| Plan: | Buitengebied, wijzigingsplan vergroten woning Oostermeenweg 4 te Lievelde |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1586.WPBUI2012-VG01 |
De eigenaren van het perceel Oostermeenweg 4 te Lievelde hebben een verzoek ingediend om de bestaande woning te vergroten door het achterhuis (de deel) bij de woning te mogen betrekken. Het college hiervoor principemedewerking verleend.
Het vergroten van de woning is in strijd met het geldende bestemmingsplan. Het geldende bestemmingsplan staat een woning met een inhoud van maximaal 750 m3 toe. Door de deel bij de woning te trekken wordt de woning 1.050 m3 groot. In het geldende bestemmingsplan voor het buitengebied is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de woning te mogen vergroten door de deel bij de woning te mogen trekken. Er geldt in dat geval geen maximale inhoud.
Met deze wijziging van het bestemmingsplan wordt het vergoten van de woning mogelijk gemaakt.
Bij het opstellen van bestemmingsplannen voor het grondgebied van de gemeente Oost Gelre wordt in principe overal dezelfde plansystematiek gehanteerd. De bestemmingen en regels uit het voorliggende bestemmingsplan sluiten daardoor grotendeels aan op de bestemmingen en regels uit andere bestemmingsplannen. Daarmee wordt de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid van de burgers vergroot.
Het plangebied ligt in het buitengebied van Lievelde in het gebied tussen de spoorlijn Winterswijk-Zutphen en de N319 tussen Groenlo en Winterswijk. In de omgeving van het perceel zijn woningen en agrarische bedrijven aanwezig.
Afbeelding: globale ligging van het plangebied.
Afbeelding: gedetailleerde ligging van het plangebied
Het wijzigingsplan Buitengebied, wijzigingsplan vergroten woning Oostermeenweg 4 te Lievelde is opgesteld om de gewenste ontwikkeling op dit perceel mogelijk te maken. Het geldende bestemmingsplan is het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011' (vastgesteld op 18 december 2012) en de bijbehorende reparatieplannen 'Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre' (vastgesteld 15 juli 2014) en het bestemmingsplan 'Buitengebied, Reparatieplan 2016 (vastgesteld 4 april 2017).
Het perceel heeft de bestemming 'Wonen'. Op het perceel is één woning toegestaan. De maximale inhoud van een woning bedraagt 750 m3. Daarnaast is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2' van toepassing.
In de woonbestemming is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt om de deel bij de woning te betrekken en te gebruiken als woning. De tekst van de wijzigingsbevoegdheid luidt als volgt:
19.6.1 Verruiming inhoudsmaat woning
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het vergroten van de inhoud van de woning tot 850 m3 dan wel het betrekken van de deel van de voormalige boerderij bij de woning, met dien verstande dat:
a. het aantal woningen niet mag toenemen;
b. uit een door het college goedgekeurd plan voor erfinpassing blijkt dat het erf en de omliggende gronden landschappelijk worden versterkt;
c. er geen sprake is van een locatie waar functieverandering naar wonen is toegepast.
In december 2016 is voor dit perceel een omgevingsvergunning verleend voor een woningsplitsing. Van deze mogelijkheid is nooit gebruik gemaakt. Deze omgevingsvergunning is daarom ingetrokken. De nieuwe eigenaren willen geen gebruik maken van de mogelijkheid tot splitsing, maar willen de bestaande woning vergroten door de deel bij het voorhuis te betrekken.
Aan de Oostermeenweg 4 staat een woonboerderij met deel. Op het perceel staan nog enkele bijgebouwen.
De eigenaren willen de deel bij het voorhuis betrekken en zo een grotere woning mogelijk maken. Het bouwplan is opgenomen in Bijlage 1 Bouwplan begane grond en Bijlage 2 Bouwplan verdieping.Het woongedeelte ligt buiten de 25 meter zone van het naastgelegen agrarisch bedrijf. In een deel van het voorhuis worden twee bed-and-breakfastkamers mogelijk gemaakt.
Het perceel is landschappelijk ingepast. Het inpassingsplan dat als voorwaarde voor de inmiddels ingetrokken woningsplitsingsvergunning is voor een groot deel al uitgevoerd door de nieuwe eigenaars. Het inpassingsplan is opgenomen in Bijlage 5 Erfinrichtingsplan en Bijlage 6 Beplantingsplan.
