direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Rozenhof
Status: vastgesteld
Plantype: uitwerkingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1640.UP18HyRozenhof-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Reden voor uitwerkingsplan

Aan de Rozenhof in Heythuysen bestaat het voornemen om een tweetal woningen te realiseren. In het op 14 november 2017 vastgestelde bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017' is voor het plangebied aan de Rozenhof de bestemming 'Wonen - Uit te werken' opgenomen, aangezien destijds de ontwikkeling nog niet voldoende uitgekristalliseerd was. Met het opnemen van een uit te werken bestemming, bestaat er voor het college van burgemeester en wethouders een uitwerkingsplicht om binnen de planperiode van het moederplan, een uitwerkingsplan op te stellen. Middels het voorliggende uitwerkingsplan wordt hieraan invulling gegeven.

1.2 Ligging en grens van het plangebied

Het plangebied, waarvan de globale ligging is weergegeven op de onderstaande topografische kaart (afbeelding 1) en de exacte begrenzing is af te lezen uit afbeelding 2, ligt in het westen van de kern Heyhuysen tussen de Kloosterstraat en de Rozenhof.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.UP18HyRozenhof-VG01_0001.png"  
Afbeelding 1. Topografische kaart kern Heythuysen, met aanduiding globale ligging plangebied (rode pijl).  

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.UP18HyRozenhof-VG01_0002.png"  
Afbeelding 2. Begrenzing plangebied.  

1.3 Vigerend juridisch-planologisch kader

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017', vastgesteld door de gemeenteraad van Leudal op 14 november 2017. Binnen dit bestemmingsplan geldt voor het plangebied de bestemming 'Wonen - Uit te werken'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.UP18HyRozenhof-VG01_0003.png"  
Afbeelding 3. Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017'.  

In artikel 24 is aangegeven dat burgemeester en wethouders de bestemming met inachtneming van de volgende regels uitwerken:

  • a. het aantal nieuwe woningen bedraagt niet meer dan aangeduid ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden';
  • b. de behoefte aan realisering van de nieuwe woningen moet worden aangetoond;
  • c. de 'Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg' dient in acht te worden genomen, met dien verstande dat, indien deze gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging;
  • d. de maximale goothoogte bedraagt niet meer dan 7 meter; de maximale bouwhoogte bedraagt niet meer dan 10 meter;
  • e. het gebruik als wonen vanuit milieuhygiënisch oogpunt dient aanvaardbaar te zijn; er dient sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat; de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten zal niet hoger zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde;
  • f. het stedenbouwkundig beeld dient niet onevenredig te worden aangetast; er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein, een en ander overeenkomstig het bepaalde in artikel 43.1 (overige regels m.b.t. parkeren). Indien niet op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien, dient te worden aangetoond dat elders in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien;
  • g. de natuurlijke waarden dienen niet onevenredig worden aangetast;
  • h. de belangen en bestemmingen in de omgeving dienen niet onevenredig te worden aangetast;
  • i. aangetoond dient te worden dat de externe veiligheidsrisico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen aanvaardbaar worden geacht;
  • j. alvorens kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk te maken dient de Veiligheidsregio om advies gevraagd te worden;
  • k. na uitwerking zijn voor de eindbestemming de overeenkomstige regels van artikel 23 (bestemming 'Wonen') van toepassing, met dien verstande dat tevens groenvoorzieningen en verkeersvoorzieningen zijn toegelaten overeenkomstig de regels van de artikelen 14 (bestemming 'Groen') en 21 (bestemming 'Verkeer').

Aan de bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan.

  • Voor onderdelen a en d geldt dat deze voorwaarden op de verbeelding van het uitwerkingsplan zijn opgenomen.
  • Onderdelen b, c en e t/m j zijn getoetst in hoofdstuk 2, 3 en 4 van deze toelichting. Voor wat betreft de toetsing aan de 'Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg' geldt dat de kwantitatieve toetsing reeds heeft plaatsgevonden in het kader van het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017'. Hierin is aangegeven dat de aantallen woningen die kunnen worden gebouwd na uitwerking van de bestemming 'Wonen - Uit te werken', passen binnen de 'richtcijfers' zoals aangegeven in de kwaliteitsenvelop voor de gemeente Leudal in de structuurvisie. Deze situatie is ongewijzigd. Vanuit kwalitatief oogpunt wordt daarnaast invulling gegeven aan de behoefte aan levensloopbestendige woningen in aanvulling op de bestaande woonvoorraad in Heythuysen, waar mede gelet op demografische ontwikkelingen als vergrijzing, sprake van is. Uit hoofdstuk 3 komt naar voren dat, mede door het aantal te realiseren woningen en de situering van de voorgevelrooilijn van de woningen sprake is van een goede stedenbouwkundige situatie binnen bestaand stedelijk gebied. Hoofdstuk 4 laat zien dat sprake is van een goede milieuhygienische situatie en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Bovendien worden de belangen in de omgeving niet onevenredig aangetast.
  • Voor onderdeel k geldt ten slotte dat de toepasselijke onderdelen van de Woonbestemming uit het moederplan 'Woonkernen Leudal 2017' zijn overgenomen, met dien verstande dat deze zijn afgestemd op de specifieke locatie.

