direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied herziening dorpsuitbreiding Zieuwent
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Er is behoefte aan woningbouw in de kleine kernen van de gemeente Oost Gelre. Om de leefbaarheid in de kleine kernen te waarborgen is, tezamen met de dorpsbelangorganisaties de beleidsnota 'Kleine Kernen gemeente Oost Gelre' opgesteld. In deze beleidsnota wordt o.a. aangegeven dat er een aantal woningen per kleine kern worden ontwikkelt. Zo ook in Zieuwent. Een geschikte locatie is hierbij gevonden aan Werenfriedstraat. Het aantal woningen is afhankelijk van de vraag naar woningen waarbij het verkavelingsplan uitgaat van 21 woningen. Deze flexibiliteit is in dit bestemmingsplan op de verbeelding weergegeven.

Het te realiseren woningaanbod wordt gevarieerd en bestaat uit woningen rondom een hofje (woonveld), bestaande uit rijwoningen en vrijstaande woningen. Daarnaast worden 3 vrijstaande zogenaamde “boswoningen” gerealiseerd. Dit alles in een groene setting. De transformatie van het gebied past niet in het geldende bestemmingsplan. Om het project juridischplanologisch mogelijk te maken, is daarom dit bestemmingsplan opgesteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0001.png"

Inrichtingsschets plan Werenfriedstraat, fase 1 (rood omlijnd) en fase 2 uit Ontwikkelkader Zieuwent

1.2 Ligging en begrenzing

Het plangebied, Werenfriedstraat fase 1, heeft een totaal oppervlakte van circa 2,7 ha en ligt ten noorden van de Werenfriedstraat aan de kern van Zieuwent. Ten oosten van het plangebied loopt de Dorpsstraat. Aan de zuidkant en oostkant wordt aangesloten aan de bestaande woonbebouwing.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0002.png"

Plangebied woningbouwlokatie Werenfriedstraat, fase 1 Zieuwent

1.3 Geldende bestemmingsplannen

Het voor woningbouw te ontwikkelen gebied aan Werenfriedstraat in Zieuwent is gelegen in het geldend bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011' met bijbehorende Reparatieplannen. Het perceel is bestemd als 'Agrarisch' deels met dubbelbestemming 'Waarde – Archeologische verwachtingswaarde 2'.

Naast het bestemmingsplan is het facetbestemmingsplan 'Parkeren' (vastgesteld 5 juni 2018) van kracht. Dit facetbestemmingsplan voorziet in een parkeerregeling voor het hele grondgebied van de gemeente, met uitzondering van de kernen Lievelde, Zieuwent, Vragender en Harreveld.

Op 22 februari 2022 heeft de gemeenteraad het 'Parapluplan Archeologie' vastgesteld. Dit Parapluplan geldt voor het gehele grondgebied van de gemeente Oost Gelre en beschermt mogelijke archeologische waarden in de bodem.

Binnen de hierboven aangegeven bestemming is de realisatie van nieuwe woningen niet toegestaan. Daarbij zijn er voor deze bestemming in het geldende bestemmingsplan geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Via een procedure om herziening van het bestemmingsplan kunnen woningen op de beoogde locatie juridisch-planologisch mogelijk worden gemaakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0003.png"

Uitsnede uit geldend bestemmingsplan ‘Consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre 2018’ met rood omkaderd het plangebied Werenfriedstraat fase 1.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

In dit hoofdstuk wordt de huidige situatie vanuit ruimtelijk oogpunt en per functie, evenals de ontwikkelingen op basis van het vigerende beleid beschreven. Er wordt flexibiliteit geboden daar waar het kan. Rekening wordt gehouden met de dynamiek in het plangebied en ruimte voor 'reguliere' uitbreidingen en veranderingen.

2.1 Plangebied

2.1.1 Historische ontwikkeling

Op 1 januari 2019 telde Zieuwent 2.015 inwoners. Zieuwent beschikt over de meeste voorzieningen t.o.v. de andere kleine kernen. Van oudsher hebben de voorzieningen zich langs de Dorpsstraat ontwikkeld. De Dorpsstraat vormt als onderdeel van de provinciale weg op dit moment de verbinding tussen Lichtenvoorde en Ruurlo.

Door het kampenontginningen-landschap, met zijn verspreid gelegen bebouwing, had Zieuwent tot de negentiende eeuw geen echte dorpskern. Pas met de bouw van een kerk (1795) en school (1808) was sprake van een eerste aanzet tot een bescheiden dorpskern. Nog in het midden van de negentiende eeuw telde Zieuwent weliswaar ongeveer tweehonderd huizen en boerderijen, maar daarvan lagen er slechts dertien in de kom (“het Hoenderboom”). Na 1900 zette de bescheiden kernvorming zich langzaam voort. De nieuwe bebouwing concentreerde zich vooral langs de weg van Lichtenvoorde naar Ruurlo. Ook langs de Harreveldseweg en de Zegendijk verrees enige lintbebouwing. Binnen de kom herinneren enkele boerderijen en het pand van de Welkoop nog aan de agrarische oorsprong van het dorp. De 19de-eeuwse school werd na de Tweede Wereldoorlog verbouwd tot R.K. Parochiehuis. De eerste meer planmatige uitbreidingen kwamen pas na de Tweede Wereldoorlog tot stand. Belangrijkste gebouw van Zieuwent is het markante kerkgebouw de Werenfriduskerk. In 1842 werd een nieuw, zogenaamd waterstaatskerkje gebouwd, dat echter al in 1898-1899 werd vervangen door een huidige kerk in neogotische stijl. In het hart van het dorp domineert het kerkgebouw de omgeving.

Centraal in het dorp achter en tegenover de kerk bevindt zich veel en waardevol groen. Ten noorden van de kerk bevinden zich de meeste voorzieningen (school, horeca etc) terwijl aan de zuidkant enkele winkelpanden (bakker, slager, supermarkt, etc) aanwezig zijn. Het dorpsgebied wordt gevormd door de Harreveldseweg en de Zegendijk met daartussen de gevormde bebouwing. De planmatige woningbouw heeft voornamelijk plaatsgevonden in een cluster, ten noordwesten van de kern, die begrensd wordt door de Werenfriedstraat. Aan de oostzijde vormt de Haare met aanliggende bebouwing een nieuwe woonbuurt. Het laatste grote woningbouwgebied is gelegen in het zuidwestelijk deel van de kern (De Steege, Anton Mollenmanshof). Deze wijk is in 2004/2005 opgeleverd, waardoor er al een behoorlijk aantal jaren geen grote wijkontwikkeling is opgeleverd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0004.png"

Topografische kaart uit ca. 1925 (bron: www.topotijdreis.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0005.png"

Topografische kaart uit 1940 (bron: www.topotijdreis.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0006.png"

Topografische kaart uit 1975 (bron: www.topotijdreis.nl)

 afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0007.png"

Topografische kaart uit 2018 (bron: www.topotijdreis.nl)

Het meest recent (2012) is het bouwplan Bongers opgeleverd. Hiernaast wordt het plan Boerenbond ontwikkeld. Hier zijn 14 woningen (2-1 kappers, 2*3 rijwoningen en 5 appartementen) mogelijk gemaakt. In 2021 is gestart met de uitvoering van dit plan.

Het aanbod aan woningen in Zieuwent is gering.

Geconcludeerd moet worden dat er geen bestaand aanbod is voor de actuele vraag naar woningen.

2.1.2 Het plangebied

Het plangebied is gelegen aan Werenfriedstraat in het kerkdorp Zieuwent. Het plangebied is als grasland en hoogstamboomgaard in gebruik. De enige bebouwing bestaat uit een 2-tal veldschuurtjes.

In de directe omgeving van het plangebied, zijn ten oosten en ten zuiden (aan de overzijde van de Werenfriedstraat) woningen van derden gelegen. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Lichtenvoorde, sectie K, nummers 218, 224, 473, 499 en 787. De onderstaande luchtfoto toont het plangebied rood omlijnd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0008.png"

Plangebied Werenfriedstraat Zieuwent, fase 1

2.2 Stedenbouwkundig concept

Voor het plangebied is in opdracht van de gemeente een aantal stedenbouwkundige concepten uitgewerkt. Dit heeft geresulteerd in het Ontwikkelkader Zieuwent (vastgesteld d.d. 11 mei 2021).

Dit ontwikkelkader is in overleg met Zieuwents belang, omwonenden en grondeigenaren tot stand gekomen. In het Ontwikkelkader Zieuwent zijn uitgangspunten en referentiebeelden opgenomen.

Het ontwikkelkader dient als een inspiratiebron voor de toekomstige afronding van het dorp Zieuwent. In dit plan is voor Werenfriedstraat, fase 1 een nadere uitwerking gegeven.

Deze fase ziet op de ontwikkeling van het woonveld met rijwoningen, levensloopbestendige woningen en een aantal vrijstaande woningen.

Ten westen van het woonveld worden drie woningen in het bos ontwikkeld. Tezamen met het beschreven woonveld, vormen deze 3 woningen fase 1. Hiervan is onderstaand een weergave opgenomen.

Aan de hand van het Ontwikkelkader Zieuwent is voor het plangebied Werenfriedstraat fase 1 (woonveld + 3 boswoningen) een beeldkwaliteitsplan opgesteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0009.png"

Beeldkwaliteitsplan

Een beeldkwaliteitsplan vormt het toetsingskader voor toekomstige aanvragen om omgevingsvergunning onderdeel bouwen (bouwaanvragen) voor initiatiefnemers en architecten. Binnen het project Werenfriedstraat fase 1 worden, voor zover dit de te realiseren woningen betreft, ruimtelijk 2 elementen onderscheiden: het woonveld en de 3 boswoningen. Voor het gehele plangebied is voor deze beide ruimtelijke elementen een beeldkwaliteitsplan opgesteld.

Deze beeldkwaliteitsplannen, opgenomen in één document, gelden naast de gemeentelijke welstandsnota. Het beeldkwaliteitsplan en bestemmingsplan zijn in lijn met elkaar opgesteld en zullen worden vastgesteld door de gemeenteraad. Het college van B&W krijgt de bevoegdheid om afwijkingen toe te staan, mits stedenbouwkundig verantwoord.

Nadere uitwerking plangebied

Naar aanleiding van het beeldkwaliteitsplan is de inrichting van het plangebied nader uitgewerkt in een matenplan. Dit matenplan is hieronder weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0010.png"

Hoofdstuk 3 Beleid

Voor het gebied geldt een groot aantal juridische kaders en beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste samengevat. Op internationaal niveau zijn diverse regelingen van kracht die de duurzame instandhouding van habitats en soorten tot doel hebben. De meest verplichtende regelingen van de Europese unie zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Op nationaal en provinciaal niveau zijn eveneens een groot aantal juridische kaders en beleidskaders van toepassing op het plangebied.

3.1 Internationaal niveau

3.1.1 Vogelrichtlijn

De "Vogelrichtlijn" (79/409/EG) uit 1979 heeft tot doel: de bescherming en het beheer van alle op het grondgebied van de Europese Unie in het wild levende vogels en hun habitats. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van al deze vogelsoorten en in het bijzonder de trekvogels en zijn verplicht om de verschillende natuurlijke habitats die het leefmilieu van de wilde vogels vormen, in stand te houden. Op grond van deze richtlijn worden gebieden aangewezen als Speciale Beschermingszone. Deze gebieden maken deel uit van het Europese initiatief om een ecologisch netwerk van natuurgebieden duurzaam te beschermen (Natura 2000). Daarnaast stelt de richtlijn nadere regels voor de bescherming, het beheer en de regulering van vogelsoorten.


De rechtsgevolgen die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn betreffen, naast het aanwijzen van de Speciale Beschermingszones, ook de verplichting om passende maatregelen te nemen om de kwaliteit van de leefgebieden van de vogelsoorten niet te laten verslechteren. Verder mogen er geen storende invloeden optreden in gebieden die negatieve gevolgen hebben voor het voortbestaan van de vogelsoorten, die door de Vogelrichtlijn beschermd worden. Nieuwe plannen of projecten in en in de nabijheid van Speciale Beschermingszones worden volgens de richtlijn getoetst.


Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0011.png"

3.1.2 Habitatrichtlijn

De in 1992 vastgestelde "Habitatrichtlijn" is het voornaamste stuk wetgeving van de Europese Gemeenschap ter bevordering van de biologische verscheidenheid. Deze richtlijn houdt de verplichting in voor deelstaten om de habitats en soorten, die voor de Europese Unie van belang zijn, in stand te houden. Iedere lidstaat moet op zijn grondgebied de gebieden die voor het behoud van de onder de richtlijn vallende habitats en soorten het belangrijkst zijn, identificeren en vervolgens aanwijzen als Speciale Beschermingszones.


Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn.

3.1.3 Het verdrag van Valletta (Malta)

Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed waar mogelijk te behouden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang, beter nog het cultuurhistorisch belang, vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer. Invoering van het verdrag heeft gevolgen voor het huidige archeologisch bestel. Het moet nog (beter) in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd worden. Alle overheden hebben zorgplicht voor archeologische waarden gekregen, dus ook de gemeenten. In de ruimtelijke ordening wordt aan veel aspecten aandacht geschonken en worden tal van belangen tegen elkaar afgewogen. Voor veel zaken wordt de afweging gestuurd door wet- en regelgeving. Het verdrag van Malta heeft tot gevolg dat dit ook voor de archeologie het geval is. Door het verdrag heeft (ook) de gemeente de inspanningsverplichting de archeologische waarden te beschermen.

Ter bescherming van de archeologische waarden heeft de gemeente Oost Gelre een beleidsnota met -kaarten vastgesteld en deze doorvertaald en opgenomen in de geldende bestemmingsplannen.

Momenteel ligt er een ontwerp 'Parapluplan Archeologie' ter inzage. Met de op te stellen planregels is hier rekening mee gehouden.

In paragraaf 4.2 wordt archeologie nader toegelicht.

