direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Wijzigingsplan De Woerd 1e fase Groenlo
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1586.WPGRO501-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De aanleiding voor het opstellen van dit wijzigingsplan is de tegenvallende verkoop van kavels in de uitbreidingswijk De Woerd in Groenlo. Daarnaast spelen gewijzigde inzichten een rol. De huidige marktsituatie leidt tot het afstellen van grondaankopen ten behoeve van de verdere ontwikkeling van De Woerd door de gemeente Oost Gelre. De gemeente wil anticiperen op deze gewijzigde omstandigheden en marktsituatie. De verwachting is dat er meer vraag is naar ruimere percelen. De gemeente wil daarom minder percelen aanbieden maar wel met een grotere diversiteit aan perceelsoppervlakten. Hierdoor is het verkavelingsplan voor de woonwijk veranderd. Met dit wijzigingsplan wordt de situering van een aantal bouwvlakken in De Woerd aangepast.

De gemeente Oost Gelre doet beroep op de wijzigingsbevoegdheid artikel 34 van het bestemmingsplan 'Woonwijken Groenlo' van de gemeente Oost Gelre. Hierin staat dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het bestemmingsplan te wijzigen ten behoeve van het in geringe mate aanpassen van het plan of een onderdeel van het plan, zoals het veranderen van een bestemmingsgrens of bouwgrens, indien dit bij de definitieve uitmeting of verkaveling nodig blijkt. Deze aanpassing dient in het belang van een juiste verwezenlijking van het plan gewenst of noodzakelijk te zijn. Een voorwaarde daarbij is dat de bestemmingsgrens niet meer dan 5 meter en de bouwgrens niet meer dan 10 meter wordt verschoven. Het anders situeren en/of begrenzen van bouwvlakken is toegestaan indien dit voor de uitvoering van het plan nodig is, met de vorm in geringe mate wordt gewijzigd en de oppervlakte van het desbetreffende bouwvlak niet meer dan 20% afwijkt.

1.2 Plangebied

Het plangebied betreft een deel van de nog te ontwikkelen woonwijk 'De Woerd' in Groenlo, in de gemeente Oost Gelre. De Woerd ligt ten noorden van de historische kern van de stad. Zie figuur 1.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.WPGRO501-VG01_0001.png"

Figuur 1.1 Ligging van het plangebied

Ten noorden van het plangebied ligt de Groenlose Slinge. De rest van de directe omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit te ontwikkelen woongebied.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Het plangebied maakt onderdeel uit van het op 30 oktober 2012 vastgestelde bestemmingsplan 'Woonwijken Groenlo' van de gemeente Oost Gelre. Het perceel heeft de bestemming 'Wonen-2. De woningen mogen daar welstandsvrij gebouwd worden. Het plangebied heeft de bouwaanduiding 'vrijstaand', wat betekent dat er vrijstaande woningen gebouwd moeten worden. Daarnaast heeft het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2'. De gronden van het perceel zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden in de bodem. Met de algemene wijzigingsbevoegdheid wordt dit wijzigingsplan mogelijk gemaakt.

Figuur 2.1 geeft een uitsnede van de plankaart weer. De geluidszone - industrie die op de verbeelding te zien is, uit het ontwerpbestemmingsplan Partiële herziening geluidszone Regionaal Bedrijvenpark Laarberg/Den Sliem komt buiten het plangebied te liggen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.WPGRO501-VG01_0002.png"

Figuur 1.2 Uitsnede verbeelding

1.4 Doel, planvorm en procedure

Het doel van dit document is het juridisch-planologisch mogelijk maken en onderbouwen van de wijziging van de bestemmingsgrenzen en bouwgrenzen van een onderdeel van woonwijk De Woerd. Dit document voorziet in een onderbouwing voor het toepassing geven aan de wijzigingsbevoegdheid.

De planvorm die hierbij gehanteerd wordt is een wijzigingsplan, conform artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Dit artikel schrijft voor dat burgemeester en wethouders een begrensd gebied binnen een bestemmingsplan kunnen aanwijzen waarvan de bestemming, na toetsing aan gestelde wijzigingsregels, gewijzigd kan worden in een andere bestemming.

De procedure behorende bij een wijzigingsplan staat beschreven in artikel 3.9a van de Wro en in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 3.9a Wro geeft onder andere aan dat het wijzigingsplan en de stukken die hierop betrekking hebben ook langs elektronische weg beschikbaar worden gesteld. Afdeling 3.4 regelt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van besluiten van de overheid.

