| Plan: | Papendijk 1 Groenlo |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1586.BPGRO503-VG05 |
| Papendijk 1 Groenlo |
| vaststelling |
| oktober 2014 |
| Inlichtingen: |
| Afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling en Beheer |
| Bernadet Leusink |
| Telefoonnummer (0544) 39 34 81 |
De heer en mevr. G. Sprenkeler, Ruurloseweg 7, Groenlo hebben verzocht om het bestemmingsplan te herzien voor de bouw van een woning aan de Papendijk 1 te Groenlo, op het perceel ten noorden van de woning Papendijk 1a. De aanvrager heeft in 1996 op die plek een woningbouwkavel aangekocht van de toenmalige eigenaar. Deze woningbouwmogelijkheid is niet teruggekomen in het onlangs in werking getreden bestemmingsplan Woonwijken Groenlo.
Het plangebied betreft het perceel kadastraal bekend gemeente Groenlo, sectie B, nummer 5827, plaatselijk bekend Papendijk 1. De locatie is hieronder afgebeeld.
De betrokken locatie ligt in een woonbuurt en heeft nu de uitstraling van een tuin bij een aangrenzende woning. De gronden zijn in het huidige bestemmingsplan Woonwijken Groenlo al grotendeels bestemd voor wonen. Er kunnen bij de woning behorende bouwwerken worden gerealiseerd. Een hoofdgebouw (woning) kan echter alleen binnen een bouwvlak worden gebouwd. Op het perceel is nu geen bouwvlak aangegeven.
Hieronder is de huidige bestemming geprojecteerd in de GBKN.
Voor het gebied geldt een aantal juridische en beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de relevante kaders samengevat. Ook wordt ingegaan op de voor dit bestemmingsplan relevante onderzoeksresultaten.
Gedeputeerde Staten van Gelderland hebben op 29 juni 2005 het Streekplan Gelderland 2005 vastgesteld. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) per 1 juli 2008 heeft het Streekplan Gelderland 2005 de status van structuurvisie gekregen. In het provinciaal beleid voor stedelijke ontwikkeling wordt onderscheid gemaakt tussen 'bestaand bebouwd gebied' en 'stedelijke uitbreiding'. Het accent van de provinciale beleidsambities ligt op de vernieuwing en het beheer en onderhoud van bestaand bebouwd gebied. Het plangebied maakt deel uit van bestaand stedelijk gebied. Het onderhavig bestemmingsplan is hiermee passend binnen het streekplan van Gelderland.
Op 15 december 2010 is de Ruimtelijke Verordening Gelderland vastgesteld door provinciale staten. Voor het onderhavig plangebied zijn de voorschriften over de algemene verstedelijking in bestaand stedelijk gebied van toepassing. De provincie geeft aan dat verstedelijking bij voorkeur binnen bestaand bebouwd gebied plaatsvindt. Het onderhavige bestemmingsplan heeft betrekking op de juridischplanologische regeling van een woning in bestaand bebouwd gebied (in de kern van Groenlo). Hiermee is het onderhavig plan niet in strijd met de Ruimtelijke Verordening Gelderland.
Het gemeentelijke woningbouwbeleid voor de periode 2007-2014 is neergelegd in de "Woonvisie Oost-Gelre" (september 2008). De betrokken locatie wordt niet genoemd in de visie. Dit is logisch omdat het perceel tot voor kort een woonbestemming had met de mogelijkheid om een woning op te richten en die mogelijkheid er niet bewust van af is gehaald. Verzoeker heeft in 1996 de woningbouwkavel op de Papendijk 1 gekocht. Deze woningbouwmogelijkheid is niet teruggekomen in het onlangs in werking getreden bestemmingsplan Woonwijken Groenlo. Bij de actualisering van de bestemmingsplannen werkt de gemeente in principe conserverend, dus een bestemming overeenkomstig de bestaande, legale situatie. Het betrokken perceel ziet er van de weg uit als een tuin bij een woning en heeft geen bouwvlak gekregen. De bouwlocatie is niet bewust komen te vervallen. De actualisering van het bestemmingsplan was er niet op gericht om alle latent aanwezige woningbouwlocaties te schrappen. Had verzoeker gereageerd binnen de procedure van bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, was de bouwmogelijkheid naar alle waarschijnlijkheid gehandhaafd. Deze is er namelijk eerder via een partiële herziening expliciet opgelegd, te weten in bestemmingsplan Papendijk, partiële herziening Ruurloseweg. Dat plan bood de basis voor de bouw van 3 woningen aan de hoek Ruurloseweg-Papendijk. Hiervan is er 1 nog niet gerealiseerd. Daarop heeft dit verzoek nu betrekking. De locatie ligt in een woonbuurt.
