| Plan: | Realisatie dubbele woning Marhulzenweg ong. Groenlo |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | omgevingsvergunning |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1586.PBBEDRIJVEN308-VG01 |
| Realisatie dubbele woning Marhulzenweg ong. Groenlo |
| juli 2022 |
| Inlichtingen: |
| Afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling en Beheer |
| Telefoonnummer 0544-393535 |
Er is een aanvraag om omgevingsvergunning ingekomen voor de activiteit 'handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening' voor het perceel aan de Marhulzenweg ong. te Groenlo. De aanvraag voorziet in de realisatie van een dubbele woning (twee onder één kap) op een nu nog onbebouwd perceel grond. Dit perceel is gelegen naast de bestaande woning Laantje van Lasonder 1 en tegenover de woning Marhulzenweg 35 te Groenlo en kadastraal bekend als gemeente Groenlo, sectie A, nummer 2997.
Door middel van een procedure om herziening van het bestemmingsplan, welke op 21 september 2021 door de gemeenteraad van Oost Gelre is vastgesteld, is er een bouwvlak verbeeld op dit onbebouwde perceel grond aan de Marhulzenweg. Binnen dit bouwvlak is het mogelijk een vrijstaande woning te bouwen. Hier wordt nu vanaf gezien. Wel is het de wens om op dit perceel een dubbele woning in de vorm van een tweekapper te realiseren. Dit past niet binnen de regels van het voornoemd vastgesteld bestemmingsplan. Door middel van deze procedure om omgevingsvergunning wordt van de regels van het geldende bestemmingsplan afgeweken en het toevoegen van een tweede wooneenheid op het perceel planologisch geregeld. Voor de bouw van de dubbele woning dient een separate omgevingsvergunning te worden aangevraagd.
Het college heeft op 7 december 2021 principemedewerking gegeven om mee te werken aan een afwijking van het geldende bestemmingsplan om een dubbele woning op het perceel mogelijk te maken.
Het onbebouwde perceel is gelegen aan de Marhulzenweg tussen de bestaande woning Laantje van Lasonder 1 en de groenstrook welke grenst aan de Parallelweg te Groenlo. Het perceel is hoofdzakelijk omgeven door woningen alsmede een enkel bedrijf. Het perceel zal worden ontsloten aan een deel van de Marhulzenweg wat als een ontsluiting (zijtak) van de doorgaande Marhulzenweg kan worden beschouwd. De doorgaande Marhulzenweg gaat over in de Parallelweg. Onderstaande afbeelding geeft het plangebied globaal weer.
Plangebied Marhulzenweg ong. met kadastraal nummer 2997
Het perceel Marhulzenweg ong. te Groenlo is gelegen in het geldend bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen, herziening Marhulzenweg ong. te Groenlo' welke op 21 september 2021 door de gemeenteraad is vastgesteld. Het perceel is bestemd als 'Wonen' en 'Tuin' voorzien van een 'bouwvlak' met de bouwaanduidingen 'vrijstaand' en 'nokrichting' en met de bouwaanduiding 'maximum goothoogte, maximum bouwhoogte' van respectievelijk 6 en 10 meter, alsmede de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2'.
De realisatie van een dubbele woning is mede vanwege de aanduiding 'vrijstaand', wat impliceert dat er een vrijstaande woning binnen het aangegeven bouwvlak is toegestaan, niet mogelijk. In het vastgestelde bestemmingsplan zijn hiervoor ook geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Door middel van een procedure om herziening van het bestemmingsplan of door middel van een omgevingsvergunnning Wabo is het mogelijk om een dubbele woning op het perceel toe te staan. Verzoeker heeft door het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning aangegeven de procedure om omgevingsvergunning Wabo te willen doorlopen. Hiermee wordt afgeweken van de regels uit het geldend bestemmingsplan.
Uitsnede uit geldend bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen, herziening Marhulzenweg ong. te Groenlo '
In Hoofdstuk 2 is de aanleiding en doel van deze omgevingsvergunning uiteengezet. In Hoofdstuk 3 van de ruimtelijke onderbouwing wordt de bestaande en toekomstige situatie in het plangebied beschreven. De historie en cultuurhistorie komt aan bod. Ook wordt inzicht gegeven in de opbouw van het plangebied met de daarbij behorende functies. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 4 het beleidskader van het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Oost Gelre uiteen gezet. Hoofdstuk 5 gaat over de omgevingsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. Tot slot volgt in Hoofdstuk 6 een beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan en de resultaten van overleg en terinzagelegging.
In dit hoofdstuk wordt de huidige situatie vanuit ruimtelijk oogpunt en per functie, evenals de ontwikkelingen op basis van het vigerende beleid beschreven. Er wordt flexibiliteit geboden daar waar het kan. Rekening wordt gehouden met de dynamiek in het plangebied en ruimte voor 'reguliere' uitbreidingen en veranderingen.
Op de topografische kaart uit 1900 is er nog weinig bebouwing zichtbaar buiten de stadskern Groenlo. Wel is de spoorlijn Winterswijk - Neede op enige afstand van de stadskern gelegen. Groenlo werd ontsloten door een drietal wegen wat op de kaart uit 1900 goed te zien is.
Topografische kaart uit 1900 (bron: www.topotijdreis.nl)
In de jaren die volgen groeit zowel de bebouwing in de stadskern van Groenlo alsmede 'buiten de gracht'. Het perceel aan de Marhulzenweg is gelegen in het op de topografische kaart uit 1950 aangegeven gele rondje. Zoals hierop is te zien is hier nog geen bebouwing aanwezig. De jaren daarna breidt de bebouwing buiten het stadscentrum zich explosief uit wat goed te zien is op de topografische kaart uit 1975. Niet alleen met woningen maar ook met bedrijvigheid. Ook de bebouwing rondom het voorliggend perceel aan de Marhulzenweg neemt toe.
Daarnaast is de huidige Eibergseweg, als een van de drie toegangswegen naar Groenlo, al aangesloten op de 'Twenteroute' wat toen al volop in ontwikkeling was. Het traject langs Groenlo was nog niet gerealiseerd maar is al wel op de topografische kaart uit 1975 aangegeven.
In de jaren daarna verdwijnt de spoorlijn Winterswijk - Neede, de 'Twenteroute' komt de vervallen en doet dienst als Parallelweg naast de nieuwe N18. Het bedrijventerrein heeft zich uitgebreid naar het noorden voorbij de Marhulzenweg tot aan de Eschweg. Ondanks dat rondom het plangebied flink is gebouwd is het perceel aan de Marhulzenweg onbebouwd gebleven.
Topografische kaart uit 1950 (bron: www.topotijdreis.nl)
Topografische kaart uit 1975 (bron: www.topotijdreis.nl)
Topografische kaart uit 2020 (bron: www.topotijdreis.nl)
Op 21 september 2021 heeft de gemeenteraad van Oost Gelre voor het perceel een bestemmingplan vastgesteld met de bestemming 'Wonen'. Hierdoor wordt het mogelijk om op deze locatie een vrijstaande woning te bouwen binnen een aangegeven bouwvlak. Van deze mogelijkheid wordt nu geen gebruik gemaakt. Het perceel blijft hiermee onbebouwd.
In de gewenste situatie is het de wens om een twee onder één kap woning te bouwen. Hiervoor wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van het aanwezige bouwvlak. Vanwege de aanduiding 'vrijstaand' is de bouw van een dubbele woning niet mogelijk. Deze omgevingsvergunning maakt het mogelijk om af te wijken van de regels uit het geldend bestemmingsplan zodat een dubbele woning kan worden gerealiseerd. Deze omgevingsvergunning maakt de bouw van een dubbele woning niet mogelijk.
Door het toevoegen van een extra woning op het perceel zal moeten worden beoordeeld of in de nabijheid gelegen bedrijven niet in hun toekomstige ontwikkelingen worden beperkt en omgekeerd of een goed woon- en leefklimaat in de 'nieuwe' woning kan worden gegarandeerd. Dit wordt in de hierna aangegeven hoofdstukken en paragrafen nader omschreven.
