direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Schaarweg 2 en 2a Vragender veranderen vorm agrarisch bouwvlak
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1586.WPBUI1510-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Gegevens van het plan

Wijzigingsplan Schaarweg 2 en 2a Vragender wijzigen vorm agrarisch bouwvlak  
 
juli 2016  
Inlichtingen:  
Afdeling Omgeving  
Hester Smeenk  
tel.nr. 0544 - 393 478  

Hoofdstuk 2 Inleiding

2.1 Aanleiding

Bij de gemeente Oost Gelre is een verzoek binnengekomen om de verandering van de vorm van het bouwvlak van een agrarisch bedrijf mogelijk te maken. Het gaat om het bedrijf aan de Schaarweg 2 en 2a te Vragender. Op dit perceel is een gemengd bedrijf met een grondgebonden melkveehouderij en een varkenshouderij gevestigd. De maatschap wil op het perceel een nieuwe varkensstal bouwen.

Een logische uitbreidingsrichting is gevonden aan de zuidzijde van het huidige bouwvlak. Het plan is om hier een nieuwe varkensstal te realiseren. Het bedrijf met de uitbreiding wordt landschappelijk ingepast.

De gewenste stal kan mogelijk gemaakt worden door de vorm van het agrarisch bouwvlak aan te passen. In het geldende bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die de verandering van de vorm van het bouwvlak mogelijk kan maken. Dit wijzigingsplan regelt de verandering van de vorm van het bouwvlak.

2.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is het agrarisch bouwvlak van het agrarisch bedrijf Schaarweg 2 en 2a te Vragender. Het plangebied ligt op ruim 2,5 kilometer ten zuidoosten van Vragender en op ongeveer 250 meter afstand van de gemeentegrens met Winterswijk. De Schaarweg is een zijweg van de Winterswijkseweg die Lichtenvoorde en Winterswijk met elkaar verbindt. Ten oosten van het plangebied loopt de Schaarbeek.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.WPBUI1510-VG01_0001.png"

afbeelding: ligging plangebied

Hoofdstuk 3 Bestaande situatie

Het plangebied is deels bebouwd en deels onbebouwd. Het bebouwde deel bestaat uit de bestaande bedrijfsbebouwing van het bedrijf. Het gaat dan om de bestaande stallen, bergingen, kuilvoerplaten en de twee bedrijfswoningen.

Op het perceel is een gemengd agrarisch bedrijf bestaande uit een tak met grondgebonden melkvee en een tak met vleesvarkens gevestigd. De werkzaamheden op het bedrijf worden verricht door de familie Lageschaar. Het is de bedoeling dat de beide zonen het bedrijf overnemen. Het bedrijf beschikt over een vergunning voor het houden van 192 melkkoeien, 75 stuks jongvee en 4.452 vleesvarkens.

Het plangebied ligt in essen- en kampenlandschap ten zuidoosten van Vragender met zijn kenmerkende grote es. Het gebied wordt gekenmerkt door de verspreid liggende boerderijen, kronkelende wegen en een onregelmatige blokverkaveling. Het gebied heeft een relatief besloten karakter door de houtwallen en bosjes.

In het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' met een bouwvlak van circa 2,4 hectare. Op het zuidelijk deel van het bouwvlak is met de aanduiding 'intensieve veehouderij' geregeld dat op dit deel van het bouwvlak een intensieve veehouderij is toegestaan. Met de aanduidingen 'maximum aantal wooneenheden' is geregeld dat hier twee bedrijfswoningen toegestaan zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.WPBUI1510-VG01_0002.png"

Afbeelding: huidige situatie

Hoofdstuk 4 Nieuwe situatie

Omdat de jongere generatie het bedrijf op termijn over wil nemen is het noodzakelijk om in het bedrijf te investeren, te vernieuwen en het bedrijf uit te breiden. Zo ontstaat ook op termijn een volwaardig en toekomstbestendig bedrijf.

Het plan is om een nieuwe varkensstal voor 1.920 vleesvarkens te realiseren. De nieuwe stal staat gepland ten zuiden van de bestaande stallen.

De ruimte voor de nieuwe stal in het bouwvlak wordt gevonden door de vorm van het bestaande agrarisch bouwvlak te veranderen. Deze verandering van de vorm van het agrarisch bouwvlak leidt niet tot een vergroting van het agrarisch bouwvlak.

Het bedrijf wordt landschappelijk ingepast. Zowel op het bouwvlak als buiten het bouwvlak wordt nieuwe beplanting in de vorm van houtsingels, solitaire bomen en struweel aangeplant. Het beplantingsplan is opgenomen in Bijlage 1 Beplantingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.WPBUI1510-VG01_0003.png"

Afbeelding: de nieuwe indeling van het erf

Hoofdstuk 5 Beleidskader

5.1 Inleiding

Op internationaal, nationaal en provinciaal niveau zijn een aantal juridische kaders en beleidskaders van toepassing op het plangebied. De belangrijkste worden in de volgende paragrafen beschreven.

5.2 Europese natuurwetgeving

Op internationaal niveau zijn diverse regelingen van kracht die de duurzame instandhouding van habitats en soorten tot doel hebben. De meest verplichtende regeling van de Europese Unie is de Europese natuurbeschermingsregelgeving rond Natura2000gebieden. Deze regels zijn verder uitgewerkt in de Natuurbeschermingswet en de aanwijzing van zogenaamde Natura2000-gebieden. De Natuurbeschermingswet is hier van toepassing. In december 2014 is het Korenburgerveen aangewezen als een Natura2000-gebied.

Het Korenburgerveen ligt op minder dan een halve kilometer afstand van het plangebied. Het Korenburgerveen is een komhoogveen in de Achterhoek, ten westen van Winterswijk. Het veencomplex bestaat uit een aantal deelgebieden waarvan de namen zijn ontleend aan de buurtschappen rondom het veen: het Meddose veen, het Vragenderveen en het Corlese Veen. Samen met het centraal gelegen Korenburgerveen vormen ze het Korenburgerveencomplex. Het is het enige gebied in Nederland waar een redelijk intacte hoogveenkern wordt omzoomd door een randzone, die doet denken aan de wat voedselrijkere laagzone van natuurlijke hoogvenen. De randzone bestaat uit nat schraalland, matig gebufferde vennen, broekbos en vochtige heide. In het Vragenderveen wordt het landschap bepaald door veendijkjes met daartussen langgerekte stroken regenererend hoogveen. Dit patroon is ontstaan tijdens de ontginning, waarbij de dijkjes zijn aangelegd om te voet de centrale delen van het hoogveen te kunnen bereiken.

Uit het aanwijzingsbesluit blijkt dat een groot deel van de habitattypen in het gebied gevoelig tot zeer gevoelig zijn voor vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie vanuit de lucht. Omdat veehouderijen ammoniak (en daarmee stikstof) uitstoten moet het bedrijf over een vergunning beschikken.

