direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Mausoleum Koptische kerk, Kloosterstraat 5 Lievelde
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1586.BPBUI2050-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het Koptisch Orthodox Klooster in Lievelde is voornemens om een mausoleum te bouwen aan de Kloosterstraat 5. Het Mausoleum is noodzakelijk om het klooster officieel te kunnen laten erkennen door het Koptisch Orthodox Patriarchaat van Alexandrië in Egypte. Volgens de regels van het Koptische Orthodox Patriarchaat moet het klooster over een eigen begraafplaats beschikken. Het gaat hierbij om een begraafplaats voor monniken. Het college van burgemeesters en wethouders heef in de vergadering van 7 februari 2023 besloten in principe in te stemmen met het voornemen.

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre 2018". De gronden ter plaatse van het beoogde Mausoleum behoren tot de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden'. Binnen deze bestemmings is het gebruik en de bouw van een mausoleum niet mogelijk. Om het voornemen mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan benodigd. Hiervoor is onderhavig bestemmingsplan opgesteld.

Onderhavig bestemmingsplan wijzigt eveneens de enkelbestemming 'Maatschappelijk' ter plaatse van het klooster, zodat de juridische regeling overeenkomt met het daadwerkelijk gebruik van het Koptisch Orthodox Klooster. Het klooster wordt, naast de religieuze functie en het opleidingscentrum, gebruikt ten behoeve van de geestelijke hulpverlening en logies en verblijf ten behoeve van de religieuze functie. De geestelijke hulpverlening, logies en verblijf zijn planologisch niet toegestaan. Dit gebruik is middels een tijdelijke omgevingsvergunning reeds gelegaliseerd, de wens is om dit nu permanent te maken middels dit bestemmingsplan. Tevens zijn enkele speel- en sportvoorzieningen op het terrein aanwezig. De realisatie van het mausoleum betreft een toekomstige ontwikkeling die doormiddel van dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt.

1.2 Ligging en begrenzing

Het plangebied bevindt zich buiten de bebouwde kom ten noordoosten van de kern Lievelde aan de Kloosterstraat 5 binnen de gemeente Oost-Gelre. Het plangebied ligt binnen het perceel die kadastraal bekend staat als de kadastrale gemeente Lichtenvoorden, sectie R, nummer 155.

Ten oosten van het plangebied ligt de provinciale weg N18. Ten zuiden van het plangebied ligt de Kloosterstraat. Verder kenmerkt het gebied rondom het plangebied zich als agrarisch gebied. Op groter afstand ten zuiden van het plangebied bevindt zich de spoorweg tussen Winterswijk en Zutphen.

De globale ligging en begrenzing van het plangebied zijn weergegeven op de onderstaande afbeelding. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding van onderhavig bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2050-VG01_0001.png"

Figuur 1.1: Globale ligging plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2050-VG01_0002.png"

Figuur 1.2: Globale begrenzing plangebied

1.3 Geldend bestemmingsplan

Ter hoogte van het plangebied vigeren momenteel de volgende bestemmingsplannen:

  • "Buitengebied Oost Gelre 2011", vastgesteld op 18 december 2012.
  • "Buitengebied, reparatieplan 2016", vastgesteld op 4 april 2017.
  • "Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre", vastgesteld op 1 juli 2014.

De bovengenoemde bestemmingsplannen zijn voor de leesbaarheid samengevoegd en gepubliceerd in het "Consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre 2018". Dit plan heeft geen juridische status, maar geeft wel de geldende juridische regeling weer.

Daarnaast gelden in het plangebied tevens de volgende bestemmingsplannen:

  • "Parapluplan Archeologie", vastgesteld op 22 februari 2022.
  • "Facetbestemmingsplan parkeren", vastgesteld op 5 juni 2018.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2050-VG01_0003.png"

Figuur 1.3: Geldend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Het plangebied heeft de enkelbestemmingen 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' en 'Maatschappelijk' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 3'. Daarnaast kent het plangebied de gebiedsaanduidingen 'overige zone - groene ontwikkelingszone', 'overige zone - gelders natuur netwerk' en 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied'.

Het realiseren van een mausoleum is niet mogelijk binnen de geldende bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' en is daarmee strijdig met het vigerend bestemmingsplan. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de herziening om het beoogde mausoleum mogelijk te maken. Daarnaast is het huidige gebruik van het Koptisch Orthodox klooster op onderdelen niet geregeld binnen de bestemmingsomschrijving 'Maatschappelijk'. In de huidige situatie is het gebruik van het klooster doormiddel van een omgevingsvergunning mogelijk gemaakt. Onderhavige herziening van het bestemmingsplan voorziet in een permanente bijpassende juridische regeling voor het gebruik van het Koptisch Orthodox Klooster.

1.4 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en nieuwe situatie van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante internationale, Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de economische haalbaarheid van het plan en de wijze waarop burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van vooroverleg en zienswijzen opgenomen.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

De locatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Oost Gelre en is omgeven door landbouwgrond. Binnen het plangebied bevindt zich een Koptisch Orthodox Klooster. De gronden rondom het klooster bestaan voornamelijk uit tuinen, groenvoorzieningen, een inrit en parkeervoorziening. Aan de oostzijde van het plangebied is bebouwing aanwezig die als bijbehorende voorzieningen in gebruik zijn ten behoeve van het klooster. De beoogde locatie van het mausoleum bestaat in de huidige situatie uit agrarische velden.

Een luchtfoto van het plangebied is weergegeven in figuur 1.2. Een impressie van de huidige situatie van het plangebied is weergegeven op de onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2050-VG01_0004.png"

Figuur 2.1: Impressie bestaande situatie, klooster (bron: google.nl/maps)

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2050-VG01_0005.png"

Figuur 2.2: Impressie bestaande situatie, beoogde locatie mausoleum (bron: het Buitenburo, 2019)

2.2 Nieuwe situatie

Het Bestuur Koptisch Orthodox Klooster wil erkend worden als klooster en daarmee ook als opleidingscentrum voor monniken. Gedurende deze opleiding zullen monniken in het klooster verblijven en overnachten. Verder wordt er wekelijks een mis gegeven in de kapel. Ook worden de christelijke feestdagen gevierd. Daarnaast is het ook de bedoeling om het klooster open te stellen voor geestelijke hulpverlening en retraites e.d. met overnachting. Deze ontwikkeling betreft dus enkel een verandering in gebruik van het klooster en leidt niet tot fysieke wijziging van het klooster.

Het nieuw te bouwen mausoleum is noodzakelijk om het klooster officieel te kunnen laten erkennen door het Koptisch Orthodox Patriarchaat van Alexandrië in Egypte. Het wordt ruimtelijk gepositioneerd in een prettige verhouding tussen de boomstrook van eiken in het noorden en de bomerij langs de Kloosterstraat. Het mausoleum bestaat uit één bouwlaag en heeft een oppervlakte van circa 445 m2. Daarnaast wordt er een pad gerealiseerd tussen de huidige parkeerplaats en het mausoleum. Het pad slingert door het grasland en ligt op een dijkje.

Ten behoeve van deze ontwikkeling is door het Buitenbureau een landschapelijke inpassing opgesteld. In deze landschappelijke inpassing wordt de plaatsing van het mausoleum beargumenteerd en wordt er een landschappelijk inrichting voorgesteld in aanvulling van de eerdere plannen uit 2019 waarin een plan is gemaakt voor de herplant en aanleiding van het verwijderen van bomen en struiken. Deze rapportage is opgenomen in Bijlage 1 van onderhavige toelichting.

