direct naar inhoud van toelichting
Plan: Lindeboomweg 26a Harreveld wijzigen vorm bouwvlak agrarisch bedrijf
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1586.WPBUI1503-VG01

toelichting

Hoofdstuk 1 Gegevens van het plan

Wijzigingsplan Lindeboomweg 26a Harreveld wijzigen vorm bouwvlak agrarisch bedrijf  
 
oktober 2015  
Inlichtingen:  
Afdeling Ruimtelijke en Economische Ontwikkeling  
Hester Smeenk  
tel.nr. 0544 - 393 482  

Hoofdstuk 2 Inleiding

2.1 Aanleiding

Bij de gemeente is een verzoek binnengekomen om de verandering van de vorm van het bouwvlak van een agrarisch bedrijf mogelijk te maken. Het gaat om het bedrijf aan de Lindeboomweg 26a te Harreveld. Op dit perceel is een intensieve veehouderij (varkenshouderij) gevestigd. Het bedrijf heeft haar uitbreidingsruimte momenteel aan de oostzijde van de bestaande bebouwing liggen. Vanwege de afstand tot de buren aan de Aagtemansweg wil het bedrijf haar uitbreidingsruimte naar de noordzijde van het bouwvlak verplaatsen. Om de gewenste uitbreidingsrichting van het bedrijf te verplaatsen moet het bouwvlak van vorm veranderen. In het geldende bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die de verandering van de vorm van het bouwvlak mogelijk kan maken. In dit bestemmingsplan wordt deze bevoegdheid toegepast. Het bouwvlak wijzigt van vorm maar wordt qua omvang niet vergroot. De wijziging van de vorm van het bouwvlak biedt het bedrijf de mogelijkheid om haar uitbreiding aan de noordzijde in plaats van aan de oostzijde te doen. Voor deze uitbreiding is een concreet plan ingediend dat met deze wijziging van de vorm van het bouwvlak mogelijk wordt gemaakt.

2.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt aan de Lindeboomweg en nabij de kruising met de Aagtemanweg. De wijziging heeft betrekking op de percelen kadastraal bekend Lichtenvoorde, sectie G, nummers 977, 696, 643 en 644. Direct rondom het bedrijf liggen onbebouwde agrarische gronden. Aan de oostzijde van het perceel liggen twee agrarische bedrijven: Aagtemansweg 9 en 11. Ten zuidoosten van het perceel ligt het agrarisch bedrijf Lindeboomweg 33. Aan de zuidwestzijde van het perceel zijn een woning (Lindeboomweg 37) en een niet-agrarisch bedrijf (Lindeboomweg 37a) gevestigd.


Harreveld ligt ten oosten van het plangebied. De afstand tussen het plangebied en de grens van de dorpskern van Harreveld bedraagt minimaal 750 meter.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.WPBUI1503-VG01_0001.jpg"

afbeelding: ligging plangebied

Hoofdstuk 3 Bestaande situatie

Het plangebied is deels bebouwd en deels onbebouwd. Het bebouwde deel bestaat uit de bestaande bedrijfsbebouwing van het bedrijf. Het gaat dan om de bestaande stallen en de dubbele bedrijfswoning.

Momenteel mogen op het bedrijf 2.562 gespeende biggen, 96 kraamzeugen, 446 guste/dragende zeugen, 120 opfokzeugen en 3 dekberen gehouden worden. De werkzaamheden op het bedrijf worden verricht door de familie Toebes. Het is de bedoeling dat de zoon op termijn het bedrijf overneemt.

Het plangebied ligt in het heideontginningengebied ten westen van Harreveld. Het gebied wordt gekenmerkt door rechte lijnen en weidsheid. De bebouwing ligt langs de wegen. Vanaf deze wegen is het land verkaveld.

In het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Agrarisch' met een bouwvlak van ruim 1 hectare. Met de aanduiding 'intensieve veehouderij' is aangegeven dat hier een intensieve veehouderij is toegestaan. Met de aanduidingen 'maximum aantal wooneenheden' en 'aaneengebouwd' is geregeld dat hier twee aaneengebouwde bedrijfswoningen toegestaan zijn.

Hoofdstuk 4 Nieuwe situatie

Omdat de zoon van de huidige bedrijfseigenaren het bedrijf op termijn over wil nemen is het noodzakelijk om in het bedrijf te investeren en het bedrijf uit te breiden. Zo kan op termijn ook een inkomen uit het bedrijf gehaald worden. Om dit te kunnen realiseren zal een deel van de bestaande stallen gesloopt worden. Twee stallen worden inwendig aangepast en een bestaande stal wordt verlengd. De uitbreiding van het bedrijf vindt plaats in twee nieuwe stallen. Deze nieuwe stallen worden aan de noordzijde van de bestaande bebouwing gerealiseerd. Het uitbreidingsplan is opgenomen in Bijlage 1 Uitbreidingsplan.

Om aan de noordzijde uit te kunnen breiden moet een struweelwal verwijderd worden. Deze struweelwal wordt vervangen door nieuwe beplanting. Aan de zuidwest, noord- en oostzijde van het nieuwe bouwperceel wordt een vijf meter brede houtsingel aangelegd. De verdere al aanwezige beplanting blijft behouden. Op het voorerf wordt een kleine boomgaard aangeplant. Op de hierna volgende afbeelding is de nieuwe indeling van het erf in beeld gebracht. Het complete beplantingsplan is opgenomen in Bijlage 2 Beplantingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.WPBUI1503-VG01_0002.jpg"

afbeelding: de nieuwe indeling van het erf (bebouwing en beplanting)

Hoofdstuk 5 Beleidskader

5.1 Inleiding

Op internationaal, nationaal en provinciaal niveau zijn een aantal juridische en beleidskaders van toepassing op het plangebied. De belangrijkste worden in de volgende paragrafen beschreven.

