Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Oliestraat 10a in Maasbracht
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1641.BPL086-VG01
1 Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen
 
In deze regels wordt verstaan onder:
 
1.1 plan:
het bestemmingsplan
“Oliestraat 10a in Maasbracht” van de gemeente Maasgouw. 
1.2 bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1641.BPL086-VG01
met de bijbehorende regels en bijlagen.
 
1.3 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de
regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
 
1.4 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
 
1.5 aan huis gebonden beroep:
de uitoefening van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch,
medisch, paramedisch, therapeutisch, kunstzinnig, vastgesteld technisch of hiermee gelijkstellend gebied
dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen met behoud van de
woonfunctie kan worden uitgeoefend door de feitelijke hoofdbewoner van de woning. Hieronder
dienen in ieder geval niet te worden begrepen de uitoefening van ambachten en detailhandel.
 
1.6 achtergevellijn:
denkbeeldige lijn die strak loopt langs de achtergevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen.
 
1.7 afhankelijke woonruimte:
een onderdeel van het hoofdgebouw of (aangebouwd) bijgebouw waarin een gedeelte van de voor
mantelzorg of inwonende ouders bedoelde huishouding is gehuisvest.
 
1.8 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
 
1.9 bebouwingspercentage:
een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het bouwperceel dan wel bouwvlak,
zoals bepaald in de regels, aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd.
 
1.10 bed & breakfast:
het bedrijfsmatig en op kleine schaal tegen betaling aanbieden van logies/overnachting in een
daarvoor geschikte woning (hoofd- of bijgebouw) gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een
toeristisch en kortdurend verblijf met ontbijtmogelijkheid. Deze voorziening is nadrukkelijk niet bedoeld
voor het laten overnachten van tijdelijke arbeiders of seizoensarbeiders.
 
1.11 bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak.
 
1.12 bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
 
1.13 bijbehorend bouwwerk:
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend
hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk
met een dak.
 1.14 bijgebouw:
een gebouw dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen
hoofdgebouw en dat ten dienste staat van dat hoofdgebouw.
 
1.15 bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een
bouwwerk.
 
1.16 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak.
 
1.17 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende
bebouwing is toegelaten.
 
1.18 bouwperceelgrens:
een grens van een bouwperceel.
 
1.19 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde
gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
 
1.20 bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij
indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
 
1.21 consumentverzorgende ambachtelijke bedrijfsactiviteiten:
het beroepsmatig uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid gericht op consumentverzorging geheel
of overwegend door middel van handwerk en waarbij de omvang van de activiteiten in een woning en
de daarbij behorende bijgebouwen zodanig is dat de woonfunctie in overwegende mate wordt
gehandhaafd en uitsluitend door de feitelijke hoofdbewoner van de woning wordt uitgeoefend.
Hieronder dienen in ieder geval niet te worden begrepen de uitoefening van detailhandel (behoudens
beperkte verkoop in het klein in het kader van het uitgeoefende beroep) alsmede prostitutie,
seksinrichting en escortbedrijf.
 
1.22 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en het
leveren van goederen aan personen die de goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of
aanwending anders dan ten behoeve van de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
 
1.23 evenement:
een voor het publiek toegankelijke verrichting van het vermaak op het gebied van sport, muziek,
kunst, hobby, tuin, vrije tijd en sociaal-cultureel vlak.
 
1.24 gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden
omsloten ruimte vormt.
 
1.25 hoofdgebouw:
een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de
geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het
perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.
 
1.26 horeca:
het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig
exploiteren van zaalaccommodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf.
 
1.27 maaiveld:
de bovenkant van een afgewerkt terrein dat een gebouw c.q. bouwwerk omgeeft.
 
1.28 mantelzorg:
het bieden van zorg aan een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en / of sociale
vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband.
 
1.29 nutsvoorziening:
voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het
telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer.
 
1.30 overkapping
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, omsloten door maximaal één wand en voorzien van een gesloten
dak, waaronder begrepen een carport.
 
1.31 overig bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de
aarde is verbonden.
 
1.32 peil:
  • voor gebouwen, waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.
      
    1.33 prostitutie:
    het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
    vergoeding, waaronder in ieder geval begrepen prostitutiebedrijf en raamprostitutie.
     
    1.34 voorgevelrooilijn:
    denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen.
     