Op basis van de Natuurbeschermingswet is het bedrijf daarom vergunningplichtig. Het bedrijf beschikt over een ontwerpNatuurbeschermingswetvergunning die de gewenste situatie mogelijk maakt. De Natuurbeschermingswetvergunning met de bijbehorende bijlage zijn opgenomen in Bijlage 6 Natuurbeschermingswetvergunning en Bijlage 7 Aerius-register.

Programmatische aanpak stikstof

Al jaren is er in Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstof (ammoniak en stikstofoxiden). Dit is schadelijk voor de natuur. Het belemmert ook vergunningverlening voor economische activiteiten. Daarom heeft het Rijk het initiatief genomen om deze stikstofproblemen aan te pakken. In de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) werken overheden en maatschappelijke partners samen om de stikstofuitstoot te verminderen en daarmee ook economische ontwikkelingen mogelijk te maken. Vanaf 2 februari heeft het beheerplan voor het Korenburgerveen ter inzage gelegen. Het beheerplan geeft aan hoe de aanwezige natuur het best beschermd kan worden, het beschrijft de mogelijkheden om de natuur verder te ontwikkelen en het geeft een kader voor vergunningverlening en handhaving in relatie met de activiteiten die in en rond het gebied plaatsvinden.


De PAS is in 2015 in werking getreden. De PAS is de basis voor de vergunningverlening op basis van de Natuurbeschermingswet voor activiteiten die leiden tot een depositie van stikstof. Dit geldt onder meer voor uitbreidingen en wijzigingen van agrarische bedrijven. Het bedrijf beschikt over een geldige Natuurbeschermingswetvergunning voor de gewenste uitbreiding.

5.3 Nationaal beleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte bevat de visie van het kabinet op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tussen nu en 2040. Met deze visie trekt de Rijksoverheid een beleidslijn door die al met de Nota Ruimte werd ingezet, namelijk een verdere concentratie (voor wat betreft beleidsbemoeienis en investeringen) op de ruimtelijke ordening van de hoofdinfrastructuur van Nederland, te weten de havens, Schiphol, belangrijke wegen, spoorwegen, waterwegen en andere netwerken die van wezenlijk belang zijn voor het economisch functioneren van het land. Daaronder vallen verder industriële en agrarische complexen van nationaal belang. Verder wil het Rijk zich concentreren op de maatregelen die noodzakelijk zijn om het land te beschermen tegen de zee.

Voor verstedelijking en economische activiteiten gaat het Rijk nog steeds uit van de bundelingsstrategie. Daarbij wordt voldoende aanbod van ruimte gereserveerd voor stedelijke functies en bij de vraag aangesloten. Er wordt optimaal gebruik gemaakt van de ruimte die in het bestaande bebouwde gebied aanwezig is en er wordt ruimte geboden aan gemeenten om te kunnen bouwen voor de eigen bevolkingsgroei.

De provincies en gemeenten zijn meer dan voorheen verantwoordelijk voor de ruimtelijke ordening met betrekking tot verstedelijking, de afbakening van de bebouwde kommen en het landelijk gebied en het veilig stellen en de verschillende waarden van het landelijk gebied.

In de Structuurvisie is een aantal nationale belangen benoemd. Voor dit bestemmingsplan is het belang 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten' van toepassing. Dit bestemmingsplan doorloopt de gebruikelijke procedure voor bestemmingsplannen in de gemeente. Daarbij wordt een ieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze op het plan te dienen.

De overige nationale belangen zijn voor dit bestemmingsplan niet van toepassing omdat het om belangen op een hoger schaalniveau dan het lokale schaalniveau gaat.

5.4 Provinciaal beleid

5.4.1 Omgevingsvisie Gelderland

In december 2015 heeft Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld. Deze structuurvisie is de opvolger van het Streekplan Gelderland dat al de status van een structuurvisie had.

De provincie kiest er in deze Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:

1. een duurzame economische structuur;

Een gezonde economie met een aantrekkelijk vestigingsklimaat vraagt om krachtige steden en vitale dorpen met voldoende werkgelegenheid. Het verbeteren van de economische structuur is een belangrijke opgave voor de Gelderse samenleving. Er zijn veel kansen om de economische structuur te verbeteren. De provincie wil samen met haar partners de kansen benutten, mèt oog voor de unieke kwaliteiten van Gelderland. Het streven is om de concurrentiekracht van Gelderland te vergroten door een duurzame versterking van de ruimtelijk-economische structuur. Concreet betekent dit dat bestaande en nieuwe bedrijven kansen moeten krijgen.


2. het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving. Een aantrekkelijke leefomgeving vergt een goede kwaliteit en beleving van natuur en landschap in Gelderland, een gezonde en veilige leefomgeving en een robuust bodem- en watersysteem. De provincie zet daarom in op het waarborgen en op het verder ontwikkelen van die kwaliteiten van Gelderland.

Dit houdt onder meer in: ontwikkelen met kwaliteit, recht doen aan de ruimtelijke, landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van de plek. Daarnaast moet de kwaliteit van het landschap behouden en versterkt worden. In Hoofdstuk 6 Onderzoeksresultaten wordt hier nader op ingegaan.

5.4.2 Omgevingsverordening Gelderland

Provinciale Staten hebben op 22 december 2015 de Omgevingsverordening vastgesteld. In de Omgevingsverordening staan de regels die horen bij de Omgevingsvisie. De regels uit de Omgevingsverordening stellen de provinciale belangen veilig omdat bestemmingsplannen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen hieraan moeten voldoen.

Uitbreidingen niet-grondgebonden veehouderijtak

In artikel 2.5.4.2 van de verordening is het volgende gesteld over uitbreidingen van grondgebonden veehouderijen:

In bestemmingsplannen die betrekking hebben op één of meer verwevingsgebieden kan aan een agrarisch bedrijf ten behoeve van de niet-grondgebonden veehouderijtak een agrarisch bouwperceel worden toegekend van ten hoogste 1,0 hectare.

Het plan voor de verandering van de vorm van het bouwvlak houdt in dat de niet-grondgebonden tak van het bedrijf gaat groeien naar maximaal 1,5 hectare. Het plan zou daarmee niet voldoen aan de bepalingen uit de verordening.

In de omgevingsverordening is echter een overgangsregeling opgenomen voor bestaande rechten. Rechten, zoals wijzigingsbepalingen, die waren opgenomen in bestemmingsplannen die onherroepelijk waren op het moment dat de Omgevingsverordening in werking trad vallen onder de regeling voor bestaande rechten. In het geldende bestemmingsplan voor het perceel is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt een intensieve veehouderij uit te breiden tot maximaal 1,5 hectare.

