direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1641.TAM003-VG01

Regels

Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het mogelijk maken van een keerlus, groenstrook en een uitbreiding van naastgelegen bedrijvigheid op het perceel tussen de Oudeweg 80 en Rijksweg 23 te Linne. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22c) in het omgevingsplan van de gemeente Maasgouw. Technisch is het nog vormgegeven en gepubliceerd als een bestemmingsplan. Dus is het niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl en https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22c] van het 'Omgevingsplan gemeente Maasgouw'. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22c.]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘[22c]’ gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • a. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld onder c.
  • b. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van de regels van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • c. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1641.TAM003-VG01, zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl en https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart.

Artikel 2 Wettelijke begripsbepalingen

De bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit TAM-omgevingsplan.

Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 2 worden voor de toepassing van de regels in dit plan de volgende begrippen gehanteerd:

3.1 plan

Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Keerlus Oudeweg Linne met identificatienummer NL.IMRO.1641.TAM003-VG01 van de gemeente Maasgouw.

3.2 omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente Maasgouw.

3.3 TAM-omgevingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten zoals vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1641.TAM003-VG01 met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

3.4 aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge dit plan regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

3.5 aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

3.6 archeologische monumentenzorg

Zorg die zich richt op het optimaal beheer van de bodem als unieke bron van informatie over de geschiedenis van Nederland.

3.7 archeologisch onderzoek

In een schriftelijke rapportage vastgelegd bureau- en/of veldonderzoek naar de materiële neerslag van menselijke aanwezigheid en menselijk handelen in het verleden.

3.8 archeologisch verwachtingsvol gebied

Door burgemeester en wethouders aangewezen terrein waarvan op grond van historische gegevens of door archeologische vondsten en onderzoek vermoed wordt dat het van algemeen belang is wegens zijn betekenis voor de archeologische monumentenzorg.

3.9 archeologische waarde

De aan een gebied toegekende waarden in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit in het verleden, ten minste ouder dan 50 jaar.

3.10 bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

3.11 bevoegd gezag

Bevoegd gezag als bedoeld in de Omgevingswet.

3.12 bodemverstorende activiteiten

Het plegen van ingrepen die de bestemming van de grond veranderen en/of waardoor het grondwaterpeil verandert of het uitvoeren van grondbewerkingen.

3.13 bedrijf

Een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen.

3.14 bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

3.15 bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en overige bouwwerken zijn toegelaten.

3.16 bouwwerk

Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

3.17 deskundige

Een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskunigen inzake een bepaalde vakdiscipline.

3.18 functie

Doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan, is toegestaan.

3.19 functiegrens

De grens van een functievlak.

3.20 functievlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie.

3.21 gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

3.22 Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie

De standaardnorm die door de beroepsgroep van archeologen wordt gehanteerd voor de uitvoering van archeologisch onderzoek.

3.23 locatievlak

Een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een gebruiksdoel.

3.24 maaiveld

De bovenkant van een afgewerkt terrein dat een gebouw c.q. bouwwerk omgeeft.

3.25 nutsvoorziening

Voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer.

3.26 ondergronds bouwwerk

Een (gedeelte van) een bouwwerk, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen op ten minste 1,75 meter beneden peil.

3.27 opgraving

Archeologische maatregel waarbij een aangetroffen en gewaardeerde vindplaats ex situ wordt behouden.

3.28 overkapping

Een bouwwerk omsloten door maximaal één wand en voorzien van een gesloten dak, waaronder begrepen een carport.

3.29 peil
  • voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld.
3.30 Programma van Eisen

Het document dat is opgesteld op basis van de Kwaliteitsnorm waarin wordt aangegeven op welke wijze archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Een Programma van Eisen behoeft altijd goedkeuring door het college van burgemeester en wethouders.

3.31 prostitutie

Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding, waaronder in ieder geval begrepen prostitutiebedrijf en raamprostitutie.

3.32 voorgevellijn

Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelgrenzen.

3.33 voorzieningen van algemeen nut

Voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer, riolering, straatvoorzieningen waaronder voorzieningen voor afvalstoffen en straatmeubilair.

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

4.1 Algemeen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit plan in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel.

4.2 De goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

4.3 De inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

4.4 De bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van onderschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

4.5 De oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd

op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

4.6 De ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk

Vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.

4.7 De diepte van een ingreep

Vanaf het peil tot aan het diepste punt van de ingreep.

Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.

Artikel 6 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het 'Omgevingsplan gemeente Maasgouw', zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 2 Functies

Artikel 7 Bedrijf

7.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1641.TAM003-VG01 zijn aangewezen voor de functie 'Bedrijf'.

