Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de
omgeving vanwege:
- het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen door bedrijven (inrichtingen);
- het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, waterwegen, spoorwegen en buisleidingen);
- het gebruik van luchthavens;
- het gebruik van windturbines.
Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste
toetsingskader. Hierin zijn bijvoorbeeld grenswaarden, richtwaarden en oriënterende waarden
opgenomen voor het zogenaamde plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Daarnaast is er
specifieke wetgeving voor de opslag van vuurwerk en munitie. Voor transport van gevaarlijke stoffen
is met name de Wet vervoer gevaarlijke stoffen relevant. Op 1 april 2015 is het Besluit externe
veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden, waarmee het verplicht is geworden
transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd, vast te leggen in het
bestemmingsplan. Verder is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van belang (Bevb). Voor
luchthavens geldt specifiek beleid, dat deels nog in ontwikkeling is. De regels over externe veiligheid
en windturbines zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. De laatste twee onderdelen zijn niet
relevant voor dit bestemmingsplan.
Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet getoetst worden aan het externe veiligheidsbeleid. In
ruimtelijke plannen moet worden ingegaan op de risico’s in het projectgebied ten gevolge van
handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven,
te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te
overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in
risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans
van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.
Groepsrisico
Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te
overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie
van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in
een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000
personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als
ijkpunt in de verantwoording (géén norm).
Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet
verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in
de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere
kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico.
(Beperkt) kwetsbare objecten
Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij
een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten
zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants, zoals bedoeld in artikel 1 van het
Besluit externe veiligheid inrichtingen.
Risicovolle activiteiten
In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van
risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle
activiteiten worden toegestaan.

Plangebied
Uit de Risicokaart blijkt dat de Napoleonsweg N273 is aangewezen als hoofdtransportroute. Gezien
de vervoersbewegingen met verschillende gevaarlijke stoffen bedraagt de plaatsgebonden 10-6
risicocontour 0 meter. Voor het groepsrisico geldt als overschrijdingsfactor oriëntatiewaarde < 0,1
maal de oriënterende waarde.
De risico’s als gevolg van het wegverkeer op de Napoleonsweg reiken dan ook niet verder dan de
weg zelf.
Op ruim 500 meter ten oosten van het plangebied loopt een ondergrondse leiding van de Gasunie.
Gezien de grote afstand en het feit dat in het plangebied geen gevoelige functie wordt toegevoegd
is een nadere toetsing niet noodzakelijk.
De risicokaart benoemt in de omgeving van het plangebied geen inrichtingen die een negatieve
invloed op het aspect ‘externe veiligheid’ hebben.
Voor de leverancier van autobanden, ten zuiden van het plangebied, is bekend dat de provincie het
bevoegd gezag is voor dit bedrijf. In het kader van brandveiligheid heeft de provincie voorwaarden
gesteld aan de opslag van banden. De opslag dient plaats te vinden in verschillende
compartimenten, om de impact bij eventuele brand te beperken. Op het terrein zijn met
zogenaamde legioblocken, dan ook ‘vakken’ gemaakt. Door toepassing van deze blocken wordt
branddoorslag en brandoverslag voorkomen.
Onder de overige thema’s van de Risicokaart worden geen risicobronnen benoemd.
Nu er geen significante risicobronnen in de omgeving aanwezig zijn en het aantal gevoelige functies
niet toe- maar afneemt (verdwijnen maatschappelijke functie) kan worden geconcludeerd dat het
aspect ‘externe veiligheid’ geen beperkingen oplegt aan de bestemmingswijziging.
Advies Veiligheidsregio Limburg-Noord
Het plan is ter advisering voorgelegd aan de Veiligheidsregio Limburg-Noord (VRLN). Zij heeft per
brief van 11 december 2020 (onderwerp: ‘Advies inzake verantwoording GR bij
bestemmingsplanwijziging, kenmerk 2020-002937. Bijlage 5) gereageerd op het voornemen om de
bestemming te wijzigen in ‘Wonen’.
In de brief wordt opgemerkt dat het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de Provinciale
weg N273 (Napoleonsweg). Het groepsrisico overschrijdt de oriëntatiewaarde en de 10% van de
oriëntatiewaarde niet. Zodoende kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het
groepsrisico, aldus de VRLN.
Verantwoording:
Door de functiewijziging worden de gebruiksmogelijkheden en daarmee het aantal aanwezige
personen ingeperkt. Dit vertaalt zich in een positief effect op het groepsrisico en het potentieel
aantal slachtoffers (afname aantal potentiële slachtoffers).
In het kader van de verantwoording zijn drie scenario’s maatgevend:
- Optreden van een koude of een warme BLEVE (kokende vloeistof-gasexpansie-explosie) op de N273;
- Ontstaan van een plasbrand op de N273;
- Vrijkomen van toxische stoffen op de N273.
Gezien deze scenario’s geldt de volgende afweging en advies:
Zelfredzaamheid
Personen in de woonfunctie zijn naar verwachting overwegend zelfredzaam. De personen in het
plangebied kunnen schuilen in hun eigen woning, indien dit gebouw voldoende bescherming biedt.
Er zijn daarnaast voldoende vluchtmogelijkheden aanwezig om bij een incident van de risicobron af
te kunnen vluchten.
Advies VRLN
- De toekomstige bewoners moeten kennis hebben van de gevaren van de externe veiligheid scenario’s en weten wat te doen bij het optreden van deze scenario’s. Hierdoor kan het juiste handelingsperspectief gekozen worden, namelijk schuilen of vluchten. Bij de verkoop van de woning dient aan de toekomstige bewoners de voorgestelde handelingsperspectieven te worden meegegeven.
- Indien de woning is voorzien van mechanische ventilatie, wordt geadviseerd om deze installatie te voorzien van een centrale voorziening (gemakkelijk te bereiken; bijvoorbeeld in de meterkast) om de ventilatie te kunnen uitschakelen bij een toxische scenario, zodat men in het gebouw veilig kan schuilen.
Conclusie
De beoogde bestemmingswijziging leidt tot afname van het groepsrisico. Personen in de woning
worden geacht voldoende zelfredzaam te zijn bij een incident. Met het opnemen van deze
paragraaf in de toelichting van het bestemmingsplan zijn toekomstige bewoners op de hoogte van
de handelingsperspectieven. In de woning is geen centrale mechanische ventilatie aanwezig,
waardoor het tweede deel van het advies niet van toepassing is.
Het aspect externe veiligheid leidt niet tot beperkingen voor de voorgenomen functiewijziging.