    1.35 voortuin:
    tuin gelegen tussen de voorgevel van een hoofdgebouw en de openbare ruimte.
     
    1.36 voorzieningen van algemeen nut:
    voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer,
    het openbaar vervoer en/of het wegverkeer, riolering, straatvoorzieningen
    waaronder voorzieningen voor afvalstoffen en straatmeubilair.
     
    1.37 wet/wettelijke regelingen:
    indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar wettelijke regelingen c.q. verordeningen e.d.,
    dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luiden op het tijdstip van de terinzagelegging
    van het vastgesteldplan, tenzij anders bepaald.
     
    1.38 wonen:
    het houden van verblijf, het hebben - huren hieronder mede begrepen - van kamers of het gehuisvest
    zijn in een huis, evenwel met uitzondering van bewoning met een overwegend verzorgend karakter.
     
    1.39 woning:
    een (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor het huisvesten van één huishouden.
     
    1.40 zonnecollector:
    een bouwwerk ten behoeve van de opvang van zonne-energie.
  • Artikel 2 Wijze van meten
     
    Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
     
    2.1 de dakhelling
    langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
     
    2.2 de goothoogte van een bouwwerk
    vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk
    te stellen constructiedeel;
     
    2.3 de inhoud van een bouwwerk
    tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de
    scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
     
    2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk
    vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde,
    met uitzondering van onderschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard
    daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
     
    2.5 de oppervlakte van een bouwwerk
    tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts
    geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het
    bouwwerk;
     
    2.6 afstand tot de bouwperceelsgrens
    tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het
    kortst is;
     
    2.7 ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk
    vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
    2 Bestemmingsregels
    Artikel 3 Wonen
     
    3.1 Bestemmingsomschrijving
     
    De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
    1. wonen;
    2. tuinen en erven;
    3. parkeervoorzieningen;
    4. (ondergrondse) waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen;
    5. voorzieningen van algemeen nut;
    6. groenvoorzieningen;
    7. voet- en fietspaden;
    8. speelvoorzieningen.
    3.2 Bouwregels
     
    3.2.1 Algemeen
    Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende bepalingen:
    1. gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
    2. het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan 50% van het bouwperceel.
    3.2.2 Hoofdgebouwen
    Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:
    1. het aantal woningen per bouwperceel mag niet toenemen;
    2. in afwijking van het bepaalde onder a. mag het aantal woningen ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' toenemen tot en met het genoemde aantal;
    3. de woning mag uitsluitend binnen het bouwvlak opgericht worden;
    4. de voorgevel van een hoofdgebouw dient te worden gebouwd in dan wel maximaal 3 meter uit de naar de weg gekeerde bouwgrens;
    5. de maximale diepte van een hoofdgebouw bedraagt 15 meter bij vrijstaande woningen;
    6. de afstand tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt bij vrijstaande woningen minimaal 3 meter aan beide zijden;
    7. de goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouw- en goothoogte' is aangegeven.
    3.2.3 Bijgebouwen en overkappingen
    Voor het bouwen van bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende bepalingen:
    1. de maximale goothoogte bedraagt 3,30 meter;
    2. de maximale bouwhoogte bedraagt 5,50 meter;
    3. de maximale gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen bedraagt:
    totale oppervlakte per bouwperceel
    maximaal gezamenlijke oppervlakte
    tot 250 m2
    70 m2
    van 250 tot 500 m2
    80 m2
    van 500 tot 750 m2
    90 m2
    van 750 tot 1000 m2
    100 m2
    van 1000 m2 en meer
    130 m2
     
    3.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
    Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen:
    1. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 meter, met dien verstande dat de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen voor zover gelegen vóór de naar de weg gekeerde gevel maximaal 1 meter mag bedragen;
    2. de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt 3 meter, met uitzondering van openbare verlichting en vlaggenmasten, die een maximale bouwhoogte hebben van 8 meter.
    3.3 Nadere eisen
     
    Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de
    bebouwing:
    1. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
    2. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
    3. ter waarborging van de verkeersveiligheid;
    4. ter waarborging van de sociale veiligheid;
    5. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding.
    3.4 Afwijken van de bouwregels
     
    Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefklimaat kan met een omgevingsvergunning
    worden afgeweken van het bepaalde in 3.2.1 sub a voor het overschrijden van de naar de
    weg gekeerde bouwgrens ten behoeve van de bouw van portalen, entrees en erkers, mits de
    oppervlakte niet meer dan 6 m² bedraagt, de hoogte maximaal 3 meter bedraagt en de belangen van
    derden niet onevenredig worden geschaad.
     