5.2 Europese natuurwetgeving

Op internationaal niveau zijn diverse regelingen van kracht die de duurzame instandhouding van habitats en soorten tot doel hebben. De meest verplichtende regeling van de Europese Unie is de Europese natuurbeschermingsregelgeving rond Natura2000gebieden. Deze regels zijn verder uitgewerkt in de Natuurbeschermingswet en de aanwijzing van zogenaamde Natura2000-gebieden. De Natuurbeschermingswet is hier van toepassing. In december 2014 is het Korenburgerveen aangewezen als een Natura2000gebied.

Het Korenburgerveen ligt op ruim negen kilometer afstand van het plangebied. Het Korenburgerveen is een komhoogveen in de Achterhoek, ten westen van Winterswijk. Het veencomplex bestaat uit een aantal deelgebieden waarvan de namen zijn ontleend aan de buurtschappen rondom het veen: het Meddose veen, het Vragenderveen en het Corlese Veen. Samen met het centraal gelegen Korenburgerveen vormen ze het Korenburgerveencomplex. Het is het enige gebied in Nederland waar een redelijk intacte hoogveenkern wordt omzoomd door een randzone, die doet denken aan de wat voedselrijkere laagzone van natuurlijke hoogvenen. De randzone bestaat uit nat schraalland, matig gebufferde vennen, broekbos en vochtige heide. In het Vragenderveen wordt het landschap bepaald door veendijkjes met daartussen langgerekte stroken regenererend hoogveen. Dit patroon is ontstaan tijdens de ontginning, waarbij de dijkjes zijn aangelegd om te voet de centrale delen van het hoogveen te kunnen bereiken.

Uit het aanwijzingsbesluit blijkt dat een groot deel van de habitattypen in het gebied gevoelig tot zeer gevoelig zijn voor vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie vanuit de lucht. Omdat veehouderijen ammoniak (en daarmee stikstof) uitstoten moet het bedrijf over een vergunning beschikken.

Op basis van de Natuurbeschermingswet is het bedrijf daarom vergunningplichtig. Het bedrijf heeft een vergunning. Deze is verleend op 8 november 2013 en geldt voor de nu aangevraagde dieraantallen.

Programmatische aanpak stikstof

Al jaren is er in Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstof (ammoniak en stikstofoxiden). Dit is schadelijk voor de natuur. Het belemmert ook vergunningverlening voor economische activiteiten. Daarom heeft het Rijk het initiatief genomen om deze stikstofproblemen aan te pakken. In de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) werken overheden en maatschappelijke partners samen om de stikstofuitstoot te verminderen en daarmee ook economische ontwikkelingen mogelijk te maken. Vanaf 2 februari heeft het beheerplan voor het Korenburgerveen ter inzage gelegen. Het beheerplan geeft aan hoe de aanwezige natuur het best beschermd kan worden, het beschrijft de mogelijkheden om de natuur verder te ontwikkelen en het geeft een kader voor vergunningverlening en handhaving in relatie met de activiteiten die in en rond het gebied plaatsvinden.


In de loop van 2015 treedt de PAS in werking. De PAS wordt dan de basis voor de vergunningverlening op basis van de Natuurbeschermingswet voor activiteiten die leiden tot een depositie van stikstof. Dit geldt onder meer voor uitbreidingen en wijzigingen van agrarische bedrijven.


Dit bedrijf moet bij een nieuwe vergunning ook voldoen aan de PAS. In paragraaf 6.3 Flora en fauna wordt hier nader op ingegaan.

5.3 Nationaal beleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte bevat de visie van het kabinet op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tussen nu en 2040. Met deze visie trekt de Rijksoverheid een beleidslijn door die al met de Nota Ruimte werd ingezet, namelijk een verdere concentratie (voor wat betreft beleidsbemoeienis en investeringen) op de ruimtelijke ordening van de hoofdinfrastructuur van Nederland, te weten de havens, Schiphol, belangrijke wegen, spoorwegen, waterwegen en andere netwerken die van wezenlijk belang zijn voor het economisch functioneren van het land. Daaronder vallen verder industriële en agrarische complexen van nationaal belang. Verder wil het Rijk zich concentreren op de maatregelen die noodzakelijk zijn om het land te beschermen tegen de zee.

Voor verstedelijking en economische activiteiten gaat het Rijk nog steeds uit van de bundelingsstrategie. Daarbij wordt voldoende aanbod van ruimte gereserveerd voor stedelijke functies en bij de vraag aangesloten. Er wordt optimaal gebruik gemaakt van de ruimte die in het bestaande bebouwde gebied aanwezig is en er wordt ruimte geboden aan gemeenten om te kunnen bouwen voor de eigen bevolkingsgroei.


De provincies en gemeenten zijn meer dan voorheen verantwoordelijk voor de ruimtelijke ordening met betrekking tot verstedelijking, de afbakening van de bebouwde kommen en het landelijk gebied en het veilig stellen en de verschillende waarden van het landelijk gebied.

In de Structuurvisie is een aantal nationale belangen benoemd. Voor dit bestemmingsplan is het belang 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten' van toepassing. Dit bestemmingsplan doorloopt de gebruikelijke procedure voor bestemmingsplannen in de gemeente. Daarbij wordt een ieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze op het plan te dienen.

De overige nationale belangen zijn voor dit bestemmingsplan niet van toepassing omdat het om belangen op een hoger schaalniveau dan het lokale schaalniveau gaat.

5.4 Provinciaal beleid

5.4.1 Omgevingsvisie Gelderland

Op 9 juli 2014 heeft Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld. Deze structuurvisie is de opvolger van het Streekplan Gelderland dat al de status van een structuurvisie had.

