Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Buitengebied Bakelsebrug 7
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1652.TAMBakelsebrug7-VA01

Regels

 
Pre-ambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het omzetten van de functie van de locatie Bakelsebrug 7 in het buitengebied van Bakel van Agrarisch – Agrarisch bedrijf naar Wonen en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22j) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Gemert-Bakel. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22j van het omgevingsplan van de gemeente Gemert-Bakel. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer ‘22j’ gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22j’ gelezen worden.
 
1 algemene bepalingen
  
Artikel 1 Toepassingsbereik en voorrangsbepaling
 
1.1 Toepassingsbereik
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Bakelsebrug 7 in het buitengebied van Bakel, (TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22j Buitengebied Bakelsebrug 7) waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1652.TAMBakelsebrug7-VA01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
 
1.2 Voorrangsbepaling
  1. De regels in dit hoofdstuk gaan voor op de regels opgenomen in een besluit op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in artikel 1.1.
  2. De regels in dit hoofdstuk gaan voor op de regels van het omgevingsplan opgenomen in:
    1. hoofdstuk 22, afdeling 22.2 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan (vergunningvrije activiteiten), en
    2. hoofdstuk 22, afdeling 22.3 Milieubelastende activiteiten,
voor zover de regels bedoeld in sub a en b in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
 
Artikel 2 Begripsbepalingen
 
Bijlage I bij dit TAM-omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit TAM-omgevingsplan.
Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen
 
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit TAM-omgevingsplan, tenzij in Bijlage I van dit TAM-omgevingsplan daarvan is afgeweken.
Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen
 
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit TAM-omgevingsplan in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt. In aanvulling op artikel 22.24 van het omgevingsplan, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen.
 
4.1 Afstand tot de (zijdelingse) perceelsgrens
De afstand tussen de zijdelingse grens van het (bouw)perceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is;
 
4.2 Afstand tot de functiegrens
De kortste afstand van enig punt van een gebouw tot de functiegrens.
 
4.3 Afstand tussen gebouwen
De kortste afstand tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de gebouwen.
 
4.4 Bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
4.5 Breedte van bouwpercelen
De afstand tussen de zijdelingse perceelsscheidingen van het (bouw)perceel in de naar de zijde van de weg gekeerde bestemmingsgrens of perceelsgrens.
 
4.6 Dakhelling
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
 
4.7 Goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het straatpeil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel met dien verstande:
  1. dat goten van het totaal aan dakkapellen met een gezamenlijke kleinere breedte dan 50% van de breedte van het dakvlak, waarin zij zijn geplaatst, topgevels, schoorstenen, antennes en andere ondergeschikte bouwdelen, niet meegerekend worden;
  2. de goothoogte van gebouwen met een rieten kap wordt gemeten vanaf het straatpeil tot de onderkant van de rieten kap. Waarbij de druiplijn van een rieten kap wordt gezien: de snijlijn van de kap met het muurvlak;
  3. voor platte daken geldt: vanaf het straatpeil tot de snijlijn van de gevel met de bovenzijde van het dakvlak.
 
4.8 Inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen exclusief ondergronds bouwen.
 
4.9 Lengte, breedte en diepte van een bouwwerk
Tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevelvlakken van gebouwen en/of hart van de scheidsmuren.
 
4.10 Oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
4.11 Bebouwingspercentage
Het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming, of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming.
  
Artikel 5 Aanvraagvereisten
 
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit TAM-omgevingsplan.
Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod
 
Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies en activiteiten.
2 Regels voor functies en activiteiten
   
Artikel 7 Agrarisch
 
7.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Agrarisch’.
 
7.2 Functieomschrijving
De volgende functie(s) en gebruiksactiviteit(en) zijn toegestaan:
  1. al dan niet bedrijfsmatig, agrarisch grondgebruik inclusief tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;
  2. behoud en/of herstel van de natuurlijke, aardkundige waarden en beeldkwaliteit, zoals omschreven in het beeldkwaliteitsplan;
  3. extensief recreatief medegebruik;
  4. onverharde (wandel)paden;
  5. waterhuishoudkundige voorzieningen en waterlopen;
  6. ontwikkeling en instandhouding van natuur en landschap;
  7. realisatie en instandhouding van landschappelijke inpassing van een functievlak.
 
7.3 Beoordelingsregels bouwen
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan van de gemeente Gemert-Bakel gelden voor een aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken tevens de volgende beoordelingsregels:
  1. er mogen geen gebouwen worden opgericht;
  2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen alleen worden opgericht in de vorm van een afrastering met een maximale hoogte van 1,5 m.
 