1.4 Leeswijzer

De toelichting van dit uitwerkingsplan is als volgt opgebouwd:

De hoofdlijnen van beleid van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente zijn beschreven in hoofdstuk 2. Op basis van de inventarisatiegegevens is het plangebied in hoofdstuk 3 beschreven onder meer aan de hand van functionele en ruimtelijke aspecten. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de milieuaspecten die van invloed zijn op het plangebied. Het juridisch kader komt naar voren in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de haalbaarheid van het plan. In hoofdstuk 7 is aangegeven hoe wordt gehandhaafd op dit plan. Tot slot volgt in hoofdstuk 8 een beschrijving van de gevoerde communicatie.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

2.1 Rijks-, provinciaal en regionaal beleid

De beleidskaders van het rijksbeleid, provinciaal beleid en van het regionaal beleid zijn reeds weergegeven in de toelichting van het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017'. In het kader van deze toelichting wordt alleen vermeld dat met de bouw van maximaal 2 woningen binnen de bestaande kern, op basis van de uit te werken woonbestemming, geen belangen van het Rijk, de provincie of van de regio in het geding zijn. Het initiatief wordt als passend binnen het beleid van deze overheidsinstanties beschouwd. Ten aanzien van de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt opgemerkt dat slechts sprake is van de realisatie van twee woningen, waarmee geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening. Nadere toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet noodzakelijk. Onderstaand wordt wel nader ingegaan op de regionale 'Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg'.

2.1.1 Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg'

Op 11 november 2014 heeft de raad van Leudal de intergemeentelijke 'Structuurvisie Wonen, Zorg ' vastgesteld. Naast de gemeente Leudal hebben ook de regiogemeenten Echt-Susteren, Maasgouw, Nederweert, Roerdalen, Roermond en Weert deze structuurvisie vastgesteld.

De 'Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg' is de basis voor het geven van sturing aan en voeren van regie over het in de regio te voeren beleid op het vlak van wonen, zorg en woonomgeving. De Structuurvisie is een antwoord op de vraag hoe om te gaan met de actuele en te verwachten demografische en economische ontwikkelingen.

De Structuurvisie bestrijkt een planperiode van 2014 tot en met 2017 en bevat daarnaast een basis voor afspraken op de middellange termijn (2018 tot en met 2023).

Met de Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving geeft de regio Midden-Limburg vorm en inhoud aan het POL2014 (Provinciaal Omgevingsplan Limburg). Het POL 2014 stuurt in essentie op een aanpak in dynamische voorraadbeheer in regionale samenwerking.

Voor het regionaal, gemeentelijk en lokaal afwegen en ordenen in de programmering van transformatie- en nieuwbouwplannen zijn de onderstaande afwegingskaders beschikbaar:

  • Kwantitatief afwegingskader: hoeveel woningen kunnen nog worden toegevoegd en hoe verdelen we die over de zeven gemeenten?
  • Ruimtelijk grofmazig afwegingskader: welke accenten zetten we in de regionaal onderscheiden woonzones?
  • Ruimtelijk fijnmazig afwegingskader: hoe kunnen we onze nieuwbouw- en veranderplannen op een regionaal uniforme wijze ordenen?
  • Kwaliteitsenvelop: afwegingskader om lokaal accenten te zetten richting transformatie en nieuwbouw.

Afweging

Ten aanzien van de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt opgemerkt dat slechts sprake is van de realisatie van twee woningen, waarmee geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening. Nadere toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet noodzakelijk.

Het voorliggende plan betreft de bouw van maximaal 2 woningen binnen de bestaande kern Heythusyen, binnen het gebied waarop de 'Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg' van toepassing is. Ten aanzien van deze structuurvisie dient het voorgenomen plan wel getoetst te worden aan de onderstaande afwegingskaders:

  • Kwantitatief afwegingskader: De planlocatie (maximaal twee woningen) valt binnen de nieuwbouwrichtcijfers voor de kern Heythuysen binnen de gemeente Leudal. In het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017' is ook reeds is aangegeven dat de aantallen woningen die kunnen worden gebouwd na uitwerking van de bestemming 'Wonen - Uit te werken', passen binnen de 'richtcijfers' zoals aangegeven in de kwaliteitsenvelop voor de gemeente Leudal.
  • Ruimtelijk grofmazig afwegingskader: er is sprake van een ontwikkeling van beperkte omvang (maximaal twee woningen) op een inbreidingslocatie binnen de bestaande kern Heythuysen.
  • Ruimtelijk fijnmazig afwegingskader: betreffende de planlocatie is er sprake van een zachte planologische status met een anterieure overeenkomst welke uitgevoerd wordt door een pro-actieve planeigenaar. Wat betreft de stedenbouwkundige- en woonkwaliteit is er wat betreft de planlocatie sprake van inbreiding, verdichting en de realisatie van levensloopbestendige woningen.
  • Kwaliteitsenvelop: De planlocatie met maximaal twee woningen in de kern Heythuysen valt binnen de richtcijfers die zijn opgesteld in het kader van de kwaliteitsenvelop voor de gemeente Leudal. Vanuit kwalitatief oogpunt wordt daarnaast invulling gegeven aan de behoefte aan levensloopbestendige woningen in aanvulling op de bestaande woonvoorraad in Heythuysen. Deze behoefte komt mede voort uit demografische ontwikkelingen als vergrijzing.

