direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Thoorderstraat ong. Grathem
Status: vastgesteld
Plantype: uitwerkingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1640.UP21GrThoorderstr-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het voornemen bestaat om op een gedeelte van het perceel aan de Thoorderstraat in Grathem, kadastraal bekend als Grathem, sectie D, nr. 379, één woning te realiseren. In het op 14 november 2017 vastgestelde bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017' is voor het plangebied aan de Thoorderstraat de bestemming 'Wonen - Uit te werken' opgenomen, aangezien destijds de ontwikkeling nog niet voldoende uitgekristalliseerd was. Met het opnemen van een uit te werken bestemming, bestaat er voor het college van burgemeester en wethouders een uitwerkingsplicht om binnen de planperiode van het moederplan, een uitwerkingsplan op te stellen. Middels het voorliggende uitwerkingsplan wordt hieraan invulling gegeven.

1.2 Ligging en grens plangebied

Het plangebied, waarvan de globale ligging is weergegeven op de onderstaande topografische kaart, ligt aan de zuidkant van de Thoorderstraat, ten zuiden van de kern Grathem.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.UP21GrThoorderstr-VG01_0001.png"

Afbeelding 1. Topografische kaart met de globale ligging van het plangebied aangeduid met een blauwe pijl.

De exacte begrenzing van het plangebied is weergegeven op de onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.UP21GrThoorderstr-VG01_0002.png"

Afbeelding 2. Kadastrale kaart met rood omlijnd de begrenzing van het plangebied.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017', vastgesteld door de gemeenteraad van Leudal op 14 november 2017. Binnen dit bestemmingsplan geldt voor het plangebied de bestemming 'Wonen - Uit te werken'. Binnen deze uit te werken bestemming is de bouwaanduiding 'vrijstaand' opgenomen en is tevens de maatvoeringsaanduiding 'maximum aantal wooneenheden' opgenomen op basis waarvan maximaal één woning is toegestaan.

Ter hoogte van het plangebied geldt tevens de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. In deze bestemming is een ondergrens opgenomen van 1.000 m² oppervlakteverstoring in combinatie met minimaal 40 cm diepteverstoring.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.UP21GrThoorderstr-VG01_0003.png"

Afbeelding 3. Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017'.

In artikel 24 van het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017' is opgenomen dat burgemeester en wethouders de bestemming met inachtneming van de volgende regels uitwerken:

  • a. het aantal nieuwe woningen bedraagt niet meer dan aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden';
  • b. de behoefte aan realisering van de nieuwe woningen moet worden aangetoond;
  • c. de 'Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021' dient in acht te worden genomen, met dien verstande dat, indien deze gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging;
  • d. de maximale goothoogte bedraagt niet meer dan 7 meter;
  • e. de maximale bouwhoogte bedraagt niet meer dan 10 meter;
  • f. het gebruik als wonen vanuit milieuhygiënisch oogpunt dient aanvaardbaar te zijn;
  • g. er dient sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat;
  • h. de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten zal niet hoger zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde;
  • i. het stedenbouwkundig beeld dient niet onevenredig te worden aangetast;
  • j. er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein, een en ander overeenkomstig het bepaalde in artikel 43.1. Indien niet op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien, dient te worden aangetoond dat elders in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien.
  • k. de natuurlijke waarden dienen niet onevenredig worden aangetast;
  • l. de belangen en bestemmingen in de omgeving dienen niet onevenredig te worden aangetast;
  • m. aangetoond dient te worden dat de externe veiligheidsrisico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen aanvaardbaar worden geacht;
  • n. alvorens kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk te maken dient de Veiligheidsregio om advies gevraagd te worden;
  • o. na uitwerking zijn voor de eindbestemming de overeenkomstige regels van artikel 23 (bestemming 'Wonen') van toepassing, met dien verstande dat tevens groenvoorzieningen en verkeersvoorzieningen zijn toegelaten overeenkomstig de regels van de artikelen 14 (bestemming 'Groen') en 21 (bestemming 'Verkeer').

Aan de bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan.

  • Voor de onderdelen a, d en e geldt dat deze als voorwaarde zijn opgenomen op de verbeelding van dit uitwerkingsplan.
  • Voor de onderdelen b,c en f t/m n geldt dat deze zijn getoetst in de hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze toelichting. Voor wat betreft de toetsing aan de 'Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg' geldt dat de kwantitatieve toetsing reeds heeft plaatsgevonden in het kader van het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017'. Hierin is aangegeven dat de aantallen woningen die kunnen worden gebouwd na uitwerking van de bestemming 'Wonen - Uit te werken', passen binnen de 'richtcijfers' zoals aangegeven in de kwaliteitsenvelop voor de gemeente Leudal in de structuurvisie. Deze situatie is ongewijzigd. Uit hoofdstuk 2 komt naar voren dat, mede door het feit dat slechts sprake is van één woning in combinatie met de voorgevelrooilijn, sprake is van een verantwoorde stedenbouwkundige situatie binnen bestaand stedelijk gebied. Hoofdstuk 4 laat zien dat sprake is van een goede milieuhygienische situatie en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Bovendien worden de belangen in de omgeving niet onevenredig aangetast. Tot slot zal er worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
  • Voor onderdeel o geldt ten slotte dat de toepasselijke onderdelen van de Woonbestemming uit het moederplan 'Woonkernen Leudal 2017' zijn overgenomen, met dien verstande dat deze zijn afgestemd op de specifieke locatie.