Artikel 7.4 Beoordelingsregels afwijkende bouwwerken
7.4.1 Beoordelingsregels paardenbakken
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een paardenbak gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. binnen de provinciale structuur ‘Groenblauwe Mantel’ mag geen afbreuk worden gedaan aan de daar aanwezige landschappelijke waarden;
  2. indien er sprake is van de provinciale aanduiding 'behoud en herstel watersystemen', dient advies ingewonnen te worden bij het betrokken waterschapsbestuur;
  3. de paardenbak dient direct aansluitend aan het vlak, behorende bij de functie waarbij de paardenbak wordt gerealiseerd, te worden gerealiseerd;
  4. de oppervlakte mag niet meer dan 1.200 m² bedragen;
  5. de paardenbak mag uitsluitend hobbymatig worden gebruikt;
  6. de bouwhoogte van een open hekwerk om de paardenbak mag niet meer dan 1,5 m bedragen;
  7. lichtmasten bij de paardenbak zijn niet toegestaan;
  8. er wordt voldaan aan de uitgangspunten van het “Beeldkwaliteitsplan Buitengebied gemeente Gemert-Bakel”, zodat er sprake is van een ruimtelijk aanvaardbare situatie.
 
7.5 Specifieke indieningsvereisten omgevingsvergunning afwijkende bouwwerken
In aanvulling op artikel 22.35 wordt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.4 een inrichtings- en beplantingsplan overgelegd met het oog op de beoordeling als bedoeld in artikel 7.4.1, aanhef en onder h.
 
7.6 Specifieke functieregels
Binnen een als ‘Agrarisch’ aangewezen locatie geldt een verbod op:
  1. het gebruiken van gronden als mest- of waterbassins van folie;
  2. het gebruiken van bouwwerken ten behoeve van een agrarisch bedrijf;
  3. het gebruik van gronden als parkeerterrein;
  4. het gebruik van gronden als kampeerterrein;
  5. het verwijderen van groene erfinrichting als onderdeel van de landschappelijke inpassing;
  6. het gebruiken van gronden voor buitenopslag;
  7. het vellen, rooien of kappen van houtopstanden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning (omgevingsvergunning activiteit kappen);
  8. Het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen.
 
7.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
7.7.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:
  1. het afgraven van de bodem;
  2. het ophogen van de bodem, waarbij geldt dat indien er sprake is van de provinciale aanduiding 'behoud en herstel watersystemen' advies ingewonnen te worden bij het betrokken waterschapsbestuur;
  3. het aanleggen of verwijderen van kaden en/of het aanbrengen van veranderingen in bestaande kaden;
  4. het graven, verbreden, verbeteren of dempen van sloten, greppels of kleine geïsoleerde wateren;
  5. het aanleggen van drainage;
  6. het aanbrengen van oppervlakteverharding van meer dan 100 m², waarbij geldt dat indien er sprake is van de provinciale aanduiding 'behoud en herstel watersystemen' advies ingewonnen wordt bij het betrokken waterschapsbestuur;
  7. het aanbrengen van ondergrondse energie-, transport- en/of communicatieleidingen;
  8. het aanbrengen van bovengrondse energie-, transport- en/of communicatieleidingen;
  9. het aanplanten van houtgewas ten behoeve van een bedrijf.
 
7.7.2 Uitzonderingen
De in artikel 7.7.1 opgenomen vergunningplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:
  1. in het kader van normaal onderhoud en beheer;
  2. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wijziging van het omgevingsplan en waarvoor geen vergunning nodig was.
 
7.7.3 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover door het uitvoeren van deze werken of werkzaamheden noch direct noch indirect onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden en kwaliteiten van de desbetreffende gronden.
 
Artikel 8 Wonen
 
8.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Wonen’.
 
8.2 Functieomschrijving
De volgende functie(s) en gebruiksactiviteit(en) zijn toegestaan:
  1. een woning ten behoeve van de huisvesting van één huishouden dat er zijn hoofdverblijf heeft, met dien verstande dat per functievlak één woning met bijbehorende bouwwerken is toegestaan;
  2. de uitoefening van een aan huis verbonden beroep;
  3. voorzieningen ten behoeve van waterberging en –infiltratie;
  4. tuinen en erven;
met de bijbehorende:
  1. verharding;
  2. realisatie en instandhouding van landschappelijke inpassing van een functievlak;
  3. parkeervoorzieningen;
  4. nutsvoorzieningen.
 