1.5 Leeswijzer

Het voorliggende wijzigingsplan bestaat uit een toelichting, de regels en een verbeelding. De toelichting is als volgt opgebouwd:

  • hoofdstuk 2: Bestaande en beoogde situatie;
  • hoofdstuk 3: Beleidskader en planologische toets;
  • hoofdstuk 4: Sectorale onderzoeken;
  • hoofdstuk 5: Juridische planbeschrijving en uitleg planregels;
  • hoofdstuk 6: Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.

Na de toelichting volgen de regels en de verbeelding.

Hoofdstuk 2 Bestaande en beoogde situatie

Huidige situatie

Het plangebied bestaat uit een open perceel. Hierop zijn twaalf bouwpercelen met vrijstaande woningen gepland. De vorm van de woonwijk is van bovenaf gezien rechthoekig en is rondom ontsloten door een 30 km/h weg. In het bestemmingsplan zijn vier ruime bouwvlakken opgenomen.

Per bouwperceel mag 50% van het bouwperceel bebouwd worden, waarbij het gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken niet meer dan 70 m2 mag bedragen. De hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen de bouwvlakken gebouwd worden. Binnen dit bouwvlak bedraagt de maximale bouwhoogte 10 meter. De bebouwing bestaat maximaal uit drie bouwlagen, waarbij kelderlagen niet zijn meegerekend. De afstand van de bebouwing binnen het bouwvlak tot aan de zijdelingse perceelsgrens dient minimaal 2,5 meter te zijn. Voor bijgebouwen buiten de bouwvlakken geldt dat de goothoogte maximaal 3 meter mag bedragen. Hiervan mogen maximaal twee vrijstaande bijgebouwen gebouwd worden.

De gronden rondom het plangebied hebben een groen functie. Deze gronden zijn bestemd voor groen, kleinschalige agrarisch gebruik, behoud voor landschappelijke waarden en recreatief gebruik zoals fietspaden, wandelpaden en speeltoestellen. In het noorden, oosten en zuiden van het plangebied hebben de gronden een woonfunctie. Een deel is bestaande bebouwing, een groot deel is nog in ontwikkeling. Ten noorden van het plangebied ligt Groenlose Slinge en een natuurgebied. Aan de noordzijde van de Groenlose Slinge ligt een bedrijventerrein.

Beoogde situatie

Het stedenbouwkundig plan voor het plangebied is aangepast. In plaats van rechthoekig is de vorm aan de westkant van het plangebied nu rond. Er zullen naar verwachtig minder woningen gerealiseerd worden. De bouwregels voor de percelen blijven hetzelfde als in de huidige situatie.

Het plangebied blijft rondom ontsloten door een weg waar 30 km/h gereden mag worden. Er zijn ruime bouwvlakken opgenomen. De woningen worden in hoefijzer vorm gesitueerd, waardoor de rooilijn evenwijdig aan de weg komt te liggen. Het maximum aantal wooneenheden is vrijgelaten. Dit zijn vrijstaande woningen. De woningen worden welstandsvrij gebouwd. Tussen de woning en het verkeersverblijfgebied is een stuk tuin gelegen. De bouwregels van het vigerende bestemmingsplan blijven van kracht.

Figuur 2.1 geeft het stedenbouwkundig plan voor het plangebied weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.WPGRO501-VG01_0003.png"

Figuur 2.1 Uitsnede stedenbouwkundig plan

 

Hoofdstuk 3 Beleidskader en planologische toetsing

De beleidscontext voor de visie op het plangebied wordt gevormd door landelijke, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidsstukken. In dit hoofdstuk is het relevante beleid samengevat en wordt geconcludeerd in hoeverre de ontwikkeling van het plangebied past binnen het bestaande beleid.

3.1 Rijksbeleid

Op rijksniveau zijn op ruimtelijk gebied de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de meest bepalende beleidsdocumenten. Zo schetst het kabinet in de SVIR hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Maar het rijk wil zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten gaan zitten, om dit streefbeeld te halen. Het uitgangspunt is dat provincies, regio's en gemeenten beter op de hoogte zijn van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Door provincies en gemeenten de ruimte te geven, kan het Rijk zich richten op het behartigen van ruimtelijke belangen die van nationale en internationale betekenis zijn. Het Barro is de juridische vertaling van de SVIR en bevat regels die doorwerken naar lagere overheden.

De SVIR heeft ook de ladder van duurzame verstedelijking geïntroduceerd. De ladder is als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen (Bro). Het doel van de ladder is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Centraal hierin staat of de beoogde ontwikkeling aansluit aan de regionale behoefte. Toetsing aan de ladder van duurzame verstedelijking is niet nodig omdat de woningen al mogelijk zijn gemaakt op basis van het vastgestelde bestemmingsplan 'Woonwijken Groenlo'.

