direct naar inhoud van Toelichting
Plan: De Riette 1-3 Harreveld wijzigen en vergroten agrarisch bouwvlak
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1586.WPBUI1507-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Gegevens van het plan

Wijzigingsplan De Riette 1-3 Harreveld wijzigen en vergroten agrarisch bouwvlak  
 
februari 2016  
Inlichtingen:  
Afdeling Ruimtelijke en Economische Ontwikkeling  
Hester Smeenk  
tel.nr. 0544 - 393 478  

Hoofdstuk 2 Inleiding

2.1 Aanleiding

Bij de gemeente Oost Gelre is een verzoek binnengekomen om de vergroting en verandering van de vorm van het bouwvlak van een agrarisch bedrijf mogelijk te maken. Het gaat om het bedrijf aan de Riette 1-3 te Harreveld. Op dit perceel is een grondgebonden melkveehouderij gevestigd. De maatschap wil op het perceel een nieuwe melkveestal bouwen. Omdat er een hogedrukaardgastransportleiding door het bouwvlak loopt is het niet mogelijk om binnen het bestaande bouwvlak de gewenste uitbreiding te realiseren.

Een logischere uitbreidingsrichting is gevonden aan de oostzijde van het huidige bouwvlak. Het plan is om hier een nieuwe melkveestal, twee kuilvoerplaten en een mestsilo te realiseren. Daarnaast worden de bestaande kuilvoerplaten vergroot. De bestaande melkveestal zal gebruikt gaan worden voor het huisvesten van het jongvee. De bestaande jongveestalling wordt gesloopt. Op deze plek wordt een nieuwe werktuigenberging gebouwd. Het bedrijf wordt landschappelijk ingepast.

Om de gewenste uitbreidingsrichting van het bedrijf te verplaatsen moet het bouwvlak van vorm veranderen. Daarnaast moet het bouwvlak vergroot worden om de nieuwe bebouwing mogelijk te maken. In het geldende bestemmingsplan zijn wijzigingsbevoegdheden opgenomen die de verandering en vergroting van de vorm van het bouwvlak mogelijk kunnen maken. Dit wijzigingsplan regelt de uitbreiding en de verandering van de vorm van het bouwvlak.

2.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt ruim 700 meter ten zuidoosten van Harreveld. Het bedrijf ligt in het agrarische gebied ten zuiden van Harreveld en de N18, richting de grens met de gemeentes Aalten en Oude IJsselstreek. Op ruim 200 meter ten zuiden van het plangebied ligt het Aaltense Goor. Op de afbeelding is de ligging van het plangebied ten opzichte van Harreveld weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.WPBUI1507-VG01_0001.jpg"

afbeelding: ligging plangebied

Hoofdstuk 3 Bestaande situatie

Het plangebied is deels bebouwd en deels onbebouwd. Het bebouwde deel bestaat uit de bestaande bedrijfsbebouwing van het bedrijf. Het gaat dan om de bestaande stallen, kuilvoerplaten, de mestsilo en de twee bedrijfswoningen.

Op het perceel is een grondgebonden melkveebedrijf gevestigd. De werkzaamheden op het bedrijf worden verricht door de familie Stoltenborg. Het is de bedoeling dat de zoon/neef van de huidige eigenaren op termijn het bedrijf overneemt. Op basis van het Besluit landbouw en milieubeheer mag het bedrijf momenteel 118 melkkoeien, 89 stuks jongvee en 10 stuks overig rundvee.

Het plangebied ligt in het jonge ontginningengebied ten zuiden van Harreveld. Het gebied wordt gekenmerkt door de verspreid liggende ontginningsboerderijen, rechte wegen, een ruime en rationele blokverkaveling en lijnvormige houtsingels met voornamelijk berk en zomereik.

In het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' met een bouwvlak van circa 1,4 hectare. Met de aanduidingen 'maximum aantal wooneenheden' is geregeld dat hier twee bedrijfswoningen toegestaan zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.WPBUI1507-VG01_0002.png"

Afbeelding: huidige situatie

Hoofdstuk 4 Nieuwe situatie

Omdat de jongere generatie het bedrijf op termijn over wil nemen is het noodzakelijk om in het bedrijf te investeren, te vernieuwen en het bedrijf uit te breiden. Zo ontstaat ook op termijn een volwaardig en toekomstbestendig bedrijf.

Het plan is om het bedrijf op termijn uit te breiden naar 250 stuks melkvee met bijbehorend jongvee. Voor de huisvesting van het melkvee wordt een nieuwe stal opgericht. Deze stal wordt in twee fasen gerealiseerd. In de eerste fase wordt een stal met een capaciteit van ongeveer 160 melkkoeien opgericht. Het aantal stuks jongvee zal uitbreiden naar 120 stuks.

In de tweede fase zal de nieuwe melkstal verlengd worden en moet het bedrijf ruimte gaan bieden aan 250 melkkoeien en 175 stuks jongvee. Voor de eerste fase van de uitbreiding beschikt het bedrijf over een geldige Natuurbeschermingswetvergunning.

Direct ten oosten van de nieuwe melkveestal wordt een nieuwe kuilvoerplaat gerealiseerd. De huidige ligboxenstal zal, na een aantal inwendige aanpassingen, gebruikt gaan worden voor het huisvesten van het jongvee. Deze staan nu in een voormalige varkensstal. Deze oude varkensstal zal gesloopt worden. Op de lokatie van de oude varkensstal wordt een nieuwe werktuigenberging gebouwd. De bestaande mestsilo is verouderd en staat op de plek waar de nieuwe melkveestal gewenst is. De mestsilo wordt daarom verplaatst in zuidelijke richting.

Voor de gewenste nieuwe situatie is een bouwvlak van twee hectare gewenst. Op de afbeelding is de gewenste nieuwe indeling weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.WPBUI1507-VG01_0003.png"

Afbeelding: de nieuwe indeling van het erf

Hoofdstuk 5 Beleidskader

5.1 Inleiding

Op internationaal, nationaal en provinciaal niveau zijn een aantal juridische kaders en beleidskaders van toepassing op het plangebied. De belangrijkste worden in de volgende paragrafen beschreven.

5.2 Europese natuurwetgeving

Op internationaal niveau zijn diverse regelingen van kracht die de duurzame instandhouding van habitats en soorten tot doel hebben. De meest verplichtende regeling van de Europese Unie is de Europese natuurbeschermingsregelgeving rond Natura2000gebieden. Deze regels zijn verder uitgewerkt in de Natuurbeschermingswet en de aanwijzing van zogenaamde Natura2000-gebieden. De Natuurbeschermingswet is hier van toepassing. In december 2014 is het Korenburgerveen aangewezen als een Natura2000-gebied.