Voor het gebied geldt een groot aantal juridische- en beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste beleidskaders samengevat die relevant zijn voor het plangebied.
In december 2018 is de Omgevingsvisie vastgesteld. De provincie kiest er in deze Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:
1. een duurzame economische structuur;
2. het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.
Deze twee hoofddoelen benadrukken de rol en kerntaken van de provincie als middenbestuur. Zij beïnvloeden elkaar. Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Dat is een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Het betekent ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland.
In december 2018 heeft de Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze verordening vormt samen met de tegelijkertijd vastgestelde Omgevingsvisie het ruimtelijk beleid en ziet toe op het veiligstellen van de provinciale belangen.
Regels over woningbouw
Een groot deel van de regels uit de verordening heeft betrekking op bebouwing (nieuwe woningen, bedrijventereinen en uitbreidingen van agrarische bedrijven). In dit geval wordt geen nieuwe bebouwing opgericht en wordt een bestaande woning vergroot. De regels over woningbouw zijn dan ook niet van toepassing.
Regels over plannen in het Nationaal Landschap
Het plangebied ligt in het Nationaal Landschap Winterswijk. In artikel 2.56 van de verordening zijn bepalingen opgenomen voor ontwikkelingen in Nationaal landschap.
Een bestemmingsplan voor gronden binnen een Nationaal landschap maar buiten de Groene ontwikkelingszone, het Gelders natuurnetwerk en de Nieuwe Hollandse Waterlinie, maakt ten opzichte van het op 17 oktober 2014 geldende bestemmingsplan alleen bestemmingen mogelijk die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap niet aantasten.
In afwijking van het eerste lid zijn activiteiten die deze kernkwaliteiten aantasten alleen mogelijk als:
a. er geen reële alternatieven zijn;
b. er sprake is van redenen van groot openbaar belang;
c. compenserende maatregelen plaatsvinden ter waarborging van de kernkwaliteiten van de Nationale Landschappen zoals vastgelegd in bijlage 6 bij de omgevingsverordening
De kernkwaliteiten van dit gebied zijn de volgende:
Toetsing aan de verordening
Het perceel ligt in het Nationaal Landschap. Dit wijzigingsplan regelt enkel het vergroten van de woonruimte binnen de bestaande bebouwing. Met dit wijzigingsplan mogen de landschappelijke waarden niet worden aangetast, maar moeten worden versterkt. De aanvrager heeft een erfinrichtingsplan en een beplantingsplan ingediend. Daarmee wordt gezorgd voor een goede inpassing in het landschap. De bebouwing ligt nu open in het landschap. Door onder meer een houtsingel, haag, boomgaard en enkele solitaire bomen aan te planten gaat het perceel beter op in de omgeving. De nieuwe beplanting heeft een streekeigen karakter.
Met dit plan wordt de half-openheid en kleinschaligheid van het ontginningenlandschap ter plaatse versterkt. Essen, beken en beekdalen komen niet voor in de omgeving van het plangebied. De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap worden niet aangetast. Met de uitvoering van het beplantingsplan wordt een bijdrage geleverd aan de versterking van de half-openheid en beslotenheid van het landschap.
Het wijzigingsplan Buitengebied, wijzigingsplan vergroten woning Oostermeenweg 4 te Lievelde is opgesteld om de gewenste ontwikkeling op dit perceel mogelijk te maken. Het geldende bestemmingsplan is het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011' (vastgesteld op 18 december 2012) en de bijbehorende reparatieplannen 'Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre' (vastgesteld 15 juli 2014) en het bestemmingsplan 'Buitengebied, Reparatieplan 2016 (vastgesteld 4 april 2017).
Het perceel heeft de bestemming 'Wonen'. Op het perceel is één woning toegestaan. De maximale inhoud van een woning bedraagt 750 m3. Met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - agrarisch medegebruik' is geregeld dat op dit voormalige agrarische perceel wat meer bijgebouwen zijn toegestaan. Daarnaast is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2' van toepassing.
Afbeelding: uitsnede bestemmingsplan.