1.4 Leeswijzer

De toelichting van dit uitwerkingsplan is als volgt opgebouwd:

Het gebiedsprofiel en projectprofiel zij beschreven in hoofdstuk 2. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het van toepassing zijnde beleid. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de milieuaspecten die van invloed zijn op het plangebied, waarna in hoofdstuk 5 het juridisch kader wordt beschreven. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de haalbaarheid van het plan. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 aangegeven hoe wordt gehandhaafd op dit plan.

Hoofdstuk 2 Gebiedsprofiel en projectprofiel

2.1 Gebiedsbeschrijving

Het plangebied ligt in het zuidelijke deel van de kern Grathem, op het perceel ten zuidoosten van Brugstraat 28 te Grathem, in de gemeente Leudal. Op de navolgende luchtfoto is een overzicht opgenomen van de ligging van het plangebied en het omliggende gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.UP21GrThoorderstr-VG01_0004.png"

Afbeelding 4. Luchtfoto plangebied en omgeving, met het plangebied rood omlijnd.

Het plangebied grenst aan de noordwestzijde aan de Thoorderstraat. Aan de noordoostzijde grenst het plangebied aan het perceel Brugstraat 28. De zuidoostzijde grenst over de gehele lengte aan de achtertuin van perceel Brugstraat 26A. De zuidwestzijde grenst aan het perceel van Thoorderstraat 4, met daarop een recentelijk gerealiseerde woning.

Het plangebied zelf bestaat uit een grasperceel met daarop enkele bomen en een schuurtje. Deze bomen worden gekapt en het schuurtje zal worden gesloopt.

2.2 Beschrijving ontwikkeling

Kaders uitwerkingsplan

Middels het voorliggende uitwerkingsplan wordt de realisatie van één grondgebonden vrijstaande woning mogelijk gemaakt, met de voorzijde gericht op de Thoorderstraat. De maximale goot- en bouwhoogte van de woning bedragen respectievelijk 7 en 10 meter. De woning dient te worden afgedekt met een kap, waarbij de dakhelling minimaal 20º en maximaal 50° bedraagt. Het één en ander is als zodanig in de regels en op de verbeelding opgenomen. Op de verbeelding zoals weergegeven op afbeelding 5, is een bouwvlak opgenomen waarbinnen de woning gerealiseerd dient te worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.UP21GrThoorderstr-VG01_0005.png"  
Afbeelding 5. Weergave verbeelding behorende bij dit uitwerkingsplan.  

In z'n algemeenheid kan verder wordt gesteld dat sprake is van een inbreidingslocatie binnen de kern Grathem, waarmee sprake is van een logische invulling van het plangebied.

Het beoogde ontwerp

Binnen de kader zoals voorgaand omschreven, is een bouwplan uitgewerkt, bestaande uit een vrijstaande woning, met een goothoogte van circa 4,5 meter en een bouwhoogte van circa 8,6 meter. Op de navolgende afbeeldingen is een impressie van de situering en de vormgeving van de woningen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.UP21GrThoorderstr-VG01_0006.png"  
Afbeelding 5. Situatieschets plangebied en omgeving.  

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.UP21GrThoorderstr-VG01_0007.png"  
Afbeelding 6. Impressie indeling perceel en begane grond toekomstige woning.  

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.UP21GrThoorderstr-VG01_0008.png"  
Afbeelding 7. Impressie indeling 1e verdieping, zolder en kelder en doorsnede woning.  

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.UP21GrThoorderstr-VG01_0009.png"  
Afbeelding 8. Impressie gevelaanzichten toekomstige woning.  

De commissie ruimtelijke kwaliteit heeft op basis van het ontwerp reeds aangegeven in te kunnen stemmen met de ruimtelijke/stedenbouwkundige inpassing van het plan. Door de woning op deze wijze op de kavel te positioneren, wordt op een goede wijze aangesloten op de omgeving.

2.3 Cultuurhistorische en archeologische waarden

2.3.1 Cultuurhistorische waarden en monumenten

Binnen het plangebied en de directe omgeving zijn geen cultuurhistorisch waardevolle of monumentale elementen en/of gebouwen aanwezig waarop als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling een negatieve invloed zal worden uitgeoefend.

2.3.2 Archeologische waarden

Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem en de wet beoogt het culturele erfgoed (en vooral het archeologische erfgoed) te beschermen.

In het geldende bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017' is voor het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' opgenomen. Binnen dit gebied is archeologisch onderzoek nodig indien de verstoring dieper is dan 40 cm onder het maaiveld en de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 1.000 m². Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 232 m² en de te verwachten bodemverstoring bedraagt daarmee ook altijd minder dan 1000 m². Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is kortom niet noodzakelijk.

