direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied herziening Meddoseweg (ong.)
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1586.BPBUI2052-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op het evenemententerrein 't Strootman aan de Meddoseweg ongenummerd in Groenlo (hierna: plangebied). Op het evenemententerrein vinden diverse activiteiten plaats, zoals een meifeest, dansavond, kinderspelen, volleybaltoernooi en de kermis.

Het voornemen is om het evenemententerrein te vergroten op de agrarische gronden ten zuiden van het huidige terrein. Deze vergroting is gewenst in verband met ruimtegebrek bij bepaalde evenementen en de wens voor een ruimere opzet van het terrein. Hierbij wordt op het terrein een gebouw van maximaal 300 m2 ten behoeve van opslag en sanitaire voorzieningen gerealiseerd. Daarnaast wordt de aanwezige schuilhut (circa 20 m2) binnen het plangebied in beperkte mate verplaatst.

Ten zuiden van het huidige evenemententerrein is momenteel een kavelsloot aanwezig (Reijerinksgoot). De kavelsloot zal worden gedempt en verlegd langs de beoogde uitbreiding, waar de kavelsloot in het zuidwesten wordt aangesloten op de bestaande kavelsloot, die loopt tot aan de Groenlosche Slinge. Ten zuidwesten van het evenemententerrein is ruimte voor natuurontwikkeling en het realiseren van een overstromingsvlakte voor piekafvoer van de Reijerinksgoot.

Verder wordt tussen het toekomstige evenemententerrein en de te verleggen kavelsloot een fietspad aangelegd, waarmee een fietsverbinding wordt gerealiseerd tussen de Meddoseweg en Oude Winterswijkseweg.

De beoogde vergroting van het evenemententerrein is op basis van het geldend "Bestemmingsplan Buitengebied Gelre 2011" niet toegestaan. Dit omdat de betreffende gronden zijn voorzien van een agrarische bestemming en binnen deze bestemming het gebruik van gronden ten behoeve van een evenemententerrein niet is toegestaan.

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een adequaat juridisch-planologisch kader voor de voorgenomen ontwikkeling. Hierbij zal worden aangetoond dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met 'een goede ruimtelijke ordening'.

Opgemerkt wordt dat het verleggen van de kavelsloot/watergang, het aanleggen van het fietspad en het realiseren van natuurontwikkeling op basis van het geldend "Bestemmingsplan Buitengebied Gelre 2011" reeds is toegestaan. Hier is uitsluitend sprake van een bestemmingswijziging omdat het gewenst is de gebruiksmogelijkheden te beperken in die zin dat agrarische activiteiten niet (meer) zijn toegestaan. Gelet op het vorenstaande wordt in deze toelichting uitsluitend daar waar relevant ingegaan op het verleggen van de kavelsloot, het aanleggen van het fietspad en de beoogde natuurontwikkeling.

1.2 Ligging en begrenzing

Het plangebied bevindt zich tussen de Meddoseweg, Oude Winterswijkseweg en de Groenlose Slinge. Het evenemententerrein ligt ten zuiden van het dorp Zwolle (Gld).

In afbeelding 1.1 is het plangebied weergegeven. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2052-VG01_0001.png"  
Afbeelding 1.1 Ligging van het plangebied (Bron: plattekaart.nl)  

1.3 De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan “Buitengebied herziening Meddoseweg (ong.)” bestaat uit de volgende stukken:

  • verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.1586.BPBUI2052-VG01) en een renvooi;
  • regels.

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld met een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten, maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

1.4 Geldend bestemmingsplan

1.4.1 Algemeen

Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het "Bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011". Dit bestemmingsplan is op 16 december 2012 door de raad van de gemeente Oost Gelre vastgesteld. Tevens geldt voor het plangebied het "Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre", "Buitengebied, Reparatieplan 2016", "Facetbestemmingsplan Parkeren" en het "Parapluplan Archeologie".

Voor het beschrijven van de huidige planologische situatie zijn het "Bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011" en het "Parapluplan Archeologie" het meest relevant. Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is tevens rekening gehouden met de overige geldende bestemmingsplannen.

De gronden in het plangebied zijn voorzien van enkelbestemmingen 'Recreatie - Dagrecreatie' en 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden'. Verder zijn de gronden op basis van het "Parapluplan Archeologie" voorzien van de volgende dubbelbestemmingen:

  • Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 1;
  • Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 2;
  • Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 3;
  • Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 4;
  • Waarde - Archeologisch rijksmonument;
  • Waarde - Archeologisch waardevol gebied 2.

Tot slot zijn op basis van het bestemmingsplan "Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre" de volgende gebiedsaanduiidngen van toepassing:

  • overige zone - gelders natuurnetwerk;
  • overige zone - groene ontwikkelingszone;
  • overige zone - natte natuur.

In paragraaf 1.4.2 wordt nader ingegaan op de geldende (dubbel)bestemmingen en aanduiding.

In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingplan "Bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011" opgenomen. Het plangebied is indicatief weergegeven met de rode omlijning.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2052-VG01_0002.png"  
Afbeelding 1.2 Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan “Bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011” (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)  
1.4.2 Bestemmingsomschrijving

Recreatie - Dagrecreatie

De voor 'Recreatie - Dagrecreatie' aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor dagrecreatieve voorzieningen. Ter plaatse van het plangebied gaat het daarbij tevens om een speelterrein, picknickterrein en feestterrein, met dien verstande dat niet meer dan vier activiteiten per jaar mogen worden georganiseerd.

Tevens bij bijbehorende tuinen, erven, groenvoorzieningen, ontsluitingswegen en parkeervoorzieningen toegestaan. Bedrijfswoningen zijn niet toegestaan.

Wat betreft de toegestane bebouwing is uitsluitend de bestaande bebouwing toegestaan.

Agrarisch met waarden - Landschapswaarden

De voor 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, behoud van landschappelijke en natuurwaarden, het hobbymatig houden van dieren en telen van gewassen, met de daarbij behorende erfbeplanting, nutsvoorzieningen, erven en terreinen, wegen en paden en water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1, 2, 3 en 4

De voor 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1', 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2', 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 3' en 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor bescherming van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.

Waarde - Archeologisch rijksmonument

De voor 'Waarde - Archeologisch rijksmonument' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van (te verwachten) archeologische waarden in de bodem.

Voor het bouwen van bouwwerken, het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ter plaatse van gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch rijksmonument' is een vergunning van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed noodzakelijk.

Waarde - Archeologisch waardevol gebied 2

De voor 'Waarde - Archeologisch waardevol gebied 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van (te verwachten) archeologische waarden in de bodem.

1.5 Strijdigheid

De voorgenomen ontwikkeling is in strijd met het geldende planologisch regime, aangezien de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' het gebruik van gronden ten behoeve van een evenemententerrein niet toelaat. Daarnaast is het gewenst om de gronden ter plaatse van de beoogde watergang een passende waterbestemming te geven. Tot slot is het gewenst om de gronden ter plaatse van de beoogde natuurontwikkeling en het fietspad te wijzigen in de bestemming 'Natuur'.

Om de voorgenomen ontwikkeling (planologisch) mogelijk te kunnen maken is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin. In deze plantoelichting wordt aangetoond dat de ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

1.6 Leeswijzer

In Hoofdstuk 1 is de aanleiding en doel van dit bestemmingsplan uiteengezet. In Hoofdstuk 2 van de toelichting wordt de bestaande en toekomstige situatie in het plangebied beschreven. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 3 het beleidskader van het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Oost Gelre uiteen gezet. Hoofdstuk 4 gaat over de omgevingsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische opzet waarbij de verbeelding en planregels worden besproken. Tot slot volgt in Hoofdstuk 6 een beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan en de resultaten van overleg en terinzagelegging.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie

Dit bestemmingsplan heeft betrekking op het sport- en evenemententerrein 't Strootman en de ten zuiden gelegen agrarische gronden aan de Meddoseweg ten zuiden van de kern Zwolle (Gld). Daarnaast heeft dit bestemmingsplan betrekking op de gronden ten westen en zuidwesten van het voorgenoemde evenemententerrein. Het gaat hierbij om (een deel van) de gronden tussen het evenemententerrein en de ten westen gelegen Oude Winterswijkseweg en Groenlosche Slinge.

Het plangebied is nagenoeg geheel onbebouwd. In het noordoosten is sprake van een ontsluitingsweg en een parkeerterrein. Daarnaast is er een kleinschalig muziekkapel en zijn een aantal speeltoestellen en voetbalgoals aanwezig.

Het plangebied wordt omgeven door opgaande beplanting en agrarische cultuurgrond. De oostzijde van het plangebied wordt begrensd door de Meddoseweg.

In afbeelding 2.1 is een luchtfoto van de huidige situatie in en rondom het plangebied weergegeven. Het plangebied is hierop aangeduid met de rode omlijning.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2052-VG01_0003.png"  
Afbeelding 2.1: Luchtfoto plangebied en omgeving (Bron: PDOK)  

2.2 Nieuwe situatie

2.2.1 Algemeen

Vergroting evenemententerrein

Voorgenomen ontwikkeling ziet toe op de uitbreiding van het evenemententerrein 't Strootman aan de Meddoseweg, geleden ten zuiden van de kern Zwolle (Gld). Op het evenemententerrein vinden diverse activiteiten plaats, zoals een meifeest, dansavond, kinderspelen, volleybaltoernooi en de kermis.

De vergroting van het evenemententerrein is gewenst in verband met ruimtegebrek bij bepaalde evenementen en de wens voor een ruimere opzet van het terrein. Hierbij wordt op het terrein een gebouw van maximaal 300 m2 ten behoeve van opslag en sanitaire voorzieningen gerealiseerd. Dit gebouw heeft een goot- en bouwhoogte van maximaal 4 en 6 meter. Daarnaast wordt de aanwezige schuilhut (circa 20 m2) binnen het plangebied in beperkte mate verplaatst.

