| Plan: | Heide 24 te Heythuysen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1640.BP23HyHeide24HEYTH-VG01 |
Initiatiefnemer is eigenaar van de locatie Heide 24 te Heythuysen. Op deze locatie is sprake van een burgerwoning (VAB-locatie) met landbouwgrond. De eigenaar van de locatie heeft het plan opgevat om op de agrarische gronden een vijftal ecolodges (achter op het perceel) te realiseren.
Deze plannen zijn niet rechtstreeks mogelijk binnen het vigerende bestemmingsplan. Hiervoor dient het vigerende bestemmingsplan te worden gewijzigd om de realisatie van deze plannen mogelijk te maken.
Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken, dient de vigerende bestemming te worden gewijzigd, dit kan in de vorm van een herziening van het bestemmingsplan. Tijdens ambtelijk overleg tussen de gemeente Leudal en initiatiefnemer heeft de gemeente Leudal aangegeven dat ze vanuit het vigerende beleid in principe geen belemmeringen zien voor onderhavig planvoornemen.
De als bijlage 1 bijgevoegde brief betreft de instemming van het College van B&W. Het plan is ook voorgelegd aan de gemeenteraad van Leudal met de mogelijkheid om te reageren. Hier is door de gemeenteraad geen gebruik van gemaakt.
Uitsnede topografische kaart met aanduiding plangebied
Zoals in bovenstaande figuur is te zien is het plangebied gelegen ten noorden van de kern van Heythuysen en ten zuidwesten van de kern Heibloem. Verder is het plangebied gelegen in het buitengebied aan de doorgaande weg Heide.
Het plangebied Heide 24 te Heythuysen is kadastraal bekend als gemeente Heythuysen, sectie L, nummer 34.
De locatie is gelegen binnen de plangrenzen van de gemeente Leudal. Ter plekke van de locatie Heide 24 te Heythuysen vigeert het bestemmingsplan 'Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016' van de gemeente Leudal, dat op 4 september 2019 is vastgesteld.
De volgende bestemming is voor het plangebied van toepassing:
Enkelbestemmingen:
Dubbelbestemming:
Aanduidingen:
Het realiseren van het planvoornemen is niet mogelijk volgens het vigerende bestemmingsplan. Binnen de bestemming 'agrarisch met waarden - 1' zijn geen bouw- en gebruiksmogelijkheden voor onderhavig planvoornemen opgenomen. Derhalve is het planvoornemen strijdig met de vigerende bestemming.
De nieuwe bebouwing met bijbehorende voorzieningen moeten een toegepaste bestemming krijgen. De woonbestemming blijft met onderhavig planvoornemen ongewijzigd. Om het bestemmingsplan te kunnen wijzigen is onderhavig bestemmingsplan opgesteld. Om te komen tot een goed en duurzaam plan, heeft er ambtelijk vooroverleg met de gemeente Leudal plaatsgevonden.
Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan
Het plangebied betreft een agrarisch perceel direct ten noorden van de Asbroekerheide. De Asbroekerheid is in het verleden aangeplant als bos/natuurgebied. Dit perceel betreft een ontginningsperceel en is de afgelopen decennia altijd agrarisch in gebruik geweest.
Het plangebied is zoals in hoofdstuk één beschreven gelegen in het buitengebied van Heythuysen aan de straat Heide op enkele kilometers afstand van de zuidelijk gelegen kern van Heythuysen. Dit betreft een weg in het buitengebied met enig verkeer. Er is aan deze weg sprake van een mix van agrarische bedrijven en burgerwoningen. Het ruimtelijk kader wordt gevormd door de bebouwing, de omliggende landbouwgronden, de aanwezige bossen en de openbare wegen.
De locatie is reeds in haar huidige vorm enkele jaren aanwezig. De woonlocatie kenmerkt zich door de aanwezigheid van de woning met bijbehorende bouwwerken met daarom heen een agrarisch perceel van ruim 1 hectare dat voor akkerbouwdoeleinden in gebruik is. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar het landschappelijk inpassingsplan dat is bijgevoegd.
Luchtfoto met aanduiding plangebied en omgeving
In functioneel opzicht kan het plangebied wordt gekenschetst als een agrarisch gebied grenzend aan het ten zuiden gelegen natuurgebied. Daarmee is er sprake van een overgangszone.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het Rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid. Het Rijksbeleid wordt besproken aan de hand van de Nationale omgevingsvisie. Voor de beschrijving van het provinciale beleid is gebruik gemaakt van het Provinciale omgevingsvisie (Povi). Het gemeentelijke beleid is ontleend aan het vigerende bestemmingsplan 'Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016' en de structuurvisie.
Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel (behalve paragraaf 4.9). De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:
- ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
- duurzaam economisch groeipotentieel;
- sterke en gezonde steden en regio's;
- toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes.
Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven:
- Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies.
- Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal.
- Afwentelen wordt voorkomen.
De nationale overheid richt zijn in de NOVI zich op 21 verschillende nationale belangen:
1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving.
2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit.
3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties.
4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.
5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften.
6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem.
7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit.
8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving.
9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten.
10. Beperken van klimaatverandering.
11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2- arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur.
12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen.
13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie.
14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit).
15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater.
16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat.
17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit.
18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie.
19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang.
20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit.
21. Ontwikkelen van een duurzame visserij.
Toetsing
Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie.
De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van nationale en provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) respectievelijk provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen.
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 13 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen.
Het Barro is op 30 december 2011 deels in werking getreden en met enkele onderwerpen aangevuld per 1 oktober 2012. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen.
In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.
Daarnaast is ook het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) per 1 oktober 2012 op onderdelen gewijzigd. In artikel 3.1.6 van het Bro is de 'ladder voor duurzame verstedelijking' opgenomen. Deze ladder stelt eisen aan de onderbouwing in bestemmingsplannen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken. Hiervoor moeten dan 3 stappen worden doorlopen:
De eerste vraag is echter: is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling? De realisatie van vijf nieuwe recreatiewoningen zijn op basis van jurisprudentie niet aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Derhalve is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing voor onderhavig planvoornemen.
Provinciale Staten van Limburg hebben op 1 oktober 2021 de provinciale Omgevingsvisie (POVI) vastgesteld. Dit betreft een integrale herziening van het (voorafgaande) POL2014. In het POVI is de provincie opgedeeld in zoneringen.
Onderhavig plangebied is gelegen binnen de zonering 'Buitengebied'.
Uitsnede Povi met aanduiding plangebied
Buitengebied
De gronden die gelegen zijn in de zone 'Buitengebied' betreffen alle gronden in het landelijk gebied die niet zijn gelegen in de 'Natuurnetwerk' of 'groenblauwe mantel'. Het betreffen met name gronden met een agrarisch karakter, waarbij (o.a.) ruimte wordt gegeven voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven. De provinciale beleidsaccenten in de zone 'Buitengebied' zijn gericht op ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe (landbouw)bedrijfslocaties, het terugdringen van de milieubelasting vanuit de landbouw en de kwaliteit en het functioneren van de ondergrond.
Toetsing plan
Het planvoornemen is passend binnen deze aanduiding/zonering. Er is sprake van een toevoeging aan bebouwing waarvoor een ruimtelijke kwaliteitsverbetering wordt geleverd. De locatie aan de rand van het natuurgebied, doch niet in het natuurgebied, is passend bij het concept van de ecolodges. Derhalve wordt er ruimte geboden aan onderscheidende recreatieve initiatieven op locaties die geen bijzondere (natuur) waarden bezitten.
Hoofdopgaven
In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk:
- het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijkals in het bebouwde gebied;
- een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie);
- klimaatadaptatie en energietransitie.
Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt vervolgens een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst.
Inhoud
De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen;
- een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s;
- een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg.
Vrijetijdseconomie
De provincie Limburg wil het vakmanschap in de (water)recreatiesector versterken en bevordert dat ondernemers, overheden en kennisinstellingen samenwerken aan een goede fysieke infrastructuur. Ook wordt het delen van data en kennis, het vormen van sterke netwerken en het ontwikkelen van een gezamenlijke marketingstrategie, die gericht is op de juiste doelgroepen bevorderd. Een specifiek aandachtspunt daarbij is het voorkomen van overdruk om recht te doen aan belangen van inwoners.
