-, spoorweg- en luchtvaartlawaai vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Gesteld kan worden dat een goed akoestisch woon- en leefklimaat is gewaarborgd.

4.1.3 Geur
4.1.3.1 Algemeen

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij bevat normen en afstanden die bedrijven moeten aanhouden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij schrijft voor op welke wijze een bevoegd gezag de geurhinder vanwege dierenverblijven moet beoordelen indien een veehouderij een milieuvergunning aanvraagt.

Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt wel de ‘omgekeerde werking’ genoemd. De reden hiervoor is duidelijk: een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder, omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichzelf blootstellen aan die overmatige hinder.

Ten aanzien van de beoordeling of sprake is van een goed woon- en leefklimaat wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgrondbelasting en achtergrondbelasting. De voorgrondbelasting betreft de geurbelasting van individuele veehouderij op een geurgevoelig object. De achtergrondbelasting betreft de gebiedsbelasting: cumulatieve geurbelasting in een gebied als gevolg van de aanwezige veehouderijen.

Op 6 oktober 2011 is de 'Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Heeze-Leende' in werking getreden. In deze verordening is een afwijkende norm ten opzichte van de Wgv opgenomen voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom van de woonkernen Heeze en Leende. De maximale vastgestelde waarde bedraagt 1,0 ouE/m3.

4.1.3.2 Plangebied

Voorgrondbelasting

Ten westen van de planlocatie bevindt zich op 115 meter een melkrundveehouderij met een vergunning voor 21 zoogkoeien (Boschhoven 48a). Dit bestemmingsplan voldoet aan de wettelijke vaste afstanden (voor bedrijven met dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld).

Bedrijven met dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld en die ook een relevante geuremissie vergund hebben, liggen verspreid en op relatief grote afstand van het plangebied.

Ten oosten bevindt zich op ca 850 meter een pluimveehouderij met een vergunning voor het houden van 11260 (groot)ouderdieren van vleeskuikens en een vergunde geuremissie van ca 10500 Ou (Langstraat 6).

Ten noordoosten bevindt zich op ca 920 meter een varkenshouderij met een vergunning voor het houden van 4545 vleesvarkens en een vergunde geuremissie van ca 61.600 Ou (Ven 25).

Binnen een straal van ca 1 km van het plangebied zijn geen overige veehouderij bedrijven gelegen, die nog bedrijfsmatig in werking zijn.

Gelet hierop kan gesteld worden dat een nadere berekening van de voorgrondbelasting dan ook niet benodigd is.

Achtergrondbelasting

Het bestemmingsplan voldoet aan de wettelijke vaste afstanden (voor bedrijven met dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld) en de gemeentelijke geurverordening. Bedrijven van relevante omvang met dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld liggen op relatief grote afstand (ca. 900 m afstand).

Het aantal veehouderijbedrijven in de wijde omgeving van het plangebied is dermate laag, dat gesteld kan worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een acceptabel achtergrondsniveau voor geur en daarmee een goed woon- en leefklimaat in dit kader. Gesteld kan worden dat een berekening van de achtergrondbelasting dan ook niet benodigd is.

Belemmeringen ontwikkelingsmogelijkheden

Door de beoogde herontwikkeling worden ook geen veehouderijbedrijven in de ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd. Tussen het plangebied en veehouderijen in de omgeving zijn in alle gevallen reeds vele andere geurgevoelige bestemmingen gelegen

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.1.4 Luchtkwaliteit

In hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wmb), zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen. Dit hoofdstuk staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Het doel van titel 5.2 Wmb is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen.

Indien een project aangeduid kan worden als Niet in betekende mate (NIBM) vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto.

Planlocatie

Het planvoornemen betreft het planologisch-juridisch mogelijk maken van een woning. Het planvoornemen behoort vanwege de relatief beperkte omvang automatisch tot de categorie van gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging. Een toets aan de 3%-grens (bijdrage aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof en stikstofdioxide) kan derhalve achterwege blijven.

Uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening is eveneens gekeken naar de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (zowel PM10 als PM2.5) ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling. Om een goed beeld te krijgen van deze concentraties is gebruik gemaakt van de resultaten uit de NSL Monitoringstool (monitoringsronde 2019). Met deze Monitoringstool wordt de luchtkwaliteit jaarlijks in beeld gebracht langs de drukste wegen in Nederland, zowel voor het gepasseerde jaar als voor de toekomst. De Monitoringstool wordt jaarlijks geactualiseerd op basis van de generieke invoergegevens en verkeersgegevens van het Rijk, provincies en gemeenten. Omdat geen gegevens nabij het plangebied beschikbaar zijn, is worst- case gebruik gemaakt van de gegevens van de Rijksweg A2 (zie onderstaande figuur).

