direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Functieverandering Slatmansweg 4, 4a Groenlo
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1586.WPBUI2007-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Gegevens van het plan

Wijzigingsplan 'Functieverandering Slatmansweg 4, 4a Groenlo'  
 
Oktober 2018  
Inlichtingen:  
Afdeling Omgeving  
Nardo Rondeel  
tel.nr. 0544 - 393 482  

Hoofdstuk 2 Inleiding

2.1 Aanleiding

Op 9 december 2016 is bij de gemeente Oost Gelre een verzoek ingekomen voor woningsplitsing van de voormalige boerderij op het perceel Slatmansweg 4, 4a te Groenlo. Hierbij wordt het achterhuis in gebruik genomen als woning zodat twee wooneenheden ontstaan. Woningsplitsing is echter alleen toegestaan binnen de bestemming 'Wonen'. Nu de agrarische activiteiten zijn beeindigd wordt de agrarische bestemming omgezet naar de bestemming 'Wonen'. In het geldende bestemmingsplan is hiervoor een Algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen.

2.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is het agrarisch bedrijf Slatmansweg 4, 4a te Groenlo. Op dit perceel is een woonhuis (boerderij) aanwezig met enkele agrarische bouwwerken. Aan de overzijde van de weg is een jongveestal gevestigd alsmede kuilvoerplaten en een mestbassin. Het plangebied ligt op ongeveer 250 m van de bebouwde kom Groenlo en is gelegen aan de Slatmansweg, een verbindingsweg tussen de Lievelderweg en de Parallelweg langs de N18. Het plangebied is omgeven door burgerwoningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.WPBUI2007-VG01_0001.png"

afbeelding: ligging plangebied Slatmansweg 4, 4a Groenlo

2.3 Planbeschrijving

In deze paragraaf worden de uitgangspunten van het voorliggende plan beschreven.

2.3.1 Aanleiding

De agrarische bedrijfsactiviteiten op het voormalig agrarisch perceel Slatmansweg 4, 4a te Groenlo zijn beeindigd. Op het perceel wordt nog enkel hobbymatig vee gehouden. Op het perceel zijn de bedrijfsgebouwen nog aanwezig en gesitueerd rondom de boerderij. Het agrarisch perceel wordt doorbroken door de Slatmansweg. Aan de overzijde van deze weg is nog een jongveestal gelegen alsmede kuilvoerplaten en een mestbassin. In de boerderij heeft inwoning plaatsgevonden en is de boerderij al ingedeeld in twee wooneenheden. Nu het agrarisch gebruik is gestaakt wordt verzocht om de inwoning formeel om te zetten in twee wooneenheden door middel van splitsing van de boerderij.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.WPBUI2007-VG01_0002.png"

Afbeelding: huidige situatie Slatmansweg 4, 4a Groenlo

- gele cirkel: te splitsen boerderij

2.3.2 Huidige situatie

Het perceel Sltmansweg 4, 4a te Groenlo is een voormalig agrarisch bedrijf waar het bedrijfsmatig houden van vee is gestaakt. Wel wordt nog hobbymatig jongvee gehouden. Het woonhuis (de boerderij) wordt bewoond door twee huishoudens in de vorm van inwoning. De bedrijfsgebouwen zijn nog op het perceel aanwezig evenals kuilvoerplaten en een mestbassin.

Het perceel is gelegen in het buitengebied van de gemeente Oost Gelre. In de direkte omgeving zijn in hoofdzaak woonpercelen gelegen.

2.3.3 Vigerende bestemde situatie

Het perceel Slatmansweg 4, 4a te Groenlo ligt in het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011' met bijbehorende 'Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre' en 'Buitengebied, Reparatieplan 2016'. Het perceel heeft de bestemming 'Agrarisch met Waarden - Landschapswaarden' en voorzien van twee bouwvlakken: een bouwvlak rondom de boerderij met de bedrijfsgebouwen en een bouwvlak aan de overzijde van het perceel, aan de andere zijde van de Slatmansweg, waarin zich de jongveestal , de kuilvoerplaten en het mestbassin bevinden. Beide percelen zijn met een relatieteken aan elkaar verbonden. Daarnaast geldt voor het gehele perceel de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1 en 2'.

Aan de zuidzijde van het perceel is een hogedruk gasleiding gelegen. Deze is aangeduid als dubbelbestemming 'Leiding - Gas'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.WPBUI2007-VG01_0003.png"

Afbeelding: plankaart uit vigerend bestemmingsplan

2.3.4 Gewenste situatie

Het perceel Slatmansweg 4, 4a te Groenlo zal worden gesplitst in twee wooneenheden. De al aanwezige twe wooneenheden, in de vorm van inwoning, worden nu formeel gesplitst. De bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' zal worden gewijzigd in de bestemming 'Wonen'. Per aanwezige wooneenheid mag in de bestemming 'Wonen' 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken op het perceel aanwezig zijn. Nu de eigenaar echter nog hobbymatig jongvee houdt wordt verzocht om voor 1 wooneenheid 250 m2 aan bijbehorende bouwwerken toe te staan. Dit kan door de aanduiding 'agrarisch medegebruik'. Op het perceel is 411 m2 aan bedrijfsbebouwing (bijbehorende bouwwerken) aanwezig. Slopen van 11 m2 op het perceel is niet haalbaar zodat in totaal 411 m2 aan bijbehorende bouwwerken bij de twee wooneenheden aanwezig mag zijn. Op het perceel worden de kuilvoerplaten en het mestbassin verwijderd.

Voor het wijzigen van de bestemming 'Agrarisch met Waarden - Landschapswaarden' naar de bestemming 'Wonen' is in het geldende bestemmingsplan een Algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen. In ditzelfde bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om woningsplitsing in de bestemming 'Wonen' toe te staan. Voor beide wordt nu 1 procedure om wijziging van het bestemmingsplan gevolgd.