Stedenbouw
De bouw van een dubbele woning op dit perceel is stedenbouwkundig beoordeeld. Hierbij is aangegeven dat individualiteit van de woning van belang is. Iedere woning dient een eigen kap te krijgen met een nokrichting haaks op de voorgevel. Daarbij dient er kleur verschil in de woningen te zijn en is een sprong in de voorgevel van belang om de individualiteit te benadrukken. Zelfs de indeling van de gevel kan daarbij helpen.
Wel wordt als aandachtspunt meegegeven dat vanaf de hoek Marhulzenweg – Parallelweg al het groen is verwijderd. Hierdoor staat de oostgevel van de dubbele woning vol in het zicht. Waar bij een vrijstaande woning een zijgevel al snel aandacht krijgt is dat bij een tweekapper wat minder het geval in verband met een garage.
Als er nieuw opgaand groen wordt herplant heeft de zijgevel minder aandacht nodig. Anders dubbele oriëntatie met wellicht opbouw op de garage en een groene erfscheiding.
Er wordt verwezen naar een voorbeeld, zoals hieronder in figuur 1 weergegeven, die alle eigenschappen heeft voor individualiteit van de woning.
Stedenbouwkundig wordt akkoord gegaan met de realisatie van een dubbele woning in de vorm van twee onder één kap op het perceel aan de Marhulzenweg ong. te Groenlo.
Beoogde woning vrijstaand
Deze stedenbouwkundige beoordeling sluit aan bij de stedenbouwkundige beoordeling voor de beoogde vrijstaande woning op het perceel. De uitgangspunten voor de realisatie van de vrijstaande woning waren dat er door de kapvorm, de nokrichting en de geleding in twee volumes een passend volume ontstaat. De nokrichting loopt hierbij van de wegzijde (Marhulzenweg) naar het achtererfgebied. In onderstaande figuur 2 is dit beoogde bouwplan opgenomen.
Welstand
Deze omgevingsvergunning voorziet in een afwijking van de Regels van het geldende bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen, herziening Marhulzenweg ong. te Groenlo' welke een vrijstaande woning binnen de nieuwe woonbestemming in het aangegeven bouwvlak mogelijk maakt. De gewenste dubbele woning in de vorm van twee onder één kap wordt hiermee planologisch mogelijk gemaakt.
Deze omgevingsvergunning maakt de bouw van de gewenste dubbele woning in de vorm van twee onder één kap niet mogelijk. Hiervoor dient een separate aanvraag om omgevingsvergunning voor te worden ingediend. Ook dan pas zal de commissie ruimtelijke kwaliteit (welstandscommissie) het gewenste bouwplan beoordelen (welstandstoets).
Figuur 1: voorbeeld voor individualiteit van de woningen
Figuur 2: beoogde bouwplan voor een vrijstaande woning
Voor het gebied geldt een groot aantal juridische kaders en beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste samengevat. Op internationaal niveau zijn diverse regelingen van kracht die de duurzame instandhouding van habitats en soorten tot doel hebben. De meest verplichtende regelingen van de Europese unie zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Op nationaal en provinciaal niveau zijn eveneens een groot aantal juridische kaders en beleidskaders van toepassing op het plangebied.
De "Vogelrichtlijn" (79/409/EG) uit 1979 heeft tot doel: de bescherming en het beheer van alle op het grondgebied van de Europese Unie in het wild levende vogels en hun habitats. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van al deze vogelsoorten en in het bijzonder de trekvogels en zijn verplicht om de verschillende natuurlijke habitats die het leefmilieu van de wilde vogels vormen, in stand te houden. Op grond van deze richtlijn worden gebieden aangewezen als Speciale Beschermingszone. Deze gebieden maken deel uit van het Europese initiatief om een ecologisch netwerk van natuurgebieden duurzaam te beschermen (Natura 2000). Daarnaast stelt de richtlijn nadere regels voor de bescherming, het beheer en de regulering van vogelsoorten.
De rechtsgevolgen die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn betreffen, naast het aanwijzen van de Speciale Beschermingszones, ook de verplichting om passende maatregelen te nemen om de kwaliteit van de leefgebieden van de vogelsoorten niet te laten verslechteren. Verder mogen er geen storende invloeden optreden in gebieden die negatieve gevolgen hebben voor het voortbestaan van de vogelsoorten, die door de Vogelrichtlijn beschermd worden. Nieuwe plannen of projecten in en in de nabijheid van Speciale Beschermingszones worden volgens de richtlijn getoetst.
Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn.
De in 1992 vastgestelde "Habitatrichtlijn" is het voornaamste stuk wetgeving van de Europese Gemeenschap ter bevordering van de biologische verscheidenheid. Deze richtlijn houdt de verplichting in voor deelstaten om de habitats en soorten, die voor de Europese Unie van belang zijn, in stand te houden. Iedere lidstaat moet op zijn grondgebied de gebieden die voor het behoud van de onder de richtlijn vallende habitats en soorten het belangrijkst zijn, identificeren en vervolgens aanwijzen als Speciale Beschermingszones.
Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn.
Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed waar mogelijk te behouden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang, beter nog het cultuurhistorisch belang, vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer. Invoering van het verdrag heeft gevolgen voor het huidige archeologisch bestel. Het moet nog (beter) in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd worden. Alle overheden hebben zorgplicht voor archeologische waarden gekregen, dus ook de gemeenten. In de ruimtelijke ordening wordt aan veel aspecten aandacht geschonken en worden tal van belangen tegen elkaar afgewogen. Voor veel zaken wordt de afweging gestuurd door wet- en regelgeving. Het verdrag van Malta heeft tot gevolg dat dit ook voor de archeologie het geval is. Door het verdrag heeft (ook) de gemeente de inspanningsverplichting de archeologische waarden te beschermen.
De archeologische waarden zijn opgenomen als dubbelbestemming in het geldende bestemmingsplan. Daarnaast geldt het ontwerp 'Parapluplan Archeologie'. Hier zijn Regels aan gesteld ter bescherming van mogelijke archeologische waarden. In hoofdstuk 5, paragraaf 5.1 wordt dit nader toegelicht.
De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW is sinds december 2000 van kracht en maakt het mogelijk om waterverontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De kaderrichtlijn is geen vrijblijvende richtlijn, ze vormt een Europese verplichting, waar de waterbeheerder (Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten) niet omheen kan. De belangrijkste uitgangspunten van de KRW zijn:
Via de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan normen voor bepaalde chemische stoffen (waaronder de zogeheten prioritaire (gevaarlijke) stoffen). Worden die normen gehaald, dan spreken we van 'een goede chemische toestand'. Daarnaast moet het oppervlaktewater goed zijn voor een gevarieerde planten- en dierenwereld. Is dat het geval, dan heet dat 'een goede ecologische toestand'. Hieronder valt ook een groot aantal andere chemische stoffen dan de hierboven al genoemde prioritaire (gevaarlijke) stoffen. Voor het grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen. Daarnaast moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen bijvoorbeeld natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand (goede kwantitatieve toestand).Voor verschillende typen wateren gelden verschillende ecologische doelstellingen. In een plas leven bijvoorbeeld andere planten- en dierensoorten dan in kustwater. Daarom verschillen de ecologische doelen per watertype. De chemische normen zijn bij ieder water ongeveer hetzelfde, met uitzondering van de nutriënten. Daarvoor geldt weer wel een benadering die per watertype kan verschillen.
Een watertoets is beschreven in hoofdstuk 5 in paragraaf 5.3.
Algemene conclusie
De internationale regelgeving en/of de europese regelgeving is niet op deze omgevingsvergunning van toepassing.
Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.
1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.
2. Duurzaam economisch groeipotentieel
Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair.
3. Sterke en gezonde steden en regio's
Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd.
4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zet het Rijk in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies.
In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;
2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal.
Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
3. Afwentelen wordt voorkomen.
Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties.