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.BPBoschong-vs01_0010.png"

Uitsnede NSL tool

  2020   2030   Maatgevende richtwaarde  
NO2   26.6   16.3   40  
PM10   18.8   15.8   32,5  
PM2,5   11.6   8.8   25  

Uit de NSL- monitoringskaart blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van de rekenpunten niet overschreden worden. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.1.5 Bedrijven en milieuzonering

Vanuit het aspect ‘goede ruimtelijke ordening’ dient voldoende ruimtelijke scheiding te zijn tussen hinderveroorzakende (o.a. bedrijven) en hindergevoelige functies (waaronder woningen). Bovenstaande moet op twee manieren getoetst worden. Enerzijds wordt er gekeken of het perceel zelf veroorzaker is van hinder en anderzijds wordt bekeken of het perceel kwetsbaar is voor hinder. Hiervoor worden de afstanden uit de VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ als maatgevend beschouwd. Dit betreffen conform jurisprudentie richtafstanden, die indicatief zijn voor een goede ruimtelijke ordening. De publicatie geeft vier factoren (geur, stof, geluid en gevaar) op basis waarvan bepaald wordt in welke categorie een activiteit geplaatst kan worden. De publicatie biedt geen wettelijk vastgestelde norm. Bij de toetsing van concrete situaties dient maatwerk te worden geleverd. Afwijking van de generieke richtafstanden uit de VNG publicatie is hierbij mogelijk, mits dit goed kan worden gemotiveerd. De in de publicatie opgenomen generieke richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk.

Het planvoornemen voorziet in de toevoeging van één extra woning. Het voornemen zelf leidt niet tot milieuhinder voor omwonenden. Er dient wel getoetst te worden of bestaande bedrijven met het voornemen niet extra worden belemmerd en of de extra woning niet wordt blootgesteld aan onaanvaardbare hinder van omliggende bedrijven.

In de omgeving van het plangebied zijn navolgende bedrijven/voorzieningen aanwezig.

Bedrijf   Adres   Toegestane cat.   Max. afstand   Feitelijke afstand  
Melkrundveebedrijf   Boschhoven 48   3.2   100 meter   115 meter  
Dierenkliniek   Boschhoven 52   3.2   100 meter   180 meter  

Uit de tabel blijkt dat ruimschoots voldaan kan worden aan de richtafstanden en zonering. Het planvoornemen vormt daarmee geen belemmering voor omliggende bedrijven en omgekeerd vormt de exploitatie van deze bedrijven geen belemmering voor de realisatie van een woning in het plangebied.

4.1.6 Gezondheid
4.1.6.1 Endotoxinen

Blootstelling aan stoffen uit de veehouderij (met name pluimvee- en varkenshouderijen in de omgeving) kan leiden tot negatieve gezondheidseffecten. Volgens de Gezondheidsraad is endotoxine een goede indicator voor blootstelling van omwonenden van veehouderijen aan ontwikkeling van een landelijk toetsingskader is de notitie "Handelsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid Endotoxine toetsingskader 1.0' opgesteld. In het toetsingskader zijn afstanden bepaald die een te hoge blootstelling aan endotoxinen zullen voorkomen. Uitgangspunt van het toetsingskader is de advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m3 voor endotoxinen. Hierdoor kan worden bepaald of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot endotoxinen.

Ten oosten bevindt zich op ca 850 meter een pluimveehouderij met een vergunning voor het houden van 11260 (groot)ouderdieren van vleeskuikens en een vergunde geuremissie van ca 10500 Ou (Langstraat 6).

Ten noordoosten bevindt zich op ca 920 meter een varkenshouderij met een vergunning voor het houden van 4545 vleesvarkens en een vergunde geuremissie van ca 61.600 Ou (Ven 25).

In de nabijheid van de planlocatie zijn geen overige varkens- en pluimveehouderijen gesitueerd. De planlocatie ligt ruimschoots buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom dergelijke bedrijven in de omgeving. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.

4.1.6.2 Geitenhouderijen

Op basis van verschillende VGO (Veehouderij en Gezondheid Omwonenden) - onderzoeken is aangetoond dat er verhoogde gezondheidsrisico's zijn wanneer in de nabijheid (binnen een straal van ca. 1,5 tot 2,0 km) van een geitenhouderij gewoond wordt. Mede op basis hiervan geldt in de provincie momenteel een nieuwvestigings- en uitbreidingsverbod voor geitenhouderijen.

De rechtstreeks werkende (tijdelijke) verbodsregels op het uitbreiden van een geitenhouderij hebben geen directe invloed op het mogelijk maken van gevoelige bestemmingen zoals woningen, scholen en kinderdagverblijven, in de nabijheid van geitenhouderijen. Er kan immers (nog) geen wetenschappelijk verband worden gelegd met een maximale blootstelling vanwege een aanvaardbaar of niet aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er is hiervoor dan ook nog geen nader wettelijk toetsingskader en er bestaan geen concrete normen of aan te houden afstanden die in acht genomen moeten worden bij de vergunningverlening en/of bij de ruimtelijke planning.

De afstand tot de meest nabijgelegen geitenhouderij bedraagt meer dan 3km. Vanwege deze grote afstand zal er geen sprake zijn van gezondheidsrisico's.

4.1.7 Externe veiligheid
4.1.7.1 Algemeen

De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid (Regeling externe veiligheid inrichtingen) is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico’s van industriële activiteiten met opslag en transport van gevaarlijke stoffen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat er te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden.