Voor de kleinschalige ontwikkeling van het perceel om negen woningen mogelijk te maken, stelt het rijk geen concrete beleidskaders. Het rijksbeleid staat de uitvoering van het plan zodoende niet in de weg.

3.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Gelderland

Op 14 juli 2014 is de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld. De provincie Gelderland wil bijdragen aan een toekomstbestendige provincie. Daarbij heeft zij twee hoofddoelen gesteld:

  • Een duurzame economische structuur;
  • het borgen van de kwaliteit en veiligheid van de leefomgeving.

De twee doelen beïnvloeden elkaar. Een aantrekkelijk vestigingsklimaat is nodig om een sterke economische structuur te krijgen en behouden. Dit betekent zowel een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden als een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland.

Voor de Achterhoek zijn in de Omgevingsvisie vier speerpunten gesteld. Dit zijn een kansrijk platteland, waarbij de focus ligt op ruimtelijke kwaliteit en landbouw. Het tweede speerpunt is duurzame en innovatieve economie, waarbij gericht wordt op hernieuwbare energie en het verbinden van de maakindustrie met TOP-sectoren. Het derde speerpunt is een vitale leefomgeving waarin wonen en voorzieningen een belangrijke rol spelen. Tot slot is slim en snel verbinden het vierde speerpunt wat met name gaat om de bereikbaarheid van de regio

De Omgevingsvisie bevat geen concreet beleid voor de beoogde ontwikkeling. Het verwijst wel naar de regionale woonvisie.

Omgevingsverordening Gelderland

De Omgevingsverordening is vastgesteld op 24 september 2014 en sinds 18 oktober 2014 in werking getreden. De verordening is de juridische vertaling van het beleid uit de Omgevingsvisie. Artikel 2 lid 2.1.1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen toegestaan zijn wanneer dit past in het vigerende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma past waar de kwantitatieve opgave wonen voor de regio is opgenomen. De locatie ligt binnen het bestaand stedelijk gebied. Daarnaast betreft dit plan een wijziging van het eerder vastgestelde plan 'Woonwijken Groenlo', waarin de te bouwen woningen reeds mogelijk zijn gemaakt, waardoor het wijzigingsplan niet in een nieuwe woonlocatie voorziet. Het aantal te bouwen woningen dat voorliggend plan mogelijk maakt, is bovendien lager dan het aantal woningen dat binnen dat plan mogelijk is wat passend is binnen de kwantitatieve opgave. De Omgevingsverordening staat zodoende de ontwikkeling niet in de weg.

Regionale woonvisie Achterhoek

De Regionale Woonvisie 2010-2020 uit 2010 anticipeert op de krimp. Een gevolg hiervan is stagnerende woningbouw. Er zijn productieafspraken opgenomen die er op toezien dat relatief weinig kwalitatieve toevoeging aan de bestaande woningvoorraad plaats vindt. De toevoegingsopgave voor Oost Gelre is 685 woningen. Dit wijzigingsplan voorziet in een afname van het aanvankelijk geplande aantal woningen. De gemeente Oost Gelre anticipeert hiermee op de stagnerende woningbouw en de behoefte uit de regionale woningmarkt aan ruimere kavels. Dit wijzigingsplan past daarmee binnen de beleidsbepalingen van de Regionale Woonvisie Achterhoek en sluit tevens aan op het uitgangspunt van de ladder voor duurzame verstedelijking. Het provinciale beleid staat het plan zodoende niet in de weg.

3.3 Gemeentelijk beleid

Archeologie en cultuurhistorie

Op 16 december 2008 heeft de gemeenteraad de Cultuurhistorische gebiedsbeschrijving vastgesteld. Deze bestaat uit een beschrijvende nota en een waarderende nota. Beide nota's hebben als doel om gebieden te beschermen en te ontwikkelen. Daarnaast heeft de gemeente Oost Gelre een beleidsadvieskaart. Op deze kaart wordt aangegeven welke gebieden archeologisch waardevol zijn en in welke gebieden de verwachting hebben archeologisch waardevol te zijn. Dit beleid is verwerkt in de vigerende bestemmingsplannen. In paragraaf 4.1 wordt hieraan getoetst.