De navolgende afbeeldingen geven een impressie van de toekomstige situatie weer. De volledige ontwerp en situatietekeningen zijn opgenomen in de bijlagen van deze toelichting.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2050-VG01_0006.png"

Figuur 5: Situatie tekening (bron: buro voor architektuur, 20-12-2022)

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2050-VG01_0007.png"

Figuur 6: Impressie beoogde bebouwing (bron: buro voor architektuur, 01-11-2021)

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2050-VG01_0008.png"

Figuur 7: Inpassingsplan (bron: het Buitenburo 12-01-2023)

Hoofdstuk 3 Beleidskader

Voor het gebied geldt een groot aantal juridische en beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste samengevat. Op internationaal niveau zijn diverse regelingen van kracht die de duurzame instandhouding van habitats en soorten tot doel hebben. De meest verplichtende regelingen van de Europese unie zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau zijn eveneens een groot aantal juridische en beleidskaders van toepassing op het plangebied.

3.1 Internationaal niveau

3.1.1 Vogelrichtlijn

De "Vogelrichtlijn" (79/409/EG) uit 1979 heeft tot doel: de bescherming en het beheer van alle op het grondgebied van de Europese Unie in het wild levende vogels en hun habitats. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van al deze vogelsoorten en in het bijzonder de trekvogels en zijn verplicht om de verschillende natuurlijke habitats die het leefmilieu van de wilde vogels vormen, in stand te houden. Op grond van deze richtlijn worden gebieden aangewezen als Speciale Beschermingszone. Deze gebieden maken deel uit van het Europese initiatief om een ecologisch netwerk van natuurgebieden duurzaam te beschermen (Natura 2000). Daarnaast stelt de richtlijn nadere regels voor de bescherming, het beheer en de regulering van vogelsoorten.

De rechtsgevolgen die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn betreffen, naast het aanwijzen van de Speciale Beschermingszones, ook de verplichting om passende maatregelen te nemen om de kwaliteit van de leefgebieden van de vogelsoorten niet te laten verslechteren. Verder mogen er geen storende invloeden optreden in gebieden die negatieve gevolgen hebben voor het voortbestaan van de vogelsoorten, die door de Vogelrichtlijn beschermd worden. Nieuwe plannen of projecten in en in de nabijheid van Speciale Beschermingszones worden volgens de richtlijn getoetst.

Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn.

3.1.2 Habitatrichtlijn

De in 1992 vastgestelde "Habitatrichtlijn" is het voornaamste stuk wetgeving van de Europese Gemeenschap ter bevordering van de biologische verscheidenheid. Deze richtlijn houdt de verplichting in voor deelstaten om de habitats en soorten, die voor de Europese Unie van belang zijn, in stand te houden. Iedere lidstaat moet op zijn grondgebied de gebieden die voor het behoud van de onder de richtlijn vallende habitats en soorten het belangrijkst zijn identificeren en vervolgens aanwijzen als Speciale Beschermingszones.

Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2050-VG01_0009.png"

3.1.3 Het verdrag van Valletta (Malta)

Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed waar mogelijk te behouden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang, beter nog het cultuurhistorisch belang, vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer. Invoering van het verdrag heeft gevolgen voor het huidige archeologisch bestel. Het moet nog (beter) in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd worden. Alle overheden hebben zorgplicht voor archeologische waarden gekregen, dus ook de gemeenten. In de ruimtelijke ordening wordt aan veel aspecten aandacht geschonken en worden tal van belangen tegen elkaar afgewogen. Voor veel zaken wordt de afweging gestuurd door wet- en regelgeving. Het verdrag van Malta heeft tot gevolg dat dit ook voor de archeologie het geval is. Door het verdrag heeft (ook) de gemeente de inspanningsverplichting de archeologische waarden te beschermen.

In paragraaf 4.4 wordt archeologie nader toegelicht.

3.1.4 Kaderrichtlijn water

De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW is sinds december 2000 van kracht en maakt het mogelijk om waterverontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De kaderrichtlijn is geen vrijblijvende richtlijn, ze vormt een Europese verplichting, waar de waterbeheerder (Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten) niet omheen kan. De belangrijkste uitgangspunten van de KRW zijn:

  • De vervuiler betaalt
  • De gebruiker betaalt
  • Na 2000 geen achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van het water
  • Resultaatsverplichting in 2015
  • Stroomgebiedsbenadering)

Via de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan normen voor bepaalde chemische stoffen (waaronder de zogeheten prioritaire (gevaarlijke) stoffen). Worden die normen gehaald, dan spreken we van 'een goede chemische toestand'. Daarnaast moet het oppervlaktewater goed zijn voor een gevarieerde planten- en dierenwereld. Is dat het geval, dan heet dat 'een goede ecologische toestand'. Hieronder valt ook een groot aantal andere chemische stoffen dan de hierboven al genoemde prioritaire (gevaarlijke) stoffen. Voor het grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen. Daarnaast moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen bijvoorbeeld natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand (goede kwantitatieve toestand).Voor verschillende typen wateren gelden verschillende ecologische doelstellingen. In een plas leven bijvoorbeeld andere planten- en dierensoorten dan in kustwater. Daarom verschillen de ecologische doelen per watertype. De chemische normen zijn bij ieder water ongeveer hetzelfde, met uitzondering van de nutriënten. Daarvoor geldt weer wel een benadering die per watertype kan verschillen.

Conclusie

De internationale regelgeving en/of de Europese regelgeving vormen geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Onderdeel van de Omgevingswet is een visie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Met de NOVI neemt het Rijk het voortouw voor een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Nederland. De NOVI richt zich op de volgende vier prioriteiten die onderling veel met elkaar te maken hebben en gevolgen hebben voor het inrichten van de fysieke leefomgeving:

  • Ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie;
  • De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden;
  • Steden en regio's sterker en gezonder maken;
  • Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.

In de NOVI staan de keuzes op nationaal niveau, maar in veel gevallen ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en/of provincies. Op basis van drie uitgangspunten helpt de NOVI bij het wegen van belangen en het maken van keuzes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;
  • Afwentelen wordt voorkomen.

De nationale belangen zijn geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het gaat bijvoorbeeld om rijksvaarwegen, defensie, ecologische hoofdstructuur, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, electriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en primaire waterkeringen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte.

Daarnaast is er de Ladder van duurzame verstedelijking (geïntroduceerd in de Structuurvisie Infrastructuur en ruimte (SVIR). De Ladder is als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen (Bro). Het doel van de Ladder is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Centraal hierin staat of de beoogde ontwikkeling aansluit aan de regionale behoefte.

Beoordeling en conclusie

Het onderhavige plan raakt geen rijksbelangen. Wat betreft de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt verwezen naar paragraaf 3.2.2.

3.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

Toetsingskader

Op 1 oktober 2012 is de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 lid 2 Bro vastgelegd en luidt als volgt:

"De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.

Wat onder 'stedelijke ontwikkeling' en 'bestaand stedelijk gebied' wordt verstaan is in het Bro opgenomen en verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.

Onder 'bestaand stedelijk gebied' verstaat het Bro een 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.

Toetsing

Toepassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ‘ladder’ verder te worden doorlopen. Indien een rechtsvraag negatief wordt beantwoord, dan is de ‘ladder’ niet (verder) van toepassing dan wel kan niet aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ worden voldaan.

a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling?

b. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling?

c. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling?

d. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied?

e. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren?

a. Voorziet het onderhavig besluit in een stedelijke ontwikkeling?

Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie zijn aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Ten aanzien van andere vormen van gebruik van gronden dan ten behoeve van het wonen geldt dat indien het ruimtelijk besluit voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m², deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt.

Onderhavig bestemmingsplan maakt ter plaatse van het plangebied een mausoleum mogelijk met een maximale oppervlakte van circa 445 m2. Gelet op de omvang is de ontwikkeling niet als 'stedelijke ontwikkeling' te classificeren. De 'ladder voor duurzame verstedelijking' hoeft niet verder te worden doorlopen.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ruimtelijke ontwikkeling niet is aan te merken als 'stedelijke ontwikkeling'. Daarmee past het initiatief binnen de kaders van de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Gelderland

Toetsingskader

Op 19 december 2018 is de omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' vastgesteld. In deze visie beschrijft de provincie welke richting de provincie op wil op het gebied van energie, klimaat, water, voedsel en ook hoe de provincie de omgeving wil inrichten.

Om samen een Gaaf Gelderland te bereiken, legt de provincie bij het uitvoeren van haar taken de focus op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met behulp van zeven ambities geeft de provincie hier richting aan:

  • energietransitie;
  • klimaatadaptatie;
  • circulaire economie;
  • biodiversiteit;
  • bereikbaarheid;
  • economisch vestigingsklimaat;
  • woon- en leefklimaat.

De Omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn. De realisatie van een mausoleum bij het Koptisch Orthodox Klooster raakt geen specifieke provinciale belangen uit de Omgevingsvisie.

Beoordeling

Het officieel laten erkennen van het klooster is van groot belang voor zowel het klooster zelf als ook voor het Koptisch Orthodox Bisdom van Nederland. Deze erkenning brengt voordelen met zich mee voor het klooster, waaronder het feit dat de theologische opleiding van nieuwe gewijde monniken in het klooster in Nederland kan plaatsvinden in plaats van het moeten opleiden in een van de Koptische kloosters in Egypte. Dit leidt er toe dat het klooster in de tijd een groei kan doormaken in het monniken leven en zich kan profileren als een officieel Koptisch Orthodox Klooster.

Het betreft een unieke culturele voorziening en levert daarmee een bijdrage aan de dynamische, diverse en duurzame woon- en leefomgeving van de provincie.

Conclusie

De gewenste ontwikkeling is passend binnen de provinciale Omgevingsvisie van de provincie Gelderland.

3.3.2 Omgevingsverordening Gelderland

De Omgevingsverordening is vastgesteld op 24 september 2014 en sinds 18 oktober 2014 in werking getreden. De verordening is daarna diverse keren aangevuld of gewijzigd. De laatste geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening dateert van januari 2023.

De verordening is de juridische vertaling van het beleid uit de Omgevingsvisie. Ter plaatse van het plangebied zijn de regels omtrent de 'Groene ontwikkelzone' van belang. Voor het plangebied geldt het volgende artikel:

Artikel 2.52 (beschermen Groene ontwikkelingszone)

  • 1. Voor zover een bestemmingsplan van toepassing is op locaties binnen de Groene ontwikkelingszone, laat het een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat:
    • a. de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt; en
    • b. de samenhang niet verloren gaat.
  • 2. Gedeputeerde Staten stellen regels vast om de versterking uit te werken.


Artikel 2.65b (klimaatadaptatie)

  • 1. Voor zover een omgevingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling toelaat, bevat de toelichting op het omgevingsplan een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.
  • 2. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken:
    • a. waterveiligheid;
    • b. wateroverlast;
    • c. droogte; en
    • d. hitte
  • 3. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt.

Toetsing

Artikel 2.52 (beschermen Groene ontwikkelingszone)

De Gedeputeerde Staten hebben Regels versterking Groene ontwikkelingszone vastgesteld en deze zijn per 10 juni 2022 in werking getreden. Van deze regels maakt een rekenmethodiek deel uit. Deze methodiek is uitgewerkt in een digitaal webformulier. Het voornemen wordt daarbij getoets aan de hand van de tabellen. Deze tabel is doorlopen voor onderhavige ontwikkeling. Daaruit blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de provinciale regels voor de Groene ontwikkelingszone. Deze tabel is weergegeven in de Landschappelijke Inpassing die opgenomen is als Bijlage 1 van onderhavige toelichting.

In de regels van onderhavig bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing.


Artikel 2.65b (klimaatadaptatie)

De volgende maatregelen of voorzieningen zijn/worden genomen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken:

  • a. waterveiligheid: op basis van de klimaateffectatlas blijkt dat het plangebied en de omgeving ongevoelig is voor overstromingen. Er zijn daarom geen aanvullende maatregelen of voorzieningen getroffen ter voorkoming van eventuele risico's hiervan.
  • b. wateroverlast: op basis van de klimaateffectatlas blijkt dat het plangebied en de omgeving ongevoelig is voor wateroverlast als gevolg van een hoge grondwaterstand en extreme neerslag. Het plangebied waar het mausoleum komt is overwegen onverhard waardoor er veel mogelijkheden zijn voor infiltratie van regenwater. Er zijn daarom geen aanvullende maatregelen of voorzieningen getroffen ter voorkoming van eventuele risico's hiervan.
  • c. droogte: op basis van de klimaateffectatlas blijkt dat het plangebied ongevoelig is voor bodemdaling. Het plangebied en de omgeving is relatief gevoelig voor droogte omdat er geen wateraanvoer mogelijk is in de achterhoek. De boomgroepen die aanvullend worden aangeplant kunnen goed tegen droogte.
  • d. hitte: In het plangebied is veel groen aanwezig, er wordt ook nog meer groen aangeplant, onder andere in de vorm van een drietal boomgroepen. Dit zorgt voor verkoeling in periodes van (extreme) hitte. Het nieuw te bouwen mausoleum wordt voorzien van een groen dak, dit voorkomt snelle opwarming van het gebouw.


Conclusie

Met het voorgenomen initiatief wordt voldaan aan de instructieregels voor de Groene ontwikkelingszone. Daarmee is het voorliggend plan in lijn met het provinciaal beleid.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Oost Gelre 'Groen en verbonden Oost Gelre 2040'

De gemeenteraad van Oost Gelre heeft op 19 september 2023 de Omgevingsvisie Groen en verbonden Oost Gelre 2040 vastgesteld. De integrale visie omvat op de ambities en kaders voor ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving en dient als startpunt voor vervolgontwikkelingen in programma's, beleid en acties. De omgevingsvisie is opgesteld door de gemeente samen met inwoners, ondernemers, mede-overheden en maatschappelijke instellingen met als resultaat een integrale visie.

De gemeente Oost Gelre staat erom bekend dat wonen, werken en recreëren verbonden is met ruimte, groen lokale betrokkenheid, samenleven, evenementen en samen zelf zaken organiseren. Hier is de gemeent erg trots op en wil dit in de toekomst graag zo behouden. Dit betekent dat de gemeente in de toekomst te maken krijgt met een aantal grote uitdagingen. De gemeente wil in 2040 meer dan ooit een groene gemeente zijn. Wat dit betekent is beschreven in de volgende vijf doelen:

Oost Gelre in 2040:

  • heeft hechte en leefbare kernen;
  • geeft ruimte aan ondernemen;
  • blijft dichtbij en bereikbaar;
  • is een gezonde en veilige leefomgeving;
  • heeft een aantrekkelijk landelijk gebied vol leven.