Dit plan valt onder de overgangsregeling voor bestaande rechten. De uitbreiding van de intensieve veehouderijtak tot maximaal 1,5 hectare is dan ook niet in strijd met de bepalingen uit de Omgevingsverordening.

Beschermingsregime voor het Nationaal Landschap Winterswijk

In artikel 2.7.4.2 van de verordening is de volgende regeling voor het Nationaal Landschap opgenomen:

1.Een bestemmingsplan voor gronden binnen een Nationaal landschap en buiten de GO, het GNN en de Nieuwe Hollandse Waterlinie, maakt ten opzichte van het ten tijde van de inwerkingtreding van de verordening geldende bestemmingsplan alleen bestemmingen mogelijk die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap niet aantasten of versterken. Deze kernkwaliteiten zijn vastgelegd in bijlage 5 Kernkwaliteiten Nationale Landschappen van deze verordening.


2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn activiteiten die afbreuk doen aan de kernkwaliteiten of deze kernkwaliteiten niet versterken mogelijk:

a.als er geen reële alternatieven zijn;

b.er sprake is van redenen van groot openbaar belang; en

c.er compenserende maatregelen worden getroffen ter waarborging van de kernkwaliteiten van de Nationale Landschappen zoals vastgelegd in bijlage 5 Kernkwaliteiten Nationale Landschappen.

Het plan houdt de uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf in. In directe aansluiting op de bestaande bebouwing wordt een nieuwe stal mogelijk gemaakt. Het plangebied ligt in het Nationaal Landschap Winterswijk. De kernkwaliteiten van dit gebied zijn de volgende:

  • Kleinschalig, organisch gegroeid halfopen landschap met afwisseling van bosjes, houtwallen, landbouwgrond, lanen, beken, boerderijen; oostelijke helft kleinschaliger dan westelijke helft
  • De kleinschaligheid en verweving hangt ook samen met het voorkomen van vele kleine landgoederen met een grote afwisseling van natuur, landbouwgrond, bos en kleine beplantingselementen.
  • Rijk aan microreliëf (steilranden, essen en eenmansessen), een duidelijke terrasrand (westzijde)

- Essen, eenmansessen met steilranden komen overal in het gebied voor behalve in de jongere ontginningen.

  • Meanderende beken in smalle dalen als doorgaande structuren, met natuurlijke begroeiing (elzen en essen) in halfopen landschap;
  • Fraaie, open essen (opvallend groot op de plateaurand van Aalten tot Groenlo) en bijzondere broekgebieden
  • De verspreid gelegen oude boerderijen hebben veelal een bijbehorende eenmanses.

Dit wijzigingsplan maakt de verandering van de vorm van een bouwvlak voor een agrarisch bedrijf mogelijk. De oppervlakte van het bouwvlak verandert niet. Door te schuiven met wat resthoekjes ontstaat ruimte voor een nieuwe stal.

Het bedrijf ligt op de overgang van het beekdal naar de hoger gelegen gronden en es. Van oorsprong stonden op dit soort overgangen de boerderijen. Op 250 meter afstand ten oosten van het bedrijf ligt de Schaarsbeek. De Schaarsbeek vormt een natte verbinding tussen het Korenburgerveen en het Aaltense Goor. De beek en de aangrenzende gronden zijn aangewezen als Groene Ontwikkelingszone. Het is de bedoeling dat deze zone een ecologische verbindingszone gaat vormen tussen het Korenburgerveen en het Aaltense Goor. Het bedrijf zelf ligt niet in de Groene Ontwikkelingszone.

Het bedrijf heeft een Beplantingsplan ingediend. In het beplantingsplan zijn nieuwe elementen opgenomen op het erf en in de omgeving van het bedrijf. Op het erf van het bedrijf wordt nieuwe beplanting langs de randen aangebracht. In de omgeving van het bedrijf wordt ook nieuwe beplanting aangebracht. Aan de noordwestzijde van het perceel wordt een nieuwe singel aangeplant en een bestaande singel aangevuld. Deze vormen na de aanleg een geheel met het noordelijk gelegen bosperceeltje. De toe te voegen beplanting in de singels ten noordwesten van het erf benadrukken de aanwezige lijnen in de beplanting en volgen de aanwezige sloot.

Aan de zuidwestzijde van het bedrijf worden nabij de beek enkele bomen aangeplant. De bomen in de omgeving van de Schaarsbeek verbinden de beek met een klein poeltje. Hier ontstaat wat meer kleinschaligheid in het voornamelijk open beekdal. De bomen kunnen een ecologische stapsteen vormen voor vogels, zoogdieren, insecten en dergelijke vormen.

Deze nieuwe singels en nieuwe bomen versterken de kleinschaligheid en halfopenheid in de omgeving van het bedrijf.

Het plan maakt bebouwing met een frontbreedte van ongeveer 150 meter mogelijk. Omdat de voorgevels van de bebouwing verspringen en omdat er aan de voorzijde van de bebouwing beplanting staat (bestaand en nieuw) valt de breedte niet zo in het oog. Met het beplantingsplan wordt het bedrijf ingepast in de omgeving en er vinden inpassingsmaatregelen in de omgeving van het bedrijf plaats. Met deze maatregelen wordt de kleinschaligheid van het Nationaal Landschap op en rond deze locatie versterkt.De nieuwe bebouwing wordt ook niet op de es bij de boerderij geplaatst. De es blijft daarom zichtbaar. Het plan is daarom vanuit een stedebouwkundig en landschappelijk oogpunt aanvaardbaar.

De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap zoals de kleinschaligheid, afwisseling en de openheid (of zichtbaarheid) van de es worden niet aangetast. Ook de beek en de oevers worden niet aangetast door deze ontwikkeling. De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap worden niet aangetast. Met name de singels aan de noordwestzijde dragen bij aan een versterking van de kleinschaligheid van het gebied.

5.4.3 Reconstructieplan Achterhoek en Liemers

In het Reconstructieplan Achterhoek & Liemers 2005 is de Reconstructiewet uitgewerkt voor de Achterhoek en Liemers. In het reconstructieplan wordt voor verschillende functies een plaats gegeven in het buitengebied. In het reconstructieplan staan de volgende opgaven:

  • ontwikkelingsruimte voor intensieve veehouderij en grondgebonden landbouw;
  • een samenhangend netwerk van natuurgebieden;
  • een aantrekkelijk landschap;
  • verdere uitbouw van recreatie en toerisme;
  • verbeteren van leefbaarheid en het woon-, werk en leefklimaat;
  • een veerkrachtig watersysteem;
  • een betere milieukwaliteit.