De provincie kiest er in deze Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:

1. een duurzame economische structuur;

Een gezonde economie met een aantrekkelijk vestigingsklimaat vraagt om krachtige steden en vitale dorpen met voldoende werkgelegenheid. Het verbeteren van de economische structuur is een belangrijke opgave voor de Gelderse samenleving. Er zijn veel kansen om de economische structuur te verbeteren. De provincie wil samen met haar partners de kansen benutten, mèt oog voor de unieke kwaliteiten van Gelderland. Het streven is om de concurrentiekracht van Gelderland te vergroten door een duurzame versterking van de ruimtelijk-economische structuur. Concreet betekent dit dat bestaande en nieuwe bedrijven kansen moeten krijgen.


2. het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving. Een aantrekkelijke leefomgeving vergt een goede kwaliteit en beleving van natuur en landschap in Gelderland, een gezonde en veilige leefomgeving en een robuust bodem- en watersysteem. De provincie zet daarom in op het waarborgen en op het verder ontwikkelen van die kwaliteiten van Gelderland.

Dit houdt onder meer in: ontwikkelen met kwaliteit, recht doen aan de ruimtelijke, landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van de plek. Daarnaast moet de kwaliteit van het landschap behouden en versterkt worden. In Hoofdstuk 6 Onderzoeksresultaten wordt hier nader op ingegaan.

5.4.2 Omgevingsverordening Gelderland

Provinciale Staten hebben 24 september 2014 de Omgevingsverordening vastgesteld. In de Omgevingsverordening staan de regels die horen bij de Omgevingsvisie. De regels uit de Omgevingsverordening stellen de provinciale belangen veilig omdat bestemmingsplannen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen hieraan moeten voldoen.

In artikel 2.5.4.2 van de verordening is het volgende gesteld over uitbreidingen van intensieve veehouderijen in verwevingsgebieden: 'In bestemmingsplannen die betrekking hebben op één of meer verwevingsgebieden kan aan een agrarisch bedrijf ten behoeve van de niet-grondgebonden veehouderijtak een agrarisch bouwperceel worden toegekend van ten hoogste 1,0 hectare'.


In de omgevingsverordening is een overgangsregeling opgenomen voor bestaande rechten. Geldende bestemmingsplannen (inclusief de daarin opgenomen wijzigingsbevoegdheden) met een ruimere regeling dan in de omgevingsverordening is opgenomen blijven daarmee van kracht. Deze regeling is van belang omdat in dit geval het geldende bestemmingsplan meer ruimte biedt dan de omgevingsverordening. Dat betekent in dit geval dat de wijzigingsbevoegdheid voor de verandering van de vorm van het bouwvlak van een intensieve veehouderij nog steeds toegepast mag worden omdat deze onder de overgangsregeling valt en geen uitbreiding van het bouwvlak mogelijk maakt.

5.4.3 Reconstructieplan Achterhoek en Liemers

In het Reconstructieplan Achterhoek & Liemers 2005 is de Reconstructiewet uitgewerkt voor de Achterhoek en Liemers. In het reconstructieplan wordt voor verschillende functies een plaats gegeven in het buitengebied. In het reconstructieplan staan de volgende opgaven:

  • ontwikkelingsruimte voor intensieve veehouderij en grondgebonden landbouw;
  • een samenhangend netwerk van natuurgebieden;
  • een aantrekkelijk landschap;
  • verdere uitbouw van recreatie en toerisme;
  • verbeteren van leefbaarheid en het woon, werk en leefklimaat;
  • een veerkrachtig watersysteem;
  • een betere milieukwaliteit.

In het reconstructieplan zijn extensiveringsgebieden, verwevingsgebieden en landbouwontwikkelingsgebieden aangewezen. Voorliggend plangebied ligt in een verwevingsgebied. Verwevingsgebieden zijn bedoeld voor functiemenging. Agrarische bedrijven, wonen, recreatie en natuur komen hier naast elkaar voor. De uitbreiding van een intensief veehouderijbedrijf in het plangebied past binnen het reconstructieplan. In het bestemmingsplan buitengebied van de gemeente is dit beleid uitgewerkt en zijn er voorwaarden gesteld aan uitbreidingen.

5.5 Gemeentelijk beleid

5.5.1 Geldende bestemmingsplan

Het geldende bestemmingsplan is het bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011. Dit plan is voor een deel herzien in het Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre. Deze laatste herziening heeft in dit geval betrekking op de planregels. Het plangebied heeft de bestemming 'Agrarisch' met daarbinnen een bouwvlak. Met de aanduiding 'intensieve veehouderij' is aangegeven dat op dit perceel een intensieve veehouderij is toegestaan. De aanduidingen en 'maximum aantal wooneenheden' en 'aaneengebouwd' regelen dat er twee, aan elkaar gebouwde, bedrijfswoningen zijn toegestaan. Op het perceel ligt tenslotte ook nog de dubbelbestemmingen "Waarde - archeologische verwachtingswaarde -1" en "Waarde - archeologische verwachtingswaarde - 2". Dit houdt in dat het gebied een middelhoge tot hoge archeologische verwachtingswaarde heeft. Bij bodemingrepen die dieper gaan dan 30 centimeter én een oppervlakte beslaan van meer dan 100 m2 is het verplicht een archeologisch onderzoek uit te voeren.