In voorliggend geval betreft een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Bij het uitwerken van het plan zijn de kenmerken en identiteit van het gebied centraal gesteld.
Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling van een dubbele woning op perceel niveau.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de AMvB die het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid vormt voor bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden en zich primair richt tot de gemeente. Daarnaast kan het Barro aan de gemeente opdragen om in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.
Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau.
Op 30 december 2011 is de eerste tranche van het Barro in werking getreden. Deze eerste tranche van het Barro bevat een vertaling van het geldende planologische beleid dat bedoeld was om op lokaal niveau: in bestemmingsplannen, te worden verwerkt. De vastgestelde onderdelen van het Barro Ruimte hebben betrekking op onder meer het kustfundament, de grote rivieren en het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR).
Op 1 oktober 2012 is de tweede tranche van het Barro in werking getreden. Deze tranche vormt een vertaling van nieuw ruimtelijk beleid van het Rijk, dat eerder is vastgelegd in o.a. de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de MIRT-agenda's.
Dit deel van het Barro bevat regels voor onder meer het Natuur Netwerk Nederland (de opvolger van de ecologische hoofdstructuur), radarverstoringsgebieden, militaire terreinen, gebieden van uitzonderlijke universele waarde en reserveringsgebieden voor (nieuwe en uitbreiding van bestaande) hoofdwegen en spoorlijnen.
De uitgangspunten van het Barro zijn bij het opstellen van deze omgevingsvergunning betrokken.
Ladder voor duurzame verstedelijking
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Om gebruikers goed te kunnen ondersteunen bij de toepassing van de nieuwe Ladder heeft het Rijk een nieuwe handreiking opgesteld.
De nieuwe handreiking begint met de vraag om wat voor een plan het gaat. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Vervolgens dient bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen in eerste instantie gekeken te worden of er behoefte is aan nieuwe ruimte voor woningen. Als de behoefte voldoende is gemotiveerd, wordt gekeken of aan deze behoefte kan worden voldaan door het benutten van locaties voor herstructurering, intensivering of transformatie binnen bestaand stads- en dorpsgebied. Als ook dat niet tot de mogelijkheden behoort, wordt – onder voorwaarden - aansluitend aan het bestaand stads- en dorpsgebied een locatie gezocht. Door de ladder voor duurzame verstedelijking toe te passen, wordt verstedelijking zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied geconcentreerd. Hiermee wordt de kwaliteit van het bebouwde gebied behouden en versterkt.
Nieuwe stedelijke ontwikkeling
Onderhavige ontwikkeling betreft het planologisch regelen van een dubbele woning op perceelniveau binnen de bestemming 'Wonen'. In artikel 1.1.1 van het Bro is het begrip 'stedelijke ontwikkeling' nader toegelicht, het gaat hier om 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.'
Het betreft hier het toeveogen van een extra wooneenheid op perceelniveau. Bij een kleinschalige woningbouwontwikkeling is de ladder niet van toepassing. Waar de grens precies ligt, blijkt niet expliciet uit het Besluit ruimtelijk ordening. Op basis van jurisprudentie blijkt dat bij woningbouw in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724). Voorliggende ontwikkeling betreft het realiseren van één nieuwe woning naast de al toegestane woning. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Afweging
Uit bovenstaande onderbouwing kan worden geconcludeerd dat het realiseren van één nieuwe woning op perceelniveau niet wordt beschouwd als een stedelijke ontwikkeling zodat gesteld kan worden dat er sprake is van een duurzame verstedelijking.
Conclusie
Daarmee vormt de ladder van duurzame verstedelijking geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.
Algemene conclusie
Het Rijksbeleid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen die deze omgevingsvergunning mogelijk maakt.
De provincie heeft haar visie op de omgeving vertaald in de 'Omgevingsvisie Gelderland'. Deze is vastgesteld op 9 juli 2014. Op 24 september 2014 is de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Provinciale Staten van de provincie Gelderland hebben op 19 december 2018 een geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld en deze doorvertaald in de Omgevingsverordening. De provincie streeft onder andere naar het versterken en behouden van de vitaliteit van kleinere kernen en dorpen. Om dit te bereiken dienen stedelijke functies waar mogelijk te worden gebundeld en geconcentreerd. Daarnaast ondersteunt de provincie bij de aanpak van leegstand in dorpen en kernen.
In de Omgevingsvisie is de Gelderse Ladder opgenomen. De Gelderse Ladder wordt gebruikt als afwegingskader voor de vestigingsplek van stedelijke ontwikkelingen. Als juridische basis voor de Gelderse Ladder gebruikt de provincie de ladder voor duurzame verstedelijking, genoemd in de vorige paragraaf. De juridische borging van de ladder is geregeld in de Bro en is niet nogmaals opgenomen in de provinciale verordening. Consequenties met betrekking tot de voorliggende ontwikkeling zijn dan ook hetzelfde.
De omgevingsverordening richt zich op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.
In hoofdzaak geeft de Omgevingsverordening regels bij nieuwe ontwikkelingen dus ook voor het toevoegen van woningen. In de omgevingsverordening wordt aangegeven dat er een regionale woonagenda door Gedeputeerde Staten moet zijn vastgesteld.
De gemeenten in de Achterhoek hebben gezamenlijk een visie voor het woonbeleid vastgesteld, om in te spelen op de veranderde behoefte. In het najaar van 2019 is de Regionale Woonagenda op onderdelen aangepast. Daarmee wordt vooruit gelopen op de nieuwe Regionale Woonagenda. Het beleidskader is in lijn met de Koers Ruimte voor goed wonen van de provincie en met het provinciale coalitieakkoord.
Daarnaast heeft de gemeente Oost Gelre een eigen woonvisie vastgesteld voor de periode 2016 – 2025. Deze is door de gemeenteraad vastgesteld op 20 september 2016. In paragraaf 4.4.2 wordt deze woonvisie nader toegelicht.
Conclusie
Het realiseren van één nieuwe woning op perceelniveau past in de regionale woonagenda en de daarbij opgesteld woonvisie voor de gemeente Oost Gelre. Hiermee wordt voldaan aan de regels uit de provinciale omgevingsverordening.
Omgevingsvisie en -verordening vormen dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen die deze omgevingsvergunning mogelijk maakt.
De gemeenten in de Achterhoek hebben gezamenlijk een visie voor het woonbeleid vastgesteld. Een demografische ontwikkeling in deze regio is dat het aantal inwoners in de komende periode langzaam maar zeker afneemt. In de Regionale Woonvisie wordt ingespeeld op die bevolkingsdaling en afname van het aantal huishoudens. Concreet betekent dit voor iedere gemeente in de Achterhoek dat de aangegeven bouwvolumes in de gemeentelijke woonvisies naar beneden bijgesteld moeten worden.
De gemeente Oost Gelre heeft een eigen woonvisie vastgesteld voor de periode 2016 - 2025 waarin de regionale woonvisie in is verweven. Deze is door de gemeenteraad vastgesteld op 20 september 2016.
De woonvisie Oost Gelre is een kernachtige en toegankelijke visie. De visie is vormgegeven op basis van een drietal thema's: kwantiteit & kwaliteit, beschikbaarheid & betaalbaarheid en wonen met zorg en welzijn. Bij ieder thema is aangegeven wat wordt gezien als ontwikkelingen, wat er bereikt moet worden en wat hiervoor moet worden gedaan. Voorafgaand hierop is ingegaan op de kwaliteiten van Oost Gelre, specifiek de verschillende kernen, en de maatschappelijke ontwikkelingen die het woonbeleid beïnvloeden. In een uitvoeringsprogramma is aangegeven welke activiteiten uit de woonvisie voortvloeien en wanneer en door wie deze worden uitgevoerd. De ruimtelijke uitvoeringmaatregelen zoals het stoplichtmodel, vijfsporenstrategie, sturingstabel en de richtlijnen voor nieuwe principe verzoeken zijn als bijlage bij het uitvoeringsprogramma gevoegd.