De voorkeur gaat uit naar het verhogen van de kwaliteit van het aanbod. Een kwantitatieve uitbreiding van het aanbod is alleen mogelijk als dit niet leidt tot verdringing en leegstand. Dit geldt zowel voor verblijfs- als dagrecreatie.
Dagrecreatieve voorzieningen zoals bioscopen, casino’s, kartbanen en trampolineparken horen thuis in het ‘bebouwd gebied’ (‘stedelijk gebied’, ‘stedelijke centrumgebied’ en ‘landelijke kern’). Dit type voorzieningen en andere functies (zoals detailhandel en horeca) versterken elkaar en kunnen daardoor met name de vitaliteit van stedelijke centra versterken. De schaal van de voorziening dient te passen bij de schaal van de kern. In het buitengebied en de groenblauwe mantel zijn alleen initiatieven voor vrijetijdseconomie mogelijk die daar functioneel aan gebonden zijn, zoals een kampeerterrein, een dagstrand, agrotoerisme of een visvijver voor de sportvisserij. Een uitzondering hierop is het vestigen van een grootschalige (boven)regionale dagrecreatieve trekker in het buitengebied; indien de beoogde locatie bij een integrale afweging de meest optimale locatie blijkt.
De provincie blijft de voorkeur geven aan het gebruik van monumenten en beeldbepalende gebouwen voor de vestiging van nieuwe initiatieven op het gebied van vrijetijdseconomie, als daar kwantitatief en kwalitatief behoefte aan is. Het blijft wenselijk harde planvoorraad voor vrijetijdseconomie waarvoor geen zicht op realisatie is, te schrappen. De harde planvoorraad belemmert goede nieuwe initiatieven.
De provincie blijft voorstander van afspraken over kwantiteit en kwaliteit van verblijfsrecreatie en hotels op regionale schaal. De kwaliteitsslag die is ingezet voor bungalowparken en kampeerterreinen moet worden voortgezet en aangevuld met een kwaliteitsslag voor hotels. Bij deze kwaliteitsslag wordt in een maatwerkaanpak per individuele onderneming de gewenste doorontwikkeling bepaald. Mogelijke opties zijn daarbij onder meer: een verdere doorontwikkeling van het bedrijf, eventueel in combinatie met een kwaliteitsverbetering; een herontwikkeling van de bestaande locatie binnen de vrijetijdseconomie; een transformatie/sanering van de bestaande locatie naar een andere functie. Hier kan sprake zijn van een nieuwe functie voor bestaande gebouwen, sloop van die gebouwen of een combinatie daarvan.
Het beleid om het gebruik van recreatieverblijven voor andere functies dan verblijfsrecreatie, zoals permanent en tijdelijk wonen, te verbieden wordt gecontinueerd. In afwijking van het voorgaande blijft, in het kader van de revitalisatie c.q. sanering van vakantieparken en kampeerterreinen, onder voorwaarden tijdelijke huisvesting van short-stay internationale werknemers toegestaan voor maximaal tien jaar.
De vrijetijdseconomie vormt een belangrijke pijler in Limburg. Voor een florerende vrijetijdseconomie zijn de kwaliteit van landschap en natuur, aantrekkelijke steden en een goede bereikbaarheid van belang. Een stabiele balans is nodig tussen:
- beleving en bescherming van landschap en natuur;
- belangen van toeristen, recreanten en inwoners;
- uiteenlopende wensen van verschillende groepen recreanten;
- de verschillende groepen in het landelijk gebied die gebruik maken van dezelfde infrastructuur.
Vraag en aanbod van verblijfsaccommodaties dienen beter in balans gebracht te worden, zowel kwantitatief als kwalitatief. Meer van hetzelfde leidt tot verdringing en leegstand. Een voortdurende kwaliteitsslag is nodig om nieuw en bestaand aanbod aan te passen aan de veranderende vraag van zowel vaste als nieuwe gasten. Een goede kwalitatieve onderbouwing is essentieel.
Toerisme en recreatie
De vele natuurparken, de Maasplassen en de unieke landschappelijke kenmerken van Midden–Limburg, gecombineerd met een grote concentratie van cultuurhistorisch waardevolle plekken met beschermde stads- en dorpsgezichten en monumenten, maken de regio een aantrekkelijke bestemming voor bezoekers. De toeristisch-recreatieve sector is een belangrijke economische motor voor de regio.
De provincie zet in op bevordering van de kwalitatieve groei van toerisme boven kwantitatieve groei. Daarbij wordt gezorgd dat de groei in goede balans blijft met andere belangen zoals landschap en natuur. Op het gebied van toerisme en recreatie wordt de triple helix-aanpak ondersteund - de samenwerking tussen bedrijfsleven, onderwijs en overheid - zoals die van Keyport. Tevens worden de vitale functies van de binnensteden van Roermond en Weert behouden, die een belangrijke rol voor de regio vervullen. Er wordt ingezet op de bereikbaarheid van deze centra per fiets en met het openbaar vervoer. Hierdoor worden de kernen en steden leefbaar gehouden en wordt een bijdrage geleverd aan de gezondheid van de inwoners en aan de verduurzaming van de mobiliteit.
Toetsing plan
Het onderhavige planvoornemen voorziet in de realisatie van vijf kwalitatieve vakantiewoningen in een daarvoor nieuw te bestemmen gebied. Hierbij zijn maximaal 24 bedden/personen toegelaten. Planologisch gezien vindt er daarmee een toename van het aantal verblijfsrecreatieve voorzieningen plaats. Het planvoornemen geeft tevens invulling aan de kwantitatieve behoefte voor vakantiewoningen binnen Midden-Limburg en draagt bij aan de kwaliteitsslag. Geen van de bovengenoemde belangen zijn bij de ontwikkeling van het plangebied in het geding maar dragen juist bij aan de beoogde doelstellingen. De beoogde ontwikkeling is kortom niet in strijd met de visie zoals deze is opgenomen in de POVI.
Onderzoek Vitaliteit verblijfsrecreatie Limburg
Het in opdracht van de provincie uitgevoerde onderzoek “Vitaliteit Verblijfsrecreatie Limburg” (ZKA, juni 2015) constateert, dat het kwantitatieve aanbod van bungalowparken en campings in de provincie de vraag overschrijdt en de kwaliteit onvoldoende aansluit bij de snel veranderende eisen en wensen van de consument. Er is geen behoefte aan ‘meer van hetzelfde’. Het onderzoek formuleert als belangrijke ontwikkelingsvoorwaarden voor Midden-Limburg:
Versterk randvoorwaarden door:
1. Programma-aanpak
2. Verantwoorde huisvesting
3. Waterrecreatie beleving
4. Vrijetijdslandschap
In het onderzoek wordt ook aangegeven hoe de sector kan worden versterkt en wat de rol van de provincie daarbinnen is. Het volgende is daarbij van belang voor de onderhavige ontwikkeling.
- Het provinciaal economisch beleid moet gericht zijn op het stimuleren van klimmers, waarbij onder
meer het ondernemingsklimaat wordt verbeterd door versterking van ondernemers die hiertoe in staat zijn.
- Het provinciaal ruimtelijk beleid moet gericht zijn op het begeleiden van dalers en stimuleren van klimmers. Hierbij is onder meer van belang dat wordt overgegaan op programmering en quotering van het aanbod, want de kern van de opgave ligt juist in het begeleiden van dalers: het saneren van het niet-marktconforme (vaak gedateerde) aanbod. Tegelijk moeten nieuwe ontwikkelingen zorgvuldig worden afgewogen en optimaal worden gefaciliteerd.
- De provincie moet een hervormingsbeweging op gang brengen, waarbij bedrijven verantwoordelijk zijn voor hun eigen toekomst. Om deze toekomst te bepalen gaat de provincie met de bedrijven in gesprek om afspraken te maken.
De markt vergrijst en krimpt. Dominante verblijfsrecreatie leefstijlsegmenten zijn blauw en geel. De mix van accommodaties en omgevingskwaliteit is voor verbetering vatbaar en het toeristische product rondom de Maasplassen staat met de rug naar het water. De destinatiemarketing van Midden-Limburg wordt beperkt effectief beoordeeld door verblijfsrecreatieondernemers en marktpartijen. Op ca. 50% van de bedrijven worden arbeidsmigranten gehuisvest en/of permanent gewoond. Tegelijk is de drive en het marktperspectief van de watersportsector groot. Verblijfsrecreatie heeft een middelmatig marktperspectief en is sterk afhankelijk van de ligging. Op termijn dreigen ca. 400 recreatiebungalows en 300 kampeerplaatsen het contact te verliezen met de toeristische markt. Midden-Limburg heeft een potentieel aantrekkelijk toeristisch profiel maar benut dit nog onvoldoende.