3.1.4 Kaderrichtlijn water

De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW is sinds december 2000 van kracht en maakt het mogelijk om waterverontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De kaderrichtlijn is geen vrijblijvende richtlijn, ze vormt een Europese verplichting, waar de waterbeheerder (Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten) niet omheen kan. De belangrijkste uitgangspunten van de KRW zijn:

  • De vervuiler betaalt
  • De gebruiker betaalt
  • Na 2000 geen achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van het water
  • Resultaatsverplichting in 2015
  • Stroomgebiedsbenadering

Via de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan normen voor bepaalde chemische stoffen (waaronder de zogeheten prioritaire (gevaarlijke) stoffen). Worden die normen gehaald, dan spreken we van 'een goede chemische toestand'. Daarnaast moet het oppervlaktewater goed zijn voor een gevarieerde planten- en dierenwereld. Is dat het geval, dan heet dat 'een goede ecologische toestand'. Hieronder valt ook een groot aantal andere chemische stoffen dan de hierboven al genoemde prioritaire (gevaarlijke) stoffen. Voor het grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen. Daarnaast moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen bijvoorbeeld natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand (goede kwantitatieve toestand).Voor verschillende typen wateren gelden verschillende ecologische doelstellingen. In een plas leven bijvoorbeeld andere planten- en dierensoorten dan in kustwater. Daarom verschillen de ecologische doelen per watertype. De chemische normen zijn bij ieder water ongeveer hetzelfde, met uitzondering van de nutriënten. Daarvoor geldt weer wel een benadering die per watertype kan verschillen.

Bij onderhavig bestemmingsplan is een watertoets uitgevoerd, opgenomen in paragraaf 4.4, waarbij rekening is gehouden met bovengenoemde doelstellingen.

Conclusie Internationaal beleid

Het Internationaal beleid vormt geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
3.2.1.1 Algemeen

Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.

3.2.1.2 Vier prioriteiten

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.

1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.

2. Duurzaam economisch groeipotentieel

Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair.

3. Sterke en gezonde steden en regio's

Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd.

4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zet het Rijk in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.

3.2.1.3 Afwegingsprincipes

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies.

In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;

2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal.

Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;

3. Afwentelen wordt voorkomen.

Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties.

3.2.1.4 Toetsing aan de NOVI

In voorliggend geval betreft een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Bij het uitwerken van het plan zijn de kenmerken en identiteit van het gebied centraal gesteld.

Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling.

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de AMvB die het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid vormt voor bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden en zich primair richt tot de gemeente. Daarnaast kan het Barro aan de gemeente opdragen om in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.

Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau.

Op 30 december 2011 is de eerste tranche van het Barro in werking getreden. Deze eerste tranche van het Barro bevat een vertaling van het geldende planologische beleid dat bedoeld was om op lokaal niveau: in bestemmingsplannen, te worden verwerkt. De vastgestelde onderdelen van het Barro Ruimte hebben betrekking op onder meer het kustfundament, de grote rivieren en het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR).

Op 1 oktober 2012 is de tweede tranche van het Barro in werking getreden. Deze tranche vormt een vertaling van nieuw ruimtelijk beleid van het Rijk, dat eerder is vastgelegd in o.a. de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de MIRT-agenda's.

Dit deel van het Barro bevat regels voor onder meer het Natuur Netwerk Nederland (de opvolger van de ecologische hoofdstructuur), radarverstoringsgebieden, militaire terreinen, gebieden van uitzonderlijke universele waarde en reserveringsgebieden voor (nieuwe en uitbreiding van bestaande) hoofdwegen en spoorlijnen.

3.2.3 Besluit ruimtelijke ordening

Ladder voor duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Om gebruikers goed te kunnen ondersteunen bij de toepassing van de nieuwe Ladder heeft het Rijk een nieuwe handreiking opgesteld.

De nieuwe handreiking begint met de vraag om wat voor een plan het gaat. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Vervolgens dient bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen in eerste instantie gekeken te worden of er behoefte is aan nieuwe ruimte voor woningen. Als de behoefte voldoende is gemotiveerd, wordt gekeken of aan deze behoefte kan worden voldaan door het benutten van locaties voor herstructurering, intensivering of transformatie binnen bestaand stads- en dorpsgebied. Als ook dat niet tot de mogelijkheden behoort, wordt – onder voorwaarden - aansluitend aan het bestaand stads- en dorpsgebied een locatie gezocht. Door de ladder voor duurzame verstedelijking toe te passen, wordt verstedelijking zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied geconcentreerd. Hiermee wordt de kwaliteit van het bebouwde gebied behouden en versterkt.

Nieuwe stedelijke ontwikkeling

Onderhavige ontwikkeling betreft het mogelijk maken van een circa 21-tal woningen, in de vorm van vrijstaande en rijwoningen. In artikel 1.1.1 van het Bro is het begrip 'stedelijke ontwikkeling' nader toegelicht, waarbij het gaat om 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Nu het een woningbouwlocatie betreft met een omvang van circa 21 woningen, is hier sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.


Behoefte

Op 15 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Oost Gelre de 'Woonvisie Kleine kernen' vastgesteld met als titel: 'Ruimtelijke verkenning wonen kleine kernen Oost Gelre'. In deze woonvisie is een duidelijke opgave opgenomen: ‘passende woonruimte voor iedereen in de kleine kernen’.

Er is een behoorlijke actuele behoefte aan nieuwe woningen. De huidige plancapaciteit is niet voldoende om te voorzien in de behoefte. De ruimtelijke opgave voor de kleine kernen is als volgt samengevat:

  • Per kern (m.u.v. Zwolle) op korte termijn ongeveer 15 woningen toevoegen (0-2 jaar) naast de bestaande plannen.
  • Het exacte getal is niet leidend, maar geeft een richting voor de opgave, de kwaliteit van plannen en de actuele behoefte is leidend.
  • Bij het zoeken van locaties rekening houden met de bandbreedte behoefte en wijzigingen in het aantal vestigers; daarom zoeken we locaties voor minimaal 30 woningen.
  • Actuele behoefte blijven monitoren en daarop kunnen anticiperen bij lokale ontwikkelingen.
  • Bij nieuwe ontwikkelingen rekening houden met het kwalitatief beeld, waarbij we expliciet inzetten op de betaalbaarheid voor koopwoningen. Dit kan ook doorstroming op de markt creëren.

Uit een kwantitatief en kwalitatief woonbehoefteonderzoek onder dorpsbelangen organisatie Zieuwents belang uitgevoerd onder de inwoners van Zieuwent blijkt voor de korte termijn een grote woonbehoefte naar koopwoningen. Waarbij de resultaten aangeven dat in alle segmenten behoefte is naar woningen, vrijstaand, 2-onder-een kap en ook een duidelijke piek in het marktsegment voor rijwoningen en levensloopbestendige woningen.

Aanvullende beschrijving van voornoemde Woonvisie is opgenomen in paragraaf 3.4.1.

Bestaand stedelijk gebied

Het planvoornemen betreft een nieuw woongebied waarbij bestaande woonbebouwing in de kern van Zieuwent wordt afgerond. Daarmee is het een nieuwe stedelijke ontwikkeling direct aansluitend aan bestaand stedelijk gebied.

Het planvoornemen betreft de realisatie van een nieuw woongebied aansluitend aan de bestaande bebouwing van de dorpskern Zieuwent, aan de overzijde van de Werenfriedstraat. Hiermee kan dit project worden beschouwd als een nieuwe stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied.

Conclusie

Uit bovenstaande onderbouwing kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en dat de behoefte wel degelijk aanwezig is. Er is sprake van een duurzame verstedelijking.

De ladder van duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.

Algemene conclusie Rijksbeleid

Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening

De provincie heeft haar visie op de omgeving vertaald in de 'Omgevingsvisie Gelderland'. Deze is vastgesteld op 9 juli 2014. Op 24 september 2014 is de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Provinciale Staten van de provincie Gelderland hebben op 1 januari 2018 een geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld en deze doorvertaald in de Omgevingsverordening. De provincie streeft onder andere naar het versterken en behouden van de vitaliteit van kleinere kernen en dorpen. Om dit te bereiken dienen stedelijke functies waar mogelijk te worden gebundeld en geconcentreerd. Daarnaast ondersteunt de provincie bij de aanpak van leegstand in dorpen en kernen.

De omgevingsverordening richt zich op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.

Toetsing Omgevingsverordening

Voor het plangebied geldt artikel 2.2 uit de Omgevingsverordening : "Instructieregel bestemmingsplan doorwerking regionale woonagenda".

1. Een bestemmingsplan maakt nieuwe woningen alleen mogelijk als die ontwikkeling past binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda.

2. Als een ontwikkeling niet past binnen de vigerende regionale woonagenda, kan een bestemmingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonagenda nieuwe woningen toch mogelijk maken onder de volgende voorwaarden:

a. er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking;

b. de ontwikkeling past binnen het meest recente provinciale beleid;

c. er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden over deze ontwikkeling, en Gedeputeerde Staten stemmen in met deze ontwikkeling.

Met dit bestemmingsplan wordt bijgedragen aan het realiseren van voldoende woningen in het kerkdorp Zieuwent, die daarnaast voldoen aan de recentelijke regionaal en lokaal vastgestelde Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouwinitiatieven, en vindt er een kwalitatieve versterking van de leefomgeving plaats.

De gemeenteraad van Oost Gelre heeft op 20 september 2016 de Woonvisie 2016 - 2025 vastgesteld en daarnaast recentelijk regionale kwaliteitscriteria vastgesteld. De gemeenten in de Achterhoek hebben gezamenlijk een visie voor het woonbeleid vastgesteld (zie ook paragrafen 3.4.1 en 3.5.1). Dit bestemmingsplan voorziet in de bouw van circa 21 woningen gelegen in een groene setting. Het gaat om koopwoningen in de vorm van vrijstaande, aaneengebouwde en rijwoningen voor starters, doorstromers, gezinnen en senioren. Met dit gemengde programma en deze aantallen wordt aangesloten op het regionale woonbeleid. Hiermee is het plan, kwalitatief en kwantitatief, in overeenstemming met artikel 2.1 en 2.2 van de omgevingsverordening.

Conclusie

Bij het opstellen van de regels van dit bestemmingsplan is zoveel mogelijk rekening gehouden met de regels uit de Omgevingsverordening Gelderland. Nu de ontwikkeling van de woningen ook past binnen de provinciale omgevingsvisie en -verordening past het plan binnen het provinciaal beleid.

3.4 Regionaal beleid

3.4.1 Regionale woonagenda 2015 - 2025

De gemeenten in de Achterhoek hebben gezamenlijk een visie voor het woonbeleid vastgesteld. Een demografische ontwikkeling in deze regio is dat het aantal inwoners in de komende periode langzaam maar zeker afneemt. In de Regionale Woonvisie wordt ingespeeld op die bevolkingsdaling en afname van het aantal huishoudens. Concreet betekent dit voor iedere gemeente in de Achterhoek dat de aangegeven bouwvolumes in de gemeentelijke woonvisies naar beneden bijgesteld moeten worden.

De Regionale Woonvisie is in 2013 geëvalueerd. Dit heeft geleid tot een bijstelling, in de vorm van een Regionale woonagenda 2015-2025. Deze woonagenda richt zich primair op het ontwikkelen van een evenwichtige kwalitatieve en kwantitatieve woningvoorraad en secundair op het voorkomen en aanpakken van leegstand in maatschappelijk vastgoed en op wonen en zorg.

Het Achterhoeks Woonwensen- en Leefbaarheidsonderzoek (AWLO) van maart 2018 laat zien dat er kwalitatieve tekorten en overschotten zijn tussen vraag en aanbod van woningen (mismatch) in de regio Achterhoek. Daarnaast blijkt uit de nieuwste Primosprognose dat het aantal huishoudens in de regio Achterhoek tot 2030 blijft groeien. Er zijn daardoor op regioniveau extra woningen nodig bovenop de bestaande woningbouwafspraken die vastliggen in de Regionale woonagenda.

In 2019 is een regionale set aan kwaliteitscriteria vastgesteld op basis waarvan nieuwe woningbouwplannen worden beoordeeld. Daarmee wordt beoogd dat alleen extra nieuwbouw wordt toegevoegd, als dit bijdraagt aan het oplossen van de mismatch op de lokale woningmarkt. De notitie "Kwalitatieve toetsingscriteria woningbouw Achterhoek" beschrijft dit regionale kader, de te hanteren werkwijze en het monitoren van de nieuwe woningbouwinitiatieven.

Diverse onderzoeken laten zien dat er kwalitatieve tekorten en overschotten zijn tussen vraag en aanbod van woningen in de regio Achterhoek. Daarnaast blijkt uit de nieuwste Primosprognose dat het aantal huishoudens in de regio Achterhoek tot 2030 blijft groeien. Er zijn daardoor op regioniveau extra woningen nodig bovenop de bestaande woningbouwafspraken die vastliggen in de Regionale Woonagenda Achterhoek 2015-2025.

De gemeenten in de Achterhoek hebben gezamenlijk een visie voor het woonbeleid vastgesteld, om in te spelen op de veranderde behoefte. In het najaar van 2019 is de Regionale Woonagenda op onderdelen aangepast. Daarmee wordt vooruitgelopen op de nieuwe Regionale Woonagenda. Het beleidskader is in lijn met de koers Ruimte voor goed wonen van de provincie en met het provinciale coalitieakkoord. Een aantal passages zijn niet meer van toepassing, zoals:

  • de afspraken over de woningbouw tot 2025 over de netto toevoegingen incl. 10% extra verlaging (pag. 3 en 4 en uit samenvatting pag. 7,11, 12) en het schema over de bouwopgave (pag. 12) en;
  • hoofdstuk 5, pagina 11 onder kopje 'De gewenste situatie': de passage over de regionale huishoudensgroei in de Regionale Woonagenda Achterhoek 2015-2025 is achterhaald door de nieuwe Primos-prognose, waarbij per gemeente of kern wel verschillen in de bevolkingsontwikkeling kunnen bestaan.