2.3.5 Landschappelijke inpassing

Ten behoeve van de ruimtelijke ontwikkeling dient er landschappelijke inpassing plaats te vinden. Verzoeker heeft een landschappelijk inpassingsplan ingediend waarbij het perceel wordt ingepast. Dit landschapsplan is door de gemeente goedgekeurd en als bijlage bijgevoegd.

2.3.6 Stedenbouw en welstand

De positie van de woning zal niet wijzigen zodat stedenbouwkundig geen beoordeling behoeft plaats te vinden. Eventuele veranderingen aan het uiterlijk van de boerderij en/of bijbehorende bouwwerken zal worden beoordeeld door de commissie welstand.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Inleiding

Op internationaal, nationaal en provinciaal niveau zijn een aantal juridische kaders en beleidskaders van toepassing op het plangebied. De belangrijkste worden in de volgende paragrafen beschreven.

3.2 Europese wetgeving

Op internationaal niveau zijn diverse regelingen van kracht die de duurzame instandhouding van habitats en soorten tot doel hebben. De meest verplichtende regeling van de Europese Unie is de Europese natuurbeschermingsregelgeving rond Natura 2000-gebieden. Deze regels zijn verder uitgewerkt in de Wet Natuurbescherming en de aanwijzing van zogenaamde Natura 2000-gebieden. De Wet Natuurbescherming is hier van toepassing. In december 2014 is het Korenburgerveen aangewezen als een Natura2000-gebied.

Het Korenburgerveen ligt op ruim 4.500 m afstand van het plangebied. Het Korenburgerveen is een komhoogveen in de Achterhoek, ten westen van Winterswijk. Het veencomplex bestaat uit een aantal deelgebieden waarvan de namen zijn ontleend aan de buurtschappen rondom het veen: het Meddose veen, het Vragenderveen en het Corlese Veen. Samen met het centraal gelegen Korenburgerveen vormen ze het Korenburgerveencomplex. Het is het enige gebied in Nederland waar een redelijk intacte hoogveenkern wordt omzoomd door een randzone, die doet denken aan de wat voedselrijkere laagzone van natuurlijke hoogvenen. De randzone bestaat uit nat schraalland, matig gebufferde vennen, broekbos en vochtige heide. In het Vragenderveen wordt het landschap bepaald door veendijkjes met daartussen langgerekte stroken regenererend hoogveen. Dit patroon is ontstaan tijdens de ontginning, waarbij de dijkjes zijn aangelegd om te voet de centrale delen van het hoogveen te kunnen bereiken.

Uit het aanwijzingsbesluit blijkt dat een groot deel van de habitattypen in het gebied gevoelig tot zeer gevoelig zijn voor vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie vanuit de lucht. Omdat veehouderijen ammoniak (en daarmee stikstof) uitstoten moet het agrarisch bedrijf over een vergunning beschikken.

In onderhavig geval is geen sprake van een inwerking zijnd veehouderijbedrijf of vinden op het perceel activiteiten plaats die bijdragen aan de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden. Het plan past dan ook binnen Europese wetgeving.

3.3 Nationaal beleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte bevat de visie van het kabinet op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tussen nu en 2040. Met deze visie trekt de Rijksoverheid een beleidslijn door die al met de Nota Ruimte werd ingezet, namelijk een verdere concentratie (voor wat betreft beleidsbemoeienis en investeringen) op de ruimtelijke ordening van de hoofdinfrastructuur van Nederland, te weten de havens, Schiphol, belangrijke wegen, spoorwegen, waterwegen en andere netwerken die van wezenlijk belang zijn voor het economisch functioneren van het land. Daaronder vallen verder industriële en agrarische complexen van nationaal belang. Verder wil het Rijk zich concentreren op de maatregelen die noodzakelijk zijn om het land te beschermen tegen de zee.

Voor verstedelijking en economische activiteiten gaat het Rijk nog steeds uit van de bundelingsstrategie. Daarbij wordt voldoende aanbod van ruimte gereserveerd voor stedelijke functies en bij de vraag aangesloten. Er wordt optimaal gebruik gemaakt van de ruimte die in het bestaande bebouwde gebied aanwezig is en er wordt ruimte geboden aan gemeenten om te kunnen bouwen voor de eigen bevolkingsgroei.

De provincies en gemeenten zijn meer dan voorheen verantwoordelijk voor de ruimtelijke ordening met betrekking tot verstedelijking, de afbakening van de bebouwde kommen en het landelijk gebied en het veilig stellen en de verschillende waarden van het landelijk gebied.

In de Structuurvisie is een aantal nationale belangen benoemd. Voor dit wijzigingsplan is het belang 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten' van toepassing. Dit wijzigingsplan doorloopt de gebruikelijke procedure voor wijzigingsplannen in de gemeente. Daarbij wordt een ieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze op het plan te dienen.

De overige nationale belangen zijn voor dit wijzigingsplan niet van toepassing omdat het om belangen op een hoger schaalniveau dan het lokale schaalniveau gaat.

3.4 Provinciaal beleid

3.4.1 Omgevingsvisie en -verordening Gelderland

Provinciale Staten van de provincie Gelderland hebben op 9 juli 2014 de Omgevingsvisie vastgesteld. Nadien zijn in geconsolideerde versies wijzigingen verwerkt. De meest recente geconsolideerde versie is van januari 2018. De Omgevingsvisie Gelderland is doorvertaald in de Omgevingsverordening Gelderland. De omgevingsverordening richt zich op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsvergunning op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.