Toetsing plan
Onderhavig planvoornemen sluit goed aan hierbij met een kleinschalig onderscheidend nieuw en duurzaam concept.
Omgevingsverordening Limburg
De Omgevingsverordening Limburg is in december 2021 door Provinciale Staten van Limburg behandeld. Deze verordening is met de inwerking treding van de Omgevingswet in werking treden. Ten aanzien van onderhavig planvoornemen kan worden aangegeven in relatie tot deze nieuwe verordening dat het planvoornemen passend is binnen de opgenomen beleidsdoelstellingen en algemene regels. Dit omdat er geen sprake is van strijdigheden met opgenomen regels, er is sprake van een onderscheidend kleinschalig concept waarbij sprake is van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering.
Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers.
Volgens de kaart ‘Wonen, werken en recreëren’ ligt het besluitgebied binnen het gebied ‘Buitengebied’ en meer specifiek binnen de thema’s detailhandel, kantoren, toerisme, werklocaties, verstedelijking en wonen.
Conform paragraaf 12.1.5 (artikel 12.6 lid 2 en lid 4) van de omgevingsverordening dient de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van voorzieningen in de vrijetijdseconomie het volgende te beschrijven:
‘een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie aan de bestaande voorraad of planvoorraad vrijetijdseconomie alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 15 (Landschap) van de provinciale omgevingsvisie en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Midden-Limburg.’
‘De motivering bij een omgevingsplan bevat:
a. een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het eerste, tweede of derde lid;
b. een beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en, wanneer dat aan de orde is, de verantwoording van de afstemming in (sub-)regionaal verband.’
Vrijetijdseconomie
In de toelichting op de Omgevingsverordening Limburg is hierover het volgende opgenomen:
‘Bij nieuwe ontwikkelingen op het gebied van vrijetijdseconomie zijn de Limburgse principes zoals opgenomen in de Provinciale Omgevingsvisie Limburg van belang, waaronder het zorgvuldig omgaan met ruimte. Dit houdt in dat er ruimte is voor nieuwe goede plannen in combinatie met het verbeteren van de kwaliteit van de bestaande voorraad, het terugdringen van leegstand en het schrappen van plannen die niet aansluiten op de vraag. Een actuele vraag-aanbodanalyse en een bedrijfsontwikkelingsplan zijn noodzakelijke elementen bij het onderbouwen van het toevoegen van een vestigingsmogelijkheid.’
Toetsing plan
In deze toelichting is in voldoende mate rekening gehouden met de in artikel 12 van de omgevingsverordening opgenomen instructieregels. Zoals volgt uit de paragraaf ‘Provinciale omgevingsvisie Limburg (POVI)’ past deze ontwikkeling binnen de POVI Limburg. In onderhavige toelichting (en zie bijlage 9) is een onderbouwing met betrekking tot de behoefte en bedrijfsvisie/bedrijfsontwikkelingsplan opgenomen. Tevens kan worden gesteld dat onderhavig planvoornemen voorziet in vijf nieuwe vakantiewoningen voor in totaal maximaal 24 personen (drie vakantiewoningen voor maximaal 4 personen en twee vakantiewoningen voor maximaal 6 personen). Met deze aantallen kan op basis van de POL-uitwerking op regionaal niveau worden gesteld dat onder de grens van 6 huisjes of een max. van 30 bedden wordt gebleven. Hierdoor is er conform de regionale afspraken geen regionale afstemming voor onderhavig planvoornemen nodig.
Met onderhavig plan is sprake van een onderscheidend plan (de duurzame en ecologische aspecten komen nadrukkelijk terug in dit kleinschalige plan waardoor er sprake is van een onderscheidend hoogwaardig plan dat wordt ingebed in een groene landelijke omgeving met nieuwe inrichtingskwaliteiten zoals weergegeven in het landschappelijk inpassingsplan.
Verder voldoet onderhavig plan aan de in de regels van onderhavig bestemmingsplan opgenomen uitgangspunten van een 'ecolodge'. Aan deze opgenomen principes zoals beschreven in artikel 1.48 van de regels voldoet het planvoornemen. Daarmee is het planvoornemen onderscheidend ten opzichte van 'reguliere' recreatiewoningen.
Vanuit de Omgevingsverordening Limburg bestaan kortom geen belemmeringen voor het beoogde planvoornemen.
Gelet op de uiteenzetting in deze paragraaf met betrekking tot het provinciale beleid, is voorliggend bouwplan daarmee niet in strijd.
De gemeente Leudal heeft op 2 februari 2010 haar structuurvisie vastgesteld. Op de kaart van deze structuurvisie is het plangebied gelegen in de 'Grootschalige dekzandlandschapszone'. Hierover vermeldt de structuurvisie het volgende:
'In een sikkel gelegen aan de noordgrens van de gemeente is de Grootschalige dekzandlandschapszone gelegen. Het is een open gebied dat begrensd wordt door de bosgebieden in de gemeente en de gemeentegrens.
Kenmerkend voor het gebied is de grooschalige, rationele opzet van de verkaveling. De bebouwingsdichtheden in het gebied zijn laag en met name gelegen langs de infrastructuur. De openheidheid van het gebied, in combinatie met structuurdragers zoals beplanting langs infrastructuur) wordt als waardevol beschouwd.
De grootschalige (grondgebonden) landbouw is sterk vertegenwoordigd in dit gebied, en draagt bij aan de landschappelijke kwaliteiten. Landbouw is de voornaamste functie in het gebied. Er komen weinig bebouwingsconcentraties voor, er zijn geen kernen binnen deze zone gelegen.
Voor dit gebied zijn de beleidsuitgangspunten voor de volgende thema’s van toepassing:
• Wonen en Woonomgeving;
• Economie en Werkgelegenheid;
• Omgevingskwaliteit;
• Mobiliteit.'
Onderhavig planvoornemen past binnen deze uitgangspunten van de gemeente Leudal. Er is in dit geval geen sprake van een grootschalige akker maar van een akker van ruim 1ha die gelegen is aan de rand van het natuurgebied en is ingesloten door de aanwezigheid van bos en een woning. De ontwikkeling is daarmee passend (ook gezien de ruimtelijke kwaliteitsverbetering).
In het beleidsplan recreatie en toerisme zijn gebieden aangewezen waar ontwikkelmogelijkheden zijn op het gebied van recreatie en toerisme. In de notitie 'Nadere verkenning mogelijkheden 'groene zone 'Leudal Noord Oost'' wordt het gebied aangeduid als 'De Jonge Ontginningsgebieden (noordoost zijde van Leudal)'. Vanwege de kwetsbaarheid van de aanwezige natuurwaarden enerzijds en de recreatieve potentie anderzijds is dit ontwikkelgebied nader bezien.
De ontwikkelmogelijkheden in het gebied zijn beperkt, gelet op de kernwaarden "rust, groen en ruimte", die in het bijzonder van toepassing zijn op dit gebied. Ontwikkelingen dienen daarom bij te dragen aan (de beleving van) deze kernkwaliteiten. Het beperkte aantal te realiseren eco-lodges (5 stuks) is haalbaar op deze locatie, zonder dat hierbij afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke waarden.
Onderscheidend vermogen
In het beleid is opgenomen dat er behoefte is aan meer diversiteit in het aanbod van Leudal: van klein tot groot, en van basic tot luxueus; middenin het landschap, bij of op het water, of in een karakteristiek historisch gebouw. Het beleid biedt kansen voor onderscheidende initiatieven van verblijf.
Het verblijf moet iets bijzonders bieden, het liefst passend in een thema, passend bij de omgeving en aansluitend bij het doel van het uitje: jezelf in alle rust en stilte opladen, 'echt even samen', genieten van de natuur. Kansen liggen er volgens het beleid op bijzondere overnachtingen welke inspelen op deze trend.