Bij het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning is rekening gehouden met de vastgestelde woonvisie. Nu er een nieuwe woning op het perceel wordt toegevoegd heeft dit consequenties voor het woningaantal zoals opgenomen in de Woonvisie. Deze toevoeging van de woning op perceelniveau past binnen de uitgangspunten in de Woonvisie.
Wettelijk kader
De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2022 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.
Archeologie
Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden. De gemeente Oost Gelre heeft een archeologische beleidsadvieskaart. Op deze kaart is aangegeven welke gebieden archeologisch waardevol zijn en welke gebieden de verwachting hebben archeologisch waardevol te zijn. Het beleid dient direct door te werken in het bestemmingsplan. Bescherming (behoud/conservering) van gebieden met archeologische (verwachtings)waarden is uitgangspunt bij de zorg voor het archeologische erfgoed in het plangebied. Afhankelijk van de verstoring moeten de gebieden eerst nader worden onderzocht, voordat hier bebouwing of grondbewerking (=verstoring) plaatsvindt. Tijdens het onderzoek gevonden archeologische resten, moeten zo mogelijk onaangetast in de grond bewaard blijven of anders op verantwoorde wijze worden opgegraven. De kosten hiervan komen voor degene die de grond wil verstoren. Met behulp van een dubbelbestemming wordt voornoemde bescherming van archeologische waarden dan wel archeologische verwachtingswaarden in het bestemmingsplan geregeld.
Nieuw archeologiebeleid
Op 14 april 2020 heeft de gemeenteraad van Oost Gelre nieuw archeologisch beleid vastgesteld met titel 'Archeologische monumentenzorg in de gemeente Oost Gelre, een actualisatie van de archeologische waarden-, verwachtings- en beleidskaart'. Dit nieuwe beleid is momenteel als ontwerp bestemmingsplan beschikbaar en ter inzage gelegd. Er dient dus te worden getoetst aan dit nieuwe archeologisch beleid.
Ingevolge het ontwerpbestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie' geldt voor het overgrote deel van het perceel de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 3'. Een klein deel van het perceel ligt in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch waardevol gebied 1'.
Archeologisch verwachtingsgebied 3
Hiervoor geldt dat het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning genoemde werkzaamheden op of in de bodem uit te voeren waarbij er een de vergunningplicht geldt voor werkzaamheden dieper dan 30 cm onder het maaiveld én een oppervlakte van 1.000 m2.
Archeologisch waardevol gebied 1
Hiervoor geldt dat het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning genoemde werkzaamheden op of in de bodem uit te voeren waarbij er een de vergunningplicht geldt voor werkzaamheden dieper dan 30 cm onder het maaiveld.
Uitsnede bestemmingsplankaart Oost Gelre: het heldere geel, linksonder in het perceel, is archeologisch waardevol gebied 1.
Archeologisch onderzoek
Door adviesbureau Transect is een Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase uitgevoerd en verwoord in een adviesrapport met nummer 3092, d.d. 30-11-2020. Het onderzoeksbureau geeft in dit rapport het volgende advies:
"In het plangebied zal een woning worden gebouwd. Uit het onderzoek blijkt dat in het plangebied niet uitgesloten kan worden dat er resten uit de Nieuwe tijd aanwezig zijn. Deze resten zijn in principe vanaf 30 cm -Mv te verwachten. Daarom wordt aanbevolen wanneer in het plangebied werkzaamheden gepland worden, die groter zijn dan 100 m2 en dieper reiken dan 30 cm -Mv (conform gemeentelijk beleid), een vervolgonderzoek uit te laten voeren. Dit onderzoek zou plaats kunnen vinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek voorafgaand aan de bouw van de woning, eventueel met een doorstart naar een documentatie van de gehele bouwput. Voor een dergelijk onderzoek is een Programma van Eisen (PVE) nodig, waarin de wijze van uitvoering en documentatie worden vastgelegd. Dit PVE moet op voorhand van het onderzoek zijn beoordeeld en goedgekeurd door de bevoegde overheid (de gemeente Oost-Gelre).
De noodzaak van een gravend (vervolg)onderzoek wordt mede bepaald door de aard en diepte van de geplande ingrepen in relatie tot de diepteligging van de archeologische niveaus. Dit laat ruimte om eventueel aanwezige archeologische resten in te passen op een archeologievriendelijke manier. Het (beperkt) ophogen van de te bebouwen locaties behoort hier tot de mogelijkheden. Wanneer graafwerkzaamheden op deze wijze niet beneden 30 cm ten opzichte van het huidige maaiveld reiken, zijn aanvullende maatregelen niet noodzakelijk. Wel geldt dat op het moment er tijdens de graafwerkzaamheden onverhoopt toch waardevolle archeologische resten aan het licht komen, deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 moeten worden gemeld bij het rijk (in deze, de gemeente Oost-Gelre)."
Ophogen grond op bouwlocatie i.r.m uitgevoerd bodemonderzoek
In paragraaf 5.2 zijn de resultaten weergegeven van een uitgevoerd bodemonderzoek in het plangebied aan de Marhulzenweg (ong.) te Groenlo. De omgevingsdienst Achterhoek heeft dit bodemonderzoek beoordeeld en het volgende advies uitgebracht:
De bodem in het plangebied moet dus geschikt gemaakt worden voor wonen. Het huidige perceel is lager gelegen ten opzichte van de omliggende percelen cq. gronden wat is weergegeven op een hoogtemeterkaart van LBA, welke als bijlage is bijgevoegd. Om aansluiting met de omliggende percelen te vinden wordt het peil van het trottoir aan de Marhulzenweg aangehouden. Hiervoor dient het perceel te worden opgehoogd met grond voor minimaal 50 cm, op de meeste plaatsen zelfs met 60 tot 70 cm.
Gevolgen voor archeologie
Uit het hierboven aangegeven advies van het onderzoeksbureau Transect is aangegeven dat een gravend (vervolg)onderzoek niet noodzakelijk is wanneer graafwerkzaamheden niet beneden 30 cm ten opzichte van het huidige maaiveld reiken. Nu het perceel minimaal 50 cm wordt opgehoogd zullen er geen graafwerkzaamheden beneden 30 cm onder het huidige maaiveld gaan plaatsvinden en is een aanvullend vervolgonderzoek in deze dan ook niet noodzakelijk.
Algemene Zorgplicht
Wel geldt de Algemene Zorgplicht dat, wanneer er tijdens de graafwerkzaamheden onverhoopt toch waardevolle archeologische resten aan het licht komen, deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 moeten worden gemeld bij het rijk (in deze, de gemeente Oost-Gelre).
Cultuurhistorie
Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden meegewogen bij het vaststellen van ruimtelijke ingrepen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek.
Tot de overige cultuurhistorische waarden worden gerekend:
De beoogde woningbouwlocatie aan de Marhulzenweg (ong.) te Groenlo heeft geen historischgeografische of stedenbouwkundige waarden. Architectuurhistorische waarden zijn niet aanwezig. De gemeentelijke erfgoednota is van toepassing bij de boogde ontwikkeling op dit perceel en is hierboven omschreven. Het voorliggend bestemmingsplan tast de cultuurhistorische waarden niet aan. Ook zijn binnen het plangebied geen monumenten aanwezig.
Conclusie archeologie en cultuurhistorie
Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de te verlenen omgevingsvergunning.
Wettelijk kader
Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig.
Op 1 juli 2012 zijn in Oost Gelre de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart in werking getreden. De Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart zijn bedoeld om de omgang met grond goed te regelen. Op basis van de Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is het in veel gevallen mogelijk om het hergebruik van grond als bodem zonder extra keuringen toe te staan. Grondverzet op basis van Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is mogelijk binnen de volgende gemeenten: Aalten, Bronckhorst, Berkelland, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. De Nota Bodembeheer met bodemkwaliteitskaart vormt de basis van duurzaam bodembeheer binnen de regio Achterhoek.