Wijzigingsbevoegdheid voor het veranderen van de vorm van het agrarisch bouwvlak

In artikel 3.7.3. is de wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt om het bouwvlak van vorm te veranderen (te vervormen). Hiervoor gelden de volgende voorwaarden:

a. de vervorming niet mag leiden tot een vergroting van het bouwvlak;

b. aangetoond is dat het vervormen van het bouwvlak noodzakelijk is in het kader van een doelmatige bedrijfsvoering;

c. alle bedrijfsbebouwing binnen het bouwvlak gesitueerd dient te blijven;

d. het verschuiven van de grens van het bouwvlak mag niet tot gevolg hebben dat voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning kan worden gebouwd;

e. er geen sprake is van een significante aantasting van bestaande natuurwaarden en er geen belemmeringen voor de gewenste samenhang worden gecreëerd ter plaatse van de aanduiding 'ehs - verbindingszone' en 'ehs - verweving';

f. is aangetoond dat er geen sprake is van een toename van de ammoniakdepositie op het Natura 2000-gebied;

g. omliggende waarden door de vervorming van de oppervlakte van het bouwvlak niet onevenredig worden aangetast, waartoe in ieder geval onderzoek dient plaats te vinden naar flora en fauna, archeologische waarden, stedenbouwkundige en landschappelijke waarden;

h. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden, waartoe in ieder geval dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de normen inzake geur, geluid en luchtkwaliteit.

In Hoofdstuk 7 Toetsing van het plan aan de wijzigingsbevoegdheid is de wijzigingsbevoegheid voor de verandering van de vorm van het agrarisch bouwvlak getoetst.

5.5.2 Landschapsontwikkelingsplan

Het Landschapsontwikkelingsplan is een beleidsnota van de gemeente waarin het landschapsbeleid is vastgelegd. Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) biedt de mogelijkheid de landschappelijke eenheid en kwaliteit in de gemeente te versterken en toch ruimte te bieden aan bestaande bedrijven en nieuwe ontwikkelingen in de toekomst. In het LOP zijn elf landschapsensembles benoemd. Elk landschapstensemble kenmerkt zich door eigen karakteristieke landschapselementen. Het zijn meestal elementen die hier historisch gezien thuis horen, en soms varianten daarop die aansluiten bij het hedendaagse gebruik van het landschap.

Het plangebied ligt in het landschapsensemble van de Harreveldse Heide. Dit is bij uitstek een jong ontginningslandschap. Rond 1900 was het gebied nog geheel heide. De Veengoot maakte het mogelijk dit gebied in cultuur te nemen, omdat het voordien grotendeels te nat was. Alleen langs de oostgrens van de gemeente, langs de Nicolaasweg, lagen in die tijd boerderijtjes die mogelijk nog stammen uit een eerdere tijd en aansluiten op de oudere ontginningen rond Mariënvelde. Ook nu nog zijn daar boerderijtjes gelegen aan doodlopende insteekweggetjes. De landbouw is hier de belangrijkste functie; nu en ook in de afzienbare toekomst.

In deze vlakke open, grote, natte heideontginning ligt de bebouwing verspreid langs enkele rechte wegen. De twee zuidelijkste komen uit Harreveld en maken in het westen een hoek om af te buigen naar de rug waar de Aaltenseweg (hier als zandweg) en de Landstraat over lopen. Vanaf deze wegen is het land verkaveld. De achterkant van de kavels bestaat uit een waterloop die het water afvoert naar de Veengoot.

Te beschermen of op te poetsen parels in dit gebied zijn onder meer de verschraalde bermen bij erf en de typerende erfbeplantingen.

Hoofdstuk 6 Onderzoeksresultaten

6.1 Watertoets

Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. In het waterbeheerplan 2010-2015 van Waterschap Rijn en IJssel staat het beleid beschreven op een drietal hoofdthema's. Voor het thema Veiligheid is bescherming tegen hoog water op rivieren het speerpunt. Het functioneren van de primaire en regionale waterkeringen staat hierbij centraal. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van drietrapsstrategie "vasthouden-bergen-afvoeren". Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt "stand still - step forward". Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.

Thema   Toetsvraag   Relevant  
HOOFDTHEMA'S  
Veiligheid
 
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering
(primaire waterkering, regionale waterkering of kade)?
2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een
rivier?  
Nee

Nee  
Riolering en Afvalwaterketen   1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur?
2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?
3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap?  
Nee
Nee
Nee  
Wateroverlast (oppervlaktewater)
 
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan
2.500 m2?
2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan
500 m2?
3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?
4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen
gebieden, beekdalen en overstromingsvlaktes?  
Ja

Ja

Nee
Nee
 
Oppervlaktewater-kwaliteit   1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater
geloosd?  
Nee  
Grondwater-
overlast
 
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de
ondergrond?
2. Is in het plangebied sprake van kwel?
3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren?  
Nee

Nee
Nee  
Grondwater-
kwaliteit  
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een
drinkwateronttrekking?  
Nee  
Inrichting en beheer
 
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of
beheer zijn bij het waterschap?
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?  
Ja

Nee  
Volksgezondheid   1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel?
2. Bevinden zich, of komen er functie, in of nabij het plangebied die
milieuhygienische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen
(zwemmen, spelen, tuinen aan water)?  
Nee

Nee  
Natte natuur   1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?
3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte
natuur?
4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?  
Nee
Nee
Nee

Nee  
Verdroging   1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?   Nee  
Recreatie   1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?   Nee  
Cultuurhistorie   1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?   Nee  

 

De volgende thema's zijn relevant voor dit bestemmingsplan.

Wateroverlast

Door de ontwikkelingen in het bouwvlak neemt het verhard oppervlak toe met circa 5.000 m2. Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater vertraagd afgevoerd via een zaksloot ten noorden van het bouwperceel. Deze zaksloot krijgt een inhoud van minimaal 220 m3 en wordt via een overloop aangesloten op de waterschapsleiding ten oosten van het bouwperceel (de waterloop langs de Aagtemansweg).