In hoofdzaak geeft de Omgevingsverordening regels bij nieuwe ontwikkelingen. Denk hierbij aan nieuwe woningbouw, het oprichten van bedrijventerreinen, et cetera.

Het plangebied is niet gelegen in een maatschappelijke opgave zoals genoemd in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening vormt geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkelingen op het perceel.

3.5 Gemeentelijk beleid

3.5.1 Geldende bestemmingsplan

In paragraaf 2.2.3 is de geldende bestemde situatie beschreven. Ingevolge het geldende bestemmingsplan is er een Algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het wijzigen van de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden'. Voor het splitsen van een woning is binnen de bestemming 'Wonen' een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Aan beide wijzigingsbevoegdheden zijn regels verbonden die hieronder worden weergegeven.

Algemene wijzigingsbevoegdheid functieverandering naar Wonen

In artikel 34.4 is aangegeven dat 'Burgemeester en wethouders bevoegd zijn de gronden met de bestemming'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' te wijzigen ten behoeve van de bestemming 'Wonen', met dien verstande dat':

  • a. het agrarische bedrijf is of wordt beëindigd dan wel er geen sprake meer is van reële agrarische bedrijfsvoering;
  • b. de voormalige bedrijfswoning, en het daaraan aangebouwde voormalige bedrijfsgedeelte, mag worden gebruikt voor bewoning;
  • c. het agrarische bouwvlak in zijn geheel komt te vervallen;
  • d. splitsing van de voormalige boerderij in twee woningen uitsluitend is toegestaan wanneer de inhoud (exclusief bijbehorende bouwwerken) meer bedraagt dan 900 m3;
  • e. nvt
  • f. nvt
  • g. nvt
  • h. nvt
  • i. nvt
  • j. het totaal aantal wooneenheden op een perceel nooit meer mag bedragen dan 3;
  • k. bij alle woningen 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken is toegestaan, met dien verstande dat het achtererfgebied voor niet meer dan 50% mag worden bebouwd;
  • l. alle nieuwe woningen - de (herbouw van) de voormalige agrarische bedrijfswoningen daaronder niet begrepen - dienen te worden gerealiseerd als levensloopbestendige woning;
  • m. uit een door het college goedgekeurd plan voor erfinpassing en landschapsversterking blijkt dat het erf en de omliggende gronden landschappelijk worden versterkt; Indien geen woningen worden toegevoegd volstaat een door het college goedgekeurd plan voor erfinpassing;
  • n. de wijziging mag niet leiden tot aantasting van landschappelijke waarden en natuurwaarden, waarvan laatstgenoemde door middel van onderzoek dient te worden aangetoond;
  • o. de wijziging geen onevenredige aantasting tot gevolg heeft voor:
  • 1. de milieusituatie;
  • 2. de verkeersveiligheid;
  • 3. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • 4. de sociale veiligheid.
  • p. het (wijzigings-)plan per saldo een positief effect heeft op de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied en de omgeving. Burgemeester en wethouders kunnen voorschriften verbinden aan het wijzigingsplan ter bevordering van de kwaliteit van de omgeving.

Wijzigingsbevoegdheid woningsplitsing

In artikel 19.6.2 zijn regels opgenomen waaraan een woningsplitsing moet voldoen. Deze zijn:

a. vervallen

b. de inhoud van het te splitsen gebouw (dus zonder vrijstaande stallen, schuren en loodsen e.d.) niet minder bedraagt dan 900 m3;

c. bij alle woningen 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken is toegestaan, met dien verstande dat het achtererfgebied voor niet meer dan 50% mag worden bebouwd;

1. er sprake is van een landschappelijke inpassing door middel van een erfinrichtingsplan; uit een door het college goedgekeurd plan voor erfinpassing blijkt dat het erf en de omliggende gronden landschappelijk worden versterkt;

d. de wijziging mag niet leiden tot aantasting van landschappelijke waarden en natuurwaarden, waarvan laatstgenoemde door middel van onderzoek dient te worden aangetoond;

e. de wijziging geen onevenredige aantasting tot gevolg heeft voor:

      • de milieusituatie;
      • de verkeersveiligheid;
      • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
      • de sociale veiligheid.

f. het (wijzigings-)plan per saldo een positief effect heeft op de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied en de omgeving. Burgemeester en wethouders kunnen voorschriften verbinden aan het wijzigingsplan ter bevordering van de kwaliteit van de omgeving.

De voorwaarden zijn uitgewerkt in hoofdstuk 5.

3.5.2 Landschapsontwikkelingsplan 'Groen licht voor het landschap'

Het Landschapsontwikkelingsplan is een beleidsnota van de gemeente waarin het landschapsbeleid is vastgelegd. Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) biedt de mogelijkheid de landschappelijke eenheid en kwaliteit in de gemeente te versterken en toch ruimte te bieden aan bestaande bedrijven en nieuwe ontwikkelingen in de toekomst. In het LOP zijn elf landschapsensembles benoemd. Elk landschapsensemble kenmerkt zich door eigen karakteristieke landschapselementen. Het zijn meestal elementen die hier historisch gezien thuis horen, en soms varianten daarop die aansluiten bij het hedendaagse gebruik van het landschap. Die visie in het LOP is in hoofdlijnen: 'Groen licht voor het landschap, maar voor wat hoort wat!'

Het plangebied ligt in het landschapsensemble 'Groenlo Slingerand'. Hierbij geldt het motto: 'Vang de dynamiek in deze zone op door elke ingreep in de overgang van stad naar het landschap te verevenen met een kwaliteitsverbetering op de plek en de omgeving daarvan: voor wat, hoort wat! Kies in het noorden en oosten voor het thema 'nieuwe scholten in de linie" en in het zuiden en westen voor 'nieuwe brinken in de linie'.