Wijzigingsbevoegdheid vergroten woning
In de woonbestemming is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt om de deel bij de woning te betrekken en te gebruiken als woning. De tekst van de wijzigingsbevoegdheid luidt als volgt:
19.6.1 Verruiming inhoudsmaat woning
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het vergroten van de inhoud van de woning tot 850 m3 dan wel het betrekken van de deel van de voormalige boerderij bij de woning, met dien verstande dat:
a. het aantal woningen niet mag toenemen;
b. uit een door het college goedgekeurd plan voor erfinpassing blijkt dat het erf en de omliggende gronden landschappelijk worden versterkt;
c. er geen sprake is van een locatie waar functieverandering naar wonen is toegepast.
In december 2016 is voor dit perceel een omgevingsvergunning verleend voor een woningsplitsing. Van deze mogelijkheid is nooit gebruik gemaakt. Deze omgevingsvergunning is daarom ingetrokken. De nieuwe eigenaren willen geen gebruik maken van de mogelijkheid tot splitsing, maar willen de bestaande woning vergroten door de deel bij het voorhuis te betrekken.
In dit hoofdstuk is getoetst of het plan voldoet aan de milieuwet-en regelgeving.
Omdat een uitbreding van een woning, en daarmee een verblijfsruimte voor mensen, mogelijk wordt gemaakt is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.
De conclusies van het onderzoek zijn als volgt: Op basis van het vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht" (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is.
Op basis van de zintuiglijke waarnemingen bij de locatie-inspectie en vaststellingen tijdens het boorwerk kan voor de onderzoekslocatie worden gesteld dat de verdenking op een asbestverontreiniging
(grote kans) zoals weergegeven op de asbestkansenkaart (Provincie Gelderland), volgens Econsultancy onterecht is.
De bovengrond tot 1,5 m –mv bestaat voornamelijk uit zwak humeus, zwak tot matig siltig, matig fijn zand. De ondergrond vanaf 1,5 m –mv bestaat uit matig tot sterk siltig, zeer fijn zand. De ondergrond is verder matig tot sterk oerhoudend. De bovengrond is plaatselijk zwak kolengruishoudend. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen.De bovengrond is analytisch licht verontreinigd met lood en in de ondergrond is een lichte verontreiniging met PCB geconstateerd. In het grondwater zijn analytisch lichte verontreinigingen met barium, cadmium en zink aangetoond.
De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht" kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte verontreinigingen, verworpen. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de nieuwbouw op de onderzoekslocatie.
Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop mogelijk van toepassing.
Het volledige bodemonderzoek is opgenomen in Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek.
Eind 2000 heeft het kabinet het standpunt "Anders omgaan met water" vastgesteld. Het op een andere manier omgaan met water én ruimte is nodig om in de toekomst bescherming te bieden tegen overstromingen en wateroverlast. De watertoets is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. De toets heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De watertoets heeft betrekking op alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik van de grond in het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied. Voorbeelden van deze aspecten zijn: veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie "Vasthouden-Bergen-Afvoeren" staat hierbij centraal. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt "stand still - step forward". Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvaten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. In het "Waterbeheersplan 2007-2010" heeft het waterschap Rijn en IJssel deze beleidsdoelstellingen uitgewerkt en vormgegeven voor zijn waterbeheer. Het waterschap streeft naar schoon water, levend water en functioneel water. Het watersysteem dient optimaal afgestemd te zijn op de ruimtelijke functies van een gebied. Aandachtspunten zijn het verbeteren van waterkwaliteit (terugdringen van oppervlaktewatervervuiling) en het voorkomen van wateroverlast. In zowel landelijk- als stedelijk gebied kunnen ruimtelijke ontwikkelingen een positief maar ook een negatief effect hebben op het watersysteem. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling per waterthema afgewogen.In het stedelijke gebied is de waterhuishouding in eerste instantie gericht op het voorkomen van (grond)wateroverlast.