Inrichting en beheer

Ten oosten van het bouwperceel, langs de Aagtemansweg, ligt een waterschapsleiding, in beheer bij het waterschap Rijn en IJssel. Voor deze leiding is de Keur van toepassing. Voor het aansluiten van de zaksloot met een overloop naar de waterschapsleiding, zal een watervergunning worden aangevraagd.

6.2 Bodem

Bij een bestemmingsplanprocedure moet worden nagegaan of de bodemkwaliteit de planontwikkeling mogelijk maakt. Aan de hand van de beschikbare bodeminformatie moet onderbouwd worden wat de verwachte bodemkwaliteit is, of bodemonderzoek nodig is en of er maatregelen nodig zijn om de bodem geschikt te maken voor het beoogde gebruik.

Het historisch gebruik van de gronden is agrarisch. De nieuwe functie van het perceel is een varkensstal. De vraag is dus of de bodemkwaliteit van dien aard is dat het gebruik als varkensstal toegestaan kan worden. Omdat het historisch gebruik agrarisch is en de verblijfstijd voor mensen in de nieuwe stallen beperkt is, is het uitvoeren van een bodemonderzoek niet noodzakelijk. Daarnaast is wettelijk gezien geen nulsituatieonderzoek nodig naar meststoffen.

6.3 Flora en fauna

De natuurbescherming in Nederland is geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. De Natuurbeschermingswet 1998 regelt gebiedsbescherming van onder andere de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. De Flora- en faunawet regelt de soortenbescherming.

Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt op ruim negen kilometer van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied het Korenburgerveen. Verzoeker heeft bij de provincie een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 aangevraagd. De provincie heeft op grond van een passende beoordeling en de getroffen mitigerende maatregelen beoordeeld dat het plan geen significant negatieve effecten heeft op het Natura2000-gebied.De stikstofdepositie blijft ook in de nieuwe situatie gelijk. De provincie heeft op 8 november 2013 de vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 verleend. De vergunning is als bijlage opgenomen in Bijlage 4 Natuurbeschermingswetvergunning.

Op ruim 500 meter afstand van het plangebied ligt de te ontwikkelen ecologische verbindingszone in en rond de Baakse beek/Veengoot. Deze verbindingszone moet gaan bestaan uit poelen, natte graslanden en moerasjes, beschutte, zonnige plekjes, opgaande landschapselementen, etcetera. Dit plan verhindert een toekomstige uitvoering van die te ontwikkelen ecologische verbindingszone niet.

Soortenbescherming

De nieuwe bebouwing komt te staan aan de noordzijde van de bestaande bebouwing op de plaats van een al teruggekapte struweelwal. De herbouw/vernieuwing vindt plaats in de bestaande gebouwen of op de plek van de bestaande gebouwen.

Het plangebied vormt mogelijk een foerageergebied voor een aantal licht beschermde zoogdieren en een aantal vleermuizen. In de omgeving is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig. De omgeving vormt een (mogelijk) leefgebied voor weide- en akkervogels, struweelvogels en amfibieën, maar de realisatie van het bedrijf tast hun leefgebied niet aan. De huidige struweelwal aan de noordzijde van de bestaande bebouwing is al helemaal teruggekapt en is daarmee geen mogelijk broedgebied meer voor vogels. Omdat er geen gebouwen gesloopt worden verdwijnen er ook geen mogelijke verblijfplaatsen voor onder andere vleermuizen, marters en/of vogels. De plannen leiden dus niet tot aantasting van beschermde soorten, onder de voorwaarde dat met de bouwwerkzaamheden wordt begonnen buiten het broedseizoen.

6.4 Cultuurhistorie en archeologie

In het plangebied staan geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen. De vorm van het nieuwe bouwvlak past goed in het lokale voornamelijk blokvormige verkavelingspatroon.


Het plangebied heeft een hoge archeologische verwachtingswaarde. Op het noordelijk deel van het perceel is daarom een archeologisch onderzoek uitgevoerd. In het plangebied zijn geen archeologische resten en/of indicatoren aangetroffen. De conclusie van het onderzoek is dat de verwachtingswaarde kan worden bijgesteld naar een lage archeologische verwachtingswaarde. Het volledige rapport is opgenomen in Bijlage 7 Archeologisch onderzoek.

6.5 Geluid

Als gevolg van de activiteiten in de veehouderij ontstaat geluid naar de omgeving. Het geluid wordt veroorzaakt door transportbewegingen, door activiteiten op het buitenterrein en door aanwezige toestellen en installaties. De belangrijkste vaste geluidbronnen zijn de in de veehouderij aanwezige ventilatoren. Daarnaast vinden aan- en afvoerbewegingen van vrachtwagens en tractoren plaats ten behoeve van onder andere de aanvoer van veevoer en de afvoer van dieren, mest en afvalstoffen.


Ten aanzien van geluidshinder is het toetsingskader de beleidsnotitie Geluidbeleid Oost Gelre welke op 23 september 2008 is vastgesteld. Uitgangspunt voor dit gemeentelijke geluidbeleid is een gebiedsgerichte benadering. Concreet betekent dit dat voor de hele gemeente de gewenste akoestische kwaliteit wordt aangegeven door het gebied in te delen in gebiedstypen en per gebiedstype een gewenste akoestische klasse aan te geven. Het plangebied is gelegen in gebiedstype “landelijk gebied met veel agrarische activiteiten”. De streefwaarden op woningen van derden of andere geluidgevoelige objecten voor dit type omgeving bedraagt 45 dB(A) etmaalwaarde. De grenswaarde bedraagt 50 dB(A) etmaalwaarde.