Conclusie

Het regionale beleid vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

3.5 Gemeentelijk beleid

3.5.1 Woonvisie Oost Gelre (2016)

De gemeente Oost Gelre heeft een eigen woonvisie vastgesteld voor de periode 2016-2025. Deze is door de gemeenteraad vastgesteld op 20 september 2016. De woonvisie Oost Gelre is een kernachtige en toegankelijke visie. De visie is vormgegeven op basis van een drietal thema's: kwantiteit & kwaliteit, beschikbaarheid & betaalbaarheid en wonen met zorg en welzijn. Bij ieder thema is aangegeven wat wordt gezien als ontwikkelingen, wat er bereikt moet worden en wat hiervoor moet worden gedaan.

Woningbouwbehoefte Oost Gelre (2019)

Uit nieuwe bevolkingsprognoses blijkt dat de komende jaren extra woningen moeten worden toegevoegd. Op basis van het onderzoek “Woningbouwbehoefte Oost Gelre” is er een behoefte van 560 woningen (2018-2025) met daarbij een bandbreedte tussen de 460 woningen en 660 woningen. Aan de hand van het besluit van de gemeenteraad van 17 september 2019 wordt dit als nieuwe uitgangspunt genomen voor lokaal beleid en de woningbehoefte voor Oost Gelre.

Monitoring Woningbouw (2021)

In dat besluit is besloten dat de woningbehoefte kan worden bijgeteld op basis van nieuwe gegevens over de demografische ontwikkeling en/of de woningmarkt. Er is besloten om elk jaar een bijstelling te doen in een vaste cyclus. Op basis van monitoring kan worden bepaald of er een noodzaak is om het beleid bij te stellen. Met de notitie 'Monitoring Woningbouw' is het huidig beleid geactualiseerd. De monitoring is op 16 februari 2021 vastgesteld door het college, waarin de behoefte voor de periode 2018-2025 is bijgesteld van 560 naar 660 woningen. In de praktijk komt het voor dat plannen uiteindelijk niet doorgaan of niet ontwikkeld worden. Om in de toekomst sneller in te kunnen spelen op de woningmarkt, stuurt men de plancapaciteit op 130% van de behoefte. Daarom is weer extra ruimte voor woningbouw.

3.5.2 Woonvisie Kleine kernen

Op 15 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Oost Gelre de 'Woonvisie Kleine kernen' vastgesteld met als titel: 'Ruimtelijke verkenning wonen kleine kernen Oost Gelre'. In deze woonvisie is een duidelijke opgave opgenomen: ‘passende woonruimte voor iedereen in de kleine kernen’.

Deze ruimtelijke verkenning bestaat uit vier hoofdstukken. Dit is schematisch weergegeven met daarbij de belangrijkste vraag per hoofdstuk. In het hoofstuk “Introductie” wordt de aanleiding, het doel en het proces tot dusver beschreven. In het hoofdstuk “Behoefte & kwaliteit” staan de demografische ontwikkelingen en de woningbouwbehoefte. Daarnaast heeft iedere kleine kern onder haar inwoners de behoefte gepeild, bijvoorbeeld door een enquête en/of informatieavonden. Dit is vertaald in de ruimtelijke woningbouw opgave voor de kleine kernen. Daarnaast is het belangrijkste beleid voor de locatiekeuzes aangegeven. In het hoofdstuk “Uitvoering” is het beleid vertaald in een “leefbaarheidsthermometer”; hiermee wordt een kwaliteitswaarde aan denkbare woningbouwlocaties gegeven. In dit hoofdstuk staat een ruimtelijke- en landschappelijke beschrijving van iedere kern. Vervolgens is voor iedere kern een kaart opgenomen met woningbouwlocaties en een strategie per kern (waar gaan we gezamenlijk mee aan de slag). In het hoofdstuk “Uitvoering” is globaal aangegeven hoe het vervolg proces wordt ingestoken. Daarnaast is er een “uitnodigingskaart” opgenomen voor nieuwe woningbouw initiatieven.

Er is een behoorlijke actuele behoefte aan nieuwe woningen. De huidige plancapaciteit is niet voldoende om te voorzien in de behoefte. De ruimtelijke opgave voor de kleine kernen is als volgt samengevat:

  • Per kern (m.u.v. Zwolle) op korte termijn ongeveer 15 woningen toevoegen (0-2 jaar) naast de bestaande plannen.
  • Het exacte getal is niet leidend, maar geeft een richting voor de opgave, de kwaliteit van plannen en de actuele behoefte is leidend.
  • Bij het zoeken van locaties rekening houden met de bandbreedte behoefte en wijzigingen in het aantal vestigers; daarom zoeken we locaties voor minimaal 30 woningen.
  • Actuele behoefte blijven monitoren en daarop kunnen anticiperen bij lokale ontwikkelingen.
  • Bij nieuwe ontwikkelingen rekening houden met het kwalitatief beeld, waarbij we expliciet inzetten op de betaalbaarheid voor starters en levensloopbestendige woningen. Dit kan ook doorstroming op de markt creëren.

Ruimtelijke structuur kernen

Voor elk kerkdorp is een structuurkaart opgesteld. Beheer, versterken en verduurzamen van de bestaande dorpse bebouwde omgeving is het belangrijkste voor de kleine kernen. Voor iedere kern is gekeken naar de ruimtelijke structuren. Het voorliggende plan ligt binnen het gebied 'Landschappelijk wonen'.

Iedere kern heeft zijn eigen centrum. Hier ligt vaak nog een concentratie van voorzieningen en vaak ook een mogelijkheid naar een herbestemming voor wonen. De kerk en het kerkplein liggen in het dorpscentrum. Dorpse gestapelde bebouwing komt bij uitstek in dit gebied voor. Om gedegen keuzes te maken over welke gebieden/plekken het meest wenselijk of als meest haalbaar worden geacht als woningbouw locaties, wordt gebruik gemaakt van de zogeheten leefbaarheidsthermometer. De leefbaarheidsthermometer heeft als uitgangspunt: bouwen op die plekken waar het de leefbaarheid van de kernen het meest ten goede komt. Het uitgangspunt hierbij is “van binnen naar buiten” (te lezen als van bestaand stedelijk gebied naar buitengebied; inbreiding voor uitbreiding). De thermometer slaat uit van groen (wenselijk) naar rood (minst wenselijk) op het vlak van leefbaarheid. Waarbij werkend van groen naar rood het proces van gedegen afpellen van de woningbouwmogelijkheden in elke kern weergeeft. Daarbij is telkens de afweging gemaakt of een locatie binnen 0-2 jaar te realiseren is. Dus mocht er een inbreidingslocatie op korte termijn voorhanden zijn, dan geniet dit de voorkeur. Mocht er geen inbreidingslocatie voorhanden zijn, dan wordt er gekozen voor een dorpslintafronding. Mocht er in de kern op korte termijn ook geen dorpslintlocaties voorhanden zijn, dan wordt er gekozen voor uitbreidingslocatie.

Uit een participatieproces met inwoners is naar voren gekomen dat er onvoldoende kansen/locaties (op korte termijn) waren om de woningbouwopgave op korte termijn in te vullen voor Zieuwent. Er hebben zich geen initiatiefnemers gemeld voor inbreidingslocaties. Realisatie van een woondroebel is opzich zelf ook mogelijk in Zieuwent, echter er hebben zich geen initiatiefnemers gemeld voor realisatie van een woondroebel op een (voormalige) agrarische locatie. Op dit moment is het dus nog (te) onzeker om te zeggen of realisatie van een inbreidingslocatie(s) periode (0-2 jaar) haalbaar is.

De locatie omgeving Werenfriedstraat stond in de conceptvisie als optie voor de lange termijn. Dit gebied is nu aangewezen als een kansrijk gebied voor "landschappelijk wonen". Het gaat om een groot gebied waarbinnen een passende locatie (s) gezocht kan worden voor woningbouw. Wel is van belang om wonen samen te laten gaan met versterking van het landschap. Het gebied zou kunnen worden vormgegeven als recreatief/landschappelijk uitloop gebied van het dorp waarbinnen de woningen een natuurlijk positie krijgen. Mocht er geen zicht ontstaan op realisatie van andere initiatieven, dan wordt ingezet op realisatie van dit gebied. Dorpsbelangen en de directe omgeving worden op een participatieve wijze betrokken bij het haalbaarheidsonderzoek en het maken van de stedenbouwkundige verkavelingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0012.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0013.png"

Op de kaart hierboven staat het ruimtelijke structuurbeeld voor Zieuwent weergegeven. Hierop is een overzicht gemaakt van denkbare woningbouwlocaties in Zieuwent. Op basis van het landschapsbeeld en de leefbaarheidsthermometer is er een locatiestrategie gekozen voor de komende jaren.

Aan de zuidkant van de Dorpsstraat en De Steege liggen enkele open terreinen in het lint van de straten. In beginsel hebben inbreidingslocaties de voorkeur voor realisatie van nieuwbouw. Mocht er echter behoefte zijn en er geen inbreidingslocatie(s) voorhanden zijn, dan is het stedenbouwkundig afronden van dorpslinten kansrijk. Het initiatief voor ontwikkelingen ligt bij de eigenaren. De gemeente heeft een positieve grondhouding (ja, mits), waarbij gebruikt wordt gemaakt van de uitnodigingskaart.

Na vaststelling van de Woonvisie Kleine Kernen hebben zich geen inbreidingslocaties of andere mogelijkheden voor dorpsafrondingen voorgedaan, waar op korte termijn (binnen 2 jaar na oktober 2019) woningbouw mogelijk is.

Zodoende heeft de gemeente, in samenspraak met dorpsbelangen organisatie Zieuwent Belang, de omgeving van Werenfriedstraat als een kansrijke locatie aangewezen. De ontwikkeling van Werenfriedstraat is ook op korte termijn realiseerbaar. De woningen zijn voor gemengde doelgroepen bedoeld, zoals starters, gezinnen en senioren, wat aansluit op de actuele vraag in de kleine kernen.

Bovenstaande heeft geresulteerd in het door de gemeente, in samenspraak met Zieuwents Belang, omwonenden en grondeigenaren, opgestelde en door de gemeenteraad vastgestelde Ontwikkelkader Zieuwent. Dit Ontwikkelkader Zieuwent ziet op de mogelijkheden om de omgeving Werenfriedstraat te ontwikkelen en biedt daarvoor de kaders.

3.5.3 Ontwikkelkader Zieuwent

Op 11 mei 2021 is in de gemeenteraad het Ontwikkelkader Zieuwent vastgesteld. Dit ontwikkelkader is een uitwerking van de ‘Ruimtelijke verkenning wonen kleine kernen’, en is in nauw overleg tussen Zieuwents belang, gemeente Oost Gelre, omwonenden en grondeigenaren tot stand gekomen.

Al deze partijen zijn op een participatieve wijze betrokken bij het haalbaarheidsonderzoek en het maken van de stedenbouwkundige verkavelingen. De twee studiemodellen in dit ontwikkelkader hebben geresulteerd in een voorkeursvariant. Deze is in het ontwikkelkader nader uitgewerkt.

Een voorkeursvariant die breed gedragen is en welke gefaseerd en passend bij het dorp Zieuwent gerealiseerd kan worden. De nieuwe woningbouw zal dus gefaseerd uitgevoerd worden. De toekomstige woningbouw kan plaatsvinden in 2 woonvelden, die beide rechtstreeks vanaf de Werenfriedstraat ontsloten worden. Dit biedt een goede uitgangspositie voor een gefaseerde ontwikkeling. Per woonveld dient de woningdifferentiatie afgestemd te worden op de woningbehoefte, die op dat moment actueel is. Hieronder is een mogelijke invulling van deze voorkeursvariant weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0014.png"

Inrichtingsschets plan Werenfriedstraat, fase 1 (rood omlijnd) en fase 2 uit Ontwikkelkader Zieuwent

Het Ontwikkelkader Zieuwent is globaal van opzet, waarbij al een mogelijke verkaveling per woonerf is aangegeven. In principe is de invulling van een woonveld nog vrij, zij het, dat hier wel een aantal uitwerkingsregels voor opgesteld worden. Bijvoorbeeld de groene randen van het velden zijn altijd herkenbaar. Naast woningbouw in een tweetal woonvelden biedt het ontwikkelkader ook ruimte voor “wonen in het bos”. Fase 1 ziet op de ontwikkeling van een woonveld (A) en de boswoningen (B).

Onderhavig plan ziet op de ontwikkeling van fase 1 uit het ontwikkelkader Zieuwent. Binnen fase 1 voorziet het Ontwikkelkader Zieuwent in de realisatie van een woonveld met een mix aan woningen en daarnaast de realisatie van een 3-tal vrijstaande boswoningen.

3.5.4 Erfgoednota 'Wi-j doet 't samen' 2017-2020

Cultuur en erfgoed dragen bij aan de economie en de maatschappij. Zij dragen bij aan het toerisme en aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bedrijven en bewoners. Door de gemeenten Winterswijk, Aalten en Oost Gelre is gezamenlijk de erfgoednota opgesteld. Het beleven van erfgoed is een van de ambities in deze nota om daarmee het (economisch) rendement te vergroten. Het doel van de nota is het vaststellen van ambities voor de ontwikkeling en instandhouding van het erfgoed, zodat dit:

  • op een goede wijze kan worden doorgegeven aan de volgende generatie;
  • een inspiratiebron en motor kan zijn voor nieuwe ontwikkelingen;
  • een verbinding vormt tussen diverse beleidsterreinen, organisaties en de drie gemeenten;
  • de identiteit onderstreept en versterkt.
3.5.5 Beleidsvisie Externe veiligheid

Als gevolg van enkele rampen en incidenten, zoals de vuurwerkramp in Enschede, is externe veiligheid een belangrijk thema geworden. Deze rampen en incidenten hebben ertoe geleid dat de Rijksoverheid diverse maatregelen heeft genomen om acht te krijgen op de risicobronnen in Nederland en het optimaliseren van de risicobeheersing rondom de risicobronnen. Maatschappelijk gezien hebben deze rampen eveneens een belangrijke bijdrage geleverd aan de bewustwording van het leven met veiligheidsrisico's. Helder is dat de huidige maatschappij nu eenmaal veiligheidsrisico's met zich meebrengt, maar dat er wel grenzen aan deze risico's gesteld moeten worden.

Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente allereerst haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten.

Daarnaast wordt aangegeven welke maatregelen genomen moeten worden om de geformuleerde ambities te realiseren en welke instrumenten daarvoor kunnen worden ingezet. De maatregelen worden uitgewerkt in andere gemeentelijke documenten (bestemmingsplannen / streekplannen, milieuvergunningen en rampenbestrijdingsplannen). In die zin bestrijkt de beleidsvisie zowel de beheersing van risico's als de bestrijding van een ramp wanneer die zich voordoet.

Externe veiligheid is nader beschreven in paragraaf 4.9.

3.5.6 Welstandsbeleid Oost Gelre 2017

Met het welstandsbeleid wordt richting gegeven aan gebouwen en het landschap in de gemeente Oost Gelre. Wat is belangrijk om te behouden of te beschermen en op welke plekken kunnen de burgers meer vrijheid van handelen krijgen. Deze keuze vormt de politieke component van het welstandsbeleid. De gemeenteraad heeft aangegeven meer "vrijheid" te willen en meer te willen "inspireren".


Het beleid is gericht op deregulering: voor minder bouwaanvragen een welstandstoets gebaseerd op minder en duidelijkere regels. Op de vraag hoe eventueel welstandstoezicht zou moeten plaatsvinden, wordt hier al een voorlopig antwoord geformuleerd: niet door te omschrijven hoe het gebouw moet worden, maar door aan te geven waarop de beoordeling van het ontwerp gebaseerd moet worden. Het welstandsbeleid biedt concreet gereedschappen (handvatten) voor burgers, ondernemers en gemeente om samen aan de slag te gaan met nieuwe ruimtelijke initiatieven.

Inspiratiedocument Ruimte Oost Gelre

Aan het welstandsbeleid is een Inspiratiedocument gekoppeld. Dit document vormt een belangrijke basis voor het welstandsbeleid. In dit document zijn de kernkwaliteiten voor Oost Gelre beschreven. Deze kernkwaliteiten en kansen voor de kernen bieden aanknopingspunten ter inspiratie voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Bovendien is aan onderhavig plan nog een beeldkwaliteitsplan gekoppeld, dat ook door de gemeenteraad is vastgesteld en eveneens richtinggevend is.

3.5.7 Economische visie - Economie Voorop !

Een sterke economie is een van de belangrijkste voorwaarden om te kunnen blijven bouwen aan een gezonde gemeente. Werk is daarbij een van de belangrijkste pijlers. Werk biedt mensen de kans tot ontwikkeling, het bevordert de integratie, biedt sociale contacten en structuur en betrekt de burger bij de samenleving. Participatie, zelfontplooiing en inkomen staan in nauwe relatie tot gezondheid en welzijn.

De gemeentelijke rol ligt in het nemen van verantwoordelijkheid voor het algemene vestigingsklimaat, het faciliteren en stimuleren van ondernemerschap, bijdragen aan netwerken en verbindingen in de regio, bijdragen aan de verbinding onderwijs en arbeidsmarkt, zorgen voor goede woonvoorzieningen en geschikte werklocaties.

Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders en de raad van de gemeente Oost Gelre is de Economische visie tot stand gekomen. De ontwikkelingen nu en in de toekomst van onze gemeente zijn aanleiding geweest om te onderzoeken waar de gemeente Oost Gelre op dit moment staat, wat al wordt gedaan en wat er de komende jaren moet worden aangepakt om een aantrekkelijke gemeente te blijven en nog aantrekkelijker te worden voor huidige en nieuwe inwoners en ondernemers.

De opgestelde economische visie bestaat uit een aantal speerpunten waar de focus op gelegd wordt en de hierbij behorende doorvertaling in concrete acties en inspanningen. De economische uitvoeringsagenda is een zogenoemd 'levend document', dat na vaststelling bijgewerkt en aangevuld kan worden.

3.5.8 Geluidbeleid gemeente Oost Gelre

Geluid is een belangrijke bron van hinder en zelfs een mogelijk gevaar voor de volksgezondheid. Naar schatting een miljoen mensen in Nederland ondervinden ernstige hinder van geluid. Belangrijke bronnen zijn wegverkeer en in minder mate railverkeer en industrielawaai. Ook buren zijn belangrijke veroorzakers van geluidhinder. Het is daarom belangrijk om in het gemeentelijke geluidbeleid hinder ten gevolge van geluid te reduceren. Stilte (het ontbreken van hinderlijk geluid) is een belangrijke kernkwaliteit van de Achterhoek. Deze kwaliteit is het waard om beschermd te worden.
Daarnaast is het een belangrijke gemeentelijke taak om ruimte te bieden aan (geluidproducerende) bedrijvigheid en verkeer. Een goede balans daartussen is de uitdaging van het geluidbeleid.


Op 11 februari 2020 heeft de gemeenteraad het nieuwe 'Geluidbeleid Oost Gelre' vastgesteld. Met dit beleid worden de uitgangspunten en de normen van het Activiteitenbesluit als basis genomen voor het bepalen van de geluidsnormen. Uitzondering hierop zijn agrarische bedrijven.

Het Activiteitenbesluit kent wat betreft geluidnormering maar twee gebiedstypes (bedrijventerrein en al het overige) met twee bedrijfstypes (agrarisch en tankstations) als uitzondering. Dit staat in schril contrast met het 'oude' geluidbeleid van Oost Gelre waarin negen verschillende gebiedstypes en vele (streef-, grens- en plafond) waarden werden aangeduid. Het Activiteitenbesluit is nu voor het overgrote deel van de bedrijven van toepassing.

Het geluid is nader beschreven in paragraaf 4.5.

3.5.9 Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014 - 2024

Het Rijk en de provincies leggen hun verkeer- en vervoersbeleid vast in een beleidsplan. Gemeenten zijn vrij in de manier waarop zij hun beleid vastleggen. Het is wel een verplichting om aan te geven hoe het verkeer- en vervoersbeleid in de gemeente wordt vormgegeven. Hiervoor heeft de gemeente, in navolging van het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoer Plan 2011-2015 (GVVP), het "Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014-2024" vastgesteld.

Het uitvoeringsprogramma heeft betrekking op de periode 2014-2018 en is geactualiseerd. Waar voorheen het GVVP zich vrijwel uitsluitend beperkte tot een aantal maatregelen die slechts betrekking hadden op de verkeersproblematiek, is nu gekozen voor een opzet die de oplossing van verkeers- en vervoersproblemen in een breder kader plaatst.

De hernieuwde insteek voorziet in een integrale benadering van het verkeer in een landschappelijke en ruimtelijke omgeving. Verkeer is vaak een afgeleide van ruimtelijke ontwikkelingen. Vanuit deze integrale benadering zijn er ambities, aandachtspunten en beleidsprincipes in beeld gebracht. Dit leidt tot een concreet uitvoeringsprogramma om de komende jaren aan te werken. In het uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 6) is ruimte geboden voor het inbrengen van (lokale) aandachtspunten door burgers/belangengroepen. Deze zijn geïnventariseerd en vervolgens opgenomen in het uitvoeringsprogramma.

3.5.10 Landschapsontwikkelingsplan 'Groen Licht voor het Landschap'

Het Landschapsontwikkelingsplan is een beleidsnota van de gemeente waarin het landschapsbeleid is vastgelegd. Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) biedt de mogelijkheid de landschappelijke eenheid en kwaliteit in de gemeente te versterken en toch ruimte te bieden aan bestaande bedrijven en nieuwe ontwikkelingen in de toekomst. In het LOP zijn elf landschapsensembles benoemd. Elk landschapsensemble kenmerkt zich door eigen karakteristieke landschapselementen. Het zijn meestal elementen die hier historisch gezien thuis horen, en soms varianten daarop die aansluiten bij het hedendaagse gebruik van het landschap. Die visie in het LOP is in hoofdlijnen: 'Groen licht voor het landschap, maar voor wat hoort wat!'

In het Visiedeel van het landschapsontwikkelingsplan is aangegeven dat Zieuwent in de zone 'het nat' valt. Binnen deze zone is het landschaps-ensemble aangemerkt als 'Het Zieuwent', of volledig: "Het kampenlandschap van Zieuwent".

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0015.png"

Hierbij geldt het motto: "Koppel de historische karakteristiek aan het eigentijdse gemengd bedrijf. Dat bevordert de leefbaarheid van deze cultuurlandschappen. Breng het water terug in de haarvaten tussen de buurtschappen met kerkepaden, overlopers en (elzen)singels".

Te beschermen of op te poetsen parels:

  • bliksembomen en solitaire bodem
  • Werenfriduskerk en boerderijen
  • kapelletjes
  • bestaande kleine natuurgebiedjes o.a. aan Schoolpad + Witte Riete
  • steilranden
  • typerende erfbeplantingen
  • voorbeelden van landschapskunst
  • plekken om te verpozen eventueel met bankjes

Te stimuleren landschapselementen:

  • nieuwe kerkepaden en espaden met knotes, knoteik en knotwilg
  • steilrandbeplantingen langs essen
  • overloopweides: lagere vochtige weides met elzensingels
  • overloopbroeken: lagere percelen met bosjes of grienden
  • overlopers kunnen bestaan uit openbare stroken langs kavelgrenzen met daarin natte schrale vegetatie of elzensingels


Bij het opstellen van voorliggende plan zijn bovengenoemde uitgangspunten nadrukkelijk meegenomen in de planvorming. Het plan voorziet in een robuuste landschappelijke inpassing, waarmee er een goede overgang ontstaat van de bestaande dorpskern van Zieuwent, het initiatief aan de Werenfriedstraat en het omringende landschap (zie Beeldkwaliteitsplan).

Conclusie

Het plan voorziet naast de voorgenomen woningbouw in een forse landschappelijke versterking, waarmee landschappelijk wonen in een groen kader mogelijk wordt.

Het gemeentelijk beleid vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

 

Hoofdstuk 4 Uitvoeringsaspecten

4.1 Milieu-effectrapportage en Ruimtelijke planvorming

Het bestemmingsplan, waarin ruimtelijke belangen worden geborgd, is het resultaat van een integrale ruimtelijke afweging. In deze integrale afweging worden ook alle milieuonderwerpen meegewogen, los van de wettelijke verplichtingen van de milieueffectrapportage. Welke milieuonderwerpen vanuit een duurzame ruimtelijke ordening voor een plangebied van belang zijn, moet per plan in beeld worden gebracht. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied en de opgave en eventuele wettelijke eisen.

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen:

  • a. Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan);
    Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
  • b. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3);
    Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
  • c. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4);
    Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

Ad.a: Wanneer uit een toets blijkt dat de activiteit (mogelijk) significante negatieve effecten tot gevolg heeft, dan kan een vergunning alleen worden verleend als uit een passende beoordeling blijkt dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast. Onderdeel van de passende beoordeling vormt de ADC-toets. De ADC-toets houdt een onderzoek in naar Alternatieven, het aantonen van Dwingende redenen van openbaar belang en het vooraf en tijdig treffen van Compenserende maatregelen.

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, het Korenburgerveen, is gelegen op een afstand van ruim 8,4 km van het plangebied aan de Werenfriedstraat te Zieuwent. De woonactiviteiten op dit perceel hebben geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor dit Natura 2000-gebied ook mede gezien de grote afstand. Een passende beoordeling is dan ook niet noodzakelijk.

Ad.b en c.: Woonactiviteiten worden alleen genoemd in relatie tot een stedelijk ontwikkelingsproject, waarbij meer dan 2000 woningen worden gebouwd (onderdeel D. 11.2 van de bijlage van het besluit milieueffectrapportage). Aangezien het hier om ongeveer 21 woningen gaat, is een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht dan ook niet nodig.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Voor elk besluit dat betrekking heeft op activiteiten(en) die voorkomen op de D-lijst (kolom 2) die onder de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Kleinschalige woonactiviteiten worden niet genoemd in kolom 2 van de D-lijst in het Besluit m.e.r. zodat een vormvrije m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk is.

Conclusie

Een milieueffectrapportage, zowel -plicht, -beoordeling als -vormvrij, is niet nodig nu de gewenste activiteiten op perceelsniveau niet onder de genoemde drempelwaarden vallen en/of worden genoemd. Daarnaast is een passende beoordeling op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied niet noodzakelijk.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie

De Erfgoedwet bevat de implementatie in de Nederlandse wetgeving van het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed, (ook wel het verdrag van Malta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het Verdrag in 1992 door verschillende EU-lidstaten is ondertekend). De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen gronden, rekening te houden met de in de bodem aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden.

IWAK en AMK

Archeologische waarden zijn in Nederland veelal onzichtbaar, omdat ze grotendeels verborgen liggen in de bodem, waardoor ze niet eenvoudig te karteren zijn. Voor de onbekende waarden heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IWAK) opgesteld. Voor de bekende waarden is de Archeologische Monumentenkaart (AMK) opgesteld.

Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden. De gemeente Oost Gelre heeft een archeologische beleidsadvieskaart. Op deze kaart is aangegeven welke gebieden archeologisch waardevol zijn en welke gebieden de verwachting hebben archeologisch waardevol te zijn. Het beleid dient door te werken in het bestemmingsplan. Bescherming (behoud/conservering) van gebieden met archeologische (verwachtings)waarden is uitgangspunt bij de zorg voor het archeologische erfgoed in het plangebied.
Afhankelijk van de verstoring moeten de gebieden eerst nader worden onderzocht, voordat hier bebouwing of grondbewerking (=verstoring) plaatsvindt. Tijdens het onderzoek gevonden archeologische resten, moeten zo mogelijk onaangetast in de grond bewaard blijven of anders op verantwoorde wijze worden opgegraven. De kosten hiervan komen voor degene die de grond wil verstoren. Met behulp van een dubbelbestemming wordt voornoemde bescherming van archeologische waarden dan wel archeologische verwachtingswaarden in het bestemmingsplan geregeld.