2.4 Verkeer en parkeren

Verkeer

Als gevolg van de realisatie van de woning zal geen noemenswaardige toename plaatsvinden van het aantal verkeersbewegingen op de Thoorderstraat en de omliggende wegen. Zowel de Thoorderstraat als de omliggende wegen kunnen deze beperkte toename goed verwerken. Nadere verkeersmaatregelen zijn niet noodzakelijk.

Parkeren

De 'Nota Parkeernormen Leudal 2016' geeft aan dat per vrijstaande koopwoning in de zone 'rest bebouwde kom' van een weinig stedelijk gebied, 2,7 parkeerplaatsen noodzakelijk zijn. Op eigen terrein zijn voldoende mogelijkheden om deze parkeercapaciteit te realiseren, waarmee wordt voldaan aan de parkeernorm. De parkeernorm is vastgelegd in de regels van dit uitwerkingsplan (artikel 11.1) en de nota parkeernormen is als Bijlage 2 Nota Parkeernormen Leudal 2016 bij de regels gevoegd. In het kader van de omgevingsvergunningaanvraag zal hieraan worden getoetst.

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijks- provinciaal- en regionaal beleid

De beleidskaders van het rijksbeleid, provinciaal beleid en van het regionaal beleid zijn reeds weergegeven in de toelichting van het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017'. In het kader van deze toelichting wordt vermeld dat met de bouw van één woning binnen de bestaande kern geen belangen van het Rijk, de provincie of van de regio in het geding zijn. Het initiatief wordt als passend binnen het beleid van deze overheidsinstanties beschouwd, waarbij, overeenkomstig de uitwerkingsregels, alleen nader wordt ingegaan op de regionale 'Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021'. Ten aanzien van de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt opgemerkt dat sprake is van de realisatie van slechts één woning, waarmee geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening. Nadere toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet noodzakelijk.

3.1.1 Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021'

Op 25 juni 2019 heeft de raad van Leudal de geactualiseerde intergemeentelijke 'Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021' vastgesteld. Deze structuurvisie is een uitwerking van de voorgaande structuurvisie met een planperiode van 2018 tot 2021.

De 'Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021' is de basis voor het geven van sturing aan en het voeren van regie over het in de regio te voeren beleid op het vlak van wonen, zorg en woonomgeving. De structuurvisie is een antwoord op de vraag hoe om te gaan met de actuele en te verwachten demografische en economische ontwikkelingen.

In de structuurvisie zijn concrete afspraken gemaakt voor de periode 2018 tot en met 2021 en er wordt een doorkijk gegeven op de verwachte behoefte tot 2030.

Voor het regionaal, gemeentelijk en lokaal afwegen en ordenen in de programmering van transformatie- en nieuwbouwplannen zijn de onderstaande afwegingskaders beschikbaar:

  • Kwantitatief afwegingskader: hoeveel woningen kunnen nog worden toegevoegd en hoe verdelen we die over de zeven gemeenten?
  • Kwalitatief afwegingskader: aan welke type woningen is behoefte en voor wie?
  • Kwaliteitsenvelop: afwegingskader om lokaal accenten te zetten richting transformatie en nieuwbouw.

Afweging

Het voorliggende plan betreft de bouw van één woning binnen de bestaande kern Grathem, binnen het gebied waarop de 'Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021' van toepassing is. Ten aanzien van deze structuurvisie dient het voorgenomen plan wel getoetst te worden aan de onderstaande afwegingskaders:

  • Kwantitatief afwegingskader: De planlocatie (maximaal één woning) valt binnen de nieuwbouwrichtcijfers voor de kern Grathem binnen de gemeente Leudal. In het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017' is ook reeds aangegeven dat de aantallen woningen die kunnen worden gebouwd na uitwerking van de bestemming 'Wonen - Uit te werken', passen binnen de 'richtcijfers' zoals aangegeven in de kwaliteitsenvelop voor de gemeente Leudal.
  • Kwalitatief afwegingskader: Ruim de helft (53%) van het aantal verhuisgeneigde huishoudens geeft aan behoefte te hebben aan levensloopbestendige woningen. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een levensloopbestendige woning.
  • Kwaliteitsenvelop: De planlocatie met maximaal één woning in de kern Grathem valt binnen de richtcijfers die zijn opgesteld in het kader van de kwaliteitsenvelop voor de gemeente Leudal. Vanuit kwalitatief oogpunt wordt daarnaast invulling gegeven aan de behoefte aan levensloopbestendige woningen in aanvulling op de bestaande woonvoorraad in Grathem. Deze behoefte komt mede voort uit demografische ontwikkelingen zoals vergrijzing.


Op basis van het bovenstaande wordt de ontwikkeling passend geacht binnen de beleidskaders van de 'Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021'.

3.2 Gemeentelijk beleid

Omdat sprake is van een ontwikkeling waarvoor in het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017' reeds een uit te werken woonbestemming is opgenomen, heeft ook de beleidsmatige onderbouwing reeds in dat bestemmingsplan plaatsgevonden. Het initiatief past dan ook binnen het gemeentelijk (woningbouw)beleid en de gemeentelijke woningbouwprogrammering. Voor een uitgebreide beschrijving van de diverse verschillende gemeentelijke beleidsstukken wordt dan ook verwezen naar de toelichting van het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017'.