Gelet op het feit dat het hier gaat om een lokaal evenemententerrein zal het aantal bezoekers niet of nauwelijks toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Tijdens een druk/maatgevend evenement zal het om maximaal 300 bezoekers gaan.

In afbeelding 2.2 is de beoogde ontwikkeling ter plaatse van het evenemententerrein weergegeven. Met de blauwe contour is de uitbreiding van het evenemententerrein indicatief weergegeven. Voor het bestaande deel van het evenemententerrein wordt de bestemming overeenkomstig de huidige situatie overgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2052-VG01_0004.png"  
Afbeelding 2.2: Beoogde uitbreiding evenemententerrein (Bron: Gemeente Oost Gelre)  

Verleggen watergang, natuurontwikkeling in fietspad

Ten zuiden van het huidige evenemententerrein is momenteel een kavelsloot aanwezig (Reijerinksgoot). De kavelsloot zal worden gedempt en verlegd langs de beoogde uitbreiding van het evenemententerrein, waar de kavelsloot in het zuidwesten wordt aangesloten op de bestaande kavelsloot, die loopt tot aan de Groenlosche Slinge.

Ten zuidwesten van het evenemententerrein is ruimte voor natuurontwikkeling en het realiseren van een overstromingsvlakte voor piekafvoer van de Reijerinksgoot.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2052-VG01_0005.png"  
Afbeelding 2.3: Beoogde watergang en natuurontwikkeling (Bron: Gemeente Oost Gelre)  

Tot slot wordt tussen het toekomstige evenemententerrein en de te verleggen kavelsloot een fietspad aangelegd, waarmee een fietsverbinding wordt gerealiseerd tussen de Meddoseweg en Oude Winterswijkseweg. Het fietspad bestaat uit halfverharding.

De voorgenomen ontwikkeling wordt rekening gehouden met de aangrenzende natuurgebieden/-stroken. Deze worden als gevolg van voorgenomen ontwikkeling niet aangetast. Daarnaast is tussen het beoogde fietspad en de Reijeriksgoot (nieuwe deel en bestaande deel) ruimte voor versterking van de bestaande natuurgebieden/ -stroken. De exacte invulling hiervan ligt nog niet vast.

Hoofdstuk 3 Beleid

Voor het gebied geldt een groot aantal juridische kaders en beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste samengevat. Op internationaal niveau zijn diverse regelingen van kracht die de duurzame instandhouding van habitats en soorten tot doel hebben. De meest verplichtende regelingen van de Europese unie zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Op nationaal en provinciaal niveau zijn eveneens een groot aantal juridische kaders en beleidskaders van toepassing op het plangebied.

3.1 Internationaal niveau

3.1.1 Vogelrichtlijn

De "Vogelrichtlijn" (79/409/EG) uit 1979 heeft tot doel: de bescherming en het beheer van alle op het grondgebied van de Europese Unie in het wild levende vogels en hun habitats. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van al deze vogelsoorten en in het bijzonder de trekvogels en zijn verplicht om de verschillende natuurlijke habitats die het leefmilieu van de wilde vogels vormen, in stand te houden. Op grond van deze richtlijn worden gebieden aangewezen als Speciale Beschermingszone. Deze gebieden maken deel uit van het Europese initiatief om een ecologisch netwerk van natuurgebieden duurzaam te beschermen (Natura 2000). Daarnaast stelt de richtlijn nadere regels voor de bescherming, het beheer en de regulering van vogelsoorten.

De rechtsgevolgen die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn betreffen, naast het aanwijzen van de Speciale Beschermingszones, ook de verplichting om passende maatregelen te nemen om de kwaliteit van de leefgebieden van de vogelsoorten niet te laten verslechteren. Verder mogen er geen storende invloeden optreden in gebieden die negatieve gevolgen hebben voor het voortbestaan van de vogelsoorten, die door de Vogelrichtlijn beschermd worden. Nieuwe plannen of projecten in en in de nabijheid van Speciale Beschermingszones worden volgens de richtlijn getoetst.

Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn.

3.1.2 Habitatrichtlijn

De in 1992 vastgestelde "Habitatrichtlijn" is het voornaamste stuk wetgeving van de Europese Gemeenschap ter bevordering van de biologische verscheidenheid. Deze richtlijn houdt de verplichting in voor deelstaten om de habitats en soorten, die voor de Europese Unie van belang zijn, in stand te houden. Iedere lidstaat moet op zijn grondgebied de gebieden die voor het behoud van de onder de richtlijn vallende habitats en soorten het belangrijkst zijn, identificeren en vervolgens aanwijzen als Speciale Beschermingszones.

Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn.

3.1.3 Het verdrag van Valletta (Malta)

Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed waar mogelijk te behouden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang, beter nog het cultuurhistorisch belang, vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer. Invoering van het verdrag heeft gevolgen voor het huidige archeologisch bestel. Het moet nog (beter) in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd worden. Alle overheden hebben zorgplicht voor archeologische waarden gekregen, dus ook de gemeenten. In de ruimtelijke ordening wordt aan veel aspecten aandacht geschonken en worden tal van belangen tegen elkaar afgewogen. Voor veel zaken wordt de afweging gestuurd door wet- en regelgeving. Het verdrag van Malta heeft tot gevolg dat dit ook voor de archeologie het geval is. Door het verdrag heeft (ook) de gemeente de inspanningsverplichting de archeologische waarden te beschermen.

In paragraaf 4.1 wordt nader ingegaan op de archeologische waarden binnen het plangebied

3.1.4 Kaderrichtlijn water

De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW is sinds december 2000 van kracht en maakt het mogelijk om waterverontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De kaderrichtlijn is geen vrijblijvende richtlijn, ze vormt een Europese verplichting, waar de waterbeheerder (Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten) niet omheen kan. De belangrijkste uitgangspunten van de KRW zijn:

  • De vervuiler betaalt
  • De gebruiker betaalt
  • Na 2000 geen achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van het water
  • Resultaatsverplichting in 2015
  • Stroomgebiedsbenadering)

Via de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan normen voor bepaalde chemische stoffen (waaronder de zogeheten prioritaire (gevaarlijke) stoffen). Worden die normen gehaald, dan spreken we van 'een goede chemische toestand'. Daarnaast moet het oppervlaktewater goed zijn voor een gevarieerde planten- en dierenwereld. Is dat het geval, dan heet dat 'een goede ecologische toestand'. Hieronder valt ook een groot aantal andere chemische stoffen dan de hierboven al genoemde prioritaire (gevaarlijke) stoffen. Voor het grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen. Daarnaast moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen bijvoorbeeld natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand (goede kwantitatieve toestand).Voor verschillende typen wateren gelden verschillende ecologische doelstellingen. In een plas leven bijvoorbeeld andere planten- en dierensoorten dan in kustwater. Daarom verschillen de ecologische doelen per watertype. De chemische normen zijn bij ieder water ongeveer hetzelfde, met uitzondering van de nutriënten. Daarvoor geldt weer wel een benadering die per watertype kan verschillen.

In paragraaf 4.3 wordt nader ingegaan op de waterhuishouding binnen het plangebied.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie
3.2.1.1 Algemeen

Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.

3.2.1.2 Vier prioriteiten

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.

  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel

Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair.

  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's

Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd.

  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
3.2.1.3 Toetsing van het initiatief aan de NOVI

Het voornemen betreft een ontwikkeling waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

3.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

De laddertoets die is opgenomen in artikel 3.1.6 lid van het Bro is een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes en zo nodig wordt onderzoek gedaan naar behoefte aan de in het bestemmingsplan voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van dit toetsingskader nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven).

Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Dit betekent dat bij een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied een nadrukkelijke motivering nodig is, dat wil zeggen in aanvulling op de algemene vereisten van artikel 3.1.6, eerste lid, van het Bro, waarom niet in het bestaand stedelijk gebied in de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt voorzien. Daarbij kunnen de beschikbaarheid en geschiktheid van de ontwikkelingsmogelijkheden in bestaand stedelijk gebied een rol spelen.

Een stedelijke ontwikkeling is in artikel 1.1.1 lid 1 onder i van het Bro gedefinieerd als:
'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.

Bestaand stedelijk gebied is in artikel 1.1.1 lid 1 onder h van het Bro gedefinieerd als:
'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.

Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt, is artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing. Dit neemt niet weg dat aan de eisen van het eerste lid van artikel 3.1.6 van het Bro dient te worden voldaan. Bij de toets of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening dient onder meer beoordeeld te worden of de in het plan voorziene bestemmingen passende bestemmingen zijn (ABRvS 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2294 (Weert) en of de mogelijk gemaakte ontwikkeling voorziet in een behoefte (ABRvS 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:943 (Ermelo)). De behoefte aan de mogelijk gemaakte ontwikkeling dient met het oog op de uitvoerbaarheid van het plan te zijn onderbouwd (ABRvS 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2471 (Weststellingwerf)).

3.2.2.1 Toetsing van het initiatief aan de Ladder voor duurzame verstedelijking

Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat toetsing noodzakelijk is bij “nieuwe stedelijke ontwikkelingen” (3.1.6 Bro). Zoals aangegeven wordt onder stedelijke ontwikkeling verstaan: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Onder een 'overige stedelijke voorziening' vallen in ieder geval accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure.

Op basis van het bovenstaande en op basis van de 'Handreiking Ladder voor Duurzame Verstedelijking' moet worden geconcludeerd dat uitbreiding van het evenemententerrein zonder toename van bouwmogelijkheden niet wordt gezien als een stedelijke ontwikkeling. Dit geldt eveneens voor de beoogde natuurontwikkeling, verleggen van de watergang en het aanleggen van het fietspad.

