| Plan: | Wijzigingsplan uitbreiden woning de Stegge 25 te Lievelde |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1586.WPBUI2013-VG01 |
De eigenaren van het perceel de Stegge 25 hebben een plan ingediend met het doel de bestaande woning uit te breiden. De geplande woning heeft een inhoud van 850 m3. Het plan past niet in het geldende bestemmingsplan omdat daarin is bepaald dat een woning een inhoud van maximaal 750 m3 mag hebben.
De uitbreiding van de woning is daarom in strijd met het geldende bestemmingsplan. In het geldende bestemmingsplan voor het buitengebied is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt een woning uit te breiden naar een inhoud van 850 m3. Het ingediende plan voldoet aan de voorwaarden uit deze wijzigingsbevoegdheid. Daarom is het voorliggende bestemmingsplan Wijzigingsplan uitbreiden woning de Stegge 25 te Lievelde opgesteld.
Bij het opstellen van bestemmingsplannen voor het grondgebied van de gemeente Oost Gelre wordt in principe overal dezelfde plansystematiek gehanteerd. De bestemmingen en regels uit het voorliggende bestemmingsplan sluiten daardoor grotendeels aan op de bestemmingen en regels uit andere bestemmingsplannen. Daarmee wordt de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid van de burgers vergroot.
Het plangebied ligt aan de noordwestzijde in het buitengebied van Lievelde. Ten westen van het perceel ligt het recreatiebedrijf Megapret.
Afbeelding: globale ligging plangebied.
Afbeelding: vogelvluchtfoto De Stegge 25
Dit plan 'Wijzigingsplan uitbreiden woning de Stegge 25 te Lievelde' is een wijzigingsplan voor het perceel de Stegge 25 te Lievelde. Voor dit plangebied geldt op dit moment de bestemmingsplannen 'Buitengebied Buitengebied Oost Gelre 2011' , 'Reparatieplan buitengebied Oost Gelre' en 'Buitengebied, Reparatieplan 2016'.
Het perceel heeft de bestemming 'Wonen'. Daarnaast zijn de gebiedsaanduiding 'overige zone - groene ontwikkelingszone' en de dubbelbestemming 'Waarde -Archeologische verwachtingswaarde 2'.
Afbeelding: uitsnede geldende bestemmingsplan.
Wijzigingsbevoegdheid vergoten woning
In de planregels bij de bestemming 'Wonen' is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt om de inhoud van een woning te vergroten. Deze luidt als volgt:
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het vergroten van de inhoud van de woning tot 850 m3 dan wel het betrekken van de deel van de voormalige boerderij bij de woning, met dien verstande dat:
Op het perceel is momenteel een woonboerderij met enkele bijgebouwen aanwezig. Eén van deze schuren is monumentaal. De bestaande deel van de boerderij wordt gesloopt en voor een deel vervangen door een uitbreiding van het bestaande woongedeelte in het voorhuis. Het woongedeelte wordt daarmee 850 m3 groot.
Onderdeel van het plan is het plan voor de landschappelijke inpassing. Dit inpassingsplan is een voorwaarde voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid.
Aan de oost- en noordzijde van het perceel wordt een struweelhaag aangelegd met streekeigen beplanting waaronder vuilboom, kardinaalsmuts, sleedoorn, meidoorn en zoete kers. Op het erf worden hagen en enkele solitaire bomen aangeplant. Een zichtlijn naar het achterliggende, meer open, landschap blijft behouden.
Het inpassingsplan draagt bij aan een goede inpassing van het perceel in de omgeving en levert een bijdrage aan het versterken van het kleinschalige Achterhoekse landschap. De nieuwe beplanting zal een leef-. broed- en fourgeergebied vormen voor onder meer vogels en kleine zoogdieren.
Het complete inpassingsplan is opgenomen in Bijlage 1 Inpassingsplan en Bijlage 2 Toelichting bij inpassingsplan.
Voor het gebied geldt een groot aantal juridische- en beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste beleidskaders samengevat die relevant zijn voor het plangebied.
In december 2018 is de Omgevingsvisie vastgesteld. De provincie kiest er in deze Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:
1. een duurzame economische structuur;
2. het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.