Hoofdstuk 4 Milieuaspecten

Bij het opstellen van een uitwerkingsplan dient rekening te worden gehouden met aspecten uit de omgeving die invloed uitoefenen op functies in het plangebied. Daarnaast kunnen ook functies binnen het plangebied invloed uitoefenen op de in de omgeving aanwezige waarden. In de navolgende paragrafen wordt hier nader op ingegaan.

4.1 Milieu

4.1.1 Bodem

In het kader van de realisatie van de woning is een vooronderzoek bodem conform NEN5725 uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als Bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies opgenomen.

De uitkomsten van het uitgevoerde bodemonderzoek geven geen aanleiding tot vervolgonderzoek. Vanuit het aspect bodem bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde woningbouw.

4.1.2 Externe veiligheid

Achtergrond

Een woning is volgens het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) een kwetsbaar object. Indien er sprake is van de ontwikkeling of uitbreiding van een (beperkt) kwetsbaar object, dienen de risico's te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De normen hiervoor staan beschreven in het Bevi.

Risicovolle activiteiten
In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het projectgebied sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.UP21GrThoorderstr-VG01_0010.png"

Afbeelding 6. Uitsnede risicokaart, met het plangebied aangeduid met een blauwe pijl.

Risicovolle bedrijvigheid
Uit de provinciale risicokaart blijkt dat er op een afstand van circa 400 meter tot het plangebied een bovengrondse propaantank is gelegen, behorend bij Hotel Restaurant ''de Kanteneer''. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van de propaantank betreft 20 meter. Gelet op de tussenliggende afstand vormt de ligging ten opzichte van de propaantank geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Buisleidingen
Volgens de risicokaart van de provincie Limburg, het vigerende bestemmingsplan en de kaarten van Gasunie, liggen er geen risicovolle kabels of leidingen in of in de directe nabijheid van het plangebied.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg
Op een afstand van circa 350 meter is de Napoleonsweg Noord/N273 gelegen, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op basis van de risicokaart geldt voor de N273 ter hoogte van het plangebied geen plaatsgebonden risicocontour 10-6. Het plaatsgebonden risico levert kortom geen belemmeringen op voor het beoogde initiatief. Verder is op basis van de risicokaart sprake van een zeer laag groepsrisico, kleiner dan 0,1 maal de oriënterende waarde. Tot slot bedraagt de plaatsgebonden risicocontour 10-8, waarbinnen nog een rekenkundige invloed wordt uitgeoefend op het groepsrisico van de N273, 242 meter. Gelet op de afstand van het plangebied tot de N273 van circa 350 meter bestaan er vanuit het kader van externe veiligheid kortom geen belemmeringen.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor en over het water

Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van spoorwegen of waterwegen waarover frequent vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ook vanuit dit kader bestaan er geen belemmeringen.

Advies veiligheidsregio

Volledigheidshalve is in het kader van de voorgenomen ontwikkeling advies opgevraagd bij de Veiligheidsregio Limburg-Noord. Het advies is als Bijlage 2 bij deze toelichting te raadplegen.

Conclusie

Op basis van het bovenstaande in combinatie met het advies van de Veiligheidsregio Limburg-Noord, kan geconcludeerd worden dat er vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen bestaan voor de ontwikkeling van de woning.

4.1.3 Bedrijven en milieuzonering

Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen is het noodzakelijk een zekere afstand te behouden tussen (agrarische) bedrijven en woonbebouwing. Deze afstand (zonering) wordt bepaald door enerzijds de aard van het bedrijf en anderzijds door het karakter van zijn omgeving. Uitganspunt hierbij vormt de VNG-publicatie: “Bedrijven en milieuzonering” (versie 2009), waarin indicatieve richtafstanden zijn opgenomen voor de te hanteren afstanden tussen milieugevoelige functies en bedrijfsactiviteiten.

De beoogde woning vormt geen functie die volgens de (indicatieve) brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Medewerking aan dit project is echter pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de woning gegarandeerd is, alsmede dat bedrijven in de omgeving door de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden gefrustreerd.

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven of instellingen gelegen die door de realisatie van de woning in hun activiteiten belemmerd zouden kunnen worden. Vanuit het aspect milieuzonering bestaan er kortom geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.1.4 Geluid

In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Het plangebied ligt binnen de geluidzone van omliggende wegen. Daarom is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd.

Onderstaand worden de conclusies van het akoestisch onderzoek weergegeven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport dat als Bijlage 3 bij deze toelichting is opgenomen.

Wet geluidhinder

Ten gevolge van het wegverkeer op de Brugstraat bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 46 dB inclusief aftrek artikel 110g van de Wet geluidhinder. De voorkeurswaarde (48 dB) uit de Wet geluidhinder wordt gerespecteerd.

Goede ruimtelijke ordening

Ten gevolge van de Thoorderstraat bedraagt de geluidbelasting (excl. aftrek artikel 110g Wgh) ten hoogste 48 dB. De geluidbelastingen inclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder bedragen ten hoogste 43 dB. Hiermee wordt de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder gerespecteerd.

Ten gevolge van de Loorderstraat bedraagt de geluidbelasting (excl. aftrek artikel 110g Wgh) ten hoogste 26 dB. De geluidbelastingen inclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder bedragen ten hoogste 21 dB. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder.