In het reconstructieplan zijn extensiveringsgebieden, verwevingsgebieden en landbouwontwikkelingsgebieden aangewezen. Het plangebied ligt in een verwevingsgebied. Verwevingsgebieden zijn bedoeld voor functiemenging. Agrarische bedrijven, wonen, recreatie en natuur komen hier naast elkaar voor. De uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf in het plangebied past binnen de doelstellingen van het reconstructieplan.

5.5 Gemeentelijk beleid

5.5.1 Geldende bestemmingsplan

Het geldende bestemmingsplan is het bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011. Dit plan is voor een deel herzien in het Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre. Deze laatste herziening heeft in dit geval betrekking op de planregels. Het plangebied heeft de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' met daarbinnen een bouwvlak van circa 2,4 hectare. De aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' regelt dat er twee bedrijfswoningen zijn toegestaan binnen het bouwvlak.

Op het perceel ligt tenslotte de dubbelbestemming "Waarde - archeologisch waardevol gebied 1". Dit houdt in dat het gebied een hoge archeologische waarde heeft. Bij bodemingrepen die dieper gaan dan 30 centimeter is het verplicht een archeologisch onderzoek uit te voeren.

Wijzigingsbevoegdheid voor het veranderen van de vorm van het agrarisch bouwvlak

In artikel 4.7.3. is de wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt om het bouwvlak van vorm te veranderen (te vervormen). Hiervoor gelden de volgende voorwaarden:

a. de vervorming niet mag leiden tot een vergroting van het bouwvlak;

b. aangetoond is dat het vervormen van het bouwvlak noodzakelijk is in het kader van een doelmatige bedrijfsvoering;

c. alle bedrijfsbebouwing binnen het bouwvlak gesitueerd dient te blijven;

d. het verschuiven van de grens van het bouwvlak mag niet tot gevolg hebben dat voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning kan worden gebouwd;

e. er geen sprake is van een significante aantasting van bestaande natuurwaarden en er geen belemmeringen voor de gewenste samenhang worden gecreëerd ter plaatse van de aanduiding 'ehs - verbindingszone' en 'ehs - verweving';

f. is aangetoond dat er geen sprake is van een toename van de ammoniakdepositie op het Natura 2000-gebied;

g. omliggende waarden door de vervorming van de oppervlakte van het bouwvlak niet onevenredig worden aangetast, waartoe in ieder geval onderzoek dient plaats te vinden naar flora en fauna, archeologische waarden, stedenbouwkundige en landschappelijke waarden;

h. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden, waartoe in ieder geval dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de normen inzake geur, geluid en luchtkwaliteit.

In Hoofdstuk 7 Toetsing van het plan aan de wijzigingsbevoegdheid is de wijzigingsbevoegheid voor de uitbreiding van de omvang van het agrarisch bouwvlak getoetst. Omdat er een overlap is met de bevoegdheid voor het veranderen van de vorm van het bouwvlak zijn alleen de voorwaarden bij de uitbreidingsmogelijkheid getoetst. De punten c en d uit de wijzigingsbevoegdheid voor het veranderen van de vorm van het bouwvlak zijn meegenomen in de stedebouwkundige toets.

5.5.2 Landschapsontwikkelingsplan

Het Landschapsontwikkelingsplan is een beleidsnota van de gemeente waarin het landschapsbeleid is vastgelegd. Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) biedt de mogelijkheid de landschappelijke eenheid en kwaliteit in de gemeente te versterken en toch ruimte te bieden aan bestaande bedrijven en nieuwe ontwikkelingen in de toekomst. In het LOP zijn elf landschapsensembles benoemd. Elk landschapstensemble kenmerkt zich door eigen karakteristieke landschapselementen. Het zijn meestal elementen die hier historisch gezien thuis horen, en soms varianten daarop die aansluiten bij het hedendaagse gebruik van het landschap.

Het plangebied ligt in het gebied 'de marke Vragender'.

De grote Vragender Es is een fenomeen. Vanouds was deze es als een echte es in gebruik als bouwland. Tegenwoordig is hij overwegend in gebruik als gras- en maïsland.

Om de es ligt een krans van oude boerenerven, verbonden door slingerende wegen. In het oosten ligt een smalle strook ontginning met daarachter het Vragenderveen. Aan de noord- en aan de zuidkant van de es hebben de Vragender respectievelijk Weijenborgse Beek hun bovenlopen. Vooral naar het westen zijn deze als zogeheten ‘laaglandbeken’ ingeplant.


Langs deze beken ligt nog een reeks erven. Dat deel van het landschap wordt vaak tot het kampenlandschap gerekend. Echter, het geheel van es, beekdalen en erven inclusief de overgang naar de ontginning, kan ook als geheel tot esdorpenlandschap gerekend worden.


Om de es een gordel van kleinschalige afwisseling van wonen, landbouw, recreatie- en andere bedrijvigheid, daaromheen een overgang naar de agrarisch gebruikte ontginningen. De agrarische bedrijvigheid is hier sterk vervlochten in de dorpscultuur en dient ook mogelijkheden te houden voor uitbreiding. Landschappelijke en milieutechnische inpassing is daarbij - meer dan in de ontginningslandschappen - een aandachtspunt, mede vanwege de recreatieve bedrijvigheid.

Te beschermen of op te poetsen parels in dit gebied zijn

  • het ensemble van afwisseling van dorp, es, beekdalen, veld en veen
  • karakteristieke solitaire bomen
  • de molen en de ruïne van de kapel
  • holle wegen, leemkuilen en grintgroeven
  • plekken om een te verpozen eventueel met picknickbankjes
  • het Vragenderveen en de Schaar
  • typerende erfbeplantingen
  • steilranden en beplantingen

Te stimuleren landschapselementen zijn onder meer de karakteristieke beplantingen.

In het beplantingsplan is rekening gehouden met deze waarden van het landschap. Op en om het erf wordt de bestaande beplanting aangevuld. Het beplantingsplan is opgenomen in Bijlage 1 Beplantingsplan.

Hoofdstuk 6 Onderzoeksresultaten

6.1 Watertoets

Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. In het waterbeheerplan 2010-2015 van Waterschap Rijn en IJssel staat het beleid beschreven op een drietal hoofdthema's. Voor het thema Veiligheid is bescherming tegen hoog water op rivieren het speerpunt. Het functioneren van de primaire en regionale waterkeringen staat hierbij centraal. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van drietrapsstrategie "vasthouden-bergen-afvoeren". Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt "stand still - step forward". Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.