Het planvoornemen voorziet in de versterking van een cultuurhistorisch monument in het buitengebied van de gemeente Oost Gelre. Door de realisatie van het mausoleum voorziet het planvoornemen in de versterking van een cultuurhistorisch monument in het buitengebied van de gemeente Oost Gelre. Daarbij zorgt het landschappelijk inpassingsplan voor een vitaal en aantrekkelijk landelijk gebied vol leven. Hierdoor wordt het karakteristieke landschap vversterkt en draagt het tegelijkerteijd bij aan meer biodiversiteit de gemeente.

Het initiatief is daarmee passend binnen de doelen zoals beschreven in de Omgevingsvisie Groen en Verbonden Oost Gelre 2040.

3.4.2 Welstandsbeleid Oost Gelre 2017

Met het welstandsbeleid wordt richting gegeven aan gebouwen en het landschap in de gemeente Oost Gelre. Wat is belangrijk om te behouden of te beschermen en op welke plekken kunnen de burgers meer vrijheid van handelen krijgen. Deze keuze vormt de politieke component van het welstandsbeleid. De gemeenteraad heeft aangegeven meer "vrijheid" te willen en meer te willen "inspireren".

Het beleid is gericht op deregulering: voor minder bouwaanvragen een welstandstoets gebaseerd op minder en duidelijkere regels. Op de vraag hoe eventueel welstandstoezicht zou moeten plaatsvinden, wordt hier al een voorlopig antwoord geformuleerd: niet door te omschrijven hoe het gebouw moet worden, maar door aan te geven waarop de beoordeling van het ontwerp gebaseerd moet worden. Het welstandsbeleid biedt concreet gereedschappen (handvatten) voor burgers, ondernemers en gemeente om samen aan de slag te gaan met nieuwe ruimtelijke initiatieven.

Aan het welstandsbeleid is een Inspiratiedocument gekoppeld. Dit document vormt een belangrijke basis voor het welstandsbeleid. In dit document zijn de kernkwaliteiten voor Oost Gelre beschreven. Deze kernkwaliteiten en kansen voor de kernen bieden aanknopingspunten ter inspiratie voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Het plangebied is onderdeel van het "Kampenlandschap". Het kampenlandschap bestaat uit een aaneenschakeling van afzonderlijke erven, met elk hun eigen stukje landschap gevormd door bomenlanen en bosstructuren. De erven liggen aan de rand van de akker, meestal grenzend aan zowel een bosrand als een weiland. Op een aantal plekken is het kampenlandschap nog aanwezig zoals het er oorspronkelijk was. Door de kleinschaligheid van het landschap, de kleine ruimtes die ontstaan door de opgaande structuur, worden de afzonderlijke erven vanuit een beperkt aantal plekken in het landschap beleefd.

Het plan tast de kernwaarden van het kampenlandschap niet aan. Daarnaast is er een lanschappelijke inpassing opgesteld ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling. Deze is opgenomen in Bijlage 1 van deze toelichting.

3.4.3 Geluidsbeleid gemeente Oost Gelre

Geluid is een belangrijke bron van hinder en zelfs een mogelijk gevaar voor de volksgezondheid. Naar schatting een miljoen mensen in Nederland ondervinden ernstige hinder van geluid. Belangrijke bronnen zijn wegverkeer en in minder mate railverkeer en industrielawaai. Ook buren zijn belangrijke veroorzakers van geluidhinder. Het is daarom belangrijk om in het gemeentelijke geluidbeleid hinder ten gevolge van geluid te reduceren. Stilte (het ontbreken van hinderlijk geluid) is een belangrijke kernkwaliteit van de Achterhoek. Deze kwaliteit is het waard om beschermd te worden.

Daarnaast is het een belangrijke gemeentelijke taak om ruimte te bieden aan (geluidproducerende) bedrijvigheid en verkeer. Een goede balans daartussen is de uitdaging van dit beleidsstuk.

Gemeente Oost Gelre heeft in regionaal verband geluidbeleid ontwikkeld om de stilte als kwaliteit van de Achterhoek te versterken en richting te geven aan het geluidaspect in bestemmingsplannen, vergunningen e.d. De Rijksoverheid treedt steeds verder terug om geluidzaken meer decentraal te laten regelen. De gemeente Oost Gelre grijpt deze kans om maatwerk te leveren: stilte beschermen waar mogelijk en geluidruimte te bieden waar nodig.

Het gemeentelijk geluidbeleid is gebiedsgericht beleid. Het gemeentelijk beleid is verdeeld in 10 akoestisch relevante gebiedstypen, zoals natuur, agrarisch gebied, woonwijken, centra en industrieterrein. Voor elk gebied is vastgesteld welke akoestische streef-, grens- en plafondwaarden gelden. Bij nieuwe activiteiten dient een geluidbelasting tussen streef en grenswaarden te ontstaan, waarbij streefwaarden de norm zijn. Alleen akoestisch uitzonderlijke situaties geven mogelijkheden geluidbelastingen tussen grens- en plafondwaarden aan te houden. Kortom, hoe verder de geluidbelasting boven de streefwaarden komt des te belangrijker wordt een goede motivatie van deze afwijking. Doel is immers om een gekozen akoestisch leefklimaat te realiseren, indien nodig ten koste van nieuwe (te luidruchtige) activiteiten. Waar meer geluidruimte is gegeven, zijn dus ook meer activiteiten mogelijk.

Voor een toetsing aan het aspect geluid wordt kortheidshalve verwezen naar paragraaf 4.5 Hieruit volgt dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

3.4.4 Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014 - 2024

Het Rijk en de provincies leggen hun verkeer- en vervoersbeleid vast in een beleidsplan. Gemeenten zijn vrij in de manier waarop zij hun beleid vastleggen. Het is wel een verplichting om aan te geven hoe het verkeer- en vervoersbeleid in de gemeente wordt vormgegeven. Hiervoor heeft de gemeente Oost Gelre, in navolging van het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoer Plan 2011-2015 (GVVP), het "Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014-2024" vastgesteld.

Het uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 6) heeft betrekking op de periode 2014-2018 en wordt geactualiseerd. Waar voorheen het GVVP zich vrijwel uitsluitend beperkte tot een aantal maatregelen die slechts betrekking hadden op de verkeersproblematiek, is nu gekozen voor een opzet die de oplossing van verkeers- en vervoersproblemen in een breder kader plaatst.

De hernieuwde insteek voorziet in een integrale benadering van het verkeer in een landschappelijke en ruimtelijke omgeving. Verkeer is vaak een afgeleide van ruimtelijke ontwikkelingen. Vanuit deze integrale benadering zijn er ambities, aandachtspunten en beleidsprincipes in beeld gebracht. Dit leidt tot een concreet uitvoeringsprogramma om de komende jaren aan te werken. In het uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 6) is ruimte geboden voor het inbrengen van (lokale) aandachtspunten door burgers/belangengroepen. Deze zijn geïnventariseerd en vervolgens opgenomen in het uitvoeringsprogramma.

Voor een toetsing aan het aspect verkeer wordt verwezen naar de paragraaf 4.10. Hieruit volgt dat een nadere beschouwing niet nodig is.