Deze twee hoofddoelen benadrukken de rol en kerntaken van de provincie als middenbestuur. Zij beïnvloeden elkaar. Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Dat is een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Het betekent ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland.
In december 2018 heeft de Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze verordening vormt samen met de tegelijkertijd vastgestelde Omgevingsvisie het ruimtelijk beleid en ziet toe op het veiligstellen van de provinciale belangen.
Regels over woningbouw
Een groot deel van de regels uit de verordening heeft betrekking op bebouwing (nieuwe woningen, bedrijventereinen en uitbreidingen van agrarische bedrijven). In dit geval wordt geen nieuwe bebouwing opgericht en wordt een bestaande woning vergroot. De oppervlakte bebouwing op het perceel neemt af omdat de deel wordt gesloopt en voor een deel wordt vervangen door nieuwe bebouwing. De regels over woningbouw (nieuwe woningen) zijn dan ook niet van toepassing.
Regels over plannen in de Groene Ontwikkelingszone
Het plangebied ligt in een gebied dat is aangewezen als Groene Ontwikkelingszone. In artikel 2.53 van de verordening zijn bepalingen opgenomen voor uitbreiding van bestaande functies in de Groene Ontwikkelingszone. Deze luiden als volgt:
Artikel 2.53 (uitbreiding bestaande bedrijven of functies in Groene ontwikkelingszone)
Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de Groene ontwikkelingszone kan uitbreiding van bestaande functies met meer dan 30 procent mogelijk maken, als:
1. in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de kernkwaliteiten Groene ontwikkelingszone van het betreffende gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt;
2. in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de uitbreiding zodanig wordt ingepast in het betreffende landschapstype dat de kernkwaliteiten, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo niet significant worden aangetast;
3. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de Groene ontwikkelingszone kan uitbreiding van bestaande functies met ten hoogste 30 procent mogelijk maken, als:
4. deze inpassing planologisch is verankerd in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.
Toetsing aan de verordening
Het perceel ligt in de Groene Ontwikkelingszone Baakse Beek. Dit wijzigingsplan regelt enkel het vergroten van de woonruimte binnen een al geldende woonbestemming. De deel van de oorspronkelijke wordt gesloopt en voor een beperkt deel van de te slopen oppervlakte teruggegebouwd. Per saldo neemt de oppervlakte bebouwing op dit perceel af met circa 200 m2 af. Het woongedeelte wordt met circa 200 m3 ten opzichte van het bestaande gebruik als woning vergroot naar 850 m3. De planologische uitbreiding van de woning bedraagt 100 m3 (van 750 m3 naar 850 m3). Het plan voldoet aan de voorwaarden dat er sprake is van een beperkte uitbreiding van de bestaande woonfunctie, waarbij de totale oppervlakte bebouwing op het perceel afneemt.
Met dit wijzigingsplan mogen de landschappelijke en natuurlijke waarden niet worden aangetast, maar moeten worden versterkt. De aanvrager heeft een erfinrichtingsplan en een beplantingsplan ingediend. Daarmee wordt gezorgd voor een goede inpassing in het landschap. De bebouwing ligt nu open in het landschap. Door onder meer struwelen, hagen en enkele solitaire bomen aan te planten gaat het perceel beter op in de omgeving. De nieuwe beplanting heeft een streekeigen karakter.
Met dit plan wordt de half-openheid en kleinschaligheid van het landschap ter plaatse versterkt. Beken komen niet voor de in de directe omgeving van het plangebied. Het plangebied ligt aan buitenrand van de groene ontwikkelingszone Baakse Beek en is dus vooral een droog gebied. Belangrijke te ontwikkelen kernkwaliteiten voor dit gebied zijn het ontwikkelen en versterken van de kleinschaligheid en het bieden van leefgebied aan flora en fauna.
Met de uitvoering van het beplantingsplan wordt een bijdrage geleverd aan de versterking van de half-openheid en beslotenheid van het landschap doordat nieuwe beplanting wordt aangebracht op en nabij een nu nog voornamelijk onbeplant perceel. Het landschap wordt lokaal kleinschaliger gemaakt en de nieuwe beplanting biedt leef-, schuil- fourageer- en voortplantingsgebied voor insecten, vogels, kleine zoogdieren en klein wild. Het inpassingsplan levert daarmee een bijdrage aan de ontwikkeling van een deel van de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen voor de Groene Ontwikkelingszone Baakse Beek.