Geconcludeerd wordt dat de ladder voor duurzame verstedelijking geen belemmering vormt voor uitvoering van het bestemmingsplan.

3.2.3 Conclusie

De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is niet in strijd met de relevante nationale beleidskaders.

3.3 Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid behelst een doorvertaling van rijksbeleid en is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste plannen betreffen de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en de Omgevingsverordening Gelderland.

3.3.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
3.3.1.1 Inleiding

In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het provinciale beleid over onderwerpen als ruimte, water, mobiliteit, economie, natuur en landbouw. In de Omgevingsvisie worden twee provinciale hoofddoelen onderscheiden:

  • een duurzame economische structuur
  • het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.

Deze hoofddoelen zijn vertaald in provinciale ambities, waarbij per ambitie de aanpak op hoofdlijnen is beschreven. De nadere invulling vindt plaats via provinciale uitvoeringsprogramma's en samenwerking met partners. Daarmee is de Omgevingsvisie een 'plan' dat richting geeft en ruimte biedt; geen plan met exacte antwoorden. Ofwel: 'de Omgevingsvisie gaat over het speelveld en de spelregels, niet over de uitkomst van het spel'. In voorliggend geval is met name het beleid ten aanzien van het woon- en leefomgeving van belang.

3.3.1.2 Verscheidenheid en verbondenheid

De Kracht van Gelderland zit er ook in dat de verscheidenheid van de verschillende streken geen belemmering vormt om samen te werken. Integendeel. Eenheid en verscheidenheid: dat is wat de Gelderse cultuur kenmerkt en wat leidt tot creativiteit en vernieuwing. Samen optrekken en samenwerken aan en in de Gelderse gebieden. Natuur en water, de inrichting van het landschap, handel en onderwijs, cultuurhistorie, kunst, cultuur en sport, eenheid en verscheidenheid. Het beste van veel werelden komt hier samen. Dit maakt Gelderland aantrekkelijk om in te wonen, te werken, te leren en te recreëren.

3.3.1.3 Een krachtige economie: leefbare groei!

Een economie in balans met haar sociale, ecologische en ruimtelijke omgeving: dat is waar het om gaat. Nieuwe verdienmodellen en nieuwe technologieën doen hun intrede.

De internationale concurrentie neemt toe en mensen en bedrijven verhuizen sneller als het elders beter is. De maakindustrie beleeft in Nederland een her- en opwaardering. De kwaliteit van het vestigingsklimaat, een kwalitatief en kwantitatief sterke arbeidsmarkt, vakmanschap en kennisinfrastructuur worden in dit licht steeds belangrijker.

Bij uitstek kan Gelderland garen spinnen bij deze nieuwe industriële revolutie. Gelderland heeft immers sterke troeven voor een internationaal onderscheidende en concurrerende positie. Zo kent Gelderland sterke clusters van economische activiteiten, een uitstekende bereikbaarheid en logistieke kracht, sociaal ondernemerschap, arbeidsmarkt, kennis en onderwijs, veel ruimte en een strategische ligging. Een goed vestigingsklimaat vereist ook een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Ook op dit vlak heeft Gelderland een goede uitgangspositie. De fraaie natuur, de mooie landschappen, de vele mogelijkheden op het vlak van cultuur, recreatie en toerisme en sport. Gelderland heeft economische dynamiek én ruimte voor ontspanning in het groen en is daarmee aantrekkelijk voor burgers, bedrijven én bezoekers.

3.3.1.4 Toetsing van het plan aan de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

De ontwikkeling draagt bij aan de leefbaarheid van de samenleving en in dit geval specifiek voor de kern Zwolle en directe omgeving. Met de ontwikkeling wordt ruimte gecreëerd om jaarlijks diverse activiteiten te kunnen organiseren.

Geconcludeerd wordt dat deze ontwikkeling past binnen de beleidskaders van de omgevingsvisie.

3.3.2 Omgevingsverordening Gelderland
3.3.2.1 Algemeen

Met een omgevingsverordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke plannen van gemeenten. De provincie richt zich hierbij op onderwerpen die van provinciaal belang zijn, zoals verstedelijking, natuur, nationale landschappen, water en glastuinbouw. Gemeenten krijgen op sommige terreinen meer beleidsvrijheid, terwijl ze op andere gebieden te maken krijgen met strikte provinciale richtlijnen.

De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen of gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan op deze regels afstemmen.

3.3.2.2 Van toepassing zijnde artikelen

In voorliggend geval zijn de artikelen 2.38, 2.52, 2.53a en 2.56van de Omgevingsverordening Gelderland van toepassing.

Artikel 2.38 Instructieregel bestemmingsplan Intrekgebied

Een bestemmingsplan voor gronden binnen een Intrekgebied maakt de winning van fossiele energie niet mogelijk.

Artikel 2.52 Beschermen Groene ontwikkelingszone

  • 1. Voor zover een bestemmingsplan van toepassing is op locaties binnen de Groene ontwikkelingszone, laat het een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat;
    • a. de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt; en
    • b. de samenhang niet verloren gaat.
  • 2. Gedeputeerde Staten stellen regels vast om de versterking uit te werken.

Artikel 2.53a Onderzoek kernkwaliteiten Groene ontwikkelingszone

  • 3. Bij toepassing van artikel 2.52 bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de resultaten van het onderzoek naar de te verwachten effecten van die activiteit of ontwikkeling op de oppervlakte, samenhang en kwaliteit van de Groene ontwikkelingszone.
  • 4. In de beschrijving van de onderzoeksresultaten worden in ieder geval betrokken de in het gebied aanwezige:
    • a. actuele en potentiële natuurwaarden;
    • b. in de bij of krachtens de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde soorten en soorten van nationale Rode Lijsten; en
    • c. ecologische samenhang.
  • 5. Voor zover de ontwikkeling of activiteit daar effect op kan hebben, wordt in de beschrijving van de onderzoeksresultaten betrokken de in het gebied aanwezige:
    • a. kwaliteit van water, bodem en lucht;
    • b. stilte, rust en duisternis; en
    • c. landschappelijke, cultuurhistorische, geomorfologische, bodemkundige waarden en het reliëf.

Artikel 2.56 (ontwikkeling in Nationaal landschap)

  • 1. Een bestemmingsplan voor gronden binnen een Nationaal landschap maar buiten de Groene ontwikkelingszone, het Gelders natuurnetwerk en de Nieuwe Hollandse Waterlinie, maakt ten opzichte van het op 17 oktober 2014 geldende bestemmingsplan alleen bestemmingen mogelijk die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap, bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Nationale Landschappen, niet aantasten.
  • 2. In afwijking van het eerste lid zijn activiteiten die deze kernkwaliteiten aantasten alleen mogelijk als:
    • a. er geen reële alternatieven zijn;
    • b. er sprake is van redenen van groot openbaar belang;
    • c. compenserende maatregelen plaatsvinden ter waarborging van de kernkwaliteiten van de Nationale Landschappen zoals vastgelegd in bijlage Kernkwaliteiten Nationale Landschappen.
3.3.2.3 Toetsing van het initiatief aan de 'Omgevingsverordening Gelderland'

Voorliggend bestemmingsplan gaat uit van het wijzigen van een agrarische bestemming naar een bestemming ten behoeve van dagrecreatie en natuur. De voorgenomen ontwikkeling gaat niet uit van het winnen van fossiele energie. De voorgenomen ontwikkeling is dan ook in overeenstemming met artikel 2.38 van de Omgevingsverordening Gelderland.

In het kader van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling een flora- en fauna quickscan heeft plaatsgevonden. Kortheidshalve wordt verwezen naar paragraaf 4.6.3 van deze toelichting.

Het plangebied maakt onderdeel uit van het Gelders Nationaal Landschap 'Winterswijk'. Dit is een kleinschalig, organisch gegroeid halfopen landschap met afwisseling van bosjes, houtwallen, landbouwgrond, lanen, beken en boerderijen. De voorgenomen bestemmingswijziging doet hier geen afbreuk aan. Temeer omdat ter plaatse geen nieuwe bouwmogelijkheden worden toegevoegd.

Ten aanzien van artikel 2.52 en 2.53a wordt opgemerkt dat het plangebied (deels) is aangewezen als 'Groene ontwikkelingszone' (hierna: GO). Voor bestemmingsplannen binnen de GO geldt dat ontwikkelingen alleen plaats kunnen vinden wanneer er sprake is van een aantoonbare versterking van de GO.

Daar waar de bestemming wordt gewijzigd van 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' naar 'Recreatie - Dagrecreatie' is sprake van agrarische cultuurgronden. Voor zover het plangebied binnen de GO ligt wordt de ter plaatse geldende agrarische bestemming gewijzigd in de bestemming 'Natuur' of 'Water'.

Er is geen sprake van enige afbreuk van het halfopen landschap, bosjes en houtwallen. De uitstraling van het gebied blijft wat dat betreft behouden of wordt juist versterkt door de beoogde natuurontwikkeling.

Indachtig het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de Omgevingsverordening Gelderland.

3.3.3 Conclusie

De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is niet in strijd met de relevante provinciale beleidskaders

3.4 Gemeentelijk beleid

Het gemeentelijk beleid is een doorvertaling van rijks-, provinciaal en regionaal beleid en is verwoord in tal van plannen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de voor de ontwikkeling relevante beleidsstukken.