Situatie plangebied

Een deel van het plangebied is gelegen binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2' aangewezen gronden. Het gaat hierbij om het deel van de gronden waar de 3 boswoningen worden gerealiseerd alsmede de reeds aanwezige bebouwing aan de zijde van de Werenfriedstraat. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem.

Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen waarbij sprake is van het verrichten van bodemingrepen dieper dan 30 cm en een oppervlakte groter dan 2.500 m² dient de aanvrager een rapport te overleggen op basis van nader onderzoek, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.

Het plangebied waar de overige 18 woningen zullen worden gerealiseerd zijn, ingevolge het geldende bestemmingsplan, niet voorzien van een dubbelbestemming archeologie.

Toets

Er gaan voor realisatie van de 3 boswoningen met bijbehorende bouwwerken grondingrepen plaatsvinden ten behoeve van de fundering voor deze woningen met bijbehorende bouwwerken. Daarnaast wordt er een toegangsweg naar deze woningen aangelegd die onverhard blijft. Hiervoor zal hoogstens een klein deel van de bovengrond worden afgeschraapt. Voor voornoemde werkzaamheden zal de oppervlakte van 2.500 m2 niet worden overschreden zodat een aanvullend archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0016.png"

Geldend bestemmingsplan: gele gebied is verwachtingswaarde 2

overig plangebied heeft geen archeologische bestemming

Nieuw archeologiebeleid

Op 14 april 2020 heeft de gemeenteraad van Oost Gelre nieuw archeologisch beleid vastgesteld met titel 'Archeologische monumentenzorg in de gemeente Oost Gelre, een actualisatie van de archeologische waarden-, verwachtings- en beleidskaart'. Dit nieuwe archeologisch beleid is vertaald in het bestemmingsplan "Parapluplan Archeologie' welke op 22 februari 2022 door de gemeenteraad van Oost Gelre is vastgesteld.

Ingevolge het bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie' is een groot deel van het plangebied gelegen in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 3'. Het gaat hierbij om dat deel van het plangebied waarin de 3 boswoningen worden gerealiseerd alsmede een groot deel van de geplande woningbouw. Een drietal woningen komen te liggen in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 1'. Daarnaast geldt nog de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch waardevol gebied 2' en 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 2'. Op deze gronden worden geen bodemingrepen gedaan en zijn hierdoor verder niet toegelicht.

Het plangebied omvat tevens een uitloop vanaf de drie boswoningen naar de aangrenzende watergang. Hierop geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingsgebied 4'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0017.png"

Parpaluplan Archeologie: gele gebied is 'verwachtingsgebied 3'

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0018.png"

Parapluplan Archeologie: gele gebied is 'verwachtingsgebied 1'

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0019.png"

Parapluplan Archeologie: gele gebied is 'verwachtingsgebied 4'

Toets

Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 1

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de genoemde werken of werkzaamheden aan of in de bodem uit te voeren of te laten uitvoeren, waarbij de vergunningplicht geldt voor werkzaamheden dieper dan 30 cm onder het maaiveld én een oppervlakte van 250 m2.

Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 3

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de genoemde werken of werkzaamheden aan of in de bodem uit te voeren of te laten uitvoeren, waarbij de vergunningplicht geldt voor werkzaamheden dieper dan 30 cm onder het maaiveld én een oppervlakte van 1.000 m2.

Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 4

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de genoemde werken of werkzaamheden aan of in de bodem uit te voeren of te laten uitvoeren, waarbij de vergunningplicht geldt voor werkzaamheden dieper dan 30 cm onder het maaiveld én een oppervlakte van 5.000 m2.

Zoals hierboven is aangegeven zullen een drietal woningen komen te liggen in het archeologisch verwachtingsgebied 1. Hierbij gaan grondwerkzaamheden plaatsvinden die dieper zullen zijn dan 30 cm maar de oppervlakte van 250 m2 niet zullen overschrijden.

De overige woningen inclusief de drie boswoningen met de aan te leggen voorzieningen komen te liggen in het verwachtingsgebied 3. Ook hier zal grondwerk plaatsvinden maar de oppervlakte van 1.000 m2 zal ook hier niet worden overschreden.

Binnen het verwachtingsgebied 4 zullen geen of nagenoeg geen bodemwerkzaamheden plaatsvinden.

Wettelijke meldingsplicht

In de Erfgoedwet is in artikel 5.10 en 5.11 de wettelijke meldingsplicht beschreven. Dit is om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: 'Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij onze minister'. Deze aangifte dient te gebeuren bij de RCE te Amersfoort. Het verdient aanbeveling ook de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Oost Gelre hiervan per direct in kennis te stellen.

Cultuurhistorie
Zieuwent is gelegen ten noordwesten van Lichtenvoorde. De huidige dorpskern ontstond geleidelijk aan na de bouw van een kerk in 1795; voor die tijd bestond Zieuwent alleen uit verspreid gelegen agrarische bebouwing. De oude kadastrale sectie “het Zieuwent” grensde behalve aan Lichtenvoorde aan Har(re)veld (zuid) en Lievelde (noord) en aan de voormalige gemeente Ruurlo (west). De grens tussen Zieuwent en Lievelde werd grotendeels gevormd door een beek, (1832: De Ruurlosche Beek-Molenbeek). Overigens waren de Zieuwentse grenzen niet duidelijk vastgelegd: in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw waren er geregeld geschillen met Borculo, Ruurlo, Harreveld en Lievelde. Bij de gemeentelijke herindeling werden de Ruurlose en Beltrumse delen van Zieuwent bij de gemeente Oost Gelre gevoegd. Het Ruurlose deel omvatte het gehele gebied ten noordwesten van de huidige dorpskern (Waalderweg, Batsdijk, Wilgendijk, Koolsweg) met zowel oude kampontginningen als het aangrenzende broekgebied; het Beltrumse deel een gebied ten noorden van de dorpskern aan weerszijden van de Zieuwentseweg met ondermeer de boerderijen “Nijland”, “Hospels” en het nieuwe “Katershorst”.

Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden meegewogen bij het vaststellen van ruimtelijke ingrepen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek.


Tot de overige cultuurhistorische waarden worden gerekend:

  • de historisch-geografische waarden (cultuurlandschap, structuren/lijnen en bijzondere punten);
  • de historisch-stedenbouwkundige waarden (stedenbouwkundige opbouw en identiteit);
  • de architectuurhistorische waarden (waardevolle kenmerken van gebouwen).

De beoogde woningbouwlocatie aan Werenfriedstraat heeft geen historisch-geografische of stedenbouwkundige waarden. Architectuurhistorische waarden zijn niet aanwezig nu het terrein, op enkele veldschuren na, nog onbebouwd is. De gemeentelijke erfgoednota is niet van toepassing bij Werenfriedstraat de ontwikkelingen op dit perceel. Het voorliggend bestemmingsplan tast de cultuurhistorische waarden niet aan. Ook zijn binnen het plangebied geen monumenten aanwezig.

Conclusie archeologie en cultuurhistorie

Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.3 Bodem

Wettelijk kader

Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig.

Op 1 juli 2012 zijn in Oost Gelre de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart in werking getreden. De Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart zijn bedoeld om de omgang met grond goed te regelen. Op basis van de Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is het in veel gevallen mogelijk om het hergebruik van grond als bodem zonder extra keuringen toe te staan. Grondverzet op basis van Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is mogelijk binnen de volgende gemeenten: Aalten, Bronckhorst, Berkelland, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. De Nota Bodembeheer met bodemkwaliteitskaart vormt de basis van duurzaam bodembeheer binnen de regio Achterhoek.

Situatie plangebied

In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart te worden gebracht. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Bodemonderzoeken mogen niet meer dan vijf jaar oud zijn. Indien er sprake is van bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig.

Uitgevoerd bodemonderzoek

Door het onderzoeksbureau Montferland Milieu is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn verwoord in een bodemonderzoeksrapport met projectnummer MM21070 d.d. 29 april 2021. Het bodemonderzoeksrapport is als bijlage bijgevoegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0020.png"

situatietekening plangebied met boorpunten

Dit verkennend bodemonderzoek is nader beoordeeld door de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA). De beoordeling is verwoord in een advies met kenmerk 2021EA0604 , d.d. 11 juni 2021 welke tevens als bijlage is bijgevoegd.

De ODA adviseert het volgende: "Het bodemonderzoek voldoet aan de aan de gestelde kwaliteitseisen. De bodemkwaliteit is geschikt voor een gebruik als Wonen. Het uitvoeren van nader bodemonderzoek is niet nodig. Aan de bestemmingsplanprocedure en de omgevingsvergunning(en) bouw hoeven geen bodemspecifieke voorschriften te worden verbonden”.

Wel dienen de aanbevelingen, zoals opgesomd onder de aandachtspunten, te worden nageleefd. In algemene zin worden de volgende aanbevelingen gedaan:

- Wanneer tijdens graafwerkzaamheden waarnemingen worden gedaan die op een verontreiniging wijzen, dan moet het werk direct gestopt worden en moet met de ODA worden overlegd.

- Voor de toepassing van vrijkomende grond en bouwstoffen gelden de voorschriften uit het Besluit bodemkwaliteit.”

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De bodemkwaliteit is geschikt voor een gebruik als Wonen. Het uitvoeren van nader bodemonderzoek is niet nodig.

4.4 Water

Wettelijk kader

Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten.

Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.

De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk in het plangebied wordt vastgehouden in de bodem (infiltratie) en in het oppervlaktewater wordt geborgen. Vervolgens wordt, zo nodig, het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd.
Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
In de stroomgebiedsvisie (Provincie Gelderland in nauwe samenwerking met de waterschappen en de Directie Oost-Nederland van Rijkswaterstaat) staan zowel bestaand beleid als suggesties voor nieuw waterbeleid, waarbij de nadruk ligt op de ruimtelijke aspecten van dit waterbeleid.

De stroomgebiedsvisie geeft inzicht in de aard en omvang van de wateropgaven die relevant zijn. Het accent in de wateropgaven voor de Achterhoek en Liemers ligt op het voorkomen van wateroverlast en herstel c.q. bescherming ecologisch waardevolle wateren en natte landnatuur. Ter voorkoming van huidige en toekomstige wateroverlast is in en langs bestaande waterlopen naar oplossingen gezocht (verbreden, verondiepen, hermeanderen). Het beleid gaat uit van:

  • een goede kwaliteit van het water (grond- en oppervlaktewater);
  • water meer ruimte geven;
  • versterken van de ecologische waarden;
  • creëren van een vitaal watersysteem

Situatie plangebied

Het waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel als hulpmiddel voor het opstellen van de waterparagraaf. De vragen zijn bedoeld om een beoordeling te kunnen geven van de feitelijke, fysiek-technische situatie maar ook om te kunnen beoordelen of de situatie zich verhoudt tot het waterbeleid van Rijk, provincie en waterschap. De vragen zijn zodanig opgesteld dat als een vraag met ja wordt beantwoord het waterthema relevant is. De relevante thema's worden na de watertoetstabel behandeld. Het bestemmingsplan legt voornamelijk de bestaande legale situatie vast, hierdoor zijn een aantal thema's minder relevant.

Thema   Toetsvraag   Rele-
vant  
Hoofdthema's      
Veiligheid   1. Ligt in of nabij het plangebied een primaire of regionale waterkering?   Nee  
  2. Ligt in of nabij het plangebied een kade?   Nee  
Riolering en afvalwaterketen   1. Is er toename van het afvalwater (DWA)?   Ja  
  2. Ligt in het plangebied een persleiding van Waterschap Rijn en IJssel?   Nee  
  3. Ligt in of nabij het plangebied een rioolwaterzuiveringsinstallatie van het waterschap?   Nee  
Wateroverlast (oppervlaktewater)   1. Is sprake van toename van verhard oppervlak?   Ja  
  2. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?   Ja  
  3. Bevinden zich in of nabij het plangebied natte en laaggelegen gebieden, beekdalen en overstromingsvlaktes?   Nee  
Grondwateroverlast   1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?   Ja  
  2. Bevindt het plangebied zich in de invloedzone van de Rijn of IJssel?   Nee  
  3. Is in het plangebied sprake van kwel?   Nee  
  4. Beoogt het plan dempen van slootjes of andere wateren?   Nee  
Oppervlaktewater- kwaliteit   1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd?   Ja  
  2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?   Nee  
  3. Ligt het plangebied geheel of gedeeltelijk in een strategisch actiegebied?   Nee  
Grondwaterkwaliteit   1. Ligt in het plangebied een beschermingszone van een drinkwateronttrekking?   Nee  
Volksgezondheid   1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde of verbeterde gescheiden stelsel?   Nee  
  2. Bevinden zich of komen er functies in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?   Nee  
Verdroging   1. Bevindt het plangebied zich in een hydrologisch beïnvloedingsgebied voor natte land natuur?   Nee  
Natte natuur   1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte ecologische verbindingzone?   Nee  
  2. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor natte landnatuur?   Nee  
Inrichting en beheer   1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn van het waterschap?   Nee  
  2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?   Nee  
Aandachtsthema's      
Recreatie   1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?   Nee  
Cultuurhistorie   1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?   Nee  

Tabel: Watertoetstabel met waterhuishoudkundige thema's

Door Civicon is een watertoets uitgevoerd die is opgenomen in het rapport 'Watertoets bouwplan Werenfriedstraat Zieuwent' met nummer R01-2021-052-C03 van 7 december 2021 welke als bijlage is bijgevoegd. Met deze watertoets wordt aangegeven wat de ruimtelijke gevolgen van het bouwontwikkeling zijn met betrekking tot het onderdeel water.