Om de geluidbelasting op de omgeving te bepalen, met name op de dichtstbijzijnde woningen, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Op grond van het gemeentelijk geluidbeleid valt de inrichting in het gebiedstype 'agrarisch intensief'. De conclusie is dat het akoestisch onderzoek een goed beeld geeft van de te verwachten geluidbelasting. De streefwaarde voor het langetijdgemiddeld beoordelingsniveau van 45 dB(A) etmaalwaarde op omliggende geluidgevoelige objecten wordt met de representatieve bedrijfssituatie niet overschreden. Er kan in de nieuwe situatie worden voldaan aan de streef- en grenswaarde van het geluidbeleid.

Het volledige rapport is opgenomen in Bijlage 5 Akoestisch onderzoek.

6.6 Geur

Voor de beoordeling van geurhinder van veehouderijen gelden de volgende kaders:

  • Wet geurhinder en veehouderij;
  • Activiteitenbesluit milieubeheer;
  • Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008.


In de inrichting worden dieren gehouden waarvoor bij ministeriele regeling geuremissiefactoren zijn vastgesteld. Met behulp van het verspreidingsmodel V-Stacks-vergunning is een berekening gemaakt van de verspreiding van geur vanuit het bedrijf. Het rekenresultaat is de geurbelasting op de geurgevoelige objecten die in de nabije omgeving liggen. Het rekenprogramma toetst of de berekende geurbelasting voldoet aan de geurnorm zoals gesteld in de Wet geurhinder en veehouderij en/of aan de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008.

Voor de uitbreiding van het bedrijf aan de Lindeboomweg zijn deze berekeningen ook uitgevoerd. Omdat nog niet exact duidelijk is hoe de dieren zullen worden gehuisvest en waar de emissiepunten op de nieuwbouw zullen worden gesitueerd zijn vier realistische opties doorgerekend door de aanvrager. De geurbelasting van het uit te breiden bedrijf op de omliggende woningen blijft in de vier doorgerekende opties onder de 14 OU/m3. Hiermee wordt voldaan aan de maximale geurbelasting en wordt het woongenot van omliggende woningen niet verslechterd.

De berekeningen zijn opgenomen in Bijlage 6 Geurbelasting.

6.7 Luchtkwaliteit

De luchtkwaliteit is afhankelijk van de mate van verontreiniging door diverse luchtverontreinigende stoffen waarbij hier de voornaamste bronnen de stallen (en dan met name ten aanzien van fijn stof) zijn. Vanuit Europese richtlijnen wordt aangegeven welke luchtkwaliteitsnormen voor deze stoffen gelden. In Nederland zijn deze richtlijnen sinds 15 november 2007 geïmplementeerd in de Wet milieubeheer middels een wetswijziging van hoofdstuk 5 (milieukwaliteitseisen) titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, beter bekend als de Wet Luchtkwaliteit.


Artikel 5.16 lid 1 en 2 van de Wet milieubeheer geeft aan dat een project, waarvan de uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, mogelijk is als:

  • het aannemelijk is gemaakt dat het niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 (Wet milieubeheer) opgenomen grenswaarde;
  • het aannemelijk is gemaakt dat de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van die uitoefening of toepassing per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft of bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert;
  • het aannemelijk is gemaakt dat die uitoefening of toepassing niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 (Wet milieubeheer) een grenswaarde is opgenomen;
  • indien een uitoefening dan wel toepassing is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een op grond van artikel 5.12 lid 1 of artikel 5.13 lid 1 vastgesteld programma.


De hierboven aangegeven grenswaarden uit bijlage 2 (Wet milieubeheer) zijn voor de luchtverontreinigende stoffen zwaveldioxide (SO2), stikstofdioxide (NO2), lood, koolmonoxide (CO), fijn stof (PM10), en benzeen (C6H6) en worden in de hieronder staande tabel aangegeven.

Stof   Grenswaarde  
SO2   350 µg/m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 24 maal per kalenderjaar mag worden overschreden  
  125 µg/m³ als 24 uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 3 maal per kalenderjaar mag worden overschreden  
NO2   200 µg/m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 18 maal per kalenderjaar mag worden overschreden  
  40 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010  
PM10   40 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie  
  50 µg/m³ als 24 uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden  
Lood   0,5 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie  
CO   10.000 µg/m³ als 8 uursgemiddelde concentratie  
C6H6   10 µg/m³ tot 1-1-2010 en 5 µg/ m³ na 1-1-2010 als jaargemiddelde concentratie  

Uit de luchtkwaliteitstoets blijkt dat voldaan wordt aan de waarden die vermeld staan in de Handreiking fijn stof en veehouderijen. Dat betekent dat deze ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De volledige luchtkwaliteitstoets is opgenomen in het advies van de Omgevingsdienst Achterhoek. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 3 Advies Omgevingsdienst.

6.8 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Bestemmingsplannen kunnen m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten mogelijk maken. In dit geval is er geen sprake van een m.e.r.-(beoordelings)plicht. Wel moet er een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld worden. Deze volgt hierna.

De initiatiefnemer vraagt een uitbreiding met de volgende dierenaantallen aan:

  • 2.258 stuks gespeende biggen (D 1.1.12.2)
  • 96 stuks kraamzeugen (D 1.2.14)
  • 344 stuks guste en dragende zeugen (D 1.3.9.2)


De overige dieraantallen en huisvestingssystemen worden niet gewijzigd. Dit betekent dus een uitbreiding van in totaal 2.258 gespeende biggen en 440 zeugen.