Op basis van het bovenstaande wordt de ontwikkeling passend geacht binnen de beleidskaders van de 'Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg'.

2.2 Gemeentelijk beleid

Omdat sprake is van een ontwikkeling waarvoor in het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017' reeds een uit te werken woonbestemming is opgenomen, heeft ook de kwantitatieve beleidsmatige onderbouwing reeds in dat bestemmingsplan plaatsgevonden. Voor de kwalitatieve beleidsmatige afweging wordt verwezen naar paragraaf 2.1.1 Het initiatief past kortom binnen het gemeentelijk beleid. Voor een uitgebreide beschrijving van de diverse verschillende gemeentelijke beleidsstukken wordt verwezen naar de toelichting van het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017'.

Hoofdstuk 3 Gebiedsprofiel en projectprofiel

3.1 Gebiedsbeschrijving

Het plangebied ligt in het westen van de kern Heyhuysen, tussen de Kloosterstraat en de Rozenhof in bestaand stedelijk gebied. De direct omliggende percelen zijn allemaal woonpercelen. Het plangebied zelf maakt onderdeel uit van de tuinen van omliggende woningen en is momenteel onbebouwd en ontdaan van begroeiing.

3.2 Beschrijving ontwikkeling

Middels het voorliggende uitwerkingsplan wordt de realisatie van maximaal twee grondgebonden vrijstaande woningen mogelijk gemaakt binnen bestaand stedelijk gebied. De woningen zullen met de voorzijde gericht zijn op de aan de zuidkant gelegen Rozenhof. De woningen zullen levensloopbestendig worden uitgevoerd waardoor er voldaan wordt in de behoefte om langer thuis te kunnen blijven wonen.

De maximale goot- en bouwhoogte van de woningen bedraagt respectievelijk 4 en 8 meter. De woningen dienen te worden afgedekt met een kap, waarbij de dakhelling minimaal 20º en maximaal 50° bedraagt. Het één en ander is als zodanig in de regels en op de verbeelding opgenomen.

3.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten

Ruimtelijk en functioneel gezien passen de beoogde twee grondgebonden vrijstaande woningen goed in de omgeving. Er is namelijk sprake van een inbreidingslocatie binnen de bestaande kern van Heythusen. Hierbij wordt ingezet op de realisatie van twee in het straatbeeld passende 'vrijstaande' woningen.

Door binnen het plangebied twee levensloopbestendige woningen te realiseren, wordt een open plek in de bebouwingsstructuur van de Rozenhof op een logische wijze opgevuld. Qua maat en schaal wordt met de ontwikkeling aangesloten op de bestaande aangrenzende woningen in de Rozenhof, dit overeenkomstige het advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van 22 maart 2018. Verder dient te worden opgemerkt dat het plangebied ook reeds een woonbestemming heeft.

Er kan geconcludeerd worden dat het plan, zowel op korte als op (middel) lange termijn, geen negatieve ruimtelijke effecten tot gevolg heeft voor de omgeving.

3.4 Cultuurhistorische en archeologische waarden

3.4.1 Cultuurhistorische waarden en monumenten

Binnen het plangebied en de directe omgeving zijn geen cultuurhistorisch waardevolle of monumentale elementen en/of gebouwen aanwezig waarop als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling een negatieve invloed zal worden uitgeoefend.

3.4.2 Archeologische waarden

De Nederlandse wetgeving ten aanzien van archeologische waarden is momenteel aan veranderingen onderhevig. De Monumentenwet 1988 is vanaf 1 juli 2016 deels overgegaan in de Erfgoedwet. De onderdelen over omgevingsrecht uit de Monumentenwet gaan (naar verwachting) in 2021 over naar de Omgevingswet. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen.

De Erfgoedwet en de Omgevingswet regelen de omgang met het archeologisch erfgoed. Uitgangspunt van de wetgeving is om het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en beheermaatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. Op grond van deze wetten worden gemeenten verantwoordelijk geacht voor de bescherming van archeologische waarden.

De gemeente Leudal heeft een eigen archeologische advieskaart laten opstellen door archeologisch adviesbureau RAAP. Dit RAAP rapport met nummer 1952 is genaamd “Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente Leudal” en is vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 8 februari 2011. Op basis van deze beleidsadvieskaart gelden vanuit het aspect acheologie geen beperkingen of voorwaarden.

Los van de verplichting om in bepaalde gevallen archeologisch onderzoek uit te voeren, geldt voor alle toekomstige ontwikkelingen waarbij tijdens werkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, conform paragraaf 5.4, 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet, een meldingsplicht bij de bevoegde minister of door het hem vertegenwoordigende bevoegd gezag, zijnde de gemeente Leudal.