Cumulatie

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatieve geluidbelasting inzichtelijk gemaakt. De cumulatieve geluidbelasting bedraagt ten hoogste 51 dB. Uitgaande van een minimale karakteristieke geluidwering van 20 dB, wordt het binnenniveau van 33 dB conform het Bouwbesluit gewaarborgd. Derhalve kan worden gesteld dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect geluid als gevolg van wegverkeerslawaai vormt geen belemmering.

4.1.5 Luchtkwaliteit

Als een project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitvoeren van een initiatief. De normen hiervoor staan beschreven in de Wet milieubeheer en in het besluit NIBM. Een ontwikkeling van niet meer dan 1.500 woningen met 1 ontsluitingsweg is aangemerkt als NIBM. Middels het voorliggende uitwerkingsplan wordt slechts één woning mogelijk gemaakt, waarmee het plan ruim onder de norm van 1.500 woningen blijft. Luchtkwaliteitseisen werken dan ook niet belemmerend voor het plan.

4.1.6 Milieueffectrapportage

Toets m.e.r-plicht
In het plangebied wordt één grondgebonden vrijstaande woning mogelijk gemaakt. Deze activiteit komt niet voor in Lijst C in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen.

Toets m.e.r.-beoordelingsplicht
In bijlage D van het Besluit m.e.r. is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. De ontwikkeling van woningen valt onder onderdeel D (11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.”

Op basis van jurisprudentie (ECLI: RVS:2017:694) dient bij de beantwoording van de vraag of een ontwikkeling dient te worden aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject te worden gekeken naar de onderstaande aspecten:

  • de aard en omvang van de ontwikkeling;
  • de vormgeving en opzet;
  • de schaalgrootte;
  • de ligging;
  • de voorgenomen functie (wijziging), en;
  • de vraag of er sprake is van een bestaand of een te realiseren bouwwerk.

Ten aanzien van deze criteria is er wat betreft het voorliggende initiatief sprake van een ontwikkeling van beperkte omvang en schaalgrootte. Er is immers slechts sprake van de realisatie van één vrijstaande woning op een inbreidingslocatie binnen een bestaande woonkern, op gronden waarvoor reeds op basis van het vigerende bestemmingsplan, middels een uit te werken bestemming, woningbouw voorzien is.

In de huidige situatie is sprake van gronden die in gebruik zijn als tuin behorende bij één van een naastgelegen woningen. In de directe omgeving zijn met name woningen en agrarische gronden gelegen. Het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. Evenmin is sprake is van ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied (zie de overige paragrafen in deze toelichting). Er kan kortom worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld.

4.2 Natuur en Flora en Fauna

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend flora- en faunaonderzoek uitgevoerd. Onderstaand worden de conclusies van het onderzoek weergegeven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport dat als Bijlage 4 bij deze toelichting is opgenomen.

Gebiedsbescherming
Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van de ontwikkeling geen negatieve effecten te verwachten zijn op omliggende Natura 2000-gebieden. Evenmin worden effecten verwacht op de provinciaal beschermde gebieden, zoals het Natuurnetwerk Nederland (op provinciaal niveau goudgroene natuurzone). Het onderdeel houtopstanden is verder niet aan de orde.

Soortenbescherming
Uit de toetsing van de resultaten van het onderzoek aan de Wet natuurbescherming blijkt dat bij de realisatie van woningbouw mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn op broedvogels. Daarbij kan aanwezigheid van algemeen voorkomende muizensoorten en egel binnen het onderzoeksgebied niet worden uitgesloten. Op de overige soortgroepen wordt geen negatief effect op beschermde soorten (of functies) verwacht.

Broedvogels - rekening houden met broedseizoen

Binnen het onderzoeksgebied zijn ten tijde van het veldonderzoek geen jaarrond beschermde nesten en nesten van algemene broedvogels aangetroffen. Het is niet uit te sluiten dat in de periode tot aan het plaatsvinden van de ingrepen, alsnog algemene broedvogels gaan broeden in een van de aanwezige bomen en vegetaties binnen het onderzoeksgebied.

In gebruik zijnde nesten zijn beschermd en mogen niet worden vernield ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming mogelijk. Er dient daarom voorkomen te worden dat nesten van vogels gedurende het broedseizoen vernield worden bij de werkzaamheden binnen het onderzoeksgebied. Er dient derhalve gekapt/gerooid te worden buiten het broedseizoen. Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli, afhankelijk van de weersomstandigheden en de betreffende vogelsoort.

Indien het niet mogelijk is om te werken buiten het broedseizoen, kan middels een broedvogelschouw onderzocht worden of in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn in de vegetatie. Indien nesten afwezig zijn, kan de vegetatie vrijgegeven worden voor de werkzaamheden.

