direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Kerkcluster Hoeven
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1655.BP2018-C001

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De gronden rondom de Sint-Jan de Doperkerk aan de Sint Janstraat in Hoeven bestaan uit een grasveld en bomen en een toegangspad naar de achterliggende begraafplaats. Initiatiefnemer wil hier 8 levensloopbestendige patiowoningen en 22 appartementen realiseren, gecombineerd met de transformatie van de pastorie met een gemengde functie voor wonen en horeca. Daarnaast wordt er parkeergelegenheid gerealiseerd voor het nieuwe dorpshuis. Deze ontwikkeling past niet binnen de regeling van het geldende bestemmingsplan 'Kom Hoeven' van de gemeente Halderberge.

Om deze ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te kunnen maken is dit bestemmingsplan opgesteld.

1.2 Plangebied

Het plangebied betreft de percelen rondom de Sint-Jan de Doperkerk gelegen aan de Sint Janstraat 40 in Hoeven. Het plangebied is gelegen in het noorden van de kern Hoeven, nabij de N640. Het plangebied omvat de openbare ruimte rondom de kerk tot aan de bestaande begraafplaats. De kerk is aangewezen als rijksmonument. De grenzen van het plangebied worden gevormd door de begraafplaats ten noorden, een appartementencomplex ten oosten, de Sint Janstraat ten zuiden en grondgebonden woningen ten westen. In figuur 1.1 is de begrenzing van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0001.jpg"

Figuur 1.1 - Globale begrenzing plangebied

1.3 Planologische regeling

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Kom Hoeven' dat is vastgesteld op 14 maart 2013. Het plangebied rondom de kerk is grotendeels bestemd als 'Maatschappelijk' en voor een klein deel aan de westzijde achter de bestaande woningen voor 'Verkeer'.

Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van het geldende bestemmingsplan weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0002.jpg"

Figuur 1.2 - Geldend bestemmingsplan 'Kom Hoeven'

De ontwikkeling van 8 levensloopbestendige patiowoningen, een appartementengebouw met 22 appartementen en een gebouw voor wonen en horeca past niet binnen deze bestemmingen.

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt het initiatief nader beschreven. Daarbij komt de huidige situatie aan bod en wordt vervolgens ingegaan op de toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 schetst het relevante beleidskader voor het plan. Daarbij wordt ingegaan op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 worden de omgevingsaspecten behandeld, waaraan de nieuwe ontwikkeling wordt getoetst.

Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische aspecten van het plan. In hoofdstuk 6 worden de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan toegelicht.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

Dit hoofdstuk beschrijft de huidige en beoogde toekomstige situatie in het plangebied.

2.1 Bestaande situatie

Plangebied

Het plangebied omvat de openbare ruimte rondom de Sint-Jan de Doperkerk en de huidige pastorie in Hoeven. Het plangebied is gelegen aan de Sint Janstraat 40 en beslaat grotendeels het kadastrale perceel sectie D nummer 4524 en een klein gedeelte van het nummer 4172. Het plangebied is circa 8.600 m2 groot.

Het plangebied is gelegen in een woonomgeving in het noorden van de kern Hoeven. De locatie ligt tussen woningbouw in de vorm van een appartementencomplex aan de oostzijde, grondgebonden woningen aan de Sint Janstraat en aan het Hofpark aan de westzijde. Ten noorden van het plangebied bevindt zich de begraafplaats. De inrichting en het beeld van het plangebied en omgeving worden bepaald door de Sint-Jan de Doperkerk kerk. De kerk is een rijksmonument, dit vraagt om een zorgvuldige inpassing van de ontwikkeling in de omgeving. Er is een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een dorpshuis in de kerk met een aanbouw aan de westzijde van de kerk. Aan de voorzijde van de kerk ligt het versteende kerkplein met daarnaast de pastorie dat met een aanbouw gekoppeld is aan de kerk. Het overige deel van het plangebied is groen ingericht met een grasveld aan de noordzijde en een bomencluster met grote bomen aan de westzijde. Langs de kerk loopt het toegangspad naar de begraafplaats. Aan de oostzijde ligt de oprit voor de pastorie. Ten noorden van de begraafplaats is de rondweg, de Halderbergselaan (N640), gelegen. Deze rondweg vormt de grens met het buitengebied voor de kern Hoeven. In figuur 2.1 is het plangebied en de omgeving van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0003.jpg"

Figuur 2.1 - Plangebied en de omgeving van het plangebied

Figuur 2.2 laat het vooraanzicht van de kerk en zijn omgeving zien.

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0004.png"

Figuur 2.2 - Vooraanzicht plangebied / Sint Jan de Doper kerk (Google Street View, 2019)

De pastorie staat aan de Sint Janstraat schuin voor de kerk. Zie hiervoor figuur 2.3 waarbij op de achtergrond de Sint-Jan de Doperkerk zichtbaar is.

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0005.png"

Figuur 2.3 - Pastorie (Google Street View, 2019)

2.2 Beoogde situatie

De initiatiefnemer wil ter plaatse van het plangebied een woongebied realiseren. Dit woongebied is opgebouwd uit 8 levensloopbestendige patiowoningen aan de westzijde, een appartementencomplex met 22 appartementen achter de kerk en transformatie van de huidige pastorie waarbij de begane grond wordt ingericht en bestemd voor horeca en de verdieping voor 2 of 3 woningen. In figuur 2.4 is de inrichtingstekening van de beoogde ontwikkeling weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0006.png"

Figuur 2.4 - Inrichtingstekening (geWOON Architecten, 7 juni 2024)

Patiowoningen

De ontwikkeling voegt zich met woningbouw in de omliggende woonomgeving. De patiowoningen sluiten qua maat en schaal aan op de naastgelegen seniorenwoningen van één bouwlaag met kap. De patiowoningen worden voorzien van een woonkamer, keuken, entree, wc, berging, badkamer, portaal en slaapkamer op de begane grond en zijn hiermee levensloopbestendig.

Appartementengebouw

Het appartementengebouw bestaat uit maximaal 22 appartementen en wordt gerealiseerd in vier bouwlagen met een (half)verdiepte parkeerplaats.

Buitenruimte

Het nieuwe woongebied wordt voorzien van een aantrekkelijke buitenruimte met veel groen en behoud van zoveel mogelijk bestaande bomen. In het plangebied staan diverse bomen en onderbegroeiing. Er staan in totaal 13 waardevolle bomen in het plangebied, deze zijn weergegeven in figuur 2.5. In overleg met de gemeente Halderberge is bepaald welke bomen behouden kunnen blijven en welke in de weg staan aan de realisatie van de woningen en aan de uitbouw van de kerk. Voor deze bomen zal een kapvergunning worden aangevraagd waarin de voorwaardelijke verplichting wordt opgenomen deze in de inrichting van het nieuwe parkachtig gebied tussen woningen, kerk en begraafplaats, te compenseren met minimaal een gelijk aantal bomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0007.png"

Figuur 2.5 Waardevolle bomen in het plangebied (Aannemingsbedrijf Van Agtmaal, 2023)

Ontsluiting van het gebied en achterliggende begraafplaats vindt plaats over het kerkplein langs de westzijde van de kerk. Parkeren wordt per bouwcluster ingericht. De parkeerplaatsen voor de patiowoningen worden in het groene gebied ingepast waarbij de parkeerplaatsen bestaan uit halfverharding. Parkeervoorzieningen voor het appartementengebouw worden achter en onder het appartementengebouw gerealiseerd. De parkeerplaatsen ten behoeve van de functies in de pastorie zijn bereikbaar via de oprit naast de pastorie.

De beoogde inrichting en beoogde bouwmassa's zijn weergegeven in figuur 2.6 tot en met 2.11.

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0008.png"

 Figuur 2.6 - Sfeerbeeld 1 (Aannemingsbedrijf Van Agtmaal, 2022)

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0009.png"

 Figuur 2.7 - Sfeerbeeld 2 (Aannemingsbedrijf Van Agtmaal, 2022)

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0010.png"

 Figuur 2.8 - Sfeerbeeld 3 (Aannemingsbedrijf Van Agtmaal, 2022)

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0011.png"

 Figuur 2.9 - Sfeerbeeld 4 (Aannemingsbedrijf Van Agtmaal, 2022)

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0012.jpg"

 Figuur 2.10 - Sfeerbeeld 5 (Aannemingsbedrijf Van Agtmaal, 2024)

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0013.jpg"

 Figuur 2.11 - Sfeerbeeld 6 (Aannemingsbedrijf Van Agtmaal, 2024)

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de 'Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte'. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt.


Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld.


In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050

Als we alle wensen naast elkaar leggen, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land:

  • dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water;,
  • met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap;
  • waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland;
  • met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast;
  • waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten.
  • dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren;
  • waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water;
  • dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving.


Nationale belangen

Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden.


De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.


Voor dit plan relevante nationale belangen zijn:

  • Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving.
  • Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.


Toetsing

Het planvoornemen is op nationaal niveau dermate kleinschalig dat het geen invloed heeft op de nationale belangen. Het beleid inzake het realiseren van 8 levensloopbestendige woningen, 22 appartementen en transformatie van een gebouw ten behoeve van horeca en wonen wordt dan ook neergelegd bij de decentrale overheden. In deze ruimtelijke onderbouwing zijn geen strijdigheden met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Deze 14 nationale belangen zijn:

1. Rijksvaarwegen;

2. Project Mainportontwikkeling Rotterdam;

3. Kustfundament;

4. Grote rivieren;

5. Waddenzee en waddengebied;

6. Defensie;

7. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen;

8. Elektriciteitsvoorziening;

9. Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;

10. Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur);

11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament;

12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);

13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde;

14. Ruimtereservering parallelle Kaagbaan.

Toetsing

De ontwikkelingen binnen het plangebied raken geen van bovenstaande rijksbelangen. Het Rijksbeleid geeft hierdoor geen uitgangspunten voor dit bestemmingsplan

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Ieder bestemmingsplan dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maakt, moet een verantwoording bevatten van de ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6. lid 2 Bro). De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument met het doel efficiënt ruimtegebruik te bevorderen. Voor stedelijke projecten moet de behoefte worden beschreven. Indien het bestemmingsplan de ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied moet ook worden gemotiveerd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Toetsing

Met de ontwikkeling worden 8 levensloopbestendige patiowoningen, een appartementencomplex met daarin 22 appartementen, een gemengd gebouw met horeca op de begane grond (100 m2 bvo) en 3 woningen op de verdieping mogelijk gemaakt.