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.

4.1.7.2 Plangebied

Navolgende figuur betreft een uitsnede van de risicokaart van de provincie Noord- Brabant.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.BPBoschong-vs01_0011.png"

Uitsnede risicokaart

In de directe nabijheid zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. De meest dichtbijzijnde inrichtingen liggen op meer dan 1km van het plangebied. In de nabijheid van het plangebied zijn eveneens geen buisleidingen gelegen. Over de ten westen gelegen Rijksweg A2 is vervoer van gevaarlijke stoffen mogelijk. Het plangebied ligt echter buiten de risicocontour van dergelijke transportroutes.


Gesteld kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

4.2 Waterhuishouding

4.2.1 Inleiding

Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium te adresseren in het besluitvormingsproces van ruimtelijke plannen. De paragraaf beschrijft de actuele waterhuishouding in het plangebied. Daarnaast wordt, binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan, vastgelegd aan welke watereisen de ontwikkeling moet voldoen. Ruimtelijke plannen worden onder meer getoetst aan "hydrologisch neutraal" ontwikkelen conform landelijk en lokaal waterbeleid. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder c van het Besluit ruimtelijke ordening.

4.2.2 Beleid
4.2.2.1 Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021

In het Provinciaal Milieu- en Waterplan (PMWP) is te lezen hoe de provincie Noord- Brabant de komende jaren gaat werken aan een veilig en gezond milieu. Het doel is een goed, veilig en gezond woon- en vestigingsklimaat voor huidige en toekomstige bewoners en bedrijven creëren, met behoud van voldoende natuurlijke hulpbronnen voor toekomstige generaties.

Uitgangspunten bij het Provinciale Milieu- en Waterplan zijn:

  • balans tussen efficiënt beschermen en duurzaam benutten van de fysieke leefomgeving;
  • uitnodigend voor partijen die verantwoordelijkheid nemen; streng voor achterblijvers;
  • opgaven integraal en gebiedsgericht oplossen;
  • een dynamische en uitnodigende uitvoeringsagenda, die we samen met onze partners uitvoeren.

Bij het PMWP wordt gebruik gemaakt van de PPP-methode: People (sociaal-cultureel kapitaal), Planet (ecologisch kapitaal, waaronder bodem, lucht en water) en Profit (economisch kapitaal). De provincie wil vooruitgang boeken waarbij de drie kapitalen in balans zijn. In het PMWP staat het ecologisch kapitaal centraal, maar die kan niet los gezien worden van de onderdelen People en Profit.

In samenwerking met de gemeenten en waterschappen wordt een aanpak uitgewerkt voor ‘de gezonde stad en ommeland. Hierbij worden onderwerpen als fijnstof, hittestress en Smart and Green Mobility meegenomen. Bij de gebiedsgerichte aanpak wordt het thema gezondheid meegenomen en de informatie wordt beschikbaar gesteld. De milieu- en waterkwaliteit wordt geborgd of daar waar nodig verbeterd.

Binnen het plangebied zijn geen specifieke thema’s uit het PMWP aan de orde.

4.2.2.2 Waterbeheerplan

Per 1 januari 2016 geldt het Waterbeheerplan 2016-2021 van waterschap De Dommel. Het waterbeheerplan geeft vier uitgangspunten weer die de richting aangeven van de plannen en oplossingen van het waterschap voor de periode 2016–2021. Deze vier uitgangspunten luiden als volgt:

1. De beekdalbenadering

Door het beekdal als groter geheel steeds voor ogen te houden, kan het waterschap integraler en effectiever werken. Wel is samenwerking met andere overheden, andere waterpartners en inwoners daarbij essentieel. Water verbindt de stad met het ommeland. Water verbindt mensen.

2. De gebruiker centraal

De omgeving wordt op heel veel verschillende manieren gebruikt. Ook veranderen de behoeften en belangen van gebruikers. De waarde van water verandert met de maatschappij mee. Daar heeft het waterschap oog voor en speelt daarop in.

3. Samen sterker

Door de handen ineen te slaan met andere overheden en waterpartners, boeren en bedrijven, bereikt het waterschap meer dan op eigen houtje. Zij aan zij zoekt het waterschap naar de beste oplossingen en maakt daar werk van. Het waterschap wil inspireren en ruimte geven. Door flexibel te zijn in de samenwerking met ideeën van derden versterkt het waterschap de uitvoeringskracht.

4. Gezonde toekomst

Ook toekomstige generaties wil het waterschap voldoende, veilig en schoon water kunnen beiden. Overal in de maatschappij streeft het waterschap naar duurzaamheid. Het denken in kringlopen is daarbij de basis. Het waterschap sluit hierbij aan en ziet het als een inspirerende uitdaging. Mensen bewust maken van de waarde van water om zo tot duurzaam gebruik te komen zal de komende jaren in het werk van het waterschap verweven zijn.

Een van de belangrijke punten in het waterbeheerplan is het creëren van een klimaatbestendige en waterrobuuste omgeving. Dit kan worden bereikt door op een goede manier om te gaan met water onder andere door het bergen van hemelwater en het vasthouden van water in droge perioden.