Om bovenstaande redenen wordt via dit bestemmingsplan opnieuw de bouw van een vrijstaande woning op de betrokken kavel mogelijk gemaakt.
Op 16 december 2008 heeft de gemeenteraad de Cultuurhistorische gebiedsbeschrijving vastgesteld. Naast een beschrijvende nota maakt hier ook een waarderende nota onderdeel van uit. Deze nota heeft de titel ’Tussen kunst en kitsch’. Naast de beschrijving dient deze waarderende nota als inspiratiebron om gebieden te beschermen dan wel te ontwikkelen. Voor het huidige plangebied worden geen bijzonderheden vermeld.
De Monumentenwet 1988 bevat de implementatie in de Nederlandse wetgeving van het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed. De Monumentenwet 1988 verplicht gemeenten om bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen gronden, rekening te houden met de in de bodem aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden.
Archeologische waarden zijn in Nederland veelal onzichtbaar, omdat ze grotendeels verborgen liggen in de bodem, waardoor ze niet eenvoudig te karteren zijn. Voor de onbekende waarden heeft Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) opgesteld. Voor de bekende waarden is de Archeologische Monumentenkaart (AMK) opgesteld. Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden.
De gemeente Oost Gelre heeft een archeologische beleidsadvieskaart. Op deze kaart is aangegeven welke gebieden archeologisch waardevol zijn en welke gebieden de verwachting hebben archeologisch waardevol te zijn. Het beleid dient direct door te werken in het bestemmingsplan. Bescherming (behoud/ conservering) van gebieden met archeologische (verwachtings)waarden is uitgangspunt bij de zorg voor het archeologische erfgoed in het plangebied.
Om de archeologische waarden ook voor de toekomst veilig te stellen is voor het plangebied een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische Verwachtingswaarde 2’ opgenomen. Dit betekent dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning onderdeel bouwen voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 100 m2 een rapport op basis van inventariserend archeologisch onderzoek moet worden overgelegd, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld. Op basis daarvan kunnen voorwaarden aan de omgevingsvergunning worden verbonden.
Aanvrager heeft dit onderzoek reeds laten verrichten (bijlage bij deze toelichting). Archeodienst BV adviseert om, wanneer op het perceel aan de Papendijk graafwerkzaamheden zijn gepland die een groter oppervlak beslaan dan 100 m2 en dieper dan 30 cm (ondergrenzen conform gemeentelijk beleid) een karterend booronderzoek te laten uitvoeren met 5 boringen. De resultaten van dit onderzoek zullen vervolgens worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Oost Gelre), die vervolgens besluit of er aanvullende voorwaarden aan de omgevingsvergunning verbonden moeten worden. Indien bij graafwerkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen dienen deze conform de Monumentenwet 1988, artikel 53, bij de minister gemeld te worden. Ook verdient het de aanbeveling de gemeente hierover in te lichten.
Op basis van de Woningwet en het Bouwbesluit mag niet worden gebouwd op verontreinigde grond. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning moet vaak een bodemonderzoek worden geleverd. Dit is een verplichting uit de Woningwet om de gezondheid en veiligheid te garanderen van mensen die wonen, werken of verblijven in het gebouw waarvoor vergunning wordt aangevraagd.
Door Rouwmaat is een verkennend bodemonderzoek verricht (zie bijlage).
De gemeten gehalten in de grond en het grondwater zijn getoetst aan de normen van de Wet bodembescherming (Circulaire bodemsanering) en het Besluit bodemkwaliteit (Regeling bodemkwaliteit). In de grond zijn licht verhoogde gehalten gemeten aan Cadmium, Koper, Lood, Zink en Pak. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte gemeten aan Barium en Zink. Er is geen noodzaak tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek.
Behoudens voor het gehalte aan Zink, voldoen de gehalten in de bodem aan de (toekomstige) gebruiksfunctie Wonen. Het gehalte voor Zink voldoet niet aan de gebruiksfunctie Wonen. Bij normaal gebruik als wonen met tuin gelden er echter geen gebruiksbeperkingen. De bodem op de onderzochte locatie is - vanuit milieuhygiënisch opzicht – dan ook geschikt voor het beoogde gebruik. De overgelegde rapportage verklaart dat bij het vooronderzoek geen gegevens naar voren zijn gekomen die kunnen duiden op de aanwezigheid van asbest in de bodem. Asbest is in het onderzoek verder niet beschouwd.