Het Korenburgerveen ligt op ruim negen kilometer afstand van het plangebied. Het Korenburgerveen is een komhoogveen in de Achterhoek, ten westen van Winterswijk. Het veencomplex bestaat uit een aantal deelgebieden waarvan de namen zijn ontleend aan de buurtschappen rondom het veen: het Meddose veen, het Vragenderveen en het Corlese Veen. Samen met het centraal gelegen Korenburgerveen vormen ze het Korenburgerveencomplex. Het is het enige gebied in Nederland waar een redelijk intacte hoogveenkern wordt omzoomd door een randzone, die doet denken aan de wat voedselrijkere laagzone van natuurlijke hoogvenen. De randzone bestaat uit nat schraalland, matig gebufferde vennen, broekbos en vochtige heide. In het Vragenderveen wordt het landschap bepaald door veendijkjes met daartussen langgerekte stroken regenererend hoogveen. Dit patroon is ontstaan tijdens de ontginning, waarbij de dijkjes zijn aangelegd om te voet de centrale delen van het hoogveen te kunnen bereiken.

Uit het aanwijzingsbesluit blijkt dat een groot deel van de habitattypen in het gebied gevoelig tot zeer gevoelig zijn voor vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie vanuit de lucht. Omdat veehouderijen ammoniak (en daarmee stikstof) uitstoten moet het bedrijf over een vergunning beschikken.

Op basis van de Natuurbeschermingswet is het bedrijf daarom vergunningplichtig. Het bedrijf beschikt over een geldige Natuurbeschermingswetvergunning die de eerste fase van de uitbreiding (uitbreiden naar 160 melkkoeien met bijbehorend jongvee) mogelijk maakt. De Natuurbeschermingswetvergunning is opgenomen in Bijlage 1 Natuurbeschermingswetvergunning.

Programmatische aanpak stikstof

Al jaren is er in Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstof (ammoniak en stikstofoxiden). Dit is schadelijk voor de natuur. Het belemmert ook vergunningverlening voor economische activiteiten. Daarom heeft het Rijk het initiatief genomen om deze stikstofproblemen aan te pakken. In de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) werken overheden en maatschappelijke partners samen om de stikstofuitstoot te verminderen en daarmee ook economische ontwikkelingen mogelijk te maken. Vanaf 2 februari heeft het beheerplan voor het Korenburgerveen ter inzage gelegen. Het beheerplan geeft aan hoe de aanwezige natuur het best beschermd kan worden, het beschrijft de mogelijkheden om de natuur verder te ontwikkelen en het geeft een kader voor vergunningverlening en handhaving in relatie met de activiteiten die in en rond het gebied plaatsvinden.


De PAS is in 2015 in werking getreden. De PAS is de basis voor de vergunningverlening op basis van de Natuurbeschermingswet voor activiteiten die leiden tot een depositie van stikstof. Dit geldt onder meer voor uitbreidingen en wijzigingen van agrarische bedrijven. Het bedrijf beschikt over een geldige Natuurbeschermingswetvergunning.

5.3 Nationaal beleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte bevat de visie van het kabinet op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tussen nu en 2040. Met deze visie trekt de Rijksoverheid een beleidslijn door die al met de Nota Ruimte werd ingezet, namelijk een verdere concentratie (voor wat betreft beleidsbemoeienis en investeringen) op de ruimtelijke ordening van de hoofdinfrastructuur van Nederland, te weten de havens, Schiphol, belangrijke wegen, spoorwegen, waterwegen en andere netwerken die van wezenlijk belang zijn voor het economisch functioneren van het land. Daaronder vallen verder industriële en agrarische complexen van nationaal belang. Verder wil het Rijk zich concentreren op de maatregelen die noodzakelijk zijn om het land te beschermen tegen de zee.

Voor verstedelijking en economische activiteiten gaat het Rijk nog steeds uit van de bundelingsstrategie. Daarbij wordt voldoende aanbod van ruimte gereserveerd voor stedelijke functies en bij de vraag aangesloten. Er wordt optimaal gebruik gemaakt van de ruimte die in het bestaande bebouwde gebied aanwezig is en er wordt ruimte geboden aan gemeenten om te kunnen bouwen voor de eigen bevolkingsgroei.


De provincies en gemeenten zijn meer dan voorheen verantwoordelijk voor de ruimtelijke ordening met betrekking tot verstedelijking, de afbakening van de bebouwde kommen en het landelijk gebied en het veilig stellen en de verschillende waarden van het landelijk gebied.

In de Structuurvisie is een aantal nationale belangen benoemd. Voor dit bestemmingsplan is het belang 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten' van toepassing. Dit bestemmingsplan doorloopt de gebruikelijke procedure voor bestemmingsplannen in de gemeente. Daarbij wordt een ieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze op het plan te dienen.

De overige nationale belangen zijn voor dit bestemmingsplan niet van toepassing omdat het om belangen op een hoger schaalniveau dan het lokale schaalniveau gaat.

5.4 Provinciaal beleid

5.4.1 Omgevingsvisie Gelderland

Op 9 juli 2014 heeft Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld. Deze structuurvisie is de opvolger van het Streekplan Gelderland dat al de status van een structuurvisie had.

De provincie kiest er in deze Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:

1. een duurzame economische structuur;

Een gezonde economie met een aantrekkelijk vestigingsklimaat vraagt om krachtige steden en vitale dorpen met voldoende werkgelegenheid. Het verbeteren van de economische structuur is een belangrijke opgave voor de Gelderse samenleving. Er zijn veel kansen om de economische structuur te verbeteren. De provincie wil samen met haar partners de kansen benutten, mèt oog voor de unieke kwaliteiten van Gelderland. Het streven is om de concurrentiekracht van Gelderland te vergroten door een duurzame versterking van de ruimtelijk-economische structuur. Concreet betekent dit dat bestaande en nieuwe bedrijven kansen moeten krijgen.


2. het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving. Een aantrekkelijke leefomgeving vergt een goede kwaliteit en beleving van natuur en landschap in Gelderland, een gezonde en veilige leefomgeving en een robuust bodem- en watersysteem. De provincie zet daarom in op het waarborgen en op het verder ontwikkelen van die kwaliteiten van Gelderland.

Dit houdt onder meer in: ontwikkelen met kwaliteit, recht doen aan de ruimtelijke, landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van de plek. Daarnaast moet de kwaliteit van het landschap behouden en versterkt worden. In Hoofdstuk 6 Onderzoeksresultaten wordt hier nader op ingegaan.

5.4.2 Omgevingsverordening Gelderland

Provinciale Staten hebben 24 september 2014 de Omgevingsverordening vastgesteld. In de Omgevingsverordening staan de regels die horen bij de Omgevingsvisie. De regels uit de Omgevingsverordening stellen de provinciale belangen veilig omdat bestemmingsplannen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen hieraan moeten voldoen.

Uitbreidingen grondgebonden veehouderijen

In artikel 2.5.2.2 van de verordening is het volgende gesteld over uitbreidingen van grondgebonden veehouderijen:

1.In bestemmingsplannen die betrekking hebben op het Agrarisch gebied wordt uitbreiding van de grondgebonden veehouderijtak toegestaan indien de uitbreiding ruimtelijk aanvaardbaar is en voorziet in een goede landschappelijke inpassing.

2. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid geldt voor (melk)rundveehouderij bovendien dat :

a.geen sprake is van omschakeling; en

b.aan de uitbreiding een grondgebruiksplan ten grondslag ligt.