| Thema | Toetsvraag | Relevant |
| HOOFDTHEMA'S | ||
| Veiligheid |
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering (primaire waterkering, regionale waterkering of kade)? 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? |
Nee Nee |
| Riolering en Afvalwaterketen | 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap? |
Nee Nee Nee |
| Wateroverlast (oppervlaktewater) |
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2.500 m2? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen en overstromingsvlaktes? |
Nee Nee Nee Nee |
| Oppervlaktewater-kwaliteit | 1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? |
Ja |
| Grondwater- overlast |
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? |
Nee Nee Nee |
| Grondwater- kwaliteit |
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? |
Nee |
| Inrichting en beheer |
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? |
Op ruim 60 m afstand. Nee |
| Volksgezondheid | 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functie, in of nabij het plangebied die milieuhygienische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? |
Nee Nee |
| Natte natuur | 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? |
Nee Nee Nee Nee |
| Verdroging | 1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? | Nee |
| Recreatie | 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? | Nee |
| Cultuurhistorie | 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig? | Nee |
Het plan gaat uit van de uitbreiding van een bestaande woning binnen de bestaande bouwmassa. Het bestaande achterhuis van een woning wordt verbouwd tot woonhuis. De oppervlakte bebouwing neemt daarom niet toe. Uitgangspunt bij nieuwe ontwikkelingen is dat het afstromende hemelwater niet op de riolering wordt geloosd. De initiatiefnemer zal er voor zorgen dat het hemelwater van het dak via een infiltratievoorziening langzaam worden afgevoerd naar de sloot aan de Oostermeenweg.
Op ruim 60 meter ten noordwesten van de woning ligt een watergang die in beheer is bij het waterschap. Het plan voor de uitbreiding van de woning heeft geen gevolgen voor deze watergang, anders dan het hemelwater dat via de sloot aan de Oostermeenweg mogelijk zijn weg vindt naar deze watergang.
De aanvrager van de woningsplitsing heeft in 2016 een quick-scan flora en fauna laten uitvoeren. Daarin is onderzocht wat de gevolgen van de woningsplitsing zijn voor de natuurwaarden. Omdat het huidige plan (vergroten woning) niet wezenlijk anders dan de oorspronkelijke en het onderzoek nog voldoende actueel is kan voor dit wijzigingsplan dit onderzoek uit 2016 weer gebruikt worden. Het achterhuis en het erf zijn onderzocht op de aanwezigheid of sporen van aanwezigheid van beschermde soorten.
De conclusie van het onderzoek is dat in het achterhuis en op het erf geen beschermde soorten zijn aangetroffen. Het pand en het erf zijn ook niet geschikt als biotoop voor soortengroepen als amfibieën en vissen. In het pand zijn geen holle ruimten of invliegopeningen aanwezig die door vleermuizen gebruikt kunnen worden. Hetzelfde geldt voor de huismus. Deze soorten kunnen mogelijk wel voorkomen in het voorhuis. Mocht dit verbouwd of gerenoveerd worden dan is nader onderzoek nodig. In dit plan wordt geen rekening gehouden met een verbouwing of renovatie van het voorhuis.
Het plan heeft geen negatieve invloed op Natura2000-gebieden of het Gelders Natuurnetwerk. Het gaat hier om een inpandige verbouwing.
Met de uitvoering van het erfinrichtingsplan en het beplantingsplan worden nieuwe bomen en struiken toegevoegd op het perceel. Deze houtsingel en haag kunnen een nieuw leefgebied vormen voor vogels, insecten en kleine zoogdieren en daarmee een bijdrage leveren aan de natuurwaarden in het gebied.
Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 4 Quicksan natuuronderzoek.
Dit wijzigingsplan gaat uit van het vergroten van een bestaande woning. Het plan leidt tot niet extra verkeersbewegingen en dus ook niet aannemelijk dat dit plan leidt tot een extra stikstofdepositie op Natura2000-gebieden in de omgeving.
Het te ontwikkelen perceel is gelegen in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Dit wil zeggen dat bij bodemingrepen dieper dan 30 cm onder maaiveld en meer dan 2.500 m2 groot er een inventariserend archeologisch onderzoek moet plaatsvinden.
Dit plan regelt de uitbreiding van een bestaande woning. Deze verbouwing vindt niet plaats buiten de bestaansplitsing de bebouwingscontouren. Op het erf zal verder wat bodemverstoring plaatsvinden door de aanplant van onder meer een haag en een houtwal. Deze oppervlakte blijft echter beperkt tot de locaties waar deze nieuwe groenelementen worden aangeplant.