Thema   Toetsvraag   Relevant  
HOOFDTHEMA'S  
Veiligheid
 
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering
(primaire waterkering, regionale waterkering of kade)?
2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een
rivier?  
Nee

Nee  
Riolering en Afvalwaterketen   1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur?
2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?
3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap?  
Nee
Nee
Nee  
Wateroverlast (oppervlaktewater)
 
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan
2.500 m2?
2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan
500 m2?
3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?
4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen
gebieden, beekdalen en overstromingsvlaktes?  
Ja

Ja

Nee
Nee
 
Oppervlaktewater-kwaliteit   1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater
geloosd?  
Ja  
Grondwater-
overlast
 
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de
ondergrond?
2. Is in het plangebied sprake van kwel?
3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren?  
Nee

Nee
Nee  
Grondwater-
kwaliteit  
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een
drinkwateronttrekking?  
Ja  
Inrichting en beheer
 
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of
beheer zijn bij het waterschap?
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?  
Nee

Nee  
Volksgezondheid   1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel?
2. Bevinden zich, of komen er functie, in of nabij het plangebied die
milieuhygienische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen
(zwemmen, spelen, tuinen aan water)?  
Nee

Nee  
Natte natuur   1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?
3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte
natuur?
4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?  
Ja
Nee
Nee

Nee  
Verdroging   1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?   Nee  
Recreatie   1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?   Nee  
Cultuurhistorie   1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?   Nee  

 

De volgende thema's zijn relevant voor dit bestemmingsplan.

Wateroverlast

Door de ontwikkelingen in het bouwvlak neemt het verhard oppervlak toe met 3.863 m2. Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater vertraagd afgevoerd naar een watergang ten zuiden van de nieuwe bebouwing. Deze zaksloot wordt 135 meter lang. De bergingscapaciteit van de sloot zal ongeveer 160 m3 bedragen. Deze zaksloot wordt met een zogenaamde knijpconstructie aangesloten op de sloot langs de Schaarweg. De knijpconstructie wordt gerealiseerd door in de overloopdrempel een buisje te leggen van circa 10 centimeter. De overloopdrempel ligt 10 centimeter lager dan maaiveld en het buisje komt 80 centimeter onder maaiveld. Het water kan dan niet in de sloot blijven staan en wordt zo langzaam afgevoerd.

Grondwaterkwaliteit

Het plangebied ligt in het beschermingsgebied/intrekgebied voor de waterwinning. Het plangebied grenst aan een grondwaterbeschermingsgebied. De nieuwe stal zal geen nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het grondwater. Het afvalwater wordt via het riool afgevoerd. Het schone hemelwater dat van de stal afstroomt wordt in een sloot opgevangen en wordt zo vertraagd afgevoerd/geïnfiltreerd.

Inrichting en beheer

In directe aansluiting op het agrarisch bouwperceel liggen geen waterlopen die in eigendom en/of beheer zijn bij het waterschap. Op ruim 250 meter afstand ligt de Schaarbeek. De Schaarbeek is in eigendom en beheer bij het Waterschap Rijn en IJssel.

Natte natuur

De uitbreiding van het agrarisch bedrijf vindt direct in aansluiting op de bestaande bebouwing plaats en op 250 meter afstand van de ecologische verbindingszone Korenburgerveen - Aaltense Goor. Deze ecologische verbindingszone maakt onderdeel van het Gelders Natuur Netwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). De uitbreiding vindt plaats in een gebied dat momenteel in intensief agrarisch gebruik is. De afstand tussen het bedrijf en het GNN en de GO wordt niet verkleind. De functie als uitwisselingsmogelijkheid tussen natuurgebieden onderling wordt niet belemmerd door de bouw van een nieuwe stal nabij de Groene Ontwikkelingszone.

6.2 Bodem

Bij een bestemmingsplanprocedure moet worden nagegaan of de bodemkwaliteit de planontwikkeling mogelijk maakt. Aan de hand van de beschikbare bodeminformatie moet onderbouwd worden wat de verwachte bodemkwaliteit is, of bodemonderzoek nodig is en of er maatregelen nodig zijn om de bodem geschikt te maken voor het beoogde gebruik.

Het historisch gebruik van de gronden is agrarisch. De nieuwe functie van het perceel is een vleesvarkensstal. De vraag is dus of de bodemkwaliteit van dien aard is dat het gebruik als stal toegestaan kan worden. Omdat het historisch gebruik agrarisch is, er geen erfverharding verwijderd hoeft te worden en het risico dat er bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden gering is een bodemonderzoek niet nodig.

6.3 Flora en fauna

De natuurbescherming in Nederland is geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. De Natuurbeschermingswet 1998 regelt gebiedsbescherming van onder andere de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. De Flora- en faunawet regelt de soortenbescherming.

Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt op ongeveer een halve kilometer van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied het Korenburgerveen. Verzoeker heeft bij de provincie een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 aangevraagd. De provincie heeft op grond van een passende beoordeling en de getroffen mitigerende maatregelen beoordeeld dat het plan geen significant negatieve effecten heeft op het Natura2000-gebied. De ammoniakdepositie blijft ook in de nieuwe situatie gelijk. De provincie heeft op 30 mei 2016 een vergunning op basis van de Natuurbeschermingswet 1998 verleend. De vergunning is als bijlage opgenomen in Bijlage 6 Natuurbeschermingswetvergunning enBijlage 7 Aerius-register. In de planregels is de vergunde depositie opgenomen. Op deze manier is ook in dit wijzigingsplan geregeld dat het plan niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie op het Natura2000-gebied Korenburgerveen. Dit is ook in lijn met jurisprudentie over de relatie tussen stikstofdepositie en bestemmingsplannen.

Het plangebied ligt op ongeveer 250 meter afstand van de Groene Ontwikkelingszone die het Korenburgerveen en het Aaltense Goor met elkaar moet gaan verbinden. Deze zone moet grotere eenheden natuur met elkaar gaan verbinden en moet gaan bestaan uit poelen, natte graslanden en moerasjes, beschutte, zonnige plekjes, opgaande landschapselementen, etcetera. Dit plan verhindert een toekomstige uitvoering van die te ontwikkelen ecologische verbindingszone niet. In het beplantingsplan is een aantal maatregelen (aanplanten van een rij eiken en een solitaire boom in het weiland) opgenomen in de Groene Ontwikkelingszone. Deze bomen kunnen een functie vervullen als leefgebied voor verschillende soorten en als stapsteen dienen tussen de verschillende landschapselementen in de omgeving.

Soortenbescherming

Het plangebied grenst direct aan de bestaande bebouwing van het agrarische bedrijf. De grond wordt momenteel intensief agrarisch gebruikt. Er worden geen gebouwen gesloopt. Daarom is er ook geen sprake van een aantasting van mogelijke nest- of verblijfplaatsen van soorten als vogels of vleermuizen. Een onderzoek naar het voorkomen van beschermde soorten is dan ook niet noodzakelijk. In het plangebied zullen geen beschermde soorten voorkomen. Met de uitvoering van het beplantingsplan wordt op en om het bedrijf nieuwe leefruimte gecreeerd voor onder meer kleine zoogdieren, insecten en vogels.