4.2.2.3 Keur Waterschap de Dommel

Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de 'Keur Waterschap de Dommel 2015' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die bepalingen bevat met betrekking tot activiteiten die gevolgen hebben voor waterhuishouding en waterbeheer. Op grond van Keur is het zonder ontheffing van het waterschap is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud aan watergangen kunnen belemmeren.

4.2.2.4 Beleidsregel hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater

De drie Brabantse Waterschappen hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt.

Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding of afkoppelen van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert.

Bij het invullen van de compensatieopgave wordt tevens gekeken naar de mogelijke realisering van andere waterdoelen. Het gaat hierbij dus om een optimale inpassing van een plan in zijn omgeving, waarbij ook gekeken moet worden naar het huidig en toekomstig functioneren van het totale (deel)stroomgebied waar de ontwikkeling onderdeel van uitmaakt. Naast het behoud van voldoende systeemrobuustheid, kan hiermee beter invulling worden gegeven aan de gewenste doelmatigheid. Bovendien biedt dit mogelijkheden voor waterschappen en gemeenten om ook andere dan hydrologische aspecten mee te nemen in de afweging. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het oplossen van waterkwaliteitsknelpunten of het tegengaan van verdroging.

Voor hemelwater dat op verharde oppervlakten valt, staan de waterschappen onderstaande voorkeursvolgorde voor, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is:

  • 1. hergebruik;
  • 2. vasthouden/ infiltreren;
  • 3. bergen en afvoeren;
  • 4. afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect);
  • 5. afvoeren naar de riolering.

De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Bij kleine plannen met een toename van verhard oppervlak tot 500m2 is geen compensatie vereist. Wanneer het waterschap niet heeft ingestemd met de waterparagraaf van een bestemmingsplan en er sprake is van een toename van verhard oppervlak vanaf 500 m² tot en met 10.000 m² wordt de rekenregel toegepast. In dat geval kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m²) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3).

4.2.2.5 Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2021 Heeze-Leende

In aanvulling op het waterschapsbeleid heeft de gemeente Heeze-Leende beleid voor omgang met hemelwater vastgesteld in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016- 2021 Heeze-Leende (VGRP). Op grond van dit beleid dient bij alle ruimtelijke plannen voor wat betreft de omvang van hemelwater de voorkeursvolgorde 'hergebruik – vasthouden – vertraagde afvoer – lozing oppervlaktewater – lozing riool' te worden gehanteerd. Daarbij dient het hemelwater op eigen terrein te worden geïnfiltreerd. Bij plannen met een toename van verharding en daken dient conform het uitgangspunt voor een hydrologisch neutrale ontwikkeling een waterbergingsvoorziening met een capaciteit van 60 mm per m² verharding te worden gerealiseerd.

4.2.3 Bestaande situatie plangebied
4.2.3.1 Huidig gebruik

De gronden zijn momenteel in gebruik als weiland. Op het weiland bevindt zich een veldschuur van circa 40 m2, die zal worden verwijderd.

Er bevindt zich binnen het plangebied geen oppervlaktewater.

4.2.3.2 Bodemopbouw

Ter plaatse bestaat de bodem overwegend uit hoge zwarte enkeerdgronden. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek, zie ook Bijlage 1 bestaat de bodem uit matig fijn zand, matig humeus, met een geschatte k-waarde van 1 tot 3. Op circa 3 meter beneden maaiveld (iets onder het grondwater) bevindt zich een leemlaag.

De hoogte van het plangebied varieert ter plaatse tussen 24 en 27 meter +NAP. (Bron: Actueel Hoogte Bestand Nederland).

4.2.3.3 Grondwater

Enkeerdgronden hebben een grondwaterstand van VII en VIII (bron: Bodematlas, Provincie Noord-Brabant). Hiervoor geldt dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand GHG is gelegen op een diepte van meer dan 80 cm beneden maaiveld.

De freatische grondwaterspiegel bevindt zich op circa 2,75 m-mv. De stromingsrichting van het grondwater in het eerste watervoerende pakket is globaal noordelijk gericht.

4.2.4 Waterhuishouding toekomstige situatie
4.2.4.1 Toename verhard oppervlak

Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de toevoeging van één vrijstaande woning (ca 225 m2) en verharde ontsluiting (ca 100 m2). De rest van het perceel zal in gebruik worden genomen als tuin en blijft onbebouwd. De toevoeging van verhard oppervlak omvat door de ontwikkeling minder dan 500 m2.

4.2.4.2 Compensatie

Op basis van het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen dienen negatieve hydrologische gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen te worden geneutraliseerd om te voorkomen dat door bebouwing en verharding een versnelde waterafvoer plaatsvindt, waarbij met name het hemelwater zoveel mogelijk afgekoppeld dient te worden van het rioleringsstelsel.