3.5 Verkeer en parkeren

Verkeer

Als gevolg van de realisatie van de woningen zal een beperkte toename plaatsvinden van het aantal verkeersbewegingen op de Rozenhof en de omliggende wegen. Zowel de Rozenhof als de omliggende wegen kunnen deze beperkte toename goed verwerken. Nadere verkeersmaatregelen zijn niet noodzakelijk.


Parkeren

Op basis van de 'Nota Parkeernormen 2016' van de gemeente Leudal, dienen op het eigen terrein minimaal twee parkeerplaatsen per woning worden aangelegd en in stand worden gehouden. Hieraan zal bij de omgevingsvergunningaanvraag worden getoetst. In de 'Overige regels' zijn hiertoe voorwaarden opgenomen.

Hoofdstuk 4 Milieu-aspecten

Bij het opstellen van een uitwerkingsplan dient rekening te worden gehouden met aspecten uit de omgeving die invloed uitoefenen op functies in het plangebied. Daarnaast kunnen ook functies binnen het plangebied invloed uitoefenen op de in de omgeving aanwezige waarden.

4.1 Bodem

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient beoordeeld te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de aanwezige functies. Voor deze beoordeling beschikt Leudal over een bodemkwaliteitskaart.

In het kader van het voorliggende uitwerkingsplan is door Econsultancy BV een historisch bodemonderzoek uitgevoerd, conform NEN5725. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen milieuhygiënische belemmeringen bestaan voor de beoogde woningbouw. Voor meer informatie wordt verwezen naar het als Bijlage 1 bij deze toelichting opgenomen volledige onderzoeksrapport.

4.2 Externe veiligheid

Achtergrond

Een woning is volgens het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) een kwetsbaar object. Indien er sprake is van de ontwikkeling of uitbreiding van een (beperkt) kwetsbaar object, dienen de risico's te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De normen hiervoor staan beschreven in het Bevi.

Risicovolle activiteiten

In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het projectgebied sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan.


Risicovolle bedrijvigheid

Uit de provinciale risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen.

Buisleidingen

Volgens de risicokaart van de provincie Limburg, het vigerende bestemmingsplan en de kaarten van Gasunie, liggen er geen risicovolle kabels of leidingen in of in de directe nabijheid van het plangebied.


Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg

Het plangebied ligt op circa 963 meter van de N279. Over deze weg vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats en het plangebied ligt binnen het invloedsgebied voor wat betreft toxische gaswolken. In het kader van het bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017' is de Veiligheidsregio Limburg-Noord (VRLN) reeds gevraagd om advies uit te brengen. Het betreffende advies is als Bijlage 2 bij deze toelichting opgenomen. In het voorliggende geval kan bij dit advies worden aangesloten.

Gelet op de grote afstand tot de N279 zal geen significante invloed op het groepsrisico worden uitgeoefend. Aangezien verder sprake is van een ligging op meer dan 200 meter van de N279, dient in verband met de ligging binnen het invloedgebied op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt, wel een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Op basis van artikel 7 van het Bevt dient ingegaan te worden op:

  • De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op de weg, en
  • De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp voordoet.

Voor de verantwoording van het groepsrisico wordt verwezen naar het kopje 'verantwoording groepsrisico'.


Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor

Het projectgebied is niet gelegen in de nabijheid van een spoorlijn waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.

De VRLN heeft voor de beoogde ontwikkeling een advies uitgebracht welke mede is gebaseerd op het advies van VRLN op het ontwerpbestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017'. Onderstaand zijn de belangrijkste aandachtspunten uit het advies van VRLN weergegeven.

Verantwoording groepsrisico

Ten aanzien van de mogelijkheden voor hulpverlening zal de eerste inzet van de brandweer bij een toxisch scenario gericht zijn op het alarmeren van de personen in het benedenwinds gebied van het incident met als uitgangspunt het schuilen en het redden van slachtoffers. Hierbij wordt opgemerkt dat de effectafstanden groot zijn en de gevolgen aanzienlijk. De effecten kunnen tot een afstand van enkele kilometers reiken. Dat wil zeggen dat er slachtoffers kunnen vallen op grote afstand van het incident.

Ten aanzien van de bereikbaarheid geldt dat het plangebied vanuit meerdere zijden benaderbaar is. De bereikbaarheid van het plangebied is hiermee gegarandeerd.

In het kader van zelfredzaamheid wordt opgemerkt dat in geval van een calamiteit met een toxische stof de aanwezige personen in eerste instantie zullen worden gewaarschuwd met de instructie schuilen waarbij het advies luidt ramen en deuren gesloten houden en de ventilatie afschakelen.

Het plangebied is bij alarmeren gedekt via het waarschuwings- en alarmeringssysteem. Het beleid van het Ministerie van Veiligheid en Justitie is met ingang van medio 2018 het WAS uit te faseren. Dit betekent dat het WAS met ingang van deze datum niet meer gehandhaafd en onderhouden wordt door het Ministerie van V&J. NL-Alert is een nieuw alarmmiddel van de overheid voor alarmering via de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid gericht mensen met een tekstbericht informeren. NL-Alert is met name bedoeld voor noodsituaties. In het bericht staat wat er aan de hand is en wat men het beste kan doen. NL-alert kan ingezet worden als (aanvullend) alarmmiddel.