7.2 Functieomschrijving
7.2.1 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten
  • 1. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:
  • 2. De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan:
    • a. tuinen, erven en terreinen;
    • b. parkeervoorzieningen, met dien verstande dat parkeren op eigen terrein dient plaats te vinden met inachtneming van het bepaalde in 15.1;
    • c. in- en uitritten;
    • d. groenvoorzieningen;
    • e. voorzieningen van algemeen nut;
    • f. (ondergrondse) waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen.
7.2.2 Algemene regels bedrijven

De volgende voorwaarden zijn van toepassing bij het exploiteren van een bedrijf:

  • a. per perceel is maximaal één bedrijf toegestaan.
7.3 Vergunningplicht gebruiksactiviteiten
7.3.1 Aanwijzing vergunningplichtige gebruiksactiviteiten

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:

  • a. het exploiteren van bedrijfsactiviteiten in een andere milieucategorie dan 1 en 2;
  • b. het vestigen van een bedrijfsverzamelgebouw.
7.3.2 Aanvraagvereisten en beoordelingsregels bedrijfsactiviteiten in een ander milieucategorie

De omgevingsvergunning voor een bedrijfsactiviteit in een andere milieucategorie wordt verleend als:

  • a. de uitoefening van bedrijfsactiviteiten, die zijn opgenomen in een hogere categorie dan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 7.2.1 indien deze gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 7.2.1;
  • b. de uitoefening van bedrijfsactiviteiten, die hoewel gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 7.2.1;
  • c. bij de beoordeling van de aard en invloed van de milieubelasting van een bedrijf dienen de volgende milieubelastingcomponenten mede in de beoordeling te worden betrokken: geluid, geurproductie, stofuitworp en gevaar, waarbij tevens kan worden gekeken naar de verontreiniging van lucht en bodem, de diversiteit en het al dan niet continue karakter van het bedrijf en de visuele hinder en verkeersaantrekkende werking.
7.3.3 Aanvraagvereisten en beoordelingsregels vestigen bedrijfsverzamelgebouw

De omgevingsvergunning voor een bedrijfsverzamelgebouw wordt verleend als:

  • a. voorzien is een stedenbouwkundige inpassing waarbij onder andere het bedrijfsverzamelgebouw direct op de openbare weg wordt ontsloten;
  • b. maximaal één bedrijfsverzamelgebouw per perceel is toegestaan;
  • c. voorzien wordt in parkeergelegenheid op eigen terrein;
  • d. de nieuwe functie de verkeersafwikkeling niet onevenredig belast;
  • e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast;
  • f. uit onderzoek dient te zijn aangetoond dat er behoefte is aan een bedrijfsverzamelgebouw.
7.4 Verboden gebruiksactiviteiten

Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 7.2 en 7.3 is verboden. In ieder geval omvat het verbod:

  • a. het gebruik van de bouwwerken voor wonen;
  • b. als staanplaats voor onderkomens;
  • c. als staanplaats voor wagens en kramen, geschikt en bestemd voor de uitoefening van detailhandel;
  • d. als opslag-, stort-, lozing- of bergplaats van onbruikbare, althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen of producten, behoudens voor zover dat noodzakelijk is in het kader van de bedrijfsuitoefening van de toegelaten bedrijven;
  • e. voor het al dan niet voor de verkoop opslaan of opstellen van goederen, behoudens voor zover dat noodzakelijk is in het kader van de bedrijfsuitoefening van de toegelaten bedrijven en dit niet plaatsvindt aan de wegzijde van de op de verbeelding aangegeven bouwgrens, behoudens voor zover dat noodzakelijk is in het kader van de bedrijfsuitoefening van de toegelaten bedrijven;
  • f. detailhandel, uitgezonderd productiegebonden detailhandel;
  • g. vuurwerkbedrijven;
  • h. recreatie-inrichtingen;
  • i. seksinrichtingen;
  • j. straatprostitutie;
  • k. escort-bedrijven;
  • l. coffeeshops;
  • m. de vestiging van zelfstandige kantoren;
  • n. (permanente) opslag van goederen en materialen voor de voorgevellijn en buiten het bouwvlak.
7.5 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
7.5.1 Gebouwen

De omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw wordt verleend als:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. het bouwvlak mag voor 80% worden bebouwd, met dien verstande dat het parkeren op eigen terrein wordt opgelost met inachtneming van het bepaalde in artikel 15.1;
  • c. de bouwhoogte bedraagt maximaal 11 meter.
7.5.2 Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde wordt verleend als:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt aan de wegzijde van de aangegeven bouwgrens maximaal 2,5 meter en aan de andere zijde maximaal 10 meter.
  • b. de bouwhoogte van een terreinafscheiding bedraagt maximaal 2,5 meter.