De ontwikkeling voorziet in de toevoeging van één woning binnen de reeds bestaande woonbestemming. Het voornemen slechts in een zeer beperkte toename aan bebouwing cq. verharding. De toename aan verharding bedraagt minder dan 500 m2. Op basis van het gemeentelijk beleid van het waterschap dient iedere verhardingstoename hydrologisch neutraal plaats te vinden, waarbij per m2 verhard oppervlakte 60 mm berging noodzakelijk is.

4.2.4.3 Afvoer hemelwater - infiltratie

Binnen het projectgebied wordt het hemelwater afgekoppeld van het vuilwaterrioolstelsel. Dit betekent dat het schone hemelwater niet wordt afgevoerd naar de RWZI (rioolwaterzuiveringsinstallatie) Eindhoven, maar wordt geïnfiltreerd in de grond.

Het schoon hemelwater in het plangebied zal worden afgekoppeld van het riool en zal gedurende het grootste deel van het jaar vertraagd infiltreren in de bodem. Het plangebied biedt hiervoor ruimschoots de ruimte en de lokale bodemkundig/hydrologische gesteldheid is geschikt voor de benodigde infiltratie.

Bij de aanvraag omgevingsvergunning zal de bergingsvoorziening nader worden uitgewerkt qua dimensionering en nadere detaillering, waarbij conform gemeentelijk uitgangspunt per m2 verhard oppervlakte 60 mm hemelwater dient te worden geborgen. Daarnaast zal in de nadere uitwerking ook rekening worden gehouden met een eventuele leegloop of noodoverloop in geval van extreme langdurige regenval. Ter borging van de realisering en instandhouding van de waterbergingsvoorziening is een voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen.

4.2.4.4 Afvoer vuilwater - riolering

In de beoogde situatie wordt het huishoudelijk afvalwater van de nieuwe woning middels een nieuwe aansluiting aangesloten op het bestaande riool, waarmee het vuilwater wordt afgevoerd.

4.2.4.5 Vooroverleg waterschap

Het concept-ontwerpbestemmingsplan is in het kader van het regulier vooroverleg aan het waterschap toegezonden.

Het waterschap heeft op 11 januari 2022 aangegeven met de voorgelegde waterparagraaf in te kunnen stemmen. Wel werd er nog om extra aandacht gevraagd voor een eventuele noodoverleg van de waterbergingsvoorziening bij extreme langdurige regenval. Daarnaast werd vanwege de lagere maaiveldligging verzocht bij realisering van het woonhuis er rekening mee te houden dat het woonhuis voldoende hoog wordt gerealiseerd om wateroverlast te voorkomen. Tenslotte werd geadviseerd een voorwaardelijke verplichting voor de waterberging op te nemen.

De toelichting en regels zijn op bovenstaande aandachtspunten in het ontwerp bestemmingsplan aangevuld.

4.3 Flora en Fauna

Voor de planologische procedure dient te worden vastgelegd dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de geldende natuurwetgeving.

4.3.1 Wetgeving

De nieuwe Wet natuurbescherming vervangt vanaf 1 januari 2017 drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:

  • 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland,
  • 2. decentralisatie van verantwoordelijkheden en
  • 3. vereenvoudiging van regels.

Op basis van deze Europese richtlijnen is Nederland verplicht om beschermde habitats, soorten en hun leefgebieden in stand te houden of te herstellen. Daarvoor worden gebieden aangewezen waar deze soorten en habitats voorkomen. Voor deze aangewezen gebieden, veelal reeds onderdeel uitmakend van de Natuur Netwerk Brabant, geldt een speciaal beschermingsregime. Bij uitbreiding of verandering van activiteiten of bij nieuwe activiteiten in of in de nabijheid van deze gebieden moet er getoetst worden of er significante gevolgen zijn voor de gebieden.

De Wet natuurbescherming vormt tevens het wettelijk kader voor de bescherming van een groot aantal inheemse bedreigde dier- en plantsoorten. Bij nieuwe ruimtelijke ingrepen en activiteiten dient tevens onderzocht te worden of deze ingrepen en /of activiteiten eventueel negatieve gevolgen hebben voor aanwezige dier- en plantensoorten in de omgeving. De wet is bedoeld om soorten te beschermen, niet individuele planten of dieren. Het gaat erom dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt.

4.3.2 Gebiedsbescherming

Globaal kan gesteld worden dat de gebiedsbescherming gericht is op de bescherming van de waarden waarvoor een gebied is aangewezen. Deze bescherming is gebied specifiek, maar kent wel de zogenaamde externe werking. Dat wil zeggen dat ook handelingen buiten het beschermde gebied niet mogen leiden tot verlies aan kwaliteit in het beschermde gebied.

In de nabijheid van het plangebied ligt het Natura 2000 gebied 'Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux' (op ca. 750 meter). Om negatieve effecten van het voornemen op het nabij gelegen Natura 2000 gebied te kunnen uitsluiten is een stikstofbeoordeling uitgevoerd. De notitie is aan de toelichting bijgevoegd als Bijlage 3. In de notitie wordt op basis van uitgevoerde Aerius berekeningen geconcludeerd dat het bouwplan in de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura2000- gebieden. Op basis van de Wet Stikstofreductie en Natuurherstel kan gebruik worden gemaakt van de partiële vrijstelling voor bouwactiviteiten zoals opgenomen in artikel 2.9a Wnb.