In het Visiedeel van het landschapsontwikkelingsplan is onderscheid gemaakt in 'Noord en oost' en 'Zuid en west'.

Noord en oost: scholten

Groenlo ligt in een laagte (het dal van de Slinge) in de plateaurand. Dit bood strategische kansen voor verdediging, maar ook voor handel in de routes om het natte midden van de Achterhoek heen. Landschappelijk vormt het de overgang tussen het plateau en het nat, waarbij met name de noord- en oostzijde de karakteristieken van het plateau hebben. Vandaar dat daar wordt aangesloten bij de scholten, de grotere boerderijen op het plateau, met de traditionele elite als belangrijke factor in zowel het sociaal-economisch leven, als in het landschap.

Lanen, bossen, grotere boerderijen en natuurlijk de hoogteverschillen van het plateau kenmerken het landschap. Hierop moet ook worden aangesloten bij de ontwikkeling van het landschap, zowel mét als zonder A18. Zeker wanneer die A18 zou worden aangelegd zal die ingreep moeten worden benut om een stevige landschapsstructuur rond Groenlo aan te leggen in de vorm van lanen en bossen. Zo kan het beeld van kale industrie, die nu het aanzicht van de stad voor passanten geheel bepaalt, op termijn worden omgebogen tot de stad van allure, die het eertijds geweest moet zijn. Inspiratiebron kan de omwalling met z'n eeuwenoude eiken zijn. In die nieuwe "circumvallatie" van parkachtig groen kan dan de nieuwe vormgeving van wonen, werken en andere stedelijke functies worden ingebed, zodat ze, net als de oude vestingwerken, weer allure geven aan de stad in een nieuwe gordel van "scholterandschap".

Landgoedvorming kan hierin passen. Dat kan bijdragen aan de uitloopmogelijkheden vanuit de stad naar het landschap. Die zijn nu zeer beperkt. Beplantingsvormen zijn in de eerste plaats laanstructuren, bij voorkeur stevig van formaat. In het dal van de Slinge zijn ook elzen-eikensingels gewenst om routes vanuit de bebouwde kom voor plant, dier en mensen te begeleiden.

Zuid en west: brinken

Hierop kan aan de zuid- en vooral de zuidwestkant wat gevarieerd worden tot een "brinkrandschap". De lanen zijn hier minder fors en kunnen ook uit wat andere boomsoorten bestaan. Meidoornhagen - al dan niet gevlochten - bepalen hier idealiter mede het beeld. De fraaie lindenlaan over de Lievelder es toont aan dat ook hier allure en durf tot goede resultaten kunnen leiden. Bewoning en bedrijvigheid dienen altijd ingebed te zijn in groen, maar ook de bebouwing zelf mag niet detoneren in het landschap en moet enigszins zichtbaar blijven temidden van de beplanting.

In het traditionele landschap past hier ook de glad gemaaide wegberm bij huizen, boerenbongerdjes met hoogstambomen, paden met meidoornhagen en op natte plaatsen hakhout van eik, els en es en zelfs knotwilgen.

Op te poetsen parels:

  • de restanten van "Groenlo Vestingstad"
  • centrum en vestingwerken
  • nieuwe en bestaande brinken
  • plekken om te verpozen eventueel met bankjes
  • verschraalde bermen bij erf
  • typerende erfbeplantingen
  • karakteristieke bestaande beplantingen bijv. op steilranden

Te behouden en stimuleren landschapselementen:

  • scholtelanen en slingeslingers in noord en oost
  • linde- of eikenlanen in zuid en west
  • esrandbeplantingen

Deze uitgangspunten zijn de basis geweest voor het opgestelde landschappelijk inpassingplan voor het plangebied. De geschiedenis van het landschap heeft hierbij als basis gediend voor de investeringen in de ruimtelijke kwaliteit. Het erf wordt op een dusdanig manier ingepast rekening houdend met de karakteristieke lijnen en steilranden van de open es.

Het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage bijgevoegd.

Hoofdstuk 4 Onderzoeksresultaten

4.1 Watertoets

Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. In het waterbeheerplan 2010-2015 van Waterschap Rijn en IJssel staat het beleid beschreven op een drietal hoofdthema's. Voor het thema Veiligheid is bescherming tegen hoog water op rivieren het speerpunt. Het functioneren van de primaire en regionale waterkeringen staat hierbij centraal. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van drietrapsstrategie "vasthouden-bergen-afvoeren". Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt "stand still - step forward". Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.

Thema   Toetsvraag   Relevant  
HOOFDTHEMA'S  
Veiligheid
 
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering
(primaire waterkering, regionale waterkering of kade)?
2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een
rivier?  
Nee

Nee  
Riolering en Afvalwaterketen   1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur?
2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?
3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap?  
Nee
Nee
Nee  
Wateroverlast (oppervlaktewater)
 
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan
2.500 m2?
2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan
500 m2?
3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?
4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen
gebieden, beekdalen en overstromingsvlaktes?  
Nee
Nee

Nee
Nee
 
Oppervlaktewater-kwaliteit   1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater
geloosd?  
Nee  
Grondwater-
overlast
 
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de
ondergrond?
2. Is in het plangebied sprake van kwel?
3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren?  
Nee

Nee
Nee  
Grondwater-
kwaliteit  
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een
drinkwateronttrekking?  
Nee  
Inrichting en beheer
 
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of
beheer zijn bij het waterschap?
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?  
Ja

Nee  
Volksgezondheid   1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel?
2. Bevinden zich, of komen er functie, in of nabij het plangebied die
milieuhygienische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen
(zwemmen, spelen, tuinen aan water)?  
Nee

Nee  
Natte natuur   1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?
3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte
natuur?
4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?  
Nee
Nee
Nee

Nee  
Verdroging   1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?   Nee  
Recreatie   1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?   Nee  
Cultuurhistorie   1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?   Nee  

 

De thema's die met 'ja' zijn beantwoord zijn hieronder verwoord:

Inrichting en beheer

Het beheer en onderhoud van het watersysteem dient met het reguliere onderhoudsmaterieel van het waterschap mogelijk te zijn. Daarnaast dienen wijzigingen aan het watersysteem en werkzaamheden in de keurzone met een watervergunning te worden uitgevoerd.