Situatie plangebied
In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart te worden gebracht. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Bodemonderzoeken mogen niet meer dan vijf jaar oud zijn. Indien er sprake is van bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig.
Uitgevoerd bodemonderzoek
Door milieutechniek Rouwmaat Groenlo BV is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn verwoord in een bodemonderzoeksrapport met projectnummer MT-19356 d.d. 18 november 2019. Het bodemonderzoeksrapport is als bijlage bijgevoegd.
Het onderzoeksbureau concludeert in dit rapport het volgende:
"Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:
Opmerking
Eventueel vrijkomende grond kan niet zondermeer in het grondverkeer worden opgenomen. Mocht de grond naar elders worden getransporteerd, dient te worden nagegaan in hoeverre de kwaliteit van de af te voeren grond overeenstemt met de verwerkingsmogelijkheden die voor de betreffende stort- c.q. hergebruikslocatie gelden. Deze zijn geformuleerd in het Besluit bodemkwaliteit. Aanbevolen wordt dan ook de eindverwerkingslocatie in overleg met het bevoegd gezag vast te stellen. Mocht grondwater onttrokken worden t.b.v. bemaling, dient bekeken te worden in hoeverre de grondwaterkwaliteit de lozingsnormen overschrijdt".
Beoordeling Omgevingsdienst Achterhoek
Dit verkennend bodemonderzoek is nader beoordeeld door de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA). De beoordeling is verwoord in een advies d.d. 10 december 2019 welke als bijlage is bijgevoegd.
De ODA concludeerd dat "Het bodemonderzoek voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen. De bodemkwaliteit is niet geschikt voor een gebruik als Wonen. Het uitvoeren van nader bodemonderzoek is niet nodig. Aan deze procedure moeten de volgende bodemspecifieke voorwaarden worden verbonden: De bodemsituatie geschikt maken voor de functie Wonen. Maatregelen kunnen zijn:
De bodem in het plangebied moet dus geschikt gemaakt worden voor wonen. Het huidige perceel is lager gelegen ten opzichte van de omliggende percelen cq. gronden wat is weergegeven op een hoogtemeterkaart van LBA, welke als bijlage is bijgevoegd. Om aansluiting met de omliggende percelen te vinden wordt het peil van het trottoir aan de Marhulzenweg aangehouden. Hiervoor dient het perceel te worden opgehoogd met grond voor minimaal 50 cm, op de meeste plaatsen zelfs met 60 tot 70 cm.
Nu het perceel wordt opgehoogd met minimaal 50 cm grond als leeflaag, wordt er voldaan aan het advies van de ODA en is het perceel geschikt om erop te wonen.
Conclusie bodem
Het perceel wordt met minimaal 50 cm opgehoogd met grond. Hierdoor zal het plangebied geschikt zijn voor wonen. Het aspect bodem vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Wettelijk kader
Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten.
Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.
De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk in het plangebied wordt vastgehouden in de bodem (infiltratie) en in het oppervlaktewater wordt geborgen. Vervolgens wordt, zo nodig, het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd.
Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
In de stroomgebiedsvisie (Provincie Gelderland in nauwe samenwerking met de waterschappen en de Directie Oost-Nederland van Rijkswaterstaat) staan zowel bestaand beleid als suggesties voor nieuw waterbeleid, waarbij de nadruk ligt op de ruimtelijke aspecten van dit waterbeleid.
De stroomgebiedsvisie geeft inzicht in de aard en omvang van de wateropgaven die relevant zijn. Het accent in de wateropgaven voor de Achterhoek en Liemers ligt op het voorkomen van wateroverlast en herstel c.q. bescherming ecologisch waardevolle wateren en natte landnatuur. Ter voorkoming van huidige en toekomstige wateroverlast is in en langs bestaande waterlopen naar oplossingen gezocht (verbreden, verondiepen, hermeanderen). Het beleid gaat uit van:
Situatie plangebied
Het waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel als hulpmiddel voor het opstellen van de waterparagraaf. De vragen zijn bedoeld om een beoordeling te kunnen geven van de feitelijke, fysiek-technische situatie maar ook om te kunnen beoordelen of de situatie zich verhoudt tot het waterbeleid van Rijk, provincie en waterschap. De vragen zijn zodanig opgesteld dat als een vraag met ja wordt beantwoord het waterthema relevant is. De relevante thema's worden na de watertoetstabel behandeld. Het bestemmingsplan wijzigt alleen de bestemming. Het gebruik op de percelen zal niet wijzigen. Hierdoor zijn een aantal thema's minder relevant.
| Thema | Toetsvraag | Rele- vant |
| Hoofdthema's | ||
| Veiligheid | 1. Ligt in of nabij het plangebied een primaire of regionale waterkering? | Nee |
| 2. Ligt in of nabij het plangebied een kade? | Nee | |
| Riolering en afvalwaterketen | 1. Is er toename van het afvalwater (DWA)? | Ja |
| 2. Ligt in het plangebied een persleiding van Waterschap Rijn en IJssel? | Nee | |
| 3. Ligt in of nabij het plangebied een rioolwaterzuiveringsinstallatie van het waterschap? | Nee | |
| Wateroverlast (oppervlaktewater) | 1. Is sprake van toename van verhard oppervlak? | Ja |
| 2. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? | Nee | |
| 3. Bevinden zich in of nabij het plangebied natte en laaggelegen gebieden, beekdalen en overstromingsvlaktes? | Nee | |
| Grondwateroverlast | 1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? | Nee |
| 2. Bevindt het plangebied zich in de invloedzone van de Rijn of IJssel? | Nee | |
| 3. Is in het plangebied sprake van kwel? | Nee | |
| 4. Beoogt het plan dempen van slootjes of andere wateren? | Nee | |
| Oppervlaktewaterkwaliteit | 1. Wordt vanuit het plangebied water op oppervlaktewater geloosd? | Nee |
| 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? | Nee | |
| 3. Ligt het plangebied geheel of gedeeltelijk in een strategisch actiegebied? | Nee | |
| Grondwaterkwaliteit | 1. Ligt in het plangebied een beschermingszone van een drinkwateronttrekking? | Nee |
| Volksgezondheid | 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde of verbeterde gescheiden stelsel? | Nee |
| 2. Bevinden zich of komen er functies in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? | Nee | |
| Verdroging | 1. Bevindt het plangebied zich in een hydrologisch beïnvloedingsgebied voor natte land natuur? | Nee |
| Natte natuur | 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte ecologische verbindingzone? | Nee |
| 2. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor natte landnatuur? | Nee | |
| Inrichting en beheer | 1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn van het waterschap? | Nee |
| 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? | Nee | |
| Aandachtsthema's | ||
| Recreatie | 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? | Nee |
| Cultuurhistorie | 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig? | Nee |
Tabel: Watertoetstabel met waterhuishoudkundige thema's
In bovenstaand tabel is een enkele vraag met 'ja' beantwoord. Deze wordt hieronder verder uitgewerkt.
Riolering en Afvalwaterketen
Een toename van het afvalwater heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen. Het (gemeentelijk) rioolstelsel, de gemalen (overnamepunten) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie dienen de toename te kunnen verwerken zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten. Voor onderhoud aan het persleidingenstelsel is bereikbaarheid van de leiding noodzakelijk. Tot slot mogen in de milieuzone van de RWZI geen hindergevoelige functies worden opgenomen.
Het rioolstelsel heeft voldoende capaciteit om de toename in het afvalwater van één huishouden te verwerken. Het hemelwater wordt niet aangesloten op het rioolstelsel en zal ter plaatse infiltreren/geborgen worden. Het functioneren van de riolering wordt niet nadelig beïnvloed en het milieu wordt niet zwaarder belast dan in de huidige situatie.
In de zonering van de persleiding van Waterschap Rijn en IJssel worden geen ontwikkelingen toegestaan die de bereikbaarheid van de persleiding kunnen belemmeren.
In de milieuzone van de RWZI worden geen hindergevoelige functies opgenomen die het functioneren van de installatie nu of in de toekomst kunnen belemmeren.