Bestemmingsplan Woonwijken Groenlo

Het plangebied van onderhavig wijzigingsplan valt binnen het bestemmingsplan 'Woonwijken Groenlo' van de gemeente Oost Gelre dat in oktober 2012 is vastgesteld. Artikel 34 van het vigerende bestemmingsplan bevat de algemene wijzigingsregels. Burgemeester en wethouders zijn daarin bevoegd overeenkomstig het bepaalde in art. 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het plan te wijzigen ten behoeve van:

  • a. het in geringe mate aanpassen van het plan, teneinde enig onderdeel van het plan, zoals een bestemmingsgrens of een bouwgrens te veranderen, indien bij definitieve uitmeting of verkaveling blijkt, dat deze aanpassing in het belang van een juiste verwezenlijking van het plan gewenst of noodzakelijk is en de bestemmingsgrens niet meer dan 5 meter en de bouwgrens niet meer dan 10 meter worden verschoven;
  • b. het oprichten van gebouwen van openbaar nut, zoals transformatorhuisjes en gemaalgebouwtjes met een inhoud van maximaal 100 m³ en een goothoogte van maximaal 4 meter;
  • c. het enigszins anders situeren en/of begrenzen van bouwvlakken, indien dit ten behoeve van de uitvoering van een bouwplan nodig mocht blijken, een en ander, mits de vorm slechts in geringe mate wordt gewijzigd en de oppervlakte van het desbetreffende bouwvlak met niet meer dan 20% afwijkt.

De bestemmingsgrenzen van de beoogde situatie zijn niet meer dan vijf meter verschoven ten opzichte van de bestaande situatie. De bouwgrenzen zijn eveneens niet meer dan 10 meter verschoven. Het plan voorziet niet in het oprichten van gebouwen van openbaar nut, waardoor deze wijzigingsregel niet van toepassing is. Het bouwvlak voor de beoogde situatie dat is opgenomen in de verbeelding is 20% groter dan het totale oppervlakte van de vier vigerende bouwvlakken. Hiermee wordt voldaan aan de wijzigingsregels.

Hoofdstuk 4 Sectorale onderzoeken

 

4.1 Archeologie en cultuurhistorie

Beleid

Op 1 september 2007 is de wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee worden de uitgangspunten van het Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.

Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

Ter bescherming van eventuele archeologische waarden in de bodem is de Monumentenwet van toepassing. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven. Indien dat niet het geval is dienen deze te worden gedocumenteerd.

Toetsing en conclusie

Uit eerder onderzoek is gebleken dat in een groot deel van het gebied door de aanleg en eroderende werking van de Slinge geen archeologische sporen worden verwacht. Behoudens drie boringen waarin mogelijk de resten van een gracht zijn gevonden, zijn directe indicatoren van menselijke activiteit niet aangetroffen. Echter, de aanwezigheid van archeologische sporen is toen nadrukkelijk niet uitgesloten omdat sporen onder een esdek door middel van booronderzoek niet of slecht kunnen worden opgespoord. Omdat het toen niet is uitgesloten dat buiten het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen, is aanbevolen om de uitvoerder te wijzen op de plicht om archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in de Monumentenwet 1988, artikel 53, lid 1.

Omdat het voorkomen van archeologische resten niet volledig is uit te sluiten, zijn in het vigerende bestemmingsplan 'Woonwijken Groenlo' de archeologische verwachtingswaarden 2 en 3 opgenomen. Hierbij geldt dat het verboden is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m;
  • b. grondwerkzaamheden dieper dan 0,3 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 100 m2 , waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen;
  • c. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  • g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • h. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

Met de wijziging van het verkavelingsplan worden geen grondwerkzaamheden uitgevoerd. De wijziging voorziet niet direct in ingrepen in de bodem. De bestemmingsregeling van het vigerende bestemmingsregeling blijft van kracht waardoor in de toekomst archeologische waarden nog steeds beschermd zijn. Het aspect archeologie staat de uitvoering van het plan daarom niet in de weg.

4.2 Bodem

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan, rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.

Onderzoek en conclusie

Ten behoeve van het bestemmingsplan 'De Woerd 1e fase' is een bodemonderzoek uitgevoerd conform de Nederlandse Norm 5740 (NEN 5740). Daarin is het toenmalige plangebied opgedeeld in deellocaties. Op basis van die onderzoeksresultaten is gebleken dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. Het plangebied van dit wijzigingsplan valt volledig binnen het destijds onderzochte plangebied. De bestemming van de locatie van het plangebied blijft 'Wonen'. Met de wijziging van het verkavelingsplan vindt geen feitelijke functieverandering plaats waarbij rekening moet worden gehouden met de bodemkwaliteit. Hierdoor is nader bodemonderzoek niet noodzakelijk.

4.3 Ecologie

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie ten aanzien van de Ecologische Hoofdstructuur de uitvoering van het plan niet in de weg staan.