Met een voorwaardelijke verplichting in de planregels is bepaald dat de aanleg van het inpassingsplan binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van dit wijzigingsplan gerealiseerd moet zijn. Ook is bepaald dat het inpassingsplan na de aanleg in stand moet worden gehouden.
Het wijzigingsplan Wijzigingsplan uitbreiden woning de Stegge 25 te Lievelde is opgesteld om de gewenste ontwikkeling op dit perceel mogelijk te maken. Het geldende bestemmingsplan is het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011' (vastgesteld op 18 december 2012) en de bijbehorende reparatieplannen 'Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre' (vastgesteld 15 juli 2014) en het bestemmingsplan 'Buitengebied, Reparatieplan 2016 (vastgesteld 4 april 2017).
Het perceel heeft de bestemming 'Wonen'. Op het perceel is één woning toegestaan. De maximale inhoud van een woning bedraagt 750 m3. Daarnaast zijn de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2' en de gebiedsaanduiding 'overige zone - groene ontwikkelingszone' van toepassing.
Afbeelding: uitsnede bestemmingsplan.
Wijzigingsbevoegdheid vergroten woning
In de woonbestemming is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt om de deel bij de woning te betrekken en te gebruiken als woning. De tekst van de wijzigingsbevoegdheid luidt als volgt:
19.6.1 Verruiming inhoudsmaat woning
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het vergroten van de inhoud van de woning tot 850 m3 dan wel het betrekken van de deel van de voormalige boerderij bij de woning, met dien verstande dat:
a. het aantal woningen niet mag toenemen;
b. uit een door het college goedgekeurd plan voor erfinpassing blijkt dat het erf en de omliggende gronden landschappelijk worden versterkt;
c. er geen sprake is van een locatie waar functieverandering naar wonen is toegepast.
In dit hoofdstuk is getoetst of het plan voldoet aan de milieuwet-en regelgeving.
Omdat een uitbreding van een woning, en daarmee een verblijfsruimte voor mensen, mogelijk wordt gemaakt is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.
De conclusies van het onderzoek zijn als volgt:
Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht, niet lijnvormig" (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is.
De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, zeer fijn zand. De bovengrond is bovendien
deels zwak humeus. De grond is plaatselijk zwak gleyhoudend. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen.
Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten.
De bovengrond is licht verontreinigd met lood. In de ondergrond en het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond.
Conclusie en advies
De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht, niet lijnvormig" kan worden
beschouwd wordt, op basis van de lichte verontreinigingen, niet geheel bevestigd. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de nieuwbouw op en bestemmingswijziging van de onderzoekslocatie.
Algemene opmerking
Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (d.d. 29 november 2019) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing.
Het volledige bodemonderzoek is opgenomen in Bijlage 4 Verkennend bodemonderzoek. De Omgevingsdienst Achterhoek ondeschrijft de conclusies uit de bodemrapportage. Het advies van de ODA is opgenomen in Bijlage 5 Beoordeling bodemonderzoek.
Eind 2000 heeft het kabinet het standpunt "Anders omgaan met water" vastgesteld. Het op een andere manier omgaan met water én ruimte is nodig om in de toekomst bescherming te bieden tegen overstromingen en wateroverlast. De watertoets is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. De toets heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De watertoets heeft betrekking op alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik van de grond in het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied. Voorbeelden van deze aspecten zijn: veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie "Vasthouden-Bergen-Afvoeren" staat hierbij centraal. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt "stand still - step forward". Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvaten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. In het "Waterbeheersplan 2007-2010" heeft het waterschap Rijn en IJssel deze beleidsdoelstellingen uitgewerkt en vormgegeven voor zijn waterbeheer. Het waterschap streeft naar schoon water, levend water en functioneel water. Het watersysteem dient optimaal afgestemd te zijn op de ruimtelijke functies van een gebied. Aandachtspunten zijn het verbeteren van waterkwaliteit (terugdringen van oppervlaktewatervervuiling) en het voorkomen van wateroverlast. In zowel landelijk- als stedelijk gebied kunnen ruimtelijke ontwikkelingen een positief maar ook een negatief effect hebben op het watersysteem. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling per waterthema afgewogen.In het stedelijke gebied is de waterhuishouding in eerste instantie gericht op het voorkomen van (grond)wateroverlast.