Artikel 8 Groen

8.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1641.TAM003-VG01 zijn aangewezen voor de functie 'Groen'.

8.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Groen', heeft de volgende functies:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. bermen en beplanting;
  • c. (openbare) wegen en paden;
  • d. bouwwegen;
  • e. voet- en fietspaden;
  • f. parkeervoorzieningen;
  • g. voorzieningen van algemeen nut;
  • h. kunstwerken;
  • i. speelvoorzieningen;
  • j. ter plaatse van de aanduiding 'water': tevens water ten behoeve van de waterhuishouding;
  • k. (ondergrondse) waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen.
8.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
8.3.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. op of in deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut en speelvoorzieningen worden gebouwd;
  • b. de maximum bouwhoogte bedraagt 3 meter;
  • c. de maximum oppervlakte van voorzieningen van algemeen nut bedraagt 15 m².
8.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

In aanvulling op / in afwijking van artikel 22.27 van het omgevingsplan, gelden voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken de volgende bepalingen:

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  • a. de maximum hoogte van lichtmasten bedraagt 8 meter;
  • b. overkappingen zijn niet toegestaan;
  • c. de maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt 5 meter.
8.4 Specifieke functieregels gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken als bedoel in artikel 5, wordt in elk geval gerekend het gebruik voor:

  • a. opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de grond;
  • b. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de grond.

Artikel 9 Verkeer

9.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1641.TAM003-VG01 zijn aangewezen voor de functie 'Verkeer'.

9.2 Functieomschijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Verkeer', heeft de volgende functies:

  • a. wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verkeersfunctie;
  • b. voet- en fietspaden;
  • c. bouwwegen;
  • d. parkeervoorzieningen;
  • e. groenvoorzieningen, waaronder bermen en beplanting;
  • f. straatmeubilair;
  • g. voorzieningen van algemeen nut;
  • h. kunstwerken;
  • i. (ondergrondse) waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen.
9.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
9.3.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. op of in deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut worden gebouwd;
  • b. de goothoogte van gebouwen bedraagt maximaal 3 meter;
  • c. de maximum oppervlakte van een gebouw bedraagt 15 m².
9.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

In aanvulling op / in afwijking van artikel 22.27 van het omgevingsplan gelden voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de volgende bepalingen:

  • a. de maximum bouwhoogte van lichtmasten, bewegwijzering en verkeersregulering bedraagt 8 meter;
  • b. de maximum bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt 5 meter;
  • c. overkappingen zijn niet toegestaan.
9.4 Specifieke functieregels gebruik

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken als bedoel in artikel 5, wordt in elk geval gerekend het gebruik voor:

  • a. het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de grond;
  • b. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de grond.

Artikel 10 Waarde - Archeologie 3

10.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1641.TAM003-VG01 mede zijn aangewezen voor de functie 'Waarde - Archeologie 3'.

10.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Waarde - Archeologie 3', heeft mede tot functie het behoud en de bescherming van archeologische waarden, in het bijzonder voor gebieden met een verwachting voor vindplaatsen gerelateerd aan bewoning, begraving en watergebonden economische en rituele activiteiten.

10.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
10.3.1 Bouwen volgens de onderliggende functie

Indien op grond van de beoordelingsregels voor bouwactiviteiten van de onderliggende functie bouwwerken worden gebouwd, dan zijn deze op grond van de functie 'Waarde - Archeologie 3' toegestaan, mits:

  • a. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport genoemd onder a., door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische waarden in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties;
  • c. het bepaalde onder a. en b. is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:
    • 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
    • 2. een bouwwerk met een oppervlakte kleiner dan 2.500 m²;
    • 3. een bouwwerk waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,40 meter ten opzichte van het maaiveld.
10.3.2 Voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor bouwen

Indien uit het in 10.3.1 onder a. genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden aan die omgevingsvergunning voor bouwen:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
10.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.4.1 Verbod

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren die voorkomen in de onderstaande opsomming:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe in ieder geval worden gerekend: afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • b. het ophogen van de bodem;
  • c. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond;
  • d. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen, parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • e. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  • f. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
  • g. het aanbrengen van diepwortelende beplanting;
  • h. het rooien van diepwortelende beplantingen voor zover daarbij stobben worden verwijderd;
  • i. het omzetten van gras of akkerland in een teelt waarbij bodemvolume wordt afgevoerd waartoe gerekend worden boomteelt, graszodenteelt en siergewassenteelt;
  • j. het afplaggen van heide- of natuurgebieden;
  • k. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
10.4.2 Toelaatbaarheid