3.4.5 Inspiratiedocumente Ruimte Oost Gelre

De gemeente Oost Gelre heeft een Inspiratiedocument Ruimte Oost Gelre opgesteld voor de kernen en buitengebied. Dit inspiratiedocument biedt een visie voor de toekomst van Oost Gelre door middel van het weergeven van de kwaliteiten. Het vormt een leidraad voor ruimtelijke ontwikkelingen.

De kern Lievelde wordt beschreven als: bereikbaar recreatiedorp in 't Veld. Eén van de zwaktes / bedreiging van het dorp is de leegstand van Loreto. Huize Loreto is een voormalig klooster van de paters Maristen, die daar tot juli 2011 woonden. De gemeente Oost Gelre beschrijft dit in het inspiratiedocument ook als kans voor een nieuwe invulling. Deze invulling is gevonden in de vorm van een Koptisch Orthodoxe Kerk. Onderhavige ontwikkeling zorgt voor de continuïteit van het Koptisch Orthodox Klooster in Lievelde.

Conclusie

Voorliggend plan is in lijn met het gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Onderzoeksresultaten

4.1 Water

Wettelijk kader

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.

Nationaal Waterplan

Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

Watertoets

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:

  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.

Toetsing

Het plangebied ligt in het beheersgebied van het waterschap Rijn en IJssel. Voor het doorlopen van de watertoets gebruikt dit waterschap de website www.dewatertoets.nl. Het waterschap kijkt, op basis van de antwoorden die op de website worden ingevuld, of bij de ruimtelijke ontwikkeling voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies.

Op basis van de ingevulde Watertoets wordt door het waterschap geconcludeerd dat de ontwikkeling waterschapsbelangen raakt. Hiervoor wordt de normale procedure in gang gezet en is er advies van het waterschap nodig. De Watertoets is toegevoegd als Bijlage 4.

Waterschap Rijn en IJssel is geïnformeerd over de plannen via deze Digitale Watertoets. Het Waterschap heeft deze watertoets beoordeeld en is akkoord met de resultaten. Voor de normale procedure moet er rekening worden gehouden met het volgende advies.

Dit advies heeft betrekking op een voorzorgsmaatregel over de kwaliteit van het oppervlaktewater. Ten alle tijden dient eventuele verontreiniging van het oppervlaktewater te worden voorkomen. In de toekomstige situatie wordt het regenwater gescheiden van het afvalwater afgevoerd. Daarnaast worden er drainage middelen gerealiseerd in de vorm van een overstort van het tuindak.

Conclusie

Met inachtneming van de voorzorgsmaatregelen, vormt het aspect water geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.2 Bodem

Wettelijk kader

Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig.

Op 1 juli 2012 zijn in Oost Gelre de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart in werking getreden. De Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart zijn bedoeld om de omgang met grond goed te regelen. Op basis van de Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is het in veel gevallen mogelijk om het hergebruik van grond als bodem zonder extra keuringen toe te staan. Grondverzet op basis van Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is mogelijk binnen de volgende gemeenten: Aalten, Bronckhorst, Berkelland, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. De Nota Bodembeheer met bodemkwaliteitskaart vormt de basis van duurzaam bodembeheer binnen de regio Achterhoek.

Toetsing

De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Verwacht wordt dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Het mausoleum betreft geen verblijfsfunctie waarbij mensen meer dan 2 uur per dag aanwezig zijn. Daarnaast is het overige gedeelte van het plangebied reeds in gebruik ten behoeve van de maatschappelijke functie. Het uitvoeren van bodemonderzoek is in deze fase niet nodig.

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.3 Flora en Fauna

Wettelijk kader

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wnb. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort.

Gebiedsbescherming

Voor onderhavig plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening.

Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voormalig EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN.

De provincie Gelderland streeft naar het veiligstellen van de verscheidenheid (biodiversiteit) en kwaliteit van de Gelderse natuur. Hiertoe zet de provincie in op de realisatie van een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden. Dit wil de provincie bereiken door de bestaande natuur in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) te beschermen en de samenhang te versterken door het uitbreiden van natuurgebieden in het GNN en het aanleggen van verbindingszones in de Groene Ontwikkelingszone (GO). Dit vindt plaats in de Omgevingsverordening Gelderland. De GNN en GO kent formeel geen externe werking.

Natura 2000-gebieden zijn door de Europese Unie (EU) aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Binnen deze gebieden mogen geen significant negatieve effecten optreden vanwege nieuwe ontwikkelingen.

Soortenbescherming

Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen:

  • alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1-3.4)
  • dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9);
  • nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.10-3.11).

Toetsing

Gebiedsbescherming

Het dichtsbij gelegen Natura 2000-gebied betreft de 'Korenburgerveen', welke is gelegen op een afstand van circa 3,2 kilometer. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Daar het plangebied niet grenst aan een Natura 2000-gebied, is van directe schade geen sprake.

Met betrekking tot het aspect stikstofdepositie worden voor onderhavige ontwikkeling geen negatieve effecten verwacht. Voor het toekomstige gebruik van het mausoleum en het klooster wordt geen (of een geringe) toename verwacht van de verkeersgeneratie. Gezien de omvang van het project en de afstand tot het Natura 2000-gebied worden geen negatieve effecten verwacht inzake stikstofdepositie.

Het plangebied ligt binnen het Gelders Natuurnetwerk (GNN), zoals is weergegeven in de onderstaande afbeelding. Gezien de aard van de plannen, de reikweidte daarvan en de locatie van het mausoleum ten opzichte van de beschermde gebieden is op voorhand uit te sluiten dat provinciale bescherming de uitvoering van het plan in de weg staat. Nader onderzoek hiernaar wordt niet noodzakelijk geacht. Daarnaast is binnen het vigerend bestemmingsplan een gebiedsaanduiding opgenomen voor de bescherming, behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Deze gebiedsaanduiding wordt in onderhavig bestemmingsplan gehandhaafd om deze bescherming in stand te houden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2050-VG01_0010.png"

Figuur 4.1: Gelders Natuurnetwerk (bron: provincie Gelderland)

Daarnaast ligt het plangebied ook binnen Groene Ontwikkelingszone (GO). Elk initiatief in de GO moet leiden tot een versterking van de natuurwaarden. Zoals in paragraaf 3.3.2 is beschreven wordt voldaan aan de regels van de provincie Gelderland binnen de GO.

Soortenbescherming

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan natuurtoets uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 5 van deze toelichting. Het doel van de quickscan is om snel te inventariseren of door de geplande ontwikkelingen schade kan ontstaan aan populaties van beschermde soorten flora en/of fauna en hoe deze schade beperkt of gecompenseerd kan worden.

Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de geplande ruimtelijke ontwikkeling, bestaande uit het bouwen van een mausoleum bij de Koptische kerk geen aanvullend onderzoek naar beschermde soort(groep)en noodzakelijk is mits er rekening gehouden wordt met de mogelijke vliegroutes van vleermuizen. Dit kan door rekening te houden met het aanlichten van het nieuw te bouwen gebouw tijdens en na de bouw.

Bij werkzaamheden en activiteiten moet daarnaast altijd rekening worden gehouden met broedvogels. De werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er moet worden voorkomen dat broedvogels zich lokaal vestigen. Bezette nesten mogen, ongeacht de tijd van het jaar, niet worden verstoord.

Bij werkzaamheden en activiteiten dient in het kader van de zorgplicht rekening te worden gehouden met kwetsbare en niet mobiele soorten, zoals egel en amfibieën.