    3.5 Specifieke gebruiksregels
     
    3.5.1 Aan huis gebonden beroepen
    De uitoefening van aan huis gebonden beroepen in woningen, is uitsluitend toegestaan onder de
    volgende voorwaarden:
    1. de woonfunctie blijft in overwegende mate gehandhaafd;
    2. er ontstaan geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woonmilieu;
    3. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het karakter van de woning en de woonomgeving;
    4. de parkeerbalans in de directe woonomgeving wordt niet onevenredig nadelig beïnvloed;
    5. het oppervlak dat voor de uitoefening van het aan huis gebonden beroep wordt gebruikt, bedraagt niet meer dan 35 m²;
    6. de uitoefening van huis gebonden beroepen is alleen toegestaan in de tussen de voor- en achtergevellijn gelegen bebouwing;
    3.5.2 Strijdig gebruik
    Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor:
    1. afhankelijke woonruimte;
    2. permanente of tijdelijke bewoning, voor zover het vrijstaande bijgebouwen betreft;
    3. een aan huis gebonden beroep in gebouwen gelegen achter de achtergevellijn;
    4. consumentverzorgende ambachtelijke bedrijfsactiviteiten;
    5. kamerbewoning;
    6. erotisch getinte bedrijven en prostitutie;
    7. detailhandel;
    8. horeca;
    9. opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
    10. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
    11. parkeren in de voortuin.
    3.6 Afwijken van de gebruiksregels
     
    3.6.1 Aan huis gebonden beroepen in gebouwen gelegen achter de achtergevellijn
    Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woonmilieu ter plaatse, de ruimtelijke kwaliteit
    en het stedenbouwkundig beeld ter plaatse kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken
    van het bepaalde in 3.5.2 sub c voor de uitoefening van een aan huis gebonden beroep in gebouwen
    gelegen achter de achtergevellijn, onder de volgende voorwaarden:
    1. het oppervlak van de aanwezige bebouwing gelegen achter de achtergevellijn, dat gebruikt wordt voor de uitoefening van aan huis gebonden beroepen, bedraagt niet meer dan 35 m²;
    2. de parkeerbalans in de directe woonomgeving wordt niet onevenredig nadelig beïnvloed;
    3. de belangen van derden worden niet onevenredig geschaad;
    3.6.2 Consumentverzorgende ambachtelijke bedrijfsactiviteiten
    Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woonkarakter van de woning en de
    woonomgeving kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in 3.5.2 sub
    d voor de uitoefening van consumentverzorgende ambachtelijke bedrijfsactiviteiten, onder de
    volgende voorwaarden:
    1. de woonfunctie blijft in overwegende mate gehandhaafd;
    2. het vloeroppervlak van de aanwezige bebouwing dat voor de uitoefening van consumentverzorgende ambachtelijke bedrijfsactiviteiten wordt gebruikt, bedraagt niet meer dan 35m²;
    3. de parkeerbalans in de directe woonomgeving wordt niet onevenredig nadelig beïnvloed;
    4. detailhandel is alleen toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit;
    5. de belangen van derden worden niet onevenredig geschaad;
    6. er ontstaan geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woonmilieu ter plaatse;
    7. aan de ruimtelijke kwaliteit en het stedenbouwkundig beeld ter plaatse wordt geen afbreuk gedaan;
    3.6.3 Mantelzorg
    Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van omwonende en bedrijven kan
    met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in 3.5.2 sub a, sub b en sub e
    voor het gebruik van een deel van het hoofdgebouw of bijgebouwen bij een woning als afhankelijke
    woonruimte (inwoning), met dien verstande dat:
    1. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit het oogpunt van mantelzorg;
    2. op het perceel al een woning aanwezig is;
    3. per woning maximaal één omgevingsvergunning ten behoeve van inwoning voor mantelzorg mag worden verleend;
    4. inwoning in beginsel dient plaats te vinden bij, in of direct aansluitend aan de woning, waarbij de afhankelijke woonruimte een onderlinge verbinding met de woning dient te hebben; het gebruik van een vrijstaand bijgebouw als afhankelijke woonruimte is uitsluitend toegestaan indien realisering van de inwoning in of aan het hoofdgebouw voor de inwoner of andere bewoner(s) onredelijk bezwarend is;
    5. maximaal 75 m² van hoofdgebouw en/of bijgebouwen mag worden gebruikt ten behoeve van de inwoning.
    3.6.4 Parkeren in de voortuin
    Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefklimaat kan met een
    omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in 3.5.2 sub k voor het gebruik van de
    voortuin voor parkeren, met dien verstande dat:
    1. de afstand tussen de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw en het openbaar gebied minimaal 6 meter bedraagt;
    2. het gebruik als parkeerplaats de verkeersveiligheid niet in gevaar brengt
    3.7. Wijzigingsbevoegdheid
     