De initiatiefnemers hebben een inpassingsplan voor de uitbreiding van het bedrijf ingediend. Dit inpassingsplan voorziet in een goede landschappelijke inpassing van het bedrijf in de omgeving. Het inpassingsplan wordt als een zogenaamde voorwaardelijke verplichting gekoppeld aan de planregels. Het uitvoeren en in stand houden van de maatregelen ten behoeve van de landschappelijke inpassing zijn daarmee verplicht.

Er is in dit geval geen sprake van een omschakeling naar een niet-grondgebonden bedrijf. Het betreft hier een uitbreiding van een grondgebonden melkveehouderij. Door middel van het grondgebruiksplan is aangetoond dat het bedrijf grondgebonden is.

Het inpassingsplan is als Bijlage 4 Landschappelijke inpassing opgenomen bij dit wijzigingsplan.

Uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Ontwikkelingszone

Het zuidelijke puntje van het nieuwe bouwvlak ligt in de Groene Ontwikkelingszone. afbeelding "i_NL.IMRO.1586.WPBUI1507-VG01_0004.png"De Groene Ontwikkelingszones zijn zones tussen natuurgebieden die deze natuurgebieden onderling met elkaar moeten gaan verbinden. In artikel 2.7.2.2. onder 4 van de verordening is het volgende opgenomen over uitbreidingen van bestaande functies in deze gebieden:

In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de GO kan uitbreiding van bestaande functies met ten hoogste 30% mogelijk worden gemaakt, indien:

a.uit de toelichting blijkt dat de uitbreiding zodanig wordt ingepast in het betreffende landschapstype dat de kernkwaliteiten, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo niet significant worden aangetast; en

b.deze inpassing planologisch is verankerd in hetzelfde dan wel een ander,

c.gelijktijdig vastgesteld bestemmingsplan.

Het agrarisch bouwvlak van het bedrijf komt met de zuidelijke punt in de Groene Ontwikkelingszone te liggen. Het overgrote deel van het bedrijf ligt buiten de Groene Ontwikkelingszone. De uitbreiding in de Groene Ontwikkelingszone is dus beperkt.

Ontwikkelingsdoelen voor het gebied 'Veengoot' zijn onder meer de ontwikkeling van een ecologische verbinding Baakse Beek - Veengoot met poelen, natte graslanden en moerasjes, beschutte, zonnige plekjes, opgaande landschapselementen, etcetera met biotopen (poelen) voor amfibieën en reptielen.

De uitbreiding van het bedrijf vindt direct in aansluiting op de bestaande bebouwing plaats, in een gebied dat momenteel in intensief agrarisch gebruik is en in/aan de rand van de ruim 200 meter brede Groene Ontwikkelingszone ligt.

Het plangebied is relatief open en grootschalig ingericht. De inpassingsmaatregelen sluiten aan bij dit relatief open landschap. In het inpassingsplan zijn weidezomen, struweelranden, een rij knotelzen en een aantal solitaire elzen en eiken opgenomen. Daarnaast wordt een bestaande poel opgeschoond en voorzien van overgangszone/gradiënt. Zo worden leefgebied en verspreidingsmogelijkheden voor verschillende soorten (kleine) dieren gecreëerd.

De uitbreiding van het bedrijf leidt daarom niet tot een significante aantasting van de kernkwaliteiten van het landschap. Er is namelijk geen sprake van een vermindering van het areaal, de samenhang en de kwaliteit van bestaande natuur-, bos en landschapselementen.De functie als uitwisselingsmogelijkheid tussen natuurgebieden onderling wordt naar alle redelijkheid niet belemmerd door deze beperkte uitbreiding in de Groene Ontwikkelingszone. Met de uitvoering van het inpassingsplan worden juist een aantal landschapselementen toegevoegd die een rol kunnen vervullen in het verbinden van het Aaltense Goor met de Veengoot.

In het Flora- en faunaonderzoek is aangetoond dat de kwaliteit van het leefgebied niet zodanig wordt aangetast dat beschermde soorten worden aangetast.

Het landschappelijk inpassingsplan is als voorwaardelijke verplichting gekoppeld aan de planregels. De uitvoering en instandhouding van de maatregelen uit het landschappelijke inpassingsplan is daarmee gegarandeerd. De landschappelijke inpassing is daarmee in planologische zin verankerd. De geldende regels laten de aanleg van landschapselementen en het planten van bomen toe.

5.4.3 Reconstructieplan Achterhoek en Liemers

In het Reconstructieplan Achterhoek & Liemers 2005 is de Reconstructiewet uitgewerkt voor de Achterhoek en Liemers. In het reconstructieplan wordt voor verschillende functies een plaats gegeven in het buitengebied. In het reconstructieplan staan de volgende opgaven:

  • ontwikkelingsruimte voor intensieve veehouderij en grondgebonden landbouw;
  • een samenhangend netwerk van natuurgebieden;
  • een aantrekkelijk landschap;
  • verdere uitbouw van recreatie en toerisme;
  • verbeteren van leefbaarheid en het woon, werk en leefklimaat;
  • een veerkrachtig watersysteem;
  • een betere milieukwaliteit.

In het reconstructieplan zijn extensiveringsgebieden, verwevingsgebieden en landbouwontwikkelingsgebieden aangewezen. Het plangebied ligt in een verwevingsgebied. Verwevingsgebieden zijn bedoeld voor functiemenging. Agrarische bedrijven, wonen, recreatie en natuur komen hier naast elkaar voor. De uitbreiding van een grondgebonden veehouderijbedrijf in het plangebied past binnen de doelstellingen van het reconstructieplan.

5.5 Gemeentelijk beleid

5.5.1 Geldende bestemmingsplan

Het geldende bestemmingsplan is het bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011. Dit plan is voor een deel herzien in het Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre. Deze laatste herziening heeft in dit geval betrekking op de planregels. Het plangebied heeft de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' met daarbinnen een bouwvlak van circa 1,4 hectare. De aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' regelt dat er twee bedrijfswoningen zijn toegestaan binnen het bouwvlak. Door het bouwvlak loopt de dubbelbestemming "Leiding - Gas". Deze bestemming beschermt de ondergrondse hogedrukaardgastransportleiding.

Op het perceel ligt tenslotte de dubbelbestemming "Waarde - archeologische verwachtingswaarde - 2". Dit houdt in dat het gebied een middelhoge archeologische verwachtingswaarde heeft. Bij bodemingrepen die dieper gaan dan 30 centimeter én een oppervlakte beslaan van meer dan 2.500 m2 is het verplicht een archeologisch onderzoek uit te voeren.