8.3 Beoordelingsregels bouwen
8.3.1 Bouwregels algemeen
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan van de gemeente Gemert-Bakel gelden voor een aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken tevens de volgende beoordelingsregels:
  1. per functievlak mag één woning met bijbehorende bouwwerken worden gebouwd;
  2. herbouw (nieuwbouw) van een bestaande woning is alleen toegestaan indien deze plaatsvindt op de bestaande fundering;
  3. uitbreiding van een bestaande woning met een oppervlakte van de uitbreiding kleiner of gelijk aan 50 m² is toegestaan;
  4. uitbreiding van een bestaande woning met een oppervlakte van de uitbreiding groter dan 50 m² is uitsluitend toegestaan, mits uit een (erf)inrichtingsplan blijkt dat:
    1. wordt voorzien in landschappelijke inpassing, waarbij de landschappelijke inpassing een minimale omvang van 20% heeft van de omvang van het bijbehorende woonperceel;
    2. de te realiseren landschappelijke inpassing voldoet aan de richtlijnen zoals opgenomen in het “Beeldkwaliteitsplan Buitengebied gemeente Gemert-Bakel”;
  5. bij nieuw op te richten bebouwing en nieuw aan te leggen erfverharding wordt voorzien in de realisatie en instandhouding van een waterberging van ten minste 60 liter per vierkante meter verhard oppervlak (60 mm);
  6. de onderlinge afstand tussen gebouwen mag maximaal 15 m zijn;
  7. de minimale afstand van een bouwwerk tot de zijdelingse en achterste perceelsgrens is 3 m, met uitzondering van erf- en perceelsafscheidingen.
 
8.3.2 Bouwregels hoofdgebouwen
De omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de regels van dit artikel:
  1. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het ‘bouwvlak’ worden gebouwd;
  2. de inhoud van een woning is maximaal 750 m3;
  3. de goothoogte van de woning is maximaal 4,5 m;
  4. de bouwhoogte van de woning is maximaal 8 m;
  5. de dakhelling van de woning is minimaal 25° en maximaal 60°.
 
8.3.3 Bouwregels bijbehorende bouwwerken
De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk, met uitzondering van de bijbehorende bouwwerken zoals bedoeld in artikel 22.36 van het omgevingsplan, wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de regels van dit artikel:
  1. de bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend achter de naar de weg gekeerde bouwgrens of het verlengde daarvan worden gebouwd;
  2. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken is maximaal 150 m², uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding ‘maximum oppervlakte bijbehorende bouwwerken (m²)’ waar de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken maximaal de aangegeven oppervlakte is;
  3. de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk is maximaal 3 m, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte bijbehorend bouwwerk (m)' waar de goothoogte maximaal de aangegeven hoogte is;
  4. de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk is maximaal 5,5 m;
  5. de dakhelling van een bijbehorend bouwwerk is minimaal 25° en maximaal 60°.
 
8.3.4 Bouwregels bouwwerken, geen gebouw zijnde
De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de regels van dit artikel:
  1. naast de reeds toegestane bijbehorende bouwwerken, zijn bouwwerken geen gebouwen zijnde, zoals carports en overkappingen, toegestaan met een oppervlakte van maximaal 50 m², een goothoogte van maximaal 3 m en een bouwhoogte van maximaal 5,5 m;
  2. de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde carports of overkappingen en niet zijnde erf- en perceelsafscheidingen, is 8 m;
  3. de maximale bouwhoogte van erf- en perceelsafscheidingen is 2 m, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg of het openbaar gebied gekeerde gevel(s) c.q. het verlengde daarvan maximaal 1 meter mag bedragen.
 
8.4 Specifieke functieregels
8.4.1 Aanwijzing verbod
Binnen een als ‘Wonen’ aangewezen locatie geldt een verbod op:
  1. het gebruiken van bijbehorende bouwwerken voor permanente bewoning;
  2. het gebruiken van gronden en gebouwen voor bedrijfsactiviteiten, met uitzondering van een aan huis verbonden beroep overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.4.2 en met uitzondering van een aan huis verbonden bedrijf, zoals bedoeld in artikel 8.5;
  3. het in gebruik nemen van de gronden ten behoeve van een aan huis verbonden bedrijf en/of beroep zonder voldoende parkeerplaatsen aanwezig te hebben op eigen terrein;
 
8.4.2 Toegelaten activiteiten – aan huis verbonden beroep
Voor het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep in de hoofdgebouwen en/of bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:
  1. de woonfunctie blijft de hoofdfunctie;
  2. het aan huis verbonden beroep valt binnen maximaal milieucategorie 2;
  3. het medegebruik van de woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken is beperkt tot ten hoogste 35% van het grondoppervlak van de woning/wooneenheid en de daarbij behorende bouwwerken tot maximaal 100 m²;
  4. op eigen terrein is voldoende parkeergelegenheid aanwezig en/of wordt gerealiseerd;
  5. er vinden geen zodanige verkeersaantrekkende activiteiten plaats, die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte.
 