Wel of geen stedelijke ontwikkeling

De ladder is van toepassing als een plan wordt aangemerkt als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Of er sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Uit jurisprudentie blijkt dat het toevoegen van meer dan 12 woningen of een functiewijziging van meer dan 500 m2 bvo wordt gezien als nieuwe stedelijke ontwikkeling. In dit geval is er met het toevoegen van maximaal 33 woningen en 100 m2 bvo horeca sprake van een stedelijke ontwikkeling. Er is ook sprake van een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling omdat het geldende bestemmingsplan geen woningen en horeca mogelijk maakt. Het plangebied heeft nu grotendeels de bestemming Maatschappelijk (bestemmingsplan 'Kom Hoeven', 2013).

Bestaand stedelijk gebied

In de algemene bepalingen van het Besluit ruimtelijke ordening (1.1.1 lid 1 onder h) is de volgende definitie opgenomen voor bestaand stedelijk gebied: “bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur”. De beantwoording van de vraag of een plangebied als een bestaand stedelijk gebied kan worden aangemerkt, hangt volgens de Nota van toelichting (2017) af van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Het begrip is in de jurisprudentie nader ingevuld.

Gelet op de geldende maatschappelijke bestemming en de omliggende stedelijke functies maakt het plangebied onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied.

Beschrijving woningbehoefte

Het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling bepaalt tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De begrenzing van de regio is dus afhankelijk van de aard en omvang van het programmaonderdeel dat als stedelijke ontwikkeling wordt gezien. Voor wonen is dat de gemeente Halderberge, binnen de regio West Brabant.

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0014.jpg"

Figuur 3.1 - Woonregio's (Bron: Brabantse Agenda Wonen, september 2017)

De woningbehoefte in de gemeente Halderberge blijkt uit diverse prognoses, onderzoeken en beleidsstukken. Deze worden hierna behandeld.

Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant (2020)

Voor het woningbouwprogramma van de gemeente Halderberge is de provinciale 'Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant (2020) van de provincie Noord-Brabant richtinggevend. Hierin wordt de kwantitatieve woningbehoefte geraamd op het toevoegen van 870 woningen in de periode tot en met 2030. Onderstaande tabel is richtinggevend voor het maken van nieuwe regionale afspraken. Versnelling van de woningbouw en (vervolgens) vasthouden van het bouwtempo is een belangrijke doelstelling van de Brabantse Agenda Wonen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0015.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0016.png"

Figuur 3.2 - Indicatie toename woningvoorraad gemeente Halderberge 2020-2030

Brabantse Agenda Wonen Voortgangsrapportage 2020/2021

In de Brabantse Agenda Wonen Voortgangsrapportage 2020/2021 wordt de voortgang van de woningbouwopgave in Brabant in beeld gebracht.

Kwantitatief gezien zijn er voor de korte termijn – Brabant-breed gemeten – (ruim) voldoende plannen voor de benodigde woningbouwproductie en zal ook een deel doorschuiven naar de middellange termijn. Voor de wat langere termijn zal nog wel enige aanvullende capaciteit moeten worden gevonden en verdient ook het harde planaanbod op enkele plekken nog aandacht.

In de regio West-Brabant zijn in de periode 2020-2030 nog 29.550 woningen nodig. Er is slechts harde plancapaciteit voor 15.750 woningen (figuur 3.3).

De eerstkomende tijd zal de feitelijke realisatie van woonruimte in het betaalbare segment extra inspanningen (blijven) vragen. Hierbij zal ook de middenhuur, met huurprijzen net boven de liberalisatiegrens, moeten worden betrokken. Voor de gemeentelijke en (sub)regionale woningbouwplanning en -programmering en de mogelijkheden hier ook daadwerkelijk – bijvoorbeeld via volkshuisvestelijke en/of ruimtelijke instrumenten) op te sturen - zijn dit belangrijke onderwerpen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0017.png"

Figuur 3.3 - Woningbouwcapaciteit en opgaven

Woondeal West-Brabant West

Op 9 maart 2023 is de regionale woondeal ondertekend. De woondeal is voor de komende jaren de basis voor de volkshuisvestelijke opgave. In de woondeal zijn afspraken gemaakt tussen rijk, provincie en de gemeenten Woensdrecht, Bergen op zoom, Roosendaal, Rucphen, Steenbergen, Moerdijk en Halderberge. Deze gemeenten vormen de regio West-Brabant West.

De provinciale woningbouwopgave is als basis genomen en binnen de regio vertaald naar concrete locaties en afspraken over de versnelde uitvoering van de woningbouw en de betaalbaarheid van nieuwe woningen. Per gemeente wordt een deel van de regionale opgave opgepakt, passend bij de lokale opgave van de gemeente.

In de woondeal is afgesproken dat de gemeente Halderberge tot en met 2030 netto (inclusief sloop) minimaal 795 woningen toevoegt aan de woningvoorraad. Bruto (exclusief sloop) wordt uitgegaan van een toevoeging van minimaal 885 woningen. Het voorliggende woningbouwplan draagt bij aan het behalen van die doelstelling.

Daarnaast wordt in de woondeal ook aandacht besteed aan de huisvesting voor ouderen als specifieke doelgroep. Hiervoor zijn per gemeente geen harde streefcijfers afgesproken, maar wel is voor de regio het aantal van 3.000 nultredenwoningen genoemd.

In de woondeal is afgesproken dat elk project voor 66% uit betaalbare woningen bestaat, waarvan minimaal 30% sociale huurwoningen. Betaalbare woningen zijn huurwoningen met een huurprijs tot € 1.000 en koopwoningen met een koopprijs tot € 355.000. Het minimum aantal woningen per project waarvoor deze afspraak geldt is 20 woningen. Dit is voor voorliggend plan niet van toepassing.

Woonvisie Halderberge 2021-2025 (2021)

De koopwoningmarkt staat onder druk. Op dit moment is het voor veel mensen moeilijk om een huis te kopen. De landelijke krapte is ook goed merkbaar in Halderberge. In het kader van de betaalbaarheid en bereikbaarheid van de woningmarkt zet de gemeente in op een aanpak door drie speerpunten:

  • Versnellen woningbouw en voldoende woningen programmeren.
  • Vergroten variatie woningmarkt door inzet nieuwe woonvormen en zelfbouw.
  • Extra aandacht voor een aantal doelgroepen.

De afgelopen jaren zijn stappen gezet in de projecten die zijn opgenomen in het woningbouwprogramma 2018-2028 en zijn woningen gerealiseerd. In 2021-2031 wordt er een nieuwe strategie vastgesteld. In de praktijk blijkt dat niet alle locaties ontwikkeld gaan worden, zoals deze zijn opgenomen of nog opgenomen gaan worden in het woningbouwprogramma. De gemeente zet daarom in op een overprogrammering, zodat er uiteindelijk voldaan kan worden aan de woningbouwopgave die de gemeente Halderberge heeft. Rekening houdend met planuitval en –vertraging is de theoretisch benodigde plancapaciteit 130%. Per kern wordt er gekeken welke strategie toegepast wordt om kwalitatief en kwantitatief woningen toe te voegen aan de woningvoorraad.

In kwalitatieve zin heeft de gemeente extra aandacht voor de volgende doelgroepen: starters, ouderen, arbeidsmigranten, statushouders, woonwagenbewoners en heeft aandacht voor illegale bewoningen van recreatiewoningen. Bij de eerste twee categorieën is het van belang geschikte woningen aan de woningvoorraad toe te voegen en doorstroming te bevorderen.

Raamwerk Hoeven Centrum Oost

De gemeente Halderberge heeft een ruimtelijke visie genaamd ‘Raamwerk Centrum-Oost Hoeven’ opgesteld voor het oostelijk deel van het centrum Hoeven. Op basis van deze visie kunnen initiatieven van marktpartijen getoetst worden. Op 6 februari 2020 heeft de gemeenteraad het raamwerk vastgesteld. De gemeenteraad heeft op 14 juli 2021 besloten de investering beschikbaar te stellen voor verdere uitwerking en realisatie van het dorpshuis in de kerk, maar ook voor de herinrichting van een nieuw dorpsplein.

Onder andere voor het plangebied zijn studies gedaan naar een bij de doelgroep passende en financieel haalbaar woningbouwprogramma. Het programma voor het deelgebied waaronder het plangebied valt, bestaat uit circa 8 grondgebonden woningen en circa 22 appartementen met als doelgroep senioren.

Conclusie

De ontwikkeling geeft invulling aan de woningbehoefte in de gemeente Halderberge en specifiek voor de doelgroep senioren. Met dit plan kan de benodigde harde plancapaciteit worden toegevoegd.

Beschrijving behoefte horeca

De behoefte aan de ontwikkeling van een horecagelegenheid in het plan komt onder andere voort uit de gemeentelijk visie op de kern Hoeven.

Actiekaart centrum Hoeven (december 2019)

In 2016 is de economische agenda van de gemeente Halderberge vastgesteld waarin in het gewenste toekomstbeeld voor de economie is beschreven. Een van de acties benoemd in de uitvoeringsagenda is het opstellen van actiekaarten voor de centrale winkelgebieden en bedrijventerreinen.

Onder andere is een actiekaart opgesteld voor het centrum van Hoeven. Hierin zijn de ambities, doelen, strategieën en inspanningen in beeld gebracht. Een van de strategieën is het versterken van de ruimtelijk-functionele structuur van het centrum van Hoeven. Ingezet wordt op een ruimtelijk-functionele structuur met twee duidelijke clusters (figuur 3.6).

Het Economisch hart bestaat uit een concentratie van commerciële- en maatschappelijke functies wat tezamen zorgt voor de hoogste bezoekersintensiteiten. Hierbij gaat het om een combinatie van winkels, horeca, dienstverleners en congrescentrum Bovendonk. Met name de horeca dient versterkt te worden binnen dit cluster. Ook de evenementen zullen bij voorkeur in dit cluster plaatsvinden. Tot slot is er in dit cluster ruimte voor het dorpshuis en de bibliotheek.

In dit cluster wordt ondernemerschap gestimuleerd en gefaciliteerd, bijvoorbeeld door het verruimen van de planologische mogelijkheden en het behoud van de kernkwaliteit parkeren, met name bij de nieuwe ontwikkelingen rondom de kerk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0018.png"

Figuur 3.6 - Gewenste ruimtelijk-economische structuur Hoeven

In het Raamwerk Centrum-Oost Hoeven is aangegeven dat invulling van de pastorie met horeca en wonen de voorkeur heeft.