Wijzigingsbevoegheid voor het uitbreiden van een grondgebonden veehouderij

In artikel 4.7.2 zijn de voorwaarden voor het vergroten van het bouwvlak opgenomen. De voorwaarden luiden als volgt:

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het vergroten van het bouwvlak, met dien verstande dat:

a.de vergroting van het bouwvlak voor grondgebonden agararische bedrijven niet meer dan 50% van het bouwvlak mag bedragen, mits de oppervlakte van het bouwvlak na vergroting niet meer dan 2 ha bedraagt;

b.de oppervlakte van het bouwvlak voor intensieve veehouderijen ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij', welke niet is gelegen ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied', na vergroting niet meer mag bedragen dan 1 ha, tenzij de bestaande oppervlakte reeds groter is en de verruiming noodzakelijk is uit oogpunt van dierenwelzijn of noodzakelijk is ten behoeve van samenvoeging van meerdere locaties;

c.de oppervlakte van het bouwvlak van intensieve veehouderijen ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij', welke niet is gelegen ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied', na de vergroting niet meer mag bedragen dan 1,5 ha, mits de gronden zijn gelegen op een ontwikkelingslocatie welke voldoet aan de navolgende voorwaarden:

  • 1. het bestaande bouwvlak biedt onvoldoende ruimte voor de voorgenomen uitbreiding wat blijkt uit een bedrijfsontwikkelingsplan;
  • 2. de milieugebruiksruimte ten aanzien van geur en ammoniak maakt een groei van het bedrijf tot minimaal 125 NGE, voor wat betreft dieraantallen, mogelijk;
  • 3. de gronden niet zijn gelegen ter plaatse van de aanduidingen:
    • a. 'ehs - natuur';
    • b. 'ehs - verbindingszone';
    • c. 'ehs - verweving';
    • d. 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied';
    • e. 'natte - natuur';

d.de oppervlakte van het bouwvlak van paardenhouderijen ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij' na de vergroting niet meer mag bedragen dan 1,5 ha;

e.er sprake dient te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing door middel van een erfinrichtingsplan;

f.er geen sprake is van een significante aantasting van bestaande natuurwaarden en er geen belemmeringen voor de gewenste samenhang worden gecreeerd ter plaatse van de aanduiding 'ehs - verbindingszone' en 'ehs - verweving';

g.is aangetoond dat er geen sprake is van een toename van de ammoniakdepositie op het Natura 2000-gebied;

h.aangetoond is dat de vergroting van de oppervlakte van het bouwvlak noodzakelijk is in het kader van een doelmatige agrarische bedrijfsvoering;

i.omliggende waarden door de vergroting van de oppervlakte van het bouwvlak niet onevenredig worden aangetast, waartoe in ieder geval onderzoek dient plaats te vinden naar flora en fauna, archeologische waarden, stedenbouwkundige en landschappelijke waarden;

j.er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden, waartoe in ieder geval dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de normen inzake geur, geluid en luchtkwaliteit.

Wijzigingsbevoegdheid voor het veranderen van de vorm van het agrarisch bouwvlak

In artikel 4.7.3. is de wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt om het bouwvlak van vorm te veranderen (te vervormen). Hiervoor gelden de volgende voorwaarden:

a. de vervorming niet mag leiden tot een vergroting van het bouwvlak;

b. aangetoond is dat het vervormen van het bouwvlak noodzakelijk is in het kader van een doelmatige bedrijfsvoering;

c. alle bedrijfsbebouwing binnen het bouwvlak gesitueerd dient te blijven;

d. het verschuiven van de grens van het bouwvlak mag niet tot gevolg hebben dat voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning kan worden gebouwd;

e. er geen sprake is van een significante aantasting van bestaande natuurwaarden en er geen belemmeringen voor de gewenste samenhang worden gecreëerd ter plaatse van de aanduiding 'ehs - verbindingszone' en 'ehs - verweving';

f. is aangetoond dat er geen sprake is van een toename van de ammoniakdepositie op het Natura 2000-gebied;

g. omliggende waarden door de vervorming van de oppervlakte van het bouwvlak niet onevenredig worden aangetast, waartoe in ieder geval onderzoek dient plaats te vinden naar flora en fauna, archeologische waarden, stedenbouwkundige en landschappelijke waarden;

h. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden, waartoe in ieder geval dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de normen inzake geur, geluid en luchtkwaliteit.

In Hoofdstuk 7 Toetsing van het plan aan de wijzigingsbevoegdheid is de wijzigingsbevoegheid voor de uitbreiding van de omvang van het agrarisch bouwvlak getoetst. Omdat er een overlap is met de bevoegdheid voor het veranderen van de vorm van het bouwvlak zijn alleen de voorwaarden bij de uitbreidingsmogelijkheid getoetst. De punten c en d uit de wijzigingsbevoegdheid voor het veranderen van de vorm van het bouwvlak zijn meegenomen in de stedebouwkundige toets.

5.5.2 Landschapsontwikkelingsplan

Het Landschapsontwikkelingsplan is een beleidsnota van de gemeente waarin het landschapsbeleid is vastgelegd. Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) biedt de mogelijkheid de landschappelijke eenheid en kwaliteit in de gemeente te versterken en toch ruimte te bieden aan bestaande bedrijven en nieuwe ontwikkelingen in de toekomst. In het LOP zijn elf landschapsensembles benoemd. Elk landschapstensemble kenmerkt zich door eigen karakteristieke landschapselementen. Het zijn meestal elementen die hier historisch gezien thuis horen, en soms varianten daarop die aansluiten bij het hedendaagse gebruik van het landschap.

Het plangebied ligt in het gebied 'kerk - en esdorp Harreveld'.

De kern Harreveld is ontstaan uit de vroegere buitenplaats Harreveld met een formele landschapsaanleg van gracht en lanen, waarvan de restanten nog te herkennen zijn in lanen en de gracht bij het internaat.

De buitenplaats lag op de noordelijke rand van de dekzandrug die al sinds de Middeleeuwen in gebruik is als handelsroute. Ten zuiden van de dekzandrug stagneerde het water dat afstroomde van het Oost-Nederlands Plateau (Flierbeek, Zilverbeek) in het Zwarte Veen en het Aaltense Goor. Pas door de aanleg van de Veengoot in de 19e eeuw door de dekzandrug heen kon dit zeer natte gebied effectief ontwaterd worden. Tot in de 20e eeuw werd hier veen gestoken. Nu is het Oost Gelrese deel ontgonnen en grootschalig verkaveld en in gebruik als landbouwgebied. Het gebied wordt onder gekenmerkt door rechte wegen en verspreid liggende boerderijen.

Te beschermen of op te poetsen parels in dit gebied zijn onder meer de verschraalde bermen bij erven en de typerende erfbeplantingen.

Hoofdstuk 6 Onderzoeksresultaten

6.1 Watertoets

Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. In het waterbeheerplan 2010-2015 van Waterschap Rijn en IJssel staat het beleid beschreven op een drietal hoofdthema's. Voor het thema Veiligheid is bescherming tegen hoog water op rivieren het speerpunt. Het functioneren van de primaire en regionale waterkeringen staat hierbij centraal. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van drietrapsstrategie "vasthouden-bergen-afvoeren". Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt "stand still - step forward". Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.