Conclusie

Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Cultuurhistorie en archeologie

4.4.1 Archeologie

Wettelijk kader

De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.

Bij een ruimtelijk plan moet, conform de Erfgoedwet, rekening worden gehouden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden.

Toetsing

Op basis van het bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie' heeft het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 3'. Daarbij wordt de verstoringsoppervlakte die bij dit verwachtingsgebied horende grenswaarde van 1.000 m2 niet overschreden.

Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.

Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4.2 Cultuurhistorie

Wettelijk kader

In het kader van het Rijksbeleid Modernisering van de Monumentenzorg is het sinds 1 januari 2012 wettelijk verplicht om bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met cultuurhistorie. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vormt hiervoor de wettelijke basis. De ruimtelijke ordening krijgt zo een uitgesproken rol met betrekking tot het in stand houden/verbeteren van cultuurhistorische waarden.

Toetsing

De gemeente Oost Gelre heeft ongeveer 40 rijksmonumenten en 145 gemeentelijke monumenten. Het Koptisch Orthodox Klooster aan de kloosterstraat 5 is aangewezen als gemeentelijk monument. Voor onder andere de instandouding van gemeentelijke monumentale zaken heeft de gemeente Oost Gelre de 'Erfgoedverordening 2010 Oost Gelre' vastgesteld.

Op 4 mei 2020 heeft het Koptisch Orthodox Klooster een aanvraag ingedient voor een omgevingsvergunning ten behoeve van de activiteit 'Handeling met gevolgen voor beschermde monumenten'. Het college heeft besloten deze vergunning te verlenen. Er was een noodzaak om het bestaande gebouw vanwege de beoogde logiesfunctie brandveilig te maken. De aanpassingen die hiervoor noodzakelijk zijn, zijn zoveel mogelijk in overeenstemming met de monumentale waarden gekozen. De structuur van het gebouw blijft zoveel mogelijk overeind.

De wijzigingen zijn vanuit het oogpunt van monumentenzorg zorgvuldig afgewogen en tasten de monumentale waarden niet aan.

Daarnaast heeft de realisatie van het mausoleum geen negatief effect op de monumentale waarden van het Koptisch Orthodox Klooster. Integendeel, door de realisatie van het mausoleum kan het klooster zich officieel laten erkennen door het Koptisch Orthodox Patriarchaat van Alexandrië in Egypte en is daarmee van groot belang voor het Koptisch Orthodox Bisdom in Nederland.

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Geluid

Wettelijk kader

In het kader van de Wet geluidhinder is bij de wijziging van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek vereist naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen vanwege industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai. Dit geldt alleen voor (geplande) geluidsgevoelige bestemmingen die binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein liggen.

Naast het wettelijk kader van de Wet geluidhinder moet ook een afweging gemaakt worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Gemeente Oost Gelre heeft in regionaal verband geluidsbeleid ontwikkeld, om de stilte als kwaliteit van de Achterhoek te versterken en richting te geven aan het geluidsaspect in bestemmingsplannen, vergunningen en dergelijke.

Bij nieuwe activiteiten dient de geluidsbelasting te voldoen aan de streefwaarden. Een goed akoestisch leefklimaat kan soms ten koste gaan van nieuwe (te luidruchtige) activiteiten.

Toetsing

Voorliggend plan omvat geen (nieuwe) geluidsgevoelige functies. Op grond van de Wet geluidhinder is geen akoestisch onderzoek nodig.

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen blemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.6 Luchtkwaliteit

Wettelijk kader

Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). Projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 Rg/m3, NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.

Toetsing

Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van een mausoleum met een oppervlakte van circa 445 m2. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1.500 woningen, niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. Daarnaast blijkt uit paragraaf 4.10 dat het aantal verkeersbewegingen niet (of in geringe mate) toeneemt.

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7 Geur

Wettelijk kader

Bij de realisatie van gevoelige bestemmingen, zoals woningen, is het van belang dat er een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd wordt. Daarom moet rekening worden gehouden met geurcontouren van bijvoorbeeld bestaande veehouderijen. Hiervoor bieden het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) een toetsingskader.

Toetsing

Een geurgevoelig object is een gebouw dat bestemd is voor en geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Het gebouw moet hiervoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze worden gebruikt. Het mausoleum kan niet gezien worden als een geurgevoelig object. De dichtsbijzijnde agrarische bestemming bevindt zich op een afstand van meer dan 200 meter van de locatie. Dit levert geen belemmering op voor het gebruik van het klooster. Er is daarom geen aanvullend onderzoek naar geur benodigd.

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.8 Externe veiligheid

Wettelijk kader

Bij externe veiligheid gaat het onder meer om productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door voldoende afstand aan te houden tussen deze activiteiten en 'gevoelige objecten' wordt voldaan aan de wettelijke normen.

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 27 oktober 2004 en de hierin opgenomen Regeling externe veiligheid inrichtingen, geeft aan welke activiteiten/bedrijven risicocontouren kennen, waarmee rekening dient te worden gehouden bij het verlenen van vergunningen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Het Bevi heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in bedrijven tot het aanvaarde maximum te beperken. Het gaat daarbij om het beperken van de kans op en effect van een ernstig ongeval vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen. Op vergelijkbare wijze zijn de aanvaardbare risico's, verbonden aan transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en het transport door buisleidingen, vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de daarbij behorende regelingen.

Het doel wordt in Bevi, Bevt en Bevb vertaald naar de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico:

  • Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
  • Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

In Bevi, Bevt en Bevb zijn de risiconormen (plaatsgebonden risicoafstanden) wettelijk vastgelegd. Binnen deze afstanden mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht. Beperkt kwetsbare objecten mogen alleen onder zwaarwegende motieven binnen deze risicoafstanden. Er is in Bevi, Bevt en Bevb geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.

Toetsing

Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de Risicokaart en de omgeving weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2050-VG01_0011.png"

Figuur 4.2: Uitsnede risicokaart externe veiligheid (bron: Atlas Leefomgeving)

Provinciale weg N18 (Besluit en Regeling externe veiligheid transportrisico's)

Het plangebied ligt op een afstand van circa 125 meter vab de provinciale weg N18. Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen de 200 meter zone van de N18. Binnen deze zone geldt maatwerk ten aanzien van het vaststellen van het groepsrisico. De bebouwingsdichtheid rond de weg en in de omgeving van het plangebied is laag. Gelet op de beperkte personendichtheid van het plangebied en de omgeving van het plangebied is waarschijnlijk sprake van een zeer laag groepsrisico, bovendien wordt geen toename verwacht van het groepsrisico.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9 Bedrijven en milieuzonering

4.9.1 Kader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met afstemming tussen gevoelige functies en milieuhinderlijke functies. Uitgangspunt daarbij is dat nieuwe en bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de afstemming tussen functies kunnen de richtlijnen in de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) gehanteerd worden om de afstand te bepalen tussen woningen en de verschillende bedrijfscategorieën. Deze afstemming beperkt zich tot de volgende milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.

4.9.2 Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk en rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer.

Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Oost-Gelre. Daarmee kan de ligging van het plangebied worden gekenmerkt als omgevingstype 'rustige woonwijk en rustig buitengebied'.

4.9.3 Situatie plangebied

Algemeen

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. Hierbij spelen twee vragen een rol:

  • 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);
  • 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

Externe werking

Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.