3.4.1 Omgevingsvisie Oost Gelre
3.4.1.1 Algemeen

De gemeente Oost Gelre beschikt over een (concept) omgevingsvisie. Omdat deze visie het nieuwe kader zal gaan vormen voor ontwikkelingen, wordt hier al wel aan getoetst. De visie is uitgewerkt in vijf doelen. Dit betreffen de volgende doelen. Oost Gelre:

  • 1. heeft hechte en leefbare kernen;
  • 2. geeft ruimte voor ondernemen;
  • 3. blijft dichtbij en bereikbaar;
  • 4. is een gezonde en veilige leefomgeving;
  • 5. heeft een aantrekkelijk landelijk gebied vol leven.

In dit geval is met name het tweede doel van belang, hier wordt hierna op ingegaan.

3.4.1.2 Oost Gelre heeft hechte en leefbare kernen

De gemeente Oost Gelre zet in op hechte en leefbare kernen. De gemeente Oost Gelre streeft daarom naar een basisniveau aan voorzieningen in elke kern: een basisschool, een ontmoetingsplek en een zorgpunt. De inwoners hechten hier sterk aan en vinden dit voor de leefbaarheid van de kernen belangrijk. De gemeente Oost Gelre is zich ervan bewust dat het niet altijd mogelijk is om bestaande voorzieningen in stand te houden. Waar voorzieningen verdwijnen, zorgen we ervoor dat deze in een andere kern goed toegankelijk zijn, door middel van goede en veilige infrastructuur voor zowel auto’s als fietsers en openbaar vervoer of vraaggestuurd- en leerlingenvervoer.

3.4.1.3 Oost Gelre geeft ruimte aan ondernemen

Gemeente Oost Gelre is bij uitstek een ondernemersgemeente. De gemeente moedigt ondernemerschap aan en wil koploper worden in toekomstbestendige werklocaties voor zowel bestaande als nieuwe bedrijventerreinen. Concrete doelen betreffen. Op weg naar 2040:

  • Worden we sterker als echte ondernemersgemeente met aantrekkelijke voorwaarden voor ondernemers. Dat betekent dat we werken aan duurzame, groene en klimaatadaptieve bedrijventerreinen. Daarbij zoeken we naar slimme verbindingen met de opwekking en inzet van hernieuwbare energie.
  • Maken we ruimte voor uitbreiding van de Laarberg waarbij we rekening houden met de geldende milieuwetgeving.
  • Zijn we terughoudend met het vestigen van bedrijven in de opslag- en distributie sector.
  • Zorgen we voor goede woningen en bereikbaarheid om jong talent en arbeidsmigranten aan te trekken.
  • Versterken we cultuurhistorische monumenten en landschappen in onze gemeente. Bij nieuwe invulling van gebouwen kiezen we een geschikte functie die recht doet aan de cultuurhistorische kwaliteiten.
  • Hebben we volop ruimte voor kleine en grote evenementen onder voorwaarden die we nog verder uitwerken. Deze voorwaarden passen binnen de geldende milieu- en (water) veiligheidsgrenzen.

Recreatie en toerisme zijn belangrijke groeisectoren voor Oost Gelre. De combinatie tussen historie, cultuur, het verenigingsleven en de vele evenementen maken de gemeente interessant voor bezoekers. De gemeente zet daarom in op het verstevigen van dit deel van de economie door het versterken van de cultuurhistorische kwaliteiten (monumenten en landschap), kleine en grote evenementen en recreatieve highlights, zoals de Grolse Linie. Hierbij wil de gemeente de aantrekkelijkheid vergroten voor dag- en met name meerdaagse toeristen, die naast het buitengebied en de cultuurhistorische kwaliteiten ook komen voor de grote en kleine kernen. Daarom is het nodig dat nog meer ingezet wordt op het aantrekkelijk maken van onze winkelcentra en onder meer het aanbod aan overnachtingsmogelijkheden in de gemeente. De gemeente zet in op het jaarlijks verhogen van het aantal overnachtingen per jaar.

De gemeente wil ook de komende jaren volop ruimte bieden aan de evenementensector in Oost Gelre. Evenementen zijn al decennialang geworteld in de gemeente en zorgen voor een grote mate aan verbondenheid in en rondom de kernen. Tegelijkertijd vormt bij sommige evenementen milieu- en (water)veiligheidsgrenzen (incl. Wet Natuurbescherming) een belemmering. De gemeente zet zich in om al de evenementen doorgang te laten vinden, onder bepaalde voorwaarden.

3.4.1.4 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie

Dit bestemmingsplan draagt bij aan het (be)leefbaar houden van de kern Zwolle en directe omgeving. Dit door het evenemententerrein ruimte te bieden waardoor deze in stand kan worden gehouden. Bovendien blijft hiermee de ruimte voor evenementen ter plaatse behouden, hetgeen bijdraagt aan de verbondenheid/sociale cohesie in en rondom de kern Zwolle. Het initiatief past hiermee binnen de ambities van de Omgevingsvisie.

3.4.2 Beleidsvisie Externe veiligheid
3.4.2.1 Inleiding

Als gevolg van enkele rampen en incidenten, zoals de vuurwerkramp in Enschede, is externe veiligheid een belangrijk thema geworden. Deze rampen en incidenten hebben ertoe geleid dat de Rijksoverheid diverse maatregelen heeft genomen om acht te krijgen op de risicobronnen in Nederland en het optimaliseren van de risicobeheersing rondom de risicobronnen. Maatschappelijk gezien hebben deze rampen eveneens een belangrijke bijdrage geleverd aan de bewustwording van het leven met veiligheidsrisico's. Helder is dat de huidige maatschappij nu eenmaal veiligheidsrisico's met zich meebrengt, maar dat er wel grenzen aan deze risico's gesteld moeten worden.

Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente allereerst haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten.

Daarnaast wordt aangegeven welke maatregelen genomen moeten worden om de geformuleerde ambities te realiseren en welke instrumenten daarvoor kunnen worden ingezet. De maatregelen worden uitgewerkt in andere gemeentelijke documenten (bestemmingsplannen / streekplannen, milieuvergunningen en rampenbestrijdingsplannen). In die zin bestrijkt de beleidsvisie zowel de beheersing van risico's als de bestrijding van een ramp wanneer die zich voordoet.

3.4.2.2 Toetsing van het plan aan de beleidsvisie Externe veiligheid

In paragraaf 4.8 wordt nader ingegaan op de externe veiligheidsrisico in relatie tot de ontwikkeling.

3.4.3 Geluidsbeleid gemeente Oost Gelre
3.4.3.1 Inleiding

Geluid is een belangrijke bron van hinder en zelfs een mogelijk gevaar voor de volksgezondheid. Naar schatting een miljoen mensen in Nederland ondervinden ernstige hinder van geluid. Belangrijke bronnen zijn wegverkeer en in minder mate railverkeer en industrielawaai. Ook buren zijn belangrijke veroorzakers van geluidhinder. Het is daarom belangrijk om in het gemeentelijke geluidbeleid hinder ten gevolge van geluid te reduceren. Stilte (het ontbreken van hinderlijk geluid) is een belangrijke kernkwaliteit van de Achterhoek. Deze kwaliteit is het waard om beschermd te worden.

Daarnaast is het een belangrijke gemeentelijke taak om ruimte te bieden aan (geluidproducerende) bedrijvigheid en verkeer. Een goede balans daartussen is de uitdaging van dit beleidsstuk.

Op 11 februari 2020 heeft de gemeenteraad het nieuwe 'Geluidbeleid Oost Gelre' vastgesteld. Met dit beleid worden de uitgangspunten en de normen van het Activiteitenbesluit als basis genomen voor het bepalen van de geluidsnormen. Uitzondering hierop zijn agrarische bedrijven.

Het Activiteitenbesluit kent wat betreft geluidnormering maar twee gebiedstypes (bedrijventerrein en al het overige) met twee bedrijfstypes (agrarisch en tankstations) als uitzondering. Dit staat in schril contrast met het 'oude' geluidbeleid van Oost Gelre waarin negen verschillende gebiedstypes en vele (streef-, grens- en plafond) waarden werden aangeduid. Het Activiteitenbesluit is nu voor het overgrote deel van de bedrijven van toepassing.

3.4.3.2 Toetsing van het plan aan het Geluidsbeleid Oost Gelre

In paragraaf 4.4 wordt nader ingegaan op het aspect geluidshinder door weg- en railverkeerslawaai en industrielawaai. In paragraaf 4.7 wordt nader ingegaan op milieuhinder, waaronder geluid, van omliggende bedrijfsmatige functies.

3.4.4 Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014 - 2024
3.4.4.1 Inleiding

Het Rijk en de provincies leggen hun verkeer- en vervoersbeleid vast in een beleidsplan. Gemeenten zijn vrij in de manier waarop zij hun beleid vastleggen. Het is wel een verplichting om aan te geven hoe het verkeer- en vervoersbeleid in de gemeente wordt vormgegeven. Hiervoor heeft de gemeente Oost Gelre, in navolging van het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoer Plan 2011-2015 (GVVP), het "Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014-2024" vastgesteld.

Het uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 6) heeft betrekking op de periode 2014-2018 en wordt geactualiseerd. Waar voorheen het GVVP zich vrijwel uitsluitend beperkte tot een aantal maatregelen die slechts betrekking hadden op de verkeersproblematiek, is nu gekozen voor een opzet die de oplossing van verkeers- en vervoersproblemen in een breder kader plaatst.

De hernieuwde insteek voorziet in een integrale benadering van het verkeer in een landschappelijke en ruimtelijke omgeving. Verkeer is vaak een afgeleide van ruimtelijke ontwikkelingen. Vanuit deze integrale benadering zijn er ambities, aandachtspunten en beleidsprincipes in beeld gebracht. Dit leidt tot een concreet uitvoeringsprogramma om de komende jaren aan te werken. In het uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 6) is ruimte geboden voor het inbrengen van (lokale) aandachtspunten door burgers/belangengroepen. Deze zijn geïnventariseerd en vervolgens opgenomen in het uitvoeringsprogramma.