Er is geen reden om aan te nemen dat deze conclusie niet juist is, echter in de rapportage ontbreken de afwegingen van de criteria voor de verdenking op asbest, zoals beschreven in de NEN 5725 (historisch onderzoek en locatiebezoek). Wanneer ten behoeve van de bouw grond of bouwstoffen worden ontgraven is het niet zondermeer toegestaan om deze elders weer toe te passen. Voor de toepassing van grond en bouwstoffen op een andere locatie, gelden de regels uit het Besluit bodemkwaliteit (Bbk).
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond of bouwstoffen vrijkomen, kan deze niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop van toepassing.
Sinds 1 april 2002 is de Flora- en faunawet in werking getreden. Het soortenbeleid uit de Vogelrichtlijn van 1979 en de Habitatrichtlijn van 1992 van de Europese Unie is hiermee in de nationale wetgeving verwerkt. Volgens de Flora- en faunawet is het verboden om beschermde planten te verwijderen of te beschadigen, beschermde dieren te doden, te verwonden, te vangen of opzettelijk te verontrusten en voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen te beschadigen. Voor de uitvoering van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet worden onderzocht welke natuurwaarden aanwezig zijn en of verbodsbepalingen uit de Flora- en faunawet zullen worden overtreden.
Uit de quick scan natuurtoets die door Stichting Staring Advies is opgesteld (zie bijlage) is geconcludeerd dat voor de diergroep Broedvogels de werkzaamheden buiten het broedseizoen (van 15 maart tot 15 juli) moeten plaatsvinden. Hiervoor is geen ontheffing mogelijk. Voor het overige is er geen aanleiding tot nader onderzoek of een ontheffing.
Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico's die voortvloeien uit de opslag, productie, het gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico’s binnen de gemeente. Het gaat dan om risico’s als gevolg van de opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten. Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico's die voortvloeien uit de opslag, productie, het gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen.
Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Dit besluit richt zich primair op inrichtingen als bedoeld in de Wet milieubeheer. Deze inrichtingen brengen risico's met zich mee voor de in de omgeving gelegen risicogevoelige objecten. Op 13-02-2009 is het gewijzigde Bevi in werking getreden. Deze wijzigingen betreffen een uitbreiding van de lijst met (beperkt) kwetsbare objecten en risicovolle inrichtingen. Ook is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening in het Bevi doorgevoerd.
De dichtstbijgelegen inrichting met gevaarlijke stoffen is het LPG-tankstation aan de Borculoseweg. Dit bedrijf ligt op dusdanig ruime afstand van het plangebied dat het uitvoeren van nader onderzoek niet nodig is.
Zoals bij inrichtingen het Bevi voorwaarden stelt aan de omgang met externe veiligheid, zo zijn bij vervoer van gevaarlijke stoffen deze voorwaarden opgenomen in de circulaire ‘Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen’. Een relevante route in dit verband is de N18. De afstand is dusdanig groot dat geen nader onderzoek nodig is.
Op 1-1-2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden met de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Dit besluit omvat de nieuwe regelgeving op het gebied van buisleidingen, waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
De ten zuiden en noorden van de woonwijken Groenlo gelegen buisleidingen liggen op dusdanig ruime afstand dat deze geen belemmering vormen voor de bouw van de woning.
De luchtkwaliteit is afhankelijk van de mate van verontreiniging door diverse luchtverontreinigende stoffen waarbij de voornaamste bronnen van luchtverontreiniging het wegverkeer, industriële bedrijven en de landbouw zijn. Vanuit Europese richtlijnen wordt aangegeven welke luchtkwaliteitsnormen voor deze stoffen gelden. In Nederland zijn deze richtlijnen sinds 15 november 2007 geïmplementeerd in de Wet milieubeheer middels een wetswijziging van hoofdstuk 5 (milieukwaliteitseisen) titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, beter bekend als de Wet luchtkwaliteit.
Het 'Besluit niet in betekenende mate' (NIBM), legt vast wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Dat is het geval wanneer aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO²) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zovel PM10 als NO².