6.4 Cultuurhistorie en archeologie

In het plangebied staan geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen. De vorm van het nieuwe bouwvlak past goed in het bestaande bebouwingspatroon. Door het aanplanten van nieuwe beplanting aan de rand van het bouwvlak en het aanplanten van een aantal solitaire bomen en (aanvullingen in) een singel in de directe omgeving van het bouwvlak worden de landschappelijke structuren in versterkt.

Het plangebied heeft een hoge archeologische verwachtingswaarde. Rondom dit gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde ligt een attentiezone van 50 meter. Op het perceel is daarom een inventariserend archeologisch onderzoek (karterende fase) uitgevoerd. Uit de resultaten van het karterend booronderzoek ter plaatse van de geplande nieuwbouw blijkt dat de natuurlijke bodemopbouw in het overgrote deel van het onderzoeksgebied verstoord is.

Op grond van het bouwdossieronderzoek kan worden geconcludeerd dat de ondergrond ter plaatse van de bestaande bebouwing tot een diepte variërend van 100 cm onder maaiveld tot 310 onder maaiveld geroerd is.


Door middel van het uitgevoerde karterend booronderzoek is aangetoond dat de oorspronkelijke natuurlijke bodemopbouw ter plaatse van de nieuw te bouwen stal en de onbebouwde zone naast de meest zuidelijke stal, verstoord zijn door ruilverkavelingswerken en eerdere bouwwerkzaamheden. Er zijn geen intacte vindplaatsen (meer) aanwezig en er zijn geen archeologisch relevante niveaus en/of indicatoren aangetroffen.


De kans dat de voorgenomen graafwerkzaamheden een bedreiging vormen voor het archeologische bodemarchief is verwaarloosbaar. Een vervolgonderzoek is daarom niet nodig.

Het volledige rapport is opgenomen in Bijlage 2 Inventariserend archeologisch onderzoek.

6.5 Geluid

Om te bepalen of de bouw van de nieuwe stal zal leiden tot geluidsoverlast in de omgeving is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn hierna samengevat weergegeven. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 3 Geluidsonderzoek.

Geluid richting omliggende woningen

De dichtstbijzijnde woning aan de zijde van de uitbreiding is de woning Schaarweg 4 en ligt op 215 meter van de rand van het bouwkavel. Door de uitbreiding wordt deze afstand 30 meter minder en bedraagt dan 185 meter. De geluidbelasting op deze woning zal niet noemenswaardig toenemen en blijft binnen de geldende wettelijke normen.

Toets aan het geluidbeleid

De gemeente Oost Gelre heeft geluidbeleid vastgesteld. De inrichting ligt in gebiedstype Agrarisch. De streefwaarde van het langtijdgemiddelde geluidniveau bedraagt 40 dB(A) dag, 35 dB(A) avond en 30 dB(A) nacht. Vanuit handhavingoogpunt worden de geluidnormen op 50 meter van de grens van de inrichting gesteld. De grenswaarden liggen in de dag en avond 5 dB(A) hoger dan de streefwaarden. Bij bestemmingsplanwijzigingen wordt voor het betreffende gebied op de gebiedstyperingenkaart bekeken welke streef- en grenswaarden ten aanzien van geluid gelden. Het plan is daaraan getoetst, dat wil zeggen dat in eerste instantie wordt gestreefd naar handhaving van de voor het gebied gehanteerde waarden.

De streefwaarde voor het langetijdgemiddeld beoordelingsniveau voor het agrarisch gebied wordt in de representatieve bedrijfssituatie alsook tijdens regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie op geluidgevoelige objecten niet overschreden. Enkel tijdens de incidentele bedrijfssituatie 'Inkuilen maïs' wordt op Winterswijkseweg 84 en 71 de streefwaarde met respectievelijk 1 en 2 dB(A) overschreden. Hiermee wordt echter nog ruimschoots voldaan aan de grenswaarde.

De streefwaarde voor maximale geluidsniveau voor agrarisch gebied wordt in de representatieve bedrijfssituatie alsook tijdens incidentele bedrijfssituaties niet overschreden. Tijdens de regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie wordt de grenswaarde voor maximale geluidsniveau voor agrarisch gebied van 40 dB(A) in de nachtperiode op geluidgevoelige objecten echter wel overschreden, doch blijft ruimschoots onder de maximaal toegestane waarde van 60 dB(A).


Op 50 meter van de grens van de inrichting vinden in alle beschouwde situaties overschrijdingen plaats van het langetijdgemiddeld geluidsniveau en tijdens het inkuilen van mais ook op 1 toetspunt van het maximale geluidsniveau. Dit betreffen echter geen geluidgevoelige bestemmingen maar enkel akkerland of grasland, zonder bijzondere natuurwaarden, evenals geen stiltegebieden. De genoemde rekenpunten zijn derhalve niet bedoeld als toetspunten, maar als controlepunten welke in de toekomst door middel van geluidmetingen in geval van handhaving verifieerbaar zijn. Derhalve worden de ter plekke berekende overschrijdingen niet bezwaarlijk geacht.


De indirecte hinder voldoet in de representatieve bedrijfssituatie aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A), feitelijk is deze 39 dB(A). Ten tijde van de afvoer van mest dan wel het inkuilen van mais is deze 54 dB(A). Beide situaties zijn worst-case beschouwd, waarmee mag worden aangenomen dat de daadwerkelijke hinder in de praktijk (ruimschoots) lager zal uitvallen.

6.6 Geur

Voor de beoordeling van geurhinder van veehouderijen gelden de volgende kaders:

  • Wet geurhinder en veehouderij;
  • Activiteitenbesluit milieubeheer;
  • Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008.

Vanwege de beoogde veebezetting valt deze veehouderij niet onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer.Met behulp van het verspreidingsmodel V-Stacks Vergunning is daarom de geurbelasting in de omgeving van het bedrijf bepaald. De volledige berekening is opgenomen in .Bijlage 4 Geurberekening.

Hierna zijn de conclusies van het onderzoek weergegeven.

Uit het model blijkt dat het bedrijf ter plaatse van omliggende geurgevoelige objecten voldoet aan de in dit geval geldende geurnorm van 14 odour units/m3.

Verder wordt ruimschoots voldaan aan de gevel-tot-gevel-afstand van 25 meter en aan de ten opzichte van bedrijfswoningen bij andere veehouderijen aan te houden minimumafstand van 50 meter.

Er is geen sprake van andere veehouderijen met een groot aantal odour units in de directe omgeving, zodat het in beeld brengen van de achtergrondbelasting niet van toegevoegde waarde is. Op voorhand is duidelijk dat de voorgrondbelasting (individuele geurbelasting van de veehouderij Schaarweg 2-2a) maatgevend is voor de milieukwaliteit in de directe omgeving. Uitgaande van de omgekeerde werking van de geurwetgeving is bij de berekende geurbelasting ter plaatse van omliggende geurgevoelige objecten sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

De beoogde uitbreiding van de veehouderij vindt dus plaats op voldoende afstand van woningen en andere geurgevoelige objecten. Deze vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Ook het woon- en leefklimaat is hierbij niet in het geding.