| Thema | Toetsvraag | Relevant |
| HOOFDTHEMA'S | ||
| Veiligheid |
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering (primaire waterkering, regionale waterkering of kade)? 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? |
Nee Nee |
| Riolering en Afvalwaterketen | 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap? |
Nee Nee Nee |
| Wateroverlast (oppervlaktewater) |
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2.500 m2? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen en overstromingsvlaktes? |
Nee Nee Ja Nee |
| Oppervlaktewater-kwaliteit | 1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? |
Nee |
| Grondwater- overlast |
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? |
Nee Nee Nee |
| Grondwater- kwaliteit |
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? |
Nee |
| Inrichting en beheer |
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? |
Nee Nee |
| Volksgezondheid | 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functie, in of nabij het plangebied die milieuhygienische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? |
Nee Nee |
| Natte natuur | 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? |
Ja Ja Nee Nee |
| Verdroging | 1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? | Nee |
| Recreatie | 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? | Nee |
| Cultuurhistorie | 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig? | Nee |
Het plan gaat uit van de uitbreiding van het bestaande woongedeelte. Het bestaande achterhuis (deel) van een woning wordt gesloopt en voor een beperkt deel weer terugegebouwd als uitbreiding van het bestaande voorhuis. De oppervlakte bebouwing neemt af met circa 200 m2. Het verhard oppervlak neemt daarmee af. Uitgangspunt bij nieuwe ontwikkelingen is dat het afstromende hemelwater niet op de riolering wordt geloosd. De initiatiefnemer onderzoekt de mogelijkheden om het hemelwater van het dak via een infiltratievoorziening langzaam worden afgevoerd naar de sloot aan de Stegge.
Het perceel ligt in een gebied dat is aangewezen als de Groene Ontwikkelingszone rond de Baakse Beek. Het perceel ligt in de 'buitenrand' van deze zone en dus op afstand van de Baakse Beek. Het plan heeft geen invloed op het watersysteem van de Baakse Beek. Op het perceel wordt nieuwe beplanting in de vorm van struweel en bomen aangeplant. Deze beplanting levert daarmee een bijdrage aan de gewenste kleinschaligheid en het bieden van leefgebied voor verschillende soorten dieren als onderdeel is van de doelen voor het beekdal.
De aanvrager heeft een quick-scan flora en fauna laten uitvoeren. Daarin is onderzocht wat de gevolgen van het bouwplan zijn voor de natuurwaarden.
Uit het onderzoek blijkt dat de aanwezigheid van beschermde soorten planten, reptielen, dagvlinders, libellen, vissen, kevers en slakken kan worden uitgesloten. Ook zijn er geen jaarrond beschermde nesten aanwezig. In het struweel rond het plangebied zijn vaste rust- en verblijfplaatsen van huismussen aanwezig. Dit struweel wordt niet aangetast. In de omgeving van het plangebied is en blijft voldoende fourageergebied voor vogels en vleermuizen aanwezig.
Binnen het plangebied zijn geen verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig.
Mogelijk functioneert het plangebied als leefgebied voor algemeen grondgebonden zoogdieren. Voor deze soorten geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen een algehele vrijstelling van de gebodsbepaling. Gezien de ligging en kenmerken van het gebied kan het voorkomen van beschermde soorten worden uitgesloten. Mogelijk komt het in het plangebied een enkel individu van de algemene amfibiesoort gewone pad of bruine kikker.
Het plan heeft geen negatieve invloed op Natura2000-gebieden of het Gelders Natuurnetwerk. Het gaat hier om een verbouwing aan een bestaande woning op een bestaand bebouwd perceel.