Flora- en faunawet

Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (hierna Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dieren plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Ffw niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Economische Zaken. Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:

  • er sprake is van een wettelijk geregeld belang (waaronder het belang van land- en bosbouw, bestendig gebruik en dwingende reden van groot openbaar belang);
  • er geen alternatief is;
  • geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend.

Natuurbeschermingswet 1998

Uit het oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:

  • a. door de minister van EZ (voormalig Ministerie van EL&I/LNV) aangewezen gebieden, zoals bedoeld in de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • b. door de minister van EZ (voormalig Ministerie van EL&I/LNV) aangewezen beschermde natuurmonumenten;
  • c. door Gedeputeerde Staten aangewezen beschermde landschapsgezichten.

De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de Minister van EZ). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het bestemmingsplan. De speciale beschermingszones (a) hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Bij de voorbereiding van het wijzigingsplan moet worden onderzocht of de Natuurbeschermingswet 1998 de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 zal kunnen worden verkregen.

Onderzoek

Het plangebied bestaat uit een langgerekt braakliggend terrein. De infrastructuur voor de woonwijk is aangelegd en een tweetal woningen zijn reeds gebouwd. Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Deze natuurgebieden liggen op grote afstand van het plangebied en worden niet beïnvloed door de relatief kleinschalige ingreep. De twee dichtsbijzijnde Natura-2000 gebieden zijn Zwillbrocker Venn (Duitsland) en Korenburgerveen. Deze zijn gelegen op een afstand van circa 5 en 6 kilometer van het plangebied.

Gezien de huidige staat van het terrein is het niet aannemelijk dat hier nog beschermde soorten aanwezig zijn. Incidenteel kan ter plaatse een veldmuis of konijn voorkomen. De omgeving staat niet bekend als leefomgeving waar de ruggestreeppad voorkomt (www.ravon.nl), waardoor het niet aannemlijk is dat deze zal worden aangetroffen, ondanks de zandgronden en nabijheid van water.

Het wijzigingsplan is het besluit dat ingrepen mogelijk maakt en een aantasting van beschermde dier- of plantensoorten kan betekenen. Uiterlijk bij het nemen van een besluit dat ruimtelijke veranderingen mogelijk maakt, zal daarom zekerheid moeten zijn verkregen dat overtredingen van de Ffw niet optreden. De benodigde werkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkeling kunnen leiden tot aantasting van te beschermen natuurwaarden.

  • Er is geen ontheffing nodig voor de tabel 1-soorten van de Ffw omdat hiervoor een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen van de Ffw. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht. Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving.
  • Tijdens werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Verstoring van broedende vogels is verboden. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. In het kader van de Flora- en faunawet wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. De meeste vogels broeden overigens tussen 15 maart en 15 juli (bron:www.vogelbescherming.nl).

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.4 Externe veiligheid

Beleid en normstelling

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden

gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Onderzoek en conclusie

Uit de provinciale risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat in (de directe omgeving van) het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Daarnaast vindt er geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het water, het spoor of door buisleidingen dat van invloed is op de risicosituatie in het plangebied. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de wijziging van de verkaveling niet in de weg.

4.5 Geur

Wettelijke norm en onderzoek

Agrarische bedrijven

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) biedt gemeenten de mogelijkheid een geurbeleid te voeren, waarmee, binnen een bandbreedte, wordt afgeweken van de wettelijke normen. Op 11 maart 2008 heeft de gemeenteraad van de gemeente Oost Gelre de 'Gebiedsvisie ten behoeve van de Verordening geurhinder en veehouderij voor de gemeente Oost Gelre' vastgesteld. De verordening geurhinder en veehouderij stelt andere normen dan de wettelijke normen voor de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten. Voor de bebouwde kom van Groenlo, waar het plangebied onderdeel van uit maakt, is een individuele geurnorm van 5 ouE/m³ vastgesteld.

Ten noorden van de Slinge ligt een agrarisch bedrijf met intensieve veehouderij. De woningen in het onderhavige plangebied liggen binnen de bebouwde kom en hebben een geurnorm van 5,0 ouE/m³ (P98). Ten behoeve van het het 'Uitbreidingsplan De Woerd eerste fase' is een berekening gemaakt waaruit blijkt dat voor dhet perceel Woerdseweg 8, dat tussen het agrarisch bedrijf en het plangebied is gelegen, de geuremissie 4,28 ouE/m³ bedraagt.