3.4.4.2 Toetsing van het plan aan het integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014-2024

In voorliggend geval zijn de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling van belang. In paragraaf 4.10 wordt hier nader op ingegaan.

3.4.5 Conclusie

De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is in overeenstemming met de relevante gemeentelijke beleidskaders.

Hoofdstuk 4 Uitvoeringsaspecten

4.1 Archeologie en Cultuurhistorie

4.1.1 Wettelijk kader

De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2022 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.

Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden. De gemeente Oost Gelre heeft een archeologische beleidsadvieskaart. Op deze kaart is aangegeven welke gebieden archeologisch waardevol zijn en welke gebieden de verwachting hebben archeologisch waardevol te zijn. Het beleid dient direct door te werken in het bestemmingsplan. Bescherming (behoud/conservering) van gebieden met archeologische (verwachtings)waarden is uitgangspunt bij de zorg voor het archeologische erfgoed in het plangebied.
Afhankelijk van de verstoring moeten de gebieden eerst nader worden onderzocht, voordat hier bebouwing of grondbewerking (=verstoring) plaatsvindt. Tijdens het onderzoek gevonden archeologische resten, moeten zo mogelijk onaangetast in de grond bewaard blijven of anders op verantwoorde wijze worden opgegraven. De kosten hiervan komen voor degene die de grond wil verstoren. Met behulp van een dubbelbestemming wordt voornoemde bescherming van archeologische waarden dan wel archeologische verwachtingswaarden in het bestemmingsplan geregeld.

4.1.2 Situatie plangebied
4.1.2.1 Archeologie

Zoals in paragraaf 1.4 is vermeld zijn de gronden ter plaatse van het plangebied voorzien van de volgende dubbelbestemmingen:

  • Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 1;
  • Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 2;
  • Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 3;
  • Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 4;
  • Waarde - Archeologisch rijksmonument;
  • Waarde - Archeologisch waardevol gebied 2.

Vanwege het verleggen van de kavelsloot/watergang en de beoogde natuurontwikkeling waarbij gronden worden afgegeven is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige archeologisch onderzoek is opgenomen in Bijlage 1 van deze plantoelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten en bevindingen.

Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd, in de vorm van een verkennend en deels karterend booronderzoek.

De aangetroffen bodemopbouw bestaat in het westelijke deel van het tracé uit dekzandafzettingen van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden. In het centrale deel van het tracé zijn verspoelde dekzandafzettingen en beekdalafzettingen aanwezig. Het centrale deel van het tracé ligt wel voor het merendeel in een gebied waar beekdalafzettingen aanwezig zijn in plaats van verspoelde dekzanden, en wijkt daarmee enigszins af de verwachte landschappelijke ligging en bodemopbouw zoals weergegeven op de archeologische landschappenkaart van de gemeente Oost Gelre. De aanwezigheid van beekeerdgronden wordt wel duidelijk bevestigd, daar waar de verstoringsdiepte beperkt blijft tot de huidige bouwvoor. Ter plaatse van de vlakelementen van het oostelijke deel plangebied en oostelijk deel van het tracé komen sneeuw- en ijssmeltwaterafzettingen voor, overgaand in keileem. In het westelijke deel van het tracé, de oostelijk gelegen vlakelementen in het oostelijke deel van het tracé bestaat de bodemopbouw veelal uit een AC-profiel.

Slechts bij enkele boringen in voornamelijk de oostelijk gelegen vlakelementen is een zwak ontwikkeld restant van een veldpodzolprofiel waargenomen. Het archeologisch sporenniveau ligt bij deze boringen rond gemiddeld 50 cm -mv, op de overgang van de BC- naar de C-horizont, wat betekent dat eventueel aanwezige archeologische sporen ter plaatse en in de directe omgeving nog intact zullen zijn, indien aanwezig. Bij de meeste boringen komt onder de humeuze bovenlaag direct de Chorizont voor (AC-profiel). Er lijkt in het meest westelijke deel van het tracé een matig dik tot dik plaggendek te zijn opgebracht, welke echter bij het merendeel van de boringen recentelijk sterk verstoord is. Binnen de oostelijk gelegen vlakelementen in het oostelijke deel van het tracé beperkt de humeuze bovenlaag zich veelal tot de eerste 30 cm. Van een duidelijk plaggendek (met nog een restant dat niet recentelijk verstoord is) is geen sprake, ook niet in het uiterst oostelijke deel van het tracé (wat wel werd verwacht op basis van de archeologische landschappenkaart van de gemeente Oost Gelre). Binnen het plangebied/tracé is sprake van veel variatie in de verstoringsdiepte, vooral in het westelijke en centrale deel, tot minimaal 30 en maximaal 170 cm -mv. In het oostelijke deel betreft de gemiddelde verstoringdiepte 50 cm-mv. De verstoringen reiken bij de meeste boringen tot minimaal aan de oorspronkelijke top van de C-horizont. Daar waar de verstoringsdiepte zich beperkt tot de huidige bouwvoor (eerste 30 cm) zal het archeologisch sporenniveau ook nog (deels) intact aanwezig zijn, maar dit geldt dan vooral voor de boringen die gezet zijn binnen terreindelen met een lage archeologische verwachting.

Enkele antropogene resten zijn aangetroffen bij een aantal boringen in het centrale deel van het tracé die gezet zijn langs de berm van de Oude Winterwijkseweg. Het gaat om enkele resten asfalt, puin en stenen in het geroerde/verstoorde deel van de bodemopbouw, en die vanuit archeologisch oogpunt dan ook niet interessant zijn. In alle andere boringen zijn geen archeologisch relevante indicatoren aangetroffen. De boringen gezet in het centraal-oostelijke deel van het tracé om restanten van de Circumvallatielinie hebben wel op twee locaties een gevlekte/humeuze laag opgeleverd direct onder de huidige bouwvoor. Het duidt op een vermoedelijk dubbel aangelegd deel van de Circumvallatielinie, in de vorm van twee greppelvullingen (dempingsmateriaal).

Op basis van de geleverde onderzoeksinspanning wordt geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn om archeologische resten van complextypen in de vorm van een basis-/extractiekamp (JagersVerzamelaars), nederzettingscomplex of huisplaats (Landbouwers) en afvaldumps, te verwachten in het westelijke deel van het tracé, de oostelijke gelegen vlakelementen en het oostelijk gelegen tracé. Voor het centrale deel van het tracé blijft daarmee de verwachting laag op het aantreffen van beekdalgerelateerde resten. Deze vondcomplexen betreffen veelal puntlocaties van zeer kleine omvang, waarmee dan ook opgemerkt dient worden dat een booronderzoek niet de geschikte methode is om dergelijke resten op te sporen.

Er is echter wel sprake van een archeologische vindplaats in het centraal-westelijke deel van het plangebied, vermoedelijk in de vorm van een dubbel aangelegd deel van de Circumvallatielinie. Voor behoud in situ van deze te verwachten archeologische vindplaats is het wellicht mogelijk om het inrichtingsplan aan te passen, bijvoorbeeld door ter plaatse het terreindeel op te hogen. Hierdoor zullen bodemingrepen buiten het bereikt blijven van de huidige bodemopbouw. Indien dit niet mogelijk is, dan is vervolgonderzoek (gravend onderzoek) noodzakelijk, waarbij nader bepaald kan worden wat de waarde/fysieke kwaliteit van de vindplaats is.

In afbeelding 4.1 is het archeologisch onderzoeksgebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2052-VG01_0006.png"  
Afbeelding 4.1: Archeologisch onderzoeksgebied (Bron: Econsultancy)  

Ten aanzien van het centraal-westelijke deel van het plangebied, specifiek de blauwe contour zoals aangegeven in afbeelding 4.1, wordt opgemerkt dat hier in beginsel geen nieuwe bodemroerende activiteiten gaan plaatsvinden. Het beoogde fietspad wordt zodanig aangelegd dat hiervoor ter plaatse geen grond afgegraven hoeft te worden. Er is eerder sprake van een lichte ophoging. Vervolgonderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden worden de ter plaatse aanwezige archeologische dubbelbestemmingen van het "Parapluplan Archeologie" overgenomen in dit bestemmingsplan.

Voor het overige en daarmee het merendeel van het onderzoeksgebied wordt, op basis van het ontbreken van archeologische indicatoren, geen vervolgonderzoek noodzakelijk geacht.

4.1.2.2 Cultuurhistorie

Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden meegewogen bij het vaststellen van ruimtelijke ingrepen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek.

Tot de overige cultuurhistorische waarden worden gerekend:

  • de historisch-geografische waarden (cultuurlandschap, structuren/lijnen en bijzondere punten);
  • de historisch-stedenbouwkundige waarden (stedenbouwkundige opbouw en identiteit);
  • de architectuurhistorische waarden (waardevolle kenmerken van gebouwen).

Het voorliggend bestemmingsplan tast de cultuurhistorische waarden niet aan. Ook zijn binnen het plangebied geen monumenten aanwezig.

4.1.3 Conclusie

De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.2 Bodem

4.2.1 Wettelijk kader

Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig.

Op 1 juli 2012 zijn in Oost Gelre de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart in werking getreden. De Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart zijn bedoeld om de omgang met grond goed te regelen. Op basis van de Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is het in veel gevallen mogelijk om het hergebruik van grond als bodem zonder extra keuringen toe te staan. Grondverzet op basis van Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is mogelijk binnen de volgende gemeenten: Aalten, Bronckhorst, Berkelland, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. De Nota Bodembeheer met bodemkwaliteitskaart vormt de basis van duurzaam bodembeheer binnen de regio Achterhoek.