De omgevingsvergunning als bedoeld in 10.4.1 kan slechts worden verleend indien:

  • a. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport genoemd onder a., door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische waarden in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
10.4.3 Uitzonderingen

Het bepaalde in 10.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen;
  • b. reeds in uitvoering waren op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  • c. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;
  • d. een oppervlakte omvatten kleiner dan 2.500 m²;
  • e. maximaal 40 centimeter diep reiken ten opzichte van het maaiveld, tenzij het werkzaamheden betreffen als genoemd in 10.4.1 h t/m j;
  • f. in geval het werkzaamheden betreffen als genoemd in 10.4.1 h t/m j het afgevoerde bodemvolume weer wordt aangevuld.
10.4.4 Voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning

Indien uit het in 10.4.2 onder a. genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag de volgende voorwaarden verbinden aan die omgevingsvergunning voor bouwen:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de bouwwerkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 11 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 12 Algemene bouwregels

12.1 Algemene bepaling m.b.t. ondergronds bouwen
12.1.1 Ondergrondse werken

Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen.

12.1.2 Ondergrondse bouwwerken

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende bepalingen:

  • a. De ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 3 meter onder peil.
  • b. Ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, met uitzondering rioolwaterbuffers die ook buiten het bouwvlak mogen worden opgericht.
  • c. Zowel onder bestaande bebouwing als buiten bestaande bebouwing zijn ondergrondse bouwwerken toegestaan, evenwel met inachtname van het gestelde onder b.
  • d. Bij het berekenen van de blijkens de digitale verbeelding of deze regels geldende bebouwingspercentages, of van het in deze regels maximaal te bebouwen oppervlak, wordt de oppervlakte van ondergrondse gebouwen uitsluitend mede in aanmerking genomen als de ondergrondse bouwwerken zich buiten de bestaande bebouwing bevinden.
12.1.3 Verbod

Het is verboden zonder omgevingsvergunning ondergrondse bouwwerken te realiseren met een ondergrondse bouwdiepte van meer dan 3 meter onder peil.

12.1.4 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning voor het realiseren van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van meer dan 3 meter onder peil, wordt verleend onder de volgende voorwaarden:

  • a. de ondergrondse bouwdiepte bedraagt niet meer dan 6,6 meter onder peil;
  • b. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de archeologische waarden;
  • c. de waterhuishouding wordt niet verstoord;
  • d. de waterwinningen en de grondwaterbescherming wordt niet verstoord;
12.2 Ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. functiegrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.

12.3 Algemene bepaling over bestaande afstanden en andere maten
12.3.1 Maximale maatvoering

Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet of Omgevingswet, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden.

12.3.2 Heroprichting

In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in 12.3.1 uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.

Artikel 13 Algemene aanduidingsregels

13.1 milieuzone - roerdalslenk 2
13.1.1 Verbodsregels

Het is verboden zonder omgevingsvergunning ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - roerdalslenk 2':

  • a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben dieper dan 30 meter beneden het maaiveld;
  • b. de grond te roeren dieper dan 30 meter beneden het maaiveld, of deze handeling toe te laten, of anderszins werken of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de slechtdoorlatende bodemlagen kunnen aantasten;
  • c. een bodemenergiesysteem op te richten, welke dieper reikt dan 30 meter beneden het maaiveld;
  • d. boorputten op te richten wanneer de doorboorde weerstandbiedende lagen en het boorgat, van 0 tot 3 meter beneden het maaiveld, niet worden afgedicht met klei of bentoniet.
13.1.2 Uitzonderingen

De in artikel 13.1.1 gestelde verboden gelden niet voor:

  • a. a. het inrichten van boorputten ten behoeve van het provinciale grondwaterbeheer in het kader van de Omgevingswet;
  • b. het verrichten van bodemonderzoeken die bij of krachtens wet zijn voorgeschreven.
13.1.3 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning voor het realiseren van voorzieningen als bedoeld in 13.1.1, wordt verleend onder de volgende voorwaarden:

  • a. gewaarborgd is dat geen sprake is van nadelige gevolgen voor de grondwaterwinning;
  • b. Gedeputeerde Staten zijn vooraf gehoord.

Artikel 14 Algemene binnenplanse omgevingsplanactiviteiten

14.1 Maatvoering
14.1.1 Verbod

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van de in deze regels genoemde maten, aantallen en percentages.