Het voornemen ziet toe op het realiseren van een mausoleum. Een mausoleum kan aangemerkt worden als 'kerkgebouw'. Op basis van de VNG-brochure behoort deze functie tot milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 meter. De dichtsbijzijnde gevoelige functie betreft het Klooster op een afstand van circa 95 meter, maar deze is onderdeel van de inrichting en daarmee uitgezonderd van deze beoordeling. Andere gevoelige objecten liggen op veel grotere afstand.

Het voornemen voldoet daarmee aan de richtafstanden waardoor te concluderen is dat er geen sprake is van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonende.

Interne werking

Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving of dat de ontwikkeling leidt tot belemmeringen in de bedrijfsvoering van de bestaande functies. Het gebruik van het klooster is op onderdelen aan te merken als (beperkt) gevoelige functie.

De dichtsbijzijnde milieubelastende functie in de omgeving betreft een veehouderij ten westen van het plangebied. Op het adres Kloosterstraat 3 is een vleesvarken- en rundveehouderij gelegen. De afstand tussen de veehouderij en het plangebied bedraagt meer dan 200 meter. Op basis van de VNG-brochure behoort deze functie tot milieucategorie 4.1 met een richtafstand van 200 meter. Het voornemen voledoet daarmee aan de richtafstanden.

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

4.10 Verkeer en parkeren

Verkeer

Teneinde de verkeersgeneratie te bepalen die gepaard gaat met de beoogde ontwikkeling, dieneen de kengetallen uit de CROW-publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' te worden geraadpleegd.

Het beoogde mausoleum kan binnen de CROW-publicatie worden gedefinieerd als een 'religiegebouw'. De CROW-publicatie kent echter geen kencijfers voor het berekenen van de verkeersgeneratie van een 'religiegebouw'. Het mausoleum is een ondergeschikte functie van het klooster waardoor niet te verwachten is dat het voornemen zorgt voor een toename van de verkeersgeneratie.

Daarnaast wordt onderhavig bestemmingsplan opgesteld voor een planologische regeling voor het huidige gebruik van het klooster. Op 15 oktober 2019 heeft het college besloten bereid te zijn een tijdelijke vergunning voor het gebruik van het klooster te verlenen. Bij deze verlening is vanuit het aspect verkeer geen bezwaar tegen het voorgenomen gebruik. Het omliggende wegennet kan de hoeveelheid verkeer van en naar het klooster goed afwikkelen. Het gebruik van het klooster wijzigt beperkt ten opzichte van de huidige situatie. Vanuit het aspect verkeer zijn dus geen belemmeringen te verwachten.

Parkeren

Nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre

De nota ‘Parkeernormen gemeente Oost Gelre’ is een nadere uitwerking van het parkeerbeleid zoals dat is opgenomen in het integraal verkeersprogramma.

In deze nota is een eenduidig toepassingskader vastgelegd van de parkeernormen. Tevens zijn in deze nota de toe te passen parkeernormen van de gemeente Oost Gelre vastgelegd.

Het hanteren van parkeernormen is van belang om de vraag naar en aanbod van parkeerplaatsen met elkaar in evenwicht te houden. Bij bouwplannen (nieuwbouw, verbouw, herontwikkeling etc.) kan extra parkeerbehoefte ontstaan. De hoeveelheid en de kwaliteit van de extra te realiseren parkeerplaatsen wordt berekend aan de hand van parkeernormen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet de initiatiefnemer in principe op eigen terrein in de eigen parkeerbehoefte voorzien. Hierdoor wordt een verhoging van de parkeerdruk in de openbare ruimte voorkomen.

De basis voor deze Nota Parkeernormen is het ASVV 2012 (Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom) en publicatie 317 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' van CROW - het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte.

Uitgangspunt is dat de parkeerbehoefte volledig op eigen terrein wordt voorzien en daarmee geen hinder ontstaat naar de omgeving.

4.11 Milieueffectrapportage

Algemeen

In het Besluit m.e.r. staat wanneer een m.e.r. of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het project mogelijk maakt en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de onderdelen C en D in de bijlage bij het Besluit m.e.r. (hierna: C- en D-lijst) staat of sprake is van m.e.r.-plicht of een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2050-VG01_0012.png"

Figuur 4.3: Schema m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r. (Bron: www.Infomil.nl

Bovenstaande afbeelding laat zien dat wanneer een besluit over een activiteit die boven de C-drempel blijft voor dat besluit een m.e.r.-plicht geldt. Tussen de C- en D-drempel geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht.

Als een activiteit onder de drempelwaarden blijft uit onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r., betekent dit echter niet dat er geen beoordeling meer nodig is. De drempelwaarden zijn namelijk indicatieve waarden (zie artikel 2, lid 5, onder b van het Besluit m.e.r.). Dit betekent concreet dat wanneer de omvang van de activiteit onder de drempelwaarden blijft, het bevoegd gezag zich ervan moet vergewissen of de activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling.

Onder de D-drempel moet het bevoegd gezag dus via een vormvrije beoordeling nagaan of een formele m.e.r.-beoordeling nodig is. Dit ziet op de besluiten op grond waarvan de activiteit direct kan worden uitgevoerd.

  • In een m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Het bevoegd gezag mag de m.e.r.-beoordelingsprocedures ook overslaan en direct de m.e.r.-procedure volgen.
  • Ook in de vormvrije m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Deze beoordeling is vormvrij: de wet schrijft geen procedure voor. Als belangrijke nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten, dan moet de formele m.e.r.-procedure worden doorlopen. Uiteraard kan ook direct voor een m.e.r. gekozen worden.

Voor plannen, die een kader vormen voor een activiteit waarvoor op grond van de bijlage bij het Besluit m.e.r. een m.e.r. moet worden doorlopen dan wel een formele m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld, moet een planMER worden opgesteld.

Toetsing

Het voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een mausoleum en een wijziging in het gebruik van het klooster. Gelet op de aard en omvang van het plan betreft dit geen activiteit die voorkomt op de C-lijst en D-lijst. Bovendien blijkt uit de toetsing aan de milieuaspecten in dit hoofdstuk dat van milieueffecten geen sprake is of dat milieueffecten acceptabel zijn.

Conclusie

Er is geen noodzaak tot het opstellen van een milieueffectrapportage of een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Hoofdstuk 5 Juridisch planbeschrijving

5.1 Algemeen

De beleidsdoelstellingen zijn juridisch vertaald in de regels en de bijbehorende verbeelding. De basis voor de verbeelding, de tekening, is een recente kadastrale ondergrond en topografische gegevens. Op de verbeelding is de grens van het bestemmingsplangebied aangegeven. Binnen die grens zijn de verschillende bestemmingen met verschillende kleuren en letteraanduidingen weergegeven. Voorts zijn aanduidingen opgenomen, waarnaar in de regels wordt verwezen. Uitgangspunt voor de regels zijn de planregels die in de meest recente plannen binnen de gemeente zijn opgenomen, deels aangepast aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmings Plannen 2012 (SVBP 2012) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De planologisch-juridische regeling in dit bestemmingsplan sluit zoveel mogelijk aan bij andere recente bestemmingsplannen van de gemeente Oost Gelre.

5.2 Bestemmingsplan

Het digitale bestemmingsplan is de verzameling geometrisch bepaalde planobjecten dat is vervat in een GML-bestand is de verzameling geometrisch bepaalde planobjecten dat is vervat in een GML-bestand met bijbehorende regels. Waar nodig zijn aanduidingen op de kaart opgenomen waarvan de betekenis in de regels wordt verklaard.