4.2.2 Situatie plangebied

Door Dumea is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In 4.2.2.1 worden de onderzoeksresultaten puntsgewijs weergeven. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 2 van deze toelichting.

4.2.2.1 Onderzoeksresultaten

In de bovengrondmengmonsters BM1 en BM2 en in de ondergrondmengmonster OM1 en OM2 zijn geen verhogingen aangetroffen. In het bovengrondmengmonster BM3 zijn lichte verhogingen kobalt, molybdeen en cadmium aangetroffen.

In de grondwatermonsters Pb1wm1 en Pb2 zijn geen verhogingen aangetroffen.

Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht.

De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogdegebruik.

4.2.3 Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.3 Water

4.3.1 Wettelijk kader

Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten.

Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.

De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk in het plangebied wordt vastgehouden in de bodem (infiltratie) en in het oppervlaktewater wordt geborgen. Vervolgens wordt, zo nodig, het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd.
Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
In de stroomgebiedsvisie (Provincie Gelderland in nauwe samenwerking met de waterschappen en de Directie Oost-Nederland van Rijkswaterstaat) staan zowel bestaand beleid als suggesties voor nieuw waterbeleid, waarbij de nadruk ligt op de ruimtelijke aspecten van dit waterbeleid.

De stroomgebiedsvisie geeft inzicht in de aard en omvang van de wateropgaven die relevant zijn. Het accent in de wateropgaven voor de Achterhoek en Liemers ligt op het voorkomen van wateroverlast en herstel c.q. bescherming ecologisch waardevolle wateren en natte landnatuur. Ter voorkoming van huidige en toekomstige wateroverlast is in en langs bestaande waterlopen naar oplossingen gezocht (verbreden, verondiepen, hermeanderen). Het beleid gaat uit van:

  • een goede kwaliteit van het water (grond- en oppervlaktewater);
  • water meer ruimte geven;
  • versterken van de ecologische waarden;
  • creëren van een vitaal watersysteem

Specifiek voor het stedelijk gebied is het volgende van belang:

  • De waterketen moet worden geoptimaliseerd (meer afkoppelen en infiltreren). In het GRP wordt hiertoe een aanzet gegeven;
  • Kwaliteit oppervlaktewater en waterbodem: Saneren overstorten en afkoppeling en ontlasting van het riool;
  • Wateroverlast in stedelijk gebied: reguleren van de piekafvoeren door middel van het vasthouden van het water bovenstrooms, actief stuwbeheer, extra retentie en herverdeling van het water.
4.3.2 Waterparagraaf
4.3.2.1 Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).

Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

4.3.2.2 Situatie plangebied

De voorgenomen ontwikkeling is tot stand gekomen in overleg en samenwerking met waterschap Rijn en IJssel. In weze betreft de natuurontwikkeling en verlegging van de waterloop een initiatief van het waterschap.

Het verruimen van het evenemententerrein en aanleggen van het fietspad brengt ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen met zich mee. Temeer omdat met voorliggend plan juist extra water en natuur met waterretentie mogelijkheden worden mogelijk gemaakt.

4.3.3 Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Geluid

4.4.1 Kader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidsgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen.

4.4.2 Situatie plangebied

Voorliggende ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van geluidgevoelige objecten. Nadere toetsing van het initiatief aan de Wet geluidhinder kan achterwege blijven. Daarnaast wordt opgemerkt dat er sprake is van gebouw waar geen sprake is van permanent langdurig verblijf. Voor wat betreft de invloed van het evenemententerrein op de omgeving wordt verwezen naar de paragraaf 4.7, waar nader op het aspect milieuzonering wordt ingegaan.

4.4.3 Conclusie

De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoering van het voorgenomen plan.

4.5 Luchtkwaliteit

4.5.1 Wettelijk kader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.

In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
4.5.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

4.5.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

4.5.2 Situatie plangebied

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de vergroting van het evenemententerrein 't Strootman. Via de NIBM-tool berekening is onderzocht of de ontwikkeling wel of niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In deze berekening zijn 100 vervoersbewegingen per weekdag ingevoerd (meer dan verwacht, er is immers niet iedere weekdag sprake van een evenement). De 100 verkeersbewegingen zullen slechts een aantal dagen per jaar plaatsvinden, daarom is in dit geval sprake van een worst-case berekening. De 100 verkeersbewegingen komen overeen met de uitgangspunten zoals opgenomen in het in Bijlage 5 opgenomen Akoestisch onderzoek.

De berekening laat het volgende beeld zien:

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2052-VG01_0007.png"  

De ontwikkeling is aan te merken als een project dat “niet in betekenende mate bijdraagt” aan de luchtverontreiniging.

Tot slot wordt geconcludeerd dat de nieuwe functies in het plangebied niet worden aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen.

4.5.3 Conclusie

Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6 Ecologie

4.6.1 Inleiding

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort.

In navolgende paragrafen wordt eerst ingegaan op gebiedsbescherming en vervolgens op soortenbescherming.

4.6.2 Gebiedsbescherming
4.6.2.1 Natura 2000-gebieden

Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd.

De locatie ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt ten oosten van het plangebied op circa 3,4 kilometer afstand. Dit betreft het Natura 2000-gebied “Korenburgerveen”.

Van directe negatieve effecten (bijv. geluid/verlichting) op Natura 2000-gebied is gelet op de onderlinge afstand geen sprake. Naast directe negatieve effecten dient tevens de mogelijke toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden. Er is daarom door BJZ.nu een stikstofdepositieberekening gemaakt met behulp van de AERIUS Calculator. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 3. Hieronder worden de conclusies weergegeven.

Uit de AERIUS-berekening blijkt ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling er geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.

4.6.2.2 Gelders Natuurnetwerk

De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland worden in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk genoemd. In het Gelders Natuurnetwerk komen twee natuurcategorieën voor: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Gelderse Groene Ontwikkelingszone (GO).

Gelders Natuurnetwerk (GNN)
Het GNN bestaat uit alle bestaande natuur en een zoekgebied voor nog te realiseren nieuwe natuur. In het GNN geldt: in de basis hier geen nieuwe initiatieven. Er zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Dat zijn ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor - overtuigend gemotiveerd – geen alternatieven bestaan. Voor dergelijke uitzonderingen gelden specifieke spelregels die garanderen dat het Gelders Natuurnetwerk in stand blijft (het nee, tenzij principe). Dat betekent dat hier geen ruimte is voor nieuwe projecten die de aanwezige en potentiële natuurwaarden significant aantasten.

Groene Ontwikkelzones (GO)
De GO is een gebied waar partners en partijen worden uitgenodigd om actief 'groene' doelen mee te helpen realiseren. Er is in dit gebied ruimte voor de verdere ontwikkeling van bestaande en bij het gebied behorende bedrijvigheid of bewoning. Afhankelijk van het type en de schaal van de ontwikkeling vraagt de provincie om een (extra) bijdrage te leveren aan de GO.

Het plangebied grenst aan het GNN en GO, maar maakt hier geen onderdeel van uit. Gelet op de aard en omvang van dit plan wordt geconcludeerd dat geen sprake is van enige aantasting van het GNN of de GO.

4.6.3 Soortenbescherming

Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.

In dit geval is door Natuurbank Overijssel en Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd, De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 4. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten.

4.6.3.1 Quickscan natuurwaarden

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt hoofdzakelijk door beschermde diersoorten benut als foerageergebied, maar mogelijk bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats, nestelen er vogels en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats.

Van de vogels die mogelijk in het plangebied nestelen is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet de nestplaats Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Om te voorkomen dat bezette vogelnesten negatief beïnvloed worden, dient gewerkt te worden buiten de voortplantingsperiode of dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden zodat de aanwezigheid van een bezet vogelnesten uitgesloten kan worden.

Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën die een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten,?geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden.

Mits zorgvuldig gewerkt wordt, kan overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming voorkomen worden. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet nodig.

4.6.4 Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.7 Bedrijven en milieuzonering

4.7.1 Kader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met afstemming tussen gevoelige functies en milieuhinderlijke functies. Uitgangspunt daarbij is dat nieuwe en bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de afstemming tussen functies kunnen de richtlijnen in de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) gehanteerd worden om de afstand te bepalen tussen woningen en de verschillende bedrijfscategorieën. Deze afstemming beperkt zich tot de volgende milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.

4.7.2 Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' wordt een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer.

Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

Rondom het plangebied zijn hoofdzakelijk woningen en agrarische cultuurgronden aanwezig. Het gebied kan daarom worden aangemerkt met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’.
afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2052-VG01_0008.png"

4.7.3 Situatie plangebied
4.7.3.1 Algemeen

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. Hierbij spelen twee vragen een rol:

  • 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);
  • 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
4.7.3.2 Externe werking

Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.

In dit geval wordt het evenemententerrein vergroot. Een dergelijke functie wordt niet genoemd in de basiszoneringslijst uit de VNG-uitgave. Het is evident dat evenementen geluidhinder kunnen veroorzaken bij dichtbijgelegen milieugevoelige bestemmingen. Geluid is dan ook het zwaarstwegende milieuaspect voor een evenementenlocatie. Daarom is in het kader van voorgenomen ontwikkeling een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Voor het volledige akoestisch onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 5 bij deze plantoelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste bevindingen.

Op het betreffende evenemententerrein ’t Strootman kunnen verschillende activiteiten plaatsvinden. In mei vindt onder andere een Meifeest, dansavond, kinderspelen, brunch en volleybaltoernooi plaats. Daarnaast vindt er in augustus onder andere Kermis, vermaak voor schoolkinderen, buurtbattle, dansavond, zeskamp en vogelschieten plaats.