    Burgemeester en wethouders kunnen de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' verwijderen,
    waarbij de bestemming ‘Wonen’ wordt gehandhaafd, met dien verstande dat deze wijziging uitsluitend
    mag plaatsvinden, indien:
    1. binnen 78 weken na inwerkingtreding van het bestemmingsplan geen omgevingsvergunningaanvraag is ingediend voor het bouwen/oprichten van een woning, of
    2. indien binnen 104 weken na inwerkingtreding van het bestemmingsplan geen woning is gebouwd/opgericht dan wel op dat moment in aanbouw is/in oprichting is.
    3 Algemene regels
     
    Artikel 4 Anti-dubbeltelregel
     
    Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering
    is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten
    beschouwing.
    Artikel 5 Algemene bouwregels
     
    5.1 Algemene bepaling m.b.t. ondergronds bouwen
     
    5.1.1 Ondergrondse werken
    Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden,
    behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen.
     
    5.1.2 Ondergrondse bouwwerken
    Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen
    afwijkingen, de volgende bepalingen:
    1. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 3 meter onder peil;
    2. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, met uitzondering van rioolwaterbuffers en grafkelders die ook buiten het bouwvlak mogen worden opgericht
    3. zowel onder bestaande bebouwing als buiten bestaande bebouwing zijn ondergrondse bouwwerken toegestaan, evenwel met inachtname van het gestelde onder 5.1.2 sub b;
    4. in aanvulling op het bepaalde sub a en b is maximaal 1 niet - overdekt zwembad per bouwperceel toegestaan onder de volgende voorwaarden:
      • het zwembad dient te worden gebouwd achter de achtergevel of het verlengde daarvan en op een afstand van ten minste 3 meter van zijdelingse en achterste perceelsgrens;
      • het zwembad mag niet overdekt zijn, tenzij de regeling voor bijgebouwen als bedoeld in (artikel bijgebouwen regeling woonbestemming) in acht wordt genomen;
      • het zwembad mag uitsluitend voor hobbymatig gebruik worden benut;
    5. bij het berekenen van de blijkens de digitale verbeelding of deze regels geldende bebouwingspercentages, of van het in deze regels maximaal te bebouwen oppervlak, wordt de oppervlakte van ondergrondse gebouwen uitsluitend mede in aanmerking genomen als de ondergrondse bouwwerken zich buiten de bestaande bebouwing bevinden.
    5.1.3 Afwijken van de bouwregels
    Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning af laten wijken van het bepaalde in 5.1.2 sub
    a voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal
    6,6 meter onder peil onder de voorwaarde dat:
    1. de waterhuishouding niet wordt verstoord;
    2. de waterwinningen en de grondwaterbescherming niet wordt verstoord;
    3. geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden.
    5.2 Ondergeschikte bouwdelen
     
    Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen,
    als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en
    kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de
    overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.
     
    5.3 Algemene bepaling over bestaande afstanden en andere maten
     
    5.3.1 Maximale maatvoering
    Indien afstanden tot, goot en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande
    bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, op
    het tijdstip van de terinzagelegging van het vastgesteld van het plan meer bedragen dan ingevolge
    hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar
    worden aangehouden.
     
    5.3.2 Minimale maatvoering
    In die gevallen dat afstanden tot, goot en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van
    bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de
    Woningwet, op het tijdstip van de terinzagelegging van het vastgesteld van het plan minder bedragen dan
    ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal
    toelaatbaar worden aangehouden.
     