Toetsing plan
Wanneer onderhavig planvoornemen wordt getoetst aan deze beleidsuitgangspunten kan worden geconcludeerd dat het toegepaste concept 'Eco by Nature' op passende wijze invulling geeft aan de beleidsuitgangspunten. Het plan bevat voldoende onderscheidend vermogen ten opzichte van het bestaande aanbod in de gemeente Leudal.
Het initiatief is van hoogwaardige kwaliteit en bevindt zich in het hogere segment. De planvoornemen is om 5 kleinschalige recreatiewoningen te realiseren.
Het is een duurzaam concept waarbij de ecologische lodges voor meer dan 50% vervaardigd worden uit bio-based producten (houten gevel,biologische verf, houten skelet) en zullen een natuurlijke uitstraling krijgen. Zodoende wordt aangesloten op en zijn deze recreatiewoningen passend in de omgeving. De eco-lodges kennen een luxe design met hoogwaardige afwerking en zijn door de gezamenlijke zonnepanelen zelfvoorzienend ook met wateropvang. Hiermee is aangetoond dat het plan tegemoet komt aan de kwaliteitseisen die gesteld worden bij nieuwe initiatieven.
In dit hoofdstuk worden het plangebied, de huidige situatie en het project beschreven. Tevens wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de ruimtelijke effecten van het project.
Met onderhavig planvoornemen is het doel om een verblijfsrecreatieve bestemming t.b.v. 5 ecolodges en een centraal gebouw en bijbehorende voorzieningen ter plaatse van een huidig landbouwperceel mogelijk te maken.
Initiatiefnemer heeft het planvoornemen opgevat om op het omliggende agrarische perceel een recreatief bedrijf op te starten. Dit recreatieve bedrijf zal bestaan uit 5 ecolodges en een centraal gebouw (waar ondersteunende functies zoals een receptie- en kantoorruimte is voorzien. Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar het landschappelijk inpassingsplan (zie bijlage 2 bij de planregels).
Inzooming luchtfoto met aanduding plangebied
Het planvoornemen is om de vijf ecolodges op het achterterrein (zuidzijde perceel) te realiseren op behoorlijke afstand van elkaar. Het centrale gebouw wordt aan de voorzijde bij de parkeerplaats gerealiseerd. De overige gronden worden natuurlijk ingericht.
Het plan is dat er sprake is van een ecologische en milieuvriendelijke benadering waarbij rust van groot belang is. De ligging nabij het natuurgebied 'Asbroekerheide' is hierbij van belang omdat dit past binnen het totaalconcept van intiatiefnemer.
De ecologische lodges zullen in een rij geplaatst worden met de gevels naar het oosten gericht voor direct contact met ochtendlicht. Daarnaast zal er een receptie- en kantoorruimte gerealiseerd worden.
De ecolodges krijgen een afmeting van 10x5 meter + een aangebouw luifel/terras van 10x2,5 meter is in totaal 75m2 per ecolodge.
Het verschil tussen een reguliere recreatiewoning ten opzichte van onderhavig planvoornemen voor ecolodges is als volgt:
Standaard recreatiewoningen: Recreatiewoningen zijn vakantiehuisjes op een vakantiepark, camping of op het strand in de brede zin van het woord
Ecologische lodges: De definitie van een ecolodge is volgens de Nederlandse Encyclopedie: milieuvriendelijke toeristenaccomodatie.
Een ecolodge is op ecologische wijze ontworpen en gebouwd, heeft een minimale impact op de natuur en betrekt de lokale gemeenschap. Daarnaast helpt het aangrenzende gebieden te beschermen en biedt toeristen een participatieve ervaring.
Een authentieke eco lodge voldoet daarnaast aan drie fundamentele principes van ecotoerisme:
1. De natuur moet worden behouden en beschermd.
2. De lokale gemeenschap moet ervan profiteren. Dit kan door bijvoorbeeld banen te verschaffen tegen een eerlijk salaris, maatschappelijke projecten op te zetten of educatie te bieden.
3. Er moeten interpretatieve programma's worden aangeboden om zowel medewerkers als toeristen iets te leren over de natuurlijke en culturele omgeving.
Kortom, een ecolodge is een accommodatie waar de omgeving van profiteert en waar bezoekers de natuur op maximale wijze kunnen beleven.
Verder voorziet het planvoornemen in ondergeschikte dagreceatie op het open veld (yogales bijv.) (dit is ondergeschikte dagrecreatie die alleen gebruikt gaat worden voor/door de gebruikers die verblijven in de ecolodges. De ondergeschikte dagrecreatie wordt niet gebruikt door gebruikers die geen gebruik maken van de ecolodges.
Ook wordt er een moestuin aangelegd die bij de recreatiefuncties hoort (en niet bij de naastgelegen woning met woonbestemming).
Aan de noordwestzijde komt de inrit van het terrein met een parkeerterrein voor auto's van de gebruikers van de ecolodges (voor de inrichting hiervan wordt verwezen naar het landschappelijk inpassingsplan). Een gedeelte van het terrein behoudt haar agrarische bestemming en wordt ingericht als paardenwei.
Er worden verschillende groene zones aangelegd om de biodiversiteit te verhogen en er wordt voor gezorgd dat middels inheemse planten en bomen een natuurlijk overgang gecreëerd wordt met de nabijgelegen bosrand. De groene zones bevatten o.a. wilde bloemen om insecten en bijen aan te trekken, maar ook inheemse bomen en planten om de biodiversiteit te verhogen en zal fungeren als foerageer- en schuilplaatsen voor vogels en klein wild. De groene zones zullen in algehele zin een significante kwaliteitsverbetering van het voormalig agrarische stuk grondgebied met zich mee brengen.
Uitsnede planvoornemen
Bij de verdere uitvoering van het plan zal het plan eerst in het kader van de aan te vragen omgevingsvergunning worden voorgelegd aan de welstandscommissie/commissie ruimtelijke kwaliteit.
Zoals in paragraaf 3.2.2 beschreven is het plan zie bijlage 2 bij de planregels aan de kwaliteitscommissie voorgelegd en op 7 december 2023 en akkoord bevonden op 8 december akkoord bevonden.
Nabij het plangebied (straal van 250 meter) spelen op dit moment geen actuele ruimtelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen op grotere afstand van het plangebied hebben geen directe invloed op onderhavig planvoornemen en vice versa.
Bij de realisering van een planontwikkeling moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met aspecten uit de omgeving die een negatieve invloed kunnen hebben op het plangebied. Dit geldt omgekeerd ook voor de uitwerking die het project heeft op zijn omgeving. Voor de locatie zijn in dit hoofdstuk onder andere de milieuaspecten bodem, geluid, milieuzonering, luchtkwaliteit en externe veiligheid onderzocht.
In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: “de veroorzaker betaalt”. Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief “in situ” (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven.
Na de invoering van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving hebben provincies de bevoegdheid gekregen om zogenaamde attentiegebieden aan te wijzen. Dit zijn gebieden die archeologische waardevol zijn of naar verwachting waardevol zijn. Gemeenten zullen in dat geval verplicht worden hun bestemmingsplan(nen) in het desbetreffende gebied te herzien.
Gemeentelijk archeologiebeleid
De gemeente Leudal beschikt over eigen archeologiebeleid: Een archeologische beleidskaart voor de gemeente Leudal. Op deze beleidskaart is het plangebied deels gelegen binnen een hoge archeologische verwachtingswaarde ('Waarde - Archeologie 5').
Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Leudal
Ter plaatse geldt een vrijstellingsgrens van respectievelijk 1.000m2. Deze grens met het voorziene planvoornemen niet overschreden. Het planvoornemen voorziet in een verstoring van max. 650m2 bebouwing.
Het is niet uitgesloten dat tijdens de bodem verstorende werkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen. Dergelijke vondsten worden door initiatiefnemer direct gemeld bij de gemeente.
Gelet op vorenstaande vormt het aspect archeologie geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.
Cultuurhistorie speelt niet op onderhavige locatie. Er zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig ter plaatse van het plangebied.
Er kan worden geconcludeerd dat het aspect archeologie en cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.
Duurzame stedenbouw verbreedt de aandacht naar meer aspecten dan alleen de verkaveling en ontsluiting. Duurzaamheid gaat ook om een zuinig ruimtegebruik, milieuvriendelijkheid, veilig verkeer en vervoer en natuur en rekening houden met het waterhuishoudingsysteem, omgevingsinvloeden, landschapsstructuren en landschapselementen.