In het rapport is het volgende geconcludeerd:

  • De bodemhoogte van de Afwatering van de Pastorietuin is onbekend. De bodemhoogte van de poel wordt door de opdrachtgever geschat op circa 1 m minus maaiveld. Geadviseerd wordt om de omgeving inclusief de Afwatering van de Pastorietuin in te (laten) meten;

• Vooralsnog wordt geadviseerd om uit te gaan van een grondwaterfluctuatie die ligt tussen de 16,60 en 18,10 m +NAP;

• Voorgesteld wordt, om een maatgevende k-waarde, doorlaatsnelheid, in de onverzadigde zone aan te houden van maximaal 3,0 m/dag;

• Uit het k-waarde onderzoek van de verzadigde zone zou de aanwezigheid van een ondoordringbare laag kunnen blijken. Maar omdat deze ondoordringbare laag niet wordt herkend op de boorprofielen behoort een foutieve meting ook tot de mogelijkheden.

Hiervoor dient aandacht te zijn bij de verdere uitwerking. Hierbij kan gedacht worden aan het aanbrengen van goed waterdoorlatende zandsleuven;

• Bij de uitwerking van waterhuishoudkundigplan kan de waterproblematiek van de dorpskern van Zieuwent worden meegenomen;

• In het plangebied zijn wadi’s en/of zaksloten voorzien voor de behandeling van hemelwater. Om het risico op verdrinking te beperken wordt geadviseerd de wadi’s en/of zaksloten te voorzien van taluds van 1 op 3 of flauwer;

• Voor de afvoer van het afvalwater wordt een vuilwaterriool aangelegd die bij voorkeur onder vrijverval aansluit het gemengd riool van de Werenfriedstraat;

• Volgens het document “Duurzaam en veilig water” van Waterschap Rijn en IJssel geldt bij inbreidingsplannen > 2.500 m2 het volgende;

- Bui 10+10% vertraagd afvoeren, waarvan minimaal 10 mm in infiltratie (bodempassage);

- Bui 100+10% mag geen wateroverlast opleveren (berging tot aan maaiveld);

• Er wordt voorgesteld om bij de nadere uitwerking van het bouwplan de verschillende functies, bijvoorbeeld woningen en wadi’s, te relateren aan de voorkomende grondwaterstanden. Er kan bijvoorbeeld afgewogen worden of het acceptabel is dat een kruipruimte een periode per jaar nat is of dat een wadi in de wintermaanden drassig is;

• Afhankelijk van de bovenstaande afweging kan pas een uitspraak worden gedaan of het realiseren van wadí’s en/of zaksloten zonder gedeeltelijke ophoging van het terrein al dan niet in combinatie met het toepassen van drainage mogelijk is;

De systeemkeuze wordt nader uitgewerkt in het waterhuishoudkundigplan voor de realisatiefase;

• Er is voldoende ruimte binnen het plangebied om de bergingseisen in te passen. De definitieve keuze omtrent het toe te passen hemelwatersysteem en de verdere uitwerking dient te gebeuren in overleg met de gemeente Oost Gelre en waterschap Rijn en IJssel.

Voor realisatie van de woningen wordt, op basis van voronoemde watertoets, een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Hierin worden bovengenoemde aspecten in meegenomen.

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Geluid

Wettelijk kader

In het kader van de Wet geluidhinder is bij de wijziging van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek vereist naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen vanwege industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai. Dit geldt alleen voor (geplande) geluidsgevoelige bestemmingen die binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein liggen.

Naast het wettelijk kader van de Wet geluidhinder moet ook een afweging gemaakt worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Gemeente Oost Gelre heeft in eigen geluidsbeleid ontwikkeld om zo richting te kunnen geven aan het geluidsaspect in bestemmingsplannen, vergunningen en dergelijke.
Bij nieuwe activiteiten dient de geluidsbelasting te voldoen aan de streefwaarden.

Industrielawaai

In de omgeving van het plan bevindt zich geen gezoneerd industrieterrein. Het onderdeel industrielawaai van de Wgh is niet van toepassing. Op een afstand van minimaal 30 meter van de nieuwe woningen is een enkele bedrijfsbestemming gelegen en op meer dan 170 meter het voetbalveld. Mede gezien deze afstand en daarbij de aard en omvang van de activiteiten kan een goed woon- en leefklimaat ter hoogte van de nieuwe woningen worden gegarandeerd. In paragraaf 4.8 wordt nader ingegaan op (individuele) milieubelastende functies in de omgeving van het plangebied.

Wegverkeerslawaai

In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel.

Wettelijke geluidszones van wegen:

Aantal rijstroken   Stedelijk gebied   Buitenstedelijk gebied  
1 of 2 rijstroken   200 m   250 m  
3 of 4 rijstroken   350 m   400 m  
5 of meer rijstroken   350 m   600 m  

De hiervoor genoemde zones gelden niet voor:

- wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2);

- wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).

De wegen rondom het plangebied (Dorpsstraat en Werenfriedstraat) betreffen 30 km/uur wegen waarvoor geen geluidzone geldt. Om te onderzoek of desondanks sprake is van een goede ruimtelijke ordening heeft Buijvoets Bouw- en Geluidsadvisering een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De volledige onderzoeksrapportage met nummer 21.032b1, d.d. 23 maart 2021, is opgenomen in de bijlage. Hieronder worden de onderzoeksresultaten weergegeven.

De 48 dB geluidcontour incl. 5 dB aftrek ligt voor de N312 en Werenfriedstraat buiten het plangebied waarmee voor het aspect wegverkeerslawaai sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de woningen zijn geen speciale geluidwerende maatregelen nodig.

Het uitgevoerde geluidsonderzoek is nader beoordeeld door de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA). De beoordeling is verwoord in een advies met kenmerk 2021EA0604, d.d. 21 juni 2021 welke tevens als bijlage is bijgevoegd.

Advies ODA

- Het akoestisch onderzoek is goed uitgevoerd.

- De Wet geluidhinder is niet van toepassing, een hogere waarde is niet aan de orde.

- De 48 dB geluidcontour incl. 5 dB aftrek ligt voor de N312 en Werenfriedstraat buiten het plangebied waarmee voor het aspect wegverkeerslawaai sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de woningen zijn geen speciale geluidwerende maatregelen nodig.

Railverkeerslawaai

In de omgeving van het plan bevindt zich geen spoorweg. Het onderdeel railverkeerslawaai van de Wgh is niet van toepassing.

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6 Luchtkwaliteit

Wettelijk kader

Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing) en locaties waartoe leden van het publiek gewoonlijk geen toegang hebben.

Op 15 november 2007 is dit deel van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit.

De ministerraad heeft op voorstel van de minister van Infrastructuur en Milieu ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.

In 2015 is door Infomil een onderzoek uitgevoerd naar de verhouding tussen de concentratie PM10 en PM2,5 in de lucht. Uit de resultaten hiervan blijkt dat de concentratie PM10 en PM2,5 in de lucht sterk samenhangen. Op basis hiervan merkt Infomil op dat "wanneer wordt voldaan aan de maatgevende grenswaarde voor PM10, vrijwel altijd wordt voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5".

Voor woningbouwlocaties is een nibm-grens opgenomen van 1.500 woningen bij minimaal één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersdeling. Een project dat kleiner is dan deze grenzen, is in beginsel 'niet in betekenende mate'.

Situatie plangebied

Het plan biedt de mogelijkheid tot het realiseren van circa 21 nieuwe woningen. Het blijft daarmee ruimschoots onder de nibm-grens van 1.500 woningen en kan als 'niet in betekenende mate' van invloed op de luchtkwaliteit worden beschouwd.

Hoewel geconstateerd is dat het project een zogenaamd nibm-project betreft, dient ook te worden bezien of de luchtkwaliteit in het projectgebied niet zodanig is dat de normen voor een goed woonklimaat worden overschreden. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland 2011. De meest relevante luchtkwaliteitseisen voor ruimtelijke plannen zijn stikstofoxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5).

Getoetst dient te worden aan de norm voor NO2 per 1 januari 2015. Vanaf die datum moet blijvend aan de norm van NO2 worden voldaan. Per 21 juni 2011 moet aan de grenswaarden voor fijn stof worden voldaan. Uit de Grootschalige Concentratiekaarten blijkt dat in het plangebied de achtergrondniveaus voor NO2, PM10 en PM2,5 in zowel 2011, 2015 als 2020 onder de grenswaarden liggen.

Conclusie

Het plan moet worden beschouwd als een nibm-project. Uit de achtergrondniveaus blijkt dat deze onder de wettelijke normen blijven. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.

4.7 Natuurwaarden

Wettelijk kader

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wnb. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort.

Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een Quickscan natuurwaarden (6 mei 2021, rapportnummer 3292, versie 1.0) door Natuurbank Overijssel uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage bijgevoegd. Het doel hiervan is om in te schatten of er in het plangebied planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden van de voorgenomen ingreep.

Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland.

Gebiedsbescherming

NATURA 2000

Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het plangebied ligt op minimaal 8,37 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, is het Korenburgerveen. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0021.png"

Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied is met de rode marker aangegeven. Gronden die tot Natura 2000 behoren zijn groen gearceerd aangegeven (bron: aerius.nl).

Door de aard en de beperkte omvang van de activiteiten en door de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Korenburgerveen' en overige Natura 2000-gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudings- doelen en ontwikkelingsopgaven verwacht door directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering. Ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren als stikstofdepositie, verontreiniging, verdroging, geluidsverstoring of lichtverstoring zijn op voorhand uit te sluiten".

Stikstof

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 uitgesproken dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer als basis voor toestemming voor activiteiten gebruikt mag worden. Daarmee vervalt de in het PAS gehanteerde grenswaarde voor stikstofdepositie van 0,05 mol N/ha/jaar. Gevolg hiervan is dat alle ingrepen die de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied in de omgeving ook maar enigszins verhogen in principe niet zijn toegestaan.

Ondanks de relatief grote afstand van circa 8 km tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, kan een verhoging van de stikstofdepositie door de voorgenomen ingreep op dit gebied niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve wordt geadviseerd om een stikstoftoets uit te laten voeren. Met het rekenmodel AERIUS kan de stikstofuitstoot van een planontwikkeling worden berekend. Op 15 oktober 2020 is een nieuwe versie van het rekenmodel AERIUS beschikbaar gesteld. Heeft de planontwikkeling geen toename van stikstof op nabij gelegen natuurgebieden tot gevolg dan kan aan de planontwikkeling worden meegewerkt.

Met het rekenprogramma AERIUS van 15 oktober 2021 is een berekening gemaakt van het plangebied in de fase van bouwrijp maken van het plangebied, het uitgraven van de funderingen voor de woningen, het bouwen van de woningen inclusief het daarbij behorend bouwverkeer en in de gebruiksfase van de woningen. Het rekenprogramma geeft aan dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Nu de toename van stikstof in de nieuwe situatie niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar kan aan het verzoek worden meegewerkt. De berekeningen zijn verwerkt in een stikstofnotitie van 24 maart 201 die als bijlage is bijgevoegd. De berekeningen zijn in voornoemde notitie verwerkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0022.png"

Printscreen van rekenprogramma AERIUS voor plangebied

Aanvulling stikstof

Op 1 februari 2022 is er een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS beschikbaar gesteld. In aanvulling van bovengenoemde notitie met berekeningen is een aanvullende notitie opgesteld. In deze notitie zijn nieuwe berekeningen uitgevoerd met de nieuwe AERIUS-berekening. Deze aanvullende notitie met berekeningen van 12 februari 2022 is ook als bijlage bijgevoegd.

In de notitie wordt geconcludeerd dat er sinds 1 juli 2021 sprake is van een partiële vrijstelling op de Natura 2000-vergunningsplicht (stikstofdepositie) voor de bouw- en infrasector. De partiële vrijstelling houdt in dat de tijdelijke activiteiten en gevolgen van de door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden buiten beschouwing worden gelaten bij de natuurvergunning. Zodoende hoeft in de onderhavige situatie alleen het eventuele negatieve effect ten gevolgen van de verkeersgeneratie in de gebruiksfase van het project in kaart te worden gebracht.

Uit de berekeningen met Aerius-calculator blijkt dat er ten gevolge van de stikstofuitstoot binnen dit planproject, geen stikstofdepositie wordt berekend ter hoogte van de beschermde gebieden.

Daarmee staat op voorhand vast dat de activiteiten, de verkeersgeneratie van de woningen in de gebruiksfase, geen nadelig effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende beschermd Natura-2000 gebieden. De stikstofdepositie ten gevolge van de activiteiten ter realisatie van het plan vormt daarmee, geen belemmering voor het uitvoeren van het gewenste plan.

Conclusie Stikstof

Uit de berekeningen met Aerius-calculator blijkt dat er ten gevolge van de stikstofuitstoot binnen dit planproject, geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar zijn.

Daarmee staat op voorhand vast dat de activiteiten, nodig voor de realisatie van het gewenste plan, geen nadelig effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende beschermd Natura-2000 gebieden.

De stikstofdepositie ten gevolge van de activiteiten ter realisatie van het plan vormt daarmee geen belemmering voor het uitvoeren van het gewenste plan.

NATUURNETWERK NEDERLAND

De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied ligt op minimaal 890 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren (in dit geval Gelders Natuurnetwerk). Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0023.png"

Ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied is met de rode marker aangegeven. Gronden die tot Natuurnetwerk Nederland behoren zijn met licht- en donkergroen aangegeven (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

Soortenbescherming

De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘opzettelijk beschadigen en vernielen van de rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Beschermde soorten mogen niet opzettelijk gedood worden. Voor beschermde soorten waarvoor die vrijstelling niet geldt, is een ontheffing vereist om ze te mogen doden en om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.

Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone en Natura 2000-gebied. Omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geen externe werking kent, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen Natura 2000-gebied en het plangebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied uitgesloten worden.

De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het onderzoeksgebied als foerageergebied en vermoedelijk bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een vaste rust- en voortplantingsplaats, bezetten vleermuizen een verblijfplaats in de houten schuur en nestelen er vogels in het onderzoeksgebied.