Negatieve effecten ten gevolge van stikstof op de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebieden kunnen basis van de berekening worden uitgesloten, waardoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet vereist is.

Het dichtstbijzijnde NNB gebied ligt op ongeveer 700 meter afstand ten noordwesten van het plangebied. De voorgenomen activiteiten in het plangebied zullen door hun lokale aard geen aantasting tot gevolg hebben van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNB in de omgeving en daarmee niet leiden tot negatieve effecten op het NNB.

4.3.3 Soortbescherming

De soortbescherming is opgenomen in de Wet Natuurbescherming. Deze bescherming geldt overal in Nederland, ook in de beschermde gebieden. De soortbescherming kent geen externe werking. Projecten worden getoetst aan de directe invloed op beschermde waarden binnen de grenzen van het plangebied. De wet regelt de bescherming van wilde dier- en plantsoorten. Ook omvat de wet de bescherming van Habitatrichtlijnsoorten buiten de aangewezen Natura 2000 gebieden.

Om in beeld te brengen of de ontwikkeling in strijd is met natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden is een ecologische quickscan uitgevoerd door Archimil B.V. (rapportage C218274.001.004/PHE). Deze rapportage is als Bijlage 2 aan de toelichting toegevoegd. Uit de rapportage kan navolgende worden geconcludeerd:

  • op de planlocatie zijn geen beschermde flora en fauna waargenomen die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen activiteit;
  • voor de geplande activiteiten is op basis van de bekende gegevens geen ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk;
  • eventuele werkzaamheden, waaronder het verwijderen van de perenboom en een gedeelte van de beukenhaag, dienen buiten het broedseizoen (van 15 maart tot globaal 15 juli) uitgevoerd te worden;
  • een aanvullend of nader onderzoek naar de aanwezige flora en fauna, voor de geplande activiteiten wordt niet noodzakelijk geacht.

Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect Flora en Fauna geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

4.4 Cultureel erfgoed

4.4.1 Archeologie
4.4.1.1 Wettelijk kader

De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven. Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard. Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van het voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.

4.4.1.2 Planlocatie

Het plangebied is volgens het vigerende bestemmingsplan gelegen binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Voor de gronden met de archeologische dubbelbestemming geldt dat bij het bouwen van een bouwwerk, of werken en werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 250 m2 en een diepte van meer dan 30 centimeter, een onderzoeksplicht geldt.

Bij de bouw van de Ruimte-voor-ruimtewoning betreft de oppervlakte van de bodemverstoring minder dan 250 m². Daarmee wordt de drempelwaarde niet overschreden. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Indien echter tijdens de werkzaamheden alsnog archeologische sporen en/of materialen worden aangetroffen, dan moet dit conform de Monumentenwet 1988 gemeld worden bij het bevoegd gezag.

Om te voorkomen dat bij eventueel toekomstige bodemingrepen onverhoopt alsnog archeologische waarden zouden kunnen worden aangetast zonder dat het aspect archeologie wordt beschouwd, is de huidige archeologische dubbelbestemming conform het gemeentelijk archeologisch beleid op het perceel opgenomen.

Voor toekomstige bodemingrepen met een verstoringsoppervlak van meer dan 250 m2 en verstoringsdiepte van meer dan 30 cm blijft hiermee een onderzoeksplicht van toepassing.

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voorliggend bestemmingsplan.

4.4.2 Cultuurhistorie

Per 1 september 2017 is de Erfgoedwet in werking getreden. In een bestemmingsplan dient op grond van het Bro artikel 3.1.6 een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, rekening is gehouden. Ook de facetten historische bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Bij de opstelling en uitvoering van ruimtelijke plannen moet met de cultuurhistorische (landschaps)waarden van bovenlokaal belang rekening worden gehouden. De provincie heeft hiertoe in haar Verordening zogeheten cultuurhistorische vlakken aangeduid. Deze vlakken verdienen specifieke aandacht vanwege de onvervangbaarheid van de aanwezige waarden. Gemeenten dienen de cultuurhistorische waarden en kenmerken van deze gebieden te behouden, herstellen en/of duurzaam te ontwikkelen. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen hier enkel worden toegestaan, indien zij de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied niet aantasten.

De planlocatie is gelegen in de door de provincie aangeduid cultuurhistorisch waardevol gebied. In deze gebieden ligt het accent op het behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio en de ontwikkeling, bescherming en recreatieve ontsluiting van de cultuurhistorische waarden van de Kempen in hun samenhang. Met het planvoornemen wordt hieraan geen afbreuk gedaan. Door in sterke mate in te zetten op een goede landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing vindt geen aantasting van cultuurhistorische waarden plaats.