8.5 Specifieke beoordelingsregels gebruiken
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een aan huis verbonden bedrijf gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. de woonfunctie de hoofdfunctie blijft;
  2. bedoeld gebruik geen onevenredige hinder voor het woonmilieu oplevert. Dit betekent onder meer dat:
    1. uitsluitend bedrijfsactiviteiten behorend tot maximaal milieucategorie 2 zijn toegestaan;
    2. vast dient te staan dat het gebruik een kleinschalig karakter heeft en zal behouden;
    3. het gebruik naar aard met het woonkarakter van de omgeving in overeenstemming moet zijn en het geen publieksgerichte voorzieningen betreft;
  3. het gebruik de woonfunctie ondersteunt, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in het bijbehorend bouwwerk en/of hoofdgebouw uitvoert, tevens de gebruiker van de woning is;
  4. het niet betreft zodanig verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk;
  5. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd uitsluitend ter plaatse vervaardigde producten en internethandel als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van de aan huis verbonden bedrijfsmatige activiteit;
  6. geen showrooms zijn voorzien; showrooms zijn niet toegestaan;
  7. ten hoogste 35% van het oppervlak van de woning en de daarbij behorende gebouwen ten behoeve van de aan huis verbonden bedrijfsmatige activiteit in gebruik mag zijn, tot een maximum van 100 m²;
  8. wordt voldaan aan de uitgangspunten van de “Handreiking kwaliteitsverbetering van het landschap” van de gemeente Gemert-Bakel.
 
Artikel 9 Archeologie middelhoge verwachting
 
9.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Archeologie middelhoge verwachting’.
 
9.2 Voorrangsregeling
Indien strijd ontstaat tussen het belang van de bescherming van de archeologische (verwachtings)waarden als bedoeld in dit artikel en het bepaalde in de overige artikelen prevaleert het belang van de archeologische (verwachtings)waarden.
 
9.3 Beoordelingsregels bouwen
9.3.1 Beoordelingsregels algemeen
Er mogen geen gebouwen dan wel bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht, met uitzondering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die geen onevenredige afbreuk doen of kunnen doen aan de op en/of in het functievlak ‘Archeologie middelhoge verwachting’ voorkomende en te verwachten archeologische waarden, zoals bedoeld in artikel 9.3.2.
 
9.3.2 Beoordelingsregels bouwen van bouwwerken
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op het bouwen van bouwwerken, die geen onevenredige afbreuk doen aan voorkomende en te verwachten archeologische waarden, wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. het bouwplan heeft betrekking op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en niet dieper dan de bestaande fundering wordt gebouwd;
  2. de bodemverstoring ten behoeve van of als gevolg van het bouwen is niet dieper dan 40 cm onder het bestaande maaiveld of, indien de bodemverstoring dieper is dan 40 cm, de omvang van de bodemingreep niet groter is dan 2.500 m².
 
9.4 Beoordelingsregels bouwwerken dieper dan 40 cm onder het maaiveld en groter dan 2.500 m²
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwwerken dieper dan 40 cm onder het maaiveld en groter dan 2.500 m² gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. door de aanvrager zijn de archeologische waarden van de gronden, die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag, in voldoende mate vastgesteld;
  2. de archeologische waarden van de gronden, die door het bouwplan zullen of kunnen worden verstoord, kunnen worden veiliggesteld door:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
 
9.5 Specifieke indieningsvereisten omgevingsvergunning afwijkende bouwwerken
In aanvulling op artikel 22.35 wordt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk dieper dan 40 cm onder maaiveld en met een oppervlakte groter dan 2.500 m² een rapport overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden, die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.
 
9.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.6.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:
  1. het uitvoeren van grondbewerkingen, zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage en verwijderen van funderingen;
  2. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels;
  3. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
 
9.6.2 Uitzonderingen
De in artikel 9.6.1 opgenomen vergunningplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:
  1. tot een diepte van 40 cm onder het bestaande maaiveld en over een maximale oppervlakte van 2.500 m²;
  2. die betrekking hebben op het vervangen van een reeds aanwezige legale drainage op identiek dezelfde plaats en diepte en het tot 40 cm diepte uitvoeren van andere werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  3. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  4. die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende (omgevings)vergunning.
 