Met de uitvoering van het erfinrichtingsplan en het beplantingsplan worden nieuwe bomen en struiken toegevoegd op het perceel. Deze beplanting kan een nieuw leefgebied vormen voor vogels, insecten en kleine zoogdieren en daarmee een bijdrage leveren aan de natuurwaarden in het gebied.
Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 3 Quickscan flora en fauna.
Dit wijzigingsplan gaat uit van het vergroten van een bestaande woning. Het plan leidt tot niet extra verkeersbewegingen en dus ook niet aannemelijk dat dit plan leidt tot een extra stikstofdepositie op Natura2000-gebieden in de omgeving.
Het te ontwikkelen perceel is gelegen in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Dit wil zeggen dat bij bodemingrepen dieper dan 30 centimer onder maaiveld en meer dan 2.500 m2 groot er een inventariserend archeologisch onderzoek moet plaatsvinden.
Dit plan regelt de uitbreiding van een bestaande woning. Deze verbouwing vindt plaats binnen de bestaande bebouwingscontouren. Op het erf zal verder wat bodemverstoring plaatsvinden door de aanplant van onder de groenstructuur. Deze oppervlakte blijft echter beperkt tot de locaties waar deze nieuwe groenelementen worden aangeplant.
Het uitvoeren van een inventariserend archeologisch onderzoek is daarom noodzakelijk. Wel geldt ten allen tijde de zorgplicht:
Wel dient bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht (ex artikel 53 Monumentwet 1988) kenbaar te worden gemaakt om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij Onze Minister. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort. Het dient aanbeveling ook de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Oost Gelre hiervan direct in kennis te stellen.
Op het naastgelegen perceel is het recreatiebedrijf 'Megapret' gevestigd'. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering" geldt een richtlijnafstand van 100 meter voor buitenactiviteiten en 50 meter voor indooractiviteiten tussen de bedrijfsactiviteiten en een woning van derden.
Voor de uitbreiding van de activiteiten van dit bedrijf (indooractiviteiten, beperkte horeca) is recent een bestemmingsplan opgesteld. De gebouwen aan de oostkant van dit perceel mogen gebruikt worden voor indoorspeelactiviteiten (de activiteiten vinden dus binnen plaats).
De overige buitenactiviteiten zijn bestaande activiteiten.
De Stegge 25 is gelegen op respectievelijk 140 m (buitenterrein kinderen), 115 m (indoorspeelhal kinderen) en 50 m (indoorspeelhal (jong)volwassenen). De woning ligt daarmee buiten de richtlijnafstanden. De uitbreiding van de woning vindt daarnaast plaats aan de oostzijde van het perceel, dus verder van de activiteiten van Megapret af. De verwachting is dat er sprake is en blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het perceel de Stegge 25.
In paragraaf 4.6. is nader ingegaan op het geluidsaspect.
In het kader van de uitbreiding van de uitbreiding van de activiteiten van het naastgelegen bedrijf Megapret is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In het onderzoek is aandacht besteedt aan de gevolgen voor de nabijgelegen woningen, waaronder de Stegge 25. Het volledige rapport is opgenomen in Bijlage 6 Akoestisch onderzoek.
Hierna volgen de voor de Stegge 25 relevante conclusies uit het rapport.
Ingevolge de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij een ruimtelijke planontwikkeling ter waarborging van een akoestisch goed woon- en leefklimaat in verblijfsobjecten rekening te worden gehouden met het aspect wegverkeerslawaai. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) hebben alle wegen een geluidzone met uitzondering van wegen waar een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De woning ligt aan een rustige weg in het buitengebied. In het akoestisch rapport voor de uitbreiding van de activiteiten van het naastgelegen bedrijf Megapret is berekend wat de effecten van het extra verkeer zijn op de geluidbelasting in de omgeving van de weg. De 50-dBA-contour als gevolg van. verkeer van en naar de inrichting ligt op 9 meter van de wegas. De geluidbelasting op de woningen langs de weg ligt onder de voorkeursgrenswaarde van 50 dBA.
Daarnaast is er in dit geval geen sprake van een nieuwe woning maar een uitbreiding van een bestaande woning die goed geïsoleerd wordt. De uitbreiding vindt plaats binnen de bestaande bebouwingscontouren en komt dus niet dichter bij de weg te liggen.