    5.3.3 Heroprichting
    In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in 5.3.1 en 5.3.2 uitsluitend van
    toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.
    Artikel 6 Algemene gebruiksregels
     
    Het is verboden de in de artikel 3 bedoelde gronden en bouwwerken te gebruiken en/of te doen en/of
    laten gebruiken en/of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond
    gegeven bestemming, zoals die nader is aangeduid in de bestemmingsomschrijving.
    Artikel 7 Algemene aanduidingsregels
     
    7.1 geluidzone – industrie
     
    7.1.1 Bouwregels
    Ten aanzien van de aanduiding 'geluidzone - industrie' geldt dat nieuwe geluidsgevoelige objecten
    niet mogen worden gerealiseerd vanwege een hoge geluidbelasting vanwege industrielawaai.
     
    7.1.2 Afwijken van de bouwregels
    Mits de geluidbelasting vanwege het industrielawaai op de gevels van geluidgevoelige gebouwen
    en/of functies niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een door
    burgemeester en wethouders verleende hogere grenswaarde, kan het bevoegd gezag met een
    omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.1.1 en toestaan dat nieuwe geluidgevoelige
    objecten worden gebouwd dan wel functies worden toegestaan.
     
    7.2 milieuzone - roerdalslenk 2
     
    7.2.1 Verbodsregels
    Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - roerdalslenk 2' is het niet toegestaan om:
    1. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben dieper dan 30 meter beneden het maaiveld;
    2. de grond te roeren dieper dan 30 meter beneden het maaiveld, of deze handeling toe te laten, of anderszins werken of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de slechtdoorlatende bodemlagen kunnen aantasten;
    3. een bodemenergiesysteem op te richten, welke dieper reikt dan 30 meter beneden het maaiveld;
    4. boorputten op te richten wanneer de doorboorde weerstandbiedende lagen en het boorgat, van 0 tot 3 meter beneden het maaiveld, niet worden afgedicht met klei of bentoniet.
    7.2.2 Uitzonderingen
    De in artikel 7.2.1 onder a. en b. gestelde verboden gelden niet voor:
    1. het inrichten van boorputten ten behoeve van het provinciale grondwaterbeheer in het kader van de Wet bodembescherming en de Waterwet;
    2. het verrichten van bodemonderzoeken die bij of krachtens wet zijn voorgeschreven.
    7.2.3 Afwijken van de verbodsregels
    Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel
    7.2.1 onder a. en b. als gewaarborgd is dat geen sprake is van nadelige gevolgen voor de
    grondwaterwinning en met dien verstande dat de omgevingsvergunning alleen kan worden verleend
    wanneer Gedeputeerde Staten vooraf gehoord is.
    Artikel 8 Algemene afwijkingsregels
     
    8.1 Algemene afwijkingsregels
     
    Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning toestemming verlenen voor het afwijken
    van:
    1. de in de regels voorgeschreven maatvoering met ten hoogste 10%;
    2. de bestemmingsbepalingen en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of  – intensiteit daartoe aanleiding geeft;
    3. de bestemmingsbepalingen en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
    4. de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot maximaal 10 meter;
    5. de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de hoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot maximaal 40 meter, onder de volgende voorwaarden. Losse masten met of zonder hekwerken, gebouwen e.d. zijn alleen toegestaan:
      1. buiten de bebouwde kom en in landschappelijk minder gevoelige gebieden, langs grote verkeerswegen en dan bij voorkeur bij parkeerplaatsen, benzinestations, knooppunten, viaducten, bedrijventerreinen en horecagelegenheden;
      2. binnen de bebouwde kom op bedrijventerreinen en sportparken;
    6. de bestemmingsbepalingen voor het plaatsen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten op elk gebouw, met uitzondering van de gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden'.
    8.2 Bed & Breakfast
     
    Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woonkarakter van de wijk of buurt kan met een
    omgevingsvergunning worden afgeweken van de woonfunctie ten behoeve van een Bed & Breakfast
    mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
    1. de woonfunctie als hoofdfunctie behouden blijft;
    2. bedoeld gebruik geen hinder voor het woonmilieu mag opleveren;
    3. bedoeld gebruik geen belemmering voor de omliggende bedrijven mag opleveren;
    4. het gebruik naar de aard met het woonkarakter van de omgeving in overeenstemming moet zijn;
    5. het gebruik de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in het hoofdgebouw of bijgebouw uitvoert, tevens de gebruiker van het hoofdgebouw is;
    6. er mag geen duurzame ontwrichting van de evenwichtige opbouw van de voorzieningenstructuur ontstaan;
    7. het niet zodanig verkeersaantrekkende activiteiten betreft die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van verkeer;
    8. er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
    9. de bed & breakfast-voorziening dient in bestaande bebouwing te worden gerealiseerd;
    10. maximaal 40% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw en de daarbij behorende bijgebouwen mogen ten behoeve van een bed & breakfast in gebruik zijn, zulks met een absoluut maximum van 60 m²;
    11. de omgevingsvergunning uitsluitend bij een woonfunctie wordt verleend.
    8.3 Evenement
     
    Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefklimaat kan met een
    omgevingsvergunning worden afgeweken van het van de gronden en bouwwerken voor het houden
    van een evenement, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
    1. voor het plangebied van het bestemmingsplan mag niet meer dan 8 maal per jaar een omgevingsvergunning ten behoeve van een evenement worden verleend;
    2. de maximale duur van een evenement bedraagt 16 aaneengesloten dagen, met uitzondering van 2 maal 22 aaneengesloten dagen;
    3. voor een evenement dient een evenementenvergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening verleend te zijn;
    4. er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid;
    5. de ontsluiting en bereikbaarheid van het evenemententerrein moet zijn afgestemd op de grootte en het type van het evenement;
    6. de waarde van de onderliggende en omringende bestemmingen als gevolg van de omgevingsvergunning niet onevenredig worden aangetast.
    8.4 Kleine bouwwerken
     
    Indien niet op grond van een andere bepaling van deze planregels een omgevingsvergunning kan
    worden verleend, kan een omgevingsvergunning worden verleend voor:
    Het bouwen van kleine niet voor bewoning bestemde bouwwerken van algemeen nut en religieuze
    doeleinden, zoals abri's, wachthuizen, transformatorhuizen, schakelhuizen, (ondergrondse)
    afvalcontainers, gemaalgebouwen, telefooncellen, monumenten, kapellen, wegkruizen en naar aard
    en omvang daarmee gelijk te stellen bouwwerken, mits:
    1. de oppervlakte per bouwwerk niet meer bedraagt dan 15 m²;
    2. de goothoogte niet meer bedraagt dan 3 meter;
    3. de bouwwerken naar aard en afmetingen passen in het plan, met dien verstande, dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer dan 10 meter mag bedragen;
    4. wanneer het betreft gronden gelegen binnen de bestemming 'Waterstaat - Waterbergend rivierbed' en/of 'Waterstaat - Waterlopen', het bepaalde in de desbetreffende artikelen in acht wordt genomen.
    8.5 Afwijken ter voorkoming beperking meest doelmatige gebruik
     
    Van de planregels wordt afgeweken indien strikte toepassing leidt tot een beperking van het meest
    doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.
    Artikel 9 Algemene wijzigingsregels
     
    Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten
    behoeve van:
    1. overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijding mag echter niet meer bedragen dan 3 meter en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot;
    2. overschrijding van bestemmingsgrenzen en toestaan dat het beloop van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of  – intensiteit daartoe aanleiding geeft. De overschrijding mag echter niet meer bedragen dan 3 meter en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot;
    3. het wijzigen van de lijst van bedrijfsactiviteiten, indien technologische ontwikkelingen of vernieuwde inzichten hiertoe aanleiding geven;
    4. het aanpassen van opgenomen bepalingen in de voorafgaande artikelen, waarbij verwezen wordt naar bepalingen in wettelijke regelingen, indien deze wettelijke regelingen na het tijdstip van de terinzagelegging van het vastgesteldplan worden gewijzigd.
    Artikel 10 Algemene procedureregels
     
    10.1 Omgevingsvergunning
     
    Bij het verlenen van een omgevingsvergunning, die onderdeel uitmaakt van dit plan, is de procedure
    als vervat in Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing.
     
    10.2 Wijzigingsbevoegdheid
     
    Bij toepassing van een wijzigingsbevoegdheid, die onderdeel uitmaakt van dit plan, is op de
    voorbereiding van het besluit de procedure als bedoeld in de afdeling 3.4. van de Algemene wet
    bestuursrecht, van toepassing.
     