9.6.3 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
  1. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden;
  2. de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
 
9.7 Specifieke indieningsvereisten
  1. Alvorens over de aanvraag wordt beslist, dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
  2. Een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.
 
9.8 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning reeds aanwezige bouwwerken te slopen als de bodemverstoring een diepte heeft van meer dan 40 cm en de oppervlakte meer bedraagt dan 2.500 m².
 
Artikel 10 Archeologie hoge verwachting
 
10.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Archeologie hoge verwachting’.
 
10.2 Voorrangsregeling
Indien strijd ontstaat tussen het belang van de bescherming van de archeologische (verwachtings)waarden als bedoeld in dit artikel en het bepaalde in de overige artikelen prevaleert het belang van de archeologische (verwachtings)waarden.
 
10.3 Beoordelingsregels bouwen
10.3.1 Beoordelingsregels algemeen
Er mogen geen gebouwen dan wel bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht, met uitzondering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die geen onevenredige afbreuk doen of kunnen doen aan de op en/of in het functievlak ‘Archeologie hoge verwachting’ voorkomende en te verwachten archeologische waarden, zoals bedoeld in artikel 10.3.2.
 
10.3.2 Beoordelingsregels bouwen van bouwwerken
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 die betrekking heeft op het bouwen van bouwwerken, die geen onevenredige afbreuk doen aan voorkomende en te verwachten archeologische waarden, wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. het bouwplan heeft betrekking op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en niet dieper dan de bestaande fundering wordt gebouwd;
  2. de bodemverstoring ten behoeve van of als gevolg van het bouwen is niet dieper dan 40 cm onder het bestaande maaiveld of, indien de bodemverstoring dieper is dan 40 cm, de omvang van de bodemingreep niet groter is dan 500 m².
 
10.4 Beoordelingsregels bouwwerken dieper dan 40 cm onder het maaiveld en groter dan 500 m²
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwwerken dieper dan 40 cm onder het maaiveld en groter dan 500 m² gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. door de aanvrager zijn de archeologische waarden van de gronden, die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag, in voldoende mate vastgesteld;
  2. de archeologische waarden van de gronden, die door het bouwplan zullen of kunnen worden verstoord, kunnen worden veiliggesteld door:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
 
10.5 Specifieke indieningsvereisten omgevingsvergunning afwijkende bouwwerken
In aanvulling op artikel 22.35 wordt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk dieper dan 40 cm onder maaiveld en met een oppervlakte groter dan 500 m² een rapport overgelegd waarin de archeologische waarden van de gronden, die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.
 
10.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.6.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:
  1. het uitvoeren van grondbewerkingen, zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage en verwijderen van funderingen;
  2. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels;
  3. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
 
10.6.2 Uitzonderingen
De in artikel 10.6.1 opgenomen vergunningplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:
  1. tot een diepte van 40 cm onder het bestaande maaiveld en over een maximale oppervlakte van 500 m²;
  2. die betrekking hebben op het vervangen van een reeds aanwezige legale drainage op identiek dezelfde plaats en diepte en het tot 40 cm diepte uitvoeren van andere werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  3. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  4. die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende (omgevings)vergunning.
 
10.6.3 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:
  1. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden;
  2. de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
 
10.7 Specifieke indieningsvereisten
  1. Alvorens over de aanvraag wordt beslist, dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
  2. Een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.
 
10.8 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning reeds aanwezige bouwwerken te slopen als de bodemverstoring een diepte heeft van meer dan 40 cm en de oppervlakte meer bedraagt dan 500 m².
 
3 Algemene regels
Artikel 11 Toepassingsbereik
 
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op het gebied ‘Bakelsebrug 7’ te Bakel.
Artikel 12 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 13 Algemene regels voor bouwactiviteiten
 
13.1 Bestaande afstanden en andere maten
1. Maximale maatvoering
Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen, oppervlakten en/of dakhellingen van legaal aanwezige bouwwerken meer bedragen dan ingevolge de regels van dit omgevingsplan is voorgeschreven, gelden deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar;
 
2. Minimale maatvoering
Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen, oppervlakten en/of dakhellingen van legaal aanwezige bouwwerken minder bedragen dan ingevolge de regels van dit omgevingsplan is voorgeschreven, gelden deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar;
 
3. Heroprichting
In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in lid 1 en lid 2 uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.
 
13.2 Ondergronds bouwen
Tenzij anders in de regels is bepaald, is ondergronds bouwen, waaronder wordt verstaan het bouwen vanaf meer dan 1 m beneden peil, niet toegestaan.
 