Benchmark

Het horeca-aanbod in Hoeven is vergeleken met het gemiddelde aanbod in kernen van een vergelijkbare omvang (5.000 tot 7.500 inwoners). Zoals in figuur 3.7 te zien is het horeca-aanbod in Hoeven groter dan het gemiddelde in de inwonersklasse. Dit geldt met name voor het aantal vestigingen, de totale omvang (in m2 wvo) is in beperkte mate bovengemiddeld. De horecavestigingen in Hoeven hebben gemiddeld een grotere omvang per vestiging.

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0019.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0020.png"

Figuur 3.7 - Vergelijking horeca-aanbod Hoeven met het gemiddelde in kernen met 5.000 tot 7.500 inwoners (bron: Locatus, 2022)

Conclusie

Op basis van de benchmark heeft Hoeven een bovengemiddeld horeca-aanbod. In kwantitatieve zin is toevoeging van horeca-aanbod in Hoeven minder voor de hand liggend. Naast kwantitatieve argumenten spelen kwalitatieve argumenten echter ook een rol in de beoordeling van de behoefte aan een ontwikkeling. Met de ontwikkeling wordt ingespeeld op de beleidsmatige behoefte om het centrum van Hoeven verder te versterken. Uit de actiekaart blijkt dat vooral de horeca versterkt moet worden. De ontwikkeling voegt horeca toe als onderdeel van de gewenste herontwikkeling van het kerkcluster.

Conclusie

De beoogde ontwikkeling voldoet aan de (uitgangspunten van de) ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant

Op 14 december 2018 hebben de Provinciale Staten de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Deze omgevingsvisie vervangt na het inwerking treden van de Omgevingswet de provinciale structuurvisie. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie over hoe zij de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit wil zien. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. De provincie wilt daarmee ruimte bieden voor inbreng vanuit partijen en disciplines. Om hiermee aan de slag te gaan is volgens de provincie een verdere uitwerking van de ambities nodig in de vorm van programma's. 

Met de visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikkeling van Brabant. Daarbij legt zij de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn: werken aan energietransitie, een klimaat proof Brabant, de slimme netwerkstad en een concurrerende duurzame economie. Deze vier hoofdopgave staan ten dienste van de basis opgaven: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.

Om te komen tot de slimme netwerkstad richt de provincie zich op duurzame verstedelijking. Zij wil daarin richting geven door middel van het bevorderen van regionale afspraken, het sturen op zorgvuldig ruimtegebruik en het periodiek opstellen van prognoses. Verder wil zij een actieve rol spelen om beweging te stimuleren (o.a. door samen te werken bij gebiedsopgaven en bij het opstellen van uitvoeringsprogramma's) en gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken.

Toetsing

Het planvoornemen voorziet in het realiseren van 8 levensloopbestendige woningen, 22 appartementen en transformatie van de pastorie ten behoeve van horeca en wonen. Het plangebied is gelegen in stedelijk gebied. Het ontwikkelen van woningen in stedelijk gebied sluit aan bij de opgaven van een slimme netwerkstad. Daarnaast worden de woningen energiezuinig en klimaatbestendig gebouwd, zonder gasaansluiting waardoor dit een positief effect heeft op de energietransitie. Het planvoornemen is hierdoor in overeenstemming met de omgevingsvisie Noord-Brabant.

3.2.2 Interim omgevingsverordening

Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening (hierna: Iov) Noord-Brabant vastgesteld. Vanwege de nieuwe Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is een eerst stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de Omgevingsvisie Nood-Brabant. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd.

In hoofdstuk 3 van de Iov zijn zogenoemde instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen.

In figuur 3.8 is een kaart opgenomen van de Iov, waarbij het plangebied is gelegen ter plaatse van de rode pijl. Hieruit blijkt dat het plangebied in 'Stedelijk gebied' is gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0021.png"

Figuur 3.8 - Kaart stedelijke ontwikkeling van de interim-omgevingsverordening (geconsolideerd 1-10-2021) (www.ruimtelijkeplannen.nl)

De artikelen die van belang zijn voor onderhavig bestemmingsplan zijn artikel 3.42 en 3.16, deze luiden:

Artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling

Lid 1

Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat:

  • a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken;
  • b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.

Lid 2

Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen:

  • a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving;
  • b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden;
  • c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie;
  • d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water;
  • e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit;
  • f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.

Artikel 3.16 Externe werking Natuur Netwerk Brabant

Lid 1

In aanvulling op de Wet natuurbescherming bepaalt een bestemmingsplan dat een ontwikkeling toelaat in Stedelijk Gebied of in Landelijk Gebied, die een aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken in het Natuur Netwerk Brabant, dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd, overeenkomstig Artikel 3.22 Compensatie.

Lid 2

Op de overdraai van de wieken van een windturbine die buiten het Natuur Netwerk Brabant staat, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

Lid 3

Het eerste lid is niet van toepassing op een aantasting door de verspreiding van stoffen in lucht of water.

Toetsing

Het plangebied is gelegen in stedelijk gebied. Ingevolge artikel 3.42 past het planvoornemen binnen regionale afspraken. Het is dan ook een uitwerking van eerder opgestelde ontwikkelvisie van de gemeente Halderberge. Door de binnenstedelijke ontwikkeling bevordert het zorgvuldig ruimtegebruik. Door de realisatie van voldoende groen in de woonomgeving wordt een fijne, gezonde woonomgeving gewaarborgd. Het groen voorkomt eveneens problemen zoals hittestress en hemelwateroverlast.

Wat betreft artikel 3.16 kan gesteld worden dat het planvoornemen geen negatieve effecten heeft op Natuur Netwerk Brabant. Dit komt omdat het plangebied op dermate afstand is gelegen dat directe verstoring van Natuur Netwerk Brabant gebieden niet aannemelijk is. In figuur 3.9 is het plangebied (rood omcirkeld) en opzichte van Natuur Netwerk Brabant gebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0022.png"

Figuur 3.9 - Plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van NNB (bron: Brabant Kaartviewer)

Verder stelt de interim omgevingsverordening geen regels ter plaatse van het plangebied, daarmee is het planvoornemen in overeenstemming met het beleid.

3.2.3 Omgevingsverordening Noord-Brabant

Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingsverordening Noord-Brabant in werking. In deze verordening zijn alle provinciale regels over de fysieke leefomgeving opgenomen.

Toetsing

In de omgevingsverordening zijn basisprincipes opgenomen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er moet invulling worden gegeven aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit wordt toepassing

gegeven aan:

  • a. zorgvuldig ruimtegebruik;
  • b. de lagenbenadering; en
  • c. meerwaardecreatie.

Bij de realisatie van de woningen in het Kerkcluster is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik, omdat de ontwikkeling binnen plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag. Dit is het geval als de ontwikkeling plaatsvindt binnen het Stedelijk Gebied. Het Stedelijk Gebied in omgevingsverordening komt overeen met het Stedelijk Gebied zoals in figuur 3.8. Er is ook sprake van zorgvuldig ruimtebeslag omdat voldaan wordt aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zie paragraaf 3.1.3.

Toetsing aan de lagenbenadering vindt plaats in Hoofdstuk 4. Hier wordt aandacht besteed aan de bodem, de cultuurhistorische waarden, water en natuur. Het plan draagt verder bij aan de verbetering van kwaliteit van de leefomgeving rondom de kerk. Ook de kaart voor het NNB is gelijk gebleven aan figuur 3.9.

Het planvoornemen past binnen de regels en doelstellingen van de omgevingsverordening Noord-Brabant.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Halderberge

Op 10 februari 2022 is de omgevingsvisie van de gemeente Halderberge vastgesteld. Met deze omgevingsvisie laat de gemeente zien wat ze belangrijk vindt in de omgeving waarin we wonen, werken en recreëren. Dit wordt gedaan aan de hand van negen algemene speerpunten en daarnaast een verdere uitwerking van specifieke opgaven per kern of deelgebied. De opgaven kunnen niet los van elkaar gezien worden, maar moeten juist in samenhang worden bekeken. De eerste drie speerpunten zijn overkoepelende leidende principes. Dit zijn zulke grote opgaven, dat deze bij elke ontwikkeling aan bod moeten komen. Dat betekent dat een initiatiefnemer bij elke ontwikkeling bekijkt hoe een bijdrage aan ten minste deze drie speerpunten kan worden geleverd.

Dit zijn de negen speerpunten uit de omgevingsvisie:

  • 1. Werken aan een duurzame en klimaatbestendige omgeving
  • 2. Werken aan een gezonde en veilige leefomgeving
  • 3. Versterken natuur en de biodiversiteit (mede in het kader van een gezonde leefomgeving)
  • 4. Behoud en (her)ontwikkeling van ons bijzonder cultureel erfgoed
  • 5. Behoud en versterking van een aantrekkelijk buitengebied
  • 6. Versterken aantrekkelijkheid voor recreanten en toeristen
  • 7. Zorgen dat het in Halderberge goed wonen is voor iedereen
  • 8. Behoud van vitale dorpen en een actieve samenleving
  • 9. Bieden van een aantrekkelijk economisch klimaat

Hoeven

Aanvullend geldt voor Hoeven nog een aantal speerpunten. Het speerpunt dat gaat over het faciliteren van projecten die invulling geven aan de relatief grote vraag naar woningen in Hoeven is voor het plangebied van belang. Daarbij vormt het voorzien in voldoende parkeerbehoefte in het centrum en de directe omgeving een belangrijk aandachtspunt.

Toetsing

Met de realisatie van 8 levensloopbestendige woningen en 22 appartementen wordt bijgedragen aan de vraag naar woningen in Hoeven. De transformatie van de pastorie tot horeca en woongebouw zorgt ook voor een duurzame invulling. De woningen worden gasloos uitgevoerd. Daar waar mogelijk worden duurzame energievormen gerealiseerd zoals zonnepanelen op het dak. Het gebied wordt zo groen mogelijk ingericht, zodat het een prettig gebied is om te verblijven en hittestress wordt tegengegaan. Een sedumdak is hiervoor een optie. Op basis van de resultaten van het ecologisch onderzoek wordt in de uitwerking gezocht naar meekoppelkansen voor de ontwikkeling.