Dit betekent in de praktijk dat gelet moet worden op het materiaalgebruik, de vormgeving, gebruik van alternatieve energiebronnen, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen.
Duurzaam bouwen heeft een volwaardige plaats in het ontwerp, het bouwen en beheren van de bebouwing.
In onderhavig plan zijn met name de bouwkundige aspecten van belang. Deze worden verder uitgewerkt in de aanvraag voor omgevingsvergunning.
Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt.
Onderhavig planvoornemen voorziet tot de aanleg van extra nutsvoorzieningen. Daarnaast is ter plaatse van het plangebied sprake van de aanwezigheid van alle nutsvoorzieningen waar eventueel op kan worden aangesloten.
Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik.
Uitgangspunt van het Besluit bodemkwaliteit is dat de kwaliteit moet aansluiten bij de functie. Om hier invulling aan te geven heeft het RIVM voor zeven bodemfuncties referentiewaarden ontwikkeld voor een goede bodemkwaliteit. Deze zeven functies worden gebruikt in het gebiedsspecifieke beleid.
Voor toepassing in het generieke kader zijn deze zeven functies samengevoegd tot twee bodemfunctieklassen: wonen en industrie. De functies moes- en volkstuinen, landbouw en natuur zijn niet ingedeeld in een klasse. Hiervoor is gekozen omdat in gebieden met een van deze functies alleen schone grond of baggerspecie mag worden toegepast. Dat willen zeggen: grond en baggerspecie waarvan de kwaliteit voldoet aan de Achtergrondwaarden.
De bodemfunctieklassen beschrijven op hoofdlijnen het gebruik van de bodem in een gebied. Het indelen van een beheergebied in bodemfunctieklassen is de taak van gemeenten.
De bodemfunctieklassenkaart van de gemeente Leudal is volgens het generieke beleid opgesteld en geeft het gewenst of toekomstig bodemgebruik weer. Binnen de bodemfunctieklassenkaart wordt onderscheidt gemaakt in bodemfunctieklassen. De bodemfunctieklasse overig: landbouw/natuur is toegekend aan het plangebied.
De huidige (Wro) bestemming van het perceel is 'Agrarisch'.
De nieuwe bestemming is op deze locatie te vervatten onder de bodemfunctieklasse landbouw en sluit daarmee aan op de bestaande bodemfunctieklasse.
Aanvullend hier op heeft Aelmans ECO BV een historisch bodemonderzoek uitgeveord (NEN5725), zie bijlage 3. De conclusies van dit onderzoek zijn als volgt:
'Op basis van het verrichte onderzoek kan het volgende worden gesteld.
Uit de voorhanden zijnde historische informatie zijn geen aanwijzingen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van mogelijke bodemverontreinigingen en/of bodembedreigende activiteiten.
Daarnaast zijn tijdens de terreininspectie, voor zover mogelijk, geen aanwijzingen geweest, welke zouden kunnen wijzen op enige vorm van bodemverontreiniging.
Ten aanzien van de locatie luidt, op basis van vorenstaande, de hypothese: onverdacht.
Van belang is voorts dat de verantwoordelijkheid van Aelmans Eco B.V. voor het historisch bodemonderzoek beperkt is tot de resultaten ten grondslag liggende en de op het moment van onderzoek ter beschikking staande gegevens.'
Gelet op vorenstaande is een aanvullend bodemonderzoek niet noodzakelijk en vormt het aspect bodem geen belemmeringen voor de beoogde planontwikkeling.
In onderhavig geval is sprake van het realiseren van een zogenaamd kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object. Het beleid is derhalve van toepassing. Derhalve is er een afweging gemaakt inzake externe veiligheid.
Beleid
Het beleid in het kader van de externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving voor wat betreft handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer van deze stoffen.
Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, vloeit de verplichting voort om in het kader van ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico's worden beoordeeld op twee soorten risico: het groepsrisico en het plaatsgebonden risico.
Groepsrisico
Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen tegelijkertijd komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek. In het Bevi is een verantwoordingsplicht binnen het invloedsgebied opgelegd, i.c. het gebied binnen de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens, zijnde de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf.
Voor elke verandering van het groepsrisico, dit kan een af- of toename zijn, in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd. Deze verantwoording ziet toe op de wijze waarop de toelaatbaarheid van de verandering van het groepsrisico in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico, worden ook andere aspecten meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Hieronder vallen onder meer de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid van een calamiteit.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans dat een onbeschermd individu in een jaar komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron. Voorbeelden van risicobronnen zijn bedrijven, wegen en spoorlijnen. De 10-6-contour is de maatgevende grenswaarde. Dit houdt in dat er een kans van 1 op 1 miljoen is op overlijden.
(Beperkt) kwetsbare objecten
Er moet getoetst worden aan de richtlijnen voor vervoer van gevaarlijke stoffen, waarbij de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten wordt toegestaan. Voorbeelden van dergelijke objecten zijn woningen, ziekenhuizen, scholen, hotels en restaurants.
Situatie plangebied
In de nabije omgeving (binnen 350m van het plangebied) van het plangebied zijn geen inrichtingen of leidingen gelegen. Op grotere afstand zijn propaantanks van locaties gelegen (in het gebied is geen aardgas aanwezig). De plaatsgebonden risicocontour is gelegen buiten het plangebied . Kortom, deze propaantanks vormen geen belemmering voor het planvoornemen.
Transportroutes gevaarlijke stoffen
Op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet hoeven er (in principe) geen beperkingen aan het ruimtegebruik te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt.
De in de omgeving van het bouwplan gelegen N279 is gelegen op een afstand van ca. 1,4 km van het plangebied. Gezien deze afstand van ruim meer dan 200 m van de N279 kan worden gesteld dat er in het kader van het groepsrisico geen nadere verantwoording afgelegd dient te worden. Kortom, de N279 vormt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen.
Transportleidingen
Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. Deze AMvB regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen, zoals aardgas.
Bij de vaststelling van het bestemmingsplan, op grond waarvan de bouw van een kwetsbaar object bij een buisleiding wordt toegelaten:
In de omgeving van het plangebied bevinden zich binnen 1km van de grens van het plangebied geen transportleidingen. Gezien deze afstand vormen transportleidingen geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied
Conclusie externe veiligheid
Als gevolg van onderhavige planontwikkeling ontstaan er geen (extra) risico's in het kader van externe veiligheid. Daarbij kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid in casu goed te noemen is. Ook is de bereikbaarheid van de locatie bij een eventuele calamiteit goed (meerdere zijden bereeikbaar). Hierdoor is de planontwikkeling in het kader van de externe veiligheid verantwoord te noemen.
Gelet op vorenstaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.
Met betrekking tot het aspect geluid kan sprake zijn van geluidbelasting op geluidgevoelige objecten als gevolg van industrielawaai. Daarnaast kan er sprake zijn van wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.
In onderhavige situatie worden geen nieuwe geluidsgevoelige objecten gerealiseerd. Desalniettemin wordt hieronder een nadere afweging gemaakt.
De nieuwe bedrijfsbebouwing is in het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) geen geluidgevoelig object. Er zijn ook geen spoorwegen in de nabije omgeving van het plangebied gelegen. Een nader akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai is derhalve niet nodig voor onderhavige ontwikkeling.
De nieuwe bedrijfsbebouwing is in het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) geen geluidgevoelig object.Daarnaast is de afstand tot de openbare weg met ca. 100 meter dermate groot dat er geen sprake is van een hoge geluidsbelasting op de nieuwe receatiewoningen.
De nieuwe bedrijfsbebouwing is in het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) en het Activiteitenbesluit geen geluidgevoelig object. Omdat er wordt voldaan aan de richtafstanden (50 meter terwijl dichtstbij gelegen bedrijf niet binnen 500 meter afstand ligt), is nader akoestisch onderzoek naar industrielawaai (geluid afkomstige van derden) derhalve niet nodig voor onderhavige ontwikkeling.
In paragraaf 5.4 is reeds nader ingegaan op de externe werking van het planvoornemen.