Daarnaast is het raadzaam bij een toxisch scenario rekening te houden met centraal afschakelbare ventilatievoorzieningen in het gebied.

In het kader van de beoogde woningbouw wordt geadviseerd om:

  • te voorzien in centraal afschakelbare mechanische ventilatie;
  • ontvluchting van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen van de risicobron (N279) af te situeren;


Conclusie

Het plangebied ligt niet binen de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een inrichting. Gezien de grote afstand tot transportassen voor risicovolle goederen wordt geen significante invloed uitgeoefend op het groepsrisico van omliggende risicobronnen. Bovenstaand is invulling gegeven aan de beperkte verantwoordingplicht. Externe veiligheidsaspecten leggen dan ook geen beperkingen op aan de ontwikkeling.

4.3 Flora en fauna

De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige ecologische hoofdstructuur (EHS).


Toetsing

Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming

De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.

Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een Natura 2000-gebied of een andersoortig beschermd natuurgebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Leudal' ligt op meer dan 1.500 meter ten zuidoosten van het plangebied. Gezien de geringe omvang van de ontwikkelingen de tussenliggende afstand, wordt geen invloed uitgeoefend.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid

De provinciale groenstructuur, bestaande uit goudgroene en zilvergroene natuurzones, is ruimtelijk vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Het plangebied ligt niet binnen of in de directe nabijheid van op provinciaal niveau beschermde natuurgebieden.

Soortenbescherming

De soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde 'algemene zorgplicht' (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.

Binnen het plangebied is geen bebouwing of noemenswaardige begroeiing aanwezig. De kans op aanwezigheid van beschermde soorten wordt daarmee verwaarloosbaar geacht.


Conclusie

Op basis van het voorgaande wordt een nader onderzoek naar het voorkomen van verschillende soortgroepen of effecten op beschermde gebieden niet noodzakelijk geacht. Vanuit de Wet natuurbescherming zijn er geen belemmeringen voor het voorgenomen plan.

4.4 Luchtkwaliteit

Als een project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitvoeren van een initiatief. De normen hiervoor staan beschreven in de Wet milieubeheer en in het besluit NIBM. Een ontwikkeling van niet meer dan 1.500 woningen met 1 ontsluitingsweg is aangemerkt als NIBM. Middels het voorliggende uitwerkingsplan worden 2 woningen mogelijk gemaakt, waarmee het plan ruim onder de norm van 1.500 woningen blijft. Luchtkwaliteitseisen werken dan ook niet belemmerend voor het plan.

 

4.5 Water

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer.


Waterbeleid

Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het gezamenlijke Waterbeheersplan 2016-2021 van waterschappen Peel en Maasvallei en Roer en Overmaas, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Provinciaal Waterplan 2016-2021, het Nationaal Waterplan, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:

  • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);
  • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).


Kenmerken van het watersysteem

Onderstaand wordt ingegaan op de kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het projectgebied (en omgeving).

Oppervlaktewater

Binnen het plangebied en de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig waarmee bij de ontwikkeling rekening dient te worden gehouden.

Grondwater

Op basis van het POL2014 ligt het plangebied niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied. Wel ligt het plangebied binnen de Roerdalslenk zone III. Op grond van de Omgevingsverordening Limburg worden beperkingen gesteld aan activiteiten die invloed kunnen hebben op diepe grondwatervoorraden. Het is niet toegestaan bodemroerende activiteiten te ontplooien, of bodemenergiesystemen te hebben beneden 80 m - mv. De Omgevingsverordening is afzonderlijk van het uitwerkingsplan van toepassing. In dit uitwerkingsplan zijn dan ook geen regels gesteld ten aanzien van de ligging in de Roerdalslenk zone III. Aangezien in het kader van de voorgenomen woningbouw geen diepe grondboringen voorzien zijn, vormt de ligging binnen de Roerdalslenk geen belemmering.


Hemelwater en afvalwater

Bij de uitwerking van de bouwplannen zal op eigen terrein geïnfiltreerd worden, rekening houdend met de eisen die de gemeente Leudal en het waterschap hieraan stellen qua dimensionering. Hieraan zal bij de omgevingsvergunningaanvraag voor het bouwen worden getoetst. Het te infiltreren hemelwater mag geen overlast geven richting de aangrenzende percelen.

Het afvalwater zal worden aangesloten op het reeds aanwezige rioolstelsel.


Overleg waterbeheerder

Overleg met het Waterschap Limburg is niet noodzakelijk aangezien een toename van de oppervlakteverharding plaatsvindt van minder dan 1.000 m² en aangezien het plangebied niet ligt in een aandachtsgebied van het waterschap.

4.6 Wet geluidhinder

In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen.