Maatgevend voor het terrein is het evenement tijdens het gebruik van zowel de feesttent, kermis het terrein naast de kermis en het toekomstige terrein. Verschillende onderdelen zijn en zullen worden geregeld in de APV van de gemeente Oost Gelre. Daarnaast is de geluidsbelasting bij kleine evenementen verwaarloosbaar.

Op basis van het akoestisch onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

  • Bij grotere evenementen die circa twee keer jaar voorkomen, blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van de feesttent, enkele attracties en stemgeluid op het terrein het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau 72, 75 en 75 dB(A) in respectievelijk de dag, avond en nachtperiode.
  • De grenswaarde van 75 dB(A) voor de incidentele situatie op het feestterrein wordt ter plaatse van de woningen niet overschreden. Gelet hierop is er geen sprake van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. Immers wordt de vergunde 75 dB(A) niet overschreden.
  • Uit de rekenresultaten blijkt dat wanneer er op het feestterrein evenementen zijn waarbij geen muziek in een feesttent ten gehore wordt gebracht de 45 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ter plaatse van woningen niet wordt overschreden. Bij kleine evenementen en activiteiten op het terrein er sprake is van een aanvaardbaar leefklimaat voor omwonenden

Conclusie

Mits de grotere evenementen (gelijktijdig gebruik van feesttent, kermis en het nieuwe terrein) incidenteel plaatsvinden (circa 2 keer per jaar), is er geen sprake van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. Dit omdat de reeds vergunde geluidbelasting niet wordt overschreden.

4.7.3.3 Interne werking

Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande milieubelastende functies in de omgeving of dat de ontwikkeling leidt tot belemmeringen in de bedrijfsvoering van de bestaande functies.

In dit geval wordt niet voorzien in het toevoegen van nieuwe (milieu)gevoelige functies als bedoeld in de VNG Brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Het voornemen leidt dus niet tot aantasting en/of belemmering van de bedrijfsvoering van omliggende milieubelastende functies.

4.7.4 Conclusie

Mits de grotere evenementen (gelijktijdig gebruik van feesttent, kermis en het nieuwe terrein) incidenteel plaatsvinden (circa 2 keer per jaar), is er geen sprake van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat. Dit omdat de reeds vergunde geluidbelasting niet wordt overschreden.

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.8 Externe veiligheid

4.8.1 Wettelijk kader

Bij externe veiligheid gaat het onder meer om productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door voldoende afstand aan te houden tussen deze activiteiten en 'gevoelige objecten' wordt voldaan aan de wettelijke normen.

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 27 oktober 2004 en de hierin opgenomen Regeling externe veiligheid inrichtingen, geeft aan welke activiteiten/bedrijven risicocontouren kennen, waarmee rekening dient te worden gehouden bij het verlenen van vergunningen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Het Bevi heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in bedrijven tot het aanvaarde maximum te beperken. Het gaat daarbij om het beperken van de kans op en effect van een ernstig ongeval vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen. Op vergelijkbare wijze zijn de aanvaardbare risico's, verbonden aan transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en het transport door buisleidingen, vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de daarbij behorende regelingen.

Het doel wordt in Bevi, Bevt en Bevb vertaald naar de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico:

  • Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
  • Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

In Bevi, Bevt en Bevb zijn de risiconormen (plaatsgebonden risicoafstanden) wettelijk vastgelegd. Binnen deze afstanden mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht. Beperkt kwetsbare objecten mogen alleen onder zwaarwegende motieven binnen deze risicoafstanden. Er is in Bevi, Bevt en Bevb geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.

4.8.2 Gemeentelijk externe veiligheidsbeleid

De gemeente Oost Gelre heeft in 2008 een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld.

Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten.

4.8.3 Situatie plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het beoogde evenemententerrein (rode cirkel) en omgeving weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2052-VG01_0009.png"  
Afbeelding 4.2: Uitsnede risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving)  

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied:

  • 1. zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);
  • 2. zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;
  • 3. niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;
  • 4. niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Tot slot gaat voorliggende ontwikkeling niet uit van het realiseren van een risicovolle inrichting en/of risicobron.

4.8.4 Conclusie

Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9 Geur

4.9.1 Wettelijk kader

Bij de realisatie van gevoelige bestemmingen, zoals woningen, is het van belang dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd wordt. Daarom moet rekening worden gehouden met geurcontouren van bijvoorbeeld bestaande veehouderijen, maar ook andere geurproducerende industriële bedrijven. Hiervoor bieden het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) een toetsingskader.

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De Regeling geurhinder en veehouderij is gepubliceerd op 18 december 2006.

Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008

De gemeenteraad van Oost Gelre heeft bij besluit van 12 maart 2008 de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008 vastgesteld. Deze verordening is op 28 maart 2008 in werking getreden.

Daarbij zijn de bebouwde kommen van Groenlo, Lievelde en Vragender aangewezen als gedeelte van het gemeentelijk grondgebied waarvoor een andere geurnorm van toepassing is. Op grond van de verordening gelden de volgende waarden als maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij:

  • bebouwde kom van Groenlo: 5 odour units per kubieke meter lucht;
  • bebouwde kom van Lievelde: 7 odour units per kubieke meter lucht;
  • bebouwde kom van Vragender: 7 odour units per kubieke meter lucht
4.9.2 Situatie plangebied

Dit bestemmingsplan gaat niet uit van het toevoegen van een nieuw gevoelig object. Tevens ziet het plan niet toe op het mogelijk maken van een veehouderij.

4.9.3 Conclusie

Het aspect geur vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.

4.10 Verkeer en parkeren

4.10.1 Inleiding

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie, 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' opgesteld. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van onder andere de verkeergeneratie. Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. Veelal wordt bij nieuwe ontwikkelingen het gemiddelde gehanteerd. Zo ook in dit geval.

4.10.2 Nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre

De gemeente Oost Gelre beschikt over een eigen Nota Parkeernormen. De nota ‘Parkeernormen gemeente Oost Gelre’ is een nadere uitwerking van het parkeerbeleid zoals dat is opgenomen in het integraal verkeersprogramma.

In deze nota is een eenduidig toepassingskader vastgelegd van de parkeernormen. Tevens zijn in deze nota de toe te passen parkeernormen van de gemeente Oost Gelre vastgelegd.

Het hanteren van parkeernormen is van belang om de vraag naar en aanbod van parkeerplaatsen met elkaar in evenwicht te houden. Bij bouwplannen (nieuwbouw, verbouw, herontwikkeling etc.) kan extra parkeerbehoefte ontstaan. De hoeveelheid en de kwaliteit van de extra te realiseren parkeerplaatsen wordt berekend aan de hand van parkeernormen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet de initiatiefnemer in principe op eigen terrein in de eigen parkeerbehoefte voorzien. Hierdoor wordt een verhoging van de parkeerdruk in de openbare ruimte voorkomen.

De basis voor deze Nota Parkeernormen is het ASVV 2012 (Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom) en publicatie 317 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' van CROW - het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte.

Op basis van het autobezit in Oost Gelre is ervoor gekozen om de gemiddelde CROW-parkeerkencijfers als uitgangspunt te hanteren. Bij de toekomstige werkwijze bij het aanvragen van een omgevingsvergunning wordt de gemiddelde norm gehanteerd voor het aantal aan te leggen parkeerplaatsen. De normen zijn opgenomen in de nota. De parkeernormen zijn opgenomen per functie, onderverdeeld naar de stedelijke zones: centrum Groenlo en Lichtenvoorde, schil rond centrum Groenlo en Lichtenvoorde, rest bebouwde kom (overige gebieden binnen de bebouwde kom van Groenlo en Lichtenvoorde evenals de kernen Zieuwent, Mariënvelde, Harreveld, Vragender en Lievelde) en buitengebied. In de normering is rekening gehouden met een aandeel van bezoekers van 0,3 parkeerplaatsen per woning. In de nota zijn ook richtlijnen gegeven voor bijvoorbeeld maatvoering van de parkeerplaatsen en de locatie van de parkeerplaatsen. Verder is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen.

4.10.3 Situatie plangebied

Voor een evenemententerrein zijn geen concrete normen opgenomen in de nota 'Parkeernormen gemeente Oost Gelre' en het CROW. Daarom wordt hierna de parkeer- en verkeerssituatie hierna op basis van ervaringen omtrent het huidige evenemententerrein beschouwd.

Parkeren

Het evenemententerrein wordt, overeenkomstig de huidige situatie, hoofdzakelijk bezocht door mensen uit de kern Zwolle en de directe omgeving. Dit betekend dat de meesten mensen met de fiets of lopend komen. De ervaring is dat dat slechts een beperkt deel met de auto komt. Bij de grootste evenementen zal het gaan om maximaal 50 auto's. Een deel van deze auto's kunnen parkeren op het parkeerterrein binnen het plangebied. De overige auto's parkeren in de huidige situatie veelal in de kern Zwolle. Omdat dit slechts incidenteel plaatsvindt wordt dit aanvaardbaar geacht. Bovendien is met het verruimen van het evenemententerrein extra ruimte beschikbaar voor het realiseren van extra (tijdelijke) parkeerplaatsen. Hierdoor vormt het aspect 'parkeren' geen belemmering voor vaststelling van dit plan.

Verkeer

Van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen is geen sprake. Zoals aangegeven is en wordt het evenemententerrein hoofdzakelijk bezocht door mensen uit de kern Zwolle en directe omgeving. Het is redelijkerwijs niet te verwachten dat het aantal bezoekers onevenredig zal toenemen. Bij de grotere evenementen zal het gaan om maximaal 100 auto's (200 verkeersbewegingen). De Meddoseweg en omliggende infrastructuur is van voldoende capaciteit om deze verkeersbewegingen eenvoudig en veilig af te kunnen wikkelen. Bovendien gaat het hier niet om een toename van verkeersbewegingen omdat de evenementen reeds zijn toegestaan en plaatsvinden.