Besluit milieueffectrapportage

In de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage zijn drempelwaarden opgenomen voor activiteiten waarvoor een m.e.r.-plicht (C 14), m.e.r.-beoordelingsplicht (D 14) geldt of een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Voor varkensfokbedrijven gelden de volgende drempelwaarden:


m.e.r.-plicht bij: het oprichten en/of uitbreiden en/of wijzigen van een installatie voor het houden van meer dan 900 stuks zeugen (Rav D 1.2, D 1.3 en D 3).

m.e.r.-beoordelingsplicht bij: het oprichten en/of uitbreiden en/of wijzigen van een installatie voor het houden van meer dan:

  • 750 stuks zeugen (Rav D 1.2, D 1.3 en D 3) en
  • 3.750 stuks gespeende biggen (D 1.1).


vormvrij m.e.r.-beoordeling bij: het oprichten en/of uitbreiden en/of wijzigen van een installatie voor het houden van minder dan:

  • 751 stuks zeugen (Rav D 1.2, D 1.3 en D 3);
  • 3.751 stuks gespeende biggen (D 1.1).


De vormvrije m.e.r.-beoordeling

De aanvraag blijft onder de drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordeling of m.e.r.-plicht. De vraag die in een vormvrije m.e.r.-beoordeling beantwoord moet worden is de vraag of er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen zijn als gevolg van het plan.

Voor dit bestemmingsplan is een aantal milieutechnische onderzoeken uitgevoerd. Uit zowel het akoestisch onderzoek, het geuronderzoek als de beoordeling op thema's als luchtkwaliteit, water en bodem blijkt dat het uitbreidingsplan kan voldoen aan de geldende relevantie milieuwet en regelgeving.

Het bedrijf beschikt daarnaast over een geldende Natuurbeschermingswetvergunning waarin de daarbij behorende bedrijfsopzet vergund. Ook worden geen in het kader van de Flora- en faunawet beschermde soorten aangetast of verstoord.

De inpassing van het erf is geregeld met het beplantingsplan. Het beplantingsplan is als een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. De aanplant en de instandhouding van de overeengekomen beplanting is daarmee gegarandeerd.

Op het noordelijk deel van het perceel is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. In het plangebied zijn geen archeologische resten en/of indicatoren aangetroffen.

Uit deze al uitgevoerde onderzoeken blijkt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het is dan ook niet noodzakelijk om een m.e.r.-beoordeling of een mer uit te laten voeren.

Hoofdstuk 7 Toetsing van het plan aan de wijzigingsbevoegdheid

De voorgenomen ontwikkeling wordt hierna getoetst aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid voor de verandering van de vorm van een bouwvlak voor een agrarisch bedrijf. De onderzoeksresultaten uit het vorige hoofdstuk worden hierin meegenomen.

Ad a. de vervorming niet mag leiden tot een vergroting van het bouwvlak;

De verandering van de vorm van het agrarisch bouwvlak leidt niet tot een vergroting van het bouwvlak. Het bouwvlak blijft 1 hectare groot.

b. aangetoond is dat het vervormen van het bouwvlak noodzakelijk is in het kader van een doelmatige bedrijfsvoering;

Het huidige bouwvlak is circa 1,2 hectare groot en is nog niet vol. De uitbreidingsruimte zit echter aan de oostzijde van de bestaande bebouwing. Een uitbreiding in dit deel van het bouwvlak heeft als gevolg dat de uitbreiding dicht(er) bij de woningen van de buren aan de Aagtemansweg komt. Dit kan mogelijk hinder veroorzaken. Daarom is gekozen voor een uitbreiding in noordelijke richting. De afstand tot de buren blijft op deze manier even groot als in de huidige situatie. Daarnaast ontstaat zo ook een compact bouwvlak, waarbij efficiënt gebruik wordt gemaakt van de ruimte. Aan de noordzijde ontstaat zo nu ruimte voor een nieuwe zeugen- en biggenstal. Het uitbreidingsplan is opgenomen in Bijlage 1 Uitbreidingsplan. Het nieuwe bouwvlak wordt 1 hectare groot.


De nieuwe stallen zijn nodig om enerzijds te kunnen moderniseren en anderzijds een toekomstwaardig bedrijf voor de opvolger te creëren.


Aan deze voorwaarde uit de wijzigingsbevoegdheid wordt voldaan.

Ad c. alle bedrijfsbebouwing binnen het bouwvlak gesitueerd dient te blijven;

Alle bedrijfsbebouwing staat binnen het bouwvlak. Buiten het bouwvlak staan enkele schuurtjes die in 1997 bij het generaal pardon zijn gelegaliseerd. Deze vallen nu onder de regeling voor legale gebouwen en bouwwerken buiten het bouwvlak.

Aan deze voorwaarde uit de wijzigingsbevoegdheid wordt voldaan.

Ad d. het verschuiven van de grens van het bouwvlak mag niet tot gevolg hebben dat voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning kan worden gebouwd;

De verschuiving van de grenzen van het bouwvlak vindt plaats van de oostzijde naar de noordzijde van de bestaande bebouwing. De bedrijfswoning staat aan de zuidzijde van het bouwvlak. De verandering van de vorm van het bouwvlak maakt het dus niet mogelijk dat voor de voorgevel van de bedrijfswoning gebouwd kan worden.

Aan deze voorwaarde uit de wijzigingsbevoegdheid wordt voldaan.

Ad e. er geen sprake is van een significante aantasting van bestaande natuurwaarden en er geen belemmeringen voor de gewenste samenhang worden gecreëerd ter plaatse van de aanduiding 'ehs - verbindingszone' en 'ehs - verweving';

De gronden waarop het bedrijf ligt liggen niet in één van de gebieden die als zodanig zijn aangeduid. Aan deze voorwaarde uit de wijzingsbevoegdheid wordt dus voldaan.

Ad f. is aangetoond dat er geen sprake is van een toename van de ammoniakdepositie op het Natura 2000-gebied;

Het bedrijf heeft een Natuurbeschermingswetvergunning aangevraagd voor de uitbreiding. Deze vergunning is verleend op 8 november 2013. Omdat de initiatiefnemers de exacte uitwerking van de stallen en de inrichting van de stallen nog aan het uitwerken zijn moet er nog een nieuwe vergunning aangevraagd worden. Omdat de dierenaantallen niet meer gaan veranderen ten opzichte van de huidige vergunning op basis van de Natuurbeschermingswet is het de verwachting dat deze gewijzigde Natuurbeschermingswetvergunning naar alle redelijkheid verleend zal worden. De afstand van het bedrijf tot Natura2000gebieden verandert ook niet.