Thema   Toetsvraag   Relevant  
HOOFDTHEMA'S  
Veiligheid
 
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering
(primaire waterkering, regionale waterkering of kade)?
2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een
rivier?  
Nee

Nee  
Riolering en Afvalwaterketen   1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur?
2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?
3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap?  
Nee
Nee
Nee  
Wateroverlast (oppervlaktewater)
 
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan
2.500 m2?
2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan
500 m2?
3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?
4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen
gebieden, beekdalen en overstromingsvlaktes?  
Ja

Ja

Nee
Nee
 
Oppervlaktewater-kwaliteit   1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater
geloosd?  
Nee  
Grondwater-
overlast
 
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de
ondergrond?
2. Is in het plangebied sprake van kwel?
3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren?  
Nee

Nee
Nee  
Grondwater-
kwaliteit  
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een
drinkwateronttrekking?  
Nee  
Inrichting en beheer
 
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of
beheer zijn bij het waterschap?
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?  
Nee

Nee  
Volksgezondheid   1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel?
2. Bevinden zich, of komen er functie, in of nabij het plangebied die
milieuhygienische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen
(zwemmen, spelen, tuinen aan water)?  
Nee

Nee  
Natte natuur   1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?
3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte
natuur?
4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?  
Ja
Nee
Nee

Nee  
Verdroging   1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?   Nee  
Recreatie   1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?   Nee  
Cultuurhistorie   1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?   Nee  

 

De volgende thema's zijn relevant voor dit bestemmingsplan.

Wateroverlast

Door de ontwikkelingen in het bouwvlak neemt het verhard oppervlak toe met circa 6.000 m2. Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater vertraagd afgevoerd naar de bestaande watergang ten zuiden van de bestaande bebouwing. De capaciteit van deze watergang zal worden vergroot door de watergang te verbreden. De bergingscapaciteit zal minimaal 240 m3 bedragen.  

Inrichting en beheer

In directe aansluiting op het agrarisch bouwperceel liggen geen waterlopen die in eigendom en/of beheer zijn bij het waterschap.

Natte natuur

De uitbreiding van het agrarisch bedrijf vindt direct in aansluiting op de bestaande bebouwing plaats en aan de rand van de ruim 200 meter brede Groene Ontwikkelingszone. De uitbreiding vindt plaats in een gebied dat momenteel in intensief agrarisch gebruik is. De functie als uitwisselingsmogelijkheid tussen natuurgebieden onderling wordt niet belemmerd door deze beperkte uitbreiding in de Groene Ontwikkelingszone.

Ten noordoosten van het bedrijf ligt in/aan de bosrand een poel. Deze poel wordt opgeschoond en de opslag in en om de poel word verwijderd. Een overhoekje in de bosrand wordt ingericht als een weidezoom, zo ontstaat een overgang/gradiënt van het weiland naar de poel.

6.2 Bodem

Bij een bestemmingsplanprocedure moet worden nagegaan of de bodemkwaliteit de planontwikkeling mogelijk maakt. Aan de hand van de beschikbare bodeminformatie moet onderbouwd worden wat de verwachte bodemkwaliteit is, of bodemonderzoek nodig is en of er maatregelen nodig zijn om de bodem geschikt te maken voor het beoogde gebruik.

Het historisch gebruik van de gronden is agrarisch. De nieuwe functie van het perceel is een melkveestal. De vraag is dus of de bodemkwaliteit van dien aard is dat het gebruik als melkveestal toegestaan kan worden. Omdat het historisch gebruik agrarisch is, er geen erfverharding verwijderd hoeft te worden en het risico dat er bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden gering is een bodemonderzoek niet nodig.

6.3 Flora en fauna

De natuurbescherming in Nederland is geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. De Natuurbeschermingswet 1998 regelt gebiedsbescherming van onder andere de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. De Flora- en faunawet regelt de soortenbescherming.

Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt op ruim zeven kilometer van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied het Korenburgerveen. Verzoeker heeft bij de provincie een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 aangevraagd. De provincie heeft op grond van een passende beoordeling en de getroffen mitigerende maatregelen beoordeeld dat het plan geen significant negatieve effecten heeft op het Natura2000-gebied. De ammoniakdepositie blijft ook in de nieuwe situatie gelijk. De provincie heeft op 25 februari 2013 de vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 verleend. De vergunning is als bijlage opgenomen in Bijlage 1 Natuurbeschermingswetvergunning. Deze vergunning geldt voor de eerste fase voor de uitbreiding. Voor de tweede fase van de uitbreiding is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Voorwaarde is dat de tweede fase van de uitbreiding ook voldoet aan de eisen uit de Natuurbeschermingswet.

Het plangebied grenst aan de te ontwikkelen Groene Ontwikkelingszone in en rond de Baakse beek/Veengoot. Deze zone moet grotere eenheden natuur met elkaar gaan verbinden en moet gaan bestaan uit poelen, natte graslanden en moerasjes, beschutte, zonnige plekjes, opgaande landschapselementen, etcetera. Een klein deel van het bouwvlak komt te liggen in deze Groene Ontwikkelingszone. De zone is op dit punt ruim 200 meter breed. Dit plan verhindert een toekomstige uitvoering van die te ontwikkelen ecologische verbindingszone niet. In het landschappelijke inpassingsplan is een aantal maatregelen (weidezomen en struweelranden, opschonen van een poel) opgenomen die de uitwisselingsmogelijkheden tussen het Aaltense Goor en de Veengoot vergroot.

Soortenbescherming

Voor deze ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd om na te gaan of in het plangebied beschermde soorten voorkomen. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 2 Quickscan flora en fauna. De conclusies van het onderzoek zijn:

De nieuwe bebouwing komt te staan aan de oostzijde van de bestaande bebouwing op de plaats van een intensief gebruikt weiland met raaigras. Om de nieuwe werktuigenberging mogelijk te maken moet een bestaande stal worden gesloopt.

Het plangebied bestaat uit bebouwing, erfverharding en intensief gebruikt grasland met een monocultuur van raaigras. Een dergelijke habitat vormt slechts voor weinig soorten een geschikt leefgebied. Er zijn tijdens het veldonderzoek geen beschermde soorten vastgesteld maar het is aannemelijk dat er ieder voorplantingsseizoen vogels nestelen in de te slopen stal en dat het plangebied incidenteel (’s nachts) benut wordt als foerageergebied door sommige amfibieën-, vleermuizen- en grondgebonden zoogdiersoorten. Bij de broedvogels gaat het om soorten waarvan uitsluitend de bezette nesten beschermd zijn, niet de oude nesten of de nestplaats. Werkzaamheden, zoals het slopen van de schuur, dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden.

De in het gebied voorkomende amfibieën en grondgebonden zoogdieren staan vermeld in tabel 1 van de Flora en fauna-wet. Voor deze soorten geldt een algemene vrijstelling van de verbodsbepalingen omdat de voorgenomen activiteit een ruimtelijke ontwikkeling betreft. Deze soorten bezetten geen vaste rust en/ of voortplantingslocaties in het gebied. In het kader van de algemene zorgplicht hoeven geen nadere maatregelen genomen te worden.