Aan de zuidzijde van het plangebied is een watergang gelegen in eigendom van het Waterschap Rijn en IJssel. Er vinden geen ontwikkelingen plaats aan of in de directe nabijheid van deze watergang die het regulier beheer en onderhoud van het watersysteem belemmeren.

Uit bovenstaande watertoets blijkt dat de voorgenomen planontwikkeling op het perceel Slatmansweg 4 te Groenlo geen gevolgen heeft voor het water, zowel hemel-, afval- of oppervlaktewater.

4.2 Bodem

Bij een bestemmingsplanprocedure moet worden nagegaan of de bodemkwaliteit de planontwikkeling mogelijk maakt. Aan de hand van de beschikbare bodeminformatie moet onderbouwd worden wat de verwachte bodemkwaliteit is, of bodemonderzoek nodig is en of er maatregelen nodig zijn om de bodem geschikt te maken voor het beoogde gebruik.

Om te bepalen of de bodem op het perceel is verontreinigd is er door Rouwmaat Groep een Verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn verwoord in een onderzoeksrapport met nummer MT-18332 d.d. 26 juni 2018. Dit onderzoeksrapport is ter beoordeling toegezonden aan de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA).

In een beoordelingsrapport van 4 juli 2018 geeft de ODA aan dat het uitgevoerde bodemonderzoek is actueel en de rapportage is volledig. Het onderzoek en de rapportage voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen. Met het onderzoek is geen noemenswaardige verontreiniging vastgesteld. Het uitvoeren van nader bodemonderzoek is niet nodig. Geconcludeerd wordt dat de bodemkwaliteit op de onderzochte locatie geschikt is voor het beoogde gebruik. Aan de vergunning hoeven geen bodemspecifieke voorschriften te worden verbonden.

Het bodemonderzoeksrapport en het beoordelingsrapport van de ODA is als bijlage bijgevoegd.

4.3 Natuurwaardenonderzoek

Vanaf 1 januari 2017 bestaat de Nederlandse natuurwetgeving uit de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vervangt de drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. De bevoegdheid is geheel bij de betreffende provincie, waarin de activiteit zich plaatsvindt, komen te liggen.

De Wet natuurbescherming bestaat uit 3 onderdelen: de bescherming van Natura 2000-gebieden, de bescherming van soorten en de bescherming van bosopstanden. Naast de natuurwetgeving bestaat het natuurbeleid, waarbij de kern wordt gevormd door het Natuur Netwerk Nederland, afgekort de NNN.

Bij de woningsplitsing vindt geen aan- en/of verbouw plaats en geen sloopwerkzaamheden. Het verstoren of beschadigen van flora en fauna is hier dus niet aan de orde. Een onderzoek is hier dan ook niet verplicht. Wel telt ten allen tijde een algemene zorgplicht.

Algemeen geldende voorwaarde

Ten aanzien van de ingrepen is nog een algemeen geldende voorwaarde vanuit de Wet natuurbescherming van toepassing: Op basis van de zorgplicht volgens artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit houdt in dat bij het uitvoeren van werkzaamheden altijd rekening moet worden gehouden met aanwezige planten en dieren. Dieren moeten de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood.

4.4 Cultuurhistorie en archeologie

In het plangebied zijn geen bouwwerken aanwezig die karakteristiek of cultuurhistorisch waardevol zijn. De bouwwerken zijn niet als gemeentelijk- of rijksmonument aangewezen.

Het noordelijk deel van het plangebied (boerderij met bedrijfsbebouwing en omliggende gronden) heeft een hoge archeologische verwachtingswaarde. Het zuidelijk deel van het plangebied (overzijde Slatmansweg) heeft een matige archeologische verwachtingswaarde. Voor bescherming en behoud van te verwachten archeologische waarden in de bodem dient in het noordelijk deel bij bodemingrepen dieper dan 30 cm over een bodemoppervlakte van 100 m2 een inventariserend archeologisch onderzoek plaats te vinden. Bij het zuidelijk deel geldt dat bij bodemingrepen dieper dan 30 cm over een bodemoppervlakte van 2.500 m2 een inventariserend archeologisch onderzoek moet plaatsvinden.

Bij deze woningsplitsing vinden geen bodemingrepen plaats die een oppervlakte groter dan 100 m2 of 2.500 m2 bestrijken. Onderzoek naar archeologie is geen verplichting, heeft geen toegevoegde waarde en is dan ook niet uitgevoerd.

4.5 Leefomgeving

4.5.1 Wegverkeerslawaai

Ingevolge de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij een ruimtelijke planontwikkeling ter waarborging van een akoestisch goed woon- en leefklimaat in verblijfsobjecten rekening te worden gehouden met het aspect wegverkeerslawaai. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) hebben alle wegen een geluidzone met uitzondering van wegen waar een maximum snelheid van 30 km/uur geldt.

In de Wet geluidhinder is aangegeven dat bij ruimtelijke ontwikkelingen dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden die zijn gelegen in een zone van een weg rekening wordt gehouden met de geluidsbelasting van deze weg op gevels van woningen, van andere geluidgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen. De daarvoor geldende geluidsbelastingen worden weergegeven in artikel 82 en 100 van de Wet geluidhinder. De zone van de weg is aangegeven in artikel 74 van de Wet geluidhinder.