De bestaande klinkerweg Boschhoven is een belangrijk cultuurhistorisch element in het bebouwingslint. De weg was tot omstreeks 1930 enkele eeuwen lang onderdeel van de doorgaande landroute tussen Eindhoven en Weert. De bestrating met gebakken klinkers dateert (deels) uit de periode 1890-1940. Met de realisatie van de woning worden de waarden van het lint niet aangetast. De woning zal worden ingepast in het huidige straatbeeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.1658.BPBoschong-vs01_0012.png"

In het plangebied zijn geen monumentale panden aanwezig. In de omgeving bevindt zich het gemeentelijk monument het Heilig Hartbeeld. Daarnaast bevinden zich twee sterk beeldbepalende boerderijen in de nabije omgeving van het plangebied. Het betreffen de panden Boschhoven 27 en Boschhoven 50. Boschhoven 27 is tegenover het plangebied gelegen. Met de ontwikkeling van de woning wordt de verschijnvorm van het pand echter niet aangetast.

4.5 Leidingen

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient er te worden onderzocht of er leidingen onder het perceel doorlopen, om te voorkomen dat de leiding bij werkzaamheden wordt beschadigd.

Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt.

4.6 Vormvrije m.e.r.- beoordeling

Per 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed.

Als uitgangspunt gelden voor plannen onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is:

  • Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten;
  • Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.

Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt nog wel de plicht om een 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' uit voeren. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten er toch een MER moet worden opgesteld.

Ter plaatse van het plangebied vindt toevoeging plaats van één burgerwoning. De voorgenomen functiewijziging geldt niet als een m.e.r.beoordelingsplichtige activiteit, zoals omschreven in de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.. Het voornemen blijft ruimschoots onder de hiervoor gestelde grenswaarde .

Uit de resultaten van de opgestelde Aerius-berekening (zie ook Bijlage 3) blijkt dat het voornemen niet leidt tot effecten op omliggende op Natura 2000 gebieden. Het opstellen van een passende beoordeling is dan ook niet noodzakelijk. Daarnaast blijkt dat de locatie, aard en omvang van het voornemen ook niet leiden tot dusdanige omstandigheden of milieueffecten, op basis waarvan alsnog een nadere m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is.

Het voornemen is daarmee ook niet m.e.r. (beoordelings)plichtig. In bovenstaande paragrafen is de ontwikkeling getoetst aan milieuplanologische randvoorwaarden. Het milieubelang is in voldoende mate is afgewogen, hieruit volgt dat er geen nadelige effecten zijn te verwachten.

Hoofdstuk 5 Juridisch plan

De beleidsdoelstellingen zijn juridisch vertaald in de regels en de bijbehorende verbeelding. De basis voor de verbeelding zijn een recente kadastrale ondergrond en topografische gegevens. Op de verbeelding is de grens van het plangebied aangegeven. Binnen die grens zijn de verschillende bestemmingen met verschillende kleuraanduidingen weergegeven. Voorts zijn aanduidingen opgenomen, waarnaar in de regels wordt verwezen.

5.1 Algemeen

De regels zijn opgedeeld in 4 hoofdstukken:

  • Hoofdstuk 1 bevat de begrippen (artikel 1) en een bepaling over de wijze van meten (artikel 2); deze worden opsommingsgewijs in alfabetische volgorde aangegeven en dienen als referentiekader voor de overige regels.
  • Hoofdstuk 2 bevat een uitleg over de bestemmingen. Deze artikelen hebben een vaste opbouw.
  • Hoofdstuk 3 bevat enkele algemene regels, zoals de antidubbeltelregel, algemene bouwen gebruiksregels en algemene afwijkings- en wijzigingsregels.
  • Hoofdstuk 4 bevat tenslotte het overgangsrecht en de slotregel, met daarin de titel van het bestemmingsplan.

5.2 Nadere toelichting bestemmingsregels

In het plan zijn de volgende bestemmingen opgenomen:

Tuin

De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: tuin, behorende bij de op de aangrenzende bestemming ‘Wonen’ gelegen hoofdgebouwen, met de daarbij behorende parkeervoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Wonen

Voor de nieuwe woning is de bestemming ‘Wonen’ opgenomen, conform de geldende bestemmingsplansystematiek. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: woningen, al dan niet met aan-huisverbonden beroep, met de daarbij behorende erven en terreinen, verkeer- en parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Voor de woning is daarnaast een bouwvlak opgenomen, waarbinnen de woning opgericht dient te worden. De maximale toegestane inhoud van de woning bedraagt 1.000 m3. De maximaal toegestane goot- en bouwhoogte bedragen 4 meter respectievelijk 9 meter en zijn als zodanig ook op de verbeelding opgenomen.

De totale oppervlakte aan bijgebouwen, carports en overkappingen buiten het bouwvlak mag niet meer dan 100 m2 bedragen, met een me maximaal toegestane goot- en bouwhoogte van 3,5 respectievelijk 5 meter.

Daarnaast wordt een aan huis verbonden beroep rechtstreeks toegestaan, mits de vloeroppervlakte hiervoor niet meer dan niet meer dan 45 m2 bedraagt.

De landschappelijke inpassing in de vorm van aanvulling en instandhouding van geschoren hagen is in dit bestemmingsplan nader juridisch geborgd door middel van een voorwaardelijke verplichting. Daarnaast is ook de realisering van een hemelwatervoorziening middels een voorwaardelijke verplichting geborgd.