Het plangebied ligt binnen de geluidszone van de Kloosterbaan. Op basis van de gemeentelijke verkeersmilieukaart kan echter worden geconcludeerd dat de geluidbelasting dusdanig is dat er geen belemmeringen voor de woningbouw zijn. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.UP18HyRozenhof-VG01_0004.png"   afbeelding "i_NL.IMRO.1640.UP18HyRozenhof-VG01_0005.png"  
Afbeelding 4. Uitsnede verkeersmilieukaart gemeente Leudal.  

4.7 Bedrijven en milieuzonering

Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen is het noodzakelijk een zekere afstand te behouden tussen (agrarische) bedrijven en woonbebouwing. Deze afstand (zonering) wordt bepaald door enerzijds de aard van het bedrijf en anderzijds door het karakter van zijn omgeving.

De beoogde woningen vormen geen functie die volgens de (indicatieve) brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Medewerking aan dit project is echter pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de woning gegarandeerd is, alsmede dat bedrijven in de omgeving door de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden gefrustreerd.

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven of instellingen gelegen die door de realisatie van de woningen in hun activiteiten belemmerd worden. Vanuit het aspect milieuzonering bestaan er kortom geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.8 Milieueffectrapportage

Toets m.e.r-plicht

In het plangebied worden twee bouwkavels voor vrijstaande woningen mogelijk gemaakt. Deze activiteit komt niet voor in Lijst C in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen.

Toets m.e.r.-beoordelingsplicht

In bijlage D van het Besluit m.e.r. is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. De ontwikkeling van woningen valt onder onderdeel D (11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.”

Op basis van jurisprudentie (ECLI: RVS:2017:694) dient bij de ebantwoording van de vraag of een ontwikkeling dient te worden aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject te worden gekeken naar de onderstaande aspecten:

  • de aard en omvang van de ontwikkeling;
  • de vormgeving en opzet;
  • de schaalgrootte;
  • de ligging;
  • de voorgenomen functie (wijziging), en;
  • de vraag of er sprake is van een bestaand of een te realiseren bouwwerk.

Ten aanzien van deze criteria is er wat betreft het voorliggende initiatief sprake van een ontwikkeling van beperkte omvang en schaalgrootte. Er is immers slechts sprake van de realisatie van twee vrijstaande woningen op een inbreidingslocatie binnen een bestaande woonkern, op gronden waarvoor reeds op basis van het vigerende bestemmingsplan woningbouw voorzien is.

Op dit moment maakt het plangebied onderdeel uit van de tuinen van aangrenzende woningen, waarbij de gronden onbebouwd zijn en ontdaan van begroeiing. De bouwkavels zijn gelegen binnen bestaand stedelijk gebied en worden volledig omringd door woningbouw. Evenmin is sprake is van ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied (zie paragraaf 4.1 tot en met 4.7). Kortom, er kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld.

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten

5.1 Planonderdelen

Het voorliggende uitwerkingsplan is vervat in planregels, een verbeelding en een toelichting.

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en / of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.

De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het uitwerkingsplan.

De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het uitwerkingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

Het voorliggende uitwerkingsplan is opgesteld conform het gemeentelijk Handboek en het vigerende bestemmingsplan 'Woonkernen Leudal 2017', de landelijke richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP 2012), alsmede de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).

5.2 Opzet planregels

5.2.1 Inleidende regels
5.2.1.1 Begrippen (art. 1)

In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Voor het gemak zijn enkele begrippen uit de Woningwet/Bouwverordening overgenomen.

5.2.1.2 Peil

In de begrippen is onder andere een definitie voor 'peil' weergegeven (artikel 1.105). Dit is in de volgende afbeelding gevisualiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.UP18HyRozenhof-VG01_0006.png"  
Afbeelding 5. Visualisatie van de verschillende definities van peil  
5.2.1.3 Voorerf-, achtererf- en zijerfgebied

Voor de definities van de begrippen 'achtererfgebied' (1.7) en 'voorerfgebied' (1.139) is zo veel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen in het 'Besluit omgevingsrecht'. Hieraan is een regeling toegevoegd voor het uitbreiden van woningen c.q. het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij woningen in hoeksituaties (7.4). Daarvoor is het begrip 'zijerfgebied' opgenomen in de regels. Dit is in de volgende afbeelding gevisualiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.UP18HyRozenhof-VG01_0007.png"  
Afbeelding 6. Voorerf-, achtererf- en zijerfgebied  
5.2.1.4 Wijze van meten (art. 2)

Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden.

In de onderstaande afbeelding is aangegeven hoe de goothoogte (2.2) en bouwhoogte (2.4 bij woningen met en zonder kap gemeten dienen te worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1640.UP18HyRozenhof-VG01_0008.png"  
Afbeelding 34. Goot- en bouwhoogte bij woningen met en zonder kap  
5.2.2 Bestemmingsregels

De regels van een bestemming worden conform de SVBP 2012 als volgt opgebouwd en benoemd:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • nadere eisen;
  • afwijken van de bouwregels;
  • specifieke gebruiksregels;
  • afwijken van de gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden
  • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;
  • wijzigingsbevoegdheid.

Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen.

In dit uitwerkingsplan is voor diverse bestemmingen een nadere eisenregeling opgenomen. Burgemeester en wethouders kunnen, binnen de reeds aangegeven begrenzingen van het uitwerkingsplan (gebruiks- en bouwregels), nadere eisen stellen aan plaats en afmeting van gebouwen indien dit noodzakelijk is voor de aspecten:

  • gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • verkeersveiligheid;
  • sociale veiligheid;
  • brandveiligheid en rampenbestrijding;
  • externe veiligheid;
  • benodigde parkeervoorzieningen;
  • benodigde waterberging.

Hieronder worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht.

Wonen

Conform de uitwerkingsregels van het moederplan is aangesloten bij de woonbestemming van het bestemmingsplan Woonkernen Leudal 2017. In overeenstemming met de gemeentelijke standaard is voor woondoeleinden slechts één bestemming opgenomen, namelijk 'Wonen'. Hierin is tevens de voor- en achtertuin geregeld. Deze bestemming is opgenomen voor het gehele plangebied. De regeling is zeer flexibel gehouden, met als gevolg dat er bij het bouwen, verbouwen of veranderen van een woning aan maar weinig voorwaarden voldaan hoeft te worden.

Binnen de woonbestemming is het toegestaan aan huis verbonden beroepen uit te oefenen. Volgens jurisprudentie kan het gebruik van ruimten in woningen voor de uitoefening van een ambt, beroep of praktijk niet afhankelijk worden gesteld van een omgevingsvergunning. Daarom is in de gebruiksregels opgenomen dat een aan huis verbonden beroep rechtstreeks is toegestaan maar dat de woonfunctie de hoofdfunctie dient te blijven.

Er gelden een aantal specifieke bouwregels binnen de woonbestemming. Het hoofdgebouw mag enkel binnen het bouwvlak worden gebouwd. Tevens is in de regels aangegeven dat de woning moet worden gebouwd binnen een denkbeeldig vlak dat wordt begrensd door de voorgevelrooilijn en een denkbeeldige lijn op 15 meter evenwijdig aan de voorgevelrooilijn. Bijbehorende bouwwerken mogen ook daarachter, op het achtererf worden opgericht.

Woningen mogen enkel op de begane grond worden uitgebreid. Uitbreiding op de verdieping is mogelijk met een afwijking van het uitwerkingsplan.

Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Door middel van een afwijking door middel van een omgevingsvergunning is het onder voorwaarden mogelijk buiten het bouwvlak te bouwen.

5.2.3 Algemene regels

De Anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk.

In de Algemene bouwregels is een bepaling opgenomen met betrekking tot ondergronds bouwen, over ondergeschikte bouwdelen en over bestaande maten.

In de Algemene gebruiksregels is een nadere bepaling opgenomen met betrekking het gebruik van de gronden.Tevens zijn regels opgenomen met betrekking tot het houden van evenementen en het innemen van verkoopstandplaatsen.

De Algemene afwijkingsregels en Algemene wijzigingsregels verschaffen het bevoegd gezag c.q. burgemeester en wethouders de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn.

In de Algemene afwijkingsregels is een regeling opgenomen ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten en overige woonurgenten. Deze regels bevatten een doorvertaling van de op 13 oktober 2015 door de gemeenteraad van Leudal vastgestelde kadernotitie 'Huisvesting arbeidsmigranten en overige woonurgenten in Leudal'. De mogelijkheden voor genoemde vormen van huisvesting zijn opgenomen in de afwijkingsregels voor realisering van kamerbewoning. Deze kan worden gerealiseerd in:

  • a. gebouwen en/of gebouwencomplexen, niet zijnde reguliere (bedrijfs)woningen;
  • b. reguliere bedrijfswoningen;

Short-stay huisvesting van arbeidsmigranten is uitsluitend toegestaan in de onder a.genoemde gevallen. In reguliere (bedrijfs)woningen (sub b.) is huisvesting van arbeidsmigranten alleen toegestaan als mid-stay huisvesting.

Onder kamerbewoning verstaat dit uitwerkingsplan het bewonen van onzelfstandige woonruimte, niet zijnde het verstrekken van logies. Een onzelfstandige wooneenheid is een woonruimte die geen eigen toegang heeft en welke niet door een huishouden kan worden bewoond, zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte, waarbij keuken, toilet, badkamer en douche als wezenlijke voorzieningen worden aangemerkt. Een zelfstandige wooneenheid is een woonruimte met een eigen toegang en eigen wezenlijke voorzieningen, waarbij keuken, toilet, badkamer en douche als wezenlijke voorzieningen worden aangemerkt. Een woonruimte waarvan de vertrekken uitkomen op een gemeenschappelijke gang of hal, maar met eigen keuken, douche en toilet, is eveneens een zelfstandige woonruimte.

Met deze regel wordt voorkomen dat een pand/woning in zijn geheel kan worden 'opgeknipt' in meerdere zelfstandige wooneenheden (dan zou immers sprake zijn van woningsplitsing).