De mogelijke verblijfplaats van vleermuizen in de houten schuur, wordt niet negatief beïnvloed door uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Ook wordt de functie van het plangebied als foerageergebied niet aangetast door uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Geadviseerd wordt de voorgenomen activiteiten af te stemmen op de voortplantingsperiode van vogels.

Voor de beschermde grondbonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het onderzoeksgebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling.

Conclusie

Het aspect natuurwaarden vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient in het kader van de zorgplicht het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht te worden genomen.

4.8 Bedrijven en milieuzonering

Kader

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan wij het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is (dit is niet altijd de werkelijke gevel, maar de plek waar de gevel van de woning volgens het bestemmingsplan inclusief vergunningvrij bouwen mogelijk is). De in deze uitgave voor bedrijven opgenomen richtafstanden gelden ten opzichte van rustige woongebieden. De richtafstanden zijn voor drukkere gebieden (gemengd gebied) naar beneden bij te stellen. Aanvullend milieuonderzoek kan uitwijzen dat kleinere afstanden dan de richtafstanden mogelijk zijn. Verder hebben wettelijke afstanden voorrang op de richtafstanden.

Situatie plangebied

In de omgeving van te ontwikkelen plangebied aan Werenfriedstraat (rood kader in onderstaande figuur) bestaat hoofdzakelijk uit woningen en is hierdoor aan te merken als woongebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0024.png"

Ten oosten van het plangebied is een schildersbedrijf met winkel en een kapsalon gelegen. Ten noordwesten van het plangebied wordt een zonneveld ontwikkeld. Ten zuiden van het plangebied zijn op ruim 150 meter afstand de voetbalvelden van RKZVC gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0025.png"

Hieronder wordt per omliggende functie een ruimtelijke beoordeling gegeven om een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen ter plaatse van de nieuwe woningen. Ook is beoordeeld of gezien de bestaande omliggende functies, de aard en omvang van de activiteiten, deze niet (extra) worden belemmerd door de gewenste woningbouw.

Zonnepark versus woningbouw

Een zonnepark als zodanig is niet opgenomen in de bedrijvenlijst van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. Ondanks het feit dat een zonnepark weinig milieuhinder met zich meebrengt, is het desondanks verstandig om een bepaalde afstand tot woningen in acht te nemen. Voor de richtafstand voor een zonnepark kan in beginsel worden aangesloten bij de richtafstand van 30 meter voor een transformatorstation/elektriciteitsdistributiebedrijf. Aan die richtafstand wordt ten opzichte van bestaande woningen ruimschoots voldaan. Ten opzichte van één nieuwe woning lijkt echter niet aan de richtafstand te worden voldaan. De afstand tot de panelen is daarbij minder van belang dan de afstand tot de transformatoren. Het is aan te bevelen om ten opzichte van de transformatoren een afstand van 30 meter in acht te nemen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0026.png"

In aanvulling op het bovenstaande heeft de ODA nog het volgende opgemerkt over elektromagnetische straling (in de volksmond wel aangeduid met ‘elektrosmog’). Daarvoor bestaan in het geval van zonneparken geen in acht te nemen wettelijke afstanden, normen of onderzoekszones (zoals die voor bijvoorbeeld hoogspanningslijnen wel bestaan). Wel is vanuit de literatuur bekend dat er gezondheidseffecten kunnen optreden door elektromagnetische velden bij langdurig verblijf nabij omvormers/transformatoren.

Hoewel hiervoor geen wettelijke normen bestaan, worden die effecten bij een afstand van 50 meter in ieder geval als verwaarloosbaar beschouwd. Zodoende worden deze omvormers/ transformatoren van het zonneveld op een minimale afstand van 50 meter van de woningen gerealiseerd.

Woningbouw versus schildersbedrijf

Ten oosten van het plangebied is een schildersbedrijf met winkel gevestigd aan Dorpsstraat 81. Voor een dergelijk bedrijf en de bijbehorende milieucategorie 2, geldt voor nieuwe ontwikkelingen een richtafstand van 30 meter. De richtafstand geldt in principe tussen de grens van de bedrijfsbestemming en de gevel van de woning.

In de eerste versie van het ontwikkelkader waren een aantal woningen op het oostelijke woonveld gedeeltelijk geprojecteerd binnen deze richtafstand van 30 meter. Daarop heeft de ODA een advies uitgebracht.

Naar aanleiding van het advies van de ODA zijn de woningen op dit woonveld in de planuitwerking op voldoende afstand (30 meter) geprojecteerd. Daarmee kan, door deze richtafstand te respecteren, op voorhand een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Ook wordt het bedrijf zodoende niet belemmerd door het woningbouwinitiatief.

Voorts zijn er in de bestaande situatie direct rondom het schildersbedrijf reeds woningen (bijvoorbeeld Dorpsstraat 79, 83 en 83a aanwezig. Deze zijn namelijk direct belendend aan het schildersbedrijf aan Dorpsstraat 81 gelegen (zie onderstaande uitsnede).

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0027.png"

De bestemmingsvlakken “Wonen” van deze betreffende woningen liggen direct aansluitend aan de bedrijfsbestemming “Bedrijf” van Dorpsstraat 81. Ook de bouwvlakken, waarbinnen de woningen zijn gesitueerd, van deze genoemde adressen zijn ruimschoots gelegen binnen de richtafstanden uit de VNG-Brochure “Bedrijven en milieuzonering” (aan beide zijden circa op 10 meter).

Resumé

De nieuwe woningen op het woonveldje aan de Werenfriedstraat worden op 30 meter afstand van de bestaande bedrijfsbestemming gepositioneerd. Daarmee staat op voorhand vast dat een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

Het bovenstaande, alsmede de ligging van het bedrijf ten opzichte van de huidige woningen in de directe omgeving staat ook vast dat het bedrijf, ten opzichte van huidige omliggende gevoelige bestemmingen, door de nieuwe ontwikkelingen geen (extra) belemmering zal ondervinden.

Woningen versus voetbalvelden

Ten zuiden van de ontwikkelingen aan de Werenfriedstraat zijn de velden van voetbalvereniging RKZVC gelegen. Voor sportvelden met verlichting geldt een richtafstand van 50 meter.

Onderhavig plan Werenfriedstraat fase 1, is gelegen op meer dan 150 meter van deze sportbestemming. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand van 50 meter.

Conclusie

Bij realisatie van het woningbouwplan Werenfriedstraat fase 1, kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Ook worden de omliggende functies niet (extra) belemmerd door de ontwikkelingen. Het aspect 'Bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.9 Externe veiligheid

Wettelijk kader

Bij externe veiligheid gaat het onder meer om productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door voldoende afstand aan te houden tussen deze activiteiten en 'gevoelige objecten' wordt voldaan aan de wettelijke normen.

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 27 oktober 2004 en de hierin opgenomen Regeling externe veiligheid inrichtingen, geeft aan welke activiteiten/bedrijven risicocontouren kennen, waarmee rekening dient te worden gehouden bij het verlenen van vergunningen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Het Bevi heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in bedrijven tot het aanvaarde maximum te beperken. Het gaat daarbij om het beperken van de kans op en effect van een ernstig ongeval vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen. Op vergelijkbare wijze zijn de aanvaardbare risico's, verbonden aan transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en het transport door buisleidingen, vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de daarbij behorende regelingen. Het doel wordt in Bevi, Bevt en Bevb vertaald naar de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico:

  • Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
  • Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

In Bevi, Bevt en Bevb zijn de risiconormen (plaatsgebonden risicoafstanden) wettelijk vastgelegd. Binnen deze afstanden mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht. Beperkt kwetsbare objecten mogen alleen onder zwaarwegende motieven binnen deze risicoafstanden. Er is in Bevi, Bevt en Bevb geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Derhalve is de risicokaart geraadpleegd.

Gemeentelijk externe veiligheidsbeleid

De gemeente Oost Gelre heeft in 2008 een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld.

Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten.

Situatie plangebied

Aan de hand van de landelijke risicokaart is een beoordeling uitgevoerd. Uit de inventarisatie blijkt dat de locatie:

  • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);
  • niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;
  • niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risico van een risicobron. Hiermee wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden van het plaatsgebonden risico.

Op het plangebied en in de directe omgeving daarvan vinden geen activiteiten plaatsvinden en/of opslag van gevaarlijke stoffen plaats, waarbij de grenswaarden voor groepsrisico en plaatsgebonden risico worden overschreden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0028.png"

Uitsnede risicokaart met blauw omcirkeld het plangebied (bron: Risicokaart.nl)

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.10 Geur

Wettelijk kader

Bij de realisatie van gevoelige bestemmingen, zoals woningen, is het van belang dat er een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd wordt. Daarom moet rekening worden gehouden met geurcontouren van bijvoorbeeld bestaande veehouderijen. Hiervoor bieden het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij (Wgh) een toetsingskader.

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgh) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning.Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor geldt minimaal aan te houden afstanden. De Regeling geurhinder en veehouderij is gepubliceerd op 18 december 2006.

Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008

De raad heeft bij besluit van 12 maart 2008 de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008 vastgesteld. Deze verordening is op 28 maart 2008 in werking getreden.

Daarbij zijn de bebouwde kommen van Groenlo, Lievelde en Vragender aangewezen als gedeelte van het gemeentelijk grondgebied waarvoor een andere geurnorm van toepassing is. Op grond van de verordening gelden de volgende waarden als maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij:

  • bebouwde kom van Groenlo: 5 odour units per kubieke meter lucht;
  • bebouwde kom van Lievelde: 7 odour units per kubieke meter lucht;
  • bebouwde kom van Vragender: 7 odour units per kubieke meter lucht.

Situatie plangebied

Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf, een melkrundveebedrijf aan de Ruurloseweg 2 in Zieuwent, bevindt zich op een afstand van circa 250 meter ten noorden van het plangebied. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de minimaal aan te houden afstand van 100 meter (voor woningen in de bebouwde kom).

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.11 Verkeer en parkeren

Verkeer

Het plangebied wordt ontsloten via de Werenfriedstraat.

Parkeren

Nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre

De nota ‘Parkeernormen gemeente Oost Gelre’ is een nadere uitwerking van het parkeerbeleid zoals dat is opgenomen in het integraal verkeersprogramma.

In deze nota is een eenduidig toepassingskader vastgelegd van de parkeernormen. Tevens zijn in deze nota de toe te passen parkeernormen van de gemeente Oost Gelre vastgelegd.

Het hanteren van parkeernormen is van belang om de vraag naar en aanbod van parkeerplaatsen met elkaar in evenwicht te houden. Bij bouwplannen (nieuwbouw, verbouw, herontwikkeling etc.) kan extra parkeerbehoefte ontstaan. De hoeveelheid en de kwaliteit van de extra te realiseren parkeer-plaatsen wordt berekend aan de hand van parkeernormen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet de initiatiefnemer in principe op eigen terrein in de eigen parkeerbehoefte voorzien. Hierdoor wordt een verhoging van de parkeerdruk in de openbare ruimte voorkomen.

De basis voor deze Nota Parkeernormen is het ASVV 2012 (Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom) en publicatie 317 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' van CROW - het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte.

Op basis van het autobezit in Oost Gelre is ervoor gekozen om de gemiddelde CROW-parkeerkencijfers als uitgangspunt te hanteren. Bij de toekomstige werkwijze bij het aanvragen van een omgevingsvergunning wordt de gemiddelde norm gehanteerd voor het aantal aan te leggen parkeerplaatsen. De normen zijn opgenomen in de nota. De parkeernormen zijn opgenomen per functie, onderverdeeld naar de stedelijke zones: centrum Groenlo en Lichtenvoorde, schil rond centrum Groenlo en Lichtenvoorde, rest bebouwde kom (overige gebieden binnen de bebouwde kom van Groenlo en Lichtenvoorde evenals de kernen Zieuwent, Mariënvelde, Harreveld, Vragender en Lievelde) en buitengebied. In de normering is rekening gehouden met een aandeel van bezoekers van 0,3 parkeerplaatsen per woning. In de nota zijn ook richtlijnen gegeven voor bijvoorbeeld maatvoering van de parkeerplaatsen en de locatie van de parkeerplaatsen. Verder is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen.

Situatie plangebied

Ter plaatse geldt het Facetbestemmingsplan parkeren met identificatienummer NL.IMRO.1586.BPPAR1800-VG01 van de gemeente Oost Gelre. Binnen het Facetbestemmingsplan is een regeling opgenomen, waarin wordt verwezen naar de gemeentelijke Parkeernota of een rechtsopvolger daarvan. Expliciet is aangegeven dat ook een rechtsopvolger het kader kan vormen. Als de Nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre wordt aangepast, dan vormt de opvolger daarvan het nieuwe toetsingskader.

Uitgangspunt is parkeren op eigen terrein. Voor de meeste woningen in het plangebied is dit mogelijk. Rijwoningen, met name tussenwoningen, hebben geen gelegenheid om op eigen terrein te parkeren. Hiervoor is parkeren in het openbaar gebied toegestaan. Binnen het plangebied worden voldoende parkeerplaatsen daarvoor gerealiseerd om te kunnen voldoen aan de normen zoals opgenomen in de hierboven aangegeven Nota parkeernormen.

Boswoningen

Voor de parkeerbehoefte wordt voor vrijstaande woningen uitgegaan van 2,0 + 0,3 = 2,3 parkeerplaats per woning. Deze worden allemaal op eigen terrein gerealiseerd.

Woonveldje

Voor de parkeerbehoefte wordt per rijwoning uitgegaan van maximaal 1,5 + 0,3 = 1,8 parkeerplaats. Voor vrijstaande woningen en/of 2-onder-een kap woningen wordt een norm van 2,0 + 0,3 = 2,3 parkeerplaats per woning gehanteerd.

Binnen het woonveld worden circa 18 woningen, waarvan 14 rijwoningen en 4 vrijstaande woningen gerealiseerd. Zodoende is er binnen het plan een parkeerbehoefte van 25,2 (rijwoningen) + 9,2 (vrijstaand) = 34,4 parkeerplaatsen. De parkeerplaatsen voor de vrijstaande woningen zijn voorzien op eigen terrein.