De systematiek voor het bepalen of een project NIBM is, is voor het grootste gedeelte geregeld in de regeling niet betekende mate (luchtkwaliteitseisen). Deze ministeriële regeling, verder aan de te duiden als regeling NIBM, geeft voor een aantal categorieën van projecten een -getalsmatige- invulling aan de NIBM-grens. Het gaat onder meer om woningbouw- en kantoorprojecten en enkele soorten van inrichtingen (bijv. emplacementen, kassen en andere landbouwinrichtingen). Als een project binnen de -getalsmatige- begrenzing van de Regeling NIBM valt, dan is geen verdere toetsing aan de 3% grens en de grenswaarde nodig en kan het project doorgaan zonder dat extra maatregelen behoeven te worden genomen.
Voor woningbouw is het huidige 3% criterium 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Het aantal van 1 woning in het plangebied is beduidend minder dan het hierboven vermelde criterium. Dit maakt het aannemelijk dat de woning niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen in de Wet luchtkwaliteit.
De slotconclusie in dit geval kan niet anders zijn dan dat de bouwmogelijkheid voor 1 woning niet leidt tot een ontoelaatbare luchtverontreiniging.
Langs alle wegen bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder geluidszones, behalve bij woonerven en 30 km/uur-gebieden. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. De breedte van een geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (binnen- of buitenstedelijk). De beoogde woning ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Ruurloseweg en de Deken Hooijmansingel. Op de Papendijk geldt een snelheidsregime van 30 km/uur zodat formeel de geluidbelasting op de gevel niet hoeft te worden bepaald. Ondanks het feit dat er formeel geen zone aanwezig is, is voor een goede ruimtelijke beoordeling toch een indicatieve berekening uitgevoerd.
Voor de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige functies binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde. Voor (nieuwe) geluidsgevoelige bestemmingen bedraagt deze 48 dB. De voorkeursgrenswaarde mag in principe niet worden overschreden. Indien blijkt dat deze voorkeursgrenswaarde wel wordt overschreden, zijn maatregelen noodzakelijk, gericht op het verminderen van de geluidsbelasting op de gevel. Onderscheid wordt gemaakt in maatregelen aan de bron (bijvoorbeeld geluidsreducerend asfalt) en maatregelen in het overdrachtsgebied (bijvoorbeeld geluidsschermen).
Zijn deze maatregelen onvoldoende doeltreffend, dan wel ontmoeten deze maatregelen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard, dan kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek tot vaststelling van hogere waarden worden ingediend bij het college van burgemeester en wethouders. Deze hogere grenswaarde mag, afhankelijk van de situatie, een bepaalde waarde niet te boven gaan (uiterste grenswaarde). Indien de uiterste grenswaarde wordt overschreden en maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting aan de bron of in het overdrachtsgebied niet mogelijk of doeltreffend zijn, dienen maatregelen aan de zijde van de geluidsontvanger te worden genomen, zoals het toepassen van een dove gevel. Daarnaast dient altijd de wettelijke binnenwaarde te worden gegarandeerd. Het kan daarvoor noodzakelijk zijn dat geluidsisolerende gevelmaatregelen worden genomen. In het kader van de ruimtelijke procedures komen echter alleen de maatregelen aan de bron of in het overdrachtsgebied aan de orde.
Uit de indicatieve berekening blijkt dat de geluidsbelasting op de gevel ten gevolge van het wegverkeerslawaai van de Ruurloseweg en Deken Hooijmansingel maximaal 47 dB (na aftrek van 5 dB) bedraagt. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden en is derhalve sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Uit de indicatieve berekening blijkt dat de geluidbelasting op de voorgevel ten gevolge van het wegverkeerslawaai van de Papendijk (na aftrek van 5 dB) 49 dB bedraagt en daarmee is gelegen boven de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
Zoals gesteld geldt er voor de Papendijk formeel geen zone. Het is gewenst om zodanige bouwkundige voorzieningen te treffen dat aan de binnenwaarde overeenkomstig het Bouwbesluit wordt voldaan.
Het waterbeleid van rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. In het Waterbeheerplan 2010-2015 van Waterschap Rijn en IJssel staat het beleid beschreven op een drietal hoofdthema's. Voor het thema Veiligheid is bescherming tegen hoog water op de rivieren het speerpunt. Het functioneren van de primaire en regionale waterkeringen staat hierbij centraal. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft Waterschap Rijn en IJssel naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.