3.3.2 Raamwerk Hoeven Centrum Oost

De gemeente Halderberge heeft een ruimtelijke visie genaamd ‘Raamwerk Centrum-Oost Hoeven’ opgesteld voor het oostelijk deel van het centrum Hoeven. In paragraaf 3.1.3 is al aandacht besteedt aan het programma dat voor het deelgebied waaronder het plangebeid valt (deelgebied Kerk), is opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0023.png"

Figuur 3.10 - Raamwerk en ambitiekaart Raamwerk Hoeven Centrum Oost

Het deelgebied bestaat met het opgaand groen ten westen, het open groen en Hertenpark ten noorden voor een groot deel uit een groene ruimte. Het deelgebied wordt ten noorden enkel door de Halderbergselaan en de aangrenzende lintbebouwing gescheiden van het buitengebied. Hiermee kan het deelgebied Kerk bijdragen aan het ontwikkelen van de biodiversiteit binnen de kern Hoeven. Via de Akkerlingen kan deze ecologische waarde verder doorgetrokken worden richting het Constantijn Huijgensplein en Lindenlommer. Hiermee wordt er een ecologische verbinding tussen het buitengebied en het dorp tot stand gebracht. Biodiversiteit is hiermee het dragende thema voor de ontwikkeling van dit deelgebied. Ook het gebied en de bebouwing tussen De Halderberg en Hertenlaan kan een belangrijke rol spelen in het versterken van de ecologische verbinding tussen het dorp en het buitengebied en het verrijken van de biodiversiteit.

De ambitie “Versterken Biodiversiteit” is integraal verwerkt in onderstaande criteria. De criteria vormen het toetsingskader voor de uitwerking van de bouwplannen en inrichting openbare ruimte.

3.3.3 Welstandsnota gemeente Halderberge

In de gemeente Halderberge wordt gestreefd naar een aantrekkelijke gebouwde omgeving. De gevels van de gebouwen en andere bouwwerken vormen samen de dagelijkse leefomgeving van de inwoners. Dat betekent dat de verschijningsvorm van een bouwwerk geen zaak is van de eigenaar van een bouwwerk alleen. Het doel van het welstandstoezicht is, om in alle openheid, een bijdrage te leveren aan die aantrekkelijkheid van de dagelijkse leefomgeving.

De welstandsnota (vastgesteld 28 maart 2017) vormt hiervoor een belangrijke basis. Het welstandsbeleid is hierin uitgewerkt en biedt de basis om de huidige en kenmerkende kwaliteiten van de bebouwde omgeving in Halderberge te behouden en verder te ontwikkelen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0024.jpg"

Figuur 3.10 - Uitsnede kaart welstandsnota

Toetsing

Het plangebied ligt in een gebied dat in de welstandsnota is aangewezen als 'historisch gebied'. In de welstandsnota zijn de toetsingskaders opgenomen voor ontwikkelingen in dit gebied.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

Voor de ontwikkeling is het van belang dat tijdens de uitvoering en in de nieuwe situatie sprake is van een goede omgevingssituatie. Deze omgevingstoets gaat in op de relevante milieuaspecten (bodem, water, milieuzonering en externe veiligheid) en om andere sectorale regelgeving (bijvoorbeeld archeologie en cultuurhistorie, ecologie).

4.1 Milieueffectrapportage

Beleid en normstelling

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken en plaats van de projecten en de kenmerken van potentiële effecten

Onderzoek en conclusies

De realisatie van 33 woningen en een horecafunctie wordt gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er is geen sprake van overschrijding van de drempelwaarden. Er dient wel te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Deze toetsing vindt plaats in de aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling die aan het college wordt voorgelegd en in bijlage 1 van deze toelichting is opgenomen. Op basis van de notitie kan worden geconcludeerd dat geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu en dat er daarmee geen sprake is van een m.e.r.-(beoordeling)plicht.

4.2 Verkeer en parkeren

Toetsingskader

Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling.

De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de gemeentelijke parkeernormen (Kadernota Parkeren 2017-2021). Voor de beoogde ontwikkeling wordt de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW-publicatie 381 (waar nodig aangevuld met expert judgement). Hierbij wordt uitgegaan van de gemiddelde van de bandbreedte. Op basis van data van het CBS is de stedelijkheidsgraad vastgesteld als 'weinig stedelijk'. Het projectgebied ligt in het centrum.

Bestaande situatie

Ontsluiting

Gemotoriseerd verkeer

Het plangebied is gelegen aan de Sint Janstraat. Dit is in de huidige situatie een erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 30 km/uur. De Sint Janstraat heeft een wegbreedte van circa 5,8 meter. Het plangebied wordt ontsloten via de Sint Janstraat. De Sint Janstraat sluit in oostelijke richting aan op de Sprangweg (N640). Via de Sprangweg worden Etten-Leur en de A58 bereikt. In westelijke richting sluit de Sint Janstraat via de Hofstraat aan op de rotonde met de N640 (Halderbergselaan / Sint Bernardusstraat). Vanaf deze rotonde kan men via de Sint Bernardusstraat de kern Oudenbosch bereiken. De Hofstraat is net als de Sint Janstraat een erftoegangsweg met een 30 km/uur regime. De Sprangweg is een gebiedsontsluitingsweg met een maximum snelheid van 50 km/uur.

Langzaam verkeer

Op de wegen in en rond het plangebied wordt het fietsverkeer gemengd afgewikkeld met het autoverkeer over 30 km/uur-wegen. Langs de N640 (Sprangweg – Halderbergseweg – Sint Bernardusstraat) zijn vrijliggende fietspaden aanwezig.

Openbaar vervoer

De dichtstbijzijnde bushalte is gelegen op circa 400 meter loopafstand aan de provinciale weg de Halderbergselaan (N640) ter hoogte van de rotonde. Bij deze halte halteert buslijn 311 tussen station Breda en busstation Oud Gastel met een frequentie van 2 keer per uur op werkdagen. De ontsluiting van de nieuwe ontwikkeling per openbaar vervoer voldoende gewaarborgd.

Planontwikkeling

De ontwikkeling bestaat uit 8 levensloopbestendige patiowoningen, 22 appartementen en een gemengd gebouw voor wonen en horeca. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 4.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0025.png"

Figuur 4.1 - De ligging van het plangebied (bron: Open Basis Kaart)

Verkeersgeneratie 

Bestaande situatie

In de huidige situatie is alleen de pastorie nog maar aanwezig en verharde parkeerplaatsen ten westen van de kerk. De rest van het plangebied bestaat uit groen. De bestaande situatie genereert een gering aandeel verkeer.

Toekomstige situatie

De verkeersgeneratie van de toekomstige ontwikkeling is berekend aan de hand van kengetallen uit CROW-publicatie 381. Hierbij is op basis van de omgevingsadressendichtheid en het autobezit per kengetallen het gemiddelde van de bandbreedte gehanteerd. De verkeersgeneratie is berekend voor het beoogde programma van 8 levensloopbestendige patiowoningen, 22 appartementen en een gemengd gebouw voor wonen en horeca (de pastorie). Voor het gemengde gebouw is bij het bepalen van de verkeersgeneratie uitgegaan van een verkeersgeneratie van 3 appartementen met op de begane grond horeca van met een oppervlakte van 100 m².

In CROW-publicatie 381 zijn geen verkeersgeneratiekengetallen voor restaurants opgenomen. Aan de hand van de volgende uitgangspunten is daarom een kengetal bepaald:

  • Voor restaurants geldt een parkeernorm van 14,0 per 100 m2 bvo. Uitgegaan wordt van een ruime turnover van gemiddeld 3 per parkeerplaats. Met verkeer dat naar het restaurant toe rijdt en weer wegrijdt komt de verkeersgeneratie op: 14 x 3 x 2= 84 mvt/etmaal per 100 m2 bvo.

Tabel 2 Verkeersgeneratie toekomstige situatie

Functie   Aantal   Kengetal   Weekdagintensiteit (mvt/etmaal)   Werkdagintensiteit (mvt/etmaal)  
Koop, appartement, midden   25   5,8 per woning   145,0   160,95  
Koop, huis, tussen/hoek   8   7,2 per woning   57,6   63,9  
Restaurant   100 m2   84 per 100 m2 bvo   84   84  
Totale toename       287   309  

De beoogde ontwikkeling zal leiden tot een verkeerstoename van 287 mvt/etmaal gedurende de gemiddelde weekdag. Voor het bepalen van de verkeersafwikkeling zijn de werkdagintensiteiten maatgevend. Conform CROW-publicatie 381 geldt voor woningen een omrekenfactor van 1,11. Daarnaast dient bij het beoordelen van de verkeersafwikkeling gekeken te worden naar het maatgevende uur, waarin doorgaans 10% van de etmaalintensiteit wordt afgewikkeld. Gedurende het drukste spitsuur zorgt de ontwikkeling van het plangebied voor een verkeersgeneratie van 38 mvt/uur.

Verkeerstoedeling autoverkeer

Van het totale verkeer zal ongeveer 50% via de Sint Janstraat naar het oosten rijden, waar het opsplitst naar de N640 en de Bovenstraat. De overige 50% rijdt via de Sint Janstraat naar het westen, waar het opsplitst naar het noorden richting de N640 en naar het zuiden richting de Bovendonksestraat. De verkeerstoedeling is te zien op figuur 4.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0026.png"

Figuur 4.2 - Verkeerstoedeling projectgebied (bron: Open Basis Kaart)

Verkeersafwikkeling

Bij het beoordelen van de verkeersafwikkeling is de verkeersafwikkeling op kruispunten meestal maatgevend. De kruispunten op de ontsluitende wegen zoals de kruispunten op de route Sint Janstraat – Sprangweg en de route Sint Jansweg – Hofstraat zijn dermate robuust vormgegeven dat zij de beperkte toename van verkeer als gevolg van het plan zonder knelpunten kunnen verwerken.

Verkeersveiligheid

Ook hiervoor geldt dat de verkeerstoename als gevolg van het plan dermate gering is dat dit geen nadelige gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid op de ontsluitende wegen zoals de Sint Janstraat, de Hofstraat, de Sprangweg en de Halderbergseweg – Sint Bernadusstraat. De bereikbaarheid en verkeersveiligheid voor langzaam verkeer is voldoende gewaarborgd vanwege het aanwezige 30 km/uur-regime en fietsvoorzieningen langs de N640.

Parkeren

De nominale parkeerbehoefte is berekend op basis van de gemeentelijke parkeernormen (Kadernota Parkeren 2017-2021). De kadernota parkeren van de gemeente Halderberge maakt onderscheid in de oppervlakte van woningen. In onderstaande tabel is de totale parkeerbehoefte opgenomen. De nominale parkeerbehoefte houdt geen rekening met dubbelgebruik van parkeervoorzieningen. Dat is mogelijk als de maximale parkeerbehoefte van de verschillende functies niet gelijktijdig optreedt.