14.1.2 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning voor het afwijken van de in deze regels genoemde maten, aantallen en percentage wordt verleend voor:

  • a. de in de regels voorgeschreven maatvoering met ten hoogste 10%;
  • b. het toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of –intensiteit daartoe aanleiding geeft;
  • c. het toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  • d. het toestaan dat de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot maximaal 10 meter;
  • e. het toestaan dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot maximaal 40 meter;
  • f. het plaatsen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten op elk gebouw.

met dien verstande dat wordt voldaan aan de beoordelingsregels dat:

  • g. Het straat- en bebouwingsbeeld niet wordt onevenredig aangetast.
  • h. De stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving worden gewaarborgd.
  • i. De gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden niet onevenredig
  • j. worden aangetast.
  • k. Er is geen sprake van milieuhygiënische belemmeringen.
  • l. De brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding zijn gewaarborgd.
  • m. De verkeersveiligheid niet mag in het geding komen.
14.2 Kleine bouwwerken
14.2.1 Verbod

Het is verboden zonder omgevingsvergunning kleine niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut en religieuze doeleinden, zoals abri's, wachthuizen, transformatorhuizen, schakelhuizen, (ondergrondse) afvalcontainers, gemaalgebouwen, telefooncellen, monumenten, kapellen, wegkruizen en naar aard en omvang daarmee gelijk te stellen bouwwerken op te richten, voor zover niet op grond van een andere bepaling van deze planregels een omgevingsvergunning kan worden verleend.

14.2.2 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning voor het oprichten van kleine bouwwerken zals bedoeld in 14.2.1 wordt verleend onder de volgende voorwaarden:

  • a. De oppervlakte per bouwwerk bedraagt niet meer dan 15 m².
  • b. De goothoogte bedraagt niet meer dan 3 meter;
  • c. De bouwwerken passen naar aard en afmetingen in het plan, met dien verstande, dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 10 meter mag bedragen.

Artikel 15 Overige regels

15.1 Regeling omtrent parkeren en laden en lossen
15.1.1 Parkeren

Indien de omvang of de functie van een gebouw, dan wel functievlak, daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of bewoning van het gebouw, dan wel functievlak, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer. Dit alles ter beoordeling van de gemeente, waarbij de gemeente toetst aan het op het moment van het verlenen van een omgevingsvergunning geldende gemeentelijke parkeerbeleid (zijnde thans “Parkeernormen en parkeerbijdrageregeling gemeente Maasgouw”).

15.1.2 Laden en lossen

Indien de functie van een gebouw, dan wel functievlak, aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor laden en lossen van goederen, moet deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw behoort. Dit alles ter beoordeling van de gemeente, waarbij de gemeente toetst aan het op het moment van het verlenen van een omgevingsvergunning geldende gemeentelijke beleid omtrent laden en lossen.

15.1.3 Omgevingsplanactiviteit parkeren en laden en lossen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning niet te voldoen aan het gestelde in artikel 15.1.1 en 15.1.2.

15.1.4 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning voor het op andere wijze invulling geven aan de parkeerbehoefte en het laden en lossen zoals bedoeld in artikel 15.1.1 en 15.1.2 wordt verleend onder de volgende voorwaarden:

  • a. Het voldoen aan die bepalingen stuit door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren.
  • b. Op andere wijze wordt voorzien in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte.

Dit alles ter beoordeling van de gemeente.

15.2 Andere wettelijke regelingen

Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, dienen deze regelingen te worden gelezen, zoals deze luiden op het tijdstip van vaststellen van de omgevingsplanwijziging.

Hoofdstuk 4 Overgangsrecht

Artikel 16 Overgangsrecht

16.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan op de betreffende locatie aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM-omgevingsplan mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
16.2 Overgangsrecht gebruik ten dienste van functie
  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan op de betreffende locatie en dat als gevolg van dit TAM-omgevingsplan in strijd is met de gebruiksregels in hoofdstuk 2 ten 3, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM- omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met de voorheen geldende gebruiksregels voor die locatie in het omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
16.3 Eerbiedigende werking overige activiteiten
  • 1. Zodra een regeling in dit TAM-omgevingsplan een activiteit als vergunningplichtig aanwijst, dan geldt een onherroepelijke vergunning zoals die luidde direct voor die regeling als een omgevingsvergunning voor die activiteit.
  • 2. Op activiteiten anders dan bedoeld in de artikel 16.1 en 16.2 die op het moment van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan krachtens de tot dan geldende wetgeving en voorschriften plaatsvinden, zijn de bepalingen van dit TAM-omgevingsplan direct van toepassing.