Vleermuizen bezetten geen vaste verblijfplaatsen in het plangebied maar benutten het plangebied mogelijk incidenteel en kortstondig als foerageergebied. Deze functie wordt door de voorgenomen activiteit niet negatief beïnvloed. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing ex. art. 75C van de Ff-weg aangevraagd te worden.

6.4 Cultuurhistorie en archeologie

In het plangebied staan geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen. De vorm van het nieuwe bouwvlak past goed in het lokale voornamelijk blokvormige verkavelingspatroon. Door het aanplanten van een rij knotelzen langs het oude kavelpad wordt deze oude structuur in het landschap versterkt.

Het plangebied heeft een lage tot middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Op perceel is daarom een inventariserend archeologisch onderzoek uitgevoerd. In het plangebied zijn geen archeologische resten en/of indicatoren aangetroffen. De conclusie van het onderzoek is dat de verwachtingswaarde kan worden bijgesteld naar een lage archeologische verwachtingswaarde. Een nader onderzoek is niet noodzakelijk. Het volledige rapport is opgenomen in Bijlage 3 Inventariserend archeologisch onderzoek.

6.5 Geluid

Als gevolg van de activiteiten in de veehouderij ontstaat geluid naar de omgeving. Het geluid wordt veroorzaakt door transportbewegingen, door activiteiten op het buitenterrein en door aanwezige toestellen en installaties. De belangrijkste vaste geluidbronnen zijn de in de veehouderij aanwezige ventilatoren. Daarnaast vinden aan- en afvoerbewegingen van vrachtwagens en tractoren plaats ten behoeve van onder andere de aanvoer van veevoer en de afvoer van dieren, mest en afvalstoffen.


Ten aanzien van geluidshinder is het toetsingskader de beleidsnotitie Geluidbeleid Oost Gelre dat op 23 september 2008 is vastgesteld. Uitgangspunt voor dit gemeentelijke geluidbeleid is een gebiedsgerichte benadering. Concreet betekent dit dat voor de hele gemeente de gewenste akoestische kwaliteit wordt aangegeven door het gebied in te delen in gebiedstypen en per gebiedstype een gewenste akoestische klasse aan te geven. Het plangebied is gelegen in gebiedstype “agrarisch intensief”. In dit gebied zijn de streefwaarden van het agrarisch concentratiegebied van toepassing: 45 db(A) in de dagperiode, 40 dB(A) in de avondperiode en 35 dB(A) in de nachtperiode. In de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering wordt voor geluid een afstand van 30 meter van het bedrijf tot een gevoelig object van derden aangeraden.De nieuwe werktuigenberging komt op ruim 140 meter van de woning de Riette 4 te staan. Deze loods zal niet leiden tot een overschrijding van de streefwaarden en zal als afscherming dienen voor de werkzaamheden die elders in de inrichting plaatsvinden. Een nader akoestisch onderzoek is niet nodig.

6.6 Geur

Voor de beoordeling van geurhinder van veehouderijen gelden de volgende kaders:

  • Wet geurhinder en veehouderij;
  • Activiteitenbesluit milieubeheer;
  • Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008.

Vanwege de beoogde veebezetting (250 melkkoeien met bijbehorend jongvee) valt de veehouderij in de toekomstige situatie niet onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit bedrijf valt onder de vergunningplicht. De beoordeling van de geurhinder moet plaatsvinden aan de hand van hetgeen in de Wet geurhinder en veehouderij is geregeld. Volgens de Wet geurhinder en veehouderij geldt in deze situatie een minimaal aan te houden afstand tot een geurgevoelig object van 50 meter. Gemeten vanaf de grens van het nieuwe bouwvlak bedraagt de afstand tot het het meest nabij gelegen geurgevoelig object (de Riette 4) circa 80 meter. Aan deze afstandseis van 50 meter wordt dus ruimschoots voldaan.

6.7 Luchtkwaliteit

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.

Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet luchtkwaliteit geen belemmering voor ontwikkelingen als:

- er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;

- een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;

- een project “niet in betekenende mate” bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (nibm) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10).

Een veehouderij valt niet bij voorbaat onder de categorieën van nibm-gevallen. Bij intensieve veeteelt kan de emissie van fijn stof van belang zijn. Hier is echter sprake van niet-intensieve veeteelt. De emissie van fijn stof is daarbij zodanig gering dat het Besluit nibm alsnog van toepassing is. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet nodig.

6.8 Externe veiligheid

Onder de oostzijde van het huidige bouwvlak ligt een hogedruk aardgastransportleiding.

 afbeelding "i_NL.IMRO.1586.WPBUI1507-VG01_0005.png"

Het gaat om de leiding N-569-80 met een diameter van 8 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. de vergroting van het bouwvlak leidt niet tot een wijziging van het groepsrisico binnen het invloedsgebied van deze leidingen. Het stalvolume neemt weliswaar toe, maar het aantal mensen neemt daarbij niet toe. Omdat het groepsrisico niet wijzigt hoeft er ook geen verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Het is daarom ook niet nodig om voorafgaand aan de besluitvorming advies in te winnen bij de regionale brandweer (VNOG).

De contour voor het plaatsgebonden risico (10 -6/jaar) ligt niet buiten de leiding. Wel ligt er aan weerszijde van de leiding een belemmeringenstrook van 5 meter. Binnen deze belemmeringenstrook mag geen nieuwe bebouwing worden opgericht. Dit is geregeld door in dit wijzingingsplan de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' op te nemen. Binnen deze dubbelbestemming mag geen bebouwing worden opgericht.

Het bedrijf ligt daarnaast niet in de omgeving van bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen of nabij wegen waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden.

6.9 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Bestemmingsplannen kunnen m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten mogelijk maken. In dit geval is er geen sprake van een m.e.r.-(beoordelings)plicht. Wel moet er een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld worden. Deze volgt hierna.

De initiatiefnemer vraagt een gefaseerde uitbreiding met 132 melkkoeien en bijbehorend jongvee aan.

Besluit milieueffectrapportage

In de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage zijn drempelwaarden opgenomen voor activiteiten waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt of een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Voor melkrundveebedrijven gelden de volgende drempelwaarden:


m.e.r.-plicht bij: niet van toepassing op melkrundveehouderijen

m.e.r.-beoordelingsplicht bij: het oprichten en/of uitbreiden en/of wijzigen van een installatie voor het houden van meer dan 200 melkkoeien (Rav categorie A.1. of A.2).

vormvrije m.e.r.-beoordeling bij: het oprichten en/of uitbreiden en/of wijzigen van een installatie voor het houden van minder dan 200 melkkoeien (Rav categorie A.1. of A.2.)


De vormvrije m.e.r.-beoordeling

De aanvraag blijft onder de drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordeling omdat de uitbreiding betrekking heeft op 132 melkkoeien en 86 stuks jongvee. De vraag die in een vormvrije m.e.r.-beoordeling beantwoord moet worden is de vraag of er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen zijn als gevolg van het plan.

Voor dit bestemmingsplan is een aantal milieuaspecten onderzocht. Uit deze onderzoeken blijkt dat het uitbreidingsplan voldoet aan de geldende relevante milieuwet- en regelgeving.