    10.3 Nadere eisen
     
    Bij toepassing van de nadere eisen regeling, die onderdeel uitmaakt van dit plan, worden de
    navolgende procedureregels in acht genomen:
    1. het vastgesteldbesluit tot het stellen van nadere eisen ligt met bijbehorende stukken gedurende 2 weken ter inzage;
    2. burgemeester en wethouders maken de onder a. bedoelde terinzagelegging tevoren in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen, die in de gemeente worden verspreid, alsmede op de gebruikelijke wijze bekend;
    3. de bekendmaking houdt mededeling in van de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen;
    4. gedurende de onder a. genoemde termijn kunnen belanghebbenden bij burgemeester en wethouders schriftelijke zienswijzen indienen tegen het vastgesteldbesluit.
    Artikel 11 Overige regels
     
    11.1 Dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen onderling
     
    Voor zover de in deze regels opgenomen dubbelbestemmingen en/of gebiedsaanduidingen geheel of
    gedeeltelijk samenvallen, gelden:
    1. in de eerste plaats de regels van “geluidzone – industrie”;
    2. in de tweede plaats de regels van “milieuzone - roerdalslenk 2”.'
    11.2 Regeling omtrent parkeren en laden en lossen
     
    11.2.1 Parkeren
    Indien de omvang of de bestemming van een gebouw, dan wel bestemmingsvlak, daartoe aanleiding
    geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn
    aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat
    gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of bewoning van het
    gebouw, dan wel bestemmingsvlak, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele
    bereikbaarheid per openbaar vervoer. Dit alles ter beoordeling van de gemeente, waarbij de
    gemeente toetst aan het op het moment van het verlenen van een omgevingsvergunning geldende
    gemeentelijke parkeerbeleid (zijnde thans “Parkeernormen en parkeerbijdrageregeling gemeente
    Maasgouw”).
     
    11.2.2 Laden en Lossen
    Indien de bestemming van een gebouw, dan wel bestemmingsvlak, aanleiding geeft tot een te
    verwachten behoefte aan ruimte voor laden en lossen van goederen, moet deze behoefte in
    voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde
    terrein dat bij het gebouw behoort. Dit alles ter beoordeling van de gemeente, waarbij de gemeente
    toetst aan het op het moment van het verlenen van een omgevingsvergunning geldende
    gemeentelijke beleid omtrent laden en lossen.
     
    11.2.3 Omgevingsvergunning
    Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in artikel
    11.2.1 en 11.2.2:
    1. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
    2. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.
    Dit alles ter beoordeling van de gemeente.
     
    11.3 Andere wettelijke regelingen
     
    Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, dienen deze
    regelingen te worden gelezen, zoals deze luiden op het tijdstip van ter inzage leggen van het
    vastgesteldplan.
     
    11.4 Strafbepaling
     
    Overtreding van het bepaalde in artikel 6 is een economisch delict in de zin van artikel 1a, sub 2° van
    de Wet op de economische delicten en als zodanig strafbaar op grond van deze wet.
    4 Overgangs- en slotregels
    Artikel 12 Overgangsrecht
     
    12.1 Overgangsrecht bouwwerken
     
    12.1.1
    Een bouwwerk, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of
    in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het
    plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
    12.1.2
    Het bevoegd gezag kan in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning
    verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het
    eerste lid met maximaal 10%.
     
    12.1.3
    Het bepaalde onder 12.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op
    het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met
    het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
     
    12.2 Algemeen overgangsrecht gebruik
     
    12.2.1
    Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het
    bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
     
    12.2.2
    Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde in
    12.2.1 te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze
    verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
     
    12.2.3
    Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder 12.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding
    van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik
    daarna te hervatten of te laten hervatten.
     
    12.2.4
    Het bepaalde onder 12.2.1 is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met
    het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
     
    12.3 Hardheidsclausule
     
    Voor zover toepassing van het overgangsrecht gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende
    aard voor een of meer natuurlijke personen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het
    bestemmingsplan grond en opstallen gebruiken in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan
    kan het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van die persoon of personen van dat
    overgangsrecht ontheffing verlenen.
    Artikel 13 Slotregel
     
    Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan “Oliestraat 10a in Maasbracht”.
     
    Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van......................
     
    De voorzitter,
     
    De griffier,