In de planregels vastgelegd dat op het perceel een varkenshouderij is toegestaan en dat de stikstofdepositie in overeenstemming moet zijn met de stikstofdepositie zoals die is vergund. Het type varkens en de aantallen dieren mogen verschillen van de aantallen die in de vergunning zijn genoemd, zolang het bedrijf maar een varkenshouderij blijft en totale stikstofdepositie niet toeneemt ten opzichte van wat vergund is. De Natuurbeschermingswetvergunning is als bijlage opgenomen bij dit bestemmingsplan.


Aan deze voorwaarde kan dus worden voldaan.

Ad g. omliggende waarden door de vervorming van de oppervlakte van het bouwvlak niet onevenredig worden aangetast, waartoe in ieder geval onderzoek dient plaats te vinden naar flora en fauna, archeologische waarden, stedenbouwkundige en landschappelijke waarden;

In paragraaf 6.3 Flora en fauna is nader ingegaan op de gevolgen van dit plan voor de flora en fauna. Geconcludeerd is dat het plan geen negatieve effecten op flora en fauna zal hebben.


Het plangebied heeft een hoge archeologische verwachtingswaarde. Op het noordelijk deel van het perceel is daarom een archeologisch onderzoek uitgevoerd. In het plangebied zijn geen archeologische resten en/of indicatoren aangetroffen. De conclusie van het onderzoek is dat de verwachtingswaarde kan worden bijgesteld naar een lage archeologische verwachtingswaarde. Het volledige rapport is opgenomen in Bijlage 7 Archeologisch onderzoek.


Stedebouwkundig gezien past het plan in de omgeving. De bebouwing vormt in de nieuwe situatie een compact erf. Doordat de uitbreiding aan de achterzijde van de bestaande bebouwing plaatsvindt blijft de frontbreedte van de bebouwing gelijk. Het plan maakt het ook niet mogelijk dat er bebouwing voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfsbebouwing gerealiseerd kan worden.


Om de landschappelijke waarden te beschermen en te versterken is de initiatiefnemers gevraagd een erfinrichtingsplan op te stellen. De aanvragers hebben een beplantingsplan ingediend. Dit beplantingsplan is besproken met de gemeente en voldoet aan de gemeentelijke eisen voor een inrichtingsplan. Het beplantingsplan is opgenomen in Bijlage 2 Beplantingsplan. Het beplantingsplan is als voorwaardelijke verplichting gekoppeld aan de planregels.

Aan deze voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid kan worden voldaan.

Ad h. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden, waartoe in ieder geval dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de normen inzake geur, geluid en luchtkwaliteit.

Door de uitbreiding van het bedrijf aan de achterzijde (noordzijde) plaats te laten vinden ontstaat een compact bouwvlak met geconcentreerde bebouwing. Daarmee kan de uitbreidingsmogelijkheid aan de oostzijde van de bestaande bebouwing komen te vervallen. Bouwen aan de oostzijde zou inhouden dat de afstand van de stallen tot de (bedrijfs)woningen van de aanwonenden verkleind wordt. Op deze manier blijft de afstand tussen hun woningen minimaal gelijk. Milieutechnisch gezien is er ook meer ruimte aan de achterzijde. Zowel de verandering van de vorm van het bouwvlak als de uitbreiding van het bouwvlak zijn dan ook passend in relatie tot de omgeving.


Voor het mogelijk maken van de nieuwe stallen zijn meerdere milieuonderzoeken uitgevoerd met het doel na te gaan of het bedrijf in de nieuwe situatie voldoet aan de geldende milieuwet- en regelgeving. Deze regelgeving heeft onder andere als doel aanwonenden te beschermen tegen overlast.


Uit alle uitgevoerde onderzoeken blijkt dat het bedrijf voldoet aan de normen op het gebied van geur, geluid, luchtkwaliteit (fijn stof), bodemkwaliteit, waterhuishouding en stikstofuitstoot. In Hoofdstuk 6 Onderzoeksresultaten is hier nader op ingegaan.

Hoofdstuk 8 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.1 Economische uitvoerbaarheid

Het betreft hier een particulier initiatief. De uiteindelijke uitvoering van de mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt zijn voor rekening van de ondernemer. De gemeente werkt mee aan dit initiatief door het opstellen van het bestemmingsplan en door de procedures voor haar rekening te nemen.

Het bestemmingsplan voorziet in een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waardoor voor de betrokken gronden een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro dient te worden vastgesteld. Burgemeester en wethouders mogen op grond van artikel 6.12 Wro afzien van een exploitatieplan indien het verhaal van kosten voor rekening van verzoeker zijn. Met verzoeker is een anterieure overeenkomst afgesloten waardoor een exploitatieplan niet hoeft te worden vastgesteld. Burgemeester en wethouders achten het plan economisch uitvoerbaar.

8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.2.1 Inspraak

Het ontwerpbestemmingsplan heeft op grond van artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegd. In deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.

8.2.2 Artikel 3.1.1. Bro-overleg

Op basis van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg gevoerd worden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en de relevante diensten van provincie en Rijk. Met het waterschap Rijn en IJssel heeft in het kader van de watertoets overleg plaatsgevonden. Het waterschap heeft aangegeven akkoord te gaan met de waterparagraaf. Omdat er geen sprake is van een provinciaal belang hoefde het plan niet naar de provincie toegezonden te worden.