Met betrekking tot de geluidbelasting van onderhavige ontwikkeling op geluidgevoelige objecten in de omgeving is in de paragraaf van de milieuzonering reeds aangetoond dat de ontwikkeling geen onevenredige toename van de geluidbelasting op deze gevoelige objecten met zich meebrengt.
Gelet op vorenstaande vormt het aspect geluid geen belemmeringen voor de beoogde planontwikkeling.
Wet Luchtkwaliteit
Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wm). Omdat de luchtkwaliteitseisen op zijn genomen in titel 5.2 van de Wmb, staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Met de inwerkingtreding van de Wet luchtkwaliteit is het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen.
Het doel van titel 5.2 Wm is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen.
Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex. artikel 5.16 Wm:
'Niet in betekenende mate' NIBM
Deze Algemene maatregel van Bestuur (AmvB) legt vast wanneer een project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht. Een project is NIBM wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.
Het NSL is vanaf augustus 2009 van kracht, zodat de 3% grens aangehouden dient te worden.
In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 500 woningen niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijn stof en stikstofdioxide in de lucht.
Met de NIBM-tool van Infomil is berekend bij welke toename van verkeer er sprake is van een NIBM-ontwikkeling. Hieruit blijkt dat onderhavig planvoornemen niet voorziet in een dergelijke hoeveelheid extra verkeer waardoor de conclusie kan worden getrokken dat het planvoornemen NIBM is.
Het project leidt niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse, waardoor het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor onderhavig plan.
Besluit gevoelige bestemmingen
Dit besluit is gericht op de beperking van de vestiging in de nabijheid van provinciale en rijkswegen van gevoelige bestemmingen, zoals gebouwen voor kinderopvang, scholen, verzorgings- of verpleegtehuizen. Dit besluit is om die reden niet op onderhavig bouwplan van toepassing.
Onderhavig planvoornemen betreft het realiseren van een verblijfsrecreatief bedrijf. Het project leidt derhalve niet tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse, waardoor het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor onderhavig plan.
Conclusie luchtkwaliteit
Gelet op vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.
Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen:
1. het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen;
2. het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie bedrijven of woningen mogelijk wil maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord.
Met betrekking tot het plangebied zelf is het aspect milieuzonering aan de orde aangezien in de nieuwe situatie sprake is van een recreatieve locatie met 5 ecolodges en één centraal gebouw waarvan een beperkte milieu-uitstraling uit gaat naar de omgeving. De richtafstand voor deze receatiewoningen bedraagt 10 (categorie 1) danwel 50 (cat. 3.1). In de brochure Bedrijven en milieuzonering is de categorie 'hotels' opgenomen (milieucategorie 1) en de categorie kampeerterreinen met keuken (milieucategorie 3.1). Onder beide categoriën past het planvoornemen niet precies.
Om die reden is door Aelmans ROM BV een akoestisch onderzoek (industrielawaai) uitgevoerd (ook om in zijn algemeenheid de externe werking van het planvoornemen op de omgeving, waar onder het natuurgebied) in beeld te brengen. De conclusies van dit onderzoek zijn als volgt (zie bijlage 6):
'Uit de resultaten van de berekeningen, die in het kader van het akoestisch onderzoek rond de Heide 24 te Heythuysen zijn uitgevoerd, kunnen de in onderstaande paragrafen vermelde conclusies worden getrokken.
5.1 Gemeentelijk beleid
| Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) |
• Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voldoet ter plaatse van de beoordelingspunten aan de geluidgrenswaarde, zijnde 40/45 dB(A) etmaalwaarde. |
| Maximaal geluidniveau (LAmax) |
• Het maximale geluidniveau voldoet ter plaatse van de beoordelingspunten aan de geluidgrenswaarde zijnde 70 dB(A) etmaalwaarde. |
| Indirecte hinder |
• Indirecte hinder als gevolg van af- en aanvoerend verkeer van en naar de inrichting voldoet ter plaatse van de gevels van geluidgevoelige objecten aan de geluidgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde. |
5.2 Stiltegebied
De grenswaarde van 35 dB(A) LAeq, 24u op 30 meter wordt in de toekomstige situatie niet overschreden. Er is daarom geen sprake van aantasting van het stiltegebied.
5.3 Eindconclusie
Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de toekomstige situatie ten aanzien de in dit onderzoek aangegeven randvoorwaarden akoestisch inpasbaar geacht kan worden. '.
Verder kan worden gesteld dat de kortste afstand van de grens van de nieuwe recreatiewoningen/bouwvlakken tot de grens van de dichtbij gelegen woonbestemming meer dan 50 meter bedraagt. Verder zijn er geen bedrijven aanwezig binnen 500 meter afstand van het plangebied.
Andersom kan worden gesteld dat gezien deze grote afstand tot bedrijven van derden deze bedrijven van derden niet worden belemmerd als gevolg van het planvoornemen.
De overige milieuaspecten, geur, stof en gevaar zijn bij onderhavig planvoornemen niet aan de orde qua externe werking vanuit het plangebied naar de omgeving.
Kortom, milieuzonering vormt gezien de aard van het planvoornemen en de ligging van gevoelige objecten en aanwezige bedrijven op (grote) afstand, geen belemmering voorde voorgenomen planontwikkeling.
Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De regels die toezien op bescherming van Natura 2000-gebieden (voorheen Nbwet) zijn opgenomen in 'Hoofdstuk 2 Natura 2000-gebieden' van de Wet natuurbescherming.
De verbodsbepalingen ten aanzien van beschermde soorten (voorheen Ffwet) zijn in de Wet natuurbescherming opgenomen in 'Hoofdstuk 3 Soorten' en beschreven per beschermingsregime.
Op basis van de Wet natuurbescherming zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk. Te allen tijde geldt dat de algemene wettelijke zorgplicht van toepassing is. Dit houdt in, dat handelingen die niet noodzakelijk zijn met betrekking tot de voorgenomen ingreep en die nadelig zijn voor de in en om het plangebied voorkomende flora en fauna, achterwege moet blijven. Ook bij handelingen die wel noodzakelijk zijn geldt de zorgplicht.
Ten behoeve van het planvoornemen is een quick-scan flora en fauna uitgevoerd, zie bijlage 4. De conclusies van dit onderzoek zijn als volgt:
'Op basis van de quickscan die is uitgevoerd ter plaatse van het onbebouwde deel van perceel L 34 te Heythuysen kan, bij naleving van de zorgplicht, worden uitgesloten dat de beoogde functiewijziging en herinrichting een negatieve invloed heeft op beschermde soorten vanuit de Wet natuurbescherming en natuurgebieden.
Gezien de afstand en de aard van de ingreep worden geen negatieve effecten verwacht op de meest nabijgelegen natuurgebieden (LNN en Natura 2000). De ruimtelijke ontwikkeling leidt vermoedelijk niet tot een toename van de stikstofdepositie op de naburige Natura 2000 gebieden. Om te bepalen of dit het geval is zou een Aerius-berekening kunnen worden uitgevoerd.
Voor de geplande ingreep vinden er geen ingrepen plaats in de bomen en struiken op het aangrenzend terrein. Deze kunnen gebruikt worden als nestgelegenheid voor diverse 'algemene' vogels. Op basis van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Wnb) is het verboden om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Indien toch ingrepen noodzakelijk zijn dan dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen (15 maart - 1 augustus) uitgevoerd te worden.
Gezien er op de onderzoekslocatie vrijgestelde en/of algemene soorten (bijvoorbeeld konijn en ree) voor kunnen komen dient men zich aan de zorgplicht te houden. Dit houdt in dat het onnodig doden, verwonden of beschadigen vermeden dient te worden. '
Kortom, op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de aanwezigheid van beschermde flora en fauna binnen het plangebied kan worden uitgesloten.
Het planvoornemen heeft, als gevolg van de maatregelen zoals opgenomen in het inpassingsplan, een positief effect op ecologische waarden die aanwezig zijn binnen het plangebied.
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Leudal'. Dit gebied is gesitueerd op een afstand van ruim 4 kilometer van het plangebied. Onderhavig planvoornemen voorziet in een bouw-/aanlegfase en in een gebruiksfase.
Hiervoor zijn Aerius-berekeningen voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase gemaakt, zie bijlage 5. Uit beide berekeningen blijkt dat er geen significant effect is als gevolg van het planvoornemen.