In de Algemene wijzigingsregels is ter voldoening aan de beleidsuitgangspunten in de regionale Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee burgemeester en wethouders bouwtitels in dit uitwerkingsplan kunnen verwijderen indien hiervan gedurende een aantal jaren geen gebruik is gemaakt.

De   Algemene procedureregels bevatten alleen nog procedureregels voor het stellen van nadere eisen als bedoeld in artikel 3.6, lid 1 sub d van de Wet ruimtelijke ordening. Voor alle overige procedures zijn reeds procedureregels opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsverplichting) en in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunningen).

In de Overige regels zijn de overige zaken geregeld die niet elders kunnen worden ondergebracht. Hierin is een regel opgenomen die aangeeft dat, waar een enkelbestemming samenvalt met een dubbelbestemming geldt primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming. Tevens wordt aangegeven welke dubbelbestemmingen prevaleren boven andere dubbelbestemmingen indien deze samenvallen.

Daarnaast zijn regels opgenomen waarin is vastgelegd dat bij ontwikkelingen voldaan dient te te worden aan de door de raad vastgestelde parkeernormen. Daarbij wordt verwezen naar de Nota Parkeernormen 2016.

5.2.4 Overgangs- en slotregels

In de regel Overgangsrecht is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan.

In de Slotregel is aangegeven op welke wijze de regels van het uitwerkingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 6 Haalbaarheid

6.1 Financiële uitvoerbaarheid

Op 1 juli 2008 is als onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In de Grexwet is bepaald dat de gemeente verplicht is om bij het vaststellen van een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan c.q. uitwerkingsplan, maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat alle kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om haar kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de exploitant.

In het voorliggende geval is een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente, waarmee het kostenverhaal is afgedekt. Het is daarom ook niet nodig een exploitatieplan vast te stellen.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Aangezien sprake is van een uitwerkingsplan, wordt geen inspraakprocedure doorlopen. Het uitwerkingsplan zal direct als ontwerp ter inzage worden gelegd. De te volgen procedure is omschreven in paragraaf 6.3.

6.3 Procedure

Een uitwerkingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit houdt in dat het ontwerp-uitwerkingsplan na behandeling in het college van burgemeester en wethouders wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage wordt gelegd. Belanghebbenden kunnen in die zes weken hun zienswijze kenbaar maken bij de gemeente. Binnen acht weken na afloop van de termijn van terinzagelegging stelt het college van burgemeester en wethouders het uitwerkingsplan vast. Daarbij worden de ingediende zienswijzen betrokken. Tegen de vaststelling van een uitwerkingsplan staat rechtstreeks beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Hoofdstuk 7 Handhaving

Een bestemmingsplan c.q. uitwerkingsplan is voor de gemeente een belangrijk instrument om haar ruimtelijk beleid vorm te geven. Door middel van een combinatie van positieve bestemmingen en het uitsluiten van bepaalde activiteiten en functies kan een sturing plaatsvinden van gewenste en ongewenste ontwikkelingen. Een belangrijk aspect hierbij is de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan c.q. uitwerkingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen vasthouden. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle bewoners en gebruikers dienen door de gemeente op een zelfde wijze daadwerkelijk aan het plan worden gehouden.

In dit uitwerkingsplan is daarom allereerst gestreefd naar een zo groot mogelijke eenvoud van in het bijzonder de planregels. Hoe groter de eenvoud (en daarmee de toegankelijkheid en leesbaarheid), hoe groter in de praktijk de mogelijkheden om toe te zien op de naleving van het plan. Bewust zijn in het plan geen detailbepalingen opgenomen die – hoewel misschien op zichzelf niet onwenselijk – in de praktijk niet kunnen worden gehandhaafd. In het verlengde daarvan is zoveel mogelijk afgezien van bepalingen die door de bewoners en andere gebruikers als een onnodige beperking van hun vrijheid kunnen worden gevoeld. Hoe minder knellend de planregels zijn, hoe kleiner de kans dat het met de regels wat minder nauw wordt genomen. In de praktijk worden op den lange duur immers ook alleen die regels gerespecteerd waarvan door de betrokkenen de noodzaak en de redelijkheid wordt ingezien.

In de bouwregels zijn maten opgenomen die van toepassing zijn op gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Te realiseren gebouwen en andere bouwwerken moeten voldoen aan deze maatvoering, zo niet, dan kan het college van burgemeester en wethouders geen omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen.

Gebruiksregels zijn opgenomen om gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken en ongewenste ontwikkelingen uit te sluiten. Toetsing aan de gebruiksregels is aan de orde bij functiewisseling of nieuwvestiging.

Het gemeentebestuur draagt de verantwoordelijkheid om toe te zien op de naleving van de opgenomen regels in het uitwerkingsplan.

Hoofdstuk 8 Communicatie

De communicatie met betrekking tot het uitwerkingsplan vindt via de geijkte kanalen plaats. Publicatie vindt plaats in de Staatscourant, het Gemeenteblad Leudal, op de gemeentelijke website en via www.ruimtelijkeplannen.nl.