Wateroverlast (oppervlaktewater)
Een toename in het verharde oppervlak resulteert in een versnelde afvoer van hemelwater. Als dit hemelwater niet vertraagd wordt afgevoerd wordt het watersysteem zwaarder belast en het waterbezwaar naar benedenstroomse gebieden afgewenteld. Ook is er geen aanvulling van het grondwater. Uitgangspunt is dat (nieuwe) ontwikkelingen minimaal hydrologisch neutraal zijn of een verbetering ten opzichte van de huidige situatie.
Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt het verhard oppervlak toe. Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de trits vasthouden - bergen – afvoeren behandeld. Het beleid van de gemeente Oost Gelre is om hemelwater op eigen terrein te kunnen infiltreren, waarbij de waterberging aantoonbaar zodanig moet werken dat deze binnen 24 uur weer als waterberging beschikbaar is. Op het perceel worden infiltratievoorzieningen gerealiseerd waarbij het hemelwater ter plaatse wordt geïnfiltreerd/geborgen. De dimensioneringsberekeningen van de diverse voorzieningen worden opgenomen in een erfinrichtingsplan. Op deze wijze kan een regenbui T=10+10% (40mm) worden opgevangen in het plangebied en vertraagd worden afgevoerd. In extreme situaties zou bui T=100+10% tot aan maaiveld of op maaiveld geborgen kunnen worden zonder dat er waterschade optreedt.
Conclusie water
Het aspect water vormt geen belemmering voor de te verlenen omgevingsvergunning.
Wettelijk kader
In het kader van de Wet geluidhinder is bij de wijziging van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek vereist naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen vanwege industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai. Dit geldt alleen voor (geplande) geluidsgevoelige bestemmingen die binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein liggen.
Naast het wettelijk kader van de Wet geluidhinder moet ook een afweging gemaakt worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Industrielawaai
In de directe nabijheid van het plangebied ligt het bedrijventerrein 'Brandemate'. Het plangebied ligt in de geluidzone van dit bedrijventerrein. Door akoestisch buro Van der Boom is een beknopte akoestisch onderzoek uitgevoerd waarbij de focus is gelegd op het dichtstbijzijnde 'bedrijf' wat is gelegen op het bedrijventerrein zijnde een sportschool. De resultaten van het akoestisch onderzoek zijn opgenomen in een rapport met nummer 20-225, d.d. 3 december 2020, welke als bijlage is bijgevoegd.
In het rapport wordt het volgende geconcludeerd:
"De nieuwe woning komt buiten de richtafstand t.b.v. sportscholen te liggen. Er is dus sprake van een goed woon- en leefklimaat bij de nieuwe woning. Ook wordt de sportschool niet beperkt in haar bedrijfsvoering.
Bestaande woningen liggen dichter bij de sportschool dan de nieuwe woning zodat op deze woning (ook) aan de eisen uit het Activiteitenbesluit kan worden voldaan.
De nieuwe woning ligt wel binnen de richtafstand behorende bij een milieucategorie 3.2-bedrijf (100 m). De (akoestische) invulling daarvan zal echter beperkt worden door de eisen die gelden op de bestaande woningen, die daarbij maatgevend zullen zijn".
Verkeerslawaai
In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) bevinden zich langs wegen geluidszones. In buitenstedelijk gebied geldt voor wegen, bestaande uit vijf of meer rijstroken een zone van 600 m, voor drie of vier rijstroken een zone van 400 m en voor wegen bestaande uit één of twee rijstroken een zone van 250 m, gemeten vanuit de as van de weg. Voor wegen binnen de bebouwde kom geldt een zone van 200 m. Binnen de zone moet in het geval van een nieuwe situatie met een geluidsgevoelige bestemming onderzoek worden verricht naar de optredende geluidsbelasting. Een aantal wegen heeft geen zone, te weten:
De woning op het beoogde perceel ligt binnen de bebouwde kom van Groenlo binnen de geluidzone van het 50 km deel van de Marhulzenweg, de Parallelweg, de Industrieweg en de N18. De woning ligt op ten minste 30, 56 resp. 105 m uit de as van deze wegen. Het deel van de Marhulzenweg voor de locatie is een 30 km weg zonder geluidzone. De woning ligt op ten minste 10 uit de as van dit deel van de weg.
Nu het perceel is gelegen in de zones van enkele wegen is er door akoestisch buro Van der Boom onderzoek gedaan naar de geluidsbelasting van het wegverkeer op de beoogde woning. De resultaten hiervan zijn opgenomen in een rapport met nummer 20-225, d.d. 30 november 2020 en als bijlage bijgevoegd.
In het rapport wordt het volgende geconcludeerd:
"De geluidbelasting op de locatie bedraagt, na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh, ten hoogste 42 dB ten gevolge van wegverkeer op het 50 km deel van de Marhulzenweg, ten hoogste 48 dB ten gevolge van wegverkeer op de Parallelweg, ten hoogste 23 dB ten gevolge van wegverkeer op de Industrieweg en, na aftrek van 2 dB ex art 110-g Wgh, ten hoogste 42 dB ten gevolge van wegverkeer op de N18. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt door wegverkeer op de gezoneerde wegen niet overschreden. Er hoeft voor de woning geen hogere waarde te worden aangevraagd.
De hoogste geluidbelasting van alle wegen samen (incl. 30 km wegen) bedraagt 58 dB zonder aftrek op de noordgevel van de woning. De zuidgevel is geluidluw.
Bij het bepalen van de benodigde geluidwering conform het Bouwbesluit mag geen aftrek plaatsvinden ex. artikel 110-g Wgh. Voor de geluidbelaste gevels, met een geluidbelasting van meer dan 53 dB zonder aftrek, zijn geluidwerende voorzieningen nodig. Tabel III.7 (opgenomen in het akoestisch rapport) geeft een overzicht van de berekende invallende geluidbelasting Lden in 2030 zonder aftrek en bedraagt ten hoogste 58 dB op de geluidbelaste gevels. De benodigde karakteristieke geluidwering GA;k bedraagt 25 dB".
Beoordeling akoestische rapportages
Door de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) zijn voornoemde akoestische rapportages inzake industrielawaai en wegverkeerslawaai nader beoordeeld. Deze beoordelingen zijn opgenomen in een rapport met nummer 2021EA0132, d.d. 1 februari 2021 welke als bijlage is bijgevoegd.
De ODA adviseerd/concludeerd het volgende
"De wet geluidhinder is van toepassing voor het onderdeel wegverkeerslawaai en industrielawaai.
Railverkeerlawaai
Railverkeerlawaai is niet van toepassing op dit plangebied nu er geen spoorlijn in de directe nabijheid van het plangebied aanwezig zijn.
Bij het toetsen of sprake is van een “goede ruimtelijke ordening” is aangesloten bij het toetsingskader van de gemeente Oost Gelre uit haar “Beleidsregel Hogere geluidsgrenswaarden”. Hierin wordt tevens voor 30 km wegen beschreven onder welke voorwaarden wordt voldaan aan het criterium “goede ruimtelijke ordening”. Dat is het geval indien de ten hoogste toelaatbare waarde niet wordt overschreden. De geluidbelasting op de woning bedraagt ten hoogste 58 dB zonder aftrek, dat is 53 dB na aftrek van 5 dB ex art 110g Wgh. De ten hoogste toelaatbare waarde bedraagt 63 dB na aftrek van 5 dB voor woningen binnen de bebouwde kom. Voor het aspect geluid is derhalve sprake van een “goede ruimtelijke ordening”.
Uit de uitgevoerde akoestische onderzoeken kan worden geconcludeerd dat door de nieuwe ontwikkeling op het perceel aan de Marhulzenweg geen bedrijven op het bedrijventerrein en aan de Marhulzenweg in hun toekomstige ontwikkelingen worden beperkt, mede omdat er al woningen van derden dichter bij deze bedrijven zijn gelegen. Daarnaast is sprake van een goed woon- en leefklimaat in de nieuw te realiseren woning.