Het uitvoeren van een inventariserend archeologisch onderzoek is daarom noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht:
Wel dient bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht (ex artikel 53 Monumentwet 1988) kenbaar te worden gemaakt om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij Onze Minister. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort. Het dient aanbeveling ook de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Oost Gelre hiervan direct in kennis te stellen.
Op het naastgelegen perceel is nog een agrarisch bouwvlak van toepassing. Dit bouwvlak grenst aan het bestemmingsvlak 'Wonen' van de Oostermeenweg 4. Het nieuwe woongedeelte van de inpandige woning komt niet dichterbij de grens van het agrarisch bouwvlak Oostermeenweg 6-8 te liggen.
Op basis van het Activiteitenbesluit moet een afstand van 50 meter aangehouden worden omdat op het bedrijf dieren zonder geuremissiefactor gehouden kunnen worden op basis van de nog geldende milieuvergunning uit 1991. Binnen deze zone van 50 meter is de bestaande woning Oostermeenweg 4 al een mogelijke beperkende woning voor het agrarisch bedrijf Oostermeenweg 6-8.
Nog los van de vraag van welke afstand uit moet worden gegaan geldt hier dat er sprake is van een bestaande woonboerderij. Een deel van de bestaande woonboerderij (het voorhuis) wordt momenteel bewoond. De bestaande woning ligt op een afstand van 25 meter uit de grens van het agrarisch bouwvlak. Het nieuwe woongedeelte komt eveneens op 25 meter afstand uit de grens van het agrarisch bouwvlak. Binnen de zone van 25 meter worden geen nieuwe verblijfsfuncties mogelijk gemaakt. De uitbreiding van de woonfunctie maakt dus geen kortere afstand tot het agrarisch bouwvlak mogelijk dan nu feitelijk al het geval is. Deze nieuwe woning vormt daarmee geen extra beperkende factor ten opzichte van het agrarisch bouwvlak Oostermeenweg 6-8.
De woning aan de Oostermeenweg 4 ligt binnen een zone van 50 meter van de bestaande stal op het perceel Oostermeenweg 6-8. Deze stal staat al zo goed als op de grens van het bouwvlak. Ook zonder het uitbreiden van de woning zal de eigenaar van de stal aan de Oostermeenweg 6-8 bij het opnieuw gaan houden van dieren een mechanische ventilatie aangebracht moeten in de meest noordoostelijke hoek van de bestaande stal, alleen zo kan aan de afstandsnorm van 50 meter tussen woning(en) en ventilatiepunt voldaan worden.
Daarnaast speelt nog de vraag of er in de toe te voegen sprake is van een zogenaamd 'goed of redelijk woon- en leefklimaat' in de nieuwe woning. De uitbreiding van de woning komt op dezelfde afstand van het agrarisch bouwvlak van de Oostermeenweg 6-8 te liggen. Gezien de vorm van het agrarisch bouwvlak is het niet mogelijk om eventuele nieuwe stallen dichter dan 50 meter bij de woning Oostermeenweg 4 te realiseren. Een goed tot redelijk woon- en leefklimaat voor de woning aan de Oostermeenweg 4 kan dus gegarandeerd worden.
Ingevolge de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij een ruimtelijke planontwikkeling ter waarborging van een akoestisch goed woon- en leefklimaat in verblijfsobjecten rekening te worden gehouden met het aspect wegverkeerslawaai. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) hebben alle wegen een geluidzone met uitzondering van wegen waar een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. Het nieuw te bouwen object ligt aan de Oostermeenweg. De Oostermeenweg is een rustige weg in het buitengebied. De weg wordt voornamelijk gebruikt door aanwonenden. De nieuwe woning wordt bovendien gerealiseerd in het deel van de boerderij dat van de weg is afgekeerd. Een akoestisch onderzoek naar aanleiding van wegverkeerslawaai is dan ook niet noodzakelijk.
Ten noorden van het perceel ligt een perceel met een agrarisch bouwvlak. Op basis van het Activiteitenbesluit moet minimaal 25 meter tussen de grens van het agrarisch bouwvlak en de nieuwe woning in het pand Oostermeenweg 4 aangehouden worden. Aan deze afstandseis wordt voldaan.