Het dichtstbijzijnde geurgevoelige object, Den Sliem 100 te Groenlo, ligt buiten de bebouwde kom en heeft een geurnorm van 14,0 ouE/m³ (P98). De nieuw te bouwen woningen komen binnen de bebouwde kom te liggen en hebben een geurnorm van 5,0 ouE/m³ (P98). Uit de berekening blijkt dat de grenswaarde op het geurgevoelig object Den Sliem 100 wordt overschreden, zodat sprake is van een overbelaste situatie op Den Sliem 100. Dit perceel ligt in dezelfde windrichting als de Noordrand. De Wgv verplicht niet tot sanering van een overbelaste situatie en in principe is ongestoorde voortzetting van de bedrijfsactiviteiten gegarandeerd. Als de situatie overbelast is, is uitbreiding alleen mogelijk middels de 50%-regeling (artikel 3.4 van de Wgv). Op grond hiervan zal de vergunde geurcontour niet groter kunnen worden. Bouwen tot de vergunde geurcontour van Oude Borculoseweg 5 (in de windrichting van Den Sliem 100) heeft geen verdergaande beperking van uitbreidingsmogelijkheden voor het bedrijf ten gevolg.

Volgens de uitgangspunten van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt de bouw van de woningen in het plangebied geen belemmeringen voor de omliggende agrarische bedrijven en vormt het aspect geur geen verdere belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied.

Slachterij

De slachterij op het bedrijventerrein Den Sliem is een bedrijf met de milieucategorie 3.2. Deze kan overlast veroorzaken voor gevoelige objecten zoals de woonwijk De Woerd. De afstand tussen de slachterij en de eerste gevel van het plangebied is ongeveer 450 meter. Het aspect geur van de slachterij vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied.

Conclusie

Het aspect 'geur' stond de beoogde ontwikkeling al niet in de weg. De toekomstige ontwikkeling blijft binnen de contouren van het aanvankelijke bestemmingsplan. Hierdoor staat het aspect 'geur' de wijziging van de verkaveling niet in de weg.

4.6 Industrielawaai

Volgens de Wet geluidhinder dienen alle industrie- en bedrijventerreinen, waarop inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken, gezoneerd te zijn. Bedoelde inrichtingen – vroeger ook wel 'A-inrichtingen' genoemd – worden nader genoemd in het Besluit omgevingsrecht. Rondom deze industrieterreinen dient een geluidszone te worden vastgesteld en vastgelegd in bestemmingsplannen. Buiten deze zone mag de geluidsbelasting als gevolg van het industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen. Bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige functies dient rekening te worden gehouden met de zonering van industrielawaai. Nieuwe geluidsgevoelige functies (zoals woningen) binnen de zonegrens zijn niet zonder meer toegestaan. Indien er binnen de 50 dB(A)-contour, de zonegrens van het industrieterrein, geluidsgevoelige functies (bijvoorbeeld woningen) mogelijk worden gemaakt, geldt een onderzoeksplicht. Wanneer er voor een locatie binnen de zone industrielawaai wordt aangetoond dat de geluidsbelasting onder de 50 dB(A) ligt, is de bouw van geluidsgevoelige functies op die locatie toegestaan. Bij een geluidsbelasting van meer dan 50 dB(A) kan door burgemeester en wethouders een hogere grenswaarde worden vastgesteld tot maximaal 55 dB(A).

Onderzoek en conclusie

Ten noorden van het plangebied, aan de noordkant van de Slinge, is het bedrijventerrein Den Sliem gelegen. Op 7 juli 2009 heeft de gemeenteraad het Paraplubestemmingsplan 'Aanpassing geluidszone Bedrijventerrein Den Sliem/Laarberg ten zuiden van De Slinge' vastgesteld.

Dit paraplubestemmingsplan, dat op 3 september 2009 in werking trad, voorzag in de aanpassing van de geluidszone van bedrijventerrein Den Sliem/Laarberg ten zuiden van De Slinge in noordelijke richting. Het onderhavige plangebied ligt buiten deze geluidscontour. Daardoor heeft de contour geen invloed op de ontwikkelingsmogelijkheden in het plangebied. De gemeente Oost Gelre werkt aan een partiële herziening van de geluidszone van het Regionaal Bedrijvenpark Laarberg/Den Sliem. Ook in deze herziening blijft de geluidscontour buiten het plangebied.

4.7 Luchtkwaliteit

Beleid en Normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.

Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

stof   toetsing van   Grenswaarde   geldig  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   60 µg/m³   2010 tot en met 2014  
  jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³   vanaf 2015  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³   vanaf 11 juni 2011  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

NIBM

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen.