Muizen (ware muizen, woel- en spitsmuizen), egel en amfibieën - rekening houden met zorgplicht

Voor algemeen voorkomende muizen- en amfibiesoorten en egel biedt het onderzoeksgebied geschikt leefgebied (voor de egel de composthoop als mogelijke nestlocatie). Algemeen voorkomende muizen- en amfibiesoorten en egel zijn in de provinciale verordening van provincie Limburg vrijgesteld van ontheffing. Het doden van individuen van deze soorten blijft verboden, maar het vangen met als doel deze weer elders uit te zetten daarentegen is wel vrijgesteld van ontheffing. Door middel van zorgvuldig handelen (in het kader van de zorgplicht) tijdens de uitvoering van de werkzaamheden kan daarom een overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen worden. Dit houdt in dat aangetroffen individuen bij de (graaf)werkzaamheden verjaagd dienen te worden of gevangen en vrijgelaten worden in aanliggend gebied, buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden.
Met betrekking tot de composthoop en het mogelijke voorkomen hierin van egel, dient deze nooit opgeruimd te worden alvorens gecontroleerd is of er geen egel in slaapt. Vanaf juli tot oktober kan er zelfs een moederegel met jongen in zitten. Blijkt de composthoop bezet te zijn door een/meerdere egel(s), dan is het advies om deze egel(s) over te brengen naar een egelnestkast, welke op een plek buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden staat. Bij voorkeur wordt de composthoop in de minst kwetsbare periode van de egel gecontroleerd op aanwezigheid van egels. Deze periode loopt van april - september. Wanneer egels afwezig zijn, kan de composthoop zonder problemen verwijderd worden.

Overige soortgroepen

Voor de volgende soortgroepen geldt dat bij de realisatie van woningbouw geen negatieve effecten verwacht worden: flora, vleermuizen, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden. Voor algemeen voorkomende soorten geldt de algemene zorgplicht.

Houtopstanden

De beoogde ontwikkeling betreft het planologisch mogelijk maken van een vrijstaande woning. De locatie is momenteel in gebruik als tuin en is onbebouwd. De te kappen bomen binnen het plangebied hebben geen bijzondere natuurwaarden. Voor het kappen is geen omgevingsvergunning voor het kappen nodig.

Conclusie

Met inachtneming van bovengenoemde aandachtpunten, gelden er vanuit gebiedsbescherming en soortenbescherming geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.3 Waterparagraaf

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer.

Beleidskader

Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het gezamenlijke Waterbeheersplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Provinciaal Waterplan 2016-2021, het Nationaal Waterplan, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:

  • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);
  • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).

De gemeente Leudal heeft voor particulieren een richtlijn dat bij toename van verhard oppervlak een hoeveelheid van 40 mm per aangesloten m2 verhard oppervlak geborgen dient te worden.

Kenmerken van het watersysteem

De kenmerken van het watersysteem, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en afvalwater.

Grondwater en oppervlaktewater

In of nabij het plangebied is geen oppervlaktewater gelegen waarmee rekening gehouden dient te worden. Uit het POL2014 en de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Wel ligt het plangebied binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III. Aangezien geen diepe boringen voorzien zijn, vormt dit geen belemmering.

Afvalwater

Het afvalwater wordt aangesloten op het bestaande rioleringssysteem.

Hemelwater

In 2018 is voor het naastgelegen perceel reeds een infiltratieonderzoek uitgevoerd, op basis waarvan is gebleken dat de bodem geschikt is voor de infiltratie van hemelwater. Op basis daarvan kan redelijkerwijs worden aangenomen dat ook de bodem binnen het plangebied geschikt is voor de infiltratie van hemelwater.

Dynamische bergings- en infiltratievoorzieningen dienen minimaal gedimensioneerd te worden op een neerslaggebeurtenis met herhalingstijd 1:100, gemiddeld klimaatscenario 2050. Voor Noord-Limburg en Midden-Limburg dient daarbij een buiduur van één dag te worden gehanteerd, zijnde 100 mm per vierkante meter verhard oppervlak. Dit houdt in dat per hoeveelheid van 100 m² (100 mm/1000=) 10 m3 water in het plangebied geborgen dient te worden. Deze berging kan op maaiveld gerealiseerd worden door middel van een wadi of ondergronds door middel van bijvoorbeeld infiltratiekratten in de bodem.

Opgemerkt dient te worden dat het voorliggende uitwerkingsplan slechts een juridisch-planologisch toetsingskader biedt voor de toekomstige omgevingsvergunningaanvraag voor de bouw van een woning. In het kader van de omgevingsvergunningaanvraag wordt de exacte wijze waarop wordt voorzien in de berging van hemelwater nader uitgewerkt, volledig toegespitst op de hoeveelheid bebouwing en verharding die in het bouwplan voorzien is.

Overleg waterbeheerder
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is advies opgevraagd bij het Waterschap Limburg. Het advies van het Waterschap Limburg, waarin is aangegeven dat per vierkante meter verhard oppervlak 100 mm neerslag opgevangen dient te worden binnen het plangebied, is verwerkt in deze paragraaf.

Conclusie

Vanuit het aspect water bestaan er geen belemmeringen.

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten

5.1 Planonderdelen

Het voorliggende uitwerkingsplan is vervat in planregels, een verbeelding en een toelichting. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en / of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.

De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het uitwerkingsplan. De analoge verbeelding is als Bijlage 5 bij deze toelichting gevoegd.

De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het uitwerkingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

Het voorliggende uitwerkingsplan is opgesteld conform het Handboek ruimtelijke plannen Leudal 2019, de landelijke richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP 2012), alsmede de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).