Gelet op de beschikbare gegevens, het uitgevoerde onderzoek en het karakter van het plangebied is het onwaarschijnlijk dat er binnen het plangebied beschermde soorten voorkomen. Mochten er toch diersoorten in het plangebied voorkomen, dan zullen dit algemene soorten zijn waarvoor de lichtste vorm van bescherming geldt (bosmuis, spitsmuis, veldmuis, etc.). Het planvoornemen zal, indien deze soorten zich in het plangebied bevinden, daarop een schadelijk effect hebben. Aangezien de activiteiten zijn te kwalificeren als ruimtelijke ontwikkeling, geldt een vrijstelling van de verboden. Voor de activiteit hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd.
Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt.
Het planvoornemen (bouw 5 nieuwe vakantiewoningen met centraal gebouw met erf e.d.) leidt tot een beperkte toename van verkeer. De bestaande ontsluitingsweg van de locatie Heide 24 te Heythuysen, behoeft derhalve niet gewijzigd te worden. De enkele verkeersbewegingen die er per dag extra komen (max. 15-20 extra bewegingen) vormen geen enkel probleem. Er zal een aparte inrit worden aangelegd (hiervoor zal de aanwezige landbouwinrit worden verbeterd tot een volwaardige inrit voor de ecolodges) ten behoeve van de locatie. Deze inrit zal overzichtelijk zijn en is op grote afstand van woningen van derden gelegen. Naast autoverkeer zal er ook sprake zijn van extra bewegingen met fietsen. Ook dit vormt geen enkele belemmering vanuit verkeerskundig oogpunt.
Verder is er bij de inrichting rekening gehouden met de bereikbaarheid voor hulpdiensten. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee juridisch geborgd is dat het plan in de vergunningsfase ter beoordeling en goedkeuring aan de Veiligheidsregio wordt voorgelegd.
Als gevolg van onderhavig planvoornemen zal er sprake zijn van extra parkeerbehoefte. Door de realisatie de 5 ecolodges zullen er aan de voorzijde extra parkeerplaatsen worden gerealiseerd (8 stuks) zodat ten allen tijden voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig is. Parkeeroverlast op de openbare weg kan derhalve uitgesloten worden. De dagrecreactie en daarmee ook de parkeerplaatsen op het perceel zijn alleen bedoeld voor de gebruikers van de ecolodges. Er hoeft daarom niet te worden voorzien in extra parkeergelegenheid voor gebruikers van de dagrecreatie die geen gebruik maken van de ecolodges.
Het aspect parkeren vormt daarom geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze bij het project rekening is gehouden met de ruimtelijk relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Allereerst wordt ingegaan op het provinciale waterbeleid.
Provinciaal beleid
De provincie Limburg kent ook als uitgangspunt dat verdroging zo veel mogelijk moet worden tegengegaan en dat de waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Verder sluit de provincie aan bij het beleid van de Vierde Nota Waterhuishouding om infiltratie van water in de bodem te bevorderen en water meer terug te brengen in stedelijk gebied.
Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat, ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies, afgestemd te worden. Naast die ecologische functie dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties.
Watertoets Waterschap Limburg
Vanaf 1 november 2003 zijn de overheden wettelijk verplicht om alle ruimtelijke plannen, die van invloed zijn op de waterhuishouding, voor advies voor te leggen aan de waterbeheerders. Tot juli 2004 kwam het voor dat voor de watertoets verschillende waterbeheerders (waterschapsbedrijf, waterschap, provincie en Rijkswaterstaat) apart moesten worden benaderd. Die gaven dan afzonderlijke wateradviezen. Dat zorgde voor veel onduidelijkheid en papieren rompslomp. Daarom hebben de Limburgse waterbeheerders afgesproken om alle aanvragen in het hun betreffende gebied af te handelen via één loket: het zogenaamde watertoetsloket. Het loket is ondergebracht bij het waterschap.
Op de kaarten van de gemeente Leudal van het Waterschap Limburg blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen een aandachtsgebied.
Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen het onderhavige plangebied wordt hierna uiteengezet.
Afvalwater
Het afvalwater als gevolg van onderhavige planontwikkeling zal worden geloosd op de gemeentelijke riolering van de gemeente Leudal. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het afvoeren van afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie (drukriool richting het Asbroek). Ter plaatse van de nieuwe bebouwing (5 recreatiewoningen en centraal gebouw) zal alleen huishoudelijk-sanitair afvalwater vrijkomen.
De hoeveelheid afvalwater zal beperkt zijn aangezien er per ecolodge gemiddeld 2 personen aanwezig zijn. Er wordt uitgegaan van ca. 150-200 liter afvalwater per ecolodge per dag (indien de ecolodge bezet is). Het centrale gebouw is gelijk te stellen aan een ecolodge qua verbruik van afvalwater. Bij de bouwfase (aanvraag omgevingsvergunning) wordt het ontwerp van het riool verder uitgewerkt en aan de gemeente Leudal aangeleverd ter beoordeling.
Hemelwater dakverhardingen
Het hemelwater dat valt op de nieuwe (dak)verharding zal worden opgevangen in een reservoir per receratiewoning waar het allereerst zal worden hergebruikt in het grijswatersysteem om bijvoorbeeld het toilet van de recreatiewoningen door te spoelen. Indien dit reservoir gevuld is zal het overlopen via goten naar een hemelwatervoorziening (wadi/plantsoenen met noodoverloop op de omliggende in eigendom zijnde gronden, zie uitsnede).
Bij nieuwbouw dient 100% van het verharde oppervlak afgekoppeld te worden. Om te beoordelen hoe groot de te realiseren hemelwatervoorziening moet zijn, dient de hoeveelheid af te voeren hemelwater te worden berekend bij extreme buien van t=100.
De neerslag die afkomstig is van de nieuwe bebouwing, wordt in zijn geheel opgevangen.
Er is voorzien in de volgende nieuwe verhardingen:
- Nieuwe bedrijfsbebouwing (nieuwe ecolodges) ca. 5x75=375m2 + 120=495m2;
Alle overige erfverhardingen zal halfverharding betreffen en ter plaatse in de bodem infiltreren.
Binnen het plangebied wordt voorzien in een infiltratievoorziening. Hier wordt het hemelwater naar afgevoerd zodat het kan infiltreren. Deze voorziening heeft een noodoverloop op de aanwezige gronden.
De voorziening zal aan de achterzijde van het perceel worden gerealiseerd (hier is voldoende ruimte beschikbaar).
De norm van het waterschap is 100mm.
De benodigde capaciteiten zijn:
- Nieuwe bedrijfsbebouwing 75*5+ 120=495m2 x 100mm = 50m3;
Capaciteit infiltratievoorziening eigen terrein zal minimaal 50m3 bedragen. Gezien de (enorme) omvang van het plangebied is hier ruim voldoende ruimte voor beschikbaar.
Door de afdoende capaciteit van de infiltratievoorziening, behoeft voor wateroverlast op de bouwkavel en de aangrenzende percelen van derden niet te worden gevreesd.
Door het hemelwater van de nieuwe bebouwing en bijbehorende verharding niet te lozen op de riolering, wordt voldaan aan de norm dat bij nieuwbouw 100% van het verharde oppervlak dient te worden afgekoppeld.
In de infiltratievoorzieningen zal alleen schoon hemelwater worden opgevangen, waaraan uiteraard geen verontreinigde stoffen zijn toegevoegd.
Uitloging bij infiltratie wordt voorkómen door alleen schoon hemelwater te infiltreren. De infiltratievoorziening doet in dat opzicht tevens dienst als bodempassage, waarmee gezorgd wordt dat het hemelwater wordt ontdaan van (diffuse) verontreinigingen alvorens het infiltreert.
Gelet op vorenstaande vormt het aspect waterhuishouding geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.
Het bestemmingsplan 'Heide 24 te Heythuysen' van de gemeente Leudal bestaat uit voorliggende toelichting, regels en een verbeelding (schaal 1: 1.000).
Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Behalve een vernieuwd stelsel voor processen voor de ruimtelijke ordening in Nederland, zijn met de inwerkingtreding van de nieuwe Wro ook de resultaten van DURP (Digitale Uitwisseling in Ruimtelijke Processen) wettelijk verankerd. Dit houdt in dat nagenoeg alle instrumenten uit de Wro door bronhouders digitaal beschikbaar zijn, waardoor de bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar worden. Hiervoor is het pakket 'RO Standaarden 2012' ontwikkeld, dat wettelijk is vastgelegd in de bij de Wro behorende 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening'.