De ontstane nieuwe woning bij woningsplitsing van de Slatmansweg 4 is gelegen op 5 m van de Schlatmansweg. Daarnaast komt de nieuwe wooneenheid te liggen op ongeveer 300 m van de Lievelderweg en op ongeveer 285 m van de N18. De genoemde wegen zijn gelegen in het buitenstedelijk gebied en te omschrijven als wegen bestaande uit een of twee rijstroken of een of twee sporen. Hiervoor geldt een zone van 250 m.

Om de geluidbelasting van het wegverkeer op de gevel van de nieuwe wooneenheid aan de Schlatmansweg 4 te bepalen zijn indicatieve berekeningen gemaakt van de mogelijke geluidsbelasting op de gevel(s). Hierbij is uitgegaan van aannames van het aantal motorvoertuigen nu er geen actuele gegevens bekend zijn. Hierbij zijn berekeningen uitgevoerd van de omliggende wegen met uitzondering van de N18 en de Lievelderweg nu de woning buiten de zone van 250 m van deze wegen is gelegen.

Uit de indicatieve berekeningen is op te maken dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op 1,5 m en op 4,5 m hoogte op de voorgevel van de nieuwe wooneenheid gering wordt overschreden.

Bij verbouw van het achterhuis tot woonhuis dient rekening te worden gehouden met extra isolerende muren en dikkere beglazing dan normaal. Hiermee kan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB(A) worden voldaan en kan er een acceptabele binnenniveau worden gehaald. Bij de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen zal hier extra aandacht aan worden besteedt.

4.5.2 Woon- en leefklimaat

Bekeken is of de gewenste ontwikkeling past in haar omgeving ten opzichte van aanwezige bedrijven en omgekeerd of er sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat in de woning.

In de directe omgeving van de Slatmansweg 4, 4a te Groenlo zijn geen agrarsiche bedrijven gelegen alleen woningen die particulier worden bewoond.

In het algemeen kan dan ook worden geconstateerd dat er in de voormalige boerderij een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd met dien verstande dat het binnenniveau qua geluid wordt gehaald. Zoals hierboven is aangegeven zal bij de omgevingsvergunning onderdeel bouwen hier extra aandacht aan worden besteedt.

4.5.3 Toekomstige ontwikkelingen

De nieuwe woningen mogen geen beperkende factor zijn voor toekomstige ontwikkelingen van omliggende agrarische bedrijven. Zoals hierboven is aangegeven zijn er geen agrarisch bedrijven in de direkte omgeving gelegen.

4.6 Luchtkwaliteit

Het wettelijk kader met betrekking tot de luchtkwaliteit is sinds 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) en in de algemene maatregel van bestuur: 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). In titel 5.2 van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geregeld. In dit programma staat onder andere beschreven wanneer en hoe overschrijding van luchtkwaliteitsnormen moet worden aangepakt. In het programma wordt rekening gehouden met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen die binnen het programma passen hoeven niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Voor projecten die niet in betekende mate bijdragen aan luchtverontreiniging, hoeft geen onderzoek te worden gedaan naar de luchtkwaliteit. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Het voorgenomen plan betreft het wonen in een voormalige boerderij. Het voorgenomen plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging en is daarmee uitvoerbaar.

4.7 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport. Het doel van het veiligheidsbeleid is zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken verplicht het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en op termijn ook het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) gemeenten en provincies bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet op de ruimtelijke ordening afstand te houden tussen gevoelige objecten (zoals woningen) en risicovolle activiteiten. Geregeld is hoe gemeenten moeten omgaan met risico's voor mensen in de omgeving van een risicobron als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in de risicobron. Afstanden die aangehouden moeten worden, worden bepaald door het plaatsgebonden risico (PR) van een risicovolle activiteit. Het ijkpunt voor het groepsrisico (GR) wordt bepaald door een oriëntatiewaarde. De externe veiligheid van risicobronnen wordt uitgedrukt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van de risicobron.

Om in beeld te brengen of er in het plangebied of in de nabijheid daarvan risicobronnen aanwezig zijn, is de provinciale risicokaart geraadpleegd. Een woning betreft geen risicobron. Uit de risicokaart blijkt dat er in de nabijheid van het plangebied een hogedruk gasleiding aanwezig is wat als risicobron is aan te merken. Om te beoordelen of deze risicobron de beoogde ruimtelijke ontwikkeling kan beperken is de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA), waar de expertise omtrent externe veiligheid is gelegen, om advies gevraagd. Bij schrijven van 21 augustus 2018 heeft de ODA advies uitgebracht.

Door de ODA wordt geconcludeerd dat het planinitiatief als kansrijk wordt gekwalificeerd nu er geen sprake is van belemmeringen t.a.v. externe veiligheid. De onderbouwing hiervoor is verwoord in het advies met nummer 2018ADV21965 welke als bijlage is bijgevoegd.

Met betrekking tot het aspect externe veiligheid is het plan dan ook uitvoerbaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.WPBUI2007-VG01_0004.png"

Uitsnede uit risicokaart

Route voor gevaarlijke stoffen

De Rijksweg N18 is aangewezen als een route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor het transport van gevaalijke stoffen via weg, water en spoor heeft het Rijk normen vastgesteld. Deze staan in het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet en gelden vanaf 1 april 2015. Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Hierin wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen.

Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoeren van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). In de Regeling Basisnet staat een tabel met afstanden voor plaatsgebonden risico die gelden voor transportroutes van het Basisnet. Deze afstanden gelden per trajectdeel. Nieuwbouw van (beperkt) kwetsbare objecten is niet toegestaan binnen de afstanden van het plaatsgebonden risico. Daarnaast geldt dat, als binnen de 200 m van een transportroute wordt gebouwd, een verantwoording van het groepsrisico nodig is.