5.2 Opzet planregels

5.2.1 Inleidende regels

Begrippen (art. 1)

In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn.

In de begrippen is ook een definitie voor 'peil' weergegeven. Dit is in de volgende afbeelding gevisualiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.UP21GrThoorderstr-VG01_0011.png"

Afbeelding 7. Visualisatie van de verschillende definities van peil.

Wijze van meten (art. 2)

In de wijze van meten wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden.

In de onderstaande afbeelding is aangegeven hoe de goothoogte en bouwhoogte bij woningen met en zonder kap gemeten dienen te worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.UP21GrThoorderstr-VG01_0012.png"

Afbeelding 8. Goot- en bouwhoogte bij woningen met en zonder kap.

5.2.2 Bestemmingsregels

De regels van een bestemming worden conform de SVBP 2012 als volgt opgebouwd en benoemd:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • nadere eisen;
  • afwijken van de bouwregels;
  • specifieke gebruiksregels;
  • afwijken van de gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden
  • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;
  • wijzigingsbevoegdheid.

Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen.

In dit uitwerkingsplan is binnen de bestemming 'Wonen' een nadere eisenregeling opgenomen. Burgemeester en wethouders kunnen, binnen de reeds aangegeven begrenzingen van het uitwerkingsplan (gebruiks- en bouwregels), nadere eisen stellen aan plaats en afmeting van gebouwen indien dit noodzakelijk is voor de aspecten:

  • gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • verkeersveiligheid;
  • sociale veiligheid;
  • brandveiligheid en rampenbestrijding;
  • externe veiligheid;
  • benodigde parkeervoorzieningen;
  • benodigde waterberging.

Hieronder worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht.

Wonen

Conform de uitwerkingsregels van het moederplan is aangesloten bij de woonbestemming van het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017'. In overeenstemming met de gemeentelijke standaard is voor woondoeleinden slechts één bestemming opgenomen, namelijk 'Wonen'. Hierin is tevens de voor- en achtertuin geregeld. Deze bestemming is opgenomen voor het gehele plangebied. De regeling is zeer flexibel gehouden, met als gevolg dat er bij het bouwen, verbouwen of veranderen van een woning aan maar weinig voorwaarden voldaan hoeft te worden.

Binnen de woonbestemming is het toegestaan aan huis verbonden beroepen uit te oefenen. Volgens jurisprudentie kan het gebruik van ruimten in woningen voor de uitoefening van een ambt, beroep of praktijk niet afhankelijk worden gesteld van een omgevingsvergunning. Daarom is in de gebruiksregels opgenomen dat een aan huis verbonden beroep rechtstreeks is toegestaan maar dat de woonfunctie de hoofdfunctie dient te blijven.

Er geldt een aantal specifieke bouwregels binnen de woonbestemming. Het hoofdgebouw mag enkel binnen het bouwvlak worden gebouwd. Tevens is in de regels aangegeven dat de woning moet worden gebouwd binnen een denkbeeldig vlak dat wordt begrensd door de voorgevelrooilijn en een denkbeeldige lijn op 15 meter evenwijdig aan de voorgevelrooilijn. Bijbehorende bouwwerken mogen ook daarachter, op het achtererf worden opgericht.

Woningen mogen enkel op de begane grond worden uitgebreid. Uitbreiding op de verdieping is mogelijk met een afwijking van het uitwerkingsplan.

Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Door middel van een afwijking door middel van een omgevingsvergunning is het onder voorwaarden mogelijk buiten het bouwvlak te bouwen.

Waarde - Archeologie 5

Voor het gehele plangebied is overeenkomstig het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017' de bestemming 'Waarde - Archeologie 5' opgenomen. Binnen het als zodanig bestemde gebied is archeologisch onderzoek nodig indien de verstoring dieper is dan 40 cm onder het maaiveld en de oppervlakte van de bodemingreep groter is dan 1.000 m².

5.2.3 Algemene regels

In de Anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk.

In de Algemene bouwregels is een bepaling opgenomen met betrekking tot ondergronds bouwen, over ondergeschikte bouwdelen en over bestaande maten.

In de Algemene gebruiksregels gebruiksregels is een nadere bepaling opgenomen met betrekking het gebruik van de gronden.

De Algemene afwijkingsregels en Algemene wijzigingsregels verschaffen het bevoegd gezag c.q. burgemeester en wethouders de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn.

De Algemene procedureregels bevatten alleen nog procedureregels voor het stellen van nadere eisen als bedoeld in artikel 3.6, lid 1 sub d van de Wet ruimtelijke ordening. Voor alle overige procedures zijn reeds procedureregels opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsverplichting) en in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunningen).

In de Overige regels zijn de overige zaken geregeld die niet elders kunnen worden ondergebracht. Hierin is een regel opgenomen die aangeeft dat, waar een enkelbestemming samenvalt met een dubbelbestemming geldt primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming. Tevens wordt aangegeven welke dubbelbestemmingen prevaleren boven andere dubbelbestemmingen indien deze samenvallen.