De luchtkwaliteit is afhankelijk van de mate van verontreiniging door diverse luchtverontreinigende stoffen waarbij de voornaamste bronnen van luchtverontreiniging het wegverkeer, industriële bedrijven en de landbouw zijn. Deze stoffen zijn zwaveldioxide (SO2), stikstofdioxide (NO2), lood, koolmonoxide (CO), fijn stof (PM10), en benzeen (C6H6) Vanuit Europese richtlijnen wordt aangegeven welke luchtkwaliteitsnormen voor deze stoffen gelden. In Nederland zijn deze richtlijnen sinds 15 november 2007 geïmplementeerd in de Wet milieubeheer middels een wetswijziging van hoofdstuk 5 (milieukwaliteitseisen) titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, beter bekend als de Wet Luchtkwaliteit.
Artikel 5.16 lid 1 en 2 van de Wet milieubeheer geeft aan dat bestuursorganen bevoegdheden of wettelijke voorschriften die betrekking hebben op de luchtkwaliteit kunnen uitoefenen of toepassen, tenzij:
De hiervoor genoemde grenswaarden zijn in de onder staande tabel aangegeven
| Stof | Grenswaarde |
| SO2 | 350 µg/ m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 24 maal per kalenderjaar mag worden overschreden |
| 125 µg/ m³ als 24 uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 3 maal per kalenderjaar mag worden overschreden | |
| NO2 | 200 µg/ m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 18 maal per kalenderjaar mag worden overschreden |
| 40 µg/ m³ als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010 | |
| PM10 | 40 µg/ m³ als jaargemiddelde concentratie |
| 50 µg/ m³ als 24 uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden | |
| Lood | 0,5 µg/ m³ als jaargemiddelde concentratie |
| CO | 10.000 µg/ m³ als 8 uursgemiddelde concentratie |
| C6H6 | 10 µg/ m³ tot 1-1-2010 en 5 µg/ m³ na 1-1-2010 als jaargemiddelde concentratie |
Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen):
Dit Besluit NIBM, legt vast wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Dat is het geval wanneer aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. De systematiek voor het bepalen of een project NIBM is voor het grootste gedeelte geregeld in de regeling niet in betekende mate (luchtkwaliteitseisen).
De Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen).
Deze Ministeriële Regeling, verder aan te duiden als de Regeling NIBM, geeft voor een aantal categorieën van projecten een - getalsmatige - invulling aan de NIBM-grens. Het gaat ondermeer om woningbouw- en kantoorprojecten en enkele soorten van inrichtingen (bijv. emplacementen, kassen en andere landbouwinrichtingen). Als een project binnen de - getalsmatige - begrenzing van de Regeling NIBM valt, dan is geen verdere toetsing aan de 3% grens en de grenswaarden nodig en kan doorgaan zonder dat extra maatregelen worden genomen. Voor woningbouw is het huidige 3% criterium 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt geen extra woning mogelijk gemaakt. Het gaat hier dus om minder woningen dan het hier genoemde criterium, waardoor het aannemelijk is gemaakt dat die uitoefening of toepassing niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen.
Het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Het BEVI heeft als doel zowel individuele als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het BEVI legt veiligheidsafstanden vast tussen bedrijven die risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen verrichten (zoals LPG-tankstations en chemische fabrieken) en zogenoemde kwetsbare objecten (zoals woningen en scholen). Tevens beperkt het BEVI het totale aanwezige personen in de directe omgeving van een risicovol bedrijf. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle bedrijven gevestigd.
Route voor gevaarlijke stoffen
Op ruim 200 meter afstand ten noordoosten van het perceel ligt een hoofdtransportroute van de Gasunie. Deze afstand is ruim voldoende om geen gevaar te vormen voor de uitbreiding van de woning aan de Oostermeenweg 4. De woning komt buiten de beschermingszone te liggen.
De verkeersaantrekkende werking voor de woonfunctie met bed-and-breakfastkamers is zeer beperkt. De wegenstructuur is hier ruim voldoende voor. Parkeren moet plaatsvinden op eigen terrein. Op het erf is ruim voldoende ruimte aanwezig om een aantal parkeerplaatsen mogelijk te maken.