Tabel 3 nominale parkeerbehoefte beoogde ontwikkeling

  Aantal   Parkeerkencijfer   Parkeerbehoefte  
Woning < 90 m2   24   2,1 pp per woning   50,4 pp  
Woning > 90 m2   8   2,3 pp per woning   18,4 pp  
Restaurant   100 m2   14,0 per 100 m2 bvo   14 pp  
Dorpshuis   1.500 m2   3,0 per 100 m2 bvo   45 pp  
Totaal       127,8 pp  

De parkeerbehoefte van het beoogde woonprogramma zal binnen de plangrenzen worden opgevangen. In de stedenbouwkundige onderlegger van het beoogde plan zijn 91 parkeerplaatsen ingetekend. Omdat daarmee de ontwikkeling van het plangebied niet voldoet aan de nominale parkeerbehoefte is gekeken of dubbelgebruik aan de orde kan zijn. Onderstaande tabel laat zien op welk moment in de week de vraag van deze doelgroepen het grootst is, rekening houdend met het dubbel kunnen gebruiken van parkeerplaatsen.

    werkdag    koop-
avond  
zaterdag    zondag  
    ochtend   middag   avond   nacht     middag   avond   middag  
Dorpshuis   10%   40%   100%   0%   100%   60%   90%   25%  
  4,5   18   45   0   45   27   40,5   11,25  
Restaurant*   30%   40%   90%   0%   95%   70%   100%   50%  
    4,2   5,6   12,6   0,00   13,3   9,8   14   7  
Woning bewoners   50%   50%   90%   100%   80%   60%   80%   70%  
  29,6   29,6   53,28   59,20   47,36   35,52   47,36   41,44  
Woning bezoek   10%   20%   80%   0%   70%   60%   100%   70%  
    0,96   1,92   7,68   0,00   6,72   5,76   9,6   6,72  
Totale parkeerbehoefte   39,26   55,12   118,56   59,2   112,38   78,08   111,46   66,41  

* De aanwezigheidspercentages voor het restaurant zijn gebaseerd op CROW-publicatie 182. Overige percentages komen voort uit publicatie 381.

Met het toepassen van dubbelgebruik ligt de parkeerbehoefte op afgerond op maximaal 119 parkeerplaatsen. Per patiowoning wordt 1 parkeerplaats voorzien, deze tellen voor (8*0,8=) 6,4 parkeerplaatsen. Bij het appartementencomplex worden 20 verdiepte parkeerplaatsen gerealiseerd. Verder worden er 20 parkeerplaatsen op het kerkplein gereserveerd. Hiermee resteert een behoefte van (118,56 - 6,4 - 20 - 20 =) 73 parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen worden aangelegd in de overige openbare ruimte en zijn ingetekend op de inrichtingstekening in figuur 2.4.

Indien er wijzigingen aan het plan plaatsvinden, doordat er minder woningen worden gebouwd of doordat er meer of minder parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd, dan moet de parkeerbalans worden herzien.

Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren levert geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.3 Bodemkwaliteit

Beleid en normstelling

Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd.

Het Bouwstoffenbesluit en het Besluit Bodemkwaliteit stellen verder regels hoe om te gaan met vrijkomende grond- en materiaalstromen en hoe deze toe te passen.

Onderzoek Bodemkwaliteit

Bij de beoogde ontwikkeling is sprake van een transformatie naar een bodemgevoeliger gebruik en/of is de bebouwde oppervlakte groter dan 50 m2. Hierdoor is onderzoek naar de bodemkwaliteit noodzakelijk.

Econsultancy heeft een verkennend bodemonderzoek in het plangebied uitgevoerd. Uit het vooronderzoek concludeert Econsultancy dat atmosferische depositie de enige (beperkte) bron van PFAS-verontreiniging op het de locatie kan zijn. Van atmosferische depositie is bekend dat dit tot beperkt verhoogde PFAS-gehaltes in bodem en water kan leiden. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). De bodem bestaat voornamelijk uit zwak siltig, matig fijn zand. De bovengrond is bovendien matig humeus. De bovengrond is plaatselijk zwak tot matig baksteenhoudend. Verder is de bovengrond sporadisch zwak betongranulaathoudend. In het opgeboorde materiaal is verder zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen.

Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen puin(resten) of andere asbestverdachte materialen aangetroffen.

De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met koper, lood, zink, PCB en/of PAK. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met cadmium, nikkel en zink.

De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek. Er zijn geen milieuhygiënische belemmeringen voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging.

Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie" (d.d. 2 juli 2020) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing.

Het volledig bodemonderzoek is bijgevoegd in Bijlage 3.

Conclusie

De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.

4.4 Water

Beleid en normstelling

Waterbeheer

De initiatiefnemers van een ruimtelijke ontwikkeling behoren in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen worden toegelaten die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap de Brabantse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij onderhavige procedure wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf.

Beleid duurzaam waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.

 

Op Europees en landelijk niveau is het overkoepelende waterbeleid vastgelegd in de Kaderichtlijn Water, het Nationaal Waterplan en het Nationaal Bestuursakkoord Water. De doorvertaling van dit beleid is regionaal vastgelegd in het Provinciaal Waterplan en en het Waterbeheersplan van het Waterschap. Daarnaast wordt op gemeentelijk niveau het waterbeleid vastgelegd in een waterplan of een (verbreed) rioleringsplan.

Beleid waterschap Brabantse Delta

Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma2022-2027 "Klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap", wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio.

Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; Waterschapsverordening waterschap Brabantse Delta 2024 en de Legger.

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater'.

Watertoets

Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. In dit kader hebben waterschap en gemeente vooroverleg gevoerd, waaruit de volgende doelen, uitgangspunten en criteria voor dit plan zijn afgesproken:

Beschrijving huidige situatie

Het plangebied omvat een perceel van circa 8.600 m2 rondom de Sint-Jan de Doperkerk in Hoeven. Hiervan is circa 1.600 m2 verhard in de vorm van plein, wegen en paden, parkeerplaatsen en dakoppervlak van de huidige pastorie. De overige 7.000 m2 is onverhard en ingericht als tuin, grasveld en bomen. In figuur 4.1 is de verhouding verhard oppervlak ten opzichte van niet verhard oppervlak weergegeven.

Het plangebied is gelegen op een zandgrond met goede infiltratiecapaciteit. In of rondom het plangebied zijn geen oppervlaktewateren aanwezig. Door het ontbreken van oppervlaktewater zijn er ook geen belangrijke waterkeringen in het gebied gelegen. Er is geen sprake van grondwateroverlast of droogte in het plangebied.

Het gebied bestaat momenteel uit groen waardoor er geen hemelwater of afvalwaterriool in het plangebied is gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0027.png"

Figuur 4.3 - Verhouding verhard versus onverhard indicatief (luchtfoto, 2023)

Beschrijving toekomstige situatie

In figuur 4.4 is globaal de beoogde inrichting van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0028.png"

Figuur 4.4 - Beoogde (globale) inrichting (Aannemingsbedrijf Van Agtmaal)

In de beoogde situatie bestaat circa 4.200 m2 uit verhard oppervlak. Hiervan bestaat circa 1.800 m2 uit dakoppervlak en circa 2.400 m2 uit verharding. Dit betekent dat ruim 2.600 m2 aan verharding wordt toegevoegd vergeleken met de huidige situatie.

Het regenwater van daken en van verhardingen worden afgekoppeld en afgevoerd naar de wadi in 'Het Hertenkamp' waar het regenwater kan infiltreren in de ondergrond. In het plangebied hoeft hierdoor geen wadi aangelegd te worden, hierover zijn met de gemeente afspraken gemaakt in de anterieure overeenkomst. Bij sedumdaken wordt water opgenomen en ontstaat een vertraagde afvoer. Dit geldt voor de patiowoningen en het appartementengebouw.

Er wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC.

Gevolgen voor water

De gevolgen voor het water zijn dat momenteel een groot gedeelte van het hemelwater dat in het plangebied valt ook daadwerkelijk in het plangebied infiltreert. In de beoogde situatie kan een gedeelte van het regenwater dat in het plangebied valt vrij infiltreren. Het andere gedeelte wordt afgevoerd naar een wadi in het 'Hertenkamp' om hier te infiltreren in de ondergrond. Conform het beleid van de gemeente Halderberge is voor het totale oppervlak aan verharding in het plangebied 252 m3 = (4.200 m2 X 0,06) compenserende berging nodig. De wadi heeft voldoende capaciteit om dit op te vangen.

Hiermee wordt voldaan en de doelen en uitgangspunten van de gemeente en het waterschap.

Advies waterbeheerder

In het kader van vooroverleg is advies gevraagd van het waterschap de Brabantse Delta. De reactie van het waterschap heeft geleid tot het opnemen van actueel beleid van het waterschap en tot een toevoeging in deze paragraaf met betrekking tot uitlogende bouwmaterialen.

Conclusie

Gezien bovenstaande heeft de geplande ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Het aspect water staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.5 Bedrijven en milieuzonering

Beleid en normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals bijvoorbeeld woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en (nieuwe) milieugevoelige functies in voldoende mate mee te nemen, wordt in deze rapportage gebruikgemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Voor de richtafstanden wordt onderscheidt gemaakt tussen rustige woongebieden, gemengde gebieden en rustige buitengebieden.

Onderzoek

Het plangebied en omgeving is met verschillende functies zoals detailhandel, horeca, dienstverlening en maatschappelijk in de vorm van de kerk te kenmerken als een gemengd gebied. Bij de geplande ontwikkeling worden hindergevoelige en hinderveroorzakende functies gerealiseerd, te weten woningen en een 'lichte' horecagelegenheid.

Bedrijfshinderveroorzakende functie

De milieucategorie voor de bedrijfshinderveroorzakende functie horeca betreft milieucategorie 1. Hierbij geldt een richtafstand voor geluid, geur en stof van 10 meter. De pastorie ligt aan de Sint Janstraat die zich kenmerkt door verschillende centrumfuncties zoals detailhandel, dienstverlening en horeca. Hierdoor kan worden gesproken van een gemengd gebied. Omdat sprake is van en gemengd gebied kan een afstandsstap terug gehanteerd worden, waardoor de richtafstand 0 meter wordt.

De horecagelegenheid wordt gerealiseerd op de begane grond van de huidige pastorie. In dit zelfde gebouw direct grenzend worden op de 1e verdieping ook woningen gerealiseerd. Deze woningen zijn maatgevend en voldoen aan de richtafstand van 0 meter ten opzichte van de horeca-functie. Hiermee wordt ten aanzien van de geplande bedrijfshinderveroorzakende en bedrijfshindergevoelige functies voldaan aan de richtafstanden.