De benodigde parkeerplaatsen voor de 14 rijwoningen, 25 stuks, zijn voorzien in het openbaar gebied (zie illustratie).

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01_0029.png"

Conclusie

Het plan voorziet in de eigen parkeerbehoefte. In het plangebied worden ook in het openbaar gebied voldoende parkeerplaatsen aangelegd.

4.12 Kabels en leidingen

In en rondom het plangebied zijn verschillende algemene nutskabels en -leidingen aanwezig. Hiermee wordt bij de planuitwerking rekening gehouden. Er bevinden zich in of nabij het plangebied geen kabels of leidingen waarvoor in het bestemmingsplan een beschermende regeling moet worden opgenomen.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Algemeen

De beleidsdoelstellingen zijn juridisch vertaald in de regels en de bijbehorende verbeelding. De basis voor de verbeelding, de tekening, is een recente kadastrale ondergrond en topografische gegevens. Op de verbeelding is de grens van het bestemmingsplangebied aangegeven. Binnen die grens zijn de verschillende bestemmingen met verschillende kleuren en letteraanduidingen weergegeven. Voorts zijn aanduidingen opgenomen, waarnaar in de regels wordt verwezen. Uitgangspunt voor de regels zijn de planregels die in de meest recente plannen binnen de gemeente zijn opgenomen, deels aangepast aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmings Plannen 2012 (SVBP 2012) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De planologisch-juridische regeling in dit bestemmingsplan sluit zoveel mogelijk aan bij andere recente bestemmingsplannen van de gemeente Oost Gelre.

5.2 Bestemmingsplan

Het digitale bestemmingsplan 'NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01' is de verzameling geometrisch bepaalde planobjecten dat is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1586.BPBUI2027-VG01 met bijbehorende regels.

5.3 Plansystematiek

5.3.1 Indeling

Verbeelding
Op de verbeelding worden de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. De bestemming is een beschrijving van de functies waarvoor de grond mag worden gebruikt.
Op de verbeelding worden tevens aanduidingen opgenomen met het oog op het aanwijzen van gebieden waarop een specifieke regeling binnen de regels van toepassing is. Deze aanduidingen krijgen in de regels een juridische betekenis.

Regels

De regels bestaan uit vier hoofdstukken:

Hoofdstuk 1: Inleidende regels

In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). Met het oog op het kunnen bepalen van de in de regels aangegeven oppervlakte, goot- en bouwhoogten en inhoud van bouwwerken, is aangegeven waar en hoe deze worden gemeten. Tevens is aangegeven welke onderdelen van gebouwen buiten beschouwing blijven, bij het toepassen van de wijze van meten. Dit betreft het in geringe mate mogen overschrijden van bouw- en bestemmingsgrenzen met bijvoorbeeld luifels, ventilatiekanalen, schoorstenen en kroonlijsten. In de SVBP2012 zijn standaarden beschreven waaraan deze regels moeten voldoen. Indien van toepassing, worden deze één op één overgenomen.

Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels

In dit hoofdstuk zijn de (dubbel) bestemmingen vastgelegd. Per bestemming wordt het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels opgenomen.

Bestemmingsregeling 
Per bestemming zijn, voor zover noodzakelijk, de volgende onderdelen onderscheiden:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • nadere eisen;
  • afwijking van de bouwregels;
  • specifieke gebruiksregels;
  • afwijking van de gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden;
  • wijzigingsregels.


Bestemmingsomschrijving
De bestemmingsomschrijving omvat een opsomming van de functies/gebruiksmogelijkheden binnen de gegeven bestemming. Deze opsomming is van wezenlijk belang, aangezien deze de basis vormt voor de overige regels die opgenomen zijn binnen die bestemming.


Bouwregels
In de bouwregels zijn objectieve regels gesteld met betrekking tot de plaats en afmetingen van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Het is mogelijk dat bestaande, legale gebouwen afwijken. Onder bestaand wordt verstaan de ‘bestaande situatie’ zoals deze is vastgelegd op basis van de veldinventarisatiegegevens, alsmede de gemeentelijke bouw- en milieudossiers, de luchtfoto’s, de Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG), zoals deze bij de gemeente bekend waren ten tijde van de inwerkingtreding van het Bestemmingsplan Buitengebied.


Afwijken van de bouw- of gebruiksregels
Afwijkingen bij een omgevingsvergunning worden gebruikt om een bestemmingsplan flexibel te maken. Er is bijvoorbeeld een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om af te kunnen wijken van de opgenomen maatvoeringen, met een maximum van 10%.


Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden
Op grond van de Wro is het mogelijk om ter bescherming van de functies in bestemmingsplan, een omgevingsvergunningstelsel op te nemen waarmee bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden omgevingsvergunningplichtig worden. In het bestemmingsplan geldt bijvoorbeeld voor de gronden met de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde' een omgevingsvergunningplicht.

Hoofdstuk 3: Algemene regels

In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen - dat wil zeggen: het gehele bestemmingsplan betreffend - karakter. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en parkeerregelgeving.

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels

In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene bepalingen betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.3.2 Bestemmingsregels

Agrarisch

Deze bestemming geldt voor de reeds lange tijd bestaande hoogstamboomgaard met enige opstallen. Deze opstallen blijven (na herbouw/ renovatie) ook in de nieuwe situatie dienst doen als uitvalsbasis annex kantoor-, vergaderruimte en stallingsruimte voor de vrijwillige Zieuwentse landschapswerkgroep.

Het bedrijfsmatig houden van dieren is uitgesloten. Hobbymatig mogen enkele dieren qorden gehouden.

De maximaal toegestane oppervlakte bebouwing binnen het bouwvlak bedraagt 150 m2. Als maximale bouw- en goothoogte wordt respectievelijk 5 meter en 3 meter opgenomen.

Groen

De bestemming betreft gronden waarop uitsluitend groenvoorzieningen, paden, sport- en spelvoorzieningen, water e.d. zijn toegestaan. Gebouwen zijn in deze bestemming niet toegestaan met uitzondering van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen.

Tuin

Deze bestemming geldt met name voor de voortuinen van woningen. Op gronden met deze bestemming mag beperkt gebouwd worden.

Verkeer

Deze bestemming is opgesteld voor de openbare verkeersruimte in het plangebied. De woonstraten, aanliggende troitoirs, parkeerplaatsen, bermen en beplantingen maar ook de nutsvoorzieningen zijn in deze bestemming opgenomen.

Wonen

Bestemmingsomschrijving

De beoogde woonpercelen met woningen en achtertuin krijgen, gemeten vanaf de voorgevel, de bestemming 'Wonen'. Voor de te realiseren woningen zijn bouwvlakken cq. stroken aangegeven waarbinnen de woning(en) gebouwd moet(en) worden. De maatvoeringen zijn op de verbeelding op de plankaart aangegeven. Hier staan ook het aantal maximale woningen per bouwvlak aangegeven. Bij de woning mag maximaal 70 m2 aan bijbehorende bouwwerken worden opgericht. In de woning opgenomen bijbehorende bouwwerken worden in deze oppervlakte meegenomen.

Naast het wonen op het perceel is een aan huis gebonden (dienstverlenend) beroep toegestaan, zolang de oppervlakte niet meer bedraagt dan ten hoogste 50 m2. Hierbij geldt dat de woning in overwegende mate de woonfunctie moet behouden en het beroep moet passen in de woonomgeving.

In de bouwregels is onderscheid gemaakt tussen een hoofdgebouw (de woning) en bij het hoofdgebouw behorende bijbehorende bouwwerken.

Het hoofdgebouw mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, terwijl bijbehorende bouwwerken zowel binnen als buiten het bouwvlak zijn toegestaan, op minimaal 3 m achter de voorgevel van de woning.

De toegestane bouwwijze (vrijstaand en aaneengebouwd) alsmede de maximale goot- en bouwhoogte zijn in de regels maar ook op de verbeelding aangegeven.

Bouwregels

De maatvoering en de oppervlakte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is geregeld in de bouwregels waarbij onderscheid is gemaakt tussen hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Afwijken bouwregels

Er zit enige flexibiliteit in de toegestane bouwwijze waarbij een vrijstaande woning kan worden omgezet naar een twee onder één kap woning. Wel is hiervoor een afwijking van de regels noodzakelijk.

Afwijken gebruiksregels

Met deze afwijkingsregels kan worden afgeweken van het gebruik zodat een aan huis verbonden bedrijf, andere bedrijfsactiviteiten en mantelzorg op het woonperceel mogelijk zou kunnen zijn.

Wonen - 1

Bestemmingsomschrijving

Deze bestemming is specifiek opgenomen voor de drie vrijstaande boswoningen. De positie van de woning staat vrij waardoor er geen bouwvlakken zijn opgenomen. De maatvoeringen zijn op de verbeelding op de plankaart aangegeven. Hier staan ook het aantal maximale woningen aangegeven. Bij de woning mag maximaal 70 m2 aan bijbehorende bouwwerken worden opgericht. In de woning opgenomen bijbehorende bouwwerken worden in deze oppervlakte meegenomen.

Naast het wonen op het perceel is een aan huis gebonden (dienstverlenend) beroep toegestaan, zolang de oppervlakte niet meer bedraagt dan ten hoogste 50 m2. Hierbij geldt dat de woning in overwegende mate de woonfunctie moet behouden en het beroep moet passen in de woonomgeving.

In de bouwregels is onderscheid gemaakt tussen een hoofdgebouw (de woning) en bij het hoofdgebouw behorende bijbehorende bouwwerken.

Bouwregels

De maatvoering en de oppervlakte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is geregeld in de bouwregels waarbij onderscheid is gemaakt tussen hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Afwijken gebruiksregels

Met deze afwijkingsregels kan worden afgeweken van het gebruik zodat een aan huis verbonden bedrijf, andere bedrijfsactiviteiten en mantelzorg op het woonperceel mogelijk zou kunnen zijn.

Archeologie

De te beschermen archeologische waarden in de bodem zijn opgenomen als dubbelbestemming. De betrokken gronden zijn op de verbeelding aangegeven. Dit is gebaseerd op de gemeentelijke archeologische beleidskaart.


In het bestemmingsplan komen de volgende categorieën voor:

Bestemming   Parapluplan Archeologie  
Waarde - Archeologisch waardevol gebied 2   Onder voorwaarden bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv en groter dan 50 m2  
Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 1   Onder voorwaarden bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv en groter dan 250 m2  
Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 2   Onder voorwaarden bodemingrepen dieper dan 40 cm -Mv en groter dan 250 m2  
Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 3   Onder voorwaarden bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv en groter dan 1.000 m2  
Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 4   Onder voorwaarden bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv en groter dan 5.000 m2  

Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat bij opeenvolgende bouwaanvragen waarbij een bepaalde oppervlakte aan grond als voorwaarde is geformuleerd, dezelfde grond opnieuw bij de afweging omtrent vergunningverlening wordt betrokken. De anti-dubbeltelbepaling wordt conform het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) overgenomen in het bestemmingsplan.


Algemene gebruiksregels
In het artikel 'Algemene gebruiksregels' is aangegeven welke gebruiksvormen in ieder geval strijdig zijn met het bestemmingsplan. Het verbod om gronden en bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan te gebruiken is geregeld in de Wabo, ex art. 2.1 lid 1 sub c.


Algemene afwijkingsregels
In de algemene afwijkingsregels is onder andere geregeld dat nutsvoorzieningen kunnen worden gerealiseerd tot een maximum van 75 m3. Tevens is overschrijding van de hoogten en oppervlakten tot een maximum percentage van 10% mogelijk. Verder is afwijking mogelijk voor zendmasten en onder voorwaarden verschuiving van bijvoorbeeld bouwgrenzen.


Algemene wijzigingsregels

In de algemene wijzigingsregels is de wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het in geringe mate aanpassen van het plan. Daarnaast zijn het oprichten van bouwwerken ten behoeve van openbaar nut opgenomen. Aan het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid zijn voorwaarden gekoppeld.

Parkeerregelgeving

In artikel 19 is de regeling voor parkeren opgenomen. Op basis hiervan kan als voorwaarde voor vergunningverlening een parkeernorm worden opgelegd. In de regeling wordt verwezen naar de gemeentelijke Parkeernota of een rechtsopvolger daarvan. Als de Nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre wordt aangepast, dan vormt de opvolger daarvan het nieuwe toetsingskader.


Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
In het bestemmingsplan is het overgangsrecht conform het Bro opgenomen. De peildata voor bouwen en gebruiken zijn gelijkgetrokken en gelegd op de datum waarop het bestemmingsplan in werking treedt.

Slotregel

In de slotregel is aangegeven onder welke benaming de regels kunnen worden aangehaald.

 

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg

Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Bij de gewenste ontwikkelingen zijn geen rijks- en provinciaal belang in het geding. De gemeente heeft met het opstellen van het Ontwikkelkader Zieuwent afstemming gehad met de provincie.

Het waterschap is betrokken bij het opstellen van de waterparagraaf en de uitgangspunten. De gemaakte opmerkingen zijn hierin verwerkt. De waterparagraaf wordt voor realisatie van de woningen, in overleg met het waterschap, nader uitgewerkt in een waterhuishoudkundig plan.

Zienswijzen

Het ontwerp bestemmingsplan wordt op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegd. Een ontwerp bestemmingsplan heeft voor een ieder zes weken ter inzage gelegen van 11 maart 2022 tot en met 21 april 2022. Binnen deze termijn zijn er zienswijzen ingediend.

De ingediende zienswijzen zijn verwoord en beantwoord in een 'Nota Inhoud en beantwoording zienswijzen en ambtelijke wijzigingen' welke als bijlage is bijgevoegd.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan.

Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

In het voorliggende geval zijn afspraken omtrent het kostenverhaal (waaronder planschade) vastgelegd in een anterieure overeenkomst tussen de gemeente Oost Gelre en initiatiefnemers. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van het plan verzekerd.