Waarde - Archeologie 1

De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Bescherming van de archeologische waarden is geregeld doordat voor een aantal grondverstorende werken en werkzaamheden een omgevingsvergunning benodigd is. De dubbelbestemming kent een ondergrens van 250 m2. Indien de oppervlakte van de grondverstoring onder deze oppervlakte blijft, is geen archeologisch onderzoek nodig. Dit geldt tevens voor bodemingrepen, die niet dieper gaan dan 30 cm beneden maaiveld.

Algemene regels

In de algemene bouwregels is een verwijzing naar de gemeentelijke parkeernormen opgenomen.

In de algemene afwijkingsregels is onder meer een regeling opgenomen die het bevoegd gezag de mogelijkheid biedt om, onder voorwaarden, realisering van onder meer een bedrijf aan huis en/of een bed&breakfast toe te staan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning.

In de overgangsregels is een regeling opgenomen voor bestaande zaken en rechten die niet in overeenstemming zijn met de overige regelingen in dit bestemmingsplan en mits niet strijdig met het voorheen geldende bestemmingsplan met de daaronder begrepen overgangsbepaling. De bepaling is (verplicht) overgenomen uit het Besluit ruimtelijke ordening.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Op basis van artikel 3.6.1, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk worden gemaakt door het bestemmingsplan moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, omdat er anders sprake is van een oneigenlijke bestemming.

De bouw van de nieuwe woning vindt plaats onder verantwoording van de particuliere initiatiefnemer. Initiatiefnemer draagt zelf zorg voor het verkrijgen van een Ruimte voor Ruimtetitel ten behoeve van de realisatie van de woning. Algemene (procedure)kosten die uit het project en de ruimtelijke procedure voorvloeien worden ten laste gebracht van initiatiefnemer. Daarnaast zullen in een exploitatieovereenkomst alle op de initiatiefnemer te verhalen kosten worden opgenomen met betrekking tot de realisatie van het plan. De exploitatie is op deze manier anderszins verzekerd.

Voorafgaand aan de inwerkingtreding van het plan dient middels een planschadeovereenkomst, de opdrachtgever zich bereid te verklaren om de voor vergoeding in aanmerking komende planschade volledig aan de gemeente te compenseren. Deze planschadeovereenkomst maakt deel uit van de exploitatieovereenkomst.

Het opstellen van een exploitatieplan is daarom niet nodig. Het plan is economisch uitvoerbaar en heeft verder geen financiële consequenties voor de gemeente.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Omgevingsdialoog

Voor opstelling van het concept ontwerp bestemmingsplan zijn alle naaste omwonenden nader geïnformeerd over de voorgenomen plannen, waarbij ieder de mogelijkheid is gegeven reacties te geven. Er zijn door de omwonenden geen bezwaren tegen het voornemen kenbaar gemaakt.

6.2.2 Vooroverleg

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft in artikel 3.1.1 aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg moeten voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In het kader van het wettelijk vooroverleg is het concept ontwerpbestemmingsplan aan diverse instanties worden toegezonden.

De reactie van het waterschap is reeds beschreven in de waterparagraaf van deze toelichting, zie paragraaf 4.2.4.5 

Daarnaast heeft de provincie Noord-Brabant per brief d.d. 9 februari 2022 gereageerd. De provincie geeft aan dat het plan in overeenstemming is met de provinciale belangen. Wel wordt verzocht om de benodigde bewijsstukken van de aanschaf van de bouwtitel bij het bestemmingsplan te voegen evenals het landschappelijke inpassingsplan.

De landschappelijke inrichtingsschets was reeds als Bijlage 1 bij de regels van het concept ontwerp opgenomen en is ongewijzigd in dit ontwerp bestemmingsplan gehandhaafd. Volledigheidshalve is de inrichtingsschets nogmaals aan de provincie verzonden.

Ten aanzien van de bewijsstukken voor de vereiste bouwtitel is weliswaar de koopovereenkomst eeds afgesloten, maar is de bijbehorende dossiervorming echter nog niet in zijn geheel afgerond. Na nadere afstemming met de provincie is overeengekomen dat de de definitieve bewijsstukken voor vaststelling aan de provincie zullen worden overlegd en dat deze stukken vervolgens inclusief akkoordverklaring van de provincie bij de definitieve vaststelling van het bestemmingsplan alsnog zullen worden toegevoegd.

6.2.3 Zienswijzen

Het ontwerp-bestemmingsplan heeft op grond van het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening van 15 juni 2022 tot en met 26 juli 2022 gedurende 6 weken voor een ieder ter inzage gelegen.

Tijdens deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend door belanghebbenden. De provincie heeft wel een formele reactie op het ontwerpplan gegeven, aangezien de Ruimte-voor-Ruimte titel van de locatie de Zegge 25 in Heeze nog niet door hen was goedgekeurd. Inmiddels heeft de provincie deze titel goedgekeurd. De gegevens van deze titel zijn als Bijlage 4 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen.

Op 19 september 2022 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan vastgesteld.