| Thema | Toetsvraag | Relevant |
| HOOFDTHEMA'S | ||
| Veiligheid |
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering (primaire waterkering, regionale waterkering of kade)? 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? |
Nee Nee |
| Riolering en Afvalwaterketen | 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap? |
Nee Nee Nee |
| Wateroverlast (oppervlaktewater) |
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500 m2? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen en overstromingsvlaktes? |
Nee
Nee Nee Nee |
| Oppervlaktewater-kwaliteit | 1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? |
Nee |
| Grondwater- overlast |
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? |
Nee Nee Nee |
| Grondwater- kwaliteit |
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? |
Nee |
| Inrichting en beheer |
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? |
Nee Nee |
| Volksgezondheid | 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functie, in of nabij het plangebied die milieuhygienische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? |
Nee Nee |
| Natte natuur | 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? |
Nee Nee Nee Nee |
| Verdroging | 1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? | Nee |
| Recreatie | 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? | Nee |
| Cultuurhistorie | 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig? | Nee |
In bovenstaande tabel zijn geen relevante thema's met ja beantwoord. Een nadere toelichting op genoemde thema's is dan ook niet nodig.
Hieronder wordt ingegaan op de verbeelding en wat de regels betreft wordt ingezoomd op de beschrijving van de bestemmingen in het plangebied.
Op de verbeelding worden de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. De bestemming is een beschrijving van de functies waarvoor de grond mag worden gebruikt. Op de verbeelding worden tevens aanduidingen opgenomen met het oog op het aanwijzen van gebieden waarop een specifieke regeling binnen de regels van toepassing is. Deze aanduidingen krijgen in de regels een juridische betekenis.
Voor en gedeeltelijk aan de zijkant van de woning, is de bestemming tuin opgenomen. Hier is bouwen niet toegestaan, met uitzondering van erkers en bouwwerken geen gebouwen zijnde, zoals erfafscheidingen.
Op de kaart is binnen deze bestemming een bouwvlak aangegeven waarbinnen het hoofdgebouw dient te worden gesitueerd. Daarbij is aangegeven dat sprake moet blijven van een vrijstaande woning door middel van een aanduiding. De maximale goot- en bouwhoogten zijn aangegeven op de verbeelding.
De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken binnen de bestemming bedraagt maximaal 70 m², met een maximum van 50% van het bouwperceel. De aangebouwde bijbehorende bouwwerken mogen aan de achterzijde van vrijstaande woningen maximaal 4 m bedragen.
Een strook van minimaal 6 m, gerekend van de achtergevel tot de achterste erfgrens, dient vrij te blijven van aangebouwde bijbehorende bouwerken;
Beroepsuitoefening en bedrijf aan huis, voor zover die geen onevenredige belasting voor het woon- en leefklimaat opleveren, wordt in de regels mogelijk gemaakt. Beroep aan huis is bij recht toegestaan. Een bedrijf aan huis wordt middels een afwijking mogelijk gemaakt. Maximaal 40% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en 100% van de vloeroppervlakte van de bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt voor een beroep aan huis, met een gezamenlijk maximum van 50 m². De activiteit mag niet leiden tot belemmeringen voor de omliggende functies en geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer. Ten behoeve van de activiteit wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Voor bedrijf aan huis gelden dezelfde voorwaarden bij afwijking, waarbij geldt dat maximaal 30% van de nettovloeroppervlakte van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken tot een maximum van 50 m2 voor het bedrijf aan huis mag worden gebruikt. Onder de uitoefening een aan huis verbonden bedrijf wordt verstaan een bedrijf dat is opgenomen in categorie 1 van de bij dit plan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten.
Ten behoeve van mantelzorg is een regeling (bij afwijking) opgenomen. Deze regeling is bedoeld voor mantelzorg in geval van medische, psychische en/of sociale omstandigheden, in welk kader een indicatie voor mantelzorg aanwezig is, met een tijdelijk karakter.
Deze bestemming betreft de te beschermen archeologische waarden, zoals op de verbeelding aangegeven. Dit is gebaseerd op de gemeentelijke archeologische beleidskaart.
Onder voorwaarden zijn bodemingrepen toegestaan.
Het bestemmingsplan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Met verzoekers is een zogenaamde anterieure overeenkomst gesloten. Hiermee is kostenverhaal anderszins verzekerd en de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd. Hierdoor is geen exploitatieplan nodig als bedoeld in artikel 6.12 Wro.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegen
Er zijn geen zienswijzen ingediend.
Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Ter voldoening hieraan is het (voor) ontwerpbestemmingsplan toegestuurd aan het Waterschap Rijn en IJssel. Het waterschap heeft laten weten geen op- of aanmerkingen op het voorontwerp en de hierin opgenomen waterparagraaf te hebben.