Afstandstabel

In de afstandstabel, opgenomen als bijlage 1 van de Regeling basisnet, is voor het wegvak G20: de N18, afrit 5 (Varsseveld) - afrit N319 (Groenlo) een afstand voor het risicoplafond (PR en GR) opgenomen van 9 m. Binnen deze afstanden zijn dus (beperkt) kwetsbare objecten niet toegestaan. De werkelijke afstand tussen het plangebied en het traject van de N18 bedraagt ongeveer 250 m zodat voldaan wordt aan de minimale afstand. Daarnaast is de afstand groter dan 200 m zodat er geen verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is.

Hoofdstuk 5 Toetsing van het plan aan de wijzigingsbevoegdheid

5.1 Wijzigingsbevoegdheid functieverandering naar Wonen

De voorgenomen ontwikkeling wordt getoetst aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid voor functieverandering naar Wonen. De onderzoeksresultaten uit het vorige hoofdstuk worden hierin meegenomen.

In artikel 34.4 is aangegeven dat 'Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' te wijzigen ten behoeve van de bestemming 'Wonen', met dien verstande dat':

a. het agrarische bedrijf is of wordt beëindigd dan wel er geen sprake meer is van reële agrarische bedrijfsvoering;

De bestemming 'Agrarisch met waarden' wordt gewijzigd in de bestemming 'Wonen' waarna er bedrijfsmatig geen agrarische activiteiten meer mogen worden uitgeoefend.

Aan deze voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid wordt dus voldaan.

b. de voormalige bedrijfswoning, en het daaraan aangebouwde voormalige bedrijfsgedeelte, mag worden gebruikt voor bewoning;

De 'deel' wordt als woning ingericht en vormt tezamen met het voorhuis een woning bestaande uit twee afzonderlijke wooneenheden.

Aan deze voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid wordt dus voldaan.

c. het agrarische bouwvlak in zijn geheel komt te vervallen;

Door de wijziging van de bestemming naar wonen zal ook het agrarisch bouwvlak komen te vervallen.

Aan deze voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid wordt dus voldaan.

d. splitsing van de voormalige boerderij in twee woningen uitsluitend is toegestaan wanneer de inhoud (exclusief bijbehorende bouwwerken) meer bedraagt dan 900 m3;

De inhoud van de gehele woning, na ingebruikname van het achterhuis, is in totaal ongever 1.200 m3.

Aan deze voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid wordt dus voldaan.

e. nvt

f. nvt

g. nvt

h. nvt

i. nvt

j. het totaal aantal wooneenheden op een perceel nooit meer mag bedragen dan 3;

Door splitsing van de voormalige boerderij in twee wooneenheden zal er op het perceel in totaal ook twee woningen aanwezig zijn.

Aan deze voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid wordt dus voldaan.

k. bij alle woningen 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken is toegestaan, met dien verstande dat het achtererfgebied voor niet meer dan 50% mag worden bebouwd;

In totaal zal op het perceel 411 m2 aan bijbehorende bouwwerken aanwezig zijn. Door de aanduiding 'Agrarisch medegebruik' voor 1 wooneenheid, waarvoor 250 m2 aan bijbehorende bouwwerken aanwezig mag zijn, mag er in totaal 400 m2 aan bijbehorende bouwwerken aanwezig zijn. Het college heeft aangegeven om akkoord te gaan met de extra 11 m2 aan bijbehorende bouwwerken welke gebouwen allen bestaand zijn.

Aan deze voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid wordt dus voldaan.

l. alle nieuwe woningen - de (herbouw van) de voormalige agrarische bedrijfswoningen daaronder niet begrepen - dienen te worden gerealiseerd als levensloopbestendige woning;

Op de inrichtingsschets is op te maken dat op de begane grond minimaal 1 slaapkamer wordt gerealiseerd. Nu ook rekening wordt gehouden met voldoende breedte van de deuren is de nieuwe wooneenheid aan te merken als levensloopbestendig.

Aan deze voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid wordt dus voldaan.

m. uit een door het college goedgekeurd plan voor erfinpassing en landschapsversterking blijkt dat het erf en de omliggende gronden landschappelijk worden versterkt; Indien geen woningen worden toegevoegd volstaat een door het college goedgekeurd plan voor erfinpassing;

Bij het verzoek is een landschappelijk inpassingsplan overlegd. Het perceel wordt hierbij landschappelijk ingepast zodat geen aantasting van natuurwaarden en landschappelijke waarden zal plaatsvinden maar eerder van versterking hiervan. Het landschappelijk inpassingsplan is ambtelijk akkoord bevonden.

Aan deze voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid wordt dus voldaan.

n. de wijziging mag niet leiden tot aantasting van landschappelijke waarden en natuurwaarden, waarvan laatstgenoemde door middel van onderzoek dient te worden aangetoond;

Zie gestelde onder m.

Aan deze voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid wordt dus voldaan.

o. de wijziging geen onevenredige aantasting tot gevolg heeft voor:

  • 1. de milieusituatie;
  • 2. de verkeersveiligheid;
  • 3. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • 4. de sociale veiligheid.

Deze genoemde aspecten zijn besproken en uitgelegd in het genoemde in hoofdstuk 4 Onderzoeksresultaten. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er geen onevenredige aantasting is van deze aspecten.

Aan deze voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid wordt dus voldaan.

p. het (wijzigings-)plan per saldo een positief effect heeft op de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied en de omgeving. Burgemeester en wethouders kunnen voorschriften verbinden aan het wijzigingsplan ter bevordering van de kwaliteit van de omgeving.