Het bedrijf beschikt daarnaast over een geldende Natuurbeschermingswetvergunning waarin de daarbij behorende bedrijfsopzet is vergund. Ook worden geen in het kader van de Flora- en faunawet beschermde soorten aangetast of verstoord.

De inpassing van het erf is geregeld met het beplantingsplan. Het beplantingsplan is als een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. De aanplant en de instandhouding van de overeengekomen beplanting is daarmee gegarandeerd.

Op het het perceel is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. In het plangebied zijn geen archeologische resten en/of indicatoren aangetroffen.

Uit deze al uitgevoerde onderzoeken blijkt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het is dan ook niet noodzakelijk om een m.e.r.-beoordeling of een mer uit te laten voeren.

Hoofdstuk 7 Toetsing van het plan aan de wijzigingsbevoegdheid

De voorgenomen ontwikkeling wordt hierna getoetst aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid voor de uitbreiding van een agrarisch bedrijf. De onderzoeksresultaten uit het vorige hoofdstuk worden hierin meegenomen. De wijzigingsbevoegdheid voor het veranderen van de vorm van het agrarisch bouwvlak bevat dezelfde voorwaarden als de wijzigingsbevoegdheid voor de uitbreiding van het agrarisch bouwvlak. Omdat de wijzigingsbevoegdheid voor de vergroting van het bouwvlak de meest uitgebreide set voorwaarden heeft is het plan getoetst aan de voorwaarden voor de uitbreiding. De stedebouwkundige aspecten uit de wijzigingsbevoegdheid voor de verandering van de vorm van het agrarisch bouwvlak zijn meegenomen in de hierna volgende toetsing.

Ad a. de vergroting van het bouwvlak voor grondgebonden agararische bedrijven niet meer dan 50% van het bouwvlak mag bedragen, mits de oppervlakte van het bouwvlak na vergroting niet meer dan 2 ha bedraagt;

Het huidige bouwvlak is circa 1,4 hectare groot. Het bouwvlak wordt na de uitbreiding 2 hectare groot. De uitbreiding blijft dus binnen de maximale uitbreiding van niet meer dan 50% van het bestaande bouwvlak. Alle bedrijfsbebouwing komt in het bouwvlak te staan.

Aan deze voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid wordt dus voldaan.

b. de oppervlakte van het bouwvlak voor intensieve veehouderijen ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij', welke niet is gelegen ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied', na vergroting niet meer mag bedragen dan 1 ha, tenzij de bestaande oppervlakte reeds groter is en de verruiming noodzakelijk is uit oogpunt van dierenwelzijn of noodzakelijk is ten behoeve van samenvoeging van meerdere locaties.

Op het perceel is een grondgebonden melkrundveehouderij gevestigd. Er is dus geen sprake van een intensieve veehouderij. Met een grondgebruiksplan is ook aangetoond dat hier sprake is van een grondgebonden melkrundveehouderij.

Ad c. de oppervlakte van het bouwvlak van intensieve veehouderijen ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij', welke niet is gelegen ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied', na de vergroting niet meer mag bedragen dan 1,5 ha, mits de gronden zijn gelegen op een ontwikkelingslocatie welke voldoet aan de navolgende voorwaarden:

1. het bestaande bouwvlak biedt onvoldoende ruimte voor de voorgenomen uitbreiding wat blijkt uit een bedrijfsontwikkelingsplan;

2. de milieugebruiksruimte ten aanzien van geur en ammoniak maakt een groei van het bedrijf tot minimaal 125 NGE, voor wat betreft dieraantallen, mogelijk;

3. de gronden niet zijn gelegen ter plaatse van de aanduidingen:

  • 'ehs - natuur';
  • 'ehs - verbindingszone';
  • 'ehs - verweving';
  • 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied';
  • 'natte - natuur';


Op het perceel is geen intensieve veehouderij gevestigd. Deze voorwaarde is dan ook niet van toepassing.

Ad d. de oppervlakte van het bouwvlak van paardenhouderijen ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij' na de vergroting niet meer mag bedragen dan 1,5 ha

Op het perceel is geen paardenhouderij gevestigd. Deze voorwaarde is dan ook niet van toepassing.

Ad e. er sprake dient te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing door middel van een erfinrichtingsplan

Het bedrijf heeft een inpassingsplan ingediend. In het inpassingsplan zijn de maatregelen voor de landschappelijke inpassing van het bedrijf beschreven. Het plan gaat onder meer uit van het aanleggen van weidezomen en struweelranden langs een aantal perceelsgrenzen. Bij de nieuwe mestsilo en het in zuidelijke richting lopende kavelpad worden 14 knotelzen aangeplant. Aan de voorzijde van de nieuwe melkveestal worden twee solitaire zomereiken geplant. Een bestaande poel in de bosrand ten noordoosten van het bedrijf wordt opgeschoond. Opslag in en rond de poel wordt verwijderd, zo wordt voorkomen dat de poel uiteindelijk dichtgroeit en verlandt. Aan de rand van de poel wordt een weidezoom aangelegd zodat een overgangszone/gradiënt vanuit de poel naar het naastgelegen weiland ontstaat.

Alle bestaande beplanting op en om het erf wordt behouden. Een drietal bestaande solitaire zomereiken worden door een hekwerk beschermd, behoud op de lange termijn wordt daarmee mogelijk gemaakt.

Het complete inpassingsplan is opgenomen in Bijlage 4 Landschappelijke inpassing.

Met een zogenaamde voorwaardelijke verplichting in de planregels is de aanleg en instandhouding van de inpassingsmaatregelen uit het inpassingsplan gegarandeerd.

Ad f. er geen sprake is van een significante aantasting van bestaande natuurwaarden en er geen belemmeringen voor de gewenste samenhang worden gecreeerd ter plaatse van de aanduiding 'ehs - verbindingszone' en 'ehs - verweving'

In paragraaf 6.3 Flora en fauna is nader ingegaan op de gevolgen van dit plan voor de flora en fauna. Geconcludeerd is dat het plan geen negatieve effecten op flora en fauna zal hebben. In het plangebied komen namelijk geen verblijf -of voortplantingsplaatsen van beschermde soorten voor. Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 2 Quickscan flora en fauna. Bij het slopen van de bestaande jongveestal zal rekening gehouden moeten worden met het broedseizoen van vogels die in stallen nestelen.

Het zuidelijke puntje van het agrarische bouwvlak komt in een gebied met de aanduiding 'ehs- verbindingszone' te liggen. Dit gebied is de Groene Ontwikkelingszone Baakse Beek/Veengoot. Dit deel van de ontwikkelingszone is bedoeld als een verbindingszone tussen de natuur(ontwikkelings)gebieden Aaltense Goor en de Veengoot en moet gaan bestaan uit onder meer stapstenen en natte verbindingen tussen de natuurgebieden. De uitbreiding van het agrarisch bedrijf vindt plaats in de buitenrand van deze tweehonderd meter brede ontwikkelingszone. De uitbreiding van het agrarisch bedrijf zal naar alle redelijkheid een toekomstige ontwikkeling van deze Groene Ontwikkelingszone niet verhinderen. In het inpassingsplan is een aantal maatregelen opgenomen, zoals de aanleg van weidezomen en struweelranden. Deze randen kunnen fungeren als een verbindingszone voor verschillende soorten dieren en planten.