Onderzoek en conclusie

De ontwikkeling in het plangebied is met de realisatie van enkele woningen dusdanig klein dat dit ten opzichte van de huidige situatie voor een beperkte verkeersaantrekkende werking zorgt. Het aantal kavels is ten opzichte van het aanvankelijke plan verminderd. De ontwikkeling valt onder het Nibm omdat het een ontwikkeling van minder dan 1500 woningen betreft. Om deze reden is onderzoek niet nodig.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat in 2013 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs de N18 (als maatgevende doorgaande wegen in de buurt van het plangebied) ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Daarom is ter plaatse van het hele plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect 'luchtkwaliteit' staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.8 Wegverkeerslawaai

Nieuw te bouwen woningen zijn volgens de Wet geluidhinder (Wgh) nieuwe geluidsgevoelige functies waarvoor akoestisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Artikel 74 van de Wgh geeft aan dat een weg bestaande uit twee rijstroken of een of twee sporen een geluidszone van 200 meter heeft. Een weg bestaande uit drie of meer rijstroken of drie of meer sporen heeft een geluidszone van 350 meter.

Nabij het plangebied zijn de Eibergseweg en de N18 gelegen. De Eibergseweg heeft een wettelijke geluidszone van 200 m. Ten opzichte van het aanvankelijke plan komen de woningen met dit wijzigingsplan op grotere afstand van deze wegen te liggen. De kortste afstand van het plangebied tot de Eibergseweg is circa 202 meter. Hierdoor ligt het plangebied buiten het onderzoeksgebied. De N18 heeft een wettelijke geluidszone van 350 meter. De kortste afstand tussen het plangebied en de N18 is circa 380 meter. Hierdoor is het plangebied buiten het onderzoeksgebied gelegen. In de oorspronkelijke situatie stond wegverkeerslawaai de ontwikkeling al niet in de weg. Nu is geen aanvullend akoestisch onderzoek nodig. Daarnaast maakt voorliggend plan geen nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk, maar juist minder. Mede hierdoor is geen nieuw akoestisch onderzoek noodzakelijk.

4.9 Water

Waterbeheer en watertoets

De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Rijn en IJssel, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer.

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer 

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld.

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW).

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW);
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);
  • Waterwet.

Provinciaal:

  • Provinciaal Waterplan;
  • Provinciale Structuurvisie;
  • Verordening Ruimte.

Waterbeheerplan 2010-2015

In het Waterbeheersplan 2010 - 2015 heeft Waterschap Rijn en IJssel zijn ambities en uitvoeringsprogramma vastgelegd voor de periode 2010 tot en met 2015. Het plan bepaalt in grote lijnen de agenda van Waterschap Rijn en IJssel voor de komende jaren. De plannen zijn onderverdeeld in vier thema's: Veiligheid, Watersysteembeheer, Waterketenbeheer en Uitvoering.

Hiermee ambieert het waterschap dat de veiligheid van de dijken en waterkeringen gewaarborgd blijft. Het waterschap werkt daarbij ook aan de verbetering van de stroomgebieden, door het realiseren van ecologische functies, opstellen van zwemwaterprofielen en het vasthouden van water in de haarvaten van het watersysteem. Hiervoor stelt het waterschap zo nodig gebiedsnormen op en treft het maatregelen tegen onder andere droogte. Een ander onderdeel hiervan is de watertoets, waarbij in nauwe samenwerking met de gemeente stedelijk water wordt beheert. Hierdoor wordt de waterketen waar nodig verbeterd. De uitvoering wordt hierdoor projectmatig en programmatisch ingezet, waarbij er gestimuleerd wordt in het toepassen van nieuwe manieren met input van burgers en bedrijven.

Watertoets Waterschap Rijn en IJssel

Waterschap Rijn en IJssel heeft een handreiking ontworpen zodat een initiatiefnemer zelf kan bepalen voor welke plannen en in welke mate het waterschap betrokken dient te worden bij het opstellen van een waterparagraaf. Met deze watertoetstabel wordt in beeld gebracht welke wateraspecten relevant zijn en met welke intensiteit het watertoetsproces doorlopen dient te worden, zie tabel 4.2. Omdat het plangebied naast een natte EVZ (ecologische verbindingszone) gelegen is, is een uitgebreide watertoets ten behoeve van de totale ontwikkeling van De Woerd uitgevoerd. Op 2 november 2009 is het Waterschap Rijn en IJssel akkoord gegaan met de toets.