De ruimtelijke kwaliteit is al behaald door het beëindigen van het agrarisch bedrijf. Er zal nog een geringe uitstoot van ammoniak en fijnstof zijn nu er nog hobbymatig dieren worden gehouden. Dit is echter aanzienlijk minder dan bij het bedrijfsmatig houden van dieren. Het inpassen van het erf heeft een positieve invloed op de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied en de omgeving. Nu door de woningsplitsing extra erfinpassing plaatsvindt zal ook dit een positieve bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit.

Aan deze voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid wordt dus voldaan.

5.2 Wijzigingsbevoegdheid woningsplitsing

De voorgenomen ontwikkeling wordt getoetst aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid voor woningsplitsing binnen de bestemming Wonen. De onderzoeksresultaten uit het vorige hoofdstuk worden hierin meegenomen.

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het splitsen van een voormalige boerderij in twee woningen, met dien verstande dat:

Ad.a. is vervallen.

Ad b. de inhoud van het te splitsen gebouw (dus zonder vrijstaande stallen, schuren en loodsen e.d.) niet minder bedraagt dan 900 m3.

Het woonhuis met deel en achterhuis heeft een inhoud van ongeveer 1.200 m3.

Aan deze voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid wordt dus voldaan.

Ad c. bij alle woningen 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken is toegestaan, met dien verstande dat het achtererfgebied voor niet meer dan 50% mag worden bebouwd; er sprake is van een landschappelijke inpassing door middel van erfinrichtingsplan; uit een door het college goedgekeurd plan voor erfinpassing blijkt dat het erf en de omliggende gronden landschappelijk worden versterkt.

In totaal zal op het perceel 411 m2 aan bijbehorende bouwwerken aanwezig zijn. Door de aanduiding 'Agrarisch medegebruik' voor 1 wooneenheid, waarvoor 250 m2 aan bijbehorende bouwwerken aanwezig mag zijn, mag er in totaal 400 m2 aan bijbehorende bouwwerken aanwezig zijn. Het college heeft aangegeven om akkoord te gaan met de extra 11 m2 aan bijbehorende bouwwerken welke gebouwen allen bestaand zijn.

Aan deze voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid wordt dus voldaan.

Ad d. de wijziging mag niet leiden tot aantasting van landschappelijke waarden en natuurwaarden, waarvan laatstgenoemde door middel van onderzoek dient te worden aangetoond.

Bij het verzoek is een landschappelijk inpassingsplan overlegd. Het perceel wordt hierbij landschappelijk ingepast zodat geen aantasting van natuurwaarden en landschappelijke waarden zal plaatsvinden maar eerder van versterking hiervan.

Aan deze voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid wordt dus voldaan.

Ad e. de wijziging geen onevenredige aantasting tot gevolg heeft voor:

  • 1. de milieusituatie;
  • 2. de verkeersveiligheid;
  • 3. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • 4. de sociale veiligheid.

Deze genoemde aspecten zijn besproken en uitgelegd in het genoemde in hoofdstuk 4 Onderzoeksresultaten. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er geen onevenredige aantasting is van deze aspecten.

Aan deze voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid wordt dus voldaan.

Ad f. het (wijzigings-)plan per saldo een positief effect heeft op de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied en de omgeving. Burgemeester en wethouders kunnen voorschriften verbinden aan het wijzigingsplan ter bevordering van de kwaliteit van de omgeving.

De ruimtelijke kwaliteit is al behaald door het beëindigen van het agrarisch bedrijf. Er zal nog een geringe uitstoot van ammoniak en fijnstof zijn nu er nog hobbymatig dieren worden gehouden. Dit is echter aanzienlijk minder dan bij het bedrijfsmatig houden van dieren. Het inpassen van het erf heeft een positieve invloed op de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied en de omgeving. Nu door de woningsplitsing extra erfinpassing plaatsvindt zal ook dit een positieve bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit.

Aan deze voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid wordt dus voldaan.

Uit bovenstaande blijkt dat de beoogde planontwikkeling voldoet aan de in het geldende bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid.

Hoofdstuk 6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Het betreft hier een particulier initiatief. De uiteindelijke uitvoering van de mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt zijn voor rekening van de ondernemer. De gemeente werkt mee aan dit initiatief door het opstellen van het wijzigingsplan en door de procedures voor haar rekening te nemen.

Het wijzigingsplan voorziet in een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waardoor voor de betrokken gronden een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro dient te worden vastgesteld. Burgemeester en wethouders mogen op grond van artikel 6.12 Wro afzien van een exploitatieplan als het verhaal van kosten voor rekening van verzoeker komt. Met verzoeker is een anterieure overeenkomst afgesloten waardoor geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld. Burgemeester en wethouders achten het plan economisch uitvoerbaar.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Inspraak

Het ontwerpwijzigingsplan heeft op grond van artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening voor een periode van zes weken ter inzage gelegen van 7 september 2018 tot en met 18 oktober 2018. In deze periode is geen zienswijze ingediend.

6.2.2 Artikel 3.1.1.-overleg

Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Binnen het plan zijn geen nationale belangen in het geding. Vooroverleg met de Vrom-inspectie is dan ook geen verplichting. Daarnaast zijn er geen wateraspecten in het geding waardoor er vooroverleg moet worden gevoerd met het Waterschap Rijn en IJssel. Er wordt voldaan aan het provinciaal beleid zodat toezending naar de provincie Gelderland geen verplichting is.

In de ontwerpfase worden de diensten van provincie en het Waterschap door middel van een kennisgeving op de hoogte gebracht van het ontwerpbestemmingsplan. Gedurende de inzage termijn hebben beide diensten geen zienswijzen en/of op- en/of aanmerkingen ingedient.