6.7 Luchtkwaliteit

De Nederlandse wetgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat bekend als de Wet luchtkwaliteit.

Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet luchtkwaliteit geen belemmering voor ontwikkelingen als:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;
  • een project “niet in betekenende mate” bijdraagt aan de luchtverontreiniging;
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Een veehouderij valt niet bij voorbaat onder de categorieën van nibm-gevallen. Van de intensieve veehouderij is bekend dat emissie van fijn stof (PM10) relevant kan zijn. Door een berekening met ISL3a is de bijdrage van de inrichting op de omgeving bepaald. Hierbij is uitgegaan van de gewenste veestapel. Hieruit komt naar voren dat de berekende waarden voldoen aan de voor PM10 geldende grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van 40 µg/m3. De grenswaarde voor PM10 als 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 wordt niet vaker dan 35 keer per jaar overschreden. De berekening kan worden gevolgd en toont aan dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

Uit berekening met een rekenmodel voor luchtkwaliteit komt naar voren dat de beoogde uitbreiding van de veehouderij voldoet aan de voor luchtkwaliteit geldende grenswaarden. De berekening is opgenomen in Bijlage 5 Luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

6.8 Externe veiligheid

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of de ontwikkeling zelf geen gevaar oplevert voor de omgeving. De toets moet ook andersom plaatsvinden: vinden zich in de omgeving van de ontwikkeling activiteiten plaats die gevaar opleveren voor de gewenste ontwikkeling.

Een uitbreiding van een varkenshouderij levert geen gevaar op voor de omgeving. Op het bedrijf worden geen gevaarlijke stoffen opgeslagen en er vinden geen transporten van gevaarlijke stoffen van en naar het bedrijf plaats.

Het bedrijf ligt daarnaast niet in de omgeving van bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen of nabij wegen waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden.

6.9 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Bestemmingsplannen kunnen m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten mogelijk maken. In dit geval is er geen sprake van een m.e.r.-(beoordelings)plicht. Wel moet er een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld worden. Deze volgt hierna.

Met de verandering van de vorm van het bouwvlak wordt een nieuwe vleesvarkensstal voor 1.920 vleesvarkens mogelijk gemaakt.

Besluit milieueffectrapportage

In de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage zijn drempelwaarden opgenomen voor activiteiten waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt of een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Voor melkrundveebedrijven gelden de volgende drempelwaarden:


m.e.r.-plicht bij: het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een installatie voor het fokken, mesten of houden van meer dan 3.000 mestvarkens (Rav categorie D3).

m.e.r.-beoordelingsplicht bij: het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een installatie voor het houden van meer dan 2.000 mestvarkens (Rav categorie D3).

vormvrije m.e.r.-beoordeling bij: het oprichten en/of uitbreiden en/of wijzigen van een installatie voor het houden van minder dan 2.000 mestvarkens (Rav categorie D3).


De vormvrije m.e.r.-beoordeling

De aanvraag blijft onder de drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordeling omdat de uitbreiding betrekking heeft op 1.920 mestvarkens. De vraag die in een vormvrije m.e.r.-beoordeling beantwoord moet worden is de vraag of er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen zijn als gevolg van het plan.

Voor dit bestemmingsplan is een aantal milieuaspecten onderzocht. Uit deze onderzoeken blijkt dat het uitbreidingsplan voldoet aan de geldende relevante milieuwet- en regelgeving op het gebied van onder meer geluid, bodem, geur en luchtkwaliteit.

Het bedrijf beschikt daarnaast over een Natuurbeschermingswetvergunning waarin de daarbij behorende bedrijfsopzet is vergund. Ook worden geen in het kader van de Flora- en faunawet beschermde soorten aangetast of verstoord.

De inpassing van het erf is geregeld met het beplantingsplan. Het beplantingsplan is als een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. De aanplant en de instandhouding van de overeengekomen beplanting is daarmee gegarandeerd.

Op het het perceel is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. In het plangebied zijn geen archeologische resten en/of indicatoren aangetroffen.

Uit deze al uitgevoerde onderzoeken blijkt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het is dan ook niet noodzakelijk om een m.e.r.-beoordeling of een mer uit te laten voeren.

Hoofdstuk 7 Toetsing van het plan aan de wijzigingsbevoegdheid

De voorgenomen ontwikkeling wordt hierna getoetst aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid voor de verandering van de vorm van het agrarisch bouwvlak. De onderzoeksresultaten uit het vorige hoofdstuk worden hierin meegenomen.

Ad a. de vervorming mag niet leiden tot een vergroting van het bouwvlak.

Het huidige bouwvlak is circa 2,4 hectare groot. Het bouwvlak verandert met deze wijziging van vorm niet van grootte. Een deel van het bouwvlak is nu onbenut. Vanwege de omvang van deze 'overhoekjes' in het bouwvlak zullen deze ook niet benut gaan worden. De ruimte in deze overhoeken wordt met dit plan verplaatst naar de zuidzijde van het bouwvlak. Zo ontstaat ruimte om een nieuwe vleesvarkensstal te kunnen realiseren.

Het plan voldoet ook aan de bepalingen voor de omvang van een intensieve veehouderij. Het deel van het bouwvlak waarop een intensieve veehouderij is toegestaan wordt maximaal 1,5 hectare groot en blijft daarmee binnen de grenzen van het gemeentelijk en provinciaal beleid ten aanzien van de omvang van bouwvlakken voor intensieve veehouderijen.

Aan deze voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid wordt dus voldaan.

b. Aangetoond is dat het vervormen van het bouwvlak noodzakelijk is in het kader van een doelmatige bedrijfsvoering.

Op het perceel is een gemengd agrarisch bedrijf gevestigd. Het bedrijf bestaat uit een melkveehouderijtak en een vleesvarkenstak. De beide zoons runnen beide een tak van het bedrijf. Om beide zoons in de toekomst een rendabel bedrijf te bieden is een uitbreiding van de vleesvarkenstak noodzakelijk.

Ad c. alle bedrijfsbebouwing binnen het bouwvlak gesitueerd dient te blijven.

Het plan voldoet aan deze voorwaarde. Er komt geen nieuwe of bestaande bebouwing buiten de begrenzing van het bestaande bouwvlak te staan.

Ad d. het verschuiven van de grens van het bouwvlak mag niet tot gevolg hebben dat voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning kan worden gebouwd.