Tabel 4.2 Toetsingstabel Waterschap Rijn en IJssel

Thema   Toetsvraag   Relevant   Intensiteit  
Veiligheid   1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering?
2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?  
Nee
Nee  
2
2  
Riolering en afvalwaterketen   1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur
2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?
3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap?  
Nee
Nee
Nee  
2
1
1  
Wateroverlast (oppervlaktewater)   1. is er sprake van een toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500 m2?
2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2?
3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?
4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen of overstromingsvlaktes?  
Ja

Nee

Nee

Nee  
2

1

1

1  
Grondwater- overlast   1. Wordt vanuit het plangebied hemelwater op het oppervlaktewater geloosd?   Nee   1  
Inrichting en beheer   1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn van het waterschap?
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?  
Ja

Nee  
1

2  
Volksgezondheid   1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel?
2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygienische of verdrinksrisisco's met zich meebrengen?  
Nee

Nee  
1

1
 
Natte natuur   1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?
3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur?
4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?  
Ja
Nee
Nee

Nee  
2
2
1

1  
Verdroging   1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?   Nee   1  
Recreatie   1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?   Nee   2  
Cultuurhistorie   1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?   Nee   1  

Bodem en grondwater

Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit zandgrond. Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit zandgrond. Er is sprake van grondwatertrap VI. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand varieert tussen 0,4 en 0,8 meter beneden maaiveld en dat de laagste grondwaterstand ook meer dan 1,2 meter beneden maaiveld ligt. De maaiveldhoogte ter plaatse bedraagt circa +22,50 meter NAP.

Afvalwater en riolering

Een toename in het verharde oppervlak resulteert in een versnelde afvoer van hemelwater. Als dit hemelwater niet vertraagd wordt afgevoerd wordt het watersysteem zwaarder belast en het waterbezwaar naar benedenstroomse gebieden afgewenteld. Ook is er geen aanvulling van het grondwater. Uitgangspunt is dat (nieuwe) ontwikkelingen minimaal hydrologisch neutraal zijn of een verbetering ten opzichte van de huidige situatie.

Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt het verhard oppervlak toe. Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de trits vasthouden - bergen – afvoeren behandeld. Het hemelwater wordt ter plaatse geïnfiltreerd/geborgen in wadi's. Op deze wijze kan regenbui T=10+10% (40mm) worden opgevangen in het plangebied en vertraagd worden afgevoerd. In extreme situaties zou bui T=100+10% tot aan maaiveld of op maaiveld geborgen kunnen worden zonder dat er waterschade optreedt.

Bij inrichting van het plangebied was het waterschap Rijn en IJssel betrokken als adviseur. Zij hebben met het moederplan (bestemmingsplan Woonwijken Groenlo) ingestemd.

Veiligheid en waterkeringen

Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van primaire en regionale waterkeringen.

Inrichting en beheer 

Het beheer en onderhoud van het watersysteem dient met het reguliere onderhoudsmaterieel van het waterschap mogelijk te zijn. Daarnaast dienen wijzigingen aan het watersysteem en werkzaamheden in de keurzone met een watervergunning te worden uitgevoerd.

Het plangebied is op circa 145 meter gelegen van een watergang in eigendom en beheer van het waterschap Rijn en IJssel. De voorgenomen ontwikkelingen zijn geen belemmering voor het reguliere beheer en onderhoud van het watersysteem.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

Dit wijzigingsplan maakt na vaststelling integraal onderdeel uit van het bestemmingsplan 'Woonwijken Groenlo' van de gemeente Oost Gelre. Dit betekent dat in alle algemene bepalingen en bestemmingen die op het bestemmingsplan van toepassing zijn, zoals de begripsbepalingen, de bestemmingsbepalingen, de zonebepalingen en de overgangsbepalingen, ook voor het voorliggende plan gelden. Voor de uitleg van deze planregels en aanduidingen wordt verwezen naar het bestemmingsplan 'Woonwijken Groenlo'. Om de regeling goed aan te sluiten op de ontwikkeling en vanwege de leesbaarheid van het plan is er voor gekozen om de bestemmingsregels wel op te nemen in het wijzigingsplan. De regels zijn hierbij aangepast aan de omstandigheden ter plaatse.

 

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

 

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Het plan De Woerd, 1e fase wordt gerealiseerd door de gemeente Oost Gelre. Alle gronden zijn in bezit bij de gemeente. Derhalve is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan conform artikel 6.12. lid 1 Wro vast te stellen. Uit een globale grondkostenexploitatie blijkt dat het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar is.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. Het ontwerpwijzigingsbesluit heeft gedurende zes weken (van 30 december tot en met 9 februari 2015) ter inzage gelegen. Gedurende deze zes weken zijn belanghebbenden in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze op het ontwerpbesluit in te dienen. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Er zijn geen zienswijzen ingediend.