Bedrijfshindergevoelige functie

Wat betreft de te ontwikkelen bedrijfshindergevoelige functies is de (eventuele) aanwezigheid van bedrijven in de directe omgeving van belang. In figuur 4.5 zijn de afstanden tot bedrijfshinderveroorzakende functies weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0029.png"

Figuur 4.5 - Omliggende bedrijfshinderveroorzakende functies (www.ruimtelijkeplannen.nl)

Het gedeelte waar het appartementengebouw en de patiowoningen worden gerealiseerd, kan ook getypeerd worden als een gemengd gebied. Het ligt tussen het centrumgebied en de begraafplaats in, dichtbij de Sint Jan de Doperkerk dat wordt herontwikkeld tot een multifunctioneel dorpshuis inclusief nieuwe aanbouw. Ten noorden van het plangebied is een begraafplaats gelegen, hiervoor geldt een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. De afstand tussen het bouwvlak van de woningen en de begraafplaats bedraagt circa 6 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand.

Voor een kerkgebouw en ook voor buurt- en clubhuizen geldt een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. De afstand van de aanbouw van de Sint Jan de Doperkerk tot aan het bouwvlak van het appartementengebouw bedraagt circa 5 meter. In de omgevingsvergunning die is verleend voor de Sint Jan de Doperkerk d.d. 25 mei 2023 is aangegeven dat isolatie wordt toegepast om geluidoverlast naar buiten te voorkomen en dat de locatie is niet bedoeld voor commerciële evenementen of feesten. Daarnaast wordt het appartementengebouw zelf op ruim 10 meter afstand gerealiseerd en zit de entree aan die zijde van het gebouw. Derhalve kan worden geconcludeerd dat bij de appartementen in het appartementen- gebouw sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De realisatie van de woningen levert geen beperkingen voor de gewenste functies in de kerk.

In het zuidelijke gedeelte van het plangebied grenst het plangebied ten oosten en ten westen aan centrumfuncties. De maximale richtafstand hiervoor in een gemengd gebied betreft die van maatschappelijke voorzieningen met een richtafstand van 10 meter. Het bouwvlak van de meest zuidelijke patiowoning ligt tegen de centrumbestemming aan. Aan de richtafstand wordt derhalve niet voldaan. Er is onderzocht welke feitelijke activiteiten plaatsvinden op de percelen Sint Janstraat 44 en 46. Op beide percelen zijn woningen aanwezig. Op het perceel Sint Janstraat 46 is in een gebouw op de achterzijde van het perceel een kapsalon aanwezig. Voor kappersbedrijven geldt een richtafstand van 0 meter in een gemengd gebied. De afstand van het bouwvlak van de meest zuidelijke woning tot de kapsalon bedraagt 20 meter. Hierdoor kan gesteld worden dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd ter plaatse van het plangebied en dat de nieuwe woningen geen belemmeringen vormen voor omliggende bedrijvigheid.

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het project.

4.6 (Spoor)wegverkeerslawaai

Beleid en normstelling

De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Binnen de geluidszone van een gezoneerde (spoor)weg dient de geluidsbelasting aan de gevel van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. Volgens artikel 74 van de Wgh is de breedte van een geluidszone afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (stedelijk of buitenstedelijk) of het type spoor.

Onderzoek

Binnen het plangebied worden 8 levensloopbestendige woningen, 22 appartementen en een woongebouw ten behoeve van horeca en wonen mogelijk gemaakt. Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) betreft deze ontwikkeling het realiseren van geluidsgevoelige functie(s) en dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van een (spoor)weg (met uitzondering van woonerven en 30 km/h-gebieden).

De beoogde nieuwe geluidsgevoelige functie wordt gerealiseerd binnen de onderzoekszone van de Halderbergselaan (N640). Hierdoor is akoestisch onderzoek noodzakelijk. Daarnaast is voor het waarborgen van een goede ruimtelijke ordening ook onderzoek gedaan naar de 30 km/h wegen in en rondom het plangebied.

Door Rho Adviseurs is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor de geluidbelasting vanwege de N640 wordt overschreden. De hoogst berekende geluidbelasting is 51 dB op het appartementencomplex en 49 dB op de levensloopbestendige woningen. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden.

De geluidbelasting vanwege de Sint Janstraat (niet gezoneerde weg) bedraagt 53 dB. Dat is ruimschoots onder de maximaal aanvaardbare waarde van 63 dB.

De geluidbelasting vanwege de Akkerlingen is ten hoogste 38 dB. Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarde van 48 dB.

Omdat de voorkeursgrenswaarde door niet meer dan één geluidbron wordt overschreden is het wettelijk (Wgh) niet nodig de gecumuleerde geluidbelasting te bepalen. Wel is in het kader van een goede ruimtelijke ordening de gecumuleerde geluidbelasting van alle wegen samen exclusief aftrek artikel 110g Wgh berekend. Het blijkt dat er geen relevante samenloop van geluid is. De geluidbronnen N640 en Sint Janstraat zijn aan weerzijden de ontwikkeling gelegen. De geluidkwaliteit op de noordgrenzen van de noordelijk gelegen bouwvlakken wordt als matig tot redelijk beoordeeld en aan de kant van de Sint Janstraat als matig. Naarmate de woningen verder liggen van de geluidbron wordt de geluidkwaliteit als redelijk tot zeer goed beoordeeld.

Er is sprake van een akoestisch (wegverkeer) aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aanvullende eisen vanuit het Bouwbesluit ten aanzien van de gevelgeluidwering zijn aan de orde voor de woningen met een hogere waarde. Het gaat om een karakteristieke geluidwering van tenminste GA;k = 59 – 33 = 26 dB(A), gebaseerd op de geluidbelasting exclusief aftrek o.b.v. art. 110g Wgh en het Bouwbesluit 2012.

De geluidbelasting ten gevolge van de N640 op het plan is hoger dan de voorkeursgrenswaarde. Omdat er geen doelmatige maatregelen zijn om de geluidbelasting te verminderen is het laten vaststellen van hogere waarden nodig. Uitgaande van de inrichtingstekening van de woningen en het appartementengebouw wordt voorgesteld om de hogere waarden vast te laten stellen .

Het akoestisch rapport is opgenomen in Bijlage 2.

Conclusies

Het aspect geluid van wegverkeer vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Het laten vaststellen van hogere waarden vanwege de N640 is nodig.

4.7 Luchtkwaliteit

Beleid en normstelling

Wet milieubeheer

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, artikel 5.2 van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2-jaargemiddelde) en fijn stof (PM10-jaar- en daggemiddelde) van belang.

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de

concentratie in de buitenlucht.

NIBM

In dit Besluit 'niet in betekenende mate' is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden:

  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouwprojecten met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10)

Onderzoek Wet milieubeheer

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool die bij het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIML) hoort. De dichtstbijzijnde voor luchtkwaliteit relevante weg is de Halderbergselaan (zie figuur 4.6). Hieruit blijkt dat zowel in 2021 als in 2030 voldaan wordt aan de voor dit jaar geldende normen uit de Wet Milieubeheer zoals weergegeven in tabel 4.1.

Tabel 4.1. Toetsing aan grenswaarden maatgevende Wmb

stof   grenswaarde   maximale waarden in jaar 2021   maximale waarden in jaar 2030  
stikstofdioxide (NO2))   40 µg/m³   17,1 µg/m³   12,3 µg/m³  
fijn stof (PM10)   40 µg/m³   16,6 µg/m³   14,1 µg/m³  
  max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³   6   6  
Fijn stof (PM2,5)   25 µg/m³   9,3 µg/m³   7,2 µg/m³  

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0030.png"

Figuur 4.6 - Luchtkwaliteit, rood omkaderd het plangebied (bron: CIML-monitoringstool)

Onderzoek NIBM

De ontwikkeling maakt de realisatie van 8 levensloopbestendige woningen, 22 appartementen en een woongebouw ten behoeve van horeca en wonen mogelijk. Deze ontwikkeling is dusdanig van omvang dat dit ten opzichte van de huidige situatie voor een verkeersaantrekkende werking zorgt. Deze verkeersaantrekkende werking is bepaald in de verkeersparagraaf (4.2) en bedraagt 371 motervoertuigbewegingen per weekdaggemiddelde. Het effect op de luchtkwaliteit is vervolgens met de NIBM rekentool bepaald en weergegeven in figuur 4.7.

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0031.png"

Figuur 4.7 - Uitkomst NIBM Tool

De uitkomst van de NIBM-tool laat zien dat de ontwikkeling binnen het plangebied niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Het plan is derhalve uitvoerbaar voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit.

Conclusie

Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet belemmert. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.

4.8 Archeologie

Beleid en normstelling

Verdrag van Malta

In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Deze wijzigingswet is beter bekend als de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ), die op 1 september 2007 van kracht werd.

De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta die in de Nederlandse wetgeving zijn overgenomen, zijn dat het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke (in situ) dient te worden behouden (artikel 4), dat het archeologisch erfgoed deel uitmaakt van de belangenafweging in het kader van ruimtelijke ordening (artikel 5) en het 'veroorzakersprincipe' (artikel 6). Het veroorzakersprincipe betekent dat de verstoorder verantwoordelijk is voor het vroegtijdig (laten) uitvoeren van noodzakelijk archeologisch (voor)onderzoek en de financiering daarvan.

Bestemmingsplan

In de Nederlandse wetgeving wordt aan artikel 5 uit het Verdrag van Malta invulling gegeven door middel van artikelen 38, 39 en 40 uit de Monumentenwet. In deze artikelen is bepaald dat het archeologisch erfgoed beschermd dient te worden middels het bestemmingsplan. Gemeenten moeten bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening houden met de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden. Hieronder vallen zowel reeds bekende archeologisch waardevolle gebieden als gebieden waarvoor een (verhoogde) archeologische verwachting geldt. Deze waarden krijgen een archeologische (mede)bestemming, die wordt vermeld in de toelichting van het bestemmingsplan, wordt begrensd in de verbeelding (plankaart) en wordt voorzien van regels die gekoppeld zijn aan een vergunningstelsel.

Archeologiebeleid gemeente Halderberge

Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk.

Beleidsnota Archeologie 2011

In de gemeente Halderberge is dit vastgelegd in de gemeentelijke beleidsnota archeologie uit 2011. Deze beleidsnota heeft als doel het gemeentelijke beleid ten aanzien van de omgang met het archeologisch bodemarchief voor de komende jaren vast te leggen. Deze beleidsnota heeft als doel het gemeentelijke beleid ten aanzien van de omgang met het archeologisch bodemarchief voor de komende jaren vast te leggen. De gemeente Halderberge streeft naar een gedegen, proactief en geïntegreerd gemeentelijk archeologiebeleid. Hierdoor kan de gemeente zorgen voor maatwerk, kwaliteit, beleefbaarheid, kostenbesparing, vermeerdering van kennis en een betere kennisoverdracht.