Het bouwvlak komt zo te liggen dat er geen bouwmogelijkheden vóór de voorgevelrooilijn van de bestaande bedrijfswoning ontstaan.

Ad e. er geen sprake is van een significante aantasting van de bestaande natuurwaarden en er geen belemmeringen voor de gewenste samenhang worden gecreëerd ter plaatse van de aanduiding 'ehs-verbindingszone' en 'ehs-verweving'. 

Het plangebied grenst direct aan de bestaande bebouwing van het agrarische bedrijf. De grond wordt momenteel intensief agrarisch gebruikt. Er worden geen gebouwen gesloopt. Daarom is er ook geen sprake van een aantasting van mogelijke nest- of verblijfplaatsen van soorten als vogels of vleermuizen.

Aan de overkant van de Schaarweg ligt een gebied dat is aangewezen als 'ehs-verbindingszone'. Het gaat om een gebied grenzend aan de Schaarbeek. Het gebied maakt deel uit van een gewenste ecologische verbindingszone tussen het Korenburgerveen en het Aaltense Goor. Er vinden geen ingrepen in dit gebied plaats. Het gebied dat is aangewezen als te ontwikkelen ecologische verbindingszone wordt dus niet verkleind. Een toekomstige ontwikkeling van deze zone is dus nog steeds mogelijk. In het beplantingsplan is rekening gehouden met het aanplanten van een aantal bomen in dit gebied. Deze bomen kunnen een stapsteen vormen voor de dieren die in dat gebied voorkomen.

Met een zogenaamde voorwaardelijke verplichting in de planregels is de aanleg en instandhouding van de inpassingsmaatregelen uit het inpassingsplan gegarandeerd. De aanplant en instandhouding van deze bomen in de te ontwikkelen ecologische verbindingszone is daarmee gegarandeerd. Het complete beplantingsplan is opgenomen in Bijlage 1 Beplantingsplan.

Ad f. Is aangetoond dat er geen sprake is van een toename van de ammoniakdepositie op het Natura2000gebied.

Het bedrijf beschikt over een Natuurbeschermingswetvergunning. Deze vergunning is op 30 mei 2016 verleend. Daarmee is aangetoond dat het bedrijf voldoet aan de bepalingen uit de Natuurbeschermingswet. De Natuurbeschermingswetvergunning is gekoppeld aan de planregels. Het houden van dieren in strijd met deze vergunning valt onder het strijdig gebruik. Dit betekent dat bijvoorbeeld het houden van andere aantallen dieren of het toepassen van een ander stalsysteem dan vergund is in de Natuurbeschermingswetvergunning en de bijbehorende bijlage (Aerius-register) niet is toegestaan. Via een afwijkingsbevoegdheid is mogelijk gemaakt dat bijvoorbeeld een ander stalsysteem toegepast kan worden. Eén van de voorwaarden hiervoor is dat het bedrijf hiervoor over een geldige Natuurbeschermingswetvergunning beschikt of dat de provincie een verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven (of dat een daarmee gelijk te stellen procedure is gevolgd).

Ad g. omliggende waarden door de vervorming van de oppervlakte van het bouwvlak niet onevenredig worden aangetast, waartoe in ieder geval onderzoek dient plaats te vinden naar flora en fauna, archeologische waarden, stedenbouwkundige en landschappelijke waarden

Op het perceel waar gebouwd gaat worden komen geen (bijzondere) natuurwaarden voor. Uit het archeologisch onderzoek blijkt dat er geen archeologische vondsten en/of indicatoren zijn aangetroffen.

Het plan maakt een frontbreedte van ongeveer 150 meter mogelijk. Omdat de voorgevels van de bebouwing verspringen en omdat er aan de voorzijde van de bebouwing beplanting staat (bestaand en nieuw) valt de breedt niet zo in het oog. Met het beplantingsplan wordt het bedrijf ingepast in de omgeving en vinden er inpassingsmaatregelen in de omgeving van het bedrijf plaats. Met deze maatregelen wordt de kleinschaligheid van het Nationaal Landschap op en rond deze locatie versterkt. Het plan is daarom vanuit een stedebouwkundig en landschappelijk oogpunt aanvaardbaar.

Ad h. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden, waartoe in ieder geval dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de normen inzake geur, geluid en luchtkwaliteit

Voor het mogelijk maken van de verandering van de vorm van het bouwvlak en daarmee de nieuwe stal zijn meerdere milieuonderzoeken uitgevoerd met het doel na te gaan of het bedrijf in de nieuwe situatie voldoet aan de geldende milieuwet- en regelgeving. Deze regelgeving heeft onder andere als doel aanwonenden te beschermen tegen overlast.

Uit alle uitgevoerde onderzoeken blijkt dat het bedrijf voldoet aan de normen op het gebied van geur, geluid, luchtkwaliteit (fijn stof), bodemkwaliteit, waterhuishouding, externe veiligheid en stikstofuitstoot. In Hoofdstuk 6 Onderzoeksresultaten is hier nader op ingegaan.

Hoofdstuk 8 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.1 Economische uitvoerbaarheid

Het betreft hier een particulier initiatief. De uiteindelijke uitvoering van de mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt zijn voor rekening van de ondernemer. De gemeente werkt mee aan dit initiatief door het opstellen van het wijzigingsplan en door de procedures voor haar rekening te nemen.

Het wijzigingsplan voorziet in een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waardoor voor de betrokken gronden een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro dient te worden vastgesteld. Burgemeester en wethouders mogen op grond van artikel 6.12 Wro afzien van een exploitatieplan als het verhaal van kosten voor rekening van verzoeker komt. Met verzoeker is een anterieure overeenkomst afgesloten waardoor geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld. Burgemeester en wethouders achten het plan economisch uitvoerbaar.

8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.2.1 Inspraak

Het ontwerpwijzigingsplan heeft op grond van artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening voor een periode van zes weken ter inzage gelegen In deze periode zijn twee zienswijzen ingediend. Eén van de zienswijzen heeft geleid tot een aanpassing in twee bijlages in de toelichting. Voor het overige hebben ze niet geleid tot aanpassingen. De Nota Inhoud en beantwoording zienswijzen is opgenomen in

8.2.2 Artikel 3.1.1. Bro-overleg

Op basis van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening wordt bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg gevoerd worden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en de relevante diensten van provincie en Rijk. Met het waterschap Rijn en IJssel heeft in het kader van de watertoets al overleg plaatsgevonden. Met de Provincie Gelderland heeft informeel vooroverleg plaatsgevonden over de inpassing van het bedrijf in het Nationaal Landschap Winterswijk.Omdat het wijzigingsplan een provinciaal belang raakt (het bedrijf ligt in het Nationaal Landschap) is het wijzigingsplan ook naar de provincie Gelderland gestuurd voor het wettelijke vooroverleg.