Om het akoestisch rapport is berekend of de nieuwe activiteiten passen binnen de wettelijke geluidsnormen en er geen hinder ontstaat op omliggende percelen. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT t.g.v. alle activiteiten bij het bedrijf – inclusief uitbreiding - bedraagt in de immissiepunten 1 en 2 bij de Stegge 25 hooguit 46 dB(A) overdag, 39 dB(A) in de avond en 36 dB(A) in de nacht en op 50 m afstand hooguit 46 dB(A) overdag, 44 dB(A) in de avond en nacht. Daarmee worden de grenswaarden niet overschreden. Een beperkt voorkomende overschrijding van de maximale geluidsniveaus vindt ook al plaats in de bestaande situatie en is vergund.
De bijdrage van de nieuwe hal / activiteiten aan de geluidbelasting in de omgeving is gering.
Daarnaast is er in dit geval geen sprake van een nieuwe woning maar een uitbreiding van een bestaande woning die goed geïsoleerd wordt.
De luchtkwaliteit is afhankelijk van de mate van verontreiniging door diverse luchtverontreinigende stoffen waarbij de voornaamste bronnen van luchtverontreiniging het wegverkeer, industriële bedrijven en de landbouw zijn. Deze stoffen zijn zwaveldioxide (SO2), stikstofdioxide (NO2), lood, koolmonoxide (CO), fijn stof (PM10), en benzeen (C6H6) Vanuit Europese richtlijnen wordt aangegeven welke luchtkwaliteitsnormen voor deze stoffen gelden. In Nederland zijn deze richtlijnen sinds 15 november 2007 geïmplementeerd in de Wet milieubeheer middels een wetswijziging van hoofdstuk 5 (milieukwaliteitseisen) titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, beter bekend als de Wet Luchtkwaliteit.
Artikel 5.16 lid 1 en 2 van de Wet milieubeheer geeft aan dat bestuursorganen bevoegdheden of wettelijke voorschriften die betrekking hebben op de luchtkwaliteit kunnen uitoefenen of toepassen, tenzij:
De hiervoor genoemde grenswaarden zijn in de onder staande tabel aangegeven
| Stof | Grenswaarde |
| SO2 | 350 µg/ m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 24 maal per kalenderjaar mag worden overschreden |
| 125 µg/ m³ als 24 uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 3 maal per kalenderjaar mag worden overschreden | |
| NO2 | 200 µg/ m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 18 maal per kalenderjaar mag worden overschreden |
| 40 µg/ m³ als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010 | |
| PM10 | 40 µg/ m³ als jaargemiddelde concentratie |
| 50 µg/ m³ als 24 uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden | |
| Lood | 0,5 µg/ m³ als jaargemiddelde concentratie |
| CO | 10.000 µg/ m³ als 8 uursgemiddelde concentratie |
| C6H6 | 10 µg/ m³ tot 1-1-2010 en 5 µg/ m³ na 1-1-2010 als jaargemiddelde concentratie |
Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen):
Dit Besluit NIBM, legt vast wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Dat is het geval wanneer aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. De systematiek voor het bepalen of een project NIBM is voor het grootste gedeelte geregeld in de regeling niet in betekende mate (luchtkwaliteitseisen).
De Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen).
Deze Ministeriële Regeling, verder aan te duiden als de Regeling NIBM, geeft voor een aantal categorieën van projecten een - getalsmatige - invulling aan de NIBM-grens. Het gaat ondermeer om woningbouw- en kantoorprojecten en enkele soorten van inrichtingen (bijv. emplacementen, kassen en andere landbouwinrichtingen). Als een project binnen de - getalsmatige - begrenzing van de Regeling NIBM valt, dan is geen verdere toetsing aan de 3% grens en de grenswaarden nodig en kan doorgaan zonder dat extra maatregelen worden genomen. Voor woningbouw is het huidige 3% criterium 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de uitbreiding van een bestaande woning mogelijk gemaakt. Het gaat hier dus om minder woningen dan het hier genoemde criterium, waardoor het aannemelijk is gemaakt dat die uitoefening of toepassing niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen.