13.3 Beeldkwaliteit
Voor bouwplannen geldt dat deze met betrekking tot welstand dienen te voldoen aan de criteria van het “Beeldkwaliteitsplan Buitengebied gemeente Gemert-Bakel”. 
13.4 Verboden bouwactiviteiten
  1. Het is verboden enig bouwwerk te bouwen:
    1. met een afstand van minder dan 10 meter vanaf het functievlak ‘Verkeer’ van de weg of waarbij de voorgevelrooilijn wordt overschreden;
    2. binnen een afstand van 5 meter uit de insteek aan weerszijden van een waterloop met een functievlak 'Water';
    3. binnen een afstand van 12,5 meter uit de insteek aan weerszijden van een waterloop, welke is aangeduid als 'ecologische verbindingszone'.
  2. Het in lid 1, onder a, b en c genoemde verbod geldt niet voor erf- en perceelsafscheidingen en soortgelijke bouwwerken met een hoogte van maximaal 1 m.
  3. Het in lid 1, onder a genoemde verbod geldt niet indien het verkeersbelang niet onevenredig wordt aangetast en vooraf advies wordt ingewonnen van de beheersinstantie van desbetreffende weg.
 
13.5 Specifieke beoordelingsregels bouwen
13.5.1 Beoordelingsregels geringe afwijkingen
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, waarbij de grenzen van een functievlak en/of bouwvlak in geringe mate worden overschreden geldt de volgende beoordelingsregel:
  1. de omgevingsvergunning wordt verleend als een meetverschil of de werkelijke toestand van het terrein daartoe aanleiding geeft.
 
13.5.2 Beoordelingsregels afwijkende maatvoeringen
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, waarvan de maatvoeringen afwijken van de regels in Hoofdstuk 2, gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. de in de planregels gegeven maten, afmetingen en percentages worden met niet meer dan 10% veranderd. Deze omgevingsvergunning kan worden verleend als een concreet bouwplan hiertoe aanleiding geeft en mits is aangetoond dat realisering van dit bouwplan uit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is. Deze omgevingsvergunning is niet van toepassing op bebouwingspercentages, oppervlaktematen boven 100 m² en inhoudsmaten boven 250 m³;
  2. ten behoeve van het bouwen tot op de perceelgrens, waarbij wordt afgeweken van de voorgeschreven afstandsmaat ten opzichte van zijdelingse en achterste perceelgrens: aangetoond is dat zich op het betreffende perceel geen andere reële mogelijkheden voordoen en de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.
 
13.5.3 Beoordelingsregels aanleg zwembad
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een niet-overdekt zwembad gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. de oppervlakte van het zwembad bedraagt maximaal 100 m²;
  2. het zwembad wordt niet bedrijfsmatig geëxploiteerd;
  3. uit het bouwplan blijkt dat de waterafvoer van het zwembad als gevolg van een regenbui of het schoonmaken zodanig geregeld is dat dit geen nadelige invloed heeft op de omliggende gronden en/of de (druk)riolering.
 
13.5.4 Beoordelingsregels vergroten inhoud woning
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een (bedrijfs)woning met een inhoud groter dan de toegestane maximale inhoud gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. de ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van de “Handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap” van de gemeente Gemert-Bakel;
  2. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van andere belangen, waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven.
 
13.5.5 Beoordelingsregels onderlinge afstand gebouwen
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen op een grotere onderlinge afstand dan de toegestane maximale afstand van 15 m geldt de volgende beoordelingsregel:
  1. een inrichtingsplan wijst uit dat de grotere afstand blijft passen binnen de uitgangspunten van het “Beeldkwaliteitsplan Buitengebied gemeente Gemert-Bakel” en daarmee ruimtelijk aanvaardbaar is.
13.5.6 Beoordelingsregels vervangende nieuwbouw van woningen
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bij vervangende nieuwbouw van een woning situeren van de woning anders dan op de bestaande locatie gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. de nieuwe situering levert uit een oogpunt van beeldkwaliteit een verbetering op;
  2. de nieuwe situering levert om verkeerstechnische redenen zoals de afstand tot de weg een verbetering op;
  3. de bestaande woning wordt gesloopt
  4. overtollige bebouwing wordt gesloopt.
 
