Artikel 20 Algemene wijzigingsregels
20.1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening het plan te wijzigen, indien de wijziging betrekking heeft op:
-
a. het bouwen van niet voor bewoning bestemde bouwwerken ten dienste van het openbaar nut en de waterhuishouding met een inhoud van ten hoogste 150 m³ en een bouwhoogte van ten hoogste 6 m dit voor zover deze op grond van het bepaalde in artikel 19 lid 19.1 (Algemene ontheffingsregels) niet kunnen worden gebouwd;
-
b. het wijzigen van de voorgeschreven maatvoering voor gebouwen met ten hoogste 20%, indien in verband met ingekomen bouwaanvragen waarvan de realisering wenselijk of noodzakelijk is, deze wijzigingen nodig zijn en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de stedenbouwkundige hoofdopzet;
-
c. het wijzigen van de oppervlakte van bestemmingsgrenzen, bebouwingsgrenzen en/of bebouwingsvlakken met ten hoogste 20%, indien bij uitvoering van het plan dat gewenst of noodzakelijk is, op voorwaarde, dat door de wijziging geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de stedenbouwkundige hoofdstructuur van het bestemmingsplan.
20.2. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming van de gronden die op de plankaart zijn voorzien van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 1" te wijzigen in de bestemming "Groen", "Tuin" en/of "Wonen", zoals genoemd in artikel 5, 8 en 12, met inachtneming van de volgende bepalingen:
-
a. het aantal woningen bedraagt na wijziging ten hoogste 1;
-
b. het bouwvlak in de bestemming "Wonen" wordt op dezelfde locatie geprojecteerd als in de bestemming "Bedrijf";
-
c. de goothoogte van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 6 m;
-
d. uit bodemonderzoek moet blijken dat de bodem geschikt is voor de ter plaatse beoogde functie(s).
20.3. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming van de gronden die op de plankaart zijn voorzien van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 2" te wijzigen in de bestemming "Groen", zoals genoemd in artikel 5, met in achtneming van de volgende bepalingen:
-
a. uit bodemonderzoek moet blijken dat de bodem geschikt is voor de ter plaatse beoogde functie;
-
b. binnen een strook van 10 m gemeten uit de bestemming "Wonen" zijn geen parkeervoorzieningen toegestaan.
20.4. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming van de gronden die op de plankaart zijn voorzien van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 3" na bedrijfsbeëindiging van de ter plaatse aanwezige bedrijven te wijzigen in de bestemming "Recreatie", zoals genoemd in artikel 6, met inachtneming van de volgende bepalingen:
-
a. de bouwhoogte van andere bouwwerken bedraagt ten hoogste 4 m;
-
b. uit bodemonderzoek moet blijken dat de bodem geschikt is voor de ter plaatse beoogde functie(s);
-
c. er mag geen onevenredige milieuhinder voor de naastgelegen woningen ontstaan.
20.5. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming van de gronden die op de plankaart zijn voorzien van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 4" te wijzigen in een bestemming ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen en/of horeca-activiteiten zoals opgenomen in de Staat van Horeca-activiteiten, met inachtneming van de volgende bepalingen:
-
a. horeca-activiteiten uit categorie 1 van de Staat van Horeca-activiteiten zijn toegestaan;
-
b. horeca-activiteiten uit categorie 2 en 3 van de Staat van Horeca-activiteiten zijn toegestaan, indien:
-
1. deze gecombineerd worden/zijn met een horeca-activiteit uit categorie 1 van de Staat van Horeca-activiteiten;
-
2. er geen onevenredige milieuhinder voor de naastgelegen woningen ontstaat;
-
3. de eventuele toename van het groepsrisico onderzocht is en bij daadwerkelijke toename van het groepsrisico dit ook verantwoord is;
-
c. het gezamenlijk bedrijfsvloeroppervlak van gebouwen bedraagt ten hoogste 1.500 m²;
-
d. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt één of twee bouwlagen en dient in alle gevallen afgedekt te worden met een kap met een maximumbouwhoogte van 13 m;
-
e. de bouwhoogte van bouwwerken bedraagt ten hoogste 10 m +NAP;
-
f. de bouwhoogte van andere bouwwerken bedraagt ten hoogste 4 m;
-
g. tevens bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, fiets- en voetpaden en (ontsluitings)wegen;
-
h. voorzieningen inzake onderwijs, volksgezondheid en religie zijn niet toegestaan;
-
i. uit bodemonderzoek moet blijken dat de bodem geschikt is voor de ter plaatse beoogde functie(s);
-
j. de eventuele toename van het groepsrisico onderzocht is en bij daadwerkelijke toename van het groepsrisico dit ook verantwoord is.