4.10.4 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de aspecten parkeren en verkeer geen belemmeringen opleveren als gevolg van voorliggend voornemen.

4.11 Besluit Milieueffectrapportage

4.11.1 Wettelijk kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in de integrale ruimtelijke afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen:

  • 1. Een bestemmingsplan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is;
  • 2. Een bestemmingsplan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het bestemmingsplan wordt genoemd in kolom 3 (plannen).
  • 3. Een bestemmingsplan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het bestemmingsplan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordelingsplichtig.

Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'.

Het komt er op neer dat voor bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

  • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
  • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden.
4.11.2 Situatie plangebied

Artikel 2.8 van de Wet Natuurbescherming

Het plangebied ligt op enige afstand van Natura 2000-gebied (ca. 3,4 kilometer). Uit de stikstofberekening (Bijlage 3) is gebleken dat de ontwikkeling niet leidt tot een toename van stikstofdepositie. Van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied is geen sprake. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming is in verband met deze ontwikkeling dan ook niet noodzakelijk. Er is daarom geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.

Drempelwaarden Besluit m.e.r.

Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan.

In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Voor de beoogde ontwikkelingen is onderstaande activiteit uit de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage relevant, namelijk 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een
stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De
drempelwaarden van de betreffende categorie worden niet overschreden of zijn niet van toepassing
(oppervlakte van 100 ha of meer, 2.000 of meer woningen en bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer). Dit betekent dat er geen sprake is van een directe m.e.r. plicht.

De in dit kader relevante vraag die eerst beantwoord dient te worden is, is of met de ontwikkeling sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (o.a. ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.

De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van de verruiming van het evenemententerrein aan de Meddoseweg, aanleggen van een fietspad, verleggen van een watergang en natuurontwikkeling in Groenlo. Gelet op de aard en de omvang van de beoogde ontwikkeling kan gesteld worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt.

Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r..

4.11.3 Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

5.2 Opzet van de regels

5.2.1 Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen.

De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. De planologisch-juridische regeling in dit bestemmingsplan sluit zoveel mogelijk aan bij andere recente bestemmingsplannen van de gemeente Oost Gelre.

Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • Inleidende regels;
  • Bestemmingsregels;
  • Algemene regels;
  • Overgangs- en slotregels.
5.2.2 Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten:

Begrippen (Artikel 1)

In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

Wijze van meten (Artikel 2)

Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

5.2.3 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in:

Bestemmingsomschrijving:

Hierin is de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming opgenomen. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies.

Bouwregels:

In deze regels zijn eisen opgenomen waaraan de binnen de bestemming voorkomende bebouwing aan moet voldoen. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd is hierin vastgelegd.

Afwijken van de bouwregels (indien van toepassing):

Op basis van deze regels hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid om bij omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels in het plan.

Nadere eisen (indien van toepassing):

In de nadere eisen is bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van het elders het betreffende artikel bepaalde, nadere eisen kunnen stellen aan bebouwing.

5.2.4 Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

Anti-dubbeltelregel (Artikel 13)

Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich bijvoorbeeld voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.

Algemene bouwregels (Artikel 14)

In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven inzake ondergronds bouwen, het overschrijden van bouwgrenzen en afwijkingsbevoegdheden.

Algemene gebruiksregels (Artikel 15)

In dit artikel worden het verboden gebruik in dit bestemmingsplan geregeld.

Algemene aanduidingsregels (Artikel 16)

In dit artikel zijn bepalingen opgenomen behorend bij gebiedsaanduidingen. Deze aanduiding zijn bestemmingsvlakgrens overschrijdend.

Algemene afwijkingsregels (Artikel 17)

In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.

Parkeerregelgeving (Artikel 18)

In dit artikel is regelgeving opgenomen omtrent parkeren conform de nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre, dan wel haar rechtsopvolger.

5.2.5 Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

5.3 Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.

Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is.

In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.

'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' (Artikel 3)

Voor een beperkt deel van de gronden binnen het plangebied blijft de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' behouden. De voor 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf;
  • b. behoud van landschappelijke en natuurwaarden;
  • c. het hobbymatig houden van dieren en telen van gewassen;
  • d. extensieve dagrecreatie.

'Natuur' (Artikel 4)

De gronden ter plaatse van het beoogde fietspad, langs de ter verleggen watergang en ter plaatse van de beoogde natuurontwikkeling zijn voorzien van de bestemming 'Natuur'. De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. het behoud en herstel van natuurwaarden;
  • b. het behoud en herstel van ter plaatse aanwezige graslanden, heideveldjes, (gerief)bosjes, weg- en erfbeplanting, houtwallen en –singels en boomgroepen;
  • c. een houtsingel ter plaatse van de aanduiding 'houtsingel';
  • d. extensieve dagrecreatie;
  • e. wegen en paden;
  • f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

'Recreatie - Dagrecreatie' (Artikel 5)

Het gehele plangebied is voorzien van de bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie'. De voor 'Recreatie - Dagrecreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. dagrecreatieve voorzieningen:
  • b. speelterrein, picknickterrein en feestterrein, met dien verstande dat voor evenementen aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
maximale piekaantal bezoekers   maximale duur evenement in dagen   maximale openingstijden evenement   maximale op- en afbouwtijd in dagen (per evenement)  
300   3   09:00 - 02:00   3  

waarbij geldt dat;

    • 1. er maximaal 4 evenementen per kalenderjaar zijn toegestaan;
    • 2. de geluidbelasting op de gevels van omliggende woningen nooit meer mag bedragen dan 75 dB(A);
    • 3. in navolging op het vorige punt de geluidemissie zoveel mogelijk verder beperkt wordt door de aanbevelingen uit paragraaf 4.3 van het in Bijlage 1 opgenomen Akoestisch onderzoek in acht te nemen, en;
    • 4. de op- en afbouw van een evenement uitsluitend plaats mag vinden tussen 7:00 en 19:00 uur.
  • c. tuinen, erven en groenvoorzieningen;
  • d. ontsluitingen/inritten;
  • e. parkeervoorzieningen;
  • f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

met daarbij behorende:

  • g. gebouwen;
  • h. bouwwerken, geen gebouw zijnde;
  • i. kunstobjecten;

met dien verstande dat:

  • j. bedrijfswoningen zijn niet toegestaan.

Voor het bouwen van bebouwing gelden de volgende regels:

  • a. een gebouw mag alleen binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingsoppervlak (m2)' bedraagt de oppervlakte van de totale bebouwing niet meer dan de aangegeven maximum oppervlakte;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' bedraagt de bouwhoogte van een gebouw maximaal de aangegeven bouwhoogte;
  • a. ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' bedraagt de goot- en bouwhoogte van een gebouw maximaal de aangegeven goot- en bouwhoogte;
  • b. de bouwhoogte van palen en masten mag niet meer bedragen dan 8 m;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 4 m;
  • d. indien de bestaande bebouwing afwijkt van het bepaalde onder a en b dan geldt de bestaande bebouwing op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan, mits deze op een legale wijze tot stand is gebracht.

'Water' (Artikel 6)

De gronden behorend bij de beoogde watergang zijn voorzien van de bestemming 'Water'. De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. water, watergangen en waterpartijen;
  • b. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • c. oevers en taluds;
  • d. behoud en herstel van natuur- en landschapswaarden;
  • e. extensieve dagrecreatie.

'Waarde - Archeologisch rijksmonument' (Artikel 7)

De voor 'Waarde - Archeologisch rijksmonument' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van (te verwachten) archeologische waarden in de bodem.

'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 1' (Artikel 8)

De voor 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van (te verwachten) archeologische waarden in de bodem.

'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 2' (Artikel 9)

De voor 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van (te verwachten) archeologische waarden in de bodem.

'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 3' (Artikel 10)

De voor 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van (te verwachten) archeologische waarden in de bodem.

'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 4' (Artikel 11)

De voor 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van (te verwachten) archeologische waarden in de bodem.

'Waarde - Archeologisch waardevol gebied 2' (Artikel 12)

De voor 'Waarde - Archeologisch waardevol gebied 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van (te verwachten) archeologische waarden in de bodem.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1.1 Algemeen

Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Ter voldoening hieraan wordt het concept-ontwerpbestemmingsplan toegestuurd aan de vooroverlegpartners. Hieronder worden de reacties uit het vooroverleg weergegeven.

6.1.2 Provincie Gelderland

In dit geval gaat het om een ontwikkeling met lokaal belang. Het bestemmingsplan hoeft daarom niet aan de provincie te worden voorgelegd. In paragraaf 3.3 is reeds aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling geen provinciale belangen schaadt.

6.1.3 Waterschap Rijn en IJssel

De voorgenomen ontwikkeling is tot stand gekomen in overleg en samenwerking met het waterschap. Het waterschap staat achter de beoogde ontwikkeling waardoor het voeren van vooroverleg niet noodzakelijk wordt geacht.

6.1.4 Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In voorliggend geval is geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.

6.1.5 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een termijn van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Binnen deze termijn zijn geen zienswijzen binnengekomen. Het bestemmingsplan is ongewijzigd vastgesteld.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

In voorliggend geval is de gemeente in het kader van dit bestemmingsplan de initiatiefnemer. Hiermee zijn de gemeentelijke kosten anderszins verzekerd en is het maken van een exploitatieplan op grond van artikel 6.12 lid 2 Wro niet nodig. Er zijn hiermee geen omstandigheden die duiden op financiële onhaalbaarheid van het plan. De economische uitvoerbaarheid van deze ontwikkeling kan derhalve worden geacht te zijn aangetoond.