Vergelijkbaarheid van bestemmings- en inpassingsplannen wordt door de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012) op drie manieren gerealiseerd:
1. er is een begrippenkader gegeven dat in de plannen toegepast moet worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om lijsten van bestemmingshoofdgroepen met mogelijke gebruiksdoelen, dubbelbestemmingen, aanduidingen, indeling van regels etc. Voor het hanteren van het begrippenkader is geen specifieke software vereist;
2. er is een verplichte 'analoge verbeelding' voorgeschreven, hetgeen inhoudt de manier waarop het plan op papieren kaarten moet worden getoond. Er zijn dwingende regels inzake de opmaak van het plan. Voor het opmaken van plannen is in de praktijk speciale software benodigd;
3. er is een verplichte 'digitale verbeelding' voorgeschreven, waarmee wordt gedoeld op het tonen van het plan in een digitale omgeving (website).
Vanaf 1 januari 2010 dient een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar en uitwisselbaar te zijn. Voorliggend bestemmingsplan voldoet aan deze digitaliseringverplichting.
Een bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en verbeelding vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderling verband te worden bezien. De regels en de verbeelding zijn namelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden, aangezien op de verbeelding de bestemmingen visueel zijn weergegeven en de regels onder andere het gebruik en de bouwmogelijkheden bij deze bestemmingen geven.
Toelichting
De toelichting van het bestemmingsplan heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het totale plan. De toelichting geeft namelijk een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten zoals deze aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting een belangrijk hulpmiddel bij de interpretatie van het bestemmingsplan.
Regels
Conform de SVBP2012 dienen de regels van een bestemmingsplan volgens een bepaalde opbouw te worden opgesteld.
Verbeelding
Op een verbeelding wordt de grens van het plangebied weergegeven waarbinnen onder meer de verschillende (dubbel)bestemmingen, bouwvlakken en bouw-/functie-/maatvoeringsaanduidingen (en de ligging daarvan) visueel zijn weergegeven.
De verbeelding met betrekking tot voorliggend bestemmingsplan is ingetekend op schaal 1: 1.000.
Verder voorziet bijbehorende verbeelding in de naam van voorliggend bestemmingsplan en een tekeningnummer.
De verbeelding is direct (juridisch) verbonden met de bijbehorende regels. In deze regels worden de condities en voorwaarden gesteld behorende bij de verschillende bestemmingen.
De voorliggende bestemmingsplanprocedure heeft betrekking op een particulier initiatief, waarbij de financiële consequenties uitsluitend door die initiatiefnemer zullen worden gedragen.
Daar de kosten voor de planontwikkeling geheel voor rekening zijn van de initiatiefnemer, heeft onderhavig plan géén gevolgen voor de gemeentelijke begroting en/of gemeentelijke financiën.
Er is geen planschaderisicoanalyse gemaakt omdat eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade er niet voor zullen zorgen dat de uitvoerbaarheid van het planvoornemen in het geding komt.
Tussen de initiatiefnemer en de gemeente Leudal wordt een anterieure overeenkomst gesloten, zodat eventuele reële aanvragen inzake de tegemoetkoming in de planschade voor rekening van de initiatiefnemer komen en zodat het kostenverhaal geregeld wordt.
Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor:
- de bouw van een of meer woningen;
- de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen;
- de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen;
- de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;
- de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;
- de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte.
De eco-lodges zijn nodig om de recreatieve bestemming uit te voeren en zijn dus aan te merken als hoofdgebouw. Daarmee is er in voorliggend plan sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid en moet er door de initiatiefnemer o.a. een exploitatiebijdrage betaald worden. Dit wordt eveneens geregeld in de anterieure overeenkomst.
Ingevolge artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening dienen burgemeester en wethouders te besluiten en te publiceren of er terinzagelegging van het bestemmingsplan plaatsvindt, of er zienswijzen kunnen worden ingediend en of een onafhankelijke adviesinstantie advies uitbrengt.
De gemeente Leudal zal alvorens de formele bestemmingsplanprocedure op te zullen starten, geen voorontwerp van voorliggend bestemmingsplan ter inzage leggen maar meteen over zullen gaan tot de formele bestemmingsplanprocedure en daartoe het ontwerp ter visie zullen leggen. Het voorontwerpplan wordt gebruikt in het kader van het wettelijk vooroverleg.
Initiatiefnemer heeft het plan met de buren meerdere malen besproken (lees directe buren die rondom plangebied aan de Heide 24 zijn gelegen). De omgevingsdialoog van eind 2022, voorjaar 2023 en najaar 2023 is uitgewerkt en ondertekend aan de gemeente Leudal overhandigd (zie bijlage 7). Hieruit kwam naar voren dat de directe buren een aantal bezwaren hebben op het gepresenteerd planvoornemen. Initiatiefnemer heeft het planvoornemen daar waar mogelijk aangepast om zo veel mogelijk rekening te houden met deze bezwaren. Daarnaast zijn er uitvoerige onderzoeken uitgevoerd om te toetsten of onderhavig bestemmingsplan past binnen de gestelde wet- en regelgeving.
De tegemoetkomingen van initiatiefnemer zijn in de volgende aspecten terug te vinden. Er is gekozen om de zandweg, gelegen aan de oostzijde, niet te gebruiken maar een eigen inrit te creëren aan de noordwestzijde. De inrit verstrekt de hoofd toegang tot het perceel en de nieuw gecreëerde parkeerplaatsen (ref. 3.2 afbeelding planvoornemen). De interne bewegingen van de bezoekers vinden hierdoor volledig op eigen perceel plaats. Hierdoor worden extra verkeersbewegingen op het zandpad voorkomen en worden verkeersonveilige situaties vermeden. Verder is er bij de inrichting van het gehele terrein daar waar mogelijk rekening gehouden met het minimaliseren van eventuele hinder naar de omgeving. Zo is bij de herinrichting van het landschap rekening gehouden met de positionering van de eco lodges (verder verwijderd van de buren) en heeft initiatiefnemer een natuurlijke geluidsbarrière geplaatst om eventueel geluidoverlast te voorkomen. Tot slot heeft initiatiefnemer een eigen geluidsregelement opgesteld. Enerzijds om eventuele stilte verstoring van het nabijgelegen stiltegebied 'Asbroekerheide' te voorkomen, anderzijds omdat het aansluit bij de visie van 'Eco by Nature'.
Inleiding
De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerp bestemmingsplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.
De reactie van het Waterschap Limburg is:
Plan is niet akkoord. In de toelichting is aangegeven dat er maar 6 m3 berging/infiltratie noodzakelijk is (factor 10 te klein). Ons advies is een berging/ infiltratie van 100 mm in 24 uur en daarnaast adviseren wij om te kijken het bestaand verhard oppervlak ook af te koppelen. Mocht de infiltratie voorziening lozen richting het oppervlaktewaterlichaam 2de Zijtak Heihuizen dan is het vergunningsplichtig en dan is 100 mm de norm. Het liefst zien wij een infiltratie voorziening aan de achterkant van het perceel er is ruimte genoeg om het plan klimaat adaptief /neutraal in te richten.
Bovenstaande reactie is in onderhavig plan verwerkt.
Reactie provincie Limburg.
De provincie heeft tijdens het vooroverleg niet gereageerd. Bij de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan zal de provincie opnieuw in kennis worden gesteld van het voornemen om het bestemmingsplan te herzien.
Formele procedure
Algemeen
De wettelijke (formele) bestemmingsplanprocedure, die circa 26 weken in beslag neemt, bestaat uit navolgende stappen:
Zienswijzen
Het ontwerp van voorliggend bestemmingsplan heeft vanaf 27 december 2023 tot en met 6 februari 2024 voor zienswijzen ter visie gelegen. Gedurende deze termijn zijn zienswijzen ingekomen. Voor een beantwoording hiervan wordt verwezen naar de zienswijzennota, zie bijlage 10.
Onderhavig bestemmingsplan is door de gemeenteraad vastgesteld op 2 juli 2024, zie bijlage voor het vaststellingsbesluit.