13.5.7 Beoordelingsregels afwijkende goot- en/of dakhoogte en/of dakhelling
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk met een goot- en/of bouwhoogte en/of dakhelling die afwijkt van de voorgeschreven goot- en/of bouwhoogte en/of dakhelling gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. de goot- en/of bouwhoogte en/of de dakhelling van bijbehorende bouwwerken staan in verhouding met de goot- en/of bouwhoogte en/of de dakhelling van de woning;
  2. een hogere goot- en/of bouwhoogte en/of de afwijkende dakhelling zijn wenselijk vanuit beeldkwaliteit;
  3. de ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van de “Handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap” van de gemeente Gemert-Bakel.
 
Artikel 14 Algemene regels voor gebruiksactiviteiten
 
14.1 Waterhuishouding
Het gebruik van alle gronden is mede gericht op behoud, herstel en/of versterking van de waterhuishoudkundige waarden.
 
14.2 Evenementen
Gronden mogen worden gebruikt ten behoeve van kleinschalige, eendaagse, incidentele evenementen waarvoor op grond van andere regelgeving een vergunning of ontheffing vereist is en deze is verleend.
 
14.3 Verboden gebruiksactiviteiten
Onder strijdig gebruik in dit TAM-omgevingsplan wordt in ieder geval verstaan:
  1. het gebruik overeenkomstig de functie van gronden en bebouwing binnen een functievlak, zolang de landschappelijke inpassing welke binnen het betreffende functievlak en/of de functie 'Groen' en/of 'Natuur' moet worden gerealiseerd, conform het door de gemeente goedgekeurd inrichtingsplan, zoals opgenomen in de bijlage 6 bij de regels, niet binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van deze wijziging van het omgevingsplan is gerealiseerd en in stand wordt gehouden;
  2. het gebruik overeenkomstig de toegestane activiteiten binnen een functievlak, zolang de sloop zoals weergegeven op de kaart zoals opgenomen in bijlage 6 bij de regels, welke binnen het betreffende functievlak of een aangrenzend functievlak moet worden gerealiseerd, niet binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van deze wijziging van het omgevingsplan is gerealiseerd;
  3. het toevoegen van verharding in strijd met artikel 14.5.2;
  4. het al dan niet tijdelijk huisvesten van werknemers, anders dan passend binnen het begrip 'Huishouden', met uitzondering van de huisvesting van werknemers waarvoor bij de inwerkingtreding van het omgevingsplan al een omgevingsvergunning was verleend;
  5. het gebruik van nieuw op te richten bebouwing en nieuw aan te leggen erfverharding zonder de realisatie en instandhouding van een waterberging van ten minste 60 liter per vierkante meter verhard oppervlak (60 mm);
  6. het gebruik van nieuw op te richten bebouwing en/of bebouwing met gewijzigd gebruik zonder dat voldaan wordt aan het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen, zoals opgenomen in de “Nota Parkeernormen Gemert-Bakel 2017”.
 
14.4 Specifieke beoordelingsregels gebruiken
14.4.1 Beoordelingsregels (meerdaagse) evenementen
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het houden van (meerdaagse) evenementen gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. het evenement duurt maximaal 8 dagen, exclusief de opbouw en afbraak van het evenement;
  2. het parkeren vindt plaats op of aansluitend aan het evenemententerrein;
  3. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aan de desbetreffende gronden toegekende functie.
 
14.4.2 Beoordelingsregels waterberging
  1. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het nieuw oprichten van bebouwing en nieuw aanleggen van erfverharding zonder de realisatie en instandhouding van voldoende waterberging gelden de volgende beoordelingsregels:
    1. het realiseren van de vereiste waterberging is redelijkerwijs niet mogelijk op deze locatie; en
    2. er wordt op andere wijze voor gezorgd dat de kans op wateroverlast niet toeneemt.
  2. Bij verlenen van de omgevingsvergunning, als bedoeld in het eerste lid, kan een financiële voorwaarde worden verbonden aan de omgevingsvergunning conform de gemeentelijke Verordening Waterbergingsfonds.
 
14.4. 3 Beoordelingsregels parkeren
  1. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het nieuw oprichten van bebouwing en het gebruiken van bebouwing met gewijzigd gebruik zonder realisatie van voldoende parkeergelegenheid geldt de volgende beoordelingsregel:
    1. een omgevingsvergunning om nieuw op te richten bebouwing en/of bebouwing met gewijzigd gebruik in afwijking van het bepaalde in artikel 14.3, onder g, te gebruiken wordt verleend overeenkomstig de geboden afwijkingsmogelijkheden als opgenomen in de “Nota Parkeernormen Gemert-Bakel 2017”.
  2. Indien de “Nota Parkeernormen Gemert-Bakel 2017” als bedoeld in lid 1 wordt gewijzigd, wordt bij de verlening van de omgevingsvergunning getoetst aan deze wijziging.
  3. Parkeergelegenheid die is gerealiseerd om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid dient in stand te worden gehouden.
 