Daarnaast zijn regels opgenomen waarin is vastgelegd dat bij ontwikkelingen voldaan dient te te worden aan de door de raad vastgestelde parkeernormen. Daarbij wordt verwezen naar de Nota Parkeernormen Leudal 2016.

5.2.4 Overgangs- en slotregels

In de regel Overgangsrecht is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan.

In de Slotregel is aangegeven op welke wijze de regels van het uitwerkingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 6 Haalbaarheid

6.1 Financiële uitvoerbaarheid

Op 1 juli 2008 is als onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In de Grexwet is bepaald dat de gemeente verplicht is om bij het vaststellen van een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan, maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat alle kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om haar kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de exploitant.

Tussen de gemeente Leudal en de initiatiefnemer zal een anterieure overeenkomst worden gesloten. Daarmee is de financiële haalbaarheid van het plan voor de gemeente verzekerd.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Aangezien sprake is van een uitwerkingsplan, wordt geen inspraakprocedure doorlopen. Het uitwerkingsplan zal direct als ontwerp ter inzage worden gelegd. De te volgen procedure is omschreven in paragraaf 6.3.

6.3 Procedure

Een uitwerkingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit houdt in dat het ontwerp-uitwerkingsplan na behandeling in het college van burgemeester en wethouders wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage wordt gelegd. Belanghebbenden kunnen in die zes weken hun zienswijze kenbaar maken bij de gemeente. Binnen acht weken na afloop van de termijn van terinzagelegging stelt het college van burgemeester en wethouders het uitwerkingsplan vast. Daarbij worden de ingediende zienswijzen betrokken. Tegen de vaststelling van een uitwerkingsplan staat rechtstreeks beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.4 Maatschappelijke haalbaarheid

Door de initiatiefnemers is een omgevingsdialoog gevoerd. ln verband met de situatie omtrent COVID-19 is een schriftelijke benadering gehanteerd met een persoonlijk karakter. Dit is vormgegeven door bij de bewoners aan te bellen en daarbij de plannen zowel mondeling als schriftelijk toe te lichten. Aan alle omwonenden is dezelfde schriftelijke informatie aangereikt, bestaande uit een brief, reactieformulier, situatietekening, schetsontwerpen en gevelaanzichten. ln totaal zijn 13 omwonenden benaderd in het kader van de omgevingsdialoog.

De betrokkenen hebben twee weken de gelegenheid gekregen om eventuele wensen en bedenkingen kenbaar te maken. Alle 13 omwonenden hebben mondeling en/of schriftelijk te kennen gegeven geen bezwaren te hebben tegen het beoogde bouwplan. Wel zijn er enkele aandachtspunten, vragen, opmerkingen, verzoeken en adviezen binnengekomen. Deze zijn geanalyseerd, uitgewerkt en schriftelijk en mondeling teruggekoppeld naar de omwonenden. Een uitgebreid verslag hiervan is aan de gemeente overhandigd. Vanuit privacyoverweging wordt in dit bestemmingsplan volstaan met deze korte samenvatting en de conclusie dat er vanuit de omwonenden geen bezwaren bestaan tegen de voorgenomen ontwikkeling.

Hoofdstuk 7 Handhaving

Een bestemmingsplan c.q. uitwerkingsplan is voor de gemeente een belangrijk instrument om haar ruimtelijk beleid vorm te geven. Door middel van een combinatie van positieve bestemmingen en het uitsluiten van bepaalde activiteiten en functies kan een sturing plaatsvinden van gewenste en ongewenste ontwikkelingen. Een belangrijk aspect hierbij is de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan c.q. uitwerkingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen vasthouden. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle bewoners en gebruikers dienen door de gemeente op een zelfde wijze daadwerkelijk aan het plan worden gehouden.

In dit uitwerkingsplan is daarom allereerst gestreefd naar een zo groot mogelijke eenvoud van in het bijzonder de planregels. Hoe groter de eenvoud (en daarmee de toegankelijkheid en leesbaarheid), hoe groter in de praktijk de mogelijkheden om toe te zien op de naleving van het plan. Bewust zijn in het plan geen detailbepalingen opgenomen die – hoewel misschien op zichzelf niet onwenselijk – in de praktijk niet kunnen worden gehandhaafd. In het verlengde daarvan is zoveel mogelijk afgezien van bepalingen die door de bewoners en andere gebruikers als een onnodige beperking van hun vrijheid kunnen worden gevoeld. Hoe minder knellend de planregels zijn, hoe kleiner de kans dat het met de regels wat minder nauw wordt genomen. In de praktijk worden op den lange duur immers ook alleen die regels gerespecteerd waarvan door de betrokkenen de noodzaak en de redelijkheid wordt ingezien.

In de bouwregels zijn maten opgenomen die van toepassing zijn op gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Te realiseren gebouwen en andere bouwwerken moeten voldoen aan deze maatvoering, zo niet, dan kan het college van burgemeester en wethouders geen omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen.

Gebruiksregels zijn opgenomen om gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken en ongewenste ontwikkelingen uit te sluiten. Toetsing aan de gebruiksregels is aan de orde bij functiewisseling of nieuwvestiging.

Het gemeentebestuur draagt de verantwoordelijkheid om toe te zien op de naleving van de opgenomen regels in het uitwerkingsplan.