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Wettelijk kader
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De Nederlandse wetgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer (“Wet luchtkwaliteit”). In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan de grenswaarden (normen) voor verschillende luchtvervuilende stoffen. In de praktijk is alleen bij stikstofdioxide en fijn stof mogelijk sprake van normoverschrijding, zodat de beoordeling tot deze stoffen beperkt blijft. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende besluiten en regelingen met daarin het centraal staande begrip 'niet in betekenende mate''':
Situatie plangebied
Door de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) is advies uitgebracht inzake de Luchtkwaliteit. Deze is opgenomen in een rapport met nummer 2020EA1634, d.d. 20 augustus 2020 welke als bijlage is bijgevoegd.
De ODA concludeert het volgende:
"De beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Er is geen sprake van een gevoelige bestemming. Er is geen sprake van feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarden. Er is daarom geen aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit nodig. Het onderwerp luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling".
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Wettelijk kader
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wnb. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort.
Gebiedsbescherming
Voor onderhavig plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening.
Van beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voormalig EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN.
De provincie Gelderland streeft naar het veiligstellen van de verscheidenheid (biodiversiteit) en kwaliteit van de Gelderse natuur. Hiertoe zet de provincie in op de realisatie van een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden. Dit wil de provincie bereiken door de bestaande natuur in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) te beschermen en de samenhang te versterken door het uitbreiden van natuurgebieden in het GNN en het aanleggen van verbindingszones in de Groene Ontwikkelingszone (GO). Dit vindt plaats in de Omgevingsverordening Gelderland. De GNN en GO kent formeel geen externe werking.
Soortenbescherming
Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen:
Situatie plangebied
Door Natuurbank Overijssel is een onderzoek uitgevoerd naar de Natuurwaarden op het perceel. De resultaten zijn verwoord in een onderzoeksrapport met nummer 2987, versie 1.0, d.d. 11 november 2020 welke als bijlage is bijgevoegd.
In het onderzoeksrapport wordt het volgende geconcludeerd:
"De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘opzettelijk beschadigen en vernielen van de rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Beschermde soorten mogen niet opzettelijk gedood worden. Voor beschermde soorten waarvoor die vrijstelling niet geldt, is een ontheffing vereist om ze te mogen doden en om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.
Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone geen externe werking kent. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, kan op basis van voorliggende studie uitgesloten worden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden.
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Mogelijk benutten vleermuizen, amfibieën, vogels en grondgebonden zoogdiersoorten het plangebied als foerageergebied, bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een vaste rust en voortplantingsplaats, bezetten sommige amfibieënsoorten er een vaste rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten er geen vaste rust- of voortplantingsplaats.
Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten.
Voor de beschermde grondbonden zoogdieren en amfibieën, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties'. Beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling.
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van een deel van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën en vogels niet aangetast".
Conclusie
Het aspect natuurwaarden vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Kader
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan wij het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
De VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is een hulpmiddel voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van ruimtelijke ontwikkelingen bij en rondom bedrijven. De in deze uitgave voor bedrijven opgenomen richtafstanden gelden ten opzichte van rustige woongebieden. De richtafstanden zijn voor drukkere gebieden (gemengd gebied) naar beneden bij te stellen. Aanvullend milieuonderzoek kan uitwijzen dat kleinere afstanden dan de richtafstanden mogelijk zijn. Verder hebben wettelijke afstanden voorrang op de richtafstanden.
Situatie plangebied
Het perceel aan de Marhulzenweg is gelegen in een rustige woonwijk. Ondanks de ligging naast een bedrijventerrein is in het gebied van de beoogde woningbouwlocatie zelf geen sprake van een matige tot sterke functievermenging. Dit betekent dat de richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-uitgave als uitgangspunt gelden voor deze beoordeling.
In de omgeving van de beoogde woningbouwlocatie bevindt zich bedrijventerrein 'Brandemate'. Volgens het geldende bestemmingsplan zijn op dit bedrijventerrein bedrijven in maximaal milieucategorie 3.2 toegestaan. Dat komt overeen met een richtafstand van 100 meter. De beoogde woningbouwlocatie ligt in zijn geheel binnen deze richtafstand.
Dit geldt echter eveneens voor bestaande woningen aan de kant van het bedrijventerrein. Dat betekent dat bedrijven nu al belemmeringen ondervinden in hun mogelijkheden en dat nieuwe woningen op het perceel niet per se hoeven zorgen voor verdergaande belemmeringen dan nu het geval is. Aanvullende belemmeringen voor bedrijven door nieuwe woningen op de hoek van de Marhulzenweg/Parallelweg zijn desondanks niet geheel uit te sluiten. Bedrijven in de directe omgeving kunnen hierdoor worden beperkt in hun milieugebruiksruimte. Andersom is het de vraag of ter plaatse van de nieuwe woning(en) sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Het is daarom noodzakelijk om verder in te zoomen op de op het bedrijventerrein feitelijk gevestigde, legaal aanwezige bedrijven. Zie daarvoor onderstaande tabel (waarin ook het niet op het bedrijventerrein gelegen bedrijf op de locatie Marhulzenweg 29 is meegenomen). De tabel toont per bedrijf de richtafstand per onderdeel (geur, stof, geluid en gevaar) en de bijbehorende milieucategorie. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bedrijfsbestemming en de gevel van de woning. De werkelijke afstand in onderstaande tabel is gemeten tot aan de meest nabijgelegen gevel van de omliggende woningen.
Zoals valt op te maken uit de tabel voldoet de woningbouwplanlocatie alleen voor de sportschool (fitnesscentrum) op de locatie Marhulzenweg 37 en de drukkerij op de locatie Marhulzenweg 29 niet aan de voor die bedrijven geldende richtafstanden. Geluid is hierbij in beide gevallen het voor de richtafstand maatgevende onderdeel. Voor de andere onderdelen (geur, stof en gevaar) wordt wel voldaan aan de richtafstanden.
Voor het onderdeel 'geluid' wordt verwezen naar paragraaf 4.6.
Conclusie
De beoogde ontwikkeling vindt plaats binnen de richtafstanden van een fitnesscentrum en drukkerij. Het onderdeel geluid is daarbij maatgevend. De bedrijven worden echter niet belemmerd door de ontwikkeling en het woon- en leefklimaat op de woningbouwlocatie is hierbij niet in het geding.
Wettelijk kader
Bij externe veiligheid gaat het onder meer om productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door voldoende afstand aan te houden tussen deze activiteiten en 'gevoelige objecten' wordt voldaan aan de wettelijke normen.
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 27 oktober 2004 en de hierin opgenomen Regeling externe veiligheid inrichtingen, geeft aan welke activiteiten/bedrijven risicocontouren kennen, waarmee rekening dient te worden gehouden bij het verlenen van vergunningen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
Het Bevi heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in bedrijven tot het aanvaarde maximum te beperken. Het gaat daarbij om het beperken van de kans op en effect van een ernstig ongeval vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen. Op vergelijkbare wijze zijn de aanvaardbare risico's, verbonden aan transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en het transport door buisleidingen, vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de daarbij behorende regelingen. Het doel wordt in Bevi, Bevt en Bevb vertaald naar de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico:
In Bevi, Bevt en Bevb zijn de risiconormen (plaatsgebonden risicoafstanden) wettelijk vastgelegd. Binnen deze afstanden mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht. Beperkt kwetsbare objecten mogen alleen onder zwaarwegende motieven binnen deze risicoafstanden. Er is in Bevi, Bevt en Bevb geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Derhalve is de risicokaart geraadpleegd.
Gemeentelijk externe veiligheidsbeleid
De gemeente Oost Gelre heeft in 2008 een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld.
Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten.
Situatie plangebied
Externe veiligheid beschrijft risico's met een externe werking, die ontstaan door het transport van, de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen.
Er is getoetst aan de volgende wet- en regelgeving:
Met behulp van de signaleringskaart externe veiligheid is gekeken naar de risico's in de omgeving van het planinitiatief.