Ad g. is aangetoond dat er geen sprake is van een toename van de ammoniakdepositie op het Natura 2000-gebied;

Het bedrijf heeft een Natuurbeschermingswetvergunning aangevraagd voor de eerste fase van de uitbreiding (de uitbreiding naar 160 melkkoeien). Deze vergunning is verleend op 25 februari 2013.

In de planregels vastgelegd dat op het perceel een grondgebonden melkrundveehouderij is toegestaan en dat de stikstofdepositie in overeenstemming moet zijn met de stikstofdepositie zoals die is vergund. De Natuurbeschermingswetvergunning is als bijlage opgenomen bij dit bestemmingsplan. Deze in 2013 verleende vergunning gaat uit van een groei naar 160 stuks melkkoeien en 120 stuks jongvee. Aan deze voorwaarde kan dus worden voldaan.

Dit wijzigingsplan maakt een bouwvlak mogelijk waarin de gefaseerde uitbreiding van het bedrijf naar 250 melkkoeien en 175 stuks jongvee mogelijk is. Hier is nog geen Natuurbeschermingswetvergunning voor verleend. Om deze tweede fase van de uitbreiding op termijn mogelijk te maken is daarom in de planregels de mogelijkheid opgenomen om af te wijken van de gebruiksregels en een uitbreiding naar 250 melkkoeien en 175 stuks jongvee mogelijk te maken. Voorwaarde hiervoor is dat een vergunning op basis van de Natuurbeschermingswetvvergunning is verleend. Via deze afwijkingsbevoegdheid wordt in de toekomst getoetst of het bedrijf voldoet aan de voorwaarde dat de ammoniakdepositie op Natura2000-gebieden niet toeneemt.

Ad h. aangetoond is dat de vergroting van de oppervlakte van het bouwvlak noodzakelijk is in het kader van een doelmatige agrarische bedrijfsvoering

De initiatiefnemers hebben aangegeven een volwaardig en toekomstbestendig bedrijf voor de opvolger te willen opzetten. De bestaande huisvesting voor het melkvee en het jongvee is verouderd. Door een nieuwe stal te bouwen voor het melkvee en de bestaande melkveestal te hergebruiken voor het jongvee kan het bedrijf weer voldoen aan de recente eisen op het gebied van huisvesting en dierenwelzijn. Daarnaast is een uitbreiding van de stalcapaciteit gewenst om mee te kunnen in de schaalvergroting die in de sector plaatsvindt.

Ad i. omliggende waarden door de vergroting van de oppervlakte van het bouwvlak niet onevenredig worden aangetast, waartoe in ieder geval onderzoek dient plaats te vinden naar flora en fauna, archeologische waarden, stedenbouwkundige en landschappelijke waarden

Uit de quick-scan flora en fauna blijkt dat er geen beschermde soorten voorkomen in en op het perceel. Bij het slopen van een deel van de bebouwing moet wel rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels die mogelijk in de stal nestelen. Het plangebied heeft een lage tot middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Uit het inventariserend archeologisch onderzoek blijkt dat in het plangebied geen archeologische resten en/of indicatoren aangetroffen zijn. Het volledige rapport is opgenomen in Bijlage 3 Inventariserend archeologisch onderzoek.


Stedebouwkundig gezien past het plan in de omgeving. De bebouwing vormt in de nieuwe situatie een compact erf. De frontbreedte van het bedrijf blijft beperkt, een industriële uitstraling aan de voorzijde wordt daarmee voorkomen. Het plan maakt het ook niet mogelijk dat er bebouwing voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfsbebouwing gerealiseerd kan worden.


Om de landschappelijke waarden te beschermen en te versterken is de initiatiefnemers gevraagd een plan voor de landschappelijke inpassing van het bedrijf op te stellen. Dit inpassingsplan is besproken met de gemeente en voldoet aan de gemeentelijke eisen voor een inrichtingsplan. Het inpassingsplan is opgenomen in Bijlage 4 Landschappelijke inpassing. Het inpassingsplan is als voorwaardelijke verplichting gekoppeld aan de planregels.

Aan deze voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid kan worden voldaan.

Ad j. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden, waartoe in ieder geval dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de normen inzake geur, geluid en luchtkwaliteit

Voor het mogelijk maken van de nieuwe stal, mestsilo, werktuigenberging en de kuilvoerplaten zijn meerdere milieuonderzoeken uitgevoerd met het doel na te gaan of het bedrijf in de nieuwe situatie voldoet aan de geldende milieuwet- en regelgeving. Deze regelgeving heeft onder andere als doel aanwonenden te beschermen tegen overlast.

Uit alle uitgevoerde onderzoeken blijkt dat het bedrijf voldoet aan de normen op het gebied van geur, geluid, luchtkwaliteit (fijn stof), bodemkwaliteit, waterhuishouding, externe veiligheid en stikstofuitstoot. In Hoofdstuk 6 Onderzoeksresultaten is hier nader op ingegaan.

Hoofdstuk 8 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.1 Economische uitvoerbaarheid

Het betreft hier een particulier initiatief. De uiteindelijke uitvoering van de mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt zijn voor rekening van de ondernemer. De gemeente werkt mee aan dit initiatief door het opstellen van het wijzigingsplan en door de procedures voor haar rekening te nemen.

Het wijzigingsplan voorziet in een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waardoor voor de betrokken gronden een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro dient te worden vastgesteld. Burgemeester en wethouders mogen op grond van artikel 6.12 Wro afzien van een exploitatieplan als het verhaal van kosten voor rekening van verzoeker komt. Met verzoeker is een anterieure overeenkomst afgesloten waardoor geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld. Burgemeester en wethouders achten het plan economisch uitvoerbaar.

8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.2.1 Inspraak

Het ontwerpwijzigingsplan heeft op grond van artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening van 19 februari tot en met 31 maart 2016 ter inzage gelegen. In deze periode is één zienswijze ingediend. Deze zienswijze is namens de Gasunie ingediend. De Gasunie geeft in haar zienswijze aan dat de belemmeringenstrook rond de gasleiding verkleind mag worden van 5 meter naar 4 meter breed aan weerszijden van de leiding. Dit is aangepast op de verbeelding.

8.2.2 Artikel 3.1.1. Bro-overleg

Op basis van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening wordt bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg gevoerd worden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en de relevante diensten van provincie en Rijk. Met het waterschap Rijn en IJssel heeft in het kader van de watertoets al overleg plaatsgevonden. Met de Provincie Gelderland heeft informeel vooroverleg plaatsgevonden over de inpassing van het bedrijf in de Groene Ontwikkelingszone. Omdat het wijzigingsplan een provinciaal belang raakt (de Groene Ontwikkelingszone) is het wijzigingsplan ook naar de provincie Gelderland gestuurd voor het wettelijke vooroverleg.