14.4. 4 Beoordelingsregels dagrecreatieve nevenactiviteiten
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitoefenen van dagrecreatieve nevenactiviteiten gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. het betreft een ondergeschikte, kleinschalige activiteit, met een beperkte publieksaantrekkende werking;
  2. er is geen sprake van detailhandel;
  3. in geval van horeca deze uitsluitend is toegestaan als kleinschalige ondergeschikte functie bij de nevenactiviteit;
  4. er wordt voldaan aan de binnen de functie geldende bouwregels;
  5. op eigen terrein is voldoende parkeergelegenheid aanwezig en/of wordt voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd;
  6. er vinden geen zodanige verkeersaantrekkende activiteiten plaats, die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte.
 
14.4.5 Beoordelingsregels verblijfsrecreatieve nevenactiviteiten
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bieden van recreatief nachtverblijf gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. de locatie is niet gelegen op gronden met de functie 'Natuur';
  2. de hiervoor noodzakelijke faciliteiten worden alleen gerealiseerd binnen (een) bestaand(e) gebouw(en) of (een) nieuw(e) gebouw(en) dat mag worden gebouwd binnen de bouwregels van de hoofdfunctie;
  3. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner of eigenaar van de woning;
  4. maximaal 4 kamers met een maximum van 10 slaapplaatsen worden gerealiseerd;
  5. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van andere belangen, waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;
  6. op eigen terrein is voldoende parkeergelegenheid aanwezig is en/of wordt voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd, waarbij een parkeernorm geldt van één parkeerplaats per verblijfseenheid;
  7. er is geen sprake van een eigen kookgelegenheid in de verblijfseenheden;
  8. er worden geen horeca-activiteiten uitgeoefend, met uitzondering van het serveren van ontbijt;
  9. bij gebruik van monumentale boerderijen wordt het karakter daarvan gerespecteerd.
 
14.4.6 Beoordelingsregels verblijfsrecreatieve nevenactiviteiten
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitoefenen van een minicamping gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. de minicamping is ondergeschikt aan de hoofdactiviteit;
  2. de minicamping heeft maximaal 25 staanplaatsen;
  3. er worden maximaal 3 trekkershutten, met een maximale omvang van 15 m² per trekkershut, geplaatst;
  4. de minicamping wordt gebruikt gedurende de periode van 15 maart tot en met 31 oktober;
  5. het kamperen wordt op of aansluitend aan het bestaande functievlak gerealiseerd, zodat er sprake is van een ruimtelijke eenheid;
  6. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van andere belangen, waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;
  7. op eigen terrein is voldoende parkeergelegenheid aanwezig is en/of wordt voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd;
  8. een inrichtingsplan wijst uit dat de realisatie van de minicamping past binnen de uitgangspunten van het “Beeldkwaliteitsplan Buitengebied gemeente Gemert-Bakel” en daarmee ruimtelijk aanvaardbaar is;
  9. het realiseren van een minicamping vindt niet binnen het ‘Natuur Netwerk Brabant’ plaats;
  10. de recreatieve verblijfsobjecten, geplaatst op de standplaatsen, zijn buiten de periode van 15 maart tot en met 31 oktober, verwijderd.
  
4 Overgangsrecht
  
Artikel 15 Overgangsrecht
 
15.1 Toepassingsbereik
Het overgangsrecht in dit hoofdstuk is van toepassing op het gebied ‘Bakelsebrug 7’ in het buitengebied van Bakel.
 
15.2 Overgangsrecht gebruik
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip dat een regel in het omgevingsplan van toepassing wordt voor de desbetreffende locatie en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Als het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het eerste lid geldt niet voor het gebruik dat reeds in strijd was met het omgevingsplan zoals het voorheen op die locatie van toepassing was, daaronder begrepen het tijdelijk deel van het omgevingsplan en de overgangsbepalingen daarin.
 
15.3 Overgangsrecht bestaande bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden op grond van een omgevingsvergunning voor het bouwen, op het tijdstip dat een regel in het omgevingsplan van toepassing wordt voor de desbetreffende locatie, en afwijkt van die regel, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het eerste lid is geldt niet voor een bouwwerk dat weliswaar bestaat op het tijdstip dat het omgevingsplan op de desbetreffende locatie van toepassing wordt, maar is gebouwd zonder vergunning en in strijd met de daarvoor geldende regels in het omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.