Het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Het BEVI heeft als doel zowel individuele als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het BEVI legt veiligheidsafstanden vast tussen bedrijven die risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen verrichten (zoals LPG-tankstations en chemische fabrieken) en zogenoemde kwetsbare objecten (zoals woningen en scholen). Tevens beperkt het BEVI het totale aanwezige personen in de directe omgeving van een risicovol bedrijf. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle bedrijven of opslagen gevestigd. Ook liggen er geen leidingen voor gevaarlijke stoffen in de omgeving van het plangebied.
De verkeersaantrekkende werking voor de woonfunctie is zeer beperkt. De wegenstructuur is hier ruim voldoende voor. Parkeren moet plaatsvinden op eigen terrein. Op het erf is ruim voldoende ruimte aanwezig om een aantal parkeerplaatsen mogelijk te maken.
Hierna wordt het plan getoetst aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid.
Wijzigingsbevoegdheid vergroten woning
In de woonbestemming is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt om de deel bij de woning te betrekken en te gebruiken als woning. De tekst van de wijzigingsbevoegdheid luidt als volgt:
19.6.1 Verruiming inhoudsmaat woning
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het vergroten van de inhoud van de woning tot 850 m3 dan wel het betrekken van de deel van de voormalige boerderij bij de woning, met dien verstande dat:
a. het aantal woningen niet mag toenemen;
b. uit een door het college goedgekeurd plan voor erfinpassing blijkt dat het erf en de omliggende gronden landschappelijk worden versterkt;
c. er geen sprake is van een locatie waar functieverandering naar wonen is toegepast.
Toetsing aan de voorwaarden
Ad a: het aantal woningen neemt niet toe. Dit wijzigingsplan heeft betrekking op een uitbreiding van een bestaande woning.
Ad b: de eigenaren hebben een inpassingsplan ingediend voor de landschappelijke versterking van het erf en de directe omgeving van het erf.
Ad c: op dit perceel heeft in het verleden geen functieverandering (agrarische bestemming omzetten naar wonen waarbij ook een extra woning wordt toegestaan) plaatsgevonden.
Overige voorwaarden 'goede ruimtelijke ordening'
Naast de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid moet een wijzigingsplan voldoen aan eisen voor een 'goede ruimtelijke ordening'. Hiermee wordt onder andere bedoeld dat een plan moet voldoen aan de geldende milieuwet- en regelgeving. In hoofdstuk 4 is het plan getoetst aan alle andere relevante ruimtelijke aspecten. Het plan voldoet hier aan.
Dit wijzigingsplan is opgesteld met een gedetailleerde wijze van bestemmen omdat maatwerk nodig is. Dit biedt voldoende rechtszekerheid voor de burger.
Het perceel heeft de bestemming 'Wonen' gekregen. Binnen dit bestemmingsvlak is één woning toegestaan. Met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende inhoud' is de maximale inhoud van de woning na vergroting met de deel vastgelegd. Daarnaast zijn de aanduiding 'overige zone - groene ontwikkelingszone' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2' uit het geldende bestemmingsplan overgenomen.
Binnen de woonbestemming zijn meerdere mogelijkheden voor beroep aan huis opgenomen.
Het erf- en beplantingsplan zijn als voorwaardelijke verplichting opgenomen. Aanleg en instandhouding van de beplanting zijn daarmee verplicht.
De kosten die gemaakt worden voor het opstellen van het bestemmingplan zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Hiervoor is een anterieure overeenkomst met de gemeente afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade is geregeld. Door deze overeenkomst is er geen financieel risico voor de gemeente.
Dit wijzigingsplan doorloopt de procedure als bedoeld in afdeling 3.2 van de Wet ruimtelijke ordening. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing. Ook wordt het plan op grond van artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening overlegd met de besturen van waterschap, provincie en Rijk.
Het ontwerp-wijzigingsplan heeft voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. 'Een ieder' kan in deze periode een zienswijze indienen bij het college. In deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.
Het plan is op basis van artikel 3.1.1. Bro opgestuurd naar het Waterschap Rijn en IJssel en de provincie Gelderland. Beide instanties hebben positief geadviseerd.