5.3 Plansystematiek

5.3.1 Indeling

Verbeelding

Op de verbeelding worden de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. De bestemming is een beschrijving van de functies waarvoor de grond mag worden gebruikt.

Op de verbeelding worden tevens aanduidingen opgenomen met het oog op het aanwijzen van gebieden waarop een specifieke regeling binnen de regels van toepassing is. Deze aanduidingen krijgen in de regels een juridische betekenis.

Regels

De regels bestaan uit vier hoofdstukken:

Hoofdstuk 1: Inleidende regels

In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2).Met het oog op het kunnen bepalen van de in de regels aangegeven oppervlakte, goot- en bouwhoogten en inhoud van bouwwerken, is aangegeven waar en hoe deze worden gemeten. Tevens is aangegeven welke onderdelen van gebouwen buiten beschouwing blijven, bij het toepassen van de wijze van meten. Dit betreft het in geringe mate mogen overschrijden van bouw- en bestemmingsgrenzen met bijvoorbeeld luifels, ventilatiekanalen, schoorstenen en kroonlijsten. In de SVBP2012 zijn standaarden beschreven waaraan deze regels moeten voldoen. Indien van toepassing, worden deze één op één overgenomen.

Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels

In dit hoofdstuk zijn de (dubbel) bestemmingen vastgelegd. Per bestemming wordt het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels opgenomen.

Bestemmingsregeling

Per bestemming zijn, voor zover noodzakelijk, de volgende onderdelen onderscheiden:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • nadere eisen;
  • afwijken van de bouwregels;
  • specifieke gebruiksregels;
  • afwijken van de gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
  • wijzigingsbevoegdheid.

Bestemmingsomschrijving

De bestemmingsomschrijving omvat een opsomming van de functies/gebruiksmogelijkheden binnen de gegeven bestemming. Deze opsomming is van wezenlijk belang, aangezien deze de basis vormt voor de overige regels die opgenomen zijn binnen die bestemming.

Bouwregels

In de bouwregels zijn objectieve regels gesteld met betrekking tot de plaats en afmetingen van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Specifieke gebruiksregels

In sommige bestemmingen is het noodzakelijk om het gebruik zoals toegelaten in de bestemmingsomschrijvingen nader te specificeren. Ter nadere toelichting is in sommige bestemmingen aangegeven welke gebruiksvormen in ieder geval vallen onder strijdig gebruik zoals bedoeld in artikel 2.1 Wabo.

Afwijken van de bouw- of gebruiksregels

Afwijkingen bij een omgevingsvergunning worden gebruikt om een bestemmingsplan flexibel te maken. Er is bijvoorbeeld een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om af te kunnen wijken van de opgenomen maatvoeringen, met een maximum van 10%.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Op grond van de Wro is het mogelijk om ter bescherming van de functies in bestemmingsplan, een omgevingsvergunningstelsel op te nemen waarmee bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden omgevingsvergunningplichtig worden. In het bestemmingsplan geldt bijvoorbeeld voor de gronden met de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' een omgevingsvergunningplicht.

Hoofdstuk 3: Algemene regels

In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen - dat wil zeggen: het gehele bestemmingsplan betreffend - karakter. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene wijzigingsregels en parkeerregelgeving

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels

In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene bepalingen betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.3.2 Bebouwing

In het bestemmingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Voor de situering en maatvoering van bouwwerken is het belangrijk dat er regels zijn opgenomen met betrekking tot:

Goot- en bouwhoogte

De maximaal toegestane goot- en bouwhoogte van (hoofd)gebouwen is op de verbeelding opgenomen door middel van de aanduiding “maximale goot- en bouwhoogte”. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is opgenomen in de regels in de subparagraaf “bouwwerken, geen gebouwen zijnde”.

Situering gebouwen

Teneinde de situatie eenduidig te kunnen reguleren, is de bebouwing “gezoneerd”. Voor bouwwerken is met betrekking tot de situering op de verbeelding en in de regels onderscheid gemaakt door het gebruik van de aanduiding “bouwvlak”. Het bouwvlak is bestemd voor hoofdgebouwen.

Bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, kunnen soms ook buiten het bouwvlak worden toegestaan. De maatvoering is in de planregels uitgewerkt.

5.4 Bestemmingsregels

Maatschappelijk

Bestemmingsomschrijving

Ter plaatse van de bestemming 'Maatschappelijk' zijn maatschappelijke voorzieningen toegestaan ten behoeve van culturele, levensbeschouwelijke of religieuze doeleinde. Daarbij zijn de gronden binnen deze bestemming bestemd voor een studiehuis, geestelijke hulpverlening en retraite inclusief voor deelnemers en begeleiders, bewoning door de 'vaste' bisschop, monniken en monniken in opleiding. Ten slotte zijn de voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden bestemd voor logies en verblijf in een religieuze context, tot maximaal 50 personen tegelijkertijd.

Daarnaast zijn de daarbij behorende tuinen, erven, groenvoorzieningen, ontsluitingen, inritten en overige, functioneel met de bestemming 'maatschappelijk' verbonden voorzieningen, zoals een urnenmuur en een mausoleum toegestaan. Op deze manier is de realisatie van het mausoleum mogelijk.

Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 3

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van (te verwachten) archeologische waarden in de bodem.

Hoofdstuk 6 Economische en maatschappelijk uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg en inspraak

Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie.

Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld.

Naast bestuurlijke instanties is overleg gevoerd met de Klankbordgroep bestaande uit afgevaardigden van de corsoverenigingen en omwonenden. Zij zijn betrokken bij de invulling van de plannen voorafgaande aan de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan.

Zienswijzen en ambtshalve wijzigingen

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de wet ruimtelijke ordening. Het plan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen tegen het plan kenbaar te maken. De eventuele ingebrachte zienswijzen worden behandeld in een zienswijzenota. Hierin zullen tevens de eventuele wijzigingen met de behartiging van belangen die in het plan in het gedign zijn.

Het ontwerp bestemmingsplan heeft ter inzage gelegen van 22 december 2023 tot en met 1 februari 2024. In die periode zijn geen zienswijzen ingebracht.

Het bestemmingsplan is ambtshalve gewijzigd naar aanleiding van een opmerking van de Provincie Gelderland over de omgevingsverordening. Paragraaf 3.3. is aangevuld met toetsing aan artikel 2.65b over klimaatadaptatie.

Behoudens bovenstaande ambtshalve wijziging wordt het omgevingsplan ongewijzigd ter verstelling aangeboden aan de gemeenteraad.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Exploitatieplan

Conform artikel 6.12, eerste lid Wro moet de gemeenteraad een exploitatieplan vaststellen, tenzij conform artikel 6.12, tweede lid, onder a, het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd. Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De kosten die gepaard gaan met de bijbehorende uitvoeringskosten zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten van de ruimtelijk-juridische procedure zullen door middel van leges worden verrekend met de initiatiefnemer. De initiatiefnemer en de gemeente zijn een anterieure overeenkomst aangegaan waarmee de economische uitvoerbaarheid is vastgelegd. Een exploitatieplan is niet nodig.

Planschade

Een belanghebbende kan, na een besluit tot vaststellen van een bestemmingsplan, een verzoek indienen om een tegemoetkoming in de schade, indien die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in artikel 6.1 tweede lid Wro genoemde oorzaak (artikel 6.1 Wro). Eventuele planschade wordt verhaald op de initiatiefnemer.