Het perceel Oostermeenweg 4 heeft in het geldende bestemmingsplan een woonbestemming. In de woonbestemming is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt om de deel bij de woning te betrekken en te gebruiken als woning. De tekst van de wijzigingsbevoegdheid luidt als volgt:
19.6.1 Verruiming inhoudsmaat woning
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het vergroten van de inhoud van de woning tot 850 m3 dan wel het betrekken van de deel van de voormalige boerderij bij de woning, met dien verstande dat:
a. het aantal woningen niet mag toenemen;
b. uit een door het college goedgekeurd plan voor erfinpassing blijkt dat het erf en de omliggende gronden landschappelijk worden versterkt;
c. er geen sprake is van een locatie waar functieverandering naar wonen is toegepast.
Toets aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid:
Ad a: Het aantal woningen neemt niet toe. Dit wijzingsplan maakt alleen de uitbreiding van de al bestaande woonfunctie.
Ad b: In 2016 is voor dit perceel een omgevingsvergunning voor een woningsplitsing verleend. Deze vergunning voor de splitsing is inmiddels ingetrokken omdat er geen gebruik van is en wordt gemaakt. Het voor deze splitsing goedgekeurde erfinrichtingsplan is door de nieuwe eigenaren al grotendeels uitgevoerd. Het is daarom niet noodzakelijk om een nieuw plan op te stellen, het erfinrichtingsplan uit 2016 voldoet nog steeds. Het erfinrichtingsplan en beplantingsplan is als voorwaardelijke verplichting in de planregels bij dit wijzigingsplan opgenomen.
Ad c: Met functieverandering naar wonen is bedoeld dat er een zogenaamde 'rood-voor-rood'- constructie (stallen slopen en in ruil daarvoor een extra woning op het perceel bouwen) is toepgepast. Dit is hier niet het geval.
Dit wijzigingsplan voldoet dus aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid.
Toets aan het criterium 'een goede ruimtelijke ordening'
Naast de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid moet een wijziging van het bestemmingsplan ook voldoen aan de eisen van een 'goede ruimtelijke ordening'. Zo moet het plan voldoen aan de relevante milieuwet- en regelgeving. In hoofdstuk 4 is dit plan hieraan getoetst. De conclusie is dat het plan voldoet aan deze eisen.
Dit wijzigingsplan is opgesteld met een gedetailleerde wijze van bestemmen omdat maatwerk nodig is. Dit biedt voldoende rechtszekerheid voor de burger.
Het perceel heeft de bestemming 'Wonen' gekregen. Binnen dit bestemmingsvlak is één woning toegestaan. Met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende inhoud' is de maximale inhoud van de woning na vergroting met de deel vastgelegd. Daarnaast zijn de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - agrarisch medebruik' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2' uit het geldende bestemmingsplan overgenomen.
Binnen de woonbestemming zijn meerdere mogelijkheden voor beroep aan huis opgenomen.
Het erf- en beplantingsplan zijn als voorwaardelijke verplichting opgenomen. Aanleg en instandhouding van de beplanting zijn daarmee verplicht.
De kosten die gemaakt worden voor het opstellen van het wijzigingslan zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Hiervoor is een anterieure overeenkomst met de gemeente afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade is geregeld. Door deze overeenkomst is er geen financieel risico voor de gemeente.
Dit wijzigingsplan doorloopt de procedure als bedoeld in afdeling 3.2 van de Wet ruimtelijke ordening. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing. Ook wordt het plan op grond van artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening overlegd met de besturen van waterschap, provincie en Rijk. In dit hoofdstuk worden de resultaten van deze procedure en overleggen behandeld.
Het ontwerp-wijzigingsplan heeft voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. 'Een ieder' kan in deze periode een zienswijze indienen bij het college. In deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.
Het plan is op basis van artikel 3.1.1. Bro opgestuurd naar de provincie Gelderland. Het plan voor de landschappelijke inpassing is niet gewijzigd ten opzichte van de eerder verleende omgevingsvergunning voor de woningsplitsing.
Ten opzichte van de eerder verleende vergunning voor woningsplitsing is er voor het aspect water niets veranderd. Het plan is daarom niet opnieuw opgestuurd naar het waterschap.