Zoals in figuur 1 is te zien ligt een gedeelte van de locatie buiten de 200 meter zone van de rijksweg N18 (Twente route). Een beperkt deel ligt binnen de 200 meter zone. Als de woningbouw ook hierbinnen gaat plaatsvinden is verantwoording van het groepsrisico nodig.
De woning komt net buiten de 200 meter zone van de rijksweg te liggen waardoor verantwoording van het groepsrisicio niet nodig is.
Inrichtingen
In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen Bevi-bedrijven. Ook vanuit het Activiteitenbesluit, het Vuurwerkbesluit, het Besluit ruimte en de Circulaire ontplofbare stoffen voor civiel gebruik krijgt deze locatie niet te maken met veiligheidsafstanden.
Buisleidingen
In de directe omgeving van de locatie bevindt zich geen hogedruk aardgastransportleiding.
Besluit en Regeling externe veiligheid transportrisico's
In de directe omgeving van de planlocatie is het aantal transporten met gevaarlijke stoffen op weg (N18) zodanig gering, dat de PR-contouren van 10-6 per jaar binnen de rijbaan liggen.
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Wettelijk kader
Bij de realisatie van gevoelige bestemmingen, zoals woningen, is het van belang dat er een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd wordt. Daarom moet rekening worden gehouden met geurcontouren van bijvoorbeeld bestaande veehouderijen of industriele bedrijven. Hiervoor bieden het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) een toetsingskader.
Voor de beoordeling van geurhinder van industriële bedrijven gelden de volgende kaders:
Bij ruimtelijke besluitvorming gaat het erom voor geurhinder van industriële bedrijven aan de volgende voorwaarden te voldoen:
- het kunnen garanderen van een aanvaardbaar hinderniveau van geurhinder;
- het niet onevenredig schaden van iemands belangen.
Hiervoor is het nodig om voldoende afstand aan te houden tussen bedrijven en geurgevoelige objecten.
Situatie plangebied
In dit geval is sprake van een ontwikkeling op voldoende afstand van bedrijven die geurhinder kunnen opleveren. De ontwikkeling vindt plaats buiten de voor die bedrijven geldende richtafstanden voor geur of vanuit de vergunning/melding bekende geurcontouren. Verder onderzoek naar geurhinder van deze bedrijven is daarom niet nodig.
Conclusie
De woningbouwlocatie ligt op voldoende afstand van omliggende industriële geurbronnen. De voorgenomen ontwikkeling werkt niet belemmerend voor deze bedrijven. Ook het woon- en leefklimaat op de locatie zelf is hierbij niet in het geding. Het onderwerp geur vormt daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Verkeer
De woning in het plangebied wordt ontsloten via de Marhulzenweg. Het verkeer van en naar de woning zal opgaan in het huidige verkeer welke niet significant zal toenemen. Op het eigen terrein zijn voldoende parkeerplaatsen aanwezig voor de woonfunctie.
Parkeren
Nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre
De nota ‘Parkeernormen gemeente Oost Gelre’ is een nadere uitwerking van het parkeerbeleid zoals dat is opgenomen in het integraal verkeersprogramma.
In deze nota is een eenduidig toepassingskader vastgelegd van de parkeernormen. Tevens zijn in deze nota de toe te passen parkeernormen van de gemeente Oost Gelre vastgelegd.
Het hanteren van parkeernormen is van belang om de vraag naar en aanbod van parkeerplaatsen met elkaar in evenwicht te houden. Bij bouwplannen (nieuwbouw, verbouw, herontwikkeling etc.) kan extra parkeerbehoefte ontstaan. De hoeveelheid en de kwaliteit van de extra te realiseren parkeer-plaatsen wordt berekend aan de hand van parkeernormen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet de initiatiefnemer in principe op eigen terrein in de eigen parkeerbehoefte voorzien. Hierdoor wordt een verhoging van de parkeerdruk in de openbare ruimte voorkomen.
De basis voor deze Nota Parkeernormen is het ASVV 2012 (Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom) en publicatie 317 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' van CROW - het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte.
Op basis van het autobezit in Oost Gelre is ervoor gekozen om de gemiddelde CROW-parkeerkencijfers als uitgangspunt te hanteren. Bij de toekomstige werkwijze bij het aanvragen van een omgevingsvergunning wordt de gemiddelde norm gehanteerd voor het aantal aan te leggen parkeerplaatsen. De normen zijn opgenomen in de nota. De parkeernormen zijn opgenomen per functie, onderverdeeld naar de stedelijke zones: centrum Groenlo en Lichtenvoorde, schil rond centrum Groenlo en Lichtenvoorde, rest bebouwde kom (overige gebieden binnen de bebouwde kom van Groenlo en Lichtenvoorde evenals de kernen Zieuwent, Mariënvelde, Harreveld, Vragender en Lievelde) en buitengebied. In de normering is rekening gehouden met een aandeel van bezoekers van 0,3 parkeerplaatsen per woning. In de nota zijn ook richtlijnen gegeven voor bijvoorbeeld maatvoering van de parkeerplaatsen en de locatie van de parkeerplaatsen. Verder is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen.
Situatie plangebied
Parkeren gebeurt op het perceel zelf. Hiervoor is voldoende ruimte beschikbaar.
In het bestemmingsplan is een regeling opgenomen, waarin wordt verwezen naar de gemeentelijke Parkeernota of een rechtsopvolger daarvan. Expliciet is aangegeven dat ook een rechtsopvolger het kader kan vormen. Als de Nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre wordt aangepast, dan vormt de opvolger daarvan het nieuwe toetsingskader.
In de parkeernota is ook aangesloten op de bepalingen die waren opgenomen in de bouwverordening, maar door de recente wetswijziging zijn vervallen. Voor specifieke gevallen is een afwijkingsbevoegdheid (onder voorwaarden) opgenomen. Door het laten doorwerken van deze parkeerbepaling in alle geldende plannen is het wegvallen van de parkeerregels door de wetswijziging, hersteld.
Conclusie
Parkeerplaatsen dienen op eigen terrein te worden gerealiseerd. Dat is op het huidige perceel mogelijk.
Het project en bijbehorende procedure worden door verzoeker bekostigd. Indien het project aanleiding geeft tot vergoeding van planschade (artikel 6.1 Wro) zullen de kosten worden doorberekend aan verzoeker. Ten behoeve van het project is een anterieure overeenkomst afgesloten met verzoeker inzake planschade.
Conform artikel 6.12, eerste lid Wro moet de gemeenteraad een exploitatieplan vaststellen, tenzij conform artikel 6.12, tweede lid, onder a, het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd. Met de initiatiefnemers is een anterieure overeenkomst aangegaan waarin alle kosten conform artikel 6.2.3/6.2.4 Bro zijn opgenomen.
Voor het plan wordt de uitgebreide procedure doorlopen zoals bepaald in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit betekent dat de ontwerp omgevingsvergunning voor een periode van zes weken ter inzage wordt gelegd. Een ieder kan gedurende deze periode een zienswijze indienen. Het ontwerp heeft op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegen van 11 februari 2022 tot en met 24 maart 2022. Gedurende deze termijn zijn er zienswijzen ingekomen.
De zienswijzen zijn verwoord en beantwoord in een 'Nota Inhoud en beantwoording zienswijzen' welke als bijlage is bijgevoegd.
Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Binnen het plan zijn geen nationale en provinciale belangen in het geding. Vooroverleg met de Vrom-inspectie en de provincie Gelderland is dan ook geen verplichting. Daarnaast zijn er geen wateraspecten in het geding waardoor er vooroverleg moet worden gevoerd met het Waterschap Rijn en IJssel.
In de ontwerpfase zijn de diensten van provincie en het Waterschap door middel van een kennisgeving op de hoogte gebracht van de ontwerp omgevingsvergunning. Gedurende de inzage termijn zijn er geen zienswijzen en/of op- en/of aanmerkingen ingekomen van deze diensten.