Onderzoek

In de archeologische advieskaart is de archeologische verwachtingswaarde opgenomen. In figuur 4.8 is een uitsnede opgenomen uit de archeologische advieskaart. Hieruit blijkt dat het plangebied is gelegen in stedelijk gebied en daarmee een lage archeologische verwachtingswaarde heeft. Het plangebied bevat daarentegen wel historische bebouwing. De pastorie is aangewezen als gemeentelijk monument. Net buiten het plangebied bevindt zich het rijksmonument de Sint-Jan de Doperkerk. Door de ligging in stedelijk gebied en de lage verwachtingswaarde is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0032.png"

Figuur 4.8 - Archeologische advieskaart (Gemeente Halderberge, 2011)

Omdat er sprake is van een lage archeologische verwachtingswaarde, geldt er geen archeologische onderzoeksplicht voor de locatie.

Indien er tijdens graaf- en inrichtingswerkzaamheden archeologische sporen en vondsten aan het licht komen, dan moeten deze worden gemeld aan het bevoegd gezag. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht ex. artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit 2016.

Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.9 Cultuurhistorie

Beleid en normstelling

Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.

Hiertoe dient middels bestudering van kaarten bepaald te worden of binnen (de invloedsfeer van het plangebied) Rijksmonumenten (historische gebouwen, sluizen, tuinbeelden en grafstenen), Archeologische Rijksmonumenten, Werelderfgoederen en beschermde stads- en dorpsgezichten aanwezig zijn. Ook het voorkomen van gebieden met landschappelijke waarden en beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden, Wetlands, Beschermde Natuurmonumenten, Nationale Parken, Nationale Landschappen en de Ecologische Hoofdstructuur dient bepaald te worden.

Beleidsnota Cultureel Erfgoed

In deze nota uit 2011 wordt de huidige stand van zaken m.b.t. monumentenzorg besproken en worden voorstellen gedaan om te komen tot een adequaat, integraal en actief gemeentelijk beleid op het gebied van monumentenzorg. Bij het maken van beleidskeuzen moet het cultuurhistorisch aspect meer dan tot nu toe het geval is geweest een prominentere rol krijgen, die verder gaat dan alleen de zorg voor een bepaald monumentaal object. Deze gedachte sluit tevens aan op internationale, nationale en provinciale ontwikkelingen.

Onderzoek

Cultuurhistorische waardenkaart (CHW)

Op de CHW van de provincie Noord-Brabant is de Sint-Jan de Doperkerk aangeduid (met de rode stip) als Rijksmonument. Ter plaatse van de pastorie is de kerkelijke dienstwoning (met de blauwe stip onder de kerk) aangeduid als overige bouwkunst. De kerk en het bijgebouw van de kerk (blauwe stip ter hoogte van de kerk) zijn ook aangeduid als overige bouwkunst. De Sint Janstraat (gele lijn) is op kaart met Historische geografie aangeduid als een route van redelijk hoge waarde. In figuur 4.9 is een uitsnede van de CHW weergegeven, hierin is het plangebied rood omlijnd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0033.png"

Figuur 4.9 - Uitsnede CHW van de provincie Noord-Brabant

Cultuurhistoriekaart 

De cultuurhistoriekaart voor de gemeente Halderberge biedt een actueel overzicht van het

bovengronds cultuurhistorisch erfgoed in de gemeente. De kaart omvat een inventarisatie van historisch-geografische en historisch-(steden)bouwkundige objecten en structuren en de landschappelijke (en stedenbouwkundige) gebieden met cultuurhistorische waarde. Aangegeven zijn relicten die daadwerkelijk nog in het landschap herkenbaar zijn en de ligging van de meest prominente verdwenen objecten en structuren (bijvoorbeeld kerken, kloosters, molens, vestingwerken).

In figuur 4.10 is de cultuurhistoriekaart van de gemeente Halderberge weergegeven. Hieruit blijkt dat naast het plangebied een begraafplaats is gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0034.png"

Figuur 4.10 - De cultuurhistoriekaart van de gemeente Halderberge (gemeente Halderberge, 2011)

De beoogde ontwikkeling voorziet in ontwikkelingen rondom cultuurhistorisch waardevolle elementen. In de planvorming is dan ook rekening gehouden met met name de situering van de kerk ten opzichte van de nieuwbouw. Er is geen sprake van aantasting van de cultuurhistorische elementen. Mochten er tijdens graaf- en inrichtingswerkzaamheden archeologische sporen en vondsten aan het licht komen, dan moeten deze worden gemeld aan het bevoegd gezag.

De pastorie, ofwel kerkelijke dienstwoning, wordt wel verbouwd tot horeca gelegenheid en woongebouw. De uitwerking van de bouwplannen zal in nauw overleg plaatsvinden met de Monumentencommissie om te zorgen dat de cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast.

Conclusie

De ontwikkeling heeft geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor de cultuurhistorische waarden in en om het plangebied. De patiowoningen en het appartementengebouw worden op gepaste afstand van de Sint Jan de Doperkerk gerealiseerd. De aanpassingen aan de pastorie zullen in nauw overleg plaatsvinden met de Monumentencommissie. Het aspect 'cultuurhistorie' staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.10 Ecologie

Beleid en normstelling

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.

Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:

  • Natura-2000 gebieden;
  • Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Natura-2000 gebieden 

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en
  • de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
  • overige soorten.


De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Onderzoek gebiedsbescherming

Natura 2000-gebieden

Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied (zie figuur 4.11). Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Hollands Diep' op minimaal 12 km ten noorden van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De gevolgen voor verzuring en vermesting zijn niet op voorhand uit te sluiten daarom is onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie.

Het stikstofonderzoek is opgenomen in Bijlage 4. Uit dit onderzoek blijkt dat de emissie die als gevolg van dit bestemmingsplan vrijkomt in zowel de aanleg- als gebruiksfase leidt tot een depositieresultaat van 0,00 mol N/ha/jaar. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten en vormt het plan geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Een passende beoordeling is derhalve niet aan de orde. Stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmeringen voor de ruimtelijke procedure.

Dit betekent dat geen significante gevolgen optreden en dat de instandhoudingsdoelstelling van de omliggende Natura 2000-gebieden niet in gevaar komt. Voor projecten die niet leiden tot een toename van depositie is geen vergunning conform de Wet natuurbescherming nodig. De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de natuurwaarden Natura-2000 gebieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0035.png"

Figuur 4.11 - Ligging projectgebied (rood) ten opzichte van Natura 2000-gebied (groen)

Onderzoek soortenbescherming

De ontwikkeling voorziet in de realisatie van 8 levensloopbestendige woningen, 22 appartementen en een woongebouw ten behoeve van horeca en wonen. Hiervoor worden de volgende werkzaamheden, die mogelijk soorten kunnen verstoren, uitgevoerd.

  • verwijdering van begroeiing;
  • bouwrijp maken;
  • bouwwerkzaamheden.

Bij de voorbereiding van de ontwikkeling moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming (Wnb) de geplande ontwikkeling niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Wet natuurbescherming zal kunnen worden verkregen.

Om te achterhalen welke beschermde soorten binnen het plangebied aanwezig zijn is een ecologische onderzoek uitgevoerd (Econsultancy, 26-01-2022). Uit het ecologisch onderzoek blijkt dat nader onderzoek benodigd is naar onder andere de boommarter, broedvogels met jaarrond beschermde nesten, eekhoorn, gierzwaluw, huismus, kleine marterachtigen, steenmarter en vleermuizen benodigd, alvorens men met de werkzaamheden kunnen aanvangen. Het onderzoek naar vleermuizen dient afgestemd te zijn op gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis. In tabel 4.1 is de onderzoeksperiode weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0036.png"

Tabel 4.1 - Te verwachten beschermde soorten en aanbevolen inventarisaties

De quickscan ecologie is opgenomen in Bijlage 5.

Nader onderzoek

Het volledig nader onderzoek ecologie is opgenomen in Bijlage 6. De belangrijkste bevindingen zijn hieronder samengevat.

In het projectgebied is een paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis vastgesteld en is er een baltsterritorium van een individu van de gewone dwergvleermuis vastgesteld, waarvan het paarverblijf in het projectgebied verwacht wordt. In de directe omgeving is één massawinterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Tijdens het onderzoek zijn geen andere beschermde functies van vleermuizen aangetroffen binnen het projectgebied.

Er zijn binnen het projectgebied geen nestlocaties van de huismus of andere vogelsoorten van categorie 1 t/m 4 (Vogelrichtlijn) aangetroffen. In het projectgebied zijn geen individuen van de boommarter, bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel waargenomen, tevens zijn er geen verblijfplaatsen vastgesteld. Binnen de grenzen van het projectgebied is een individu van de eekhoorn waargenomen. Een verblijfplaats van de eekhoorn is niet in het projectgebied vastgesteld.

Bij de pastorie aan de Sint Janstraat 38 is een baltsterritorium van de gewone dwergvleermuis vastgesteld, waarvan de paarverblijfplaats zich vermoedelijk in de oostelijke gevel bevindt. In dezelfde gevel is tevens een paarverblijfplaats van een ruige dwergvleermuis vastgesteld. Door de bouwwerkzaamheden kunnen de paarverblijfplaatsen worden verstoord. Hiermee wordt een verbodsbepaling uit artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming overtreden. Voor de genoemde soorten dient ontheffing aangevraagd te worden. Omdat de verbouwplannen van de pastorie nog niet concreet zijn, wordt ontheffing van de Wet Natuurbescherming pas aangevraagd voorafgaand aan de omgevingsvergunning voor bouwen.

Er is een massawinterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aanwezig in de directe omgeving van het projectgebied. Deze bevindt zich aan de westelijke zijde van de Sint Jan de Doperkerk. In het algemeen is aan te bevelen geen gebruik te maken van aanvullende nachtelijke verlichting. Vleermuizen kunnen door aanvullende nachtelijke verlichting worden verstoord tijdens het foerageren en passeren. Indien toch gebruik wordt gemaakt van aanvullende verlichting, dient vleermuisvriendelijke verlichting te worden toegepast met amberkleurig licht en richtarmaturen die uitstraling naar de omgeving voorkomen.

Uit eerder onderzoek is gebleken dat er zich een kraamverblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis in de kerk bevindt. Deze soort is zeer lichtgevoelig. Herinrichting van de omgeving van de kerk kan mogelijk leiden tot een dermate zware verstoring van de gewone grootoorvleermuis dat dit het in onbruik raken van de kraamverblijfplaats tot gevolg kan hebben. Indien gebruik wordt gemaakt van aanvullende verlichting, wordt vleermuisvriendelijke verlichting toegepast.

Wanneer heiwerkzaamheden plaatsvinden, dient rekening te worden gehouden met de beschermde functies van vleermuizen in de kerk. Afhankelijk van de werkzaamheden kan dit ontheffingsplichtig zijn.

Het projectgebied biedt geschikt broedbiotoop voor broedgevallen van algemene broedvogels. De verstorende bouwwerkzaamheden worden grotendeels buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart – augustus) uitgevoerd. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Voor de werkzaamheden die tijdens het broedseizoen plaats vinden, wordt het projectgebied vooraf ongeschikt gemaakt of dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen.

Voor de realisatie van het plan is grondverzet noodzakelijk, dus worden maatregelen getroffen om het doden van (algemene) amfibieën, en zoogdieren te voorkomen. Hierbij wordt in één richting gewerkt om de aanwezige fauna de gelegenheid te geven voor de werkzaamheden uit te vluchten.

Conclusie

Enkel voor de verbouwwerkzaamheden aan de pastorie dient ontheffing aangevraagd te worden. Omdat de verbouwwerkzaamheden nog niet concreet zijn, wordt pas voorafgaand aan de omgevingsvergunning voor bouwen ontheffing aangevraagd. Op grond van de Wet natuurbescherming worden mitigerende maatregelen getroffen.

4.11 Externe veiligheid

Beleid en normstelling

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Risicovolle inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.

Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het groepsrisico (GR). Wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.

Besluit externe veiligheid buisleidingen

In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

Onderzoek

afbeelding "i_NL.IMRO.1655.BP2018-C001_0037.png"

Figuur 4.12 - Uitsnede risicokaart met het plangebied blauw omcirkeld

Overeenkomstig de risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, bevindt het plangebied zich niet in het invloedsgebied van een risicovolle inrichting. Ook vindt er in de omgeving geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg of het water met een externe werking.

Vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Ten zuiden bevindt zich de hogedrukaardgasleiding Z-520-37 in beheer van de Gasunie. De grootte van de buisleiding is 6 inch en de maximale werkdruk 40 bar. Het bijbehorende invloedsgebied bedraagt 70 meter. De afstand van het plangebied tot de buisleiding bedraagt minimaal 1.700 meter. Hiermee bevindt het plangebied zich niet in het invloedsgebied. Een berekening of verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor

Het spoortraject Roosendaal Oost - Breda bevindt zich ten zuiden van het plangebied op een afstand van circa 1.730 meter. Het invloedsgebied wordt bepaald door stofcategorie D4 en bedraagt 4 kilometer. Omdat de afstand groter is dan 200 meter hoeven volgens het Bevt geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik, wel dient in een beknopte verantwoording te worden ingegaan op de bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg

Ten zuiden bevindt zich de A58 op een afstand van circa 2.338 meter. Het invloedsgebied van deze weg wordt bepaald door stofcategorie GT4 en bedraagt 4 kilometer. Ook hiervoor geldt dat de afstand groter is dan 200 meter, waardoor kan worden volstaan met een beknopte verantwoording.

Uit het onderzoek uit 2018 in het kader van het 'project vervoer gevaarlijke stoffen' door de OMWB blijkt dat het initiatief binnen het invloedsgebied valt van de transportbewegingen met gevaarlijke stoffen die over de N640/ Palingstraat te verwachten zijn. Er dient te worden getoetst aan artikel 7 van het BEVT. Er kan worden volstaan met een standaardbrief (Bijlage 7) en een standaardverantwoording (Bijlage 8) van de veiligheidsregio.

Beknopte verantwoording

Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid

Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Sint Janstraat. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Hoeven. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede.

Zelfredzaamheid

In de toekomstige situatie zullen woningen gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg en het spoor geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media.

Conclusie

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spoortraject Roosendaal Oost - Breda en de A58. Door de ligging van het plangebied op meer dan 200 meter van deze bronnen, zal de beoogde ontwikkeling niet leiden tot een significant effect op het groepsrisico. In de beknopte verantwoording is op de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied ingegaan. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechten en wordt als aanvaardbaar gezien. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig met een externe werking. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.12 Kabels en leidingen

Beleid en normstelling

Voor planologisch relevante kabels en leidingen geldt in het algemeen een belemmeringenzone waarmee in de ontwikkeling van een plangebied rekening moet worden gehouden.

Onderzoek

In het plangebied en in de directe nabijheid van het plangebied liggen geen hogedruk aardgasleidingen, rioolwatertransportleidingen, drinkwatertransportleidingen, of hoogspanningsleidingtracé. Planologische relevante kabels en leidingen vormen daarom geen belemmering voor de vaststelling van dit plan.

Conclusie

De eventuele aanwezigheid van kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

In het voorgaande hoofdstuk zijn de uitgangspunten van dit bestemmingsplan geformuleerd. In dit hoofdstuk zijn de bestemmingen en de bijbehorende regels beschreven.

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP). De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op dezelfde manier worden verbeeld. de SVBP is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro gemaakt moeten worden. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden, met inachtneming van de aanpassingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.

Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijks als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld.

5.2 Toelichting op de bestemmingen

Het bestemmingsplan is opgebouwd uit de volgende bestemmingen:

Wonen: Met de bestemming 'Wonen' worden de grondgebonden woningen en het appartementencomplex mogelijk gemaakt.

Gemengd: Met de bestemming 'Gemengd' wordt een horeca gelegenheid op de begane grond en woningen op de verdiepingen van de pastorie toegestaan. Ter plaatse van deze bestemming zijn op de verdiepingen 3 wooneenheden toegestaan.

Verkeer: De bestemming 'Verkeer' maakt onder andere wegen, parkeerplaatsen, groen, waterbergingsvoorzieningen, speelvoorzieningen, kunstwerken en nutsvoorzieningen mogelijk.

Groen: De bestemming 'Groen' is opgenomen aan de westzijde van het plangebied ten zuiden van de patiowoningen en maakt onder andere groenvoorzieningen, paden, speelvoorzieningen en parkeervoorzieningen mogelijk.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat de geplande ontwikkeling maatschappelijk draagvlak heeft en dat de procedures op een goede manier worden doorlopen.

Vooroverleg

In het kader van het wettelijk vooroverleg is het ontwerpbestemmingsplan aan de vooroverlegpartners voorgelegd. Onderstaande reacties zijn binnengekomen op het plan. De reactie van het waterschap heeft geleid tot een aanpassing van paragraaf 4.4. De overige reacties hebben niet geleid tot een aanpassing van het bestemmingsplan.

Provincie Noord-Brabant

  • De provincie geeft aan dat ze geen zienswijzen hebben op het plan.

Rijkswaterstaat

  • Rijkswaterstaat geeft aan dat het plan niet in hun beheersgebied ligt en dat het hun belangen niet raakt.

Waterschap Brabantse Delta

  • In de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan wordt nog verwezen naar het Waterbeheerplan 2016-2021 "Grenzeloos verbindend". Inmiddels is er een nieuw waterbeheerprogramma. Het waterschap ziet graag een verwijzing opgenomen naar het Waterbeheerprogramma 2022-2027 "Klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap".
  • Het waterschap verzoekt in de waterparagraaf aandacht te schenken aan het gebruik van milieuvriendelijke bouwmaterialen en het achterwege laten van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC.
  • Aangezien de belangrijkste uitgangspunten voor het waterschap naar wens zijn opgenomen in het voorontwerp bestemmingsplan geeft het waterschap een positief wateradvies.
  • Het waterschap wijst op mogelijke maatregelen voor klimaat adaptief bouwen.
  • Het waterschap wijst erop dat de Waterschapsverordening waterschap Brabantse Delta 2024 van toepassing is op onder andere het uitvoeren van werkzaamheden in of rondom oppervlaktewaterlichamen of waterkeringen en voor het onttrekken/ infiltreren van grondwater.

Brandweer

  • Met betrekking tot externe veiligheid heeft de brandweer geen opmerkingen. en standaardverantwoording en brief zijn afdoende.
  • De brandweer geeft aan dat bij de verdere uitwerking van de buitenruimte van het plan aandacht moet worden besteed aan de bereikbaarheid en aan bluswatervoorzieningen. Er moet worden voldaan aan de beleidsregel 'Bereikbaarheid en bluswater.

Nederlandse Gasunie

  • De Gasunie heeft het plan getoetst en komt tot de conclusie dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van de dichtstbij gelegen leiding valt. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling.


Kaan-TSF ondergrondse infrastructuur

  • Kaan-TSF heeft het plan getoetst en geeft aan dat zij, namens Zeeland Refinery, Dow Benelux en Leidingstraat Nederland, geen inhoudelijke reactie heeft op het ontwerpbestemmingsplan.

TenneT

  • Tennet geeft aan dat zij binnen de grenzen van dit plan noch bovengrondse-, noch ondergrondse hoogspanningsverbindingen in beheer hebben en dat zij dan ook geen opmerkingen hebben op genoemd plan.


Informatieverstrekking

In 2019 heeft de gemeente in samenwerking met het stedenbouwkundig bureau Wissing een presentatie gegeven over het deelgebied 'Kerk' met gelegenheid voor vragen en opmerkingen. Het verslag van deze bijeenkomst is opgenomen in Bijlage 9.

De geplande ontwikkeling is tevens gedeeld met de verschillende stakeholders door middel van een (digitale) informatieavond in 2019 voor alle geïnteresseerde uit de kern Hoeven. Zie Bijlage 10 voor het verslag van de informatieavond.

In januari 2024 is nogmaals een inloopavond georganiseerd voor geïnteresseerden. Zie bijlage 11 voor de ingekomen reacties op deze avond.

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 21 december 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). Er zijn 3 zienswijzen ingediend. Zie bijlage 12 voor de nota zienswijzen.

Vaststelling

Het bestemmingsplan wordt gewijzigd vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraaks van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).

Financiële haalbaarheid

Het bestemmingsplan vormt het toetsingskader voor een particuliere ontwikkeling. Het project richt zich op een marktsegment waar momenteel vraag naar is. De kosten worden gedekt uit de opbrengst van de woningen en horeca. Hierdoor wordt het bestemmingsplan financieel haalbaar geacht.

Grondexploitatie

Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.

De ontwikkeling die in dit bestemmingsplan centraal staat is als 'bouwplan' aangemerkt.

Voor dit plan is een anterieure overeenkomst opgesteld, waarmee de kosten anderszins zijn verzekerd. Hierin zijn ook afspraken gemaakt ten aanzien van planschade er is tevens is een